ELFDE BOEK.HOOFDSTUK I.Sinds het slot van graaf Dolgorow door Rasinski overvallen en in brand gestoken was, had zich de bezitter niet weder op zijn goed laten zien. Na den aftocht der vijanden vielen de eigene boeren plunderend in het brandende gebouw en zochten alles meester te worden, wat de vlam nog niet verslonden had. Doch midden onder hen trad de grijsaard Gregorius en verhief zijne stem met gestrengheid en waardigheid. „Keert de vlammen, vrienden,” riep hij hun toe, „redt de have uws heeren en bergt ze in uwe hutten, doch waagt niet, u daaraan te vergrijpen en ze u toe te eigenen. Vloek zal Ruslands zoon treffen, die de trouw jegens zijn heer schendt.”Door deze vermaningen beteugelde de hoog vereerde vader de hebzuchtige begeerte der slaven, die het eerste oogenblik hunner bevrijding wilden aangrijpen, om zich te verrijken met de goederen van hun heer. Zijn woord was eene wet, de wenk zijner oogen een heilig gebod. Daarom gaven zij hem ook nu gehoor en spanden eerst hunnekrachten in, om het slot voor algeheele vernieling door de vlammen te bewaren. Daarop namen zij, wat er kostbaars in de vertrekken te vinden was, en verborgen het in hunne diepe kelders, die aan geen russisch huis, zelfs niet van den armsten lijfeigene ontbreken. Zoo werd het hoofdgebouw van het slot aan de woede der vlammen ontrukt en stond het nog bijna ongedeerd. Doch in de vertrekken zag het er woest en ledig uit. In de meeste waren de vensters stuk geslagen, de muren door den rook zwart geworden, en de boeren hadden er alle huisraad uitgehaald. Zoo had het gebouw van buiten wel zijn trotsch aanzien behouden, doch van binnen was het zoo verwoest, dat nauwelijks eenige kamers bewoonbaar bleven.Meer dan drie maanden waren er sedert dien brand verloopen, en de graaf was na dien tijd niet teruggekeerd. Ondertusschen had de ijzeren stroom des oorlogs zich zoo wijd over het land uitgestort, dat alle gemeenschap met het binnenste gedeelte verbroken was. Gregorius, die zijne gemeente volstrekt niet wilde verlaten, maar als een getrouw herder achtergebleven was, had daardoor in al dien tijd van den graaf noch van Feodorowna ook slechts het geringste vernomen. Hij had het huwelijk aan het altaar ingezegend, zijne lippen hadden den hemel zegen en heil voor de jeugdige echtelieden afgesmeekt. Doch hij zelf vertrouwde niet zoo vast als anders op de kracht van zijn smeeken; want hij wist wel, met welk een smartelijk gevoel hij de dochter zijns harten zag heengaan en het nieuwe levenspad betreden, dat voor anderen met geurige bloemen pleegt bestrooid te zijn.De dagen waren eentonig voorbijgegaan; de herfst had de bladeren van de boomen afgeschud. Het groen der dennen werd met iederen dag donkerder en zwarter; spoedig kroonden zij zich met rijp en eindelijk breidde de sneeuw haar schitterend dekkleed over de toppen der boomen, over de heuvels en den verstijfden stroom uit.Zoo is voor mij dan wederom de winter genaderd, dacht Gregorius, wanneer hij uit de stilte zijner eenzame cel over den opengeslagen Bijbel heen in het treurige, verlaten dorp zag; reeds meermalen geloofde ik, dat het de laatste zou zijn, en bereidde ik mij voor den Heer te verschijnen.Mijn hart hangt niet aan deze aarde, maar toch verlangt het nu vurig nog eenmaal de lente te zien aanbreken en haar liefelijken groet te ontvangen. Moet dan de akeligste winter mijns levens ook de laatste zijn? Zou ik moeten heengaan, eer ik mijn vaderland weder bevrijd zie van deze horden van schanddadige verwoesters, die al het heilige bevlekken en onteeren? Algoede Vader! Gij weet het, hoe rustig ik mijn oog op de graven vestig, die hier onder mijne vensters rondom het godshuis zijn. Al deze dooden sluimeren onder Uwe bescherming. Zij rusten even stil en koel onder het groene tapijt, waarmede de lente hunne woning versiert, als onder het koude sneeuwkleed van den winter! Hoe dikwijls heb ik mijne hand tot U opgeheven, Heer des hemels, en gebeden: Roep mij op, wanneer Gij wilt, ik treed deemoedig, maar vol vreugde voor Uw aangezicht. Doch thans smeek ik, laat mij den dag der vreugde nog zien, wanneer Uwe hand hen vernietigt, die zich aan U vergrepen hebben. Want Uw bliksem treft de heidenen en Uw woord verplettert Uwe vijanden. O, laat mij dien dag nog zien, waarop de lente weder over mijn rampzalig vaderland aanbreekt! Want redden zult Gij het; dat gelooft mijn hart met onwankelbaar vertrouwen.In zulke gedachten stond de grijsaard menigmaal, wanneer de avondschemering zich over de aarde uitbreidde, aan het venster zijner cel en hij richtte den blik op het winterlandschap, op het kerkhof vóór hem en op het heilige huis des Heeren.Met iederen dag, dat de grauwe winterwolken zich donkerder opeenpakten en de storm heviger langs den gevel van het huis huilde, groeide de vrome hoop des geloovigen grijsaards aan. Hij zag in den geest de wrekende engelen des Almachtigen met de dreigende wolken optrekken en de hand der vernietiging over het hoofd der heiligschennende vijanden uitgestrekt.Met voorzeggenden geest zag hij de lange, treurige vluchten van raven in de schemering over de heuvels trekken, en des nachts, als de wolf, door honger gedreven, zich buiten het woud waagde en voor het goed gesloten huis huilde, dacht hij: Waar zullen de legers der verwoesters spijs en dak vinden, wanneer het hongerige roofdier tot zijne ergste vijand vlucht!De honger zal u met zijne scherpe tanden vervolgen en aan onzen haard drijven; doch gij zult niet vriendelijk genoodigd worden, u daar neer te zetten; onze hand, met knods en zwaard gewapend, zal u verjagen of op onzen drempel verpletteren. De deur van den Rus, die zich voor ieder gastvrij opent, zal voor u gesloten zijn, gelijk voor den huilenden wolf, wiens buit gij worden zult. Het vuur, tot hetwelk de verkleumde voor de woede des winters vlucht, zal, wanneer gij nadert, uitgedoofd worden, of de hut verteren, onder welke gij toevlucht zoekt. En niet eer zullen wij rusten, voordat het laatste spoor uwer voetstappen uit ons vaderland verdwenen is.In zulke overpeinzingen lag de grijsaard nog dikwijls te middernacht op zijn leger, wanneer reeds lang alles om hem heen stil en doods was.Daar klopte midden in den nacht iemand aan zijne deur en eene mannenstem riep: „Open! Ontwaak, vrome vader Gregorius! Uw gastvrij huis moet nog laat aan reizigers eene schuilplaats verleenen!”De grijsaard meende de stem te kennen. Spoedig wierp hij een mantel om, opende het venster en zag naar buiten. Eene slede stond voor zijne deur stil.„Wie klopt nog zoo laat?” vroeg Gregorius. „Bedriegt mij mijn oor of hoorde ik eene bekende stem?”„Gij dient haar wel te kennen, vrome vader,” antwoordde de vreemde; „ik ben Dolgorow.”„Heer in den hemel! Gij zelf?” riep Gregoor vol verwondering uit en snelde met de lamp naar de deur, om ze te openen.De graaf stond voor hem.„Zijt gegroet, vader! Gij moet mij dezen nacht huisvesting geven en ook die daar in de slede,” sprak hij hem aan; „ik zal u gewichtige dingen mededeelen.”Gregoor lichtte naar de slede. Twee vrouwen zaten er in. Met een blij voorgevoel trad hij uit de deur zijner woning en naderde de reizigers. Eene rijzige gestalte, in een dichten sluier gehuld, trad hem te gemoet. „Vader Gregorius, wees gegroet!” aldus sprak zij hem met eene vriendelijke stem aan, en hij herkende zijne geliefde dochter Feodorowna, die bewogen, sprakeloos weenende aan zijn hart zonk.Haar moeder volgde haar; Gregorius geleidde haar eerbiedig in zijne woning.„Wat voert u onder mijn nederig dak?” sprak hij met eene bewogen stem, toen hij het bekrompen vertrek bereikt had; want het bleeke gelaat van Feodorowna veroorzaakte hem kommer, en zij droeg een rouwsluier.„Ik wil u in hare plaats op alles antwoord geven,” hernam Dolgorow. „Wees slechts zoo goed, om dadelijk de vrouwen een vertrek in te ruimen, waar zij rusten kunnen, want wij hebben dag en nacht zonder ophouden gereden. Maar wek niemand van uw volk, want vooralsnog moet ons verblijf hier een geheim zijn.”„Ja wijs ons eene rustplaats aan, vrome vader!” zeide de gravin met matte stem; „ik ben doodelijk vermoeid.”Gregorius geleidde de vrouwen in een stil, op den tuin uitziend, ter ontvangst van gasten ingericht vertrek, dat, evenals het geheele huis, goed verwarmd was. De gravin viel dadelijk op een rustbed neder. Feodorowna reikte haar vaderlijken vriend de hand en zeide: „Morgen, beste vader! morgen wil ik lang, recht lang met u spreken.”„Maar hebt gij nu geene behoefte aan eenige verversching, aan eenige spijs of warmen drank?” vroeg de grijsaard.„Aan niets, beste vader,” hernam Feodorowna, „dan aan rust en die vinden wij immers hier, zooals wij ze wenschen.”Gregorius ging naar Dolgorow terug, dien hij met groote schreden door het vertrek zag op- en nedergaan.„Vader!” sprak de graaf hem aan, terwijl hij hem de hand op den schouder legde, „vader, er gebeuren groote dingen. Rusland ziet de dagen zijns roems aanbreken na den tijd van smaad, welke het heeft doorleefd.”„Hoe? Mag ik uwe woorden gelooven? Zoo is mijn vurig gebed verhoord geworden?”„Gij weet, dat de vijand op den terugtocht is.”„Ja; doch ik vrees slechts, om den winter van Rusland te ontgaan,daar de heilige stad, welke hij zelf schanddadig heeft verwoest, hem geen toevluchtsoord meer aanbood.”„Ruslands winter heeft hem ingehaald. Het is te laat om terug te keeren. Hij zal de grenzen van het land, dat hij vol trots is binnengedrongen, niet wederzien.—Gij meent dathijMoskou verbrand heeft? Werpt niet de stuurman de kostelijke waren, waarmee hij zijn schip bevracht heeft, in zee, om zijn gestrand vaartuig weder vrij van de zandbank op de baren te verheffen? Laat de zeeroover zich niet met zijne vijanden in de lucht vliegen? Houdt gij de zonen van Rusland niet voor mannen, die evenzoo konden handelen? Oude man, leer beter van ons denken! Geen vijandelijke fakkel heeft de vlam van Moskou ontstoken. Haar glans zal de schrikkelijkste, maar ook de grootste daad in de jaarboeken van Rusland bestralen.”„Hoe?” riep Gregorius en hief met verbazing de handen omhoog.„Hoe?”„Laat dat voor het oogenblik daar; het is zooals ik gezegd heb; doch wij hebben over belangrijker dingen te spreken. Van dien schrikvollen nacht af begon de onweerswolk des verderfs hare wrekende bliksems op de verwatenen af te zenden, die het gansche gewapende Europa in dit rijk voerde, om onze velden te verwoesten. Hun aanvoerder moest den smaadvollen dag beleven, waarop hij zich tot de vlucht genoodzaakt zag; de trots van den nooit overwonnene is gebroken, het verderf heeft hem bereikt. Reeds hier hoopten wij hem te vernietigen; het is te laat geworden, doch hij ontgaat zijn noodlot niet.—Hoor mij thans oplettend aan, waarde vader, want wij hebben uwe hulp noodig. Gij zult niet vergeten hebben, hoe de bruiloft mijner dochter gestoord werd. Gij ziet haar thans in de rouwkleederen eener weduwe, want haar echtgenoot is niet meer. Toen wij vluchtten, bereikten de vijanden ons bij het bosch, achter den tuin. Een kogel trof den prins; hij viel, doch het gelukte ons, hem in het bosch te verbergen. Op eene draagbaar van takken droegen wij hem tot aan het naaste dorp en daar vonden wij het middel, hem langzaam naar Moskou te doen brengen, daar de steeds nader en nader rukkende vijand ons drong, zoo ver te vluchten. Want hij wilde liever sterven, dan den vijand in handen vallen. Van Moskou snelde ik zelf naar het leger terug. Ik streed bij Borodino, waar wij niets verloren dan een woesten,met lijken bedekten grond. Hij werd ons duur betaald. Gewond, ofschoon licht, begaf ik mij naar Moskou, alwaar de prins door zijne en mijne gemalin verzorgd, zijn moeilijk ziekbed doorstond; want daar wij hem geene rust konden gunnen, was de wonde zoo gevaarlijk geworden, dat zij weinig hoop meer gaf op herstel. Thans rukte de vijand voor de hoofdstad. Terwijl hij introk, worstelde Ochalskoi met den dood. Wij hadden hem in een afgelegen vleugel van het slot in een verborgen, goed beschermd vertrek doen brengen waar wij in eene geruste verborgenheid hadden kunnen blijven, wanneer de brand der stad niet besloten ware geweest. Met het ondergaan der zon sloot Ochalskoi zijne oogen. Wij wachtten slechts op den nacht, om langs geheime, zekere wegen te ontvluchten, maar het lijk zelfs van den edele lieten wij niet aan den vijand, want ik had het hem in zijn doodsuur beloofd, alles te zullen wagen, om hem op onbezoedelden, russischen bodem te begraven.„Het gelukte ons het vrije veld te bereiken; de vlammen van Moskou lichtten bij onze vlucht. Spoedig bereikten wij het dichte bosch en daarachter den grooten weg naar Petersburg.„Ik begaf mij, door mijne gemalin en dochter begeleid, naar den keizer. Van daar werden nu de onzichtbare netten uitgespreid, waarin wij den vijand des vaderlands lokten. Wij hielden hem op met vredesvoorslagen, tot hij eindelijk bemerkte, dat hij, die vroeger gewend was anderen te bedriegen, voor ditmaal zelf de bedrogene was. Nog was het tijd voor den terugtocht geweest, ofschoon hij het duur zoude gekocht hebben, om de grenzen van Rusland nog eenmaal te betreden. Maar zijne trotschheid wilde dezen smaad niet ondergaan; in den waan zijner onverwinnelijkheid beproefde hij zich een nieuwe baan te breken. Dit mislukte. Zijn dag was gekomen, hij moest terugkeeren en vluchten; doch het was te laat! Reeds trekken van alle zijden de draden, waarmede wij hemomspannen, zich bijeen. De Almachtige is met de heilige zaak des vaderlands. Hij liet zijne zon bedriegelijk schijnen en verborg door hare zachte stralen de nabijheid des winters, die grimmig loerend in zijne hinderlaag lag, waaruit hij nu op eens moordend voor den dag gekomen, in hunne scharen indringt, als de wolf in eene weerlooze kudde. Geen vlucht kan hen redden; alle wegen zijn bezet. Waarheen zij zich keeren, moet hun het verderf te gemoet treden. Daarom kom ik hier. Thans, vader, komt het er op aan, Ruslands zonen met heilige woede te vervullen tegen deze spottende onverlaten, die zich verheugen in de tranen onzer woede. Gij zult mij helpen, hen op te ruien, te verzamelen en tegen den vijand op te trekken. Daarom kom ik uit de hoofdstad; ik ijlde als de wind hierheen, want ik hoopte Smolensko nog voor den franschen keizer te bereiken en bij overrompeling de vesting te bemachtigen. Dan was hij hier in het hart van Rusland gevallen. Doch dat is te laat. Ik weet, dat hij sinds gisteren reeds hier is; met gevaar slechts, langs omwegen door de wouden, kon ik tot hiertoe doordringen; doch waar ik den grooten weg kruiste, zag ik de sporen reeds van het verderf, dat hem bereikt heeft. De weg is met lijken en goederen bedekt. Maar er mag niet één ontkomen, niet één, die het onheil in zijn vaderland kan verkondigen. Slechts uit het doodsche zwijgen, uit het ijselijke verdwijnen van elk spoor, mogen de zijnen te huis gewaar worden, welk lot hem getroffen heeft, benevens hen, wier aanvoerder hij was.—Als de dag aanbreekt, Gregorius, verzamel dan het volk door het gelui der klok in de kerk, vervul hunne harten met de vlam der woede, roep hen op tot wraak tegen de vijanden van hun God. Geene kinderen, geene vrouwen mogen werkeloos blijven. Daarom heb ik ookgemalin en dochter medegebracht, wijl zij het voorbeeld moeten geven van den plicht eener edele dochter van Rusland.—Dan zal ik onder hen treden, hen uitzenden als boden door geheel het omliggende land, en eer de avond valt, zullen wij duizende gewapenden hebben, om tegen den vijand aan te voeren. Zij moeten ijlings op de moedelooze vluchtenden instormen, gelijk een zwarte onweerswolk den hagelslag op de akkers nederzendt! Dat is thans onze plicht, Gregorius! Gij zult mij helpen dien uit te oefenen.”„Zoo waar het aangezicht des Heeren over mijn grijzen schedel licht,” riep de grijsaard met een blik vol geestdrift, en hief zijne rechterhand plechtig omhoog. Toen zonk hij op de knieën en bad uit het diepst van zijn hart:„Almachtige Vader! Algoede Bestuurder onzer lotgevallen! Zoo hebt Gij mijn smeeken verhoord en laat dezen dag des heils schitterend voor mijne oogen verrijzen. Heb dank, Algoede! Dit laatste werk worde mij nog toegelaten te voltooien; dan wenk mij, en verheugd leg ik mijn hoofd in het graf neder.”HOOFDSTUK II.Zonder door om te zien ook maar een oogenblik tijds te verliezen, had Bernard in vollen ren den hoek van het bosch bereikt. Zijne vervolgers waren hem op de hielen, doch de gulden prijs der vrijheid, die hem toewenkte, gaf hem vleugels. Gods hand bewaarde hem, want ofschoon eenige kogels vlak langs zijn hoofd voorbijvlogen, wondde hem evenwel geen daarvan. Thans dekten hem de dichte struiken; deze belemmerden wel de snelheid zijner vlucht, doch zij verborgen ook hare richting en stelden dezelfde beletselen zijnen vervolgers in den weg. Met het hoofd voorover gebogen, zijn linkerarm beschermend voor zijne oogen houdende, vluchtte hij voort en bemerkte nauwelijks dat de struiken hem de handen en het aangezicht bloedig openreten. Eindelijk ontbrak hem de adem; hij stond een oogenblik stil en schepte lucht. Luisterend stond hij daar, of zich ook voetstappen achter hem deden hooren. Alles bleef doodstil. Voorzichtig snelde hij na eene rust van weinige seconden nog een eind dieper het bosch in, tot hij in zulke dichte struiken kwam, dat zij hem zelfs voor iemand, die vlak langs hem heen ging, zouden verborgen hebben. Hier eerst vergunde hij zich eene langere rust en overlegde, wat hem nu te doen stond.Gij zelf zijt voor deze reis gered, dacht hij, terwijl hij diep uit de borst ademhaalde en het oog dankbaar tot den hemel hief; was Lodewijk maar eerst hier bij mij!—En dan? Wij beiden eenzaam in deze woestijn? Aan de koude, den honger en de woede der inwoners prijsgegeven? Schaam u, Bernard, wilt gij den moed laten zinken op het oogenblik, dat gij het bewijs ontvangen hebt, dat niets verloren is, zoolang niet alles verloren is? Nader slechts, gij toekomst! men moet u kloek in het oog zien, als een kampvechter zijn vijand; dan weet men zich veilig voor iederen slag.Onder deze gedachten zette hij zijn weg in de richting naar den heuvel met de drie dennen voort. In het binnenste van het bosch heerschte nog diepe schemering; doodstil was alles om hem heen. Daar klonken op eens verscheidene schoten. „Heilige God! wanneer dat Lodewijk gold, dien men weder gevangen had,” riep Bernard en stond als aan den grond genageld, met het bovenlijf vooruit, naar de richting van het geluidgebogen. Daar vielen wederom schoten en nog eens en nog eens. Neen, dacht hij met meer opgeruimdheid, dat was het schrikkelijk geluid niet, waarvoor ik vreesde. Intusschen bleef hij geheel in het onzekere, hoe hij dit schieten zoude verklaren, te meer, daar het zich met verward, dof en zwak door de morgenstilte tot hem overwaaiend geschreeuw vermengde.—„Wist ik maar, waar de vijand ergens uit den grond kon zijn opgekomen, dan zou ik gelooven, dat dit een gevecht was. Of de vlakte dan van hier nergens te overzien zoude zijn?”Hij ging naar den zoom van het bosch, doch nog eer hij dien bereikte, had het schieten en al het gerucht opgehouden. Des te angstiger luisterde hij, of hij geen voetstappen in den omtrek hoorde, of de struiken geen geluid maakten, wijl een driftige voetganger ze vaneen boog. Te vergeefs.Bernard wist thans niet, of hij zich haasten zou het bepaalde punt der samenkomst te bereiken, dan of hij zou terugkeeren en trachten uit te vorschen, wat er van Lodewijk mocht geworden zijn. Na kort beraad koos hij het laatste. „Hij mag een half uur langer op mij wachten, het is beter, dat hij dit uitsta, dan dat ik hem misschien hulpeloos en zonder vriendentroost in de handen zijner vijanden achterlaat. Zoo hij het offer geworden was? Neen, neen! Het is onmogelijk. Maar is hij het, welnu, dan wil ik het ook zijn.”Er lag in dit besluit eene zekere hooghartigheid. Men moest niet durven zeggen, dat hij, om zich zelf te redden, zijn vriend verlaten had. Hij gevoelde wel, dat voor Lodewijk zijn offer te laat kwam; maar het scheen hem eerloos, hem te overleven.„Maar Maria!—Zoudt gij geen trouwer vriend zijn, wanneer gij voor de eenzame, hulpelooze zuster zorgdet? Voort, voort, uw hart wil u beliegen—vertrouw het niet!”Bernards inwendige angst klom, hoe heviger de strijd in zijn binnenste werd en hoe nader hij bij de plaats kwam, waar hij zekerheid over het lot zijns vriends hoopte te verkrijgen. Eindelijk had hij het einde van het bosch bereikt en kon hij den heuvel overzien, waar de dood hem en Lodewijk had moeten treffen. Hij was verlaten, niemand nabij; Bernard waagde zich vooruit. De sneeuw was van ontelbare voetstappen doorkruist; ook ruiters moesten hun weg over den heuvel genomen hebben. Thans ontdekte Bernard een verloren chakot, bloedplassen, de ondubbelzinnigste bewijzen, dat hier een gevecht had plaats gehad. Van verre zag hij eenige lijken—hoe, zoude Lodewijk daaronder zijn? Hij snelde ijlings daarheen. Goddank, neen! het zijn andere uniformen.Drie mannen lagen op de sneeuw ter neder. De eersten herkende Bernard; het was de brave Elzasser,Cottin; de beide anderen waren hem onbekend. De vreugde, dat Lodewijk gered scheen, liet het warm gevoel van medelijden met den wakkeren landsman niet opkomen. De vlucht moest hem gelukt zijn. Daar, waar de drie dennen oprijzen, wacht hij mij misschien reeds. Ik moet mij haasten, zijne onzekerheid te bekorten.Ook zonder dezen inwendigen aandrang had Bernard reden gehad, zoo snel mogelijk te vluchten, want juist rukten eenige compagniën, in der haast bijeengeraapt, door het schieten opmerkzaam geworden, uit de slechts eenige honderden passen verwijderde poorten van Smolensko naar buiten, om de, zoo het scheen overvallen kameraden, doch te laat, ter hulp te snellen. Bernard bemerkte hen nog bijtijds en nam zijn weg het bosch weder in, naar de plaats, met Lodewijk tot de bijeenkomst bepaald.Na een half uur had hij haar bereikt. De dennen stonden eenzaam op eene slechts met lage struiken begroeide hoogte, die hem een vrij uitgestrekt gezicht in de verteverschafte. Voor zich zag hij de torens, gevels en muren van Smolensko, waarachter de besneeuwde heuvels, welke den loop des Dniepers volgen, zich verhieven. In de verte liep een lange, blauwe rij van bosschen langs den horizon; aan de rechterhand achter een groot dennenbosch liep op een kwartier afstands ongeveer de groote weg naar Moskou; achter zich en ter linkerhand ontdekte het oog, zoover het reikte, slechts onmetelijke wouden, die zich over de hoogten en laagten van den grond onafzienbaar uitstrekten. Slechts weinige opene plaatsen waren zichtbaar, maar ook deze vertoonden zich slechts als rondom van bosschen ingesloten ruimten. De heuvelrij aan deze zijde des strooms beperkte het gezicht; ter linkerhand achter deze moest, zoo herinnerde Bernard het zich nog van vroeger, vlak een open veld zijn.Hij wierp slechts een vluchtigen blik over deze treurige, eenzame landouw; zijn oog zocht Lodewijk. Hij ontdekte hem niet. Eerst zacht, vervolgens al harder en harder, riep hij den naam zijns vriend, doch zijne stem verloor zich in de diepe eenzaamheid en stilte, zonder antwoord te ontvangen.Thans werd hij bevreesd. Duizend mogelijkheden kwamen hem voor den geest, welke de waarheid zeer nabij kwamen, zonder deze evenwel te treffen.Hij kruiste in den omtrek van den berg rond, doorzocht alle boschjes, zocht naar voetstappen in de sneeuw, of hij daaruit Lodewijks spoor misschien mocht ontdekken, zoo deze verdwaald geraakt was—alles te vergeefs. Altijd ontdekte hij, hoever hij ook in het rond trachtte te zien, geene andere voetstappen dan die, welke hem zelf op den top des heuvels gebracht hadden. Deze kruiste hij een-, twee-, driemaal; hij hield zich eindelijk overtuigd, dat geen menschelijke voet, behalve de zijne, ook slechts in den omtrek des heuvels was gekomen.De zekerheid viel hem als lood op het hart.—Was Lodewijk gered of niet? Had hij hem niet goed begrepen? Had hij zijne vlucht naar eene andere zijde gericht? Of hadden omstandigheden hem genoodzaakt, zijn behoud naar den anderen kant van het bosch te beproeven?—Was hij in het gevecht gebleven?Deze en duizend andere vragen kruisten zich in Bernards hoofd, doch hij wist ze niet te beantwoorden.—Slechts die ééne schrikkelijke zekerheid verkreeg hij meer en meer dat hij van zijn vriend gescheiden was, dat slechts eene gunstige wending van zijn lot die buiten zijn bereik en zijne berekening lag, hen weder met elkander kon vereenigen.Het werd middag. Van het waden door de sneeuw waren Bernards voeten doornat, de spieren zijner knieën ten uiterste afgemat. De honger deed zich met pijnigende hevigheid gevoelen, want het sinds twee dagen goed gevoede lichaam had weder kracht gekregen, om den aanval van den vijand eenigen tijd zonder afmatting, maar daarvoor ook met des te grooter smart te kunnen trotseeren. Een besluit moest hij nemen. Hem bleef slechts de keus over, of in de vesting terug te keeren en zich alzoo den zekeren snellen dood over te geven, of alleen de vlucht door de sneeuwwoestijn te wagen, waar duizend rampen en gevaren op hem wachtten, waartoe de zwakke hoop op behoud nauwelijks den moed en de kracht om te lijden konde geven.En waarheen zou hij zijn weg nemen? Zonder wapen, om zich tegen een hongerigen wolf te verdedigen of hout voor een vuur te hakken, zonder levensmiddelen, met zeer weinig gangbaar geld, scheen het hem onmogelijk, voorwaarts naar zijn vaderland te komen. Er bleef hem niets over, dan terug te gaan, om het korps vanNey, dat nauwelijks twee dagmarschen achter kon zijn, en met dit het regiment van Rasinski te bereiken.Was Lodewijk gered, kon hij zooals Bernard vrij handelen, dan bleef ook voor hemgeen andere raad over. Daarom was deze weg ook de eenige, op welken hij hopen kon zijn vriend weder te ontmoeten.Hij brak zich een sterken dennetak af, sneed dien met zijn zakmes, dat hij gelukkig bij zich had, tot een wandelstaf en tot een wapen in tijd van nood, en begon door het woud zijn tred naar den grooten weg te richten. In zijne ziel zag het er zoo somber uit, als rondom hem in de natuur. Hij moest door een ongebaande wildernis heenworstelen en dikwijls tot aan de knieën door de sneeuw waden. Daardoor kwam hij slechts langzaam vooruit, en ofschoon de weg in de naaste richting slechts een half uur van den heuvel verwijderd was, had hij dien evenwel na twee uren nog niet bereikt, deels omdat hij hem niet zoo dicht bij de vesting durfde over steken, en dan, daar zijn weg door de vele hindernissen en omwegen, welke hij moest maken, buitendien wel de helft langer werd. Deze inspanning en de honger, welke hem kwelde, putten zijne krachten zoozeer uit, dat hij zich eindelijk moest nederleggen. Hij ruimde met zijn stok en eenige bijeengebonden takken de sneeuw een weinig op, maakte zich van afgebroken dennenrijs een leger en legde er zich op neder, om een weinig uit te rusten. Doch hij droeg angstvallig zorg, den slaap van zich af te weren, om niet in dien slaap te bevriezen en zoo eene buit des doods te worden. Hij had echter deze voorzichtigheid niet noodig gehad; want de zorgen zijner ziel en de kwelling des hongers waren nog te hevig, om hem te laten sluimeren, en zijn lichaam nog niet zoo afgemat, dat hij de vermoeidheid als de ergste aller kwalen gevoelde. Om de knaging, welke hem de honger veroorzaakte, eenigermate te lenigen, sneed hij de jonge harsachtige spruitjes uit de takken en beproefde die te eten. Deze bittere kost met eenige handen vol sneeuw, welke hij tot stilling van zijn dorst genomen had en langzaam op zijne tong liet smelten, was de eenige versterking, welke zijn ellendige toestand hem vergunde. Na een uur gerust te hebben, brak hij weder op en bereikte nu spoedig den grooten weg. Doch welk een gezicht deed zich daar voor hem op! De weg was met half naakte, bevroren lijken bedekt, die halverwege uit de sneeuw uitstaken. Kleine, licht besneeuwde heuveltjes, tegen welke zijn voet onder het gaan gedurig aanstiet, waren de graven van even zoovele ongelukkigen. Weggeworpen wapens, uniformen, bagage, doode paarden zouden de richting, die het leger genomen had, genoegzaam aangeduid hebben, al ware er ook geen groote, door kanonnen en wagens stuk gereden heirbaan te zien geweest.Eene kille huivering voer door zijne borst, toen hij zich thans zoo alleen midden onder deze sporen bevond, die de schrikkelijke baan kenmerkten, welke dood en verwoesting door deze sneeuwwoestijnen genomen hadden. De weg geleek één lang, onmetelijk kerkhof, waar echter geen vriendenhand de gestorvenen zacht begraven had. Slechts het lijkkleed der sneeuw bedekte koud en akelig de gevallenen.Bernard moest thans spoedig een dorp bereiken; de weg boog zich en het lag voor hem. Doch geen huis was er meer te zien; alles omvergerukt, alles verbrand; nauwelijks staken nog hier en daar eenige schoorsteenen en zwart verbrande muren uit de sneeuw uit. Vermoedelijk was hier in de nabijheid een bivak geweest, zoodat de manschappen al het houtwerk voor hunne vuren gebruikt hadden. Spoedig zag Bernard ook de zwarte plekken aan den zoom van het bosch, alwaar de vuren gebrand hadden. Hij ging er heen, in de hoop van iets te vinden, dat zijn honger zoude kunnen stillen. Tevergeefs! Hier lagen ook geene lijken; want hier hadden immers de sterkeren gerust en het vuur had hen voor verkleumen bewaard.Bernard stiet met zijn staf in een aschhoop en woelde er zoo een nog smeulend stuk hout uit. Dus kon dit bivak dezen morgen eerst verlaten zijn. Hij ontdekte een knoop op de sneeuw; hij nam dien op. Een zoete schrik overviel hem; hij ontdekte er het merk van zijn regiment op. Dit lichte spoor zijner vrienden gaf hem nieuwe hoop. Rasinski had dus hier rust gehouden. Daar hij eerst na den middag uit Smolensko was uitgerukt, moest hij hier des nachts gebivakkeerd hebben en was misschien slechts een halven dagmarsch van de plaats verwijderd.Had Bernard thans slechts eenige spijs gehad en een paar uren kunnen rusten, zoo had hij zijne vrienden dien nacht misschien nog ingehaald. Doch hij was te vermoeid; want reeds begon de avond te vallen, en hij had den ganschen dag niets genoten en zich op de vermoeiendste wijze door de diepe sneeuw in nooit betreden bosschen moeten werken, niet eenmaal zijne verschrikkelijke gemoedsbewegingen van dien dag in aanmerking genomen. Thans gevoelde hij voor de eerste maal, dat zijn alles trotseerende moed wankelde. De afmatting zijner lichaamskrachten werkte op zijne ziel terug; de diepe eenzaamheid wierp hare donkere schaduw in zijn boezem; de spoorslag om door zijn moedig voorbeeld het vertwijfelen van anderen te verhinderen, bleef uit en met het ontbreken daarvan verdween ook de kracht.Zwijgend, de armen over elkander geslagen en, daar de koude hem deed rillen, zich ineen krommende, zat hij op een half ingevallen muur en zag donker voor zich heen. Rondom de stilte des doods; het donker dennenwoud stond daar ijzingwekkend koud, en de takken bogen zich onder den last der sneeuw ter neder; grijze nevelwolken dreven langzaam en laag over de toppen van het woud. De adem was uit de borst der natuur geweken; zij lag daar als een lijk, bevroren, zonder warmte, zonder liefde. „En wat is het dan meer,” sprak Bernard, eensklaps oprijzende en moedig vooruittredende, „sluimeren er hier dan niet duizenden? Waarom wilt gij u verzetten, in de koude, uitgebreide armen des doods te zinken! Het lijden zal kort zijn; rust een oogenblik aan zijne borst en uw warm leven is ingezogen door de ijskoude verstijving, en smart en vreugde zijn voorbij.”„Gij wilt weekhartig worden! Wijl achter dezen grauwen sluier nog de blauwe zonnige dag rust, dien gij ook eens gezien hebt? Wijl vriendelijke gedaanten aan de grenzen dezer woestenij staan?—Waart gij dan gelukkig, toen gij onder hen in het licht verkeerdet? Hebt gij niet altijd de smart in uw boezem verborgen omgedragen? Kon het bonte gewemel des levens u troosten en verkwikken? Droppels bevochtigen uwe tong, maar uw brandende dorst werd niet gelescht, en de lafenis vermeerderde slechts uwe kwaal.—En toch beeft gij, daar de hamer zich thans oplicht, om het uur der rust, der verlossing te slaan? Wil dan het rijsje der hoop zelfs in deze woestijn nog niet bevriezen! Is uwe mannenkracht niet in staat deze zwakke, uitgebrande vonk te verstikken? Schaam u! Zie het spooksel als een man aan! Het leeft alleen in uwe borst; gij ziet slechts de afspiegeling der verschrikkingen, welke gij zelf schept en in u omdraagt. Verpletter met een forsche vuist den bedriegelijken spiegel, en de spookgestalten zijn vernietigd.”Doch tevergeefs kampte het geweld der gedachte tegen de macht der wezenlijkheid. Te vergeefs beproefde de geest de banden te verbreken, die zijne vrije vleugels in den kerker des lichaams en der zinnen vasthielden. Zij lieten hem niet uit hunne macht en stonden op hun oud recht, met hem tegelijk te heerschen, tot de dood het zegel van het voor de aarde gesloten verbond verbroken had.Zoo bleef het spooksel dan ijzingwekkend voor Bernard staan en hij voelde, tegen wil en dank, hoe het afgrijzen door zijn boezem sloop en dieper en dieper zijn hart indrong.„Deze boomstam moge het dan zijn!” zeide hij somber, wikkelde zich, inwendig rillend, vaster in zijn mantel en wierp zich weder op den grond neder.HOOFDSTUK III.Nauwelijks echter lag hij, toen hij de struiken achter zich hoorde bewegen en dadelijk daarna menschelijke voetstappen vernam. Hij voer overeind en zag om. Daar opende zich de dennenbosschen voor hem en eene wonderlijke, avontuurlijke gedaante, in een grauwen pels gehuld, een rooden doek om het hoofd gebonden, trad er voorzichtig, naar alle zijden rondziende, uit te voorschijn.„Heidaar!” riep hij in het fransch Bernard toe. „Leeft gij, of zijt gij een lijk!”„Ik leef,” hernam Bernard en richtte zich met moeite overeind.„Gij ziet er echter uit, alsof het niet lang meer duren zou,” hernam de soldaat. „Zijt gij flauw van den honger?”Bernard knikte met het hoofd. „Dan kan ik u helpen,” zeide de ander en kwam nader; „maar zeg mij, waar gaat de weg naar Smolensko?”„Daar langs; tweehonderd treden van hier is de groote weg.”„Geloofd zij Jezus en Maria! En hoe ver is het nog?”„Vier uren.”„Zwerven er kozakken op den weg?”„Neen, zoover ik weet.”„Barmhartige God! Zoo wilt Gij mij dan toch nog redden?” Met deze woorden zonk de krijgsman op de knieën, sloeg zijne blikken dankbaar naar den hemel en groote tranen rolden langs zijne wangen.—„Hier, vriend, neem,” zeide hij een oogenblik daarna en trad met een stuk brood in de hand op Bernard toe; „gij hebt mij verkwikt, ik wil u ook verkwikken. Neem, en hier is ook te drinken!” Tegelijk trok hij eene flesch brandewijn uit zijn zak en reikte haar Bernard toe.„Zoo zal het dan toch niet hier ten einde zijn,” sprak deze bewogen. „Ik dank u vriend, gij zijt mijn redder.”„En gij de mijne.”„Doch, vanwaar komt gij daar uit het bosch?”„Zevenmaal uit de kaken der hel,” hernam de gevraagde en zette zich naast Bernard neder. „Eergisteren dreef de honger mij met vele andere kameraden uit de gelederen van het regiment, om in de dorpen naar eten te zoeken. Daar stortte opeens, midden in het woud, een zwerm boeren op ons af en sloegen neder en vermoordden al wat zij vonden. Wij stoven naar alle zijden uiteen; daar kwamen ook kozakken aan en joegen ons met hunne kleine, vlugge paarden, als een herdershond de verstrooide schapen voor zich uit, om ons den woedenden boeren in handen te drijven.„Doch hun eerste moordlust was voldaan, zij dreven ons met knods en knuppelslagen op een hoop bijeen, koppelden ons aan elkander als jachthonden en stuwden ons zoo voor zich uit. Wij meenden, dat zij medelijden met ons hadden en ons als gevangenen wilden medevoeren. Doch het was eene dwaling. Nadat wij in een twee uur van denweg gelegen dorp waren aangekomen, schudden zij ons zoo uit, dat wij half naakt in de grimmige koude stonden en de tanden ons klapperend op elkander stieten. Zoo sloten zij ons allen te gader in de kerk op. Wij kropen dicht opeen en zochten ons aldus te verwarmen. Doch het duurde niet lang, of er werden twee van ons naar buiten gehaald. Spoedig daarop hoorden wij schieten, doch enkele schoten met lange tusschenpoozen, en na ieder schot vervulde een wild geschreeuw en gebrul de lucht. Eerst konden wij niet begrijpen, wat dit beteekende; doch toen ik met behulp van eenige kameraden tot een klein venster opgeklauterd was, zag ik, dat—bij den duivel, kameraad, de woede klemt mij nu nog de tanden op elkander—ik zag, dat zij onze kameraden aan een boom gebonden hadden en als naar de schijf op hen schoten.”Bernard verbleekte.„Ik hield mij goed en verried niets, want te helpen was er toch niet meer. „Zij schieten naar het wit, dat is alles,” zeide ik eenvoudig weg, doch binnen in mij kookte het als eene zee.—De deur ging weer open en nogmaals voerden de bloedhonden twee slachtoffers naar buiten. Ik zweeg, daar het reeds donker werd, en ik hoopte, ons in den nacht te zullen redden. Inderdaad waren dit de laatsten van ons, welke moesten bloeden. In den nacht braken wij de deur die naar den toren leidde, open en het gelukte ons, ons aan het klokketouw in stilte naar beneden te laten. De schildwacht voor de kerk was ingeslapen. Ik stiet hem zijne eigen sabel in het hart, dat de kerel zich niet meer roerde. Thans wierp ik den pels van den Rus om, nam zijne wapenen en ging daarmede naar het wachthuis aan het eind van het dorp. Mijne kameraden liet ik stil volgen. Hier lag alles snorkend en bezopen door elkander, boeren en kozakken. De mantels en pelzen hadden zij op een hoop geworpen, want er heerschte eene verstikkende hitte in de kamer. In den hoek stond ook eene mand met brood, en brandewijnflesschen, gedeeltelijk vol, gedeeltelijk ledig, lagen overal in het rond. Eerst was ik slechts van gedachte geweest, uit wraak voor de vermoorden het gansche gebouw in brand te steken; doch daar de gelegenheid nu gunstig was, haalde ik nog drie kameraden en toen pakten wij zoovele kleederen en levensmiddelen bijeen, als wij konden, en droegen ze naar buiten. Vliegend slopen wij met onzen rijkdom naar het nabijgelegen hout, hielden eene eerlijke deeling en kleedden ons aan. Nu zochten wij een goed heenkomen. Doch de boeren moeten onze vlucht ras bemerkt hebben, want opeens waren zij vlak achter ons. Alles liep, ieder vluchtte, waarheen het toeval hem leidde. Mij gelukte het, een dicht bosch te bereiken, waar ik mij verborg, tot alles stil was. Daarop sloop ik voorzichtig voort, zooveel mogelijk naar den grooten weg toe. Zoolang het donker was, ging het goed; maar bij dag scheen het bosch te leven van het russisch roofgebroed, en ik moest schuin en dwars door bosch en veld, voor- en achterwaarts, om hun te ontgaan. Een uur geleden waren zij mij nog op de hielen. Zoo was ik geheel verdwaald en ik vreesde reeds den grooten weg niet te zullen bereiken. Nu echter hoop ik met God nog dezen nacht te Smolensko te komen. Dan wil ik in het gelid blijven en liever bezwijken van honger en pijn en eerlijk als een soldaat sterven, dan nog eens in de handen dezer wilde beesten vallen! Ik ben geen lafaard; maar geslacht te worden is toch een afgrijselijke dood, en een soldaat wil toch niet gaarne sterven als een moordenaar. Denkt gij dat ook niet?”Bernard, door het voedsel gesterkt, door het verhaal dezer slingeringen tusschen redding en ondergang opgewakkerd, had in dit oogenblik zijne hoop weder teruggekregen. „Waarlijk niet, kameraad!” riep hij. „Doch daarvan behoeft ook nog niets te komen.Gij zult uw doel bereiken en ik het mijne. In den tegenwoordigen tijd, nu iedere minuut gevaarlijk is, mag men den moed niet opgeven, al had de dood ook iemand reeds bij den kraag gepakt. Men laat hem den mantel en scheurt zich toch weder los.”„Zoo is het! Leve de moed!—Maar wat zegt gij daar van uw doel? Waar wilt gij heen? Niet vooruit?”„Neen!”„Terug? In dit duivelsland weder terug? Zijt gij bij uw verstand?”„Mij is de dood hier gewisser dan daar.”„Hoezoo?”Bernard bedacht zich een oogenblik; daarop verhaalde hij zijnen vriend in den nood, in de overtuiging, dat dit eerlijke soldatenhart hem niet verraden zou, openhartig den samenhang zijner geschiedenis.„Vervloekt gebroed! Vee van den duivel, dit schrijversgoed!” vloekte de ruwe, eerlijke soldaat, toen Bernard zijn verhaal geëindigd had. „Maar dat mag u geen zorg baren. Daarheen dreigt u bij iederen tred gevaar, want de boeren zijn woedend en liggen als boschnegers achter de zwarte dennestruiken. Een enkel persoon komt er niet door. Daarom raad ik u, kom meê naar Smolensko. Wie kent u? Trek mijn pels aan, wanneer wij de poort binnenmarcheeren en bind u een doek om het gezicht. Wat vraagt tegenwoordig de een naar den ander? Ieder heeft genoeg met zich zelf te doen. Hebben wij, God beter 't, niet duizenden van achterblijvers? Kom, als een man, ga met mij! Ik zal u in lief en leed bijstaan, zoowaar ikJean Lacosteheet en uit Normandië ben! Kom, laten wij gaan. Het wordt donker, wij hebben gerust, en hoe nader aan Frankrijk, hoe beter!”Bernard overlegde. Hij had het neerdrukkend gewicht van geheele eenzaamheid en hulpeloosheid nog pas te diep gevoeld, om niet met onweerstaanbaar geweld tot het besluit gedrongen te worden, nood en gevaar weder met een kameraad vereenigd te dragen. Eén dag hoopte hij zich toch wel in Smolensko te kunnen verbergen en den volgenden moest Rasinski er weder terugkomen. Misschien vernam hij ook iets aangaande Lodewijks lot.—Kortom, hij besloot, zijn lot aan dat van zijn nieuwen makker te verbinden.Zij braken op en wandelden met elkander in gesprek voort. Opeens hoorden zij den toon eener schelle fluit uit het bosch. Bernard hoorde verwonderd op;Lacosteechter pakte hem bij den arm, trok hem ras voorwaarts en riep: „Loop, loop, wat uwe beenen kunnen. Zij zijn ons, God bewaar ons! al weer op de hielen.”Onwillekeurig volgde Bernard den haastigen tred van zijn makker, ofschoon hij aan de nabijheid van het gevaar nog niet gelooven wilde, daar hij tot hiertoe nog geen sporen van zulk een vijandelijken aanval ontmoet had.„Wanneer wij eerst maar ginds dien hoek om zijn,” meendeLacosteonder het loopen, „dan kunnen wij ons dadelijk links in het bosch werpen, maar hier is, helaas! op geen drie honderd passen een bosch te zien, en op de sneeuw ziet men ons, niettegenstaande de invallende duisternis, veel te ver.”Het fluiten werd thans herhaald en van de andere zijde van den weg beantwoord.„Het is waarachtig, alsof wij in Calabrië waren en een rot bandieten ons wil overvallen,” zeideLacoste. „Maar deze kerels zijn erger! Ik zie liever een dozijn wolven met open kaken achter mij aanjagen, dan dat ik een kozakkenpaard achter mijn rug hoor.—Maar begint daar ginds het bosch niet te leven?—Roert het zich daar niet als in een mierennest?”„Gij dwaalt vriend,” hernam Bernard, „het blijft alles doodstil.”„Het is schande, bang te wezen,” bromdeLacostewrevelig in zich zelven; „maar ik kan niet loochenen, dat ik het ben. Waar volstrekt niets, niet eenmaal eer te winnen, maar wel alles te verliezen is, daar tast het mij toch een beetje koud naar het hart, en ik begin te zien, wat ik mij inbeeld. Dat komt, doordien ik het vervloekte gebroed heden reeds zesmaal ten minste zoo uit de struiken heb zien uitkruipen als dauwpieren uit de aarde, wanneer het geonweerd heeft. Ik verbeeld mij, achter iederen boomstam een boer te zien. Nu, Goddank, wij zijn om den hoek. Laat ons hier ter zijde af in het bosch gaan, wij kunnen evenwel de richting van den weg volgen.”Toen zij zich veilig rekenden, begonnen zij langzamer te gaan.„Kameraad, gij hebt daar een gouden ring aan uw vinger; pas op, dat hij u niet te eng is,” begonLacostena eenige minuten; „ik heb gezien, hoe zij mijn kapitein, die zijn trouwring droeg, koelbloedig den vinger afsneden, omdat de ring niet dadelijk over den knokkel wilde. Men weet niet, wat er gebeuren kan; smijt het ding daarom liever weg of verberg het.”De gedachte, dat hij den ring, die voor hem eene zoo wonderbare beteekenis had, verliezen kon, viel Bernard zwaar op het hart.„Wegwerpen,” zeide hij, „kan ik hem niet, want hij is mij onuitsprekelijk dierbaar; en waar zou ik hem verbergen, dat de roofzucht hem niet vinden kan?”„Daar is misschien nog kans toe. Gij hebt zwaar, lang haar, daar laat hij zich misschien wegstoppen. Komaan, ik wil u hem er inknoopen; op eene nette frisuur komt het thans zoo niet aan.”Bernard trok den ring van den vinger enLacosteknoopte dien, terwijl hij een bundeltje haren door de opening stak en toen een knoop om den ring sloeg in Bernards lange lokken vast.„Maar is hij wel goed bewaard? Zal hij niet verloren gaan?” vroeg deze bezorgd.„Wanneer gij de lok, waaraan hij hangt, niet uittrekt, zekerlijk niet, en die is zoo diep verborgen, dat een raaf haar niet ontdekken zou. 't Is waar, de vingers der kozakken zijn.... Duivelsch! St!—In Gods naam stil! Hoort gij niets?” viel hij, opeens stilstaande en den vinger op den mond leggende, met bijna onhoorbare stem zich zelf in de rede.Bernard schudde het hoofd.—Doch spoedig daarop vernam hij inderdaad een dof gerucht, alsof verscheidene menschen van verre in gesprek naderden.„Er komen menschen aan,” fluisterdeLacoste; „geen tred van de plaats! Misschien gaan zij ons voorbij.”Met deze woorden kroop hij in de dichte struiken en Bernard volgde zijn voorbeeld.Nauwelijks hadden zij hunne schuilplaatsen bereikt, toen reeds een troep van tien of twaalf, met pieken gewapende boeren zichtbaar werd. Het hart sloeg den beiden vluchtenden hoorbaar in de borst. Zij hoopten nochtans, dat de schemering en de struiken hen zouden verbergen. Daar sloeg plotseling een hond aan; hij kwam snuffelend door de sneeuw en bleef blaffend voor het boschje staan. De boeren luisterden en zagen om.„Thans helpt ons niets meer dan de vlucht;gij links, ik rechts!” riepLacoste, „om hen te verdeelen,” en in hetzelfde oogenblik deed hij ook reeds een sprong uit het boschje en liep, wat zijne beenen konden, dieper het bosch in. De hond volgde zijn spoor met luid blaffen. Bernard, den raad van zijn vluggen makker volgende, sloegeven snel een anderen weg in. Zonder om te zien ijlde hij door de diepe sneeuw en de dichte struiken voorwaarts, tot hem de adem begaf. Thans stond hij stil en zag vorschend en luisterend rond. Alles was stil als het graf. Hij hoorde noch menschenstemmen, noch blaffen meer; alleen het huiveringwekkend ruischen van den nachtwind floot door de hooge toppen der boomen. Behoedzaam waagde hij zich weder in de richting van Smolensko, wijl hij daar zijn lotgenoot in het ongeluk hoopte aan te treffen. Spoedig vond hij zijn eigen spoor in de sneeuw terug. Dit volgde hij voorzichtig, ieder oogenblik luisterende, of er ook vijanden in de buurt waren. Doch het bosch was als uitgestorven. Het spoor bracht hem na een kwartier op de plaats, vanwaar zij gevlucht waren. Tot zijne vreugde ontdekte hij nu de sporen vanLacosteen durfde hopen, hem te vinden. Hij volgde ze; spoedig zag hij ze tot zijn leedwezen met vele anderen vermengd, een teeken, dat men den armen man hevig vervolgd had. Nog een eindweegs liepen zij in het bosch voort, dan hielden zij op en namen eene andere richting. Besluiteloos stond Bernard stil en overlegde, of hij het durfde wagen, hen ook het bosch uit naar den open weg te volgen. Hij onderzocht, of niet misschienLacoste'svoetstappen van deze geweldig doorwoelde plaats alleen het bosch verder inleidden. Doch hij vond er geen teeken van. „Zoo is de ongelukkige dan toch in handen zijner gruwzame vijanden gevallen?” Eene inwendige stem zeide Bernard, dat hij hem, die zijn redder was geweest, niet mocht verlaten, maar hem ten minste nog zooverre moest nasporen, als het, zonder zich zelf al te veel bloot te geven, geschieden kon. Daarop volgde hij de voetstappen, die naar den weg voerden, doch met omzichtigheid en ieder oogenblik scherp luisterende. Daar scheen het hem, alsof hij een zacht gesteun hoorde. Hij bleef staan en luisterde. Inderdaad, het herhaalde zich. Hij bedroog zich niet, er moest een levend wezen in de nabijheid zijn. Met vooruitgestoken hals ging hij op het geluid af; nu vernam hij het kermen naast zich, doch hij zag niemand op den grond liggen. De sneeuw was door vele voetstappen vertrapt; een zware den stond weinige schreden zijwaarts. Van daar kwam het gekreun; Bernard ging om den boom rond, welke aan de andere zijde vrijer stond; doch met een onwillekeurigen uitroep van ontzetting deinsde hij terug, toen hij in het halve licht der sneeuw en der schemering een bloedig, half naakt menschelijk lichaam zag, dat aan den boom scheen gebonden te zijn. Huiverend, doch zich zelf beheerschend, trad hij nader. Daar zag hij tot zijne ontzetting, dat de ongelukkige aan den stamgespietstwas, en toen hij hem in het gezicht zag, herkende hij zijn makker en redder.„Almachtige God!” riep hij uit en had moeite, om zich op zijne beenen staande te houden. „Leeft gij nog, vriend? Kan ik u redden?” De stervende bewoog even het hoofd, ten teeken, dat hij den makker herkende; doch hij kon niet spreken. Zelf sidderend, doch het moest zoo zijn, vatte Bernard de afgebroken schacht eener piek, die den ongelukkige door den schouder geboord was, en trok haar uit. Doch een tweede ijzer was door de lendenen gepriemd, en wilde eerst voor al zijne kracht niet wijken; eindelijk gelukte het hem, ook dit er uit te trekken. Toen zonk de verloste mat ineen. Bernard ving hem op in zijne armen en liet hem zachtjes, met den rug tegen den boomstam, op den grond nederglijden. Twee malen nog haalde de ongelukkige diep adem, toen zeeg zijn hoofd op zijne borst neder en was zijn lijden geëindigd.Bernard hield hem nog lang aan zijn hart en luisterde of het gevloden leven niet terugkeerde; te vergeefs. Het was geen droefheid, die hem vervulde; het was de doffe bedwelming der ontzetting. Het lijk op zijn knie houdende, zag hij strak voorzich heen; geen traan drong in zijn oog, hij liet geen zucht hooren. Het was stil als het graf; zelfs de wind ruischte niet meer door de dennen. Donkere wolken legerden zich zwart en onbewegelijk aan den hemel. Daar fladderden twee raven nader en klapwiekten om den top van den hoogen den, als wachtten zij reeds op hun buit.„Gij zult ten minste het lijk niet misvormen,” zeide Bernard en stond op. Met zijn stok en zijne eigene handen en voeten maakte hij eene breede groeve onder den denneboom in de sneeuw. Daarop schikte hij de haren en kleederen van het lijk. Toen hij het hemd wilde toeknoopen schramde hij zich aan eene speld. Hij voelde, wat het was, en ontdekte, dat de soldaat zijn hoogsten schat, het kruis van het legioen van eer, van binnen in zijn hemd met eene speld had vastgestoken. „Gij zult het graf van den dapperen versieren, al zoude ook nooit weer een mensch hier voorbijgaan.”Met deze woorden legde hij het lijk in het koude graf en wentelde hooge sneeuwhoopen daarop, tot zij een witten, vasten heuvel vormden. Met hetzelfde ijzer der piek, dat den doode de schouders doorboord had, hechtte hij daarop lint en kruis aan den stam van den denneboom, zoodat het eereteeken boven het graf schitterde.Met gekruiste armen stond Bernard voor den sneeuwheuvel. „Rust zacht onder dit koude kleed, tot de lente het oplicht, en kruit en bloemen over uw gebeente uitspruiten!—Gij hebt een duurzamer gedenkteeken verdiend! Neem dit voor lief! Hier wordt het niemand beter aangeboden!—Vaarwel!”—Hij keerde zich om. Dieper en dieper ging hij het bosch in, vast besloten, zijne laatste krachten aan zijne redding te wagen, doch overtuigd, dat het te vergeefs zoude zijn.HOOFDSTUK IV.Terwijl Lodewijk en zijne medegevangenen door het bosch gevoerd werden, zag hij met zorgvolle blikken om zich heen, of hij Bernard niet ontdekte. Hij wist nauwelijks, of hij hopen of vreezen moest hem te zien. Het zoude een onbeschrijfelijke troost voor hem geweest zijn, wanneer hij zijn leed in gezelschap van zijn vriend had mogen dragen, doch zijne edele ziel verzette zich tegen de geringste opwelling dezer zelfzucht. Hij koesterde de geheime, ofschoon zwakke hoop, dat Bernard gelukkiger in zijne onderneming mocht geweest zijn en spoedig Rasinski en de vrienden mocht bereikt hebben.Na eene wandeling van een uur bereikte men een open plaats, die echter rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge nachtvuren, om welke talrijke zwermen gewapende landlieden lagen. Met verwondering zag Lodewijk ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand van hare vreedzame werkzaamheid afgerukt en midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenigen maakten het eten gereed, anderen poetsten geweren, eene andere zag hij een gewonde verbinden.Eerst scheen men op de aankomenden niet bijzonder veel acht te slaan. Toen men echter de gevangenen, die zij medebrachten, in het oog kreeg, stroomde alles nieuwsgierig toe, om de ongelukkigen op te nemen. De wanhoop in de gelaatstrekken van dezen stak schrikkelijk af tegen de uitdrukking van hoon en woeste vreugde bij de overwinnaars. Lodewijk had al zijne kracht noodig, om zijne mannelijke bedaardheid te bewaren. De toevallige omstandigheid, dat hij niet van zijne kleederen beroofd was, gelijk de overigen, maar, nog in een warmen mantel gehuld, ten minste niet van koudebehoefde te beven, kwam hem daarbij zeer te stade. Hij wekte daardoor nochtans ook de roofzucht der aandringende vijanden op, wier voornemens hij uit hunne gebaren en hun immer luider wordend gemompel raden kon. Eindelijk trad een baardig kozak, waarschijnlijk vermeenende, dat hij boven de anderen iets vooruit had, op hem toe en wilde hem de muts van het hoofd nemen. Lodewijk trad onwillekeurig een tred achteruit en weerde den Rus met de hand af. Daar hief deze toornig zijn knuppel, die wel eene knods geleek, tot een verschrikkelijken slag omhoog. Zonder twijfel zou hij Lodewijks hoofd verpletterd hebben; doch opeens klonk de luide kreet eener vrouwelijke stem en in hetzelfde oogenblik trad eene edele, in kostbaar pelswerk gehulde gedaante, doch met gesluierd gelaat, door de rijen der omstanders en hield den opgeheven arm van den Rus tegen.Toornig wendde deze zich om; doch toen hij zag, wie zijne hand tegenhield, veranderde zijn toorn in de diepste onderdanigheid en trad hij met eerbiedige buigingen terug.Lodewijk was door het wonder dezer nieuwe redding, die met de snelheid van een oogwenk plaats had, als bedwelmd; hij hechtte zijne blikken op zijne redster, maar kon geen woord van dank of erkentenis uitbrengen. Zij stond, zelve geheel van schrik verbijsterd, uit het diepst van haar boezem met moeite ademhalend, nauwelijks in staat zich staande te houden, vóór hem en sloeg de handen als ware het tot een dankgebed samen. Eindelijk sloeg zij den sluier terug, terwijl zij met eene bevende, onbeschrijfelijk roerende stem zeide: „Kent gij mij?”Alsof eene hemelsche verschijning, een reddende engel des Almachtigen, plotseling in stralenglans voor hem was getreden, zonk Lodewijk, zich zelf niet meer meester, voor de ontsluierde op de knieën. Het was Bianca.Bevend vatte hij hare hand; hij boog zijn hoofd, zijne tranen stroomden—hij meende in deze overmaat van zaligheid zijn leven te eindigen.„Zoo kon ik u dan toch dankbaar zijn!” zeide zij en hief het blauwe, in tranen zwemmende oog ten hemel. „O, almachtige Vader, Uwe hand stuurde mijne schreden!—Wanneer ik te laat ware gekomen!”De omstanders staarden de groep met sprakelooze verwondering aan.„Wat beteekent dat?” vroeg opeens eene ruwe mannenstem. Lodewijk ontwaakte uit zijne bedwelming en sprong op.Een ruiter was den kring binnengereden; het fraaie paard en zijne rijke kleeding verrieden den aanvoerder.Het was graaf Dolgorow.„O, mijn vader!” riep Bianca op hartstochtelijken toon, „zie hier onzen redder!”„Wie? waar?” vroeg de graaf en wierp een doordringenden blik op Lodewijk. Doch opeens brak hij zijne verwondering af door den uitroep: „Gij hier? ellendeling!” en met één sprong was hij van het paard af en drong in de rijen der gevangenen door, omBeaucaire, wiens knieën van koude en schrik knikten naar voren te sleuren.Dolgorow, wiens borst door wraak sneller werd ontgloeid dan door dankbaarheid, vergat deze om gene te bevredigen! In Engeland en Italië, waar hij zich in gewichtige, maar gevaarlijke diplomatieke betrekkingen had bevonden, wasBeaucairezijn secretaris en geheime agent geweest. Toen de oorlog in het jaar 1812 uitbrak, en Napoleon de engelsche en russische agenten in alle landen op het ijverigst deed opsporen, waren ook Dolgorows bemoeiingen bekend geworden. Hij moest uit Rome overhaast en vermomd vluchten.Beaucairebekwam een pas als duitsche graafWallersheim.Feodorowna ging, onder den naam van Bianca, voor zijne zuster door. Dolgorow zelf werd voor eene oude bediende, zijne vrouw voor de gouvernante der jonge gravin uitgegeven. Zoo aanvaardden zij gezamenlijk de reis. Te Milaan dachtBeaucaire, die eene zinnelijke liefde voor de dochter des graven had opgevat, van de moeielijke omstandigheden alles te kunnen verkrijgen. Hij waagde voorstellen te doen, die Feodorowna met verstoordheid afwees en welke de woede haars vaders deden ontvlammen, ofschoon in zijn toorn het grootste gevaar lag. Hij mishandelde den schelm en stiet hem met smaad van zich; deze snelde heen om hem te verraden. Doch reeds had de graaf toebereidselen gemaakt, om zoo snel mogelijk te ontvluchten, terwijl hij zijn reisplan veranderde, daar hij, in plaats van over Verona naar Inspruck en Munchen, den weg over denSimploninsloeg. Daar ontmoette Lodewijk hem.—Redder en verrader waren thans tegelijk in zijne handen gevallen, en de laatste zou nu zijn loon ontvangen.„Heilige God! Welke bestiering!” riep Feodorowna uit, toen haar oog op den ellendeling viel, dien Dolgorow, ondanks zijn tegenstreven, uit de sidderende menigte bij den strot naar zich toesleurde.Beaucairekreeg haar thans ook in het oog, en met wanhopige inspanning rukte hij zich los en viel voor hare voeten neder. Krampachtig omvatte hij hare knieën en riep: „Erbarmen, gravin! Bid om genade voor mij! Slechts mijne razende liefde voor u was mijn verderf!”Bianca beefde en sloeg een angstvollen, smeekenden blik tot haar vader op. Doch deze riep in gloeienden toorn:„Pakt hem aan en werpt hem daar in de vlammen, opdat ieder Rus zie, hoe een verrader gestraft wordt.”Bianca werd bleek als een marmeren beeld.Beaucairegilde luid en klemde zich in den angst der vertwijfeling aan hare knie vast, terwijl hij zijn hoofd in haar schoot trachtte te verbergen. Zij zou nedergestort zijn, zoo niet Lodewijk, ras ter hulp springend, haar had staande gehouden.„Volvoert mijn bevel!” riep Dolgorow nog eens. „Scheurt hem van de vorstin weg!”Op dit bevel pakten twee mannen, met woest gehuil uit den hoop te voorschijn springend, den vertwijfelende bij de haren; twee anderen grepen hem bij de voeten, een kozak trok zijn mes uit den gordel en gaf hem eene snede over de beide handen, waarmede hij Bianca's knieën omvat hield. Eerst toen de spieren vaneengereten waren, zonken zijne armen terug. Onder een gevaarlijk getier en gebrul der in woede ontvlamde menigte, werd hij half weggedragen, half voortgesleept. Zijn hartverscheurend jammeren drong door het tieren der barbaarsche schaar door, die, van wilde begeerte naar het afgrijselijk schouwspel ontvonkt, in eene zwarte massa hem nastormde.„Bewaakt de overige gevangenen!” riep Dolgorow en ging met rassche schreden midden door de menigte, die eerbiedig voor hem week, naar de plaats toe, alwaar zijn vreeselijk bevel zoude volvoerd worden.Bianca had haar hoofd tegen Lodewijks schouders geleund. Zijn hart werd gelijktijdig met schrik en zaligheid vervuld.—Thans klonk een woedend gebrul met verdubbelde kracht door de lucht. Tegen zijn wil trok het zijn oog naar de verschrikkelijke plaats heen.Beaucairewerd hoog opgeheven; zijn gelaat, doorverwardeharen omgeven, vertrok zich als door de pijniging der hel gefolterd. Hij sloeg wild met de bloedige stompen zijner handen om zich heen. Daar wierpen hem de woedenden voorover inden gloed; een gruwelijke kreet, die wijd door het bosch weerklonk, steeg op. Hij drong zelfs met ontzettend geweld tot Bianca's bedwelmde zinnen door; zij beefde en kromp ineen en drukte haar gelaat, om het te verbergen, aan Lodewijks borst. Afgrijzen beroofden dezen van beweging en spraak; nauwelijks kon hij zijn blik van het vreeselijk schouwspel af en naar de geliefde heen wenden, die aan zijn hart rustte.Toen na het wild geraas eenige oogenblikken van akelige stilte volgden, ontwaakte Feodorowna uit hare verbijstering. Zij beefde schuw terug, toen haar oog op de schouwplaats der schrikkelijke daad viel. Haar hoofd afwendende, vielen hare blikken op Lodewijks edele, van schrik en medelijden diep bewogen trekken. Hier toefden ze met onuitsprekelijke innigheid. Aan hare lippen ontvlood het geheim des harten niet, dat zich in dit oogenblik voor het eerst aan haar zelve openbaarde; maar de schittering van haar oog verkondigde het. In Lodewijks borst vlamde het geloof aan de hooge beschikkingen der Voorzienigheid hoog op en een heerlijk bewustzijn doorgloeide zijn borst. Zij en geene andere was hem tot gezellin zijns levens toegedacht! Na den wonderlijksten loop hunner lotgevallen voerde de Voorzienigheid haar hem te gemoet. Hij waagde het, hare wenken te verklaren. Juist wilde hij zijne lippen openen. Daar trad Dolgorow, die van zijn bloedig rechterambt terugkeerde, tusschen hem en Feodorowna. Hij hechtte donkere, vorschende blikken op het gelaat zijner dochter; het scheen, alsof hij vermoedde, dat hare hevige ontroering door iets anders, dan door de zoo even volvoerde ontzettende straf des ellendelings was teweeggebracht.„Prinses Ochalskoi!” sprak hij koel en op hoogen toon, „ik heb niet vergeten, wat wij dezen jongen man schuldig zijn. Mij dunkt echter, dat onze rekening vereffend is, daar ik hem als Ruslands vijand zie onder hen, die in het heiligdom van ons vaderland zijn ingebroken. Doch grootmoedigheid is de deugd der Russen.—Ik zal zorg dragen, jonkman, dat men u aan de uwen terugzendt; doch valt gij weder in onze handen, dan treft u het lot van al de overigen: de dood of eeuwige gevangenis in de mijnen van Siberië.”Lodewijks trots ontwaakte; doch hij bedwong zich en hernam: „Wanneer gij mij naar het fransche leger terugzendt, dan is mijn dood zeker, en gij zelf zijt de oorzaak daarvan.”„Hoe dat?” vroeg Dolgorow verwonderd.„Wat ik op de italiaansche grenzen voor u gedaan heb, werd mij door de fransche bewindhebbers in mijn vaderland als eene des doods waardige misdaad aangerekend. Iedere weg tot ontvluchten was mij afgesneden; slechts om het geweld mijner willekeurige rechters te ontgaan, trad ik, op aanbieding van een edelen vriend, in de rijen van het leger. Dezen morgen zoude ik, door denzelfden ongelukkige vervolgd en verraden, die in dit oogenblik de straf zijner misdaad ontvangen heeft, den dood ondergaan. De overrompeling der uwen redde mij.Doch een dierbare vriend....”Dolgorow viel hem in de rede. „Wanneer gij de waarheid spreekt, zijt gij gerechtvaardigd, en ik geloof u. In dit geval zult gij zorg dragen, vorstin, dat onze redder naar het slot gebracht worde. Solanow zal u begeleiden; mij houdt mijn plicht hier terug; maar ik volg u zoo spoedig mogelijk. Doch ga evenwel eerst de gravin hiervan onderrichten.”Bianca gehoorzaamde en nam, door twee bedienden vergezeld, haar weg naar eene soort van hut, die achter de legervuren opgericht was. „Wij zien elkander spoedig weder,” zeide zij onder het gaan tot Lodewijk, terwijl zij neigend groette. Haar blikdrong diep in zijn hart; zij lachte smartelijk en vriendelijk tegelijk, en eene zachte verhevenheid, als van het gelaat eener heilige, straalde uit hare blikken.Met bevenden eerbied boog hij het hoofd; toen hij het ophief, zag hij de edele gedaante, als de verschijning eens engels in een kring van wilden, door de rijen der zich eerbiedig buigende krijgslieden verdwijnen.Ook Dolgorow wilde gaan, doch Lodewijk hield hem terug.„Ik moet u nog om uwe bemiddeling voor een vriend verzoeken, die misschien even als ik in de handen der uwen gevallen is. Hij wilde mijn redder worden en laadde aldus den toorn der fransche geweldenaars op zich; hij wilde mijn noodlot overal met mij deelen en zoo sloeg hij denzelfden weg der redding in. Heden moest hij aan mijne zijde sterven, doch hij redde zich door de vlucht.”„Wanneer hij in onze handen valt, zal hij bij u gebracht worden,” zeide Dolgorow; „maar hoe heet hij?”„GraafLomondis de naam dien hij aannam, toen hij in dienst trad en welken hij zekerlijk ook nu nog voeren zal.”„Ik zal het noodige omtrent hem bevelen.”Een soldaat met grijze haren, van ongeveer zestig jaren, die eenrussischuniform en zijn baard op de wijze der Russen droeg, maar in den vorm van zijn gelaat een Duitscher geleek, naderde den graaf vol eerbied en deed hem diep buigend eene vraag.„Ga uw gang,” hernam deze; „zoo gij denkt een landsman gevonden te hebben, Salonow, spreek hem dan aan.”„O, mijnheer,” zoo wendde de oude zich thans in het duitsch tot Lodewijk, „vergeef mij eene vraag. Ik ben een Duitscher, maar sinds langen tijd buiten mijn vaderland. Ik geloof bij u eene gelijkenis op te merken. Heet gij misschienSternfels?”„Hoe?” riep Lodewijk, hevig sidderend, met de uiterste verwondering, daar de oude den naam uitsprak, dien hij slechts door Maria's brief kende en nog nauwelijks waagde te voeren;„waarom?”„Ik heb een duitschen heer van dien naam gediend,” antwoordde de oude bewogen; „hij is wel is waar lang dood, maar wanneer ik zijn evenbeeld voor mij zie, hoe....”„Waar stierf hij?” riep Lodewijk, den grijsaard haastig in de rede vallende.„De zee heeft hem verzwolgen. Wij zaten om een ongelukkigen twist in Parijs gevangen; doch het gelukte ons, naarHavrete ontvluchten en op een hollandsch schip te komen.”„Wanneer?” vroeg Lodewijk, zich zelf nauwelijks meer meester.„Voor achttien jaren.”„Om een duel?”„Ja.....”„Dat was mijn vader!” riep Lodewijk en greep de handen van den grijsaard, die bevend, sprakeloos voor hem stond. „En wie zijt gij?”„Een eenvoudig mensch, lieve heer,” zeide de oude, en tranen rolden over zijne wangen; „ik was slechts zijn rijknecht;Willhofenis mijn naam.”„Brave, trouwe knecht!” riep Lodewijk. „En hier moet ik u vinden? En mijn vader is waarlijk dood?”„Reeds lang! Wij leden schipbreuk op de Noordzee; de zee verslond de meesten. Eenigen, en daaronder ik, werden gered; de kapitein van een russisch schip nam ons op.” Hier zweeg de oude en gaf met een schuwen, zijdelingschen blik te kennen, dat hij niet durfde spreken. Lodewijk vermoedde het lot der ongelukkigen.Dolgorow was intusschen naar de overige gevangenen toegetreden en had hen gemonsterd. Zij stonden sidderend in eene lange rij voor hem; de meesten waren jonge soldaten.„Zijn er Duitschers onder u?” vroeg hij luid.Lodewijk hoorde het en zag er heen; hij wachtte op het antwoord, daar hij gevoelde, dat het zijn plicht was, voor de redding zijner landslieden te pleiten. Het bleef stil.„Solanow!” riep de graaf, en deze haastte zich te gehoorzamen. „Hier, deze lieden, welke ik u zal overgeven, moeten mede naar het jachtslot gevoerd en van daar verder gebracht worden. Zij zijn voor den arbeid bruikbaar. Voor de overigen heeft Rusland geen ander voedsel dan twee lood kruit.”Er waren een en twintig gevangenen. Slechts een bleef er, als te oud om te arbeiden, achter, om den dood te ontvangen. Het wasSt. Luces.Daar hij niet had verstaan, wat de graaf zeide, dacht hij, dat men aan zijne houding, zijn linnengoed en zijne hem nog overgebleven kleeding gezien had, dat hij tot een hoogeren stand behoorde. De bleeke schrik, welke sinds het lot vanBeaucairezijn gelaat overtogen had, week voor een schijn van hoop. Hij waagde het daarom thans, den graaf aan te spreken en zeide in het fransch:„Ik hoop, mijnheer, aanspraak te kunnen maken op de wetten, welke alle volkeren zelfs in den oorlog eerbiedigen. Ik ben geen soldaat, maar behoor tot de burgerlijke administratie; mijn rang....”„Gij zijt een Franschman, een, die het bloed en merg van alle volken uitzuigt,” hernam Dolgorow met dreigenden blik, „verachtelijker en afschuwelijker dan de soldaat; want die strijdt met bloote wapens, doch het uwe is vergif.”„Men zoude,” trachtteSt. Lucesnog eenmaal zijne zaak te verdedigen, „mij zeer gaarne tegen gevangen officieren uitwisselen!”„Gevangenen? Hebt gij dan ook gevangenen?” riep Dolgorow wild en vol hoon tegelijk. „In uwe bulletins staan er zekerlijk duizenden, maar waar kunt gij ze aanwijzen? En waaraan herinnert ge mij? Weten wij misschien niet, hoe uwe eervergeten rooversbenden met de weinigen, die haar in handen vielen, hebben omgegaan? Waant gij, dat wij ze niet gevonden hebben en gezien, hoe zij met verpletterden schedel de wegen bedekten? Hebben wij ze niet aangetroffen in kerken, stallen en schuren, waar de honger hen doodgemarteld had?—Weg met u! Wij zullen er nog genoeg vinden, tegen welke wij diegenen kunnen uitwisselen, die wijwillenuitwisselen.”Ondertusschen had Solanow ofWillhofenden van angst sidderendenSt. Lucesnauwkeurig opgenomen. Hij sprak eenige woorden russisch tegen Dolgorow en vroeg toen den gevangene: „Hoe heet gij?”„Ik ben de baronRumigny de St. Luces.”
Sinds het slot van graaf Dolgorow door Rasinski overvallen en in brand gestoken was, had zich de bezitter niet weder op zijn goed laten zien. Na den aftocht der vijanden vielen de eigene boeren plunderend in het brandende gebouw en zochten alles meester te worden, wat de vlam nog niet verslonden had. Doch midden onder hen trad de grijsaard Gregorius en verhief zijne stem met gestrengheid en waardigheid. „Keert de vlammen, vrienden,” riep hij hun toe, „redt de have uws heeren en bergt ze in uwe hutten, doch waagt niet, u daaraan te vergrijpen en ze u toe te eigenen. Vloek zal Ruslands zoon treffen, die de trouw jegens zijn heer schendt.”
Door deze vermaningen beteugelde de hoog vereerde vader de hebzuchtige begeerte der slaven, die het eerste oogenblik hunner bevrijding wilden aangrijpen, om zich te verrijken met de goederen van hun heer. Zijn woord was eene wet, de wenk zijner oogen een heilig gebod. Daarom gaven zij hem ook nu gehoor en spanden eerst hunnekrachten in, om het slot voor algeheele vernieling door de vlammen te bewaren. Daarop namen zij, wat er kostbaars in de vertrekken te vinden was, en verborgen het in hunne diepe kelders, die aan geen russisch huis, zelfs niet van den armsten lijfeigene ontbreken. Zoo werd het hoofdgebouw van het slot aan de woede der vlammen ontrukt en stond het nog bijna ongedeerd. Doch in de vertrekken zag het er woest en ledig uit. In de meeste waren de vensters stuk geslagen, de muren door den rook zwart geworden, en de boeren hadden er alle huisraad uitgehaald. Zoo had het gebouw van buiten wel zijn trotsch aanzien behouden, doch van binnen was het zoo verwoest, dat nauwelijks eenige kamers bewoonbaar bleven.
Meer dan drie maanden waren er sedert dien brand verloopen, en de graaf was na dien tijd niet teruggekeerd. Ondertusschen had de ijzeren stroom des oorlogs zich zoo wijd over het land uitgestort, dat alle gemeenschap met het binnenste gedeelte verbroken was. Gregorius, die zijne gemeente volstrekt niet wilde verlaten, maar als een getrouw herder achtergebleven was, had daardoor in al dien tijd van den graaf noch van Feodorowna ook slechts het geringste vernomen. Hij had het huwelijk aan het altaar ingezegend, zijne lippen hadden den hemel zegen en heil voor de jeugdige echtelieden afgesmeekt. Doch hij zelf vertrouwde niet zoo vast als anders op de kracht van zijn smeeken; want hij wist wel, met welk een smartelijk gevoel hij de dochter zijns harten zag heengaan en het nieuwe levenspad betreden, dat voor anderen met geurige bloemen pleegt bestrooid te zijn.
De dagen waren eentonig voorbijgegaan; de herfst had de bladeren van de boomen afgeschud. Het groen der dennen werd met iederen dag donkerder en zwarter; spoedig kroonden zij zich met rijp en eindelijk breidde de sneeuw haar schitterend dekkleed over de toppen der boomen, over de heuvels en den verstijfden stroom uit.
Zoo is voor mij dan wederom de winter genaderd, dacht Gregorius, wanneer hij uit de stilte zijner eenzame cel over den opengeslagen Bijbel heen in het treurige, verlaten dorp zag; reeds meermalen geloofde ik, dat het de laatste zou zijn, en bereidde ik mij voor den Heer te verschijnen.
Mijn hart hangt niet aan deze aarde, maar toch verlangt het nu vurig nog eenmaal de lente te zien aanbreken en haar liefelijken groet te ontvangen. Moet dan de akeligste winter mijns levens ook de laatste zijn? Zou ik moeten heengaan, eer ik mijn vaderland weder bevrijd zie van deze horden van schanddadige verwoesters, die al het heilige bevlekken en onteeren? Algoede Vader! Gij weet het, hoe rustig ik mijn oog op de graven vestig, die hier onder mijne vensters rondom het godshuis zijn. Al deze dooden sluimeren onder Uwe bescherming. Zij rusten even stil en koel onder het groene tapijt, waarmede de lente hunne woning versiert, als onder het koude sneeuwkleed van den winter! Hoe dikwijls heb ik mijne hand tot U opgeheven, Heer des hemels, en gebeden: Roep mij op, wanneer Gij wilt, ik treed deemoedig, maar vol vreugde voor Uw aangezicht. Doch thans smeek ik, laat mij den dag der vreugde nog zien, wanneer Uwe hand hen vernietigt, die zich aan U vergrepen hebben. Want Uw bliksem treft de heidenen en Uw woord verplettert Uwe vijanden. O, laat mij dien dag nog zien, waarop de lente weder over mijn rampzalig vaderland aanbreekt! Want redden zult Gij het; dat gelooft mijn hart met onwankelbaar vertrouwen.
In zulke gedachten stond de grijsaard menigmaal, wanneer de avondschemering zich over de aarde uitbreidde, aan het venster zijner cel en hij richtte den blik op het winterlandschap, op het kerkhof vóór hem en op het heilige huis des Heeren.
Met iederen dag, dat de grauwe winterwolken zich donkerder opeenpakten en de storm heviger langs den gevel van het huis huilde, groeide de vrome hoop des geloovigen grijsaards aan. Hij zag in den geest de wrekende engelen des Almachtigen met de dreigende wolken optrekken en de hand der vernietiging over het hoofd der heiligschennende vijanden uitgestrekt.
Met voorzeggenden geest zag hij de lange, treurige vluchten van raven in de schemering over de heuvels trekken, en des nachts, als de wolf, door honger gedreven, zich buiten het woud waagde en voor het goed gesloten huis huilde, dacht hij: Waar zullen de legers der verwoesters spijs en dak vinden, wanneer het hongerige roofdier tot zijne ergste vijand vlucht!
De honger zal u met zijne scherpe tanden vervolgen en aan onzen haard drijven; doch gij zult niet vriendelijk genoodigd worden, u daar neer te zetten; onze hand, met knods en zwaard gewapend, zal u verjagen of op onzen drempel verpletteren. De deur van den Rus, die zich voor ieder gastvrij opent, zal voor u gesloten zijn, gelijk voor den huilenden wolf, wiens buit gij worden zult. Het vuur, tot hetwelk de verkleumde voor de woede des winters vlucht, zal, wanneer gij nadert, uitgedoofd worden, of de hut verteren, onder welke gij toevlucht zoekt. En niet eer zullen wij rusten, voordat het laatste spoor uwer voetstappen uit ons vaderland verdwenen is.
In zulke overpeinzingen lag de grijsaard nog dikwijls te middernacht op zijn leger, wanneer reeds lang alles om hem heen stil en doods was.
Daar klopte midden in den nacht iemand aan zijne deur en eene mannenstem riep: „Open! Ontwaak, vrome vader Gregorius! Uw gastvrij huis moet nog laat aan reizigers eene schuilplaats verleenen!”
De grijsaard meende de stem te kennen. Spoedig wierp hij een mantel om, opende het venster en zag naar buiten. Eene slede stond voor zijne deur stil.„Wie klopt nog zoo laat?” vroeg Gregorius. „Bedriegt mij mijn oor of hoorde ik eene bekende stem?”
„Gij dient haar wel te kennen, vrome vader,” antwoordde de vreemde; „ik ben Dolgorow.”
„Heer in den hemel! Gij zelf?” riep Gregoor vol verwondering uit en snelde met de lamp naar de deur, om ze te openen.
De graaf stond voor hem.
„Zijt gegroet, vader! Gij moet mij dezen nacht huisvesting geven en ook die daar in de slede,” sprak hij hem aan; „ik zal u gewichtige dingen mededeelen.”
Gregoor lichtte naar de slede. Twee vrouwen zaten er in. Met een blij voorgevoel trad hij uit de deur zijner woning en naderde de reizigers. Eene rijzige gestalte, in een dichten sluier gehuld, trad hem te gemoet. „Vader Gregorius, wees gegroet!” aldus sprak zij hem met eene vriendelijke stem aan, en hij herkende zijne geliefde dochter Feodorowna, die bewogen, sprakeloos weenende aan zijn hart zonk.
Haar moeder volgde haar; Gregorius geleidde haar eerbiedig in zijne woning.
„Wat voert u onder mijn nederig dak?” sprak hij met eene bewogen stem, toen hij het bekrompen vertrek bereikt had; want het bleeke gelaat van Feodorowna veroorzaakte hem kommer, en zij droeg een rouwsluier.
„Ik wil u in hare plaats op alles antwoord geven,” hernam Dolgorow. „Wees slechts zoo goed, om dadelijk de vrouwen een vertrek in te ruimen, waar zij rusten kunnen, want wij hebben dag en nacht zonder ophouden gereden. Maar wek niemand van uw volk, want vooralsnog moet ons verblijf hier een geheim zijn.”
„Ja wijs ons eene rustplaats aan, vrome vader!” zeide de gravin met matte stem; „ik ben doodelijk vermoeid.”
Gregorius geleidde de vrouwen in een stil, op den tuin uitziend, ter ontvangst van gasten ingericht vertrek, dat, evenals het geheele huis, goed verwarmd was. De gravin viel dadelijk op een rustbed neder. Feodorowna reikte haar vaderlijken vriend de hand en zeide: „Morgen, beste vader! morgen wil ik lang, recht lang met u spreken.”
„Maar hebt gij nu geene behoefte aan eenige verversching, aan eenige spijs of warmen drank?” vroeg de grijsaard.
„Aan niets, beste vader,” hernam Feodorowna, „dan aan rust en die vinden wij immers hier, zooals wij ze wenschen.”
Gregorius ging naar Dolgorow terug, dien hij met groote schreden door het vertrek zag op- en nedergaan.
„Vader!” sprak de graaf hem aan, terwijl hij hem de hand op den schouder legde, „vader, er gebeuren groote dingen. Rusland ziet de dagen zijns roems aanbreken na den tijd van smaad, welke het heeft doorleefd.”
„Hoe? Mag ik uwe woorden gelooven? Zoo is mijn vurig gebed verhoord geworden?”
„Gij weet, dat de vijand op den terugtocht is.”
„Ja; doch ik vrees slechts, om den winter van Rusland te ontgaan,daar de heilige stad, welke hij zelf schanddadig heeft verwoest, hem geen toevluchtsoord meer aanbood.”
„Ruslands winter heeft hem ingehaald. Het is te laat om terug te keeren. Hij zal de grenzen van het land, dat hij vol trots is binnengedrongen, niet wederzien.—Gij meent dathijMoskou verbrand heeft? Werpt niet de stuurman de kostelijke waren, waarmee hij zijn schip bevracht heeft, in zee, om zijn gestrand vaartuig weder vrij van de zandbank op de baren te verheffen? Laat de zeeroover zich niet met zijne vijanden in de lucht vliegen? Houdt gij de zonen van Rusland niet voor mannen, die evenzoo konden handelen? Oude man, leer beter van ons denken! Geen vijandelijke fakkel heeft de vlam van Moskou ontstoken. Haar glans zal de schrikkelijkste, maar ook de grootste daad in de jaarboeken van Rusland bestralen.”
„Hoe?” riep Gregorius en hief met verbazing de handen omhoog.„Hoe?”
„Laat dat voor het oogenblik daar; het is zooals ik gezegd heb; doch wij hebben over belangrijker dingen te spreken. Van dien schrikvollen nacht af begon de onweerswolk des verderfs hare wrekende bliksems op de verwatenen af te zenden, die het gansche gewapende Europa in dit rijk voerde, om onze velden te verwoesten. Hun aanvoerder moest den smaadvollen dag beleven, waarop hij zich tot de vlucht genoodzaakt zag; de trots van den nooit overwonnene is gebroken, het verderf heeft hem bereikt. Reeds hier hoopten wij hem te vernietigen; het is te laat geworden, doch hij ontgaat zijn noodlot niet.—Hoor mij thans oplettend aan, waarde vader, want wij hebben uwe hulp noodig. Gij zult niet vergeten hebben, hoe de bruiloft mijner dochter gestoord werd. Gij ziet haar thans in de rouwkleederen eener weduwe, want haar echtgenoot is niet meer. Toen wij vluchtten, bereikten de vijanden ons bij het bosch, achter den tuin. Een kogel trof den prins; hij viel, doch het gelukte ons, hem in het bosch te verbergen. Op eene draagbaar van takken droegen wij hem tot aan het naaste dorp en daar vonden wij het middel, hem langzaam naar Moskou te doen brengen, daar de steeds nader en nader rukkende vijand ons drong, zoo ver te vluchten. Want hij wilde liever sterven, dan den vijand in handen vallen. Van Moskou snelde ik zelf naar het leger terug. Ik streed bij Borodino, waar wij niets verloren dan een woesten,met lijken bedekten grond. Hij werd ons duur betaald. Gewond, ofschoon licht, begaf ik mij naar Moskou, alwaar de prins door zijne en mijne gemalin verzorgd, zijn moeilijk ziekbed doorstond; want daar wij hem geene rust konden gunnen, was de wonde zoo gevaarlijk geworden, dat zij weinig hoop meer gaf op herstel. Thans rukte de vijand voor de hoofdstad. Terwijl hij introk, worstelde Ochalskoi met den dood. Wij hadden hem in een afgelegen vleugel van het slot in een verborgen, goed beschermd vertrek doen brengen waar wij in eene geruste verborgenheid hadden kunnen blijven, wanneer de brand der stad niet besloten ware geweest. Met het ondergaan der zon sloot Ochalskoi zijne oogen. Wij wachtten slechts op den nacht, om langs geheime, zekere wegen te ontvluchten, maar het lijk zelfs van den edele lieten wij niet aan den vijand, want ik had het hem in zijn doodsuur beloofd, alles te zullen wagen, om hem op onbezoedelden, russischen bodem te begraven.
„Het gelukte ons het vrije veld te bereiken; de vlammen van Moskou lichtten bij onze vlucht. Spoedig bereikten wij het dichte bosch en daarachter den grooten weg naar Petersburg.
„Ik begaf mij, door mijne gemalin en dochter begeleid, naar den keizer. Van daar werden nu de onzichtbare netten uitgespreid, waarin wij den vijand des vaderlands lokten. Wij hielden hem op met vredesvoorslagen, tot hij eindelijk bemerkte, dat hij, die vroeger gewend was anderen te bedriegen, voor ditmaal zelf de bedrogene was. Nog was het tijd voor den terugtocht geweest, ofschoon hij het duur zoude gekocht hebben, om de grenzen van Rusland nog eenmaal te betreden. Maar zijne trotschheid wilde dezen smaad niet ondergaan; in den waan zijner onverwinnelijkheid beproefde hij zich een nieuwe baan te breken. Dit mislukte. Zijn dag was gekomen, hij moest terugkeeren en vluchten; doch het was te laat! Reeds trekken van alle zijden de draden, waarmede wij hemomspannen, zich bijeen. De Almachtige is met de heilige zaak des vaderlands. Hij liet zijne zon bedriegelijk schijnen en verborg door hare zachte stralen de nabijheid des winters, die grimmig loerend in zijne hinderlaag lag, waaruit hij nu op eens moordend voor den dag gekomen, in hunne scharen indringt, als de wolf in eene weerlooze kudde. Geen vlucht kan hen redden; alle wegen zijn bezet. Waarheen zij zich keeren, moet hun het verderf te gemoet treden. Daarom kom ik hier. Thans, vader, komt het er op aan, Ruslands zonen met heilige woede te vervullen tegen deze spottende onverlaten, die zich verheugen in de tranen onzer woede. Gij zult mij helpen, hen op te ruien, te verzamelen en tegen den vijand op te trekken. Daarom kom ik uit de hoofdstad; ik ijlde als de wind hierheen, want ik hoopte Smolensko nog voor den franschen keizer te bereiken en bij overrompeling de vesting te bemachtigen. Dan was hij hier in het hart van Rusland gevallen. Doch dat is te laat. Ik weet, dat hij sinds gisteren reeds hier is; met gevaar slechts, langs omwegen door de wouden, kon ik tot hiertoe doordringen; doch waar ik den grooten weg kruiste, zag ik de sporen reeds van het verderf, dat hem bereikt heeft. De weg is met lijken en goederen bedekt. Maar er mag niet één ontkomen, niet één, die het onheil in zijn vaderland kan verkondigen. Slechts uit het doodsche zwijgen, uit het ijselijke verdwijnen van elk spoor, mogen de zijnen te huis gewaar worden, welk lot hem getroffen heeft, benevens hen, wier aanvoerder hij was.—Als de dag aanbreekt, Gregorius, verzamel dan het volk door het gelui der klok in de kerk, vervul hunne harten met de vlam der woede, roep hen op tot wraak tegen de vijanden van hun God. Geene kinderen, geene vrouwen mogen werkeloos blijven. Daarom heb ik ookgemalin en dochter medegebracht, wijl zij het voorbeeld moeten geven van den plicht eener edele dochter van Rusland.—Dan zal ik onder hen treden, hen uitzenden als boden door geheel het omliggende land, en eer de avond valt, zullen wij duizende gewapenden hebben, om tegen den vijand aan te voeren. Zij moeten ijlings op de moedelooze vluchtenden instormen, gelijk een zwarte onweerswolk den hagelslag op de akkers nederzendt! Dat is thans onze plicht, Gregorius! Gij zult mij helpen dien uit te oefenen.”
„Zoo waar het aangezicht des Heeren over mijn grijzen schedel licht,” riep de grijsaard met een blik vol geestdrift, en hief zijne rechterhand plechtig omhoog. Toen zonk hij op de knieën en bad uit het diepst van zijn hart:
„Almachtige Vader! Algoede Bestuurder onzer lotgevallen! Zoo hebt Gij mijn smeeken verhoord en laat dezen dag des heils schitterend voor mijne oogen verrijzen. Heb dank, Algoede! Dit laatste werk worde mij nog toegelaten te voltooien; dan wenk mij, en verheugd leg ik mijn hoofd in het graf neder.”
Zonder door om te zien ook maar een oogenblik tijds te verliezen, had Bernard in vollen ren den hoek van het bosch bereikt. Zijne vervolgers waren hem op de hielen, doch de gulden prijs der vrijheid, die hem toewenkte, gaf hem vleugels. Gods hand bewaarde hem, want ofschoon eenige kogels vlak langs zijn hoofd voorbijvlogen, wondde hem evenwel geen daarvan. Thans dekten hem de dichte struiken; deze belemmerden wel de snelheid zijner vlucht, doch zij verborgen ook hare richting en stelden dezelfde beletselen zijnen vervolgers in den weg. Met het hoofd voorover gebogen, zijn linkerarm beschermend voor zijne oogen houdende, vluchtte hij voort en bemerkte nauwelijks dat de struiken hem de handen en het aangezicht bloedig openreten. Eindelijk ontbrak hem de adem; hij stond een oogenblik stil en schepte lucht. Luisterend stond hij daar, of zich ook voetstappen achter hem deden hooren. Alles bleef doodstil. Voorzichtig snelde hij na eene rust van weinige seconden nog een eind dieper het bosch in, tot hij in zulke dichte struiken kwam, dat zij hem zelfs voor iemand, die vlak langs hem heen ging, zouden verborgen hebben. Hier eerst vergunde hij zich eene langere rust en overlegde, wat hem nu te doen stond.
Gij zelf zijt voor deze reis gered, dacht hij, terwijl hij diep uit de borst ademhaalde en het oog dankbaar tot den hemel hief; was Lodewijk maar eerst hier bij mij!—En dan? Wij beiden eenzaam in deze woestijn? Aan de koude, den honger en de woede der inwoners prijsgegeven? Schaam u, Bernard, wilt gij den moed laten zinken op het oogenblik, dat gij het bewijs ontvangen hebt, dat niets verloren is, zoolang niet alles verloren is? Nader slechts, gij toekomst! men moet u kloek in het oog zien, als een kampvechter zijn vijand; dan weet men zich veilig voor iederen slag.
Onder deze gedachten zette hij zijn weg in de richting naar den heuvel met de drie dennen voort. In het binnenste van het bosch heerschte nog diepe schemering; doodstil was alles om hem heen. Daar klonken op eens verscheidene schoten. „Heilige God! wanneer dat Lodewijk gold, dien men weder gevangen had,” riep Bernard en stond als aan den grond genageld, met het bovenlijf vooruit, naar de richting van het geluidgebogen. Daar vielen wederom schoten en nog eens en nog eens. Neen, dacht hij met meer opgeruimdheid, dat was het schrikkelijk geluid niet, waarvoor ik vreesde. Intusschen bleef hij geheel in het onzekere, hoe hij dit schieten zoude verklaren, te meer, daar het zich met verward, dof en zwak door de morgenstilte tot hem overwaaiend geschreeuw vermengde.—„Wist ik maar, waar de vijand ergens uit den grond kon zijn opgekomen, dan zou ik gelooven, dat dit een gevecht was. Of de vlakte dan van hier nergens te overzien zoude zijn?”Hij ging naar den zoom van het bosch, doch nog eer hij dien bereikte, had het schieten en al het gerucht opgehouden. Des te angstiger luisterde hij, of hij geen voetstappen in den omtrek hoorde, of de struiken geen geluid maakten, wijl een driftige voetganger ze vaneen boog. Te vergeefs.
Bernard wist thans niet, of hij zich haasten zou het bepaalde punt der samenkomst te bereiken, dan of hij zou terugkeeren en trachten uit te vorschen, wat er van Lodewijk mocht geworden zijn. Na kort beraad koos hij het laatste. „Hij mag een half uur langer op mij wachten, het is beter, dat hij dit uitsta, dan dat ik hem misschien hulpeloos en zonder vriendentroost in de handen zijner vijanden achterlaat. Zoo hij het offer geworden was? Neen, neen! Het is onmogelijk. Maar is hij het, welnu, dan wil ik het ook zijn.”
Er lag in dit besluit eene zekere hooghartigheid. Men moest niet durven zeggen, dat hij, om zich zelf te redden, zijn vriend verlaten had. Hij gevoelde wel, dat voor Lodewijk zijn offer te laat kwam; maar het scheen hem eerloos, hem te overleven.
„Maar Maria!—Zoudt gij geen trouwer vriend zijn, wanneer gij voor de eenzame, hulpelooze zuster zorgdet? Voort, voort, uw hart wil u beliegen—vertrouw het niet!”
Bernards inwendige angst klom, hoe heviger de strijd in zijn binnenste werd en hoe nader hij bij de plaats kwam, waar hij zekerheid over het lot zijns vriends hoopte te verkrijgen. Eindelijk had hij het einde van het bosch bereikt en kon hij den heuvel overzien, waar de dood hem en Lodewijk had moeten treffen. Hij was verlaten, niemand nabij; Bernard waagde zich vooruit. De sneeuw was van ontelbare voetstappen doorkruist; ook ruiters moesten hun weg over den heuvel genomen hebben. Thans ontdekte Bernard een verloren chakot, bloedplassen, de ondubbelzinnigste bewijzen, dat hier een gevecht had plaats gehad. Van verre zag hij eenige lijken—hoe, zoude Lodewijk daaronder zijn? Hij snelde ijlings daarheen. Goddank, neen! het zijn andere uniformen.
Drie mannen lagen op de sneeuw ter neder. De eersten herkende Bernard; het was de brave Elzasser,Cottin; de beide anderen waren hem onbekend. De vreugde, dat Lodewijk gered scheen, liet het warm gevoel van medelijden met den wakkeren landsman niet opkomen. De vlucht moest hem gelukt zijn. Daar, waar de drie dennen oprijzen, wacht hij mij misschien reeds. Ik moet mij haasten, zijne onzekerheid te bekorten.
Ook zonder dezen inwendigen aandrang had Bernard reden gehad, zoo snel mogelijk te vluchten, want juist rukten eenige compagniën, in der haast bijeengeraapt, door het schieten opmerkzaam geworden, uit de slechts eenige honderden passen verwijderde poorten van Smolensko naar buiten, om de, zoo het scheen overvallen kameraden, doch te laat, ter hulp te snellen. Bernard bemerkte hen nog bijtijds en nam zijn weg het bosch weder in, naar de plaats, met Lodewijk tot de bijeenkomst bepaald.
Na een half uur had hij haar bereikt. De dennen stonden eenzaam op eene slechts met lage struiken begroeide hoogte, die hem een vrij uitgestrekt gezicht in de verteverschafte. Voor zich zag hij de torens, gevels en muren van Smolensko, waarachter de besneeuwde heuvels, welke den loop des Dniepers volgen, zich verhieven. In de verte liep een lange, blauwe rij van bosschen langs den horizon; aan de rechterhand achter een groot dennenbosch liep op een kwartier afstands ongeveer de groote weg naar Moskou; achter zich en ter linkerhand ontdekte het oog, zoover het reikte, slechts onmetelijke wouden, die zich over de hoogten en laagten van den grond onafzienbaar uitstrekten. Slechts weinige opene plaatsen waren zichtbaar, maar ook deze vertoonden zich slechts als rondom van bosschen ingesloten ruimten. De heuvelrij aan deze zijde des strooms beperkte het gezicht; ter linkerhand achter deze moest, zoo herinnerde Bernard het zich nog van vroeger, vlak een open veld zijn.
Hij wierp slechts een vluchtigen blik over deze treurige, eenzame landouw; zijn oog zocht Lodewijk. Hij ontdekte hem niet. Eerst zacht, vervolgens al harder en harder, riep hij den naam zijns vriend, doch zijne stem verloor zich in de diepe eenzaamheid en stilte, zonder antwoord te ontvangen.
Thans werd hij bevreesd. Duizend mogelijkheden kwamen hem voor den geest, welke de waarheid zeer nabij kwamen, zonder deze evenwel te treffen.
Hij kruiste in den omtrek van den berg rond, doorzocht alle boschjes, zocht naar voetstappen in de sneeuw, of hij daaruit Lodewijks spoor misschien mocht ontdekken, zoo deze verdwaald geraakt was—alles te vergeefs. Altijd ontdekte hij, hoever hij ook in het rond trachtte te zien, geene andere voetstappen dan die, welke hem zelf op den top des heuvels gebracht hadden. Deze kruiste hij een-, twee-, driemaal; hij hield zich eindelijk overtuigd, dat geen menschelijke voet, behalve de zijne, ook slechts in den omtrek des heuvels was gekomen.
De zekerheid viel hem als lood op het hart.—Was Lodewijk gered of niet? Had hij hem niet goed begrepen? Had hij zijne vlucht naar eene andere zijde gericht? Of hadden omstandigheden hem genoodzaakt, zijn behoud naar den anderen kant van het bosch te beproeven?—Was hij in het gevecht gebleven?
Deze en duizend andere vragen kruisten zich in Bernards hoofd, doch hij wist ze niet te beantwoorden.—Slechts die ééne schrikkelijke zekerheid verkreeg hij meer en meer dat hij van zijn vriend gescheiden was, dat slechts eene gunstige wending van zijn lot die buiten zijn bereik en zijne berekening lag, hen weder met elkander kon vereenigen.
Het werd middag. Van het waden door de sneeuw waren Bernards voeten doornat, de spieren zijner knieën ten uiterste afgemat. De honger deed zich met pijnigende hevigheid gevoelen, want het sinds twee dagen goed gevoede lichaam had weder kracht gekregen, om den aanval van den vijand eenigen tijd zonder afmatting, maar daarvoor ook met des te grooter smart te kunnen trotseeren. Een besluit moest hij nemen. Hem bleef slechts de keus over, of in de vesting terug te keeren en zich alzoo den zekeren snellen dood over te geven, of alleen de vlucht door de sneeuwwoestijn te wagen, waar duizend rampen en gevaren op hem wachtten, waartoe de zwakke hoop op behoud nauwelijks den moed en de kracht om te lijden konde geven.
En waarheen zou hij zijn weg nemen? Zonder wapen, om zich tegen een hongerigen wolf te verdedigen of hout voor een vuur te hakken, zonder levensmiddelen, met zeer weinig gangbaar geld, scheen het hem onmogelijk, voorwaarts naar zijn vaderland te komen. Er bleef hem niets over, dan terug te gaan, om het korps vanNey, dat nauwelijks twee dagmarschen achter kon zijn, en met dit het regiment van Rasinski te bereiken.
Was Lodewijk gered, kon hij zooals Bernard vrij handelen, dan bleef ook voor hemgeen andere raad over. Daarom was deze weg ook de eenige, op welken hij hopen kon zijn vriend weder te ontmoeten.
Hij brak zich een sterken dennetak af, sneed dien met zijn zakmes, dat hij gelukkig bij zich had, tot een wandelstaf en tot een wapen in tijd van nood, en begon door het woud zijn tred naar den grooten weg te richten. In zijne ziel zag het er zoo somber uit, als rondom hem in de natuur. Hij moest door een ongebaande wildernis heenworstelen en dikwijls tot aan de knieën door de sneeuw waden. Daardoor kwam hij slechts langzaam vooruit, en ofschoon de weg in de naaste richting slechts een half uur van den heuvel verwijderd was, had hij dien evenwel na twee uren nog niet bereikt, deels omdat hij hem niet zoo dicht bij de vesting durfde over steken, en dan, daar zijn weg door de vele hindernissen en omwegen, welke hij moest maken, buitendien wel de helft langer werd. Deze inspanning en de honger, welke hem kwelde, putten zijne krachten zoozeer uit, dat hij zich eindelijk moest nederleggen. Hij ruimde met zijn stok en eenige bijeengebonden takken de sneeuw een weinig op, maakte zich van afgebroken dennenrijs een leger en legde er zich op neder, om een weinig uit te rusten. Doch hij droeg angstvallig zorg, den slaap van zich af te weren, om niet in dien slaap te bevriezen en zoo eene buit des doods te worden. Hij had echter deze voorzichtigheid niet noodig gehad; want de zorgen zijner ziel en de kwelling des hongers waren nog te hevig, om hem te laten sluimeren, en zijn lichaam nog niet zoo afgemat, dat hij de vermoeidheid als de ergste aller kwalen gevoelde. Om de knaging, welke hem de honger veroorzaakte, eenigermate te lenigen, sneed hij de jonge harsachtige spruitjes uit de takken en beproefde die te eten. Deze bittere kost met eenige handen vol sneeuw, welke hij tot stilling van zijn dorst genomen had en langzaam op zijne tong liet smelten, was de eenige versterking, welke zijn ellendige toestand hem vergunde. Na een uur gerust te hebben, brak hij weder op en bereikte nu spoedig den grooten weg. Doch welk een gezicht deed zich daar voor hem op! De weg was met half naakte, bevroren lijken bedekt, die halverwege uit de sneeuw uitstaken. Kleine, licht besneeuwde heuveltjes, tegen welke zijn voet onder het gaan gedurig aanstiet, waren de graven van even zoovele ongelukkigen. Weggeworpen wapens, uniformen, bagage, doode paarden zouden de richting, die het leger genomen had, genoegzaam aangeduid hebben, al ware er ook geen groote, door kanonnen en wagens stuk gereden heirbaan te zien geweest.
Eene kille huivering voer door zijne borst, toen hij zich thans zoo alleen midden onder deze sporen bevond, die de schrikkelijke baan kenmerkten, welke dood en verwoesting door deze sneeuwwoestijnen genomen hadden. De weg geleek één lang, onmetelijk kerkhof, waar echter geen vriendenhand de gestorvenen zacht begraven had. Slechts het lijkkleed der sneeuw bedekte koud en akelig de gevallenen.
Bernard moest thans spoedig een dorp bereiken; de weg boog zich en het lag voor hem. Doch geen huis was er meer te zien; alles omvergerukt, alles verbrand; nauwelijks staken nog hier en daar eenige schoorsteenen en zwart verbrande muren uit de sneeuw uit. Vermoedelijk was hier in de nabijheid een bivak geweest, zoodat de manschappen al het houtwerk voor hunne vuren gebruikt hadden. Spoedig zag Bernard ook de zwarte plekken aan den zoom van het bosch, alwaar de vuren gebrand hadden. Hij ging er heen, in de hoop van iets te vinden, dat zijn honger zoude kunnen stillen. Tevergeefs! Hier lagen ook geene lijken; want hier hadden immers de sterkeren gerust en het vuur had hen voor verkleumen bewaard.
Bernard stiet met zijn staf in een aschhoop en woelde er zoo een nog smeulend stuk hout uit. Dus kon dit bivak dezen morgen eerst verlaten zijn. Hij ontdekte een knoop op de sneeuw; hij nam dien op. Een zoete schrik overviel hem; hij ontdekte er het merk van zijn regiment op. Dit lichte spoor zijner vrienden gaf hem nieuwe hoop. Rasinski had dus hier rust gehouden. Daar hij eerst na den middag uit Smolensko was uitgerukt, moest hij hier des nachts gebivakkeerd hebben en was misschien slechts een halven dagmarsch van de plaats verwijderd.
Had Bernard thans slechts eenige spijs gehad en een paar uren kunnen rusten, zoo had hij zijne vrienden dien nacht misschien nog ingehaald. Doch hij was te vermoeid; want reeds begon de avond te vallen, en hij had den ganschen dag niets genoten en zich op de vermoeiendste wijze door de diepe sneeuw in nooit betreden bosschen moeten werken, niet eenmaal zijne verschrikkelijke gemoedsbewegingen van dien dag in aanmerking genomen. Thans gevoelde hij voor de eerste maal, dat zijn alles trotseerende moed wankelde. De afmatting zijner lichaamskrachten werkte op zijne ziel terug; de diepe eenzaamheid wierp hare donkere schaduw in zijn boezem; de spoorslag om door zijn moedig voorbeeld het vertwijfelen van anderen te verhinderen, bleef uit en met het ontbreken daarvan verdween ook de kracht.
Zwijgend, de armen over elkander geslagen en, daar de koude hem deed rillen, zich ineen krommende, zat hij op een half ingevallen muur en zag donker voor zich heen. Rondom de stilte des doods; het donker dennenwoud stond daar ijzingwekkend koud, en de takken bogen zich onder den last der sneeuw ter neder; grijze nevelwolken dreven langzaam en laag over de toppen van het woud. De adem was uit de borst der natuur geweken; zij lag daar als een lijk, bevroren, zonder warmte, zonder liefde. „En wat is het dan meer,” sprak Bernard, eensklaps oprijzende en moedig vooruittredende, „sluimeren er hier dan niet duizenden? Waarom wilt gij u verzetten, in de koude, uitgebreide armen des doods te zinken! Het lijden zal kort zijn; rust een oogenblik aan zijne borst en uw warm leven is ingezogen door de ijskoude verstijving, en smart en vreugde zijn voorbij.”
„Gij wilt weekhartig worden! Wijl achter dezen grauwen sluier nog de blauwe zonnige dag rust, dien gij ook eens gezien hebt? Wijl vriendelijke gedaanten aan de grenzen dezer woestenij staan?—Waart gij dan gelukkig, toen gij onder hen in het licht verkeerdet? Hebt gij niet altijd de smart in uw boezem verborgen omgedragen? Kon het bonte gewemel des levens u troosten en verkwikken? Droppels bevochtigen uwe tong, maar uw brandende dorst werd niet gelescht, en de lafenis vermeerderde slechts uwe kwaal.—En toch beeft gij, daar de hamer zich thans oplicht, om het uur der rust, der verlossing te slaan? Wil dan het rijsje der hoop zelfs in deze woestijn nog niet bevriezen! Is uwe mannenkracht niet in staat deze zwakke, uitgebrande vonk te verstikken? Schaam u! Zie het spooksel als een man aan! Het leeft alleen in uwe borst; gij ziet slechts de afspiegeling der verschrikkingen, welke gij zelf schept en in u omdraagt. Verpletter met een forsche vuist den bedriegelijken spiegel, en de spookgestalten zijn vernietigd.”
Doch tevergeefs kampte het geweld der gedachte tegen de macht der wezenlijkheid. Te vergeefs beproefde de geest de banden te verbreken, die zijne vrije vleugels in den kerker des lichaams en der zinnen vasthielden. Zij lieten hem niet uit hunne macht en stonden op hun oud recht, met hem tegelijk te heerschen, tot de dood het zegel van het voor de aarde gesloten verbond verbroken had.
Zoo bleef het spooksel dan ijzingwekkend voor Bernard staan en hij voelde, tegen wil en dank, hoe het afgrijzen door zijn boezem sloop en dieper en dieper zijn hart indrong.
„Deze boomstam moge het dan zijn!” zeide hij somber, wikkelde zich, inwendig rillend, vaster in zijn mantel en wierp zich weder op den grond neder.
Nauwelijks echter lag hij, toen hij de struiken achter zich hoorde bewegen en dadelijk daarna menschelijke voetstappen vernam. Hij voer overeind en zag om. Daar opende zich de dennenbosschen voor hem en eene wonderlijke, avontuurlijke gedaante, in een grauwen pels gehuld, een rooden doek om het hoofd gebonden, trad er voorzichtig, naar alle zijden rondziende, uit te voorschijn.
„Heidaar!” riep hij in het fransch Bernard toe. „Leeft gij, of zijt gij een lijk!”
„Ik leef,” hernam Bernard en richtte zich met moeite overeind.
„Gij ziet er echter uit, alsof het niet lang meer duren zou,” hernam de soldaat. „Zijt gij flauw van den honger?”
Bernard knikte met het hoofd. „Dan kan ik u helpen,” zeide de ander en kwam nader; „maar zeg mij, waar gaat de weg naar Smolensko?”
„Daar langs; tweehonderd treden van hier is de groote weg.”
„Geloofd zij Jezus en Maria! En hoe ver is het nog?”
„Vier uren.”
„Zwerven er kozakken op den weg?”
„Neen, zoover ik weet.”
„Barmhartige God! Zoo wilt Gij mij dan toch nog redden?” Met deze woorden zonk de krijgsman op de knieën, sloeg zijne blikken dankbaar naar den hemel en groote tranen rolden langs zijne wangen.—„Hier, vriend, neem,” zeide hij een oogenblik daarna en trad met een stuk brood in de hand op Bernard toe; „gij hebt mij verkwikt, ik wil u ook verkwikken. Neem, en hier is ook te drinken!” Tegelijk trok hij eene flesch brandewijn uit zijn zak en reikte haar Bernard toe.
„Zoo zal het dan toch niet hier ten einde zijn,” sprak deze bewogen. „Ik dank u vriend, gij zijt mijn redder.”
„En gij de mijne.”
„Doch, vanwaar komt gij daar uit het bosch?”
„Zevenmaal uit de kaken der hel,” hernam de gevraagde en zette zich naast Bernard neder. „Eergisteren dreef de honger mij met vele andere kameraden uit de gelederen van het regiment, om in de dorpen naar eten te zoeken. Daar stortte opeens, midden in het woud, een zwerm boeren op ons af en sloegen neder en vermoordden al wat zij vonden. Wij stoven naar alle zijden uiteen; daar kwamen ook kozakken aan en joegen ons met hunne kleine, vlugge paarden, als een herdershond de verstrooide schapen voor zich uit, om ons den woedenden boeren in handen te drijven.
„Doch hun eerste moordlust was voldaan, zij dreven ons met knods en knuppelslagen op een hoop bijeen, koppelden ons aan elkander als jachthonden en stuwden ons zoo voor zich uit. Wij meenden, dat zij medelijden met ons hadden en ons als gevangenen wilden medevoeren. Doch het was eene dwaling. Nadat wij in een twee uur van denweg gelegen dorp waren aangekomen, schudden zij ons zoo uit, dat wij half naakt in de grimmige koude stonden en de tanden ons klapperend op elkander stieten. Zoo sloten zij ons allen te gader in de kerk op. Wij kropen dicht opeen en zochten ons aldus te verwarmen. Doch het duurde niet lang, of er werden twee van ons naar buiten gehaald. Spoedig daarop hoorden wij schieten, doch enkele schoten met lange tusschenpoozen, en na ieder schot vervulde een wild geschreeuw en gebrul de lucht. Eerst konden wij niet begrijpen, wat dit beteekende; doch toen ik met behulp van eenige kameraden tot een klein venster opgeklauterd was, zag ik, dat—bij den duivel, kameraad, de woede klemt mij nu nog de tanden op elkander—ik zag, dat zij onze kameraden aan een boom gebonden hadden en als naar de schijf op hen schoten.”
Bernard verbleekte.
„Ik hield mij goed en verried niets, want te helpen was er toch niet meer. „Zij schieten naar het wit, dat is alles,” zeide ik eenvoudig weg, doch binnen in mij kookte het als eene zee.—De deur ging weer open en nogmaals voerden de bloedhonden twee slachtoffers naar buiten. Ik zweeg, daar het reeds donker werd, en ik hoopte, ons in den nacht te zullen redden. Inderdaad waren dit de laatsten van ons, welke moesten bloeden. In den nacht braken wij de deur die naar den toren leidde, open en het gelukte ons, ons aan het klokketouw in stilte naar beneden te laten. De schildwacht voor de kerk was ingeslapen. Ik stiet hem zijne eigen sabel in het hart, dat de kerel zich niet meer roerde. Thans wierp ik den pels van den Rus om, nam zijne wapenen en ging daarmede naar het wachthuis aan het eind van het dorp. Mijne kameraden liet ik stil volgen. Hier lag alles snorkend en bezopen door elkander, boeren en kozakken. De mantels en pelzen hadden zij op een hoop geworpen, want er heerschte eene verstikkende hitte in de kamer. In den hoek stond ook eene mand met brood, en brandewijnflesschen, gedeeltelijk vol, gedeeltelijk ledig, lagen overal in het rond. Eerst was ik slechts van gedachte geweest, uit wraak voor de vermoorden het gansche gebouw in brand te steken; doch daar de gelegenheid nu gunstig was, haalde ik nog drie kameraden en toen pakten wij zoovele kleederen en levensmiddelen bijeen, als wij konden, en droegen ze naar buiten. Vliegend slopen wij met onzen rijkdom naar het nabijgelegen hout, hielden eene eerlijke deeling en kleedden ons aan. Nu zochten wij een goed heenkomen. Doch de boeren moeten onze vlucht ras bemerkt hebben, want opeens waren zij vlak achter ons. Alles liep, ieder vluchtte, waarheen het toeval hem leidde. Mij gelukte het, een dicht bosch te bereiken, waar ik mij verborg, tot alles stil was. Daarop sloop ik voorzichtig voort, zooveel mogelijk naar den grooten weg toe. Zoolang het donker was, ging het goed; maar bij dag scheen het bosch te leven van het russisch roofgebroed, en ik moest schuin en dwars door bosch en veld, voor- en achterwaarts, om hun te ontgaan. Een uur geleden waren zij mij nog op de hielen. Zoo was ik geheel verdwaald en ik vreesde reeds den grooten weg niet te zullen bereiken. Nu echter hoop ik met God nog dezen nacht te Smolensko te komen. Dan wil ik in het gelid blijven en liever bezwijken van honger en pijn en eerlijk als een soldaat sterven, dan nog eens in de handen dezer wilde beesten vallen! Ik ben geen lafaard; maar geslacht te worden is toch een afgrijselijke dood, en een soldaat wil toch niet gaarne sterven als een moordenaar. Denkt gij dat ook niet?”
Bernard, door het voedsel gesterkt, door het verhaal dezer slingeringen tusschen redding en ondergang opgewakkerd, had in dit oogenblik zijne hoop weder teruggekregen. „Waarlijk niet, kameraad!” riep hij. „Doch daarvan behoeft ook nog niets te komen.Gij zult uw doel bereiken en ik het mijne. In den tegenwoordigen tijd, nu iedere minuut gevaarlijk is, mag men den moed niet opgeven, al had de dood ook iemand reeds bij den kraag gepakt. Men laat hem den mantel en scheurt zich toch weder los.”
„Zoo is het! Leve de moed!—Maar wat zegt gij daar van uw doel? Waar wilt gij heen? Niet vooruit?”
„Neen!”
„Terug? In dit duivelsland weder terug? Zijt gij bij uw verstand?”
„Mij is de dood hier gewisser dan daar.”
„Hoezoo?”
Bernard bedacht zich een oogenblik; daarop verhaalde hij zijnen vriend in den nood, in de overtuiging, dat dit eerlijke soldatenhart hem niet verraden zou, openhartig den samenhang zijner geschiedenis.
„Vervloekt gebroed! Vee van den duivel, dit schrijversgoed!” vloekte de ruwe, eerlijke soldaat, toen Bernard zijn verhaal geëindigd had. „Maar dat mag u geen zorg baren. Daarheen dreigt u bij iederen tred gevaar, want de boeren zijn woedend en liggen als boschnegers achter de zwarte dennestruiken. Een enkel persoon komt er niet door. Daarom raad ik u, kom meê naar Smolensko. Wie kent u? Trek mijn pels aan, wanneer wij de poort binnenmarcheeren en bind u een doek om het gezicht. Wat vraagt tegenwoordig de een naar den ander? Ieder heeft genoeg met zich zelf te doen. Hebben wij, God beter 't, niet duizenden van achterblijvers? Kom, als een man, ga met mij! Ik zal u in lief en leed bijstaan, zoowaar ikJean Lacosteheet en uit Normandië ben! Kom, laten wij gaan. Het wordt donker, wij hebben gerust, en hoe nader aan Frankrijk, hoe beter!”
Bernard overlegde. Hij had het neerdrukkend gewicht van geheele eenzaamheid en hulpeloosheid nog pas te diep gevoeld, om niet met onweerstaanbaar geweld tot het besluit gedrongen te worden, nood en gevaar weder met een kameraad vereenigd te dragen. Eén dag hoopte hij zich toch wel in Smolensko te kunnen verbergen en den volgenden moest Rasinski er weder terugkomen. Misschien vernam hij ook iets aangaande Lodewijks lot.—Kortom, hij besloot, zijn lot aan dat van zijn nieuwen makker te verbinden.
Zij braken op en wandelden met elkander in gesprek voort. Opeens hoorden zij den toon eener schelle fluit uit het bosch. Bernard hoorde verwonderd op;Lacosteechter pakte hem bij den arm, trok hem ras voorwaarts en riep: „Loop, loop, wat uwe beenen kunnen. Zij zijn ons, God bewaar ons! al weer op de hielen.”
Onwillekeurig volgde Bernard den haastigen tred van zijn makker, ofschoon hij aan de nabijheid van het gevaar nog niet gelooven wilde, daar hij tot hiertoe nog geen sporen van zulk een vijandelijken aanval ontmoet had.
„Wanneer wij eerst maar ginds dien hoek om zijn,” meendeLacosteonder het loopen, „dan kunnen wij ons dadelijk links in het bosch werpen, maar hier is, helaas! op geen drie honderd passen een bosch te zien, en op de sneeuw ziet men ons, niettegenstaande de invallende duisternis, veel te ver.”
Het fluiten werd thans herhaald en van de andere zijde van den weg beantwoord.
„Het is waarachtig, alsof wij in Calabrië waren en een rot bandieten ons wil overvallen,” zeideLacoste. „Maar deze kerels zijn erger! Ik zie liever een dozijn wolven met open kaken achter mij aanjagen, dan dat ik een kozakkenpaard achter mijn rug hoor.—Maar begint daar ginds het bosch niet te leven?—Roert het zich daar niet als in een mierennest?”
„Gij dwaalt vriend,” hernam Bernard, „het blijft alles doodstil.”
„Het is schande, bang te wezen,” bromdeLacostewrevelig in zich zelven; „maar ik kan niet loochenen, dat ik het ben. Waar volstrekt niets, niet eenmaal eer te winnen, maar wel alles te verliezen is, daar tast het mij toch een beetje koud naar het hart, en ik begin te zien, wat ik mij inbeeld. Dat komt, doordien ik het vervloekte gebroed heden reeds zesmaal ten minste zoo uit de struiken heb zien uitkruipen als dauwpieren uit de aarde, wanneer het geonweerd heeft. Ik verbeeld mij, achter iederen boomstam een boer te zien. Nu, Goddank, wij zijn om den hoek. Laat ons hier ter zijde af in het bosch gaan, wij kunnen evenwel de richting van den weg volgen.”
Toen zij zich veilig rekenden, begonnen zij langzamer te gaan.
„Kameraad, gij hebt daar een gouden ring aan uw vinger; pas op, dat hij u niet te eng is,” begonLacostena eenige minuten; „ik heb gezien, hoe zij mijn kapitein, die zijn trouwring droeg, koelbloedig den vinger afsneden, omdat de ring niet dadelijk over den knokkel wilde. Men weet niet, wat er gebeuren kan; smijt het ding daarom liever weg of verberg het.”
De gedachte, dat hij den ring, die voor hem eene zoo wonderbare beteekenis had, verliezen kon, viel Bernard zwaar op het hart.
„Wegwerpen,” zeide hij, „kan ik hem niet, want hij is mij onuitsprekelijk dierbaar; en waar zou ik hem verbergen, dat de roofzucht hem niet vinden kan?”
„Daar is misschien nog kans toe. Gij hebt zwaar, lang haar, daar laat hij zich misschien wegstoppen. Komaan, ik wil u hem er inknoopen; op eene nette frisuur komt het thans zoo niet aan.”
Bernard trok den ring van den vinger enLacosteknoopte dien, terwijl hij een bundeltje haren door de opening stak en toen een knoop om den ring sloeg in Bernards lange lokken vast.
„Maar is hij wel goed bewaard? Zal hij niet verloren gaan?” vroeg deze bezorgd.
„Wanneer gij de lok, waaraan hij hangt, niet uittrekt, zekerlijk niet, en die is zoo diep verborgen, dat een raaf haar niet ontdekken zou. 't Is waar, de vingers der kozakken zijn.... Duivelsch! St!—In Gods naam stil! Hoort gij niets?” viel hij, opeens stilstaande en den vinger op den mond leggende, met bijna onhoorbare stem zich zelf in de rede.
Bernard schudde het hoofd.—Doch spoedig daarop vernam hij inderdaad een dof gerucht, alsof verscheidene menschen van verre in gesprek naderden.
„Er komen menschen aan,” fluisterdeLacoste; „geen tred van de plaats! Misschien gaan zij ons voorbij.”
Met deze woorden kroop hij in de dichte struiken en Bernard volgde zijn voorbeeld.
Nauwelijks hadden zij hunne schuilplaatsen bereikt, toen reeds een troep van tien of twaalf, met pieken gewapende boeren zichtbaar werd. Het hart sloeg den beiden vluchtenden hoorbaar in de borst. Zij hoopten nochtans, dat de schemering en de struiken hen zouden verbergen. Daar sloeg plotseling een hond aan; hij kwam snuffelend door de sneeuw en bleef blaffend voor het boschje staan. De boeren luisterden en zagen om.
„Thans helpt ons niets meer dan de vlucht;gij links, ik rechts!” riepLacoste, „om hen te verdeelen,” en in hetzelfde oogenblik deed hij ook reeds een sprong uit het boschje en liep, wat zijne beenen konden, dieper het bosch in. De hond volgde zijn spoor met luid blaffen. Bernard, den raad van zijn vluggen makker volgende, sloegeven snel een anderen weg in. Zonder om te zien ijlde hij door de diepe sneeuw en de dichte struiken voorwaarts, tot hem de adem begaf. Thans stond hij stil en zag vorschend en luisterend rond. Alles was stil als het graf. Hij hoorde noch menschenstemmen, noch blaffen meer; alleen het huiveringwekkend ruischen van den nachtwind floot door de hooge toppen der boomen. Behoedzaam waagde hij zich weder in de richting van Smolensko, wijl hij daar zijn lotgenoot in het ongeluk hoopte aan te treffen. Spoedig vond hij zijn eigen spoor in de sneeuw terug. Dit volgde hij voorzichtig, ieder oogenblik luisterende, of er ook vijanden in de buurt waren. Doch het bosch was als uitgestorven. Het spoor bracht hem na een kwartier op de plaats, vanwaar zij gevlucht waren. Tot zijne vreugde ontdekte hij nu de sporen vanLacosteen durfde hopen, hem te vinden. Hij volgde ze; spoedig zag hij ze tot zijn leedwezen met vele anderen vermengd, een teeken, dat men den armen man hevig vervolgd had. Nog een eindweegs liepen zij in het bosch voort, dan hielden zij op en namen eene andere richting. Besluiteloos stond Bernard stil en overlegde, of hij het durfde wagen, hen ook het bosch uit naar den open weg te volgen. Hij onderzocht, of niet misschienLacoste'svoetstappen van deze geweldig doorwoelde plaats alleen het bosch verder inleidden. Doch hij vond er geen teeken van. „Zoo is de ongelukkige dan toch in handen zijner gruwzame vijanden gevallen?” Eene inwendige stem zeide Bernard, dat hij hem, die zijn redder was geweest, niet mocht verlaten, maar hem ten minste nog zooverre moest nasporen, als het, zonder zich zelf al te veel bloot te geven, geschieden kon. Daarop volgde hij de voetstappen, die naar den weg voerden, doch met omzichtigheid en ieder oogenblik scherp luisterende. Daar scheen het hem, alsof hij een zacht gesteun hoorde. Hij bleef staan en luisterde. Inderdaad, het herhaalde zich. Hij bedroog zich niet, er moest een levend wezen in de nabijheid zijn. Met vooruitgestoken hals ging hij op het geluid af; nu vernam hij het kermen naast zich, doch hij zag niemand op den grond liggen. De sneeuw was door vele voetstappen vertrapt; een zware den stond weinige schreden zijwaarts. Van daar kwam het gekreun; Bernard ging om den boom rond, welke aan de andere zijde vrijer stond; doch met een onwillekeurigen uitroep van ontzetting deinsde hij terug, toen hij in het halve licht der sneeuw en der schemering een bloedig, half naakt menschelijk lichaam zag, dat aan den boom scheen gebonden te zijn. Huiverend, doch zich zelf beheerschend, trad hij nader. Daar zag hij tot zijne ontzetting, dat de ongelukkige aan den stamgespietstwas, en toen hij hem in het gezicht zag, herkende hij zijn makker en redder.
„Almachtige God!” riep hij uit en had moeite, om zich op zijne beenen staande te houden. „Leeft gij nog, vriend? Kan ik u redden?” De stervende bewoog even het hoofd, ten teeken, dat hij den makker herkende; doch hij kon niet spreken. Zelf sidderend, doch het moest zoo zijn, vatte Bernard de afgebroken schacht eener piek, die den ongelukkige door den schouder geboord was, en trok haar uit. Doch een tweede ijzer was door de lendenen gepriemd, en wilde eerst voor al zijne kracht niet wijken; eindelijk gelukte het hem, ook dit er uit te trekken. Toen zonk de verloste mat ineen. Bernard ving hem op in zijne armen en liet hem zachtjes, met den rug tegen den boomstam, op den grond nederglijden. Twee malen nog haalde de ongelukkige diep adem, toen zeeg zijn hoofd op zijne borst neder en was zijn lijden geëindigd.
Bernard hield hem nog lang aan zijn hart en luisterde of het gevloden leven niet terugkeerde; te vergeefs. Het was geen droefheid, die hem vervulde; het was de doffe bedwelming der ontzetting. Het lijk op zijn knie houdende, zag hij strak voorzich heen; geen traan drong in zijn oog, hij liet geen zucht hooren. Het was stil als het graf; zelfs de wind ruischte niet meer door de dennen. Donkere wolken legerden zich zwart en onbewegelijk aan den hemel. Daar fladderden twee raven nader en klapwiekten om den top van den hoogen den, als wachtten zij reeds op hun buit.
„Gij zult ten minste het lijk niet misvormen,” zeide Bernard en stond op. Met zijn stok en zijne eigene handen en voeten maakte hij eene breede groeve onder den denneboom in de sneeuw. Daarop schikte hij de haren en kleederen van het lijk. Toen hij het hemd wilde toeknoopen schramde hij zich aan eene speld. Hij voelde, wat het was, en ontdekte, dat de soldaat zijn hoogsten schat, het kruis van het legioen van eer, van binnen in zijn hemd met eene speld had vastgestoken. „Gij zult het graf van den dapperen versieren, al zoude ook nooit weer een mensch hier voorbijgaan.”
Met deze woorden legde hij het lijk in het koude graf en wentelde hooge sneeuwhoopen daarop, tot zij een witten, vasten heuvel vormden. Met hetzelfde ijzer der piek, dat den doode de schouders doorboord had, hechtte hij daarop lint en kruis aan den stam van den denneboom, zoodat het eereteeken boven het graf schitterde.
Met gekruiste armen stond Bernard voor den sneeuwheuvel. „Rust zacht onder dit koude kleed, tot de lente het oplicht, en kruit en bloemen over uw gebeente uitspruiten!—Gij hebt een duurzamer gedenkteeken verdiend! Neem dit voor lief! Hier wordt het niemand beter aangeboden!—Vaarwel!”—Hij keerde zich om. Dieper en dieper ging hij het bosch in, vast besloten, zijne laatste krachten aan zijne redding te wagen, doch overtuigd, dat het te vergeefs zoude zijn.
Terwijl Lodewijk en zijne medegevangenen door het bosch gevoerd werden, zag hij met zorgvolle blikken om zich heen, of hij Bernard niet ontdekte. Hij wist nauwelijks, of hij hopen of vreezen moest hem te zien. Het zoude een onbeschrijfelijke troost voor hem geweest zijn, wanneer hij zijn leed in gezelschap van zijn vriend had mogen dragen, doch zijne edele ziel verzette zich tegen de geringste opwelling dezer zelfzucht. Hij koesterde de geheime, ofschoon zwakke hoop, dat Bernard gelukkiger in zijne onderneming mocht geweest zijn en spoedig Rasinski en de vrienden mocht bereikt hebben.
Na eene wandeling van een uur bereikte men een open plaats, die echter rondom door het bosch was ingesloten. Hier brandden hooge nachtvuren, om welke talrijke zwermen gewapende landlieden lagen. Met verwondering zag Lodewijk ook vele vrouwen, die de algemeene haat tegen den vijand van hare vreedzame werkzaamheid afgerukt en midden in het krijgsgewoel der mannen gevoerd had. Eenigen maakten het eten gereed, anderen poetsten geweren, eene andere zag hij een gewonde verbinden.
Eerst scheen men op de aankomenden niet bijzonder veel acht te slaan. Toen men echter de gevangenen, die zij medebrachten, in het oog kreeg, stroomde alles nieuwsgierig toe, om de ongelukkigen op te nemen. De wanhoop in de gelaatstrekken van dezen stak schrikkelijk af tegen de uitdrukking van hoon en woeste vreugde bij de overwinnaars. Lodewijk had al zijne kracht noodig, om zijne mannelijke bedaardheid te bewaren. De toevallige omstandigheid, dat hij niet van zijne kleederen beroofd was, gelijk de overigen, maar, nog in een warmen mantel gehuld, ten minste niet van koudebehoefde te beven, kwam hem daarbij zeer te stade. Hij wekte daardoor nochtans ook de roofzucht der aandringende vijanden op, wier voornemens hij uit hunne gebaren en hun immer luider wordend gemompel raden kon. Eindelijk trad een baardig kozak, waarschijnlijk vermeenende, dat hij boven de anderen iets vooruit had, op hem toe en wilde hem de muts van het hoofd nemen. Lodewijk trad onwillekeurig een tred achteruit en weerde den Rus met de hand af. Daar hief deze toornig zijn knuppel, die wel eene knods geleek, tot een verschrikkelijken slag omhoog. Zonder twijfel zou hij Lodewijks hoofd verpletterd hebben; doch opeens klonk de luide kreet eener vrouwelijke stem en in hetzelfde oogenblik trad eene edele, in kostbaar pelswerk gehulde gedaante, doch met gesluierd gelaat, door de rijen der omstanders en hield den opgeheven arm van den Rus tegen.
Toornig wendde deze zich om; doch toen hij zag, wie zijne hand tegenhield, veranderde zijn toorn in de diepste onderdanigheid en trad hij met eerbiedige buigingen terug.
Lodewijk was door het wonder dezer nieuwe redding, die met de snelheid van een oogwenk plaats had, als bedwelmd; hij hechtte zijne blikken op zijne redster, maar kon geen woord van dank of erkentenis uitbrengen. Zij stond, zelve geheel van schrik verbijsterd, uit het diepst van haar boezem met moeite ademhalend, nauwelijks in staat zich staande te houden, vóór hem en sloeg de handen als ware het tot een dankgebed samen. Eindelijk sloeg zij den sluier terug, terwijl zij met eene bevende, onbeschrijfelijk roerende stem zeide: „Kent gij mij?”
Alsof eene hemelsche verschijning, een reddende engel des Almachtigen, plotseling in stralenglans voor hem was getreden, zonk Lodewijk, zich zelf niet meer meester, voor de ontsluierde op de knieën. Het was Bianca.
Bevend vatte hij hare hand; hij boog zijn hoofd, zijne tranen stroomden—hij meende in deze overmaat van zaligheid zijn leven te eindigen.
„Zoo kon ik u dan toch dankbaar zijn!” zeide zij en hief het blauwe, in tranen zwemmende oog ten hemel. „O, almachtige Vader, Uwe hand stuurde mijne schreden!—Wanneer ik te laat ware gekomen!”
De omstanders staarden de groep met sprakelooze verwondering aan.
„Wat beteekent dat?” vroeg opeens eene ruwe mannenstem. Lodewijk ontwaakte uit zijne bedwelming en sprong op.
Een ruiter was den kring binnengereden; het fraaie paard en zijne rijke kleeding verrieden den aanvoerder.
Het was graaf Dolgorow.
„O, mijn vader!” riep Bianca op hartstochtelijken toon, „zie hier onzen redder!”
„Wie? waar?” vroeg de graaf en wierp een doordringenden blik op Lodewijk. Doch opeens brak hij zijne verwondering af door den uitroep: „Gij hier? ellendeling!” en met één sprong was hij van het paard af en drong in de rijen der gevangenen door, omBeaucaire, wiens knieën van koude en schrik knikten naar voren te sleuren.
Dolgorow, wiens borst door wraak sneller werd ontgloeid dan door dankbaarheid, vergat deze om gene te bevredigen! In Engeland en Italië, waar hij zich in gewichtige, maar gevaarlijke diplomatieke betrekkingen had bevonden, wasBeaucairezijn secretaris en geheime agent geweest. Toen de oorlog in het jaar 1812 uitbrak, en Napoleon de engelsche en russische agenten in alle landen op het ijverigst deed opsporen, waren ook Dolgorows bemoeiingen bekend geworden. Hij moest uit Rome overhaast en vermomd vluchten.Beaucairebekwam een pas als duitsche graafWallersheim.Feodorowna ging, onder den naam van Bianca, voor zijne zuster door. Dolgorow zelf werd voor eene oude bediende, zijne vrouw voor de gouvernante der jonge gravin uitgegeven. Zoo aanvaardden zij gezamenlijk de reis. Te Milaan dachtBeaucaire, die eene zinnelijke liefde voor de dochter des graven had opgevat, van de moeielijke omstandigheden alles te kunnen verkrijgen. Hij waagde voorstellen te doen, die Feodorowna met verstoordheid afwees en welke de woede haars vaders deden ontvlammen, ofschoon in zijn toorn het grootste gevaar lag. Hij mishandelde den schelm en stiet hem met smaad van zich; deze snelde heen om hem te verraden. Doch reeds had de graaf toebereidselen gemaakt, om zoo snel mogelijk te ontvluchten, terwijl hij zijn reisplan veranderde, daar hij, in plaats van over Verona naar Inspruck en Munchen, den weg over denSimploninsloeg. Daar ontmoette Lodewijk hem.—Redder en verrader waren thans tegelijk in zijne handen gevallen, en de laatste zou nu zijn loon ontvangen.
„Heilige God! Welke bestiering!” riep Feodorowna uit, toen haar oog op den ellendeling viel, dien Dolgorow, ondanks zijn tegenstreven, uit de sidderende menigte bij den strot naar zich toesleurde.
Beaucairekreeg haar thans ook in het oog, en met wanhopige inspanning rukte hij zich los en viel voor hare voeten neder. Krampachtig omvatte hij hare knieën en riep: „Erbarmen, gravin! Bid om genade voor mij! Slechts mijne razende liefde voor u was mijn verderf!”
Bianca beefde en sloeg een angstvollen, smeekenden blik tot haar vader op. Doch deze riep in gloeienden toorn:
„Pakt hem aan en werpt hem daar in de vlammen, opdat ieder Rus zie, hoe een verrader gestraft wordt.”
Bianca werd bleek als een marmeren beeld.Beaucairegilde luid en klemde zich in den angst der vertwijfeling aan hare knie vast, terwijl hij zijn hoofd in haar schoot trachtte te verbergen. Zij zou nedergestort zijn, zoo niet Lodewijk, ras ter hulp springend, haar had staande gehouden.
„Volvoert mijn bevel!” riep Dolgorow nog eens. „Scheurt hem van de vorstin weg!”
Op dit bevel pakten twee mannen, met woest gehuil uit den hoop te voorschijn springend, den vertwijfelende bij de haren; twee anderen grepen hem bij de voeten, een kozak trok zijn mes uit den gordel en gaf hem eene snede over de beide handen, waarmede hij Bianca's knieën omvat hield. Eerst toen de spieren vaneengereten waren, zonken zijne armen terug. Onder een gevaarlijk getier en gebrul der in woede ontvlamde menigte, werd hij half weggedragen, half voortgesleept. Zijn hartverscheurend jammeren drong door het tieren der barbaarsche schaar door, die, van wilde begeerte naar het afgrijselijk schouwspel ontvonkt, in eene zwarte massa hem nastormde.
„Bewaakt de overige gevangenen!” riep Dolgorow en ging met rassche schreden midden door de menigte, die eerbiedig voor hem week, naar de plaats toe, alwaar zijn vreeselijk bevel zoude volvoerd worden.
Bianca had haar hoofd tegen Lodewijks schouders geleund. Zijn hart werd gelijktijdig met schrik en zaligheid vervuld.—Thans klonk een woedend gebrul met verdubbelde kracht door de lucht. Tegen zijn wil trok het zijn oog naar de verschrikkelijke plaats heen.Beaucairewerd hoog opgeheven; zijn gelaat, doorverwardeharen omgeven, vertrok zich als door de pijniging der hel gefolterd. Hij sloeg wild met de bloedige stompen zijner handen om zich heen. Daar wierpen hem de woedenden voorover inden gloed; een gruwelijke kreet, die wijd door het bosch weerklonk, steeg op. Hij drong zelfs met ontzettend geweld tot Bianca's bedwelmde zinnen door; zij beefde en kromp ineen en drukte haar gelaat, om het te verbergen, aan Lodewijks borst. Afgrijzen beroofden dezen van beweging en spraak; nauwelijks kon hij zijn blik van het vreeselijk schouwspel af en naar de geliefde heen wenden, die aan zijn hart rustte.
Toen na het wild geraas eenige oogenblikken van akelige stilte volgden, ontwaakte Feodorowna uit hare verbijstering. Zij beefde schuw terug, toen haar oog op de schouwplaats der schrikkelijke daad viel. Haar hoofd afwendende, vielen hare blikken op Lodewijks edele, van schrik en medelijden diep bewogen trekken. Hier toefden ze met onuitsprekelijke innigheid. Aan hare lippen ontvlood het geheim des harten niet, dat zich in dit oogenblik voor het eerst aan haar zelve openbaarde; maar de schittering van haar oog verkondigde het. In Lodewijks borst vlamde het geloof aan de hooge beschikkingen der Voorzienigheid hoog op en een heerlijk bewustzijn doorgloeide zijn borst. Zij en geene andere was hem tot gezellin zijns levens toegedacht! Na den wonderlijksten loop hunner lotgevallen voerde de Voorzienigheid haar hem te gemoet. Hij waagde het, hare wenken te verklaren. Juist wilde hij zijne lippen openen. Daar trad Dolgorow, die van zijn bloedig rechterambt terugkeerde, tusschen hem en Feodorowna. Hij hechtte donkere, vorschende blikken op het gelaat zijner dochter; het scheen, alsof hij vermoedde, dat hare hevige ontroering door iets anders, dan door de zoo even volvoerde ontzettende straf des ellendelings was teweeggebracht.
„Prinses Ochalskoi!” sprak hij koel en op hoogen toon, „ik heb niet vergeten, wat wij dezen jongen man schuldig zijn. Mij dunkt echter, dat onze rekening vereffend is, daar ik hem als Ruslands vijand zie onder hen, die in het heiligdom van ons vaderland zijn ingebroken. Doch grootmoedigheid is de deugd der Russen.—Ik zal zorg dragen, jonkman, dat men u aan de uwen terugzendt; doch valt gij weder in onze handen, dan treft u het lot van al de overigen: de dood of eeuwige gevangenis in de mijnen van Siberië.”
Lodewijks trots ontwaakte; doch hij bedwong zich en hernam: „Wanneer gij mij naar het fransche leger terugzendt, dan is mijn dood zeker, en gij zelf zijt de oorzaak daarvan.”
„Hoe dat?” vroeg Dolgorow verwonderd.
„Wat ik op de italiaansche grenzen voor u gedaan heb, werd mij door de fransche bewindhebbers in mijn vaderland als eene des doods waardige misdaad aangerekend. Iedere weg tot ontvluchten was mij afgesneden; slechts om het geweld mijner willekeurige rechters te ontgaan, trad ik, op aanbieding van een edelen vriend, in de rijen van het leger. Dezen morgen zoude ik, door denzelfden ongelukkige vervolgd en verraden, die in dit oogenblik de straf zijner misdaad ontvangen heeft, den dood ondergaan. De overrompeling der uwen redde mij.Doch een dierbare vriend....”
Dolgorow viel hem in de rede. „Wanneer gij de waarheid spreekt, zijt gij gerechtvaardigd, en ik geloof u. In dit geval zult gij zorg dragen, vorstin, dat onze redder naar het slot gebracht worde. Solanow zal u begeleiden; mij houdt mijn plicht hier terug; maar ik volg u zoo spoedig mogelijk. Doch ga evenwel eerst de gravin hiervan onderrichten.”
Bianca gehoorzaamde en nam, door twee bedienden vergezeld, haar weg naar eene soort van hut, die achter de legervuren opgericht was. „Wij zien elkander spoedig weder,” zeide zij onder het gaan tot Lodewijk, terwijl zij neigend groette. Haar blikdrong diep in zijn hart; zij lachte smartelijk en vriendelijk tegelijk, en eene zachte verhevenheid, als van het gelaat eener heilige, straalde uit hare blikken.
Met bevenden eerbied boog hij het hoofd; toen hij het ophief, zag hij de edele gedaante, als de verschijning eens engels in een kring van wilden, door de rijen der zich eerbiedig buigende krijgslieden verdwijnen.
Ook Dolgorow wilde gaan, doch Lodewijk hield hem terug.
„Ik moet u nog om uwe bemiddeling voor een vriend verzoeken, die misschien even als ik in de handen der uwen gevallen is. Hij wilde mijn redder worden en laadde aldus den toorn der fransche geweldenaars op zich; hij wilde mijn noodlot overal met mij deelen en zoo sloeg hij denzelfden weg der redding in. Heden moest hij aan mijne zijde sterven, doch hij redde zich door de vlucht.”
„Wanneer hij in onze handen valt, zal hij bij u gebracht worden,” zeide Dolgorow; „maar hoe heet hij?”
„GraafLomondis de naam dien hij aannam, toen hij in dienst trad en welken hij zekerlijk ook nu nog voeren zal.”
„Ik zal het noodige omtrent hem bevelen.”
Een soldaat met grijze haren, van ongeveer zestig jaren, die eenrussischuniform en zijn baard op de wijze der Russen droeg, maar in den vorm van zijn gelaat een Duitscher geleek, naderde den graaf vol eerbied en deed hem diep buigend eene vraag.
„Ga uw gang,” hernam deze; „zoo gij denkt een landsman gevonden te hebben, Salonow, spreek hem dan aan.”
„O, mijnheer,” zoo wendde de oude zich thans in het duitsch tot Lodewijk, „vergeef mij eene vraag. Ik ben een Duitscher, maar sinds langen tijd buiten mijn vaderland. Ik geloof bij u eene gelijkenis op te merken. Heet gij misschienSternfels?”
„Hoe?” riep Lodewijk, hevig sidderend, met de uiterste verwondering, daar de oude den naam uitsprak, dien hij slechts door Maria's brief kende en nog nauwelijks waagde te voeren;„waarom?”
„Ik heb een duitschen heer van dien naam gediend,” antwoordde de oude bewogen; „hij is wel is waar lang dood, maar wanneer ik zijn evenbeeld voor mij zie, hoe....”
„Waar stierf hij?” riep Lodewijk, den grijsaard haastig in de rede vallende.
„De zee heeft hem verzwolgen. Wij zaten om een ongelukkigen twist in Parijs gevangen; doch het gelukte ons, naarHavrete ontvluchten en op een hollandsch schip te komen.”
„Wanneer?” vroeg Lodewijk, zich zelf nauwelijks meer meester.
„Voor achttien jaren.”
„Om een duel?”
„Ja.....”
„Dat was mijn vader!” riep Lodewijk en greep de handen van den grijsaard, die bevend, sprakeloos voor hem stond. „En wie zijt gij?”
„Een eenvoudig mensch, lieve heer,” zeide de oude, en tranen rolden over zijne wangen; „ik was slechts zijn rijknecht;Willhofenis mijn naam.”
„Brave, trouwe knecht!” riep Lodewijk. „En hier moet ik u vinden? En mijn vader is waarlijk dood?”
„Reeds lang! Wij leden schipbreuk op de Noordzee; de zee verslond de meesten. Eenigen, en daaronder ik, werden gered; de kapitein van een russisch schip nam ons op.” Hier zweeg de oude en gaf met een schuwen, zijdelingschen blik te kennen, dat hij niet durfde spreken. Lodewijk vermoedde het lot der ongelukkigen.
Dolgorow was intusschen naar de overige gevangenen toegetreden en had hen gemonsterd. Zij stonden sidderend in eene lange rij voor hem; de meesten waren jonge soldaten.
„Zijn er Duitschers onder u?” vroeg hij luid.
Lodewijk hoorde het en zag er heen; hij wachtte op het antwoord, daar hij gevoelde, dat het zijn plicht was, voor de redding zijner landslieden te pleiten. Het bleef stil.
„Solanow!” riep de graaf, en deze haastte zich te gehoorzamen. „Hier, deze lieden, welke ik u zal overgeven, moeten mede naar het jachtslot gevoerd en van daar verder gebracht worden. Zij zijn voor den arbeid bruikbaar. Voor de overigen heeft Rusland geen ander voedsel dan twee lood kruit.”
Er waren een en twintig gevangenen. Slechts een bleef er, als te oud om te arbeiden, achter, om den dood te ontvangen. Het wasSt. Luces.
Daar hij niet had verstaan, wat de graaf zeide, dacht hij, dat men aan zijne houding, zijn linnengoed en zijne hem nog overgebleven kleeding gezien had, dat hij tot een hoogeren stand behoorde. De bleeke schrik, welke sinds het lot vanBeaucairezijn gelaat overtogen had, week voor een schijn van hoop. Hij waagde het daarom thans, den graaf aan te spreken en zeide in het fransch:
„Ik hoop, mijnheer, aanspraak te kunnen maken op de wetten, welke alle volkeren zelfs in den oorlog eerbiedigen. Ik ben geen soldaat, maar behoor tot de burgerlijke administratie; mijn rang....”
„Gij zijt een Franschman, een, die het bloed en merg van alle volken uitzuigt,” hernam Dolgorow met dreigenden blik, „verachtelijker en afschuwelijker dan de soldaat; want die strijdt met bloote wapens, doch het uwe is vergif.”
„Men zoude,” trachtteSt. Lucesnog eenmaal zijne zaak te verdedigen, „mij zeer gaarne tegen gevangen officieren uitwisselen!”
„Gevangenen? Hebt gij dan ook gevangenen?” riep Dolgorow wild en vol hoon tegelijk. „In uwe bulletins staan er zekerlijk duizenden, maar waar kunt gij ze aanwijzen? En waaraan herinnert ge mij? Weten wij misschien niet, hoe uwe eervergeten rooversbenden met de weinigen, die haar in handen vielen, hebben omgegaan? Waant gij, dat wij ze niet gevonden hebben en gezien, hoe zij met verpletterden schedel de wegen bedekten? Hebben wij ze niet aangetroffen in kerken, stallen en schuren, waar de honger hen doodgemarteld had?—Weg met u! Wij zullen er nog genoeg vinden, tegen welke wij diegenen kunnen uitwisselen, die wijwillenuitwisselen.”
Ondertusschen had Solanow ofWillhofenden van angst sidderendenSt. Lucesnauwkeurig opgenomen. Hij sprak eenige woorden russisch tegen Dolgorow en vroeg toen den gevangene: „Hoe heet gij?”
„Ik ben de baronRumigny de St. Luces.”