Chapter 40

„Als de wind ons zoo scherp aanblaast als nu,” hernam Bernard en rakelde het hout op, „en het vuur ons zulke gloeiende pijlen in de oogen schiet, dan is het bijna, alsof men beide martelingen tegelijk voelde. En is dat niet in het klein een beeld van de wereld? Onze aarde, eene span nader bij de zonnevlam, verschroeit en vergaat tot asch, eene span verder, en alle leven versteent in de koude, onmetelijke wereldruimte. De mensch is overal even hulpeloos, even nietig als hier. Hij sluit slechts de oogen en waagt geen blik over zijn eng grensgebied in leven, weten en genieten.”„Neen, Bernard, gij spreekt geen waarheid, geen waarheid zelfs voor u zelf,” antwoordde Lodewijk ernstig.„Gij schat het leven zoo gering niet en miskent den waarborg niet, dien de Eeuwige ons in zijne kortstondige verschijning geeft. Wie kon dit leven ook slechts een oogenblik verduren, zonder die hoop op het hiernamaals, die eeuwig als het spiegelbeeld des hemels door de golven der aardsche woelingen heenblinkt! En is het schoonste, dat ons dit aanzien aanbiedt, niet ook een afschijnsel van daar—de liefde...”„Heb ik het dan ooit geloochend?” viel Bernard hem in de rede en zijne gansche gevoelige ziel schitterde in zijn oog. „Zie deze hier slechts,” hij wees op Bianca, „zie haar sluimeren en vraag dan u zelf! Zij maakt zelfs mij vroom, zooals de menschen dat gewoonlijk noemen, want als zij bidt en knielt, is dat zoo schoon en waar, dat ik denk: kunt gij dan iets beters? Van haar alleen leer ik, dat ootmoed sterkeris dan trots; al vergeet ik het dan ook spoedig weder. Gisteren, toen de nood op het hoogst was, zag ik haar achter gindschen boomstam knielen en bidden; en ik deed het ook, schoon enkel voor haar. O Lodewijk, zullen wij haar schuldeloos leven redden uit dezen afgrond van ellende, waarin wij dag aan dag dieper wegzinken?”„Ik hoop nog,” sprak de vriend innig ontroerd.„O, thans ondervind ik het,” hernam Bernard, „dat gij beter zijt dan ik. Ik handel rasser dan gij, ikschijnonverzettelijker, maar gijzijthet. Ik voel, dat mijn hopen, mijn vertrouwen, mijne kracht eene grens heeft, en ik ben die grens nabij. Zoo even waande ik ze uitgeput; ben ik echter eens moedeloos, dan zal ik het geheel zijn. Gij met uwe edele bedaardheid, uwe onwankelbare mannelijke deugd zult het nimmer worden. Ik loop, spring, vlieg en ben u dan ook eene poos lang vooruit geweest. Gij gaat met vasten, rustigen tred; daarom zult gij nog staande blijven, als ikmachteloosneerzink.—Dan Lodewijk—dan maak mijne zuster gelukkig—en groet de uwe! Neen, neen, zeg mij niets, ik bid u,” riep hij driftig, toen Lodewijk hem wilde antwoorden. Hij wendde zich af en hulde zich dieper in den mantel.Zoo zaten zij sprakeloos nevens elkander. Eensklaps liet zich een zacht klagend gezang achter hen hooren. Het was Jaromir, die slapeloos met open oogen neerlag en, smartelijk glimlachend, die tonen neuriede.„Hij droomt van haar,” sprak Lodewijk;„het is de melodie van het lied, dat Lodoiska ons dien avond te Warschau voorzong. Dikwijls heb ik de wijze van hem gehoord. Daar dus toeft zijne ziel.”Bernard staarde den ongelukkige weemoedig aan. „Daar toeft zij,” herhaalde hij langzaam, „bij zijne liefde! Het is over ons besloten,” vervolgde hij met doffe stem, „wij moeten te gronde gaan. De afgrond is te diep. Ik durf er niet meer in neerzien, anders stort ik duizelig in de diepte!”De krankzinnige zong klagend voort en zag met een onbeschrijfelijk smartelijken blik tot de vrienden op. Na eenige minuten bestierf de toon op zijne lippen en hij verzonk weder in doffe bewusteloosheid.„Was de tijd slechts voorbij, dat ik slapen kon!” riep Bernard. „Slapen! ik ben moe. Het logge dier weegt zwaar op mijne ziel en verdooft hare laatste glimmende vonken! Het is voorbij met menschelijkheid, vriendschap, liefde en haat; alles stomp en ledig en dood. Wie zou anders slapen kunnen bij zulk een jammer! Hoe laat is het?”„Terstond middernacht.”„Dan zijn wij spoedig afgelost!”De minuten kropen met loomen, slependen tred voorbij. Eindelijk was het uur om. Zij maakten hunne opvolgers wakker en legden zich tot slapen neder, om den last aller bezwaren, aller angsten, aller smarten in de ledige ruimte van doffe vergetelheid af te schudden.

„Als de wind ons zoo scherp aanblaast als nu,” hernam Bernard en rakelde het hout op, „en het vuur ons zulke gloeiende pijlen in de oogen schiet, dan is het bijna, alsof men beide martelingen tegelijk voelde. En is dat niet in het klein een beeld van de wereld? Onze aarde, eene span nader bij de zonnevlam, verschroeit en vergaat tot asch, eene span verder, en alle leven versteent in de koude, onmetelijke wereldruimte. De mensch is overal even hulpeloos, even nietig als hier. Hij sluit slechts de oogen en waagt geen blik over zijn eng grensgebied in leven, weten en genieten.”

„Neen, Bernard, gij spreekt geen waarheid, geen waarheid zelfs voor u zelf,” antwoordde Lodewijk ernstig.„Gij schat het leven zoo gering niet en miskent den waarborg niet, dien de Eeuwige ons in zijne kortstondige verschijning geeft. Wie kon dit leven ook slechts een oogenblik verduren, zonder die hoop op het hiernamaals, die eeuwig als het spiegelbeeld des hemels door de golven der aardsche woelingen heenblinkt! En is het schoonste, dat ons dit aanzien aanbiedt, niet ook een afschijnsel van daar—de liefde...”

„Heb ik het dan ooit geloochend?” viel Bernard hem in de rede en zijne gansche gevoelige ziel schitterde in zijn oog. „Zie deze hier slechts,” hij wees op Bianca, „zie haar sluimeren en vraag dan u zelf! Zij maakt zelfs mij vroom, zooals de menschen dat gewoonlijk noemen, want als zij bidt en knielt, is dat zoo schoon en waar, dat ik denk: kunt gij dan iets beters? Van haar alleen leer ik, dat ootmoed sterkeris dan trots; al vergeet ik het dan ook spoedig weder. Gisteren, toen de nood op het hoogst was, zag ik haar achter gindschen boomstam knielen en bidden; en ik deed het ook, schoon enkel voor haar. O Lodewijk, zullen wij haar schuldeloos leven redden uit dezen afgrond van ellende, waarin wij dag aan dag dieper wegzinken?”

„Ik hoop nog,” sprak de vriend innig ontroerd.

„O, thans ondervind ik het,” hernam Bernard, „dat gij beter zijt dan ik. Ik handel rasser dan gij, ikschijnonverzettelijker, maar gijzijthet. Ik voel, dat mijn hopen, mijn vertrouwen, mijne kracht eene grens heeft, en ik ben die grens nabij. Zoo even waande ik ze uitgeput; ben ik echter eens moedeloos, dan zal ik het geheel zijn. Gij met uwe edele bedaardheid, uwe onwankelbare mannelijke deugd zult het nimmer worden. Ik loop, spring, vlieg en ben u dan ook eene poos lang vooruit geweest. Gij gaat met vasten, rustigen tred; daarom zult gij nog staande blijven, als ikmachteloosneerzink.—Dan Lodewijk—dan maak mijne zuster gelukkig—en groet de uwe! Neen, neen, zeg mij niets, ik bid u,” riep hij driftig, toen Lodewijk hem wilde antwoorden. Hij wendde zich af en hulde zich dieper in den mantel.

Zoo zaten zij sprakeloos nevens elkander. Eensklaps liet zich een zacht klagend gezang achter hen hooren. Het was Jaromir, die slapeloos met open oogen neerlag en, smartelijk glimlachend, die tonen neuriede.

„Hij droomt van haar,” sprak Lodewijk;„het is de melodie van het lied, dat Lodoiska ons dien avond te Warschau voorzong. Dikwijls heb ik de wijze van hem gehoord. Daar dus toeft zijne ziel.”

Bernard staarde den ongelukkige weemoedig aan. „Daar toeft zij,” herhaalde hij langzaam, „bij zijne liefde! Het is over ons besloten,” vervolgde hij met doffe stem, „wij moeten te gronde gaan. De afgrond is te diep. Ik durf er niet meer in neerzien, anders stort ik duizelig in de diepte!”

De krankzinnige zong klagend voort en zag met een onbeschrijfelijk smartelijken blik tot de vrienden op. Na eenige minuten bestierf de toon op zijne lippen en hij verzonk weder in doffe bewusteloosheid.

„Was de tijd slechts voorbij, dat ik slapen kon!” riep Bernard. „Slapen! ik ben moe. Het logge dier weegt zwaar op mijne ziel en verdooft hare laatste glimmende vonken! Het is voorbij met menschelijkheid, vriendschap, liefde en haat; alles stomp en ledig en dood. Wie zou anders slapen kunnen bij zulk een jammer! Hoe laat is het?”

„Terstond middernacht.”

„Dan zijn wij spoedig afgelost!”

De minuten kropen met loomen, slependen tred voorbij. Eindelijk was het uur om. Zij maakten hunne opvolgers wakker en legden zich tot slapen neder, om den last aller bezwaren, aller angsten, aller smarten in de ledige ruimte van doffe vergetelheid af te schudden.


Back to IndexNext