EERSTE BOEK.

EERSTE BOEK.HOOFDSTUK I.Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der zon, naderde LodewijkRosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de afhelling van denSimplongelegene stadjeDuomo d'Ossola. Te voet vanBaveno, aan denLago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid, ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen aangebodenhad.Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt, had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome, den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen, waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe? was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling terug; want zijn hart voelde zich gedrongen,de geliefde moeder, welker gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting, welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur, die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen, ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele lengte overzien; ter linker lagenDuomo d'Ossola's kleine markt en rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke, levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten en in eenvertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de wolken opstak.De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van de zijde vanBaveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe. In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare; de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het dal vanAostaafdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane, naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok. Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel, het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven. Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven, op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds, na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier der hoop, onder welke hij zijn intochthield in Italië's velden. Met onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij, onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de smalle bergwagens kan bereden worden.Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg, ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine, geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar den gereedstaandenchar-à-bancgeleidde. Zou zij dan voor altijd aan den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest. In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot. Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen, een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij; „ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken, die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op, die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen, den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking van zachtheid en onschuld op hem gevestigd.Een vriendelijke lach speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen; met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen; zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks, dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen, doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de verbeelding terug.En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig, dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had. In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld, drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders; daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht,hij wilde de schoone gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over, of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche woorden: „Voilà mon frère!” uitriep en op hem toesnelde. Geheel verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar, in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graafWallersheim,” lispelde zij hem tevens in het hoogduitsch toe.Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.” Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag: „Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer. Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster, vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor grensplaatsen alsDuomo d'Ossolazóó stipt, dat ik genoodzaakt zou geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen in de richting vanSempionezou hebben uitgezonden, om u van deze belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen, voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult met meerdere vrijheid kunnen reizen.”Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen.Vrij verward duwde hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijnbon voyage. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.HOOFDSTUK II.Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien. De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus, vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen, welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van het rijtuig ophield. Nu greep de schoonegesluierdemet onstuimige hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder! De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een weldadigen stroom van tranen los.De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid vertoond had,scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed. Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan. Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten, en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige, gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk bepalen aan welken landaard zebehoorden; nu eens waande hij spaansche, dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van denSimplonnu weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde, dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke, voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen. „Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken, en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had. „Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden, wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren, ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw bijstand willen verleenen?”„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar verbonden!”Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen, daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik geen gravinWallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel niet twijfelachtig meer zijn.”„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende zijn.”„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!” herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde, naarmate zij nauwer verbonden schenen.Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in zijn boezem.Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gijmoogtmij niet alleen zuster noemen,”zeide zij met een vluchtig blosje,„maar gijmoethet ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon, dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden, zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner. Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden. Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand wildemaken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit wraak een verrader geworden.Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou maken, dan voor u te wagen.”Bianca zweeg.De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl deVeriolaschuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw, verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich geboeid houden?Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat onrust noch zorg haar meer beangstigden.De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; deVeriolaschoot klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk verdoofde een doffe donderslag het gehoor.Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is dat? Waar zijn wij?”„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De postiljon klapte met de zweep.„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden worden?”„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was Lodewijks antwoord.„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief den blik op tot de heldere sterren boven haar.Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.„Votre passeport, Monsieur,” luidde de beleefde, maar korte en beslissende vraag.„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten moest.Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „Votre serviteur, monsieurle comte.”„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en murmelend, als uit de verte.„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat voert.”„Dit is de gaanderij vanTrissinone,” liet zich de stem hooren van den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te deelen.Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe, vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien minuten was men weder onder den vrijen hemel.Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke akelige gewelven?”„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles,wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag. Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van zijn machtigen wil tot stand gebracht.”„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen, waarop hare woorden schenen te doelen.„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur;„op de lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg Bianca.Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde, onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders. Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn hart bloedt, als ik daaraan denk!”Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en kaatsten het maanlicht glanzend terug.„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de flonkerende sneeuwtoppen.Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde borst verlichtte, den vrijen loop.„Die top links is deSempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden bediende wendende.„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorpSempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen schijnt, bereikt.Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts weinig oogenblikken,om zich door eene vluchtig genoten verversching en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten hield de postiljon zijne paarden staande.„Wat is er?” vroeg Lodewijk.„Hm,Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden, duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.„Het zal gaan,” sprak depostiljonen dreef de paarden opnieuw aan.Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen hadden.Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.„Dio Sànto!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht zijne kalmte te behouden en sprak:„Er zal geen gevaar zijn; deze menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte. De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil, zwijgend en donker als in het graf.HOOFDSTUK III.„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben nog gelukkig de gaanderij bereikt.”De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben; want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen, en dat nog wel in het donker!”Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik allen tegelijk het leven benomen?Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon, die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.„Licht, licht!” riep hij driftig.„Dadelijk,signore!”De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg: „Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak: hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder; vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht, door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras, en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend, maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen verzonken: „Wie roept mij toch?”„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken, in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft!zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne Margaretha, herkent gij mij?”Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig: „Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte, waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig te onderzoeken.Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit het oog te verliezen.Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar men zich thans bevond.„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten afklimmen.”Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig waren het achterrad te bezichtigen.„Nu ja,signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel totBrieg, zullen wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaalrekenen. Achter gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn. Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar, dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam, zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout. Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare genade heeft groote haast.”De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd,monsignore, maar niet zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn; ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus vastberaden.„Dat ware goed en wel,monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk, terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en haalde het gevraagde te voorschijn.„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon, „de bediende mag bij de dames blijven.”„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende, half verdrietig.Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het. Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne standvastigheid liet haar geene keuze.„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon volgde hem.„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand. Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep: „Sante Borromeo!Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts,signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort. Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen gesloten was.„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de postiljon.„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang voor. Zij moesten inSempioneen in het naaste posthuis wel doof zijn, als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland ben.”Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde. Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had, en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande: „Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar,signora, men zal er ons wel weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond inBrieg, maak daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven. Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een doffen knal in de verte.Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca klemde zichangstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een verren stroom, die woest over klippen heenbruist.„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig waagstuk verijdeld was geworden.Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,” vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en middelerwijl geladen.„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden, opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af. Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is hetda capo, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw, en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten. Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven, dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet, als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen, schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering voor die verschrikkelijke natuurverschijnselsniet de smartelijke gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen toe!HOOFDSTUK IV.Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,” voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang, aan de zijde vanBrieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit. „Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal zag men het kleine stadjeBrieg, door de kronkelendeRhônemet een glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht, die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart weder.”„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer zij nog slechts vluchtig deijskorsten des winters met haren adem aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste Meidag.”Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te sterker.”„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder herstellen.Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en talrijke mossoorten met groen bekleed waren.De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand, geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift, die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.„Mama, mama,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes,„Mamamia! Un signore, una signora!” De moeder, eene italiaansche vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de vreemdelingen te gemoet.„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij hier een ontbijt bekomen?”„Gewis,signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde, met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „Unabellissima signora!”—„Ja wel,Giannettina,” hernam deze, „eene schoone, voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en haar recht van harte kuste.„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met kinderen!”Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men hierboven!” zeide Bianca verwonderd.„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen ze ons uitDuomo d'Ossolamede. Gelieft designoraplaats te nemen? Ik zal dadelijk het ontbijt brengen.”Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleineGiannettinaop haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen, oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden, dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.

Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der zon, naderde LodewijkRosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de afhelling van denSimplongelegene stadjeDuomo d'Ossola. Te voet vanBaveno, aan denLago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid, ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen aangebodenhad.

Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt, had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome, den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen, waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe? was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling terug; want zijn hart voelde zich gedrongen,de geliefde moeder, welker gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting, welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur, die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.

Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen, ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele lengte overzien; ter linker lagenDuomo d'Ossola's kleine markt en rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke, levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten en in eenvertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de wolken opstak.

De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van de zijde vanBaveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe. In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare; de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het dal vanAostaafdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane, naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok. Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel, het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven. Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven, op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds, na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier der hoop, onder welke hij zijn intochthield in Italië's velden. Met onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij, onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de smalle bergwagens kan bereden worden.

Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg, ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine, geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar den gereedstaandenchar-à-bancgeleidde. Zou zij dan voor altijd aan den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest. In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot. Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen, een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij; „ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken, die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op, die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen, den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking van zachtheid en onschuld op hem gevestigd.Een vriendelijke lach speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen; met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen; zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks, dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen, doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de verbeelding terug.

En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig, dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had. In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld, drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders; daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht,hij wilde de schoone gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over, of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche woorden: „Voilà mon frère!” uitriep en op hem toesnelde. Geheel verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar, in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graafWallersheim,” lispelde zij hem tevens in het hoogduitsch toe.

Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.” Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag: „Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer. Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster, vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor grensplaatsen alsDuomo d'Ossolazóó stipt, dat ik genoodzaakt zou geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen in de richting vanSempionezou hebben uitgezonden, om u van deze belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen, voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult met meerdere vrijheid kunnen reizen.”

Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen.Vrij verward duwde hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijnbon voyage. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.

Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien. De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus, vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen, welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van het rijtuig ophield. Nu greep de schoonegesluierdemet onstuimige hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder! De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een weldadigen stroom van tranen los.

De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid vertoond had,scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed. Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan. Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten, en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige, gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk bepalen aan welken landaard zebehoorden; nu eens waande hij spaansche, dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van denSimplonnu weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.

Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde, dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke, voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen. „Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken, en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had. „Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.

„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden, wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren, ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw bijstand willen verleenen?”

„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar verbonden!”

Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.

„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen, daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik geen gravinWallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel niet twijfelachtig meer zijn.”

„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.

„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende zijn.”

„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!” herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde, naarmate zij nauwer verbonden schenen.

Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in zijn boezem.

Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gijmoogtmij niet alleen zuster noemen,”zeide zij met een vluchtig blosje,„maar gijmoethet ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon, dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”

De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.

„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden, zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner. Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden. Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand wildemaken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit wraak een verrader geworden.

Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”

„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou maken, dan voor u te wagen.”

Bianca zweeg.

De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl deVeriolaschuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw, verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich geboeid houden?

Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat onrust noch zorg haar meer beangstigden.

De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; deVeriolaschoot klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk verdoofde een doffe donderslag het gehoor.

Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is dat? Waar zijn wij?”

„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De postiljon klapte met de zweep.

„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden worden?”

„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was Lodewijks antwoord.

„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief den blik op tot de heldere sterren boven haar.

Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.

„Votre passeport, Monsieur,” luidde de beleefde, maar korte en beslissende vraag.

„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten moest.

Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.

De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „Votre serviteur, monsieurle comte.”

„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en murmelend, als uit de verte.

„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.

„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat voert.”

„Dit is de gaanderij vanTrissinone,” liet zich de stem hooren van den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te deelen.

Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe, vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien minuten was men weder onder den vrijen hemel.

Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke akelige gewelven?”

„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles,wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag. Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van zijn machtigen wil tot stand gebracht.”

„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen, waarop hare woorden schenen te doelen.

„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur;„op de lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”

„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg Bianca.

Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde, onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.

„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders. Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn hart bloedt, als ik daaraan denk!”

Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en kaatsten het maanlicht glanzend terug.

„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de flonkerende sneeuwtoppen.

Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde borst verlichtte, den vrijen loop.

„Die top links is deSempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden bediende wendende.

„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.

„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorpSempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen schijnt, bereikt.

Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts weinig oogenblikken,om zich door eene vluchtig genoten verversching en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten hield de postiljon zijne paarden staande.

„Wat is er?” vroeg Lodewijk.

„Hm,Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden, duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.

„Het zal gaan,” sprak depostiljonen dreef de paarden opnieuw aan.

Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen hadden.

Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.

„Dio Sànto!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.

Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht zijne kalmte te behouden en sprak:„Er zal geen gevaar zijn; deze menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”

Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte. De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil, zwijgend en donker als in het graf.

„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben nog gelukkig de gaanderij bereikt.”

De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.

„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben; want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen, en dat nog wel in het donker!”

Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik allen tegelijk het leven benomen?

Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon, die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.

„Licht, licht!” riep hij driftig.

„Dadelijk,signore!”

De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg: „Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak: hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder; vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht, door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras, en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend, maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen verzonken: „Wie roept mij toch?”

„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.

„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken, in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft!zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne Margaretha, herkent gij mij?”

Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig: „Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”

Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte, waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig te onderzoeken.

Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit het oog te verliezen.

Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar men zich thans bevond.

„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten afklimmen.”

Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig waren het achterrad te bezichtigen.

„Nu ja,signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel totBrieg, zullen wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaalrekenen. Achter gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”

Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn. Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”

„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar, dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam, zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout. Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”

„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare genade heeft groote haast.”

De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd,monsignore, maar niet zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn; ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”

Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus vastberaden.

„Dat ware goed en wel,monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”

„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk, terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”

Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.

„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en haalde het gevraagde te voorschijn.

„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon, „de bediende mag bij de dames blijven.”

„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende, half verdrietig.

Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het. Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”

Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne standvastigheid liet haar geene keuze.

„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”

Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon volgde hem.

„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.

De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand. Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep: „Sante Borromeo!Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts,signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort. Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”

Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen gesloten was.

„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.

„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de postiljon.

„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang voor. Zij moesten inSempioneen in het naaste posthuis wel doof zijn, als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland ben.”

Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde. Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had, en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande: „Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”

De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar,signora, men zal er ons wel weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond inBrieg, maak daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven. Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”

Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een doffen knal in de verte.

Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.

„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca klemde zichangstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een verren stroom, die woest over klippen heenbruist.

„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”

Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig waagstuk verijdeld was geworden.

Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,” vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en middelerwijl geladen.

„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden, opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af. Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is hetda capo, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw, en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”

Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.

De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten. Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven, dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet, als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen, schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering voor die verschrikkelijke natuurverschijnselsniet de smartelijke gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen toe!

Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,” voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang, aan de zijde vanBrieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.

Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.

„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit. „Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”

Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal zag men het kleine stadjeBrieg, door de kronkelendeRhônemet een glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht, die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:

„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart weder.”

„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer zij nog slechts vluchtig deijskorsten des winters met haren adem aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste Meidag.”

Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te sterker.”

„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”

Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder herstellen.

Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en talrijke mossoorten met groen bekleed waren.

De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand, geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift, die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.

„Mama, mama,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes,„Mamamia! Un signore, una signora!” De moeder, eene italiaansche vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de vreemdelingen te gemoet.

„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”

„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij hier een ontbijt bekomen?”

„Gewis,signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde, met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „Unabellissima signora!”—„Ja wel,Giannettina,” hernam deze, „eene schoone, voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en haar recht van harte kuste.

„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”

„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met kinderen!”

Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men hierboven!” zeide Bianca verwonderd.

„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen ze ons uitDuomo d'Ossolamede. Gelieft designoraplaats te nemen? Ik zal dadelijk het ontbijt brengen.”

Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleineGiannettinaop haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen, oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden, dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.


Back to IndexNext