VIERDE BOEK.

VIERDE BOEK.HOOFDSTUK I.Op de goederen van den graaf van Dolgorow, niet ver van Smolensko aan den Dnieper gelegen, was alles in de grootste opschudding. Twee narichten, die de bewoners van het slot, alsmede de tot de heerlijkheid behoorende dorpen voor eenige uren ontvangen hadden, brachten eene algemeene, hoewel zeer tegenstrijdige ontroering te weeg. Het eene was verblijdend, want een vooruitgezonden jager meldde de aankomst van den graaf uit Petersburg. Hij had zich met zijne betrekkingen meer dan twee jaren buitenlands opgehouden; gedurende dien tijd hadden zijne lijfeigenen het wel streng, maar naar hunne begrippen rechtvaardig beheer dikwijls gemist. Zijne nabijzijnde terugkomst verwekte dus eene algemeene vreugde. Deze werd intusschen zeer getemperd door eene andere tijding, welke de rentmeester, die in de stad ter markt was geweest, vandaar hadmedegebracht. De vijand, heette het, was werkelijk in het rijk gevallen, de krijg had een aanvang genomen, en reeds trokken de russische legers, tegen de zegevierende wapenen van den franschen keizer niet bestand, op alle punten terug. Zooals gewoonlijk waren de geruchten uiterst overdreven. Men wilde reeds weten, dat vorst Bagration volkomen geslagen was; volgens anderer zeggen, moest generaal Barclay de Tolly den maarschalkDavoustbij Grodno ontmoet en na een bloedigen slag den terugtocht aangenomen hebben. De grootste ontsteltenis had zich dus van de landlieden meester gemaakt; want, van de afstanden onkundig, geloofden zij het verderf reeds nabij. Troepsgewijze schoolden zij voor de poorten van het slot samen en verlangden raad en uitkomst; de rentmeester had moeite hen tot bedaren te brengen, en dit gelukte hem slechts door de verzekering, dat de komst van den heer geen ander doel had, dan om in deze gevaarlijke omstandigheden voor de zijnen zorg te dragen. Intusschen heerschte er toch een bangen schrik onder de gemoederen, en de hoogbejaarde geestelijke van het dorp, Gregorius, had al de waardigheid van zijne bediening noodig, om de moedeloozen eenigszins op te beuren. „Vreest niet, mijne vrienden,” sprak de waardige priester, in het midden van den kring tredend; „Ruriks volk staat onder de bescherming des Hemelschen Vaders, van Moeder Maria en van alle heiligen. Denkt gij, dat zij de heilige altaren aan den roekeloozen vijand zullen prijsgeven? Nimmermeer, zeg ik u, zullen die vreemden den ouden stam der Russen onder het juk brengen! De heilige Iwan, wiens gouden kruis te Moskou op den koepel der hoofdkerk staat, is machtiger dan al die duizenden, die de vreemde veroveraar aanvoert. Ik zeg u, de stem des verderfs is het, die zij volgen, zij vlamt bloedig voor hen uit en lokt hen in een gewissen ondergang! Even als de scharen van koning Farao in de golven der zee omkwamen, zoo zullen ook de boosdoeners versmachten in onze duizendjarige bosschen, waaraan nog geen bijl geraakt heeft. De huilende wolf zal aan hunne beenderen knagen, de krassende raaf zal zich aan hun bloed zat drinken. Want met ons zijn de heerscharen der engelen, en ons beschermt de gebenedijde Moeder Gods. Daarom moogt gij niet bevreesd zijn, maar moet u wapenen, als kampvechters van den heiligen Iwan. Van de Niemen, die Ruriks rijk in het westen begrenst, tot aan de breede Wolga, tot aan het Uralgebergte, dat aan den uitersten rand van Europa ligt, zal de vijand geene plaats vinden, waar hij het hoofd veilig kan neerleggen. Gastvrij is de haard van den Rus, herbergzaam zijne hut, maar aansteken zult gij ze met het vuur van den eigen haard, eer zij tot schuilplaats dient aan den vijand, die gekomen is, om de graven onzer czaren in de heilige stad om te woelen en de altaren van onzen God omver te halen. Daarom moet gij niet vluchten, mijne kinderen, maar vechten. Wien de bijl van den man niet neerslaat, dien moog de vergiftigde maaltijd van de huisvrouw van de aarde verdelgen. Krijt niet, trekt u het grijze haar niet uit het hoofd en den baard. Ik zeg u, gij zult leven, gij en uwe kinderen, om gelukkige dagen te zien!”Zoo sprak de vurige priester tot het verzamelde volk der Muskovieten, die hem met verbazing en eerbied aanhoorden; want reeds vijftig jaren woonde hij in hun midden als een getrouw zielverzorger, en reeds vierenzeventig malen had hij het ijs der rivieren door de lentezon zien losdooien.Het slot lag op eene hoogte, van waar men de bochten van den Dnieper tot op verren afstand overzien konde. Deze kronkelde tusschen groene, steile heuvels door, langs welke de landstraat naar Smolensko heenliep; in het verschiet rezen de torensdier stad, door het avondrood verlicht, omhoog. Een der landlieden, die zijn scherp oog naar die zijde gericht hield, riep eensklaps: „Daar komt onze heer!”Allen wendden de blikken in die richting en barstten in een luid gejuich los, toen zij drie wagens op de straat zagen naderen. Met vroolijk geschreeuw snelden zij den heuvel af, om de aankomenden te begroeten. Het was inderdaad de graaf Dolgorow met zijne gade en dochter Feodorowna: de beide vrouwen zaten in het eerste rijtuig; in het tweede bevond zich de graaf en naast hem een vreemde van een krijgshaftig voorkomen; in het derde volgden eenige bedienden. Zoodra hij de verzamelde landlieden gewaar werd, liet de graaf de wagens stilhouden en steeg uit. Met deemoed, de handen over de borst gekruist, groetten de vasallen hun gebieder en beijverden zich de zoom van zijn kleed te kussen. De vrouwen bogen en kromden zich met gelijke deemoedigheid voor de gravin. Feodorowna, eene rijzige gestalte, was de eenige die deze slaafsche eerbetuigingen niet duldde, maar vrouwen en meisjes, die haar naderden, vriendelijk de hand reikte. De graaf wees na eenige minuten de onstuimige genegenheidsblijken zijner onderhoorigen slechts in zoo verre met koelheid af, als zij hem lastig begonnen te worden. Intusschen spraken hij en zijne gemalin welwillend met de lieden en beklommen, tusschen hen doorgaande, den heuvel. Ook de geestelijke, wiens schreden de ouderdom vertraagde, was thans genaderd, drong door de menigte heen en begroette den graaf met eerbied, doch zonder kruipende gedweeheid. „Zie daar vader Gregoor, wees mij welkom,” sprakDolgorow. „Ik was bijna bekommerd, dat ik u niet weder zou vinden, want bij mijn laatste afwezigheid reeds stondt gij aan den grenspaal des levens. Het verheugt mij, dat deze lentezon ook nog voor u is opgegaan.”„Mijne krachten zijn nog onverzwakt,” hernam de priester; „schoon ik elken dag de roepstem verwacht, die mij voor den troon des Almachtigen daagt, kan ik toch, Zijner ontferming zij dank, nog op aarde de plichten vervullen, die Hij mij hier op de schouders heeft gelegd.”Inmiddels trad Feodorowna nader. „Heil en zegen op uw hoofd, mijn vader! Hoe innig verheugt het mij, u nog zoo gezond en krachtig weder te zien.”„De Moeder Gods zij met u en neme u in hare heilige bescherming,” sprak de grijsaard en klemde met zijne linkerhand die van Feodorowna vast, terwijl hij de rechter zegenend op haar hoofd leide. „Gij hebt u wel bevonden in de hoede van de engelen des Heeren, mijne dochter, en zijt schooner teruggekeerd, dan gij, als eene teedere spruit, van ons henen gingt. De heiligen hebben mijne beden verhoord, want dagelijks smeekte ik hen, u op uwe gangen te geleiden.”„O, voorzeker zijn uwe vrome beden verhoord, goede vader,” hervatte Feodorowna met merkbare aandoening, „want God was ons steeds nabij in gevaren en nood.” Zij scheen meer te willen zeggen, doch een ernstige blik des vaders, wien de vertrouwelijke toon tusschen zijne dochter en den priester blijkbaar onaangenaam was, deed haar afbreken en zwijgen. Op hetzelfde oogenblik trad de vreemde, een schoon, rijzig man in den bloei der jaren, op haar toe en bood haar den arm, om haar den steiler wordenden weg verder op te geleiden. De graaf wandelde inmiddels tusschen zijne vasallen voort en sprak nu dezen dan genen aan, om naar hunne huiselijke omstandigheden en hetgeen gedurende zijne afwezigheid voorgevallen was, onderzoek te doen. „Gij hebt uwe vrouw verloren,Isaäk,” zeide hij tot een reeds bejaarden landman. „Ja, genadige heer,” was het antwoord, „zij stierf in den verloopen winter, en sedert ontbreekt eene huishoudster in mijn hut.”„Uw oudste zoon zal trouwen,” hervatte de graaf; „Wasiliewsdochter kan zijne vrouw worden; ik zal dezer dagen voor de bruiloft zorgen.” De oude man boog zich nederig bij dit bevel; want dat was het woord van den heer.De rentmeester vernam behoedzaam naar de krijgsgebeurtenissen.„De vijand rukt tegen onze grenzen op,” hernam de graaf; „met man en macht dringt hij voorwaarts; ik ben hoofdzakelijk hier gekomen, om de vereischte maatregelen van voorzorg te nemen.”„Ik hoorde heden morgen in Smolensko...” begon de oude met een geheimzinnig en tevens bedenkelijk gelaat.„Denkelijk dezelfde oudewijvenpraat, die ook mij vervolgde,” viel de graaf hem barsch in de rede, zonder zich verder uit te laten.De nieuwsgierige rentmeester beproefde nog eenmaal zijn geluk en vervolgde met een bedrukt gelaat: „Men was hier reeds zeer bezorgd...”De graaf, niet gewoon, zich met zijne dienstbaren in gesprek in te laten, keerde hem zonder antwoord den rug toe en sprak den geestelijke aan: „Ik zal uwe hulp van noode hebben, Gregoor, om den moed mijner onderdanen staande te houden, vooral wanneer men hen door de uitstrooiing van ongerijmde sprookjes onnutte bezorgdheid verwekt.” De rentmeester verschool zich onder den hoop, weltevreden, dat zijne voorbarigheid niet strenger gestraft werd.„Ik zal de harten des volks ontvlammen voor het geloof hunner vaderen, voor den ouden troon der czaren, voor het heiligdom des vaderlands,” antwoordde de grijsaard.„Gij zult wèldoen,” hernam de graaf; „doch haat vermag meer dan liefde, en daarom zag ik liever, dat gij hunne zielen met onverzoenlijken wrok tegen de vijanden vervullen wildet. Schilder de Franschen af als roovers, slechts gekomen, om onze velden te verwoesten, onze dorpen en steden met vuur te vernielen, de kudden weg te voeren, vrouwen en dochters te onteeren en de mannen te vermoorden.”„Mochten zij dit alles, mochten zij nog vreeselijker gruweldaden met ons voor hebben,” hervatte Gregoor, „mijn plicht als priester zou daarom nog vorderen, vergevensgezindheid en liefde jegens hen te prediken; maar zij komen als vijanden Gods, als omverwerpers onzer tempels, en dien gruwel moeten wij wreken; de andere goederen, de vergankelijke schatten des levens, mogen wij slechts verdedigen.”Een diepe rimpel op des graven voorhoofd bewees, dat hij met dit antwoord niet tevreden was. Doch hij zweeg, wel bewust, dat hij eer eene steenrots dan Gregoors geloofsbelijdenis en godsdienstige meening aan het wankelen kon brengen.Middelerwijl had men de slotpoort bereikt en de graaf trad zijne woonstede binnen, terwijl de landlieden buiten bleven. Slechts vader Gregoor volgde hem op zijn wenk de trappen op. „Wacht ons in de eetzaal, vrome vader,” sprak hij; „zoodra wij onze reiskleeding afgelegd hebben, zullen wij u daar opzoeken. Ik zelf zal binnen eenige minuten weer bij u zijn, om eene belangrijke aangelegenheid met u te bespreken.” Met deze woorden verdween hij; de vrouwen begaven zich eveneens naar hare vertrekken; de vreemdeling werd naar de voor hem bestemde kamer geleid.Gregorius trad de zaal binnen, waar hij den graaf moest wachten. Sinds twee jaren had hij dit gedeelte van het slot niet betreden. Het vertrek was in een voorvaderlijken, zonderling gemengden stijl gebouwd. Vier hooge gothische boogvensters zagen naar de rivierzijde op het landschap uit, zoodat de gloeiende avondhemel zijn gulden weerschijn in de verwulfde hal wierp. De wanden waren met zuilen van zwart marmerversierd; in de tusschenruimten hingen de levensgroote, in ouderwetsche lijsten gevatte beeltenissen van het grafelijk geslacht. De vloer was van hout; even zoo de lambrizeeringen en paneelwerken, naar den trant der eeuw van Lodewijk XIV, met vergulde richels afgezet. Twee reusachtige kroonlichters hingen van het verwulfsel der zoldering naar beneden; ter weerszijden aan de wanden prijkten zware, dubbelarmige kandelaars. Het geheel getuigde van pracht en rijkdom, maar had tevens een somber, bijna huiveringwekkend aanzien, dat zich zelfs aan de landstreek en den hemel, voor zoover beiden zich in de gothische boogswijze vensterlijsten vertoonden, mededeelde en, schoon men zich eerst in Juni, de eigenlijke lentemaand dezer gewesten, bevond, daaraan een herfstachtigen, treurigen tint verleende.Gregorius zette zich in een der breede leunstoelen neder en gaf aan zijne ernstige, sombere mijmeringen den vrijen loop. Vierenzeventig jaren heb ik geleefd, dacht hij, en mijn werken was vroom en vreedzaam; geen snood geweld bedreigde de heiligdommen, die aan mijne zorg waren toevertrouwd. En nu, in de late herfstdagen mijns levens, daar mijn pad reeds dicht aan den rand van het graf heenloopt, nu moet ik nog de palm des vredes met het zwaard der wraak verwisselen! Maar Gods wil geschiede. Hem is de frissche dauw, de zachte regen, de warme zonnestraal; Hem zijn ook de bliksems en donders van den verduisterden hemel. Hij zende zijne dienaren tot zegen of ter wrake uit, om de vromen te bemoedigen en liefderijk tot hem op te leiden of om de goddeloozen in den afgrond der hel, waaruit zij gekomen zijn, terug te slingeren: Gregorius zal zijn grijs hoofd gewillig buigen onder den last, dien de Vader hem oplegt.Terwijl hij, in deze gedachten verdiept, zijn gelaat naar de ondergaande zon, het schoone beeld zijns aardschen levens, gewend had, waren de vleugeldeuren der zaal geopend en was graaf Dolgorow binnengetreden. Niettegenstaande zijn trotschen gang, niettegenstaande den heerschersblik, die onder het fiere voorhoofd vlamde, scheen toch zijn gansche wezen onder den knellenden last van kommer en bezwaren gebukt te gaan. „Ik heb ernstige dingen met u te verhandelen, vader Gregoor,” begon hij, driftig op den grijsaard toetredend en hem verhinderend van zijn zetel op te staan; „wij moeten van dit oogenblik, dat wij alleen kunnen zijn, gebruik maken.” Dit zeggende greep hij een stoel en nam tegenover den priester plaats.„Het is een ernstige tijd,” hernam Gregoor en schudde bedenkelijk het eerwaardige hoofd.„Eer wij over zaken handelen, die het land en ons allen betreffen, heb ik dingen met u te bespreken, die mij in het bijzonder aangaan. De vreemde heer, die mij verzelt, is de vorst Ochalskoi, overste in het keizerlijk leger. Ik wil mijne dochter Feodorowna aan hem uithuwelijken, maar zij zoekt uitvluchten en tracht zich door het kinderachtig besluit van in een klooster te gaan aan mijne vaderlijke bevelen te onttrekken. Gij Gregoor, hebt den meesten invloed op haar hart; van u verwacht ik dus, dat gij haar tot gehoorzaamheid bewegen zult.”De priester wilde antwoorden, doch Dolgorow kwam hem voor: „Laat mij uitspreken, vader. Gij weet wellicht niet, wat ik in deze gevaarvolle tijden voor het vaderland heb opgeofferd. De vurige begeerte, om in eene gewichtige betrekking te geraken en eereposten en beambten te erlangen, waardoor ik deel kon nemen in het bestuur der zaken, deed mij alles op het spel zetten. Mijn aanzienlijk vermogen is te niet en nog ben ik niet aan het doel, dat ik mij had voorgesteld. Het huwelijk mijner dochter metden prins moet het mij doen bereiken; niet slechts zijn onmetelijke rijkdom, maar ook zijne machtige betrekkingen geven mij daartoe de middelen in handen; zelfs ben ik reeds op dit oogenblik door zulke verplichtingen aan hem verbonden, dat ik mij slechts door hem op het standpunt kan handhaven, waarop ik mij thans bevind. Het geldt het geluk, de eer des vaders; na deze verklaring zult gij Feodorowna's plichten uit het juiste oogpunt weten te beschouwen. Op u stelt zij vertrouwen; van u, vrome vader, verwacht ik hulp. Ik zou haar kunnen dwingen; doch liefst wil ik dat uiterste vermijden. Ook vrees ik, dat des vorsten trotschheid hem eene gade zou doen weigeren, die niet vrije verkiezing, maar nooddwang in zijne armen voert. Want waarlijk, hij bemint Feodorowna.”Gregorius zweeg eenige oogenblikken, vervolgens antwoordde hij zacht, maar met vastheid: „Het grieft mij, vader en dochter in onmin te zien; maar ik ken Feodorowna's hart; het is groot, edel, zacht en goed. Heeft zij het aan eene heilige bestemming gewijd, wil zij werkelijk afstand doen van de genietingen dezes levens, om in de stilte des kloosters gemoedsrust en zielstevredenheid te vinden, dan mag de dienaar des Heeren haar van dien naasten en heiligsten weg ter eeuwige gelukzaligheid niet afkeerig maken.”De graaf sprong driftig op en blikte den priester met rollende oogen aan. „Hoe, ook van u ondervind ik tegenstand? Is dat misschien de vrome roeping van den geestelijke, weerspannige kinderen tegen den vader in bescherming te nemen? Maar weet, wilt gij het tot het uiterste drijven, ik doe hetook, en de tijd zal leeren of de hardnekkigheid van een meisje, door een priester ondersteund, den ijzeren wil eens vaders breken kan.”Gregorius zag den graaf ernstig, maar bedaard aan. „Gij verstaat mij zeer verkeerd, heer graaf,” antwoordde hij, „wanneer gij gelooft, dat ik de ongehoorzaamheid eener dochter tegen den vader verdedigen wil; veeleer het tegendeel. Maar ik wil haar beproeven en zien of zij werkelijk een gebod van haren Vader in den hemel vervult; en dit zult gij toch toestemmen, dat Zijne bevelen meer kracht hebben, dan de uwe.”De graaf knarsetandde van woede en stapte onstuimig de zaal op en neder, terwijl Gregorius bedaard zijne plaats hield, en, daar de stralen van het avondrood op zijne zilveren lokken neervielen, in zijne ernstige, vrome houding een heilige geleek. Dolgorow trad weder op hem toe en sprak met gedwongen kalmte: „Wees verstandig, Gregorius, schik u naar mijne wenschen. Herinner u, dat gij mij nog veel te vragen hebt. Uw wensch, de kerk vernieuwd te zien, zal niet slechts vervuld, maar zelfs verre overtroffen worden. Van den grond af zal ik haar prachtig opbouwen, het Lieve vrouwenbeeld.....”„Wilt gij den Heer des hemels en der aarde omkoopen?” hervatte Gregorius, het hoofd schuddende. „O heer graaf, reeds dertig jaren woon ik op dit goed, en nog kent gij mij zoo weinig. Uw vader.....”„Het is genoeg,” viel Dolgorow hem grimmig in de rede. „Ik hoopte met goedheid mijn doel te bereiken, uwe stijfkoppigheid dwingt mij tot geweld. Welaan dan, gij moogt uw zin doen, en Feodorowna mag beproeven of zij macht heeft, den vader weerstand te bieden, die haar huwelijk onherroepelijk besloten heeft.”„De keus van een echtgenoot hangt van u af,” hervatte Gregorius; „doch haar wil is vrij; verlangt zij ongehuwd te blijven en den sluier aan te nemen, zij mag het; want zij is vrij geboren en niet uwe lijfeigene.”„Zij is....” barstte de graaf, door Gregorius' onveranderlijke bedaardheid nog meer verbitterd, in woede uit, maar bedwong zich eensklaps, daar de deur geopend werd en de gravin binnentrad. „Wij spreken er morgen verder over,” sprak hij haastig, doch zacht, en ging zijne echtgenoote te gemoet. Met de behendigheid eens hovelings wist hij de hartstochtelijke beweging zijner ziel onder een vroolijk, welwillend lachje te verbergen en sprak haar op de ongedwongenste wijze aan. „Nu, lieve, wees welkom in deze welbekende zalen. De menigvuldige zorgen, die ons zoo lang ontrustten, zullen, hoop ik, niet verhinderen, dat wij ons hier eenige dagen recht thuis en tevreden gevoelen.”„Ook ik hoop het,” hervatte de gravin, „ofschoon ik de toekomst met zorg en kommer te gemoet zie. Wat zullen de eerstkomende maanden, die anders slechts het schoone brengen, niet al de rampen over ons vaderland uitstorten!”„Daarvoor zal, vertrouw ik, de winter, die ons anders zoo ruw en barsch toeschijnt, voor ditmaal de weldadige beschermer van ons land worden. De verschrikkingen, die Rusland boven het hoofd hangen, komen ons vreeselijker voor dan zij inderdaad zijn; de vijand weet niet, achter welke wallen en muren dit rijk zeven maanden lang elken aanval trotseeren kan. Wij zullen misschien den oogst van een jaar, den tienjarigen wasdom van onze onmetelijke bosschen verliezen; meer ducht ik niet. Geven wij dien vijand dezen grond voor één zomer ten beste, den naastvolgenden zal hij ons dien, door zijn bloed gemest, des te vruchtbaarder teruggeven. In veldslagen mag de groote wereldveroveraar onoverwinnelijk zijn; laat zien of hij ook op velden van zand en asch oogsttijd houden, of hij zijne soldaten onder den vrijen hemel tegen den noordschen herfst, laat staan tegen den winter beschutten kan. Hij moet, terwijl wij spreken, over de Niemen zijn getrokken; het is zijn Rubicon; Caesars schijngeluk nam een droevig einde. Niet waar, eerwaarde vader,” wendde hij zich tot Gregorius, „ook gij hebt hoop, dat Rusland dezen kamp roemrijk zal ten einde brengen.”„De kracht des volks en de genade van God zullen het staande houden,” hervatte de geestelijke. „Wanneer alle gemeenten tegen de bloedige verdelgers onzer heiligdommen zoo handelen, als ik het van de mij toevertrouwde schaar verwachten mag, dan zouden de heirscharen van Xerxes niet toereikend zijn, om ons vaderland ten onder te brengen.”Vorst Ochalskoi trad, in de uniform van zijn regiment, de zaal binnen. Dolgorow verwelkomde hem en trok hem dadelijk in het gesprek. „Het verheugt mij,” ging hij hierop voort, „dat gij reeds uit eigen beweging werkzaam geweest zijt, vader Gregoor; want eene hoofdreden, waarom ik thans mijne goederen bezoek, is, daarover met u te spreken en u den wil des keizers omtrent het een en ander mede te deelen. In den grooten krijgsraad te Petersburg is besloten, denschijnder overwinning zoo lang mogelijk aan den vijand te laten, ten einde dezekerheiddes te gemakkelijker voor ons zelven te kunnen behouden. Onze legers zullen hem dus slechts daar weerstand bieden, waar hij elk voordeel met tallooze offers betalen moet; te vergeefs zal hij op een slag hopen, te vergeefs in rustelooze marschen dag en nacht de krachten van zijn leger uitputten, om het eeuwig voor hem uitzwevende schijnbeeld der overwinning te grijpen. Nergens zal hij eene rustplaats voor de vermoeiden vinden, overal moet hem de ledige, schrikbarende wildernis ontvangen, tot eindelijk moedeloosheid en muiterij de banden tusschen leger en veldheer losknoopen.”„De hemel geve,” sprak de gravin half zuchtende, „dat het plan gelukke, dat zoo vele offers niet vruchteloos zijn mogen!”„Wat zal er worden opgeofferd,” hernam Ochalskoi, „dan eenige weinige dorpen en steden, die tegen de onmetelijke uitgestrektheid van ons rijk in het niet verdwijnen! En hun, die verliezen moeten, zal de genade des keizers rijkelijk vergoeding schenken.”„Doch waar blijft Feodorowna?” vroeg Dolgorow, die reeds meermalen onrustig naar de deur gezien had. „Ga naar boven,” gebood hij den bediende, die aan de deur postvatte om op den eersten wenk des meesters bij de hand te zijn, „en zeg aan gravin Feodorowna, dat hare tegenwoordigheid ons hoogst aangenaam zal zijn.” De bediende ging en berichtte na eenige minuten, dat de gravin eenige meisjes uit het dorp bij zich had.„Waarschijnlijk de gespelen harer jeugd,” zeide de moeder, „welke zij dadelijk heeft laten ontbieden.”„Dan zullen wij nog een uur geduld moeten hebben,” sprak Dolgorow gemelijk. „Ga in allen gevalle zeggen, dat wij de gravin bij het avondeten wachten, en draag zorg, dat de tafel spoedig gereed zij. Want ik denk,” hiermede wendde hij zich tot de overigen, „dat gij allen even hongerig en vermoeid zijt als ik, die door de reis inderdaad een weinig overspannen ben.”HOOFDSTUK II.Op hare kamer gekomen, had Feodorowna dadelijk haar kamermeisje uitgezonden om eenige meisjes te roepen, die met haar in het slot als gespelen waren opgevoed. Het lot dezer arme kinderen scheen haar uiterst droevig, want nadat zij het geluk van eene betere betrekking en hoogere beschaving ten halve gesmaakt hadden, moesten zij in den nu eerst recht drukkenden stand der lijfeigenschap terugkeeren en de akelige woningen en ruwe bezigheden der behoeftige ouders tot de hare maken. Het waren drie dochters van landlieden, met wie zij de gelukkige, zorgelooze uren harer jeugd doorleefd had:Kathinka, Olga en Axinia. Alle drie waren van haren leeftijd; Kathinka en Olga, goede, schuldelooze wezens, doch door de bekrompene, slaafsche denkwijze, die den lijfeigenen door alle betrekkingen des levens wordt opgedrongen, bijna geheel verstompt. Zij ontvingen de bewijzen van liefde en de geschenken, haar door Feodorowna medegebracht, met eene deemoedige dankbaarheid, zonder den moed te hebben hare blijdschap te uiten. Axinia daarentegen toonde eene diepe innerlijke aandoening; zij was dankbaarder voor de liefde dan voor de gaven; echter drukten de tranen, die haar wangen bevochtigden, ook nog iets anders uit. Feodorowna, die met deelneming naar alles onderzoek deed, wat tot de omstandigheden harer drie voormalige gezellinnen betrekking had, trachtte ook de reden van Axinia's kommer uit te vorschen. Maar het schuwe meisje blikte beschaamd en blozend ter aarde, barstte in tranen uit, doch zweeg en zuchtte uit beklemde borst.Juist op dit oogenblik trad de bediende binnen, die haar het verzoek van den graaf om bij het avondeten te verschijnen, overbracht.„Men wacht misschien op mij?” vroeg Feodorowna.„Zijne genade,” antwoordde de dienaar met eene diepe buiging, „heeft althans bevolen, ten spoedigste op te dragen.”„Bericht mijnen vader, dat ik terstond zal komen.” De bediende verwijderde zich. „Ik moet u thans laten gaan,” sprak zij tot de meisjes, „maar morgen in de vroegte komt gij mij weer bezoeken. Zoolang ik hier blijf, hoop ik u ten minste elken dag ééns te zien.”De meisjes gingen, slechts Axinia aarzelde en scheen nog iets op het hart te hebben. „Begeert gij nog iets, mijne lieve?” zeide Feodorowna, de besluiteloosheid van het meisje bespeurende, en nam haar vriendelijk bij de hand.Axinia, in tranen stikkende, was niet in staat te antwoorden; zij sidderde merkbaar. „Wilt gij het mij alleen toevertrouwen?”—„Ja, ja!” riep de weenende.—„Nu, kom dan morgen zeer vroeg, of als gij durft, wacht mij hier op mijne kamer tot na het avondeten. Den ganschen nacht door blijft het licht en Kathinka zal uw vader wel waarschuwen, dat gij later te huis komt.”Dankbaar kuste Axinia de hand harer weldoenster en smeekte te mogen blijven. Feodorowna vergunde haar zulks en snelde hierop naar beneden, om hare ouders niet te laten wachten. Toen zij in de zaal trad, werd de tafel reeds gedekt; de vader hoorde hare verontschuldiging wegens het lang vertoeven met somber stilzwijgen aan; Ochalskoi voegde haar eenige hoffelijke uitdrukkingen toe, op dien kouden toon, welke tot juister maatstaf van het gesprokene verstrekt, dan de woorden zelve. Men zette zich aan tafel; het gesprek was gedwongen en koel. Het knellend gevoel van innerlijke tweespalt, dat de aanwezigen drukte, belemmerde elke vrije en warme ontboezeming van het gevoel. Zelfs Gregorius was niet in staat de vertrouwelijke toenadering zijner kweekelinge zoo hartelijk te beantwoorden, als anders na lange afwezigheid het geval placht te zijn, want ook hem verontrustte de gedachte aan de mededeelingen,welkede vader hem gedaan had. Zoo was de maaltijd spoedig afgeloopen, en men groette elkander even koel als men bijeen had gezeten. Gregorius vertrok en nam een hartelijk afscheid van Feodorowna. Zijne medelijdende blikken ontroerden haar, want zij verstond die. O God! alles, wat hare ziel lijden moest, had zij aan die ouders te wijten, voor welke zij van hare jeugd af de vurigste liefde gekoesterd, wie zij duizend offers gebracht had! Om hare tranen te verbergen, trad zij aan een der vensters en vestigde het oog op de landstreek, die nog altijd in de roodachtige schemering van den avondhemel gloeide, daar de zon in deze noordelijke streken slechts een weinig onder den horizont daalt, zoodat avond- en morgenrood als inéénsmelten en den ganschen luwen Juninacht met een zacht schijnsel verlichten. De stroom wentelde zijne ruischende golven tusschen de steile heuveloevers voort; twee visschersbooten doorkliefden met regelmatige riemslagen zijne zwellende vlakte; een gier-arend met breed uitgespannen vlerken zweefde statig boven de woudkruinen van den anderen oever; de torens der vesting Smolensko rezen als zwarte basalt-rotsen uit de vuurzee van den avondhemel omhoog. Eene plechtige stilte heerschte over de gansche landouw. Feodorowna blikte weemoedig over de velden heen, waar zij de dagen harer kindsheid doorleefd had. „Ach,” zuchtte zij heimelijk, „is mijn hart dan een vreemde plant op dezen bodem? Heeft hij het niet gekweekt? Of hebben zachter zeden en warmer streken mij zóó ontaard, dat ik moet wegkwijnen in het ruwe noorden? De wieg mijner dagen lacht mij niet vroolijk meer toe als voorheen, maar schijnt mij zwart en donker, als moest zij mijn graf worden. Is dan niets waar en eeuwig in de natuur? Bedriegen zelfs de heiligste banden? Goedertieren God! vergeef mij; maar gelijk de plaats mijner geboorte mij vreemd is geworden, zoo is het mij ook, als de heilige bron mijns levens troebel wordt, alsof hethart van het kind niet meer warm en vrij voor de ouders kan slaan. Koud als eene slang bekruipt dat gevoel mijne borst! Zou het dan waar zijn, dat er nog slechts eenplichtder liefde voor mij bestaat, maar dat deze zelve geheel in mij is uitgedoofd? Neen, neen! Dat kan, dat mag niet zijn, het is slechts de eeuwige vijand, die mij verblindt. De natuur is heilig, waar, rechtvaardig, slechts ons hart ontaardt. Hemelsche Moeder Gods, louter het mijne, doe de oude, heilige liefde daarin weder ontbranden, die het schuldelooze kind zoo gelukkig deed zijn.”Een groot, edel besluit was in dit oogenblik in hare ziel tot rijpheid gekomen; biddende, berouwvol, weenende wilde zij zich aan de voeten der moeder en des vaders werpen en van hunne liefde afsmeeken, wat zij zich tot hiertoe voorgenomen had door eigen standvastigheid te verkrijgen. Haastig wendde zij zich om; de zaal was ledig; slechts de bedienden waren nog bezig de tafel af te nemen. Hare ouders en vorst Ochalskoi hadden zich reeds onverschillig, zonder nachtgroet verwijderd. Hevig geschokt nu zij de vurige ontboezeming, de volle uitstorting van haar overkropt hart op zulk een grievende wijze verhinderd zag, kostte het Feodorowna moeite, hare uiterlijke bedaardheid te behouden. Eensklaps echter rees de zacht vertroostende gedachte bij haar op; er is immers ook eene ongelukkige, die verzachting van haar lijden van mij verwacht; ik wil haar vriendelijk aan dit hart drukken; wat haar kwelle of beangstige, bij mij zal zij die liefde vinden, waarnaar ik zelve zoo vruchteloos uitzie.—Met deze gedachte ging zij naar boven, om Axinia's klachten aan te hooren.Toen zij hare kamer opende, zag zij het meisje voor een Mariabeeld geknield liggen, dat tegenover de deur in eene nis geplaatst was. Om haar niet te storen, bleef Feodorowna aan den ingang staan. Axinia knielde zoo, dat slechts een klein deel van haar gelaat zichtbaar was, dat echter door het zachte schijnsel, dat van ter zijde door de vensters inviel, tooverachtig verlicht werd. De sneeuwwitte armen had zij omhoog geheven en de handen gevouwen; het hoofd was naar de hemelsche beschermvrouw gekeerd. In twee sierlijke vlechten golfde het rijke, bruine haar over den nek naar beneden. Behoedzaam trok Feodorowna de deur achter zich toe en deed zachtkens eenige schreden voorwaarts, zoodat zij het gezicht van het meisje nu bijna geheel van ter zijde kon opnemen. Thans eerst bespeurde zij de koude, versteende tranen, die het arme kind op de bleeke wangen hingen, welke zelfs de heldere gloed van den avond die haar omgaf, niet vroolijk kleuren wilde. Haar boezem zwoegde onder bange, diepe zuchten, de lippen bewogen zich al fluisterend tot een gebed; het oog hing zoo strak en roerloos aan het gelaat der hemelsche moeder, hare ziel was zoo geheel van de buitenwereld afgetrokken, dat zij de komende nog niet bemerkt had, toen deze reeds naast haar stond. Eerst toen Feodorowna haar toefluisterde: „Axinia, gij bidt?” rees zij verschrikt op, stond sidderend voor de liefderijke meesteres en wilde zich deemoedig nederbuigen om hare hand te kussen.„Neen, neen, dat niet,” sprak Feodorowna, nam haar vriendelijk in de armen en blikte haar met onbeschrijfelijke teederheid aan, „wees weder de oude vertrouwelijke vriendin. Stort uw gansche hart voor mij uit, mijn goed meisje, want ik zie, gij hebt diepen kommer!”„Ach, gij zult mij verstooten, zult mij verachten,” snikte Axinia, rukte zich los en wrong wanhopig de handen.„Axinia, wat deert u, spreek, verklaar u,” vroeg Feodorowna met angstvol vermoeden.„Neen, neen, ik kan niet,” riep de ongelukkige en bedekte haar gloeiend gelaat met beide handen.Wat waren er nog woorden noodig! Elke trek van het onder angst, schaamte en wanhoop bezwijkende meisje sprak te duidelijk. „Axinia, gij zijt gevallen! Gij?” sprak Feodorowna met smartelijke ontroering, doch zonder verwijt.Het meisje zeeg, als bezwijmende, aan hare voeten neder.„Vertreed de rampzalige in het stof,” riep zij woest en onstuimig; „ach, wees barmhartig en laat mij niet langer bidden!”Feodorowna boog zich tot haar neder en trachtte haar op te richten. „O gij ongelukkige! Sta op, wees bedaard; gij hebt troost bij mij gezocht, ik zal u niet van mij stooten.”„Neen, laat mij aan uwe voeten liggen!” riep Axinia en klemde zich, het gelaat in de plooien van haar kleed verbergende, aan Feodorowna's knieën vast.Feodorowna legde hare beide handen als zegenend op het hoofd der knielende en sprak diep ontroerd: „God richt uwe schuld. Mijn hart, dat zelfs menschelijk dwaalt, zal u niet veroordeelen; ik wil met u weenen, wil uwe smart lenigen, als dit in mijn vermogen is. O, gij waart goed, Axinia, gij waart goed ook jegens mij. Gij hadt een zacht, gevoelig hart; het kan niet slecht geworden zijn. Ik wil u niet van mij stooten, daar ik weet, wat het hart der ongelukkige zoekt. Stel vertrouwen in mij, sta op, wees geheel openhartig; dat is de eerste schrede der berouwvolle afgedwaalde.”Axinia hief het gelaat langzaam omhoog en zag naar Feodorowna op. „O, gij zijt zacht en goed, als eene heilige,” riep zij, terwijl heete tranen haar over de wangen rolden, bedekte de hulpvaardig uitgestrekte hand met kussen en liet zich door de liefderijke gebiedster oprichten, daar hare bevende knieën haar die dienst ontzeiden. Feodorownaleiddehaar naar eene rustbank en zette zich bij haar neder.Lang duurde het, eer de ontroering en schaamte Axinia vergunden, de bekentenis harer zwakheid af te leggen. De graaf had een jongen Duitscher, met name Paul, als tuinier in dienst, dien hij zeer begunstigde. Deze koesterde sinds lang eene vurige genegenheid voor de bevallige Axinia, schoon haar vader, Wasiliew, zich tegen beider verkeering verzette, daar de graaf afwezig en diens toestemming tot een huwelijk volstrekt noodzakelijk was. Zijn verblijf was toenmaals aan de bewoners der goederen geheel onbekend, daar hij sinds jaren reeds in de verst verwijderde landen van Europa rondreisde. Ook koesterde de oude bezwaren, wijl Paul de protestantsche godsdienst was toegedaan. Axinia intusschen was door de innigste liefde aan den jongeling verbonden, en onderhield met hem eene heimelijke, teedere betrekking. Toen nu de naderende lente alle levensgeesten met zoete krachten vervulde, kreeg ook in de jeugdige gemoederen de hartstocht op het strenge verbod der plichten de overhand. Paul, wiens duitsch hart zich niet met de slaafsche gezindheid der lijfeigenen vereenigen kon, geloofde bovendien het recht van den vrijen mensch te mogen uitoefenen en vertrouwde, dat, wanneer Axinia eens door de banden der liefde zijne vrouw was, zich ook de wetten naar zijn wil zouden voegen. Met koene onstuimigheid bestormde hij het zwakke, teedere meisje; haar wederstrevende wil werd zwakker en zwakker en gaf zich ten laatste krachteloos aan de zoete bedwelming van het hart over. Zijn gloeiende beden, zijne vurige kussen overwonnen hare tranen, hare bange zuchten; en te laat ontwaakte zij uit die smartelijk zalige verdooving, te laat ontdekte zij de adder, die onder de rozen schuifelde, waarop zij was ingesluimerd.Met stommen doodsangst in de borst, hield zij zich nu in huis van haren vader verscholen en zag zelfs den geliefde niet weder. Jammervolle nachten volgden optreurige dagen. Zoo verliep er eene maand. Paul zwierf intusschen stom en radeloos om. Het bericht, dat de graaf terugkeerde, deed de hoop herleven. Den meester, die hem liefhad, wilde hij alles bekennen, van zijne gunst de geliefde afsmeeken. Onder de schaar der landlieden snelde hij hem met bange verwachtingen te gemoet. Daar was het eerste woord, dat hij uit den mond van zijn gebieder hoorde, de belofte, om zijne geliefde, Wasiliews dochter, aan den zoon des ouden Iwans tot vrouw te geven. Dat de graaf zulke besluiten, zulke toezeggingen niet terugnam, was hem maar al te goed bewust. In doodsangst ijlde hij naar Axinia, die, terwijl de overigen de aankomende heerschappen begroetten, stil en treurig te huis was gebleven, daar zij het niet wagen durfde, de anders zoo vurig beminde gebiedster onder de oogen te treden. Terwijl hij nog in stomme vertwijfeling bij het meisje vertoefde en met haar vruchteloos op raad en uitkomst zon, kwam Feodorowna's boodschap, die de oude speelnoot naar het kasteel riep. Door de kracht der liefde bemoedigd, door het gestadig nader komende onheil tot handelen gedreven, besloot Axinia aan hare meesteres alles te ontdekken, en door de zwakke schemering van hoop, aan dit besluit verbonden, opgebeurd, spoedde zij zich naar het slot.—Thans had zij het volvoerd en voor haar ongeluk vertroostende deelneming, voor hare afdwaling liefderijke vergiffenis gevonden.Nadat Feodorowna deze bekentenis had aangehoord, trachtte zij de radelooze door vriendelijke toespraak op te beuren. „Alles kan misschien nog geschikt worden, Axinia; morgen zoo vroeg mogelijk zal ik mijn vader bidden, dat hij uwe verloving met Paul inwillige; voor de belofte, welke hij aan den ouden Iwan gedaan heeft, zal wel eene andere vergoeding te vinden zijn. Denkt mijn vader als ik, dan zal hij uwe verbintenis met Paul voor een plicht houden, waaraan hij zich niet kan onttrekken. Ga nu naar huis en leg u welgemoed ter rust; voor dezen avond is het te laat, maar morgen in de vroegte wil ik Paul laten roepen en zelve met hem spreken. Goeden nacht dan, Axinia. God heeft uwe tranen, uw berouw gezien; Hij zal u vergeven. Hebt gij bittere nachten, troostelooze dagen te doorworstelen gehad, geloof vrij, dat gij niet de eenige ongelukkige op deze aarde zijt.” Haastig wendde zij zich om, bedekte het gelaat met haren zakdoek en liet het afgematte hoofd op het kussen nederzinken. Axinia greep diep geroerd en vol dankbaarheid de krachteloos neerhangende hand harer gebiedster, overdekte ze met kussen en tranen en verliet snikkend het vertrek.—In het slot was alles reeds in diepe rust; het kamermeisje,Jeannette, eene duitsch en fransch sprekende Zwitsersche, die Feodorowna eerst voor eenige weken te Petersburg in haar dienst had genomen, wachtte nog in de voorzaal op de bevelen harer gebiedster. Zij geleidde Axinia tot aan de groote poort, die de oude portier gemelijk opende. Naar den vastgestelden regel van het huis, die, vooral nu de heer zelf was teruggekeerd, met stipte nauwkeurigheid werd in acht genomen, bevonden zich alle dienaars en beambten reeds in hunne woningen. Hoe gaarne Axinia haren vriend van de gelukkige wending van haar lot onderricht had; hoe stellig zij zich overtuigd hield, dat hij met bange angstvalligheid daarop wachtte, was haar dit thans toch niet meer mogelijk; haastig, door het late uur een weinig huiverig, sloop zij dus naar de vaderlijke hut, waar zij, voor het eerst sedert eene maand, den nacht doorbracht, zonder weenend en in hopeloozen jammer op hare legerstede te waken.HOOFDSTUK III.Feodorowna was laat ingesluimerd; zij ontwaakte dus eerst, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond. Toen zij haar kamermeisje schelde, trad deze snikkend en met tranen in de oogen binnen. „Wat deert u,Jeannette?” vroeg zij verwonderd.„Ach, genadige gravin, hoe gruwelijk wordt men hier in dit land mishandeld! De ongelukkige man zal er voorzeker het leven niet afbrengen!”„Wie?” vroeg Feodorowna ongeduldig; „wat is er gebeurd? wie wordt mishandeld?”Onder snikken en beven stameldeJeannette: „Mijnheer de graaf is al te driftig! O hemel, als dat mij eens gebeuren moest! De arme jongen—veertig zweepslagen! Hij viel al zoo bleek als een doek op den grond, toen mijnheer de graaf het bevel gaf!”Feodorowna was meer dood dan levend. „Wie, wie?” riep zij buiten zich zelve, trad verbleekend terug, toenJeannettePaul, den tuinier, noemde, en zou in onmacht zijn neergezegen, wanneer het meisje haar niet in de armen had opgevangen. Echter was die bezwijming slechts eenige oogenblikken van duur; met geweldige inspanning vermande zij zich en riep: „Geef dadelijk bevel, dat men ophoude; ik verantwoord het! Vlieg, vlieg naar beneden, eer het te laat is.”Jeannettevloog als een ree de voorzaal door, de trappen af, het plein op, waar drie knechts juist bezig waren den ongelukkige aan den geeselpaal vast te binden.Intusschen kleedde Feodorowna zich in allerijl aan, wierp een sluier om en spoedde zich met wankelende schreden naar haren vader. Zij vond hem in hartstochtelijke gemoedsbeweging het vertrek op en neder gaande. Met een gramstorigen blik en de barsche vraag: „Wat wilt gij?” werd de komende ontvangen.„Genade voor een ongelukkige, mijn vader! O, trek uw overijld bevel weder in; het was niet uw menschelijk hart, dat u zulk een vonnis deed uitspreken.”„Kent gij zijne misdaad?” riep de graaf met rollende oogen. „Al die vreemden zijn huichelaars en verraders; het uur is gekomen, dat de wraak hen treft. Zoo zij er op steunen, dat onze wet hen niet geldt, zullen zij ten minste ondervinden, dat onze macht hen straffen kan, en dat zij, die aan geen wetten willen gehoorzamen, ook door geene beschermd worden. Liet ik zulk een vergrijp tegen den geheiligden persoon des meesters ongestraft, ik was waard, dat mijne vasallen mij verachten. De hand tegen zijn gebieder op te heffen! Er ontbrak slechts, dat eene dochter, die de kinderlijke gehoorzaamheid verloochent, nog voor weerspannige, oproerige schurken partij trekt!”Feodorowna, hoezeer door dit ruwe antwoord verschrikt, verloor toch den moed niet, maar trachtte nog eens door eene roerende bede op het hart van den vader te werken. „Ik ken de misdaad van den ongelukkige niet, ik weet slechts, dat zijne straf gruwzaam, dat zij afgrijselijk is. Hebben de zachte zeden van vreemde landen u niet afkeerig gemaakt, mijn vader, van die bloedig strenge wetten, waaronder de bewoners van dit land zuchten? Ik had mij heden bovendien reeds voorgenomen, u eene weldaad voor den armen Paul af te smeeken. Zijn lot is zoo nauw verbonden aan dat.....”„Het schijnt, dat gij in verstandhouding staat met mijne losbandige dienaars,” riep de graaf verontrust. „Dus kent gij reeds vroeger dan ik de misdaden, die hier bedreven worden! Wie heeft het gewaagd, mijne dochter tot vertrouwde te maken van wanbedrijven, die het vrouwelijk oor zelfs niet mag hooren noemen?”Feodorowna bloosde van gramschap en schaamte tevens. Met het fiere bewustzijnvan eigenwaarde wilde zij antwoorden, doch zij bedwong die opwelling en sprak op zachten toon: „De vriendin mijner jeugd, dierbare vader, de ongelukkige Axinia bekende mij gisteren avond onder tranen van angst en vertwijfeling haren misstap. Was het niet natuurlijk dat zij haar hart in een zusterlijk gezinden boezem uitstortte? Neen, mijn vader, zoozeer zult gij uwe dochter niet miskennen, dat gij zulk een krenkenden argwaan omtrent haar koesteren kunt!” Dit zeggende blikte zij den vader zoo smartelijk met hare blauwe, vochtige oogen aan, dat zijne toornige aandoening door eene zachtere aandoening scheen getemperd te worden. Ernstig vervolgde hij: „Ik had den lichtzinnige, die als vreemdeling de eer van een russisch meisje zoo gering schatte, dat hij ze met voeten dorst treden, wellicht vergiffenis geschonken, wanneer hij met deemoed en tijdig zijn misdrijf bekend had. Waarom liet hij mij gisteren mijn woord geven? Heb ik dat ooit aan den geringsten mijner vasallen gewroken? Kan ik het ooit, zonder voor mij zelf te blozen? Maar de dolkop, te laf om rondborstig voor zijne schuld uit te komen, waagt het niet den mond te openen, waagt het niet, wat hij toch licht had kunnen doen, naar Petersburg te schrijven en mij het voorgevallene te berichten! En heden morgen, voor dag en dauw, komt hij als razend bij mij, begeert onstuimig, wat hij met diepen ootmoed smeeken moest, en daar ik het hem met gestrengheid weiger, stuift hij in dolle woede op mij in en bedreigt met dat gindsche mes mijn leven!” Dolgorow wees op een snoeimes, dat op de tafel lag.„O, vergeef de waanzinnigheid der vertwijfeling,” bad Feodorowna, „en bekroon het werk uwer genade door eene nog schoonere daad van menschelijk mededoogen!”„Genoeg,” hervatte de graaf met vastheid, „het recht hebbe zijn loop! Inderdaad, eene liefdevolle dochter, die den moordenaar haars vaders beloond wil zien!”„O, almachtige God der genade,” riep Feodorowna en wrong wanhopend de handen; „zoo moet dan het afgrijselijk, onmenschelijk vonnis volvoerd worden en mijn smeeken kan den ongelukkige niet redden! Vader! vader! Er is een God in den Hemel; Hij zal u richten, gelijk gij gericht hebt! Op welke genade kunt gij hopen, wanneer gij uw hart tegen het medelijden verstaalt? O land des jammers, waar de willekeur geen grenzen kent! Vader, verhoor de bede uwer dochter, oefen het goddelijk recht der genade uit!” Feodorowna stond bleek en bevend, met smeekend opgeheven armen voor den vader en was gereed aan zijne voeten neder te zinken, toen het angstvolle geschrei eener vrouwelijke stem zich in de gang hooren liet en Axinia eensklaps met vliegende haren het vertrek binnenstormde.„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders, die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte. „Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken, vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den grond neder.Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund.Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o, op deze pijnbank wordt mij hetjaontwrongen!—Welaan dan, het zij zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldeloozeoffers! Ik kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows armen.Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,” riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne dochter is ongesteld geworden!”Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude, door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster; terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte, daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen, en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredendeJeannettede zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte, blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!” keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde, waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste! Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleiddeJeannetteen Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot te werpen.HOOFDSTUK IV.De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd, waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze hadJeannettehet bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd, maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden, maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht tot handelen te hebben, doorJeannetteliet geven, den gevangene onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen, Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht. Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De schredewelke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.Zij keerde naar hare kamer terug.In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul, verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem, die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voorallenwaakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel, veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met zijn koesterenden zonnegloed.Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen; uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde, liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart; zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide, werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der landslieden te deelen.Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen, of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is, deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht prijs geef.”Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn vader!”„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze, „want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt. Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen, vertrouw u aan Hem toe!”Zij schelde.Jeannetteverscheen.„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”Jeannettevermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.„Welk kleed?” vroeg zij.„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf tooide!”Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij inJeannette's arm en weende aan hare borst.Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd. „Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich in het licht zijden gewaad. AanJeannette's arm zweefde zij naar de zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond. Stilzwijgend begroette men elkander.„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op een toon, die geene weigering toeliet.De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem, aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest men haar naar hare kamer dragen.Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar het leger afreisden.HOOFDSTUK V.Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De overige corpsen,Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger voor het eerst gewaar werd. Tot zooverhet oog reikte bedekten de zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!” riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden, ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren. Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders. Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God, voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en verderf op den vijand te braken.”Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen verdedigd worden. Ginds loopt de weg vanKönigsberg, die zich in het gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadjeSchirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden, misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er waarschijnlijk legeren zal.”Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan,„u de plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan. Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te kennen.Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,” sprak Lodewijk tot Bernard.„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken;„terwijl ik dit voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon, die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk genrebeeld en merk, dat men maar éénsdoor eene legerplaats behoeft te rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het penseel toe heeft en nog geen is.”Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardigsappeurroerde ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te maken.Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit de romance: „Il pleut, il pleut bergère,” blies. Dit geliefkoosde liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven. Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu en dan afwerend terugsloeg.„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards zeggen in hem verlevendigd had.„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen. De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te zien zijns weegs.„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij armen en beenen stuk met zijn olifant.”„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende. „Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert uitdeelen.”„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen, maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen; dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maarhet sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het commando:„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel, welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die generaal?”„De maarschalkDavoust, prins vanEckmühl,” antwoordde deze met een ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook hij voor den beroemden veldheer koesterde.„De maarschalkDavoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des legers verloor.Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel, die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen. De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt, men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken, die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.HOOFDSTUK VI.Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo uitgestrekt en sliep, zonderdoor het dak eener hut of tent tegen de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,” sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan. „Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen, zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den keizer aan.„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.„Half twee,” hernam Bernard.„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de keizer alle gedruisch.”De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne bruisende vloeden te wiegen.Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan. Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische gebied.De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en slingerde zijn ruiter ter aarde.Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten, dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort; vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den maarschalkBerthiertot zich en beval, terwijl hij met de hand op den stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met zijn geleide weder naar het bivak.In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt; de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking, waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk Rusland, scheen men krijg te voeren.Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang. Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op, verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land, dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren? Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats, waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den oever verplaatst had. De zon verlichtte ze methare stralen; vroolijk glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen, die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over. Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem; onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel, zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven. Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig, roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op. Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig, hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels, zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagende krijgers elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!

Op de goederen van den graaf van Dolgorow, niet ver van Smolensko aan den Dnieper gelegen, was alles in de grootste opschudding. Twee narichten, die de bewoners van het slot, alsmede de tot de heerlijkheid behoorende dorpen voor eenige uren ontvangen hadden, brachten eene algemeene, hoewel zeer tegenstrijdige ontroering te weeg. Het eene was verblijdend, want een vooruitgezonden jager meldde de aankomst van den graaf uit Petersburg. Hij had zich met zijne betrekkingen meer dan twee jaren buitenlands opgehouden; gedurende dien tijd hadden zijne lijfeigenen het wel streng, maar naar hunne begrippen rechtvaardig beheer dikwijls gemist. Zijne nabijzijnde terugkomst verwekte dus eene algemeene vreugde. Deze werd intusschen zeer getemperd door eene andere tijding, welke de rentmeester, die in de stad ter markt was geweest, vandaar hadmedegebracht. De vijand, heette het, was werkelijk in het rijk gevallen, de krijg had een aanvang genomen, en reeds trokken de russische legers, tegen de zegevierende wapenen van den franschen keizer niet bestand, op alle punten terug. Zooals gewoonlijk waren de geruchten uiterst overdreven. Men wilde reeds weten, dat vorst Bagration volkomen geslagen was; volgens anderer zeggen, moest generaal Barclay de Tolly den maarschalkDavoustbij Grodno ontmoet en na een bloedigen slag den terugtocht aangenomen hebben. De grootste ontsteltenis had zich dus van de landlieden meester gemaakt; want, van de afstanden onkundig, geloofden zij het verderf reeds nabij. Troepsgewijze schoolden zij voor de poorten van het slot samen en verlangden raad en uitkomst; de rentmeester had moeite hen tot bedaren te brengen, en dit gelukte hem slechts door de verzekering, dat de komst van den heer geen ander doel had, dan om in deze gevaarlijke omstandigheden voor de zijnen zorg te dragen. Intusschen heerschte er toch een bangen schrik onder de gemoederen, en de hoogbejaarde geestelijke van het dorp, Gregorius, had al de waardigheid van zijne bediening noodig, om de moedeloozen eenigszins op te beuren. „Vreest niet, mijne vrienden,” sprak de waardige priester, in het midden van den kring tredend; „Ruriks volk staat onder de bescherming des Hemelschen Vaders, van Moeder Maria en van alle heiligen. Denkt gij, dat zij de heilige altaren aan den roekeloozen vijand zullen prijsgeven? Nimmermeer, zeg ik u, zullen die vreemden den ouden stam der Russen onder het juk brengen! De heilige Iwan, wiens gouden kruis te Moskou op den koepel der hoofdkerk staat, is machtiger dan al die duizenden, die de vreemde veroveraar aanvoert. Ik zeg u, de stem des verderfs is het, die zij volgen, zij vlamt bloedig voor hen uit en lokt hen in een gewissen ondergang! Even als de scharen van koning Farao in de golven der zee omkwamen, zoo zullen ook de boosdoeners versmachten in onze duizendjarige bosschen, waaraan nog geen bijl geraakt heeft. De huilende wolf zal aan hunne beenderen knagen, de krassende raaf zal zich aan hun bloed zat drinken. Want met ons zijn de heerscharen der engelen, en ons beschermt de gebenedijde Moeder Gods. Daarom moogt gij niet bevreesd zijn, maar moet u wapenen, als kampvechters van den heiligen Iwan. Van de Niemen, die Ruriks rijk in het westen begrenst, tot aan de breede Wolga, tot aan het Uralgebergte, dat aan den uitersten rand van Europa ligt, zal de vijand geene plaats vinden, waar hij het hoofd veilig kan neerleggen. Gastvrij is de haard van den Rus, herbergzaam zijne hut, maar aansteken zult gij ze met het vuur van den eigen haard, eer zij tot schuilplaats dient aan den vijand, die gekomen is, om de graven onzer czaren in de heilige stad om te woelen en de altaren van onzen God omver te halen. Daarom moet gij niet vluchten, mijne kinderen, maar vechten. Wien de bijl van den man niet neerslaat, dien moog de vergiftigde maaltijd van de huisvrouw van de aarde verdelgen. Krijt niet, trekt u het grijze haar niet uit het hoofd en den baard. Ik zeg u, gij zult leven, gij en uwe kinderen, om gelukkige dagen te zien!”

Zoo sprak de vurige priester tot het verzamelde volk der Muskovieten, die hem met verbazing en eerbied aanhoorden; want reeds vijftig jaren woonde hij in hun midden als een getrouw zielverzorger, en reeds vierenzeventig malen had hij het ijs der rivieren door de lentezon zien losdooien.

Het slot lag op eene hoogte, van waar men de bochten van den Dnieper tot op verren afstand overzien konde. Deze kronkelde tusschen groene, steile heuvels door, langs welke de landstraat naar Smolensko heenliep; in het verschiet rezen de torensdier stad, door het avondrood verlicht, omhoog. Een der landlieden, die zijn scherp oog naar die zijde gericht hield, riep eensklaps: „Daar komt onze heer!”

Allen wendden de blikken in die richting en barstten in een luid gejuich los, toen zij drie wagens op de straat zagen naderen. Met vroolijk geschreeuw snelden zij den heuvel af, om de aankomenden te begroeten. Het was inderdaad de graaf Dolgorow met zijne gade en dochter Feodorowna: de beide vrouwen zaten in het eerste rijtuig; in het tweede bevond zich de graaf en naast hem een vreemde van een krijgshaftig voorkomen; in het derde volgden eenige bedienden. Zoodra hij de verzamelde landlieden gewaar werd, liet de graaf de wagens stilhouden en steeg uit. Met deemoed, de handen over de borst gekruist, groetten de vasallen hun gebieder en beijverden zich de zoom van zijn kleed te kussen. De vrouwen bogen en kromden zich met gelijke deemoedigheid voor de gravin. Feodorowna, eene rijzige gestalte, was de eenige die deze slaafsche eerbetuigingen niet duldde, maar vrouwen en meisjes, die haar naderden, vriendelijk de hand reikte. De graaf wees na eenige minuten de onstuimige genegenheidsblijken zijner onderhoorigen slechts in zoo verre met koelheid af, als zij hem lastig begonnen te worden. Intusschen spraken hij en zijne gemalin welwillend met de lieden en beklommen, tusschen hen doorgaande, den heuvel. Ook de geestelijke, wiens schreden de ouderdom vertraagde, was thans genaderd, drong door de menigte heen en begroette den graaf met eerbied, doch zonder kruipende gedweeheid. „Zie daar vader Gregoor, wees mij welkom,” sprakDolgorow. „Ik was bijna bekommerd, dat ik u niet weder zou vinden, want bij mijn laatste afwezigheid reeds stondt gij aan den grenspaal des levens. Het verheugt mij, dat deze lentezon ook nog voor u is opgegaan.”

„Mijne krachten zijn nog onverzwakt,” hernam de priester; „schoon ik elken dag de roepstem verwacht, die mij voor den troon des Almachtigen daagt, kan ik toch, Zijner ontferming zij dank, nog op aarde de plichten vervullen, die Hij mij hier op de schouders heeft gelegd.”

Inmiddels trad Feodorowna nader. „Heil en zegen op uw hoofd, mijn vader! Hoe innig verheugt het mij, u nog zoo gezond en krachtig weder te zien.”

„De Moeder Gods zij met u en neme u in hare heilige bescherming,” sprak de grijsaard en klemde met zijne linkerhand die van Feodorowna vast, terwijl hij de rechter zegenend op haar hoofd leide. „Gij hebt u wel bevonden in de hoede van de engelen des Heeren, mijne dochter, en zijt schooner teruggekeerd, dan gij, als eene teedere spruit, van ons henen gingt. De heiligen hebben mijne beden verhoord, want dagelijks smeekte ik hen, u op uwe gangen te geleiden.”

„O, voorzeker zijn uwe vrome beden verhoord, goede vader,” hervatte Feodorowna met merkbare aandoening, „want God was ons steeds nabij in gevaren en nood.” Zij scheen meer te willen zeggen, doch een ernstige blik des vaders, wien de vertrouwelijke toon tusschen zijne dochter en den priester blijkbaar onaangenaam was, deed haar afbreken en zwijgen. Op hetzelfde oogenblik trad de vreemde, een schoon, rijzig man in den bloei der jaren, op haar toe en bood haar den arm, om haar den steiler wordenden weg verder op te geleiden. De graaf wandelde inmiddels tusschen zijne vasallen voort en sprak nu dezen dan genen aan, om naar hunne huiselijke omstandigheden en hetgeen gedurende zijne afwezigheid voorgevallen was, onderzoek te doen. „Gij hebt uwe vrouw verloren,Isaäk,” zeide hij tot een reeds bejaarden landman. „Ja, genadige heer,” was het antwoord, „zij stierf in den verloopen winter, en sedert ontbreekt eene huishoudster in mijn hut.”

„Uw oudste zoon zal trouwen,” hervatte de graaf; „Wasiliewsdochter kan zijne vrouw worden; ik zal dezer dagen voor de bruiloft zorgen.” De oude man boog zich nederig bij dit bevel; want dat was het woord van den heer.

De rentmeester vernam behoedzaam naar de krijgsgebeurtenissen.

„De vijand rukt tegen onze grenzen op,” hernam de graaf; „met man en macht dringt hij voorwaarts; ik ben hoofdzakelijk hier gekomen, om de vereischte maatregelen van voorzorg te nemen.”

„Ik hoorde heden morgen in Smolensko...” begon de oude met een geheimzinnig en tevens bedenkelijk gelaat.

„Denkelijk dezelfde oudewijvenpraat, die ook mij vervolgde,” viel de graaf hem barsch in de rede, zonder zich verder uit te laten.

De nieuwsgierige rentmeester beproefde nog eenmaal zijn geluk en vervolgde met een bedrukt gelaat: „Men was hier reeds zeer bezorgd...”

De graaf, niet gewoon, zich met zijne dienstbaren in gesprek in te laten, keerde hem zonder antwoord den rug toe en sprak den geestelijke aan: „Ik zal uwe hulp van noode hebben, Gregoor, om den moed mijner onderdanen staande te houden, vooral wanneer men hen door de uitstrooiing van ongerijmde sprookjes onnutte bezorgdheid verwekt.” De rentmeester verschool zich onder den hoop, weltevreden, dat zijne voorbarigheid niet strenger gestraft werd.

„Ik zal de harten des volks ontvlammen voor het geloof hunner vaderen, voor den ouden troon der czaren, voor het heiligdom des vaderlands,” antwoordde de grijsaard.

„Gij zult wèldoen,” hernam de graaf; „doch haat vermag meer dan liefde, en daarom zag ik liever, dat gij hunne zielen met onverzoenlijken wrok tegen de vijanden vervullen wildet. Schilder de Franschen af als roovers, slechts gekomen, om onze velden te verwoesten, onze dorpen en steden met vuur te vernielen, de kudden weg te voeren, vrouwen en dochters te onteeren en de mannen te vermoorden.”

„Mochten zij dit alles, mochten zij nog vreeselijker gruweldaden met ons voor hebben,” hervatte Gregoor, „mijn plicht als priester zou daarom nog vorderen, vergevensgezindheid en liefde jegens hen te prediken; maar zij komen als vijanden Gods, als omverwerpers onzer tempels, en dien gruwel moeten wij wreken; de andere goederen, de vergankelijke schatten des levens, mogen wij slechts verdedigen.”

Een diepe rimpel op des graven voorhoofd bewees, dat hij met dit antwoord niet tevreden was. Doch hij zweeg, wel bewust, dat hij eer eene steenrots dan Gregoors geloofsbelijdenis en godsdienstige meening aan het wankelen kon brengen.

Middelerwijl had men de slotpoort bereikt en de graaf trad zijne woonstede binnen, terwijl de landlieden buiten bleven. Slechts vader Gregoor volgde hem op zijn wenk de trappen op. „Wacht ons in de eetzaal, vrome vader,” sprak hij; „zoodra wij onze reiskleeding afgelegd hebben, zullen wij u daar opzoeken. Ik zelf zal binnen eenige minuten weer bij u zijn, om eene belangrijke aangelegenheid met u te bespreken.” Met deze woorden verdween hij; de vrouwen begaven zich eveneens naar hare vertrekken; de vreemdeling werd naar de voor hem bestemde kamer geleid.

Gregorius trad de zaal binnen, waar hij den graaf moest wachten. Sinds twee jaren had hij dit gedeelte van het slot niet betreden. Het vertrek was in een voorvaderlijken, zonderling gemengden stijl gebouwd. Vier hooge gothische boogvensters zagen naar de rivierzijde op het landschap uit, zoodat de gloeiende avondhemel zijn gulden weerschijn in de verwulfde hal wierp. De wanden waren met zuilen van zwart marmerversierd; in de tusschenruimten hingen de levensgroote, in ouderwetsche lijsten gevatte beeltenissen van het grafelijk geslacht. De vloer was van hout; even zoo de lambrizeeringen en paneelwerken, naar den trant der eeuw van Lodewijk XIV, met vergulde richels afgezet. Twee reusachtige kroonlichters hingen van het verwulfsel der zoldering naar beneden; ter weerszijden aan de wanden prijkten zware, dubbelarmige kandelaars. Het geheel getuigde van pracht en rijkdom, maar had tevens een somber, bijna huiveringwekkend aanzien, dat zich zelfs aan de landstreek en den hemel, voor zoover beiden zich in de gothische boogswijze vensterlijsten vertoonden, mededeelde en, schoon men zich eerst in Juni, de eigenlijke lentemaand dezer gewesten, bevond, daaraan een herfstachtigen, treurigen tint verleende.

Gregorius zette zich in een der breede leunstoelen neder en gaf aan zijne ernstige, sombere mijmeringen den vrijen loop. Vierenzeventig jaren heb ik geleefd, dacht hij, en mijn werken was vroom en vreedzaam; geen snood geweld bedreigde de heiligdommen, die aan mijne zorg waren toevertrouwd. En nu, in de late herfstdagen mijns levens, daar mijn pad reeds dicht aan den rand van het graf heenloopt, nu moet ik nog de palm des vredes met het zwaard der wraak verwisselen! Maar Gods wil geschiede. Hem is de frissche dauw, de zachte regen, de warme zonnestraal; Hem zijn ook de bliksems en donders van den verduisterden hemel. Hij zende zijne dienaren tot zegen of ter wrake uit, om de vromen te bemoedigen en liefderijk tot hem op te leiden of om de goddeloozen in den afgrond der hel, waaruit zij gekomen zijn, terug te slingeren: Gregorius zal zijn grijs hoofd gewillig buigen onder den last, dien de Vader hem oplegt.

Terwijl hij, in deze gedachten verdiept, zijn gelaat naar de ondergaande zon, het schoone beeld zijns aardschen levens, gewend had, waren de vleugeldeuren der zaal geopend en was graaf Dolgorow binnengetreden. Niettegenstaande zijn trotschen gang, niettegenstaande den heerschersblik, die onder het fiere voorhoofd vlamde, scheen toch zijn gansche wezen onder den knellenden last van kommer en bezwaren gebukt te gaan. „Ik heb ernstige dingen met u te verhandelen, vader Gregoor,” begon hij, driftig op den grijsaard toetredend en hem verhinderend van zijn zetel op te staan; „wij moeten van dit oogenblik, dat wij alleen kunnen zijn, gebruik maken.” Dit zeggende greep hij een stoel en nam tegenover den priester plaats.

„Het is een ernstige tijd,” hernam Gregoor en schudde bedenkelijk het eerwaardige hoofd.

„Eer wij over zaken handelen, die het land en ons allen betreffen, heb ik dingen met u te bespreken, die mij in het bijzonder aangaan. De vreemde heer, die mij verzelt, is de vorst Ochalskoi, overste in het keizerlijk leger. Ik wil mijne dochter Feodorowna aan hem uithuwelijken, maar zij zoekt uitvluchten en tracht zich door het kinderachtig besluit van in een klooster te gaan aan mijne vaderlijke bevelen te onttrekken. Gij Gregoor, hebt den meesten invloed op haar hart; van u verwacht ik dus, dat gij haar tot gehoorzaamheid bewegen zult.”

De priester wilde antwoorden, doch Dolgorow kwam hem voor: „Laat mij uitspreken, vader. Gij weet wellicht niet, wat ik in deze gevaarvolle tijden voor het vaderland heb opgeofferd. De vurige begeerte, om in eene gewichtige betrekking te geraken en eereposten en beambten te erlangen, waardoor ik deel kon nemen in het bestuur der zaken, deed mij alles op het spel zetten. Mijn aanzienlijk vermogen is te niet en nog ben ik niet aan het doel, dat ik mij had voorgesteld. Het huwelijk mijner dochter metden prins moet het mij doen bereiken; niet slechts zijn onmetelijke rijkdom, maar ook zijne machtige betrekkingen geven mij daartoe de middelen in handen; zelfs ben ik reeds op dit oogenblik door zulke verplichtingen aan hem verbonden, dat ik mij slechts door hem op het standpunt kan handhaven, waarop ik mij thans bevind. Het geldt het geluk, de eer des vaders; na deze verklaring zult gij Feodorowna's plichten uit het juiste oogpunt weten te beschouwen. Op u stelt zij vertrouwen; van u, vrome vader, verwacht ik hulp. Ik zou haar kunnen dwingen; doch liefst wil ik dat uiterste vermijden. Ook vrees ik, dat des vorsten trotschheid hem eene gade zou doen weigeren, die niet vrije verkiezing, maar nooddwang in zijne armen voert. Want waarlijk, hij bemint Feodorowna.”

Gregorius zweeg eenige oogenblikken, vervolgens antwoordde hij zacht, maar met vastheid: „Het grieft mij, vader en dochter in onmin te zien; maar ik ken Feodorowna's hart; het is groot, edel, zacht en goed. Heeft zij het aan eene heilige bestemming gewijd, wil zij werkelijk afstand doen van de genietingen dezes levens, om in de stilte des kloosters gemoedsrust en zielstevredenheid te vinden, dan mag de dienaar des Heeren haar van dien naasten en heiligsten weg ter eeuwige gelukzaligheid niet afkeerig maken.”

De graaf sprong driftig op en blikte den priester met rollende oogen aan. „Hoe, ook van u ondervind ik tegenstand? Is dat misschien de vrome roeping van den geestelijke, weerspannige kinderen tegen den vader in bescherming te nemen? Maar weet, wilt gij het tot het uiterste drijven, ik doe hetook, en de tijd zal leeren of de hardnekkigheid van een meisje, door een priester ondersteund, den ijzeren wil eens vaders breken kan.”

Gregorius zag den graaf ernstig, maar bedaard aan. „Gij verstaat mij zeer verkeerd, heer graaf,” antwoordde hij, „wanneer gij gelooft, dat ik de ongehoorzaamheid eener dochter tegen den vader verdedigen wil; veeleer het tegendeel. Maar ik wil haar beproeven en zien of zij werkelijk een gebod van haren Vader in den hemel vervult; en dit zult gij toch toestemmen, dat Zijne bevelen meer kracht hebben, dan de uwe.”

De graaf knarsetandde van woede en stapte onstuimig de zaal op en neder, terwijl Gregorius bedaard zijne plaats hield, en, daar de stralen van het avondrood op zijne zilveren lokken neervielen, in zijne ernstige, vrome houding een heilige geleek. Dolgorow trad weder op hem toe en sprak met gedwongen kalmte: „Wees verstandig, Gregorius, schik u naar mijne wenschen. Herinner u, dat gij mij nog veel te vragen hebt. Uw wensch, de kerk vernieuwd te zien, zal niet slechts vervuld, maar zelfs verre overtroffen worden. Van den grond af zal ik haar prachtig opbouwen, het Lieve vrouwenbeeld.....”

„Wilt gij den Heer des hemels en der aarde omkoopen?” hervatte Gregorius, het hoofd schuddende. „O heer graaf, reeds dertig jaren woon ik op dit goed, en nog kent gij mij zoo weinig. Uw vader.....”

„Het is genoeg,” viel Dolgorow hem grimmig in de rede. „Ik hoopte met goedheid mijn doel te bereiken, uwe stijfkoppigheid dwingt mij tot geweld. Welaan dan, gij moogt uw zin doen, en Feodorowna mag beproeven of zij macht heeft, den vader weerstand te bieden, die haar huwelijk onherroepelijk besloten heeft.”

„De keus van een echtgenoot hangt van u af,” hervatte Gregorius; „doch haar wil is vrij; verlangt zij ongehuwd te blijven en den sluier aan te nemen, zij mag het; want zij is vrij geboren en niet uwe lijfeigene.”

„Zij is....” barstte de graaf, door Gregorius' onveranderlijke bedaardheid nog meer verbitterd, in woede uit, maar bedwong zich eensklaps, daar de deur geopend werd en de gravin binnentrad. „Wij spreken er morgen verder over,” sprak hij haastig, doch zacht, en ging zijne echtgenoote te gemoet. Met de behendigheid eens hovelings wist hij de hartstochtelijke beweging zijner ziel onder een vroolijk, welwillend lachje te verbergen en sprak haar op de ongedwongenste wijze aan. „Nu, lieve, wees welkom in deze welbekende zalen. De menigvuldige zorgen, die ons zoo lang ontrustten, zullen, hoop ik, niet verhinderen, dat wij ons hier eenige dagen recht thuis en tevreden gevoelen.”

„Ook ik hoop het,” hervatte de gravin, „ofschoon ik de toekomst met zorg en kommer te gemoet zie. Wat zullen de eerstkomende maanden, die anders slechts het schoone brengen, niet al de rampen over ons vaderland uitstorten!”

„Daarvoor zal, vertrouw ik, de winter, die ons anders zoo ruw en barsch toeschijnt, voor ditmaal de weldadige beschermer van ons land worden. De verschrikkingen, die Rusland boven het hoofd hangen, komen ons vreeselijker voor dan zij inderdaad zijn; de vijand weet niet, achter welke wallen en muren dit rijk zeven maanden lang elken aanval trotseeren kan. Wij zullen misschien den oogst van een jaar, den tienjarigen wasdom van onze onmetelijke bosschen verliezen; meer ducht ik niet. Geven wij dien vijand dezen grond voor één zomer ten beste, den naastvolgenden zal hij ons dien, door zijn bloed gemest, des te vruchtbaarder teruggeven. In veldslagen mag de groote wereldveroveraar onoverwinnelijk zijn; laat zien of hij ook op velden van zand en asch oogsttijd houden, of hij zijne soldaten onder den vrijen hemel tegen den noordschen herfst, laat staan tegen den winter beschutten kan. Hij moet, terwijl wij spreken, over de Niemen zijn getrokken; het is zijn Rubicon; Caesars schijngeluk nam een droevig einde. Niet waar, eerwaarde vader,” wendde hij zich tot Gregorius, „ook gij hebt hoop, dat Rusland dezen kamp roemrijk zal ten einde brengen.”

„De kracht des volks en de genade van God zullen het staande houden,” hervatte de geestelijke. „Wanneer alle gemeenten tegen de bloedige verdelgers onzer heiligdommen zoo handelen, als ik het van de mij toevertrouwde schaar verwachten mag, dan zouden de heirscharen van Xerxes niet toereikend zijn, om ons vaderland ten onder te brengen.”

Vorst Ochalskoi trad, in de uniform van zijn regiment, de zaal binnen. Dolgorow verwelkomde hem en trok hem dadelijk in het gesprek. „Het verheugt mij,” ging hij hierop voort, „dat gij reeds uit eigen beweging werkzaam geweest zijt, vader Gregoor; want eene hoofdreden, waarom ik thans mijne goederen bezoek, is, daarover met u te spreken en u den wil des keizers omtrent het een en ander mede te deelen. In den grooten krijgsraad te Petersburg is besloten, denschijnder overwinning zoo lang mogelijk aan den vijand te laten, ten einde dezekerheiddes te gemakkelijker voor ons zelven te kunnen behouden. Onze legers zullen hem dus slechts daar weerstand bieden, waar hij elk voordeel met tallooze offers betalen moet; te vergeefs zal hij op een slag hopen, te vergeefs in rustelooze marschen dag en nacht de krachten van zijn leger uitputten, om het eeuwig voor hem uitzwevende schijnbeeld der overwinning te grijpen. Nergens zal hij eene rustplaats voor de vermoeiden vinden, overal moet hem de ledige, schrikbarende wildernis ontvangen, tot eindelijk moedeloosheid en muiterij de banden tusschen leger en veldheer losknoopen.”

„De hemel geve,” sprak de gravin half zuchtende, „dat het plan gelukke, dat zoo vele offers niet vruchteloos zijn mogen!”

„Wat zal er worden opgeofferd,” hernam Ochalskoi, „dan eenige weinige dorpen en steden, die tegen de onmetelijke uitgestrektheid van ons rijk in het niet verdwijnen! En hun, die verliezen moeten, zal de genade des keizers rijkelijk vergoeding schenken.”

„Doch waar blijft Feodorowna?” vroeg Dolgorow, die reeds meermalen onrustig naar de deur gezien had. „Ga naar boven,” gebood hij den bediende, die aan de deur postvatte om op den eersten wenk des meesters bij de hand te zijn, „en zeg aan gravin Feodorowna, dat hare tegenwoordigheid ons hoogst aangenaam zal zijn.” De bediende ging en berichtte na eenige minuten, dat de gravin eenige meisjes uit het dorp bij zich had.

„Waarschijnlijk de gespelen harer jeugd,” zeide de moeder, „welke zij dadelijk heeft laten ontbieden.”

„Dan zullen wij nog een uur geduld moeten hebben,” sprak Dolgorow gemelijk. „Ga in allen gevalle zeggen, dat wij de gravin bij het avondeten wachten, en draag zorg, dat de tafel spoedig gereed zij. Want ik denk,” hiermede wendde hij zich tot de overigen, „dat gij allen even hongerig en vermoeid zijt als ik, die door de reis inderdaad een weinig overspannen ben.”

Op hare kamer gekomen, had Feodorowna dadelijk haar kamermeisje uitgezonden om eenige meisjes te roepen, die met haar in het slot als gespelen waren opgevoed. Het lot dezer arme kinderen scheen haar uiterst droevig, want nadat zij het geluk van eene betere betrekking en hoogere beschaving ten halve gesmaakt hadden, moesten zij in den nu eerst recht drukkenden stand der lijfeigenschap terugkeeren en de akelige woningen en ruwe bezigheden der behoeftige ouders tot de hare maken. Het waren drie dochters van landlieden, met wie zij de gelukkige, zorgelooze uren harer jeugd doorleefd had:Kathinka, Olga en Axinia. Alle drie waren van haren leeftijd; Kathinka en Olga, goede, schuldelooze wezens, doch door de bekrompene, slaafsche denkwijze, die den lijfeigenen door alle betrekkingen des levens wordt opgedrongen, bijna geheel verstompt. Zij ontvingen de bewijzen van liefde en de geschenken, haar door Feodorowna medegebracht, met eene deemoedige dankbaarheid, zonder den moed te hebben hare blijdschap te uiten. Axinia daarentegen toonde eene diepe innerlijke aandoening; zij was dankbaarder voor de liefde dan voor de gaven; echter drukten de tranen, die haar wangen bevochtigden, ook nog iets anders uit. Feodorowna, die met deelneming naar alles onderzoek deed, wat tot de omstandigheden harer drie voormalige gezellinnen betrekking had, trachtte ook de reden van Axinia's kommer uit te vorschen. Maar het schuwe meisje blikte beschaamd en blozend ter aarde, barstte in tranen uit, doch zweeg en zuchtte uit beklemde borst.

Juist op dit oogenblik trad de bediende binnen, die haar het verzoek van den graaf om bij het avondeten te verschijnen, overbracht.

„Men wacht misschien op mij?” vroeg Feodorowna.

„Zijne genade,” antwoordde de dienaar met eene diepe buiging, „heeft althans bevolen, ten spoedigste op te dragen.”

„Bericht mijnen vader, dat ik terstond zal komen.” De bediende verwijderde zich. „Ik moet u thans laten gaan,” sprak zij tot de meisjes, „maar morgen in de vroegte komt gij mij weer bezoeken. Zoolang ik hier blijf, hoop ik u ten minste elken dag ééns te zien.”

De meisjes gingen, slechts Axinia aarzelde en scheen nog iets op het hart te hebben. „Begeert gij nog iets, mijne lieve?” zeide Feodorowna, de besluiteloosheid van het meisje bespeurende, en nam haar vriendelijk bij de hand.

Axinia, in tranen stikkende, was niet in staat te antwoorden; zij sidderde merkbaar. „Wilt gij het mij alleen toevertrouwen?”—„Ja, ja!” riep de weenende.—„Nu, kom dan morgen zeer vroeg, of als gij durft, wacht mij hier op mijne kamer tot na het avondeten. Den ganschen nacht door blijft het licht en Kathinka zal uw vader wel waarschuwen, dat gij later te huis komt.”

Dankbaar kuste Axinia de hand harer weldoenster en smeekte te mogen blijven. Feodorowna vergunde haar zulks en snelde hierop naar beneden, om hare ouders niet te laten wachten. Toen zij in de zaal trad, werd de tafel reeds gedekt; de vader hoorde hare verontschuldiging wegens het lang vertoeven met somber stilzwijgen aan; Ochalskoi voegde haar eenige hoffelijke uitdrukkingen toe, op dien kouden toon, welke tot juister maatstaf van het gesprokene verstrekt, dan de woorden zelve. Men zette zich aan tafel; het gesprek was gedwongen en koel. Het knellend gevoel van innerlijke tweespalt, dat de aanwezigen drukte, belemmerde elke vrije en warme ontboezeming van het gevoel. Zelfs Gregorius was niet in staat de vertrouwelijke toenadering zijner kweekelinge zoo hartelijk te beantwoorden, als anders na lange afwezigheid het geval placht te zijn, want ook hem verontrustte de gedachte aan de mededeelingen,welkede vader hem gedaan had. Zoo was de maaltijd spoedig afgeloopen, en men groette elkander even koel als men bijeen had gezeten. Gregorius vertrok en nam een hartelijk afscheid van Feodorowna. Zijne medelijdende blikken ontroerden haar, want zij verstond die. O God! alles, wat hare ziel lijden moest, had zij aan die ouders te wijten, voor welke zij van hare jeugd af de vurigste liefde gekoesterd, wie zij duizend offers gebracht had! Om hare tranen te verbergen, trad zij aan een der vensters en vestigde het oog op de landstreek, die nog altijd in de roodachtige schemering van den avondhemel gloeide, daar de zon in deze noordelijke streken slechts een weinig onder den horizont daalt, zoodat avond- en morgenrood als inéénsmelten en den ganschen luwen Juninacht met een zacht schijnsel verlichten. De stroom wentelde zijne ruischende golven tusschen de steile heuveloevers voort; twee visschersbooten doorkliefden met regelmatige riemslagen zijne zwellende vlakte; een gier-arend met breed uitgespannen vlerken zweefde statig boven de woudkruinen van den anderen oever; de torens der vesting Smolensko rezen als zwarte basalt-rotsen uit de vuurzee van den avondhemel omhoog. Eene plechtige stilte heerschte over de gansche landouw. Feodorowna blikte weemoedig over de velden heen, waar zij de dagen harer kindsheid doorleefd had. „Ach,” zuchtte zij heimelijk, „is mijn hart dan een vreemde plant op dezen bodem? Heeft hij het niet gekweekt? Of hebben zachter zeden en warmer streken mij zóó ontaard, dat ik moet wegkwijnen in het ruwe noorden? De wieg mijner dagen lacht mij niet vroolijk meer toe als voorheen, maar schijnt mij zwart en donker, als moest zij mijn graf worden. Is dan niets waar en eeuwig in de natuur? Bedriegen zelfs de heiligste banden? Goedertieren God! vergeef mij; maar gelijk de plaats mijner geboorte mij vreemd is geworden, zoo is het mij ook, als de heilige bron mijns levens troebel wordt, alsof hethart van het kind niet meer warm en vrij voor de ouders kan slaan. Koud als eene slang bekruipt dat gevoel mijne borst! Zou het dan waar zijn, dat er nog slechts eenplichtder liefde voor mij bestaat, maar dat deze zelve geheel in mij is uitgedoofd? Neen, neen! Dat kan, dat mag niet zijn, het is slechts de eeuwige vijand, die mij verblindt. De natuur is heilig, waar, rechtvaardig, slechts ons hart ontaardt. Hemelsche Moeder Gods, louter het mijne, doe de oude, heilige liefde daarin weder ontbranden, die het schuldelooze kind zoo gelukkig deed zijn.”

Een groot, edel besluit was in dit oogenblik in hare ziel tot rijpheid gekomen; biddende, berouwvol, weenende wilde zij zich aan de voeten der moeder en des vaders werpen en van hunne liefde afsmeeken, wat zij zich tot hiertoe voorgenomen had door eigen standvastigheid te verkrijgen. Haastig wendde zij zich om; de zaal was ledig; slechts de bedienden waren nog bezig de tafel af te nemen. Hare ouders en vorst Ochalskoi hadden zich reeds onverschillig, zonder nachtgroet verwijderd. Hevig geschokt nu zij de vurige ontboezeming, de volle uitstorting van haar overkropt hart op zulk een grievende wijze verhinderd zag, kostte het Feodorowna moeite, hare uiterlijke bedaardheid te behouden. Eensklaps echter rees de zacht vertroostende gedachte bij haar op; er is immers ook eene ongelukkige, die verzachting van haar lijden van mij verwacht; ik wil haar vriendelijk aan dit hart drukken; wat haar kwelle of beangstige, bij mij zal zij die liefde vinden, waarnaar ik zelve zoo vruchteloos uitzie.—Met deze gedachte ging zij naar boven, om Axinia's klachten aan te hooren.

Toen zij hare kamer opende, zag zij het meisje voor een Mariabeeld geknield liggen, dat tegenover de deur in eene nis geplaatst was. Om haar niet te storen, bleef Feodorowna aan den ingang staan. Axinia knielde zoo, dat slechts een klein deel van haar gelaat zichtbaar was, dat echter door het zachte schijnsel, dat van ter zijde door de vensters inviel, tooverachtig verlicht werd. De sneeuwwitte armen had zij omhoog geheven en de handen gevouwen; het hoofd was naar de hemelsche beschermvrouw gekeerd. In twee sierlijke vlechten golfde het rijke, bruine haar over den nek naar beneden. Behoedzaam trok Feodorowna de deur achter zich toe en deed zachtkens eenige schreden voorwaarts, zoodat zij het gezicht van het meisje nu bijna geheel van ter zijde kon opnemen. Thans eerst bespeurde zij de koude, versteende tranen, die het arme kind op de bleeke wangen hingen, welke zelfs de heldere gloed van den avond die haar omgaf, niet vroolijk kleuren wilde. Haar boezem zwoegde onder bange, diepe zuchten, de lippen bewogen zich al fluisterend tot een gebed; het oog hing zoo strak en roerloos aan het gelaat der hemelsche moeder, hare ziel was zoo geheel van de buitenwereld afgetrokken, dat zij de komende nog niet bemerkt had, toen deze reeds naast haar stond. Eerst toen Feodorowna haar toefluisterde: „Axinia, gij bidt?” rees zij verschrikt op, stond sidderend voor de liefderijke meesteres en wilde zich deemoedig nederbuigen om hare hand te kussen.

„Neen, neen, dat niet,” sprak Feodorowna, nam haar vriendelijk in de armen en blikte haar met onbeschrijfelijke teederheid aan, „wees weder de oude vertrouwelijke vriendin. Stort uw gansche hart voor mij uit, mijn goed meisje, want ik zie, gij hebt diepen kommer!”

„Ach, gij zult mij verstooten, zult mij verachten,” snikte Axinia, rukte zich los en wrong wanhopig de handen.

„Axinia, wat deert u, spreek, verklaar u,” vroeg Feodorowna met angstvol vermoeden.

„Neen, neen, ik kan niet,” riep de ongelukkige en bedekte haar gloeiend gelaat met beide handen.

Wat waren er nog woorden noodig! Elke trek van het onder angst, schaamte en wanhoop bezwijkende meisje sprak te duidelijk. „Axinia, gij zijt gevallen! Gij?” sprak Feodorowna met smartelijke ontroering, doch zonder verwijt.

Het meisje zeeg, als bezwijmende, aan hare voeten neder.

„Vertreed de rampzalige in het stof,” riep zij woest en onstuimig; „ach, wees barmhartig en laat mij niet langer bidden!”

Feodorowna boog zich tot haar neder en trachtte haar op te richten. „O gij ongelukkige! Sta op, wees bedaard; gij hebt troost bij mij gezocht, ik zal u niet van mij stooten.”

„Neen, laat mij aan uwe voeten liggen!” riep Axinia en klemde zich, het gelaat in de plooien van haar kleed verbergende, aan Feodorowna's knieën vast.

Feodorowna legde hare beide handen als zegenend op het hoofd der knielende en sprak diep ontroerd: „God richt uwe schuld. Mijn hart, dat zelfs menschelijk dwaalt, zal u niet veroordeelen; ik wil met u weenen, wil uwe smart lenigen, als dit in mijn vermogen is. O, gij waart goed, Axinia, gij waart goed ook jegens mij. Gij hadt een zacht, gevoelig hart; het kan niet slecht geworden zijn. Ik wil u niet van mij stooten, daar ik weet, wat het hart der ongelukkige zoekt. Stel vertrouwen in mij, sta op, wees geheel openhartig; dat is de eerste schrede der berouwvolle afgedwaalde.”

Axinia hief het gelaat langzaam omhoog en zag naar Feodorowna op. „O, gij zijt zacht en goed, als eene heilige,” riep zij, terwijl heete tranen haar over de wangen rolden, bedekte de hulpvaardig uitgestrekte hand met kussen en liet zich door de liefderijke gebiedster oprichten, daar hare bevende knieën haar die dienst ontzeiden. Feodorownaleiddehaar naar eene rustbank en zette zich bij haar neder.

Lang duurde het, eer de ontroering en schaamte Axinia vergunden, de bekentenis harer zwakheid af te leggen. De graaf had een jongen Duitscher, met name Paul, als tuinier in dienst, dien hij zeer begunstigde. Deze koesterde sinds lang eene vurige genegenheid voor de bevallige Axinia, schoon haar vader, Wasiliew, zich tegen beider verkeering verzette, daar de graaf afwezig en diens toestemming tot een huwelijk volstrekt noodzakelijk was. Zijn verblijf was toenmaals aan de bewoners der goederen geheel onbekend, daar hij sinds jaren reeds in de verst verwijderde landen van Europa rondreisde. Ook koesterde de oude bezwaren, wijl Paul de protestantsche godsdienst was toegedaan. Axinia intusschen was door de innigste liefde aan den jongeling verbonden, en onderhield met hem eene heimelijke, teedere betrekking. Toen nu de naderende lente alle levensgeesten met zoete krachten vervulde, kreeg ook in de jeugdige gemoederen de hartstocht op het strenge verbod der plichten de overhand. Paul, wiens duitsch hart zich niet met de slaafsche gezindheid der lijfeigenen vereenigen kon, geloofde bovendien het recht van den vrijen mensch te mogen uitoefenen en vertrouwde, dat, wanneer Axinia eens door de banden der liefde zijne vrouw was, zich ook de wetten naar zijn wil zouden voegen. Met koene onstuimigheid bestormde hij het zwakke, teedere meisje; haar wederstrevende wil werd zwakker en zwakker en gaf zich ten laatste krachteloos aan de zoete bedwelming van het hart over. Zijn gloeiende beden, zijne vurige kussen overwonnen hare tranen, hare bange zuchten; en te laat ontwaakte zij uit die smartelijk zalige verdooving, te laat ontdekte zij de adder, die onder de rozen schuifelde, waarop zij was ingesluimerd.

Met stommen doodsangst in de borst, hield zij zich nu in huis van haren vader verscholen en zag zelfs den geliefde niet weder. Jammervolle nachten volgden optreurige dagen. Zoo verliep er eene maand. Paul zwierf intusschen stom en radeloos om. Het bericht, dat de graaf terugkeerde, deed de hoop herleven. Den meester, die hem liefhad, wilde hij alles bekennen, van zijne gunst de geliefde afsmeeken. Onder de schaar der landlieden snelde hij hem met bange verwachtingen te gemoet. Daar was het eerste woord, dat hij uit den mond van zijn gebieder hoorde, de belofte, om zijne geliefde, Wasiliews dochter, aan den zoon des ouden Iwans tot vrouw te geven. Dat de graaf zulke besluiten, zulke toezeggingen niet terugnam, was hem maar al te goed bewust. In doodsangst ijlde hij naar Axinia, die, terwijl de overigen de aankomende heerschappen begroetten, stil en treurig te huis was gebleven, daar zij het niet wagen durfde, de anders zoo vurig beminde gebiedster onder de oogen te treden. Terwijl hij nog in stomme vertwijfeling bij het meisje vertoefde en met haar vruchteloos op raad en uitkomst zon, kwam Feodorowna's boodschap, die de oude speelnoot naar het kasteel riep. Door de kracht der liefde bemoedigd, door het gestadig nader komende onheil tot handelen gedreven, besloot Axinia aan hare meesteres alles te ontdekken, en door de zwakke schemering van hoop, aan dit besluit verbonden, opgebeurd, spoedde zij zich naar het slot.—Thans had zij het volvoerd en voor haar ongeluk vertroostende deelneming, voor hare afdwaling liefderijke vergiffenis gevonden.

Nadat Feodorowna deze bekentenis had aangehoord, trachtte zij de radelooze door vriendelijke toespraak op te beuren. „Alles kan misschien nog geschikt worden, Axinia; morgen zoo vroeg mogelijk zal ik mijn vader bidden, dat hij uwe verloving met Paul inwillige; voor de belofte, welke hij aan den ouden Iwan gedaan heeft, zal wel eene andere vergoeding te vinden zijn. Denkt mijn vader als ik, dan zal hij uwe verbintenis met Paul voor een plicht houden, waaraan hij zich niet kan onttrekken. Ga nu naar huis en leg u welgemoed ter rust; voor dezen avond is het te laat, maar morgen in de vroegte wil ik Paul laten roepen en zelve met hem spreken. Goeden nacht dan, Axinia. God heeft uwe tranen, uw berouw gezien; Hij zal u vergeven. Hebt gij bittere nachten, troostelooze dagen te doorworstelen gehad, geloof vrij, dat gij niet de eenige ongelukkige op deze aarde zijt.” Haastig wendde zij zich om, bedekte het gelaat met haren zakdoek en liet het afgematte hoofd op het kussen nederzinken. Axinia greep diep geroerd en vol dankbaarheid de krachteloos neerhangende hand harer gebiedster, overdekte ze met kussen en tranen en verliet snikkend het vertrek.—In het slot was alles reeds in diepe rust; het kamermeisje,Jeannette, eene duitsch en fransch sprekende Zwitsersche, die Feodorowna eerst voor eenige weken te Petersburg in haar dienst had genomen, wachtte nog in de voorzaal op de bevelen harer gebiedster. Zij geleidde Axinia tot aan de groote poort, die de oude portier gemelijk opende. Naar den vastgestelden regel van het huis, die, vooral nu de heer zelf was teruggekeerd, met stipte nauwkeurigheid werd in acht genomen, bevonden zich alle dienaars en beambten reeds in hunne woningen. Hoe gaarne Axinia haren vriend van de gelukkige wending van haar lot onderricht had; hoe stellig zij zich overtuigd hield, dat hij met bange angstvalligheid daarop wachtte, was haar dit thans toch niet meer mogelijk; haastig, door het late uur een weinig huiverig, sloop zij dus naar de vaderlijke hut, waar zij, voor het eerst sedert eene maand, den nacht doorbracht, zonder weenend en in hopeloozen jammer op hare legerstede te waken.

Feodorowna was laat ingesluimerd; zij ontwaakte dus eerst, toen de zon reeds hoog aan den hemel stond. Toen zij haar kamermeisje schelde, trad deze snikkend en met tranen in de oogen binnen. „Wat deert u,Jeannette?” vroeg zij verwonderd.

„Ach, genadige gravin, hoe gruwelijk wordt men hier in dit land mishandeld! De ongelukkige man zal er voorzeker het leven niet afbrengen!”

„Wie?” vroeg Feodorowna ongeduldig; „wat is er gebeurd? wie wordt mishandeld?”

Onder snikken en beven stameldeJeannette: „Mijnheer de graaf is al te driftig! O hemel, als dat mij eens gebeuren moest! De arme jongen—veertig zweepslagen! Hij viel al zoo bleek als een doek op den grond, toen mijnheer de graaf het bevel gaf!”

Feodorowna was meer dood dan levend. „Wie, wie?” riep zij buiten zich zelve, trad verbleekend terug, toenJeannettePaul, den tuinier, noemde, en zou in onmacht zijn neergezegen, wanneer het meisje haar niet in de armen had opgevangen. Echter was die bezwijming slechts eenige oogenblikken van duur; met geweldige inspanning vermande zij zich en riep: „Geef dadelijk bevel, dat men ophoude; ik verantwoord het! Vlieg, vlieg naar beneden, eer het te laat is.”

Jeannettevloog als een ree de voorzaal door, de trappen af, het plein op, waar drie knechts juist bezig waren den ongelukkige aan den geeselpaal vast te binden.

Intusschen kleedde Feodorowna zich in allerijl aan, wierp een sluier om en spoedde zich met wankelende schreden naar haren vader. Zij vond hem in hartstochtelijke gemoedsbeweging het vertrek op en neder gaande. Met een gramstorigen blik en de barsche vraag: „Wat wilt gij?” werd de komende ontvangen.

„Genade voor een ongelukkige, mijn vader! O, trek uw overijld bevel weder in; het was niet uw menschelijk hart, dat u zulk een vonnis deed uitspreken.”

„Kent gij zijne misdaad?” riep de graaf met rollende oogen. „Al die vreemden zijn huichelaars en verraders; het uur is gekomen, dat de wraak hen treft. Zoo zij er op steunen, dat onze wet hen niet geldt, zullen zij ten minste ondervinden, dat onze macht hen straffen kan, en dat zij, die aan geen wetten willen gehoorzamen, ook door geene beschermd worden. Liet ik zulk een vergrijp tegen den geheiligden persoon des meesters ongestraft, ik was waard, dat mijne vasallen mij verachten. De hand tegen zijn gebieder op te heffen! Er ontbrak slechts, dat eene dochter, die de kinderlijke gehoorzaamheid verloochent, nog voor weerspannige, oproerige schurken partij trekt!”

Feodorowna, hoezeer door dit ruwe antwoord verschrikt, verloor toch den moed niet, maar trachtte nog eens door eene roerende bede op het hart van den vader te werken. „Ik ken de misdaad van den ongelukkige niet, ik weet slechts, dat zijne straf gruwzaam, dat zij afgrijselijk is. Hebben de zachte zeden van vreemde landen u niet afkeerig gemaakt, mijn vader, van die bloedig strenge wetten, waaronder de bewoners van dit land zuchten? Ik had mij heden bovendien reeds voorgenomen, u eene weldaad voor den armen Paul af te smeeken. Zijn lot is zoo nauw verbonden aan dat.....”

„Het schijnt, dat gij in verstandhouding staat met mijne losbandige dienaars,” riep de graaf verontrust. „Dus kent gij reeds vroeger dan ik de misdaden, die hier bedreven worden! Wie heeft het gewaagd, mijne dochter tot vertrouwde te maken van wanbedrijven, die het vrouwelijk oor zelfs niet mag hooren noemen?”

Feodorowna bloosde van gramschap en schaamte tevens. Met het fiere bewustzijnvan eigenwaarde wilde zij antwoorden, doch zij bedwong die opwelling en sprak op zachten toon: „De vriendin mijner jeugd, dierbare vader, de ongelukkige Axinia bekende mij gisteren avond onder tranen van angst en vertwijfeling haren misstap. Was het niet natuurlijk dat zij haar hart in een zusterlijk gezinden boezem uitstortte? Neen, mijn vader, zoozeer zult gij uwe dochter niet miskennen, dat gij zulk een krenkenden argwaan omtrent haar koesteren kunt!” Dit zeggende blikte zij den vader zoo smartelijk met hare blauwe, vochtige oogen aan, dat zijne toornige aandoening door eene zachtere aandoening scheen getemperd te worden. Ernstig vervolgde hij: „Ik had den lichtzinnige, die als vreemdeling de eer van een russisch meisje zoo gering schatte, dat hij ze met voeten dorst treden, wellicht vergiffenis geschonken, wanneer hij met deemoed en tijdig zijn misdrijf bekend had. Waarom liet hij mij gisteren mijn woord geven? Heb ik dat ooit aan den geringsten mijner vasallen gewroken? Kan ik het ooit, zonder voor mij zelf te blozen? Maar de dolkop, te laf om rondborstig voor zijne schuld uit te komen, waagt het niet den mond te openen, waagt het niet, wat hij toch licht had kunnen doen, naar Petersburg te schrijven en mij het voorgevallene te berichten! En heden morgen, voor dag en dauw, komt hij als razend bij mij, begeert onstuimig, wat hij met diepen ootmoed smeeken moest, en daar ik het hem met gestrengheid weiger, stuift hij in dolle woede op mij in en bedreigt met dat gindsche mes mijn leven!” Dolgorow wees op een snoeimes, dat op de tafel lag.

„O, vergeef de waanzinnigheid der vertwijfeling,” bad Feodorowna, „en bekroon het werk uwer genade door eene nog schoonere daad van menschelijk mededoogen!”

„Genoeg,” hervatte de graaf met vastheid, „het recht hebbe zijn loop! Inderdaad, eene liefdevolle dochter, die den moordenaar haars vaders beloond wil zien!”

„O, almachtige God der genade,” riep Feodorowna en wrong wanhopend de handen; „zoo moet dan het afgrijselijk, onmenschelijk vonnis volvoerd worden en mijn smeeken kan den ongelukkige niet redden! Vader! vader! Er is een God in den Hemel; Hij zal u richten, gelijk gij gericht hebt! Op welke genade kunt gij hopen, wanneer gij uw hart tegen het medelijden verstaalt? O land des jammers, waar de willekeur geen grenzen kent! Vader, verhoor de bede uwer dochter, oefen het goddelijk recht der genade uit!” Feodorowna stond bleek en bevend, met smeekend opgeheven armen voor den vader en was gereed aan zijne voeten neder te zinken, toen het angstvolle geschrei eener vrouwelijke stem zich in de gang hooren liet en Axinia eensklaps met vliegende haren het vertrek binnenstormde.

„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders, die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte. „Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken, vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den grond neder.

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund.

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund.

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund.

Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o, op deze pijnbank wordt mij hetjaontwrongen!—Welaan dan, het zij zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldeloozeoffers! Ik kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows armen.

Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,” riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne dochter is ongesteld geworden!”

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude, door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster; terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte, daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen, en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredendeJeannettede zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte, blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!” keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde, waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste! Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleiddeJeannetteen Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot te werpen.

De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd, waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.

Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.

Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.

Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.

Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze hadJeannettehet bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd, maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden, maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht tot handelen te hebben, doorJeannetteliet geven, den gevangene onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.

Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen, Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.

„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht. Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”

„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.

„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De schredewelke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”

„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”

Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.

Zij keerde naar hare kamer terug.

In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul, verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem, die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voorallenwaakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”

Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.

Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”

Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel, veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”

Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.

„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”

Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met zijn koesterenden zonnegloed.

Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen; uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde, liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart; zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide, werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”

Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der landslieden te deelen.

Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen, of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is, deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht prijs geef.”

Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn vader!”

„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze, „want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.

Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt. Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen, vertrouw u aan Hem toe!”

Zij schelde.Jeannetteverscheen.

„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”

Jeannettevermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.

„Welk kleed?” vroeg zij.

„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf tooide!”

Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij inJeannette's arm en weende aan hare borst.

Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd. „Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”

Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich in het licht zijden gewaad. AanJeannette's arm zweefde zij naar de zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond. Stilzwijgend begroette men elkander.

„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op een toon, die geene weigering toeliet.

De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem, aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest men haar naar hare kamer dragen.

Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar het leger afreisden.

Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De overige corpsen,Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger voor het eerst gewaar werd. Tot zooverhet oog reikte bedekten de zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!” riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden, ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren. Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders. Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God, voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en verderf op den vijand te braken.”

Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen verdedigd worden. Ginds loopt de weg vanKönigsberg, die zich in het gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadjeSchirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden, misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er waarschijnlijk legeren zal.”

Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.

Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan,„u de plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan. Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”

Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te kennen.

Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,” sprak Lodewijk tot Bernard.

„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken;„terwijl ik dit voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon, die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk genrebeeld en merk, dat men maar éénsdoor eene legerplaats behoeft te rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het penseel toe heeft en nog geen is.”

Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardigsappeurroerde ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te maken.

Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit de romance: „Il pleut, il pleut bergère,” blies. Dit geliefkoosde liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven. Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu en dan afwerend terugsloeg.

„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”

Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards zeggen in hem verlevendigd had.

„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen. De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te zien zijns weegs.

„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij armen en beenen stuk met zijn olifant.”

„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende. „Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert uitdeelen.”

„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen, maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”

Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen; dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maarhet sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het commando:

„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel, welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.

Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die generaal?”

„De maarschalkDavoust, prins vanEckmühl,” antwoordde deze met een ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook hij voor den beroemden veldheer koesterde.

„De maarschalkDavoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des legers verloor.

Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel, die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen. De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt, men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken, die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.

Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo uitgestrekt en sliep, zonderdoor het dak eener hut of tent tegen de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.

Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.

De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,” sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.

De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”

Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan. „Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen, zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”

In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den keizer aan.

„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.

„Half twee,” hernam Bernard.

„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de keizer alle gedruisch.”

De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne bruisende vloeden te wiegen.

Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan. Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische gebied.

De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en slingerde zijn ruiter ter aarde.

Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten, dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort; vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den maarschalkBerthiertot zich en beval, terwijl hij met de hand op den stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met zijn geleide weder naar het bivak.

In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt; de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking, waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk Rusland, scheen men krijg te voeren.

Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang. Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.

Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op, verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land, dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren? Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats, waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den oever verplaatst had. De zon verlichtte ze methare stralen; vroolijk glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen, die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over. Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem; onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel, zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.

Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven. Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig, roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.

Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.

In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op. Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.

Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig, hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels, zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagende krijgers elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.

Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!


Back to IndexNext