„Rumigny!” riepWillhofenuit, en zijne trekken namen de uitdrukking van den woedendsten toorn aan. „Almachtige God, Uwe wraak sluimert niet!” riep hij met ten hemel geheven handen uit. „Ellendige, kent gij mij? Hebt gij vergeten, dat gij—doch halt, hier—zie hier heen! Kent gij dezen?”—Daarop liep hij op Lodewijk toe en trok hem met geweld tot dicht bijRumignyvoort, „Sternfelsis zijn naam! De dooden staan op om zich te wreken!—Deze is de moordenaar uws vaders, de moordenaar van den bravenWaldheim—doch thans is het uur der vergelding gekomen.”St. Lucesstaarde doodsbleek en met onbewegelijke blikken Lodewijk aan; hij beproefde te spreken, doch de stem begaf hem.Lodewijk was in het diepst zijner ziel getroffen door alles wat dit enkele uur hem had ontdekt. Een oogenblik bruiste ook in hem de toorn op; doch zijn edele aard wees dit gevoel spoedig af. Slechts medelijden vervulde zijne borst, toen hij den ellendige, van doodsangst en van gewetenswroeging gefolterde beschouwde. „Willhofen,” zeide hij tot den ouden bediende, „mij is de wraak, spreekt de Heer! Laat den Almachtige verder handelen—wij willen vergeven.”Willhofenhad tranen in de oogen; hij boog zich over Lodewijks hand en kuste die. „Een hart als zijn vader! Hij stierf voor zijn vriend—en ware ook voor zijn vijand gestorven.”Lodewijk wilde Dolgorow naderen, om een woord van genade voorSt. Luceste spreken; doch deze wees met strengen blik zijne bede af. „Hier heerscht de wet,” zeide hij ernstig. „Heeft de gevangene u onrecht gedaan, dan mag uwe vergiffenis hem daar boven helpen. Hier helpt zij hem niet.”Hij wenkte met de hand een kozak in zijne nabijheid en sprak eenige russische woorden. Dadelijk werdSt. Luces, wien de doodsangst alle krachten scheen ontroofd te hebben, weggeleid. Eenige minuten later vielen drie schoten. Lodewijk kon niet twijfelen, wien zij gegolden hadden.HOOFDSTUK V.Dolgorow steeg weder te paard, verzamelde bijna alle weerbare mannen en zette zich aan hun hoofd naar den grooten weg in beweging.Willhofenen vier landlieden met pieken bleven ter bewaking der gevangenen achter, welken men vergunde, zich aan de groote vuren te warmen; ook werd er eenig brood en brandewijn onder hen uitgedeeld. Lodewijks hart smachtte naar Bianca. Hij vroeg daarom aanWillhofen: „Wat zullen wij nu beginnen, lieve vriend? Welke zal mijne, welke uwe naaste bestemming wezen?”„Ik moet hier de bevelen der prinses afwachten, die daar bij de kranke gravin in de hut is,” antwoordde hij. „Zij zullen den terugkeer wel afwachten van hare slede, die gewonden naar het dorp gebracht heeft.”De benamingprinseshad Lodewijk getroffen. Hij vroeg: „Is dan de prinses niet de dochter van den graaf?”„Jawel,” hernamWillhofen, „en aan prins Ochalskoi, wiens lijfeigene ik ben, gehuwd.”„Gehuwd?” riep Lodewijk verbleekend.„Of liever gehuwd geweest,” voerWillhofenvoort; „want de prins is dood. Ik geloof, onder ons gezegd, dat het zelfs tot geen huwelijk gekomen is, want op den bruiloftsavond werd het slot door de Franschen overvallen en bestormd, en de prins ontving eene zware wonde, waaraan hij eindelijk te Moskou overleden is.”Lodewijk luisterde met gespannen aandacht toe.„Hier op deze plaats in het bosch heb ik hem een geruimen tijd in de struiken moeten verbergen, tot wij hem, met zijne jonge vrouw, in een wagen naar het jachtslot konden brengen.”„Hier, hier?” viel Lodewijk den sprekende in de rede, en een treffend gevoel bewoog zijne borst.„Juist hier; want het slot ligt nauwelijks een uur van hier; men kan het door het hooge hout niet zien. Daar over...”„Wanneer is de bestorming geschied?”„Den zeventienden Augustus; ik weet het nog, alsof het gisteren was.”„God van genade!”riep Lodewijk en wierp zich op de knieën. „Almachtige Bestuurder onzer dagen! Wie zal tegen U morren! Aan welke draden bestuurt Gij ons lot! Eeuwige, Oneindige! Neem mijn warmen dank en mijne tranen. Beproef mij nu, zoo hard en zwaar Gij wilt, ik zal nimmer vertwijfelen; geene ontmoediging zal mijne borst bewegen. Want wonderbaarlijk hebt Gij geheerscht en gewaakt.—Gij zult in Uwe heerlijke wijsheid alles voleindigen!”Willhofenbeschouwde den biddende met verwondering. Hij vermoedde geheime betrekkingen, doch waagde het niet, om er naar te vorschen.Toen Lodewijk opstond en in de hevigste gemoedsbeweging op en neder ging, tradWillhofentot hem en zeide, terwijl hij zijne hand vatte: „Dat is braaf, lieve heer; vroomheid is eene hooge deugd. Ook ik heb menigmaal innig tot den Heer gebeden en ik hoop ook, dat Hij mij zal verhooren. Hij heeft mij immers nu reeds uit het verre Azië, waar ik, vergeten door mijn vaderland, leefde, weder tot hier gevoerd, bij den zoon mijns dierbaren meesters. O, ik bid u, het schijnt, dat gij veel op graaf Dolgorow vermoogt, ik bid u dringend, verzoek mijne vrijheid van hem.”„Zekerlijk!” beloofde Lodewijk met een handslag. „Maar zeidet gij niet, dat gij een lijfeigene van den prins waart?”„Dat wel; doch de goederen zijn door het huwelijkscontrakt aan den graaf gekomen. O, wanneer het van de prinses afhing om mij de vrijheid te geven—dan had ik ze reeds lang. Maar den graaf Dolgorow heb ik er nog niet om durven vragen.”Een bediende kwam en sprak metWillhofen. „De gravin Dolgorow doet u tot zich roepen, lieve heer,” zeideWillhofen. „Volg dezen man slechts, hij zal u geleiden.”Lodewijk ging met een kloppend hart. De bediende geleidde hem naar de luchtig van dennetakken gebouwde hut. Bianca kwam hem halverwege te gemoet; zij was vriendelijk, doch eene stille zwaarmoedigheid lag over hare trekken verspreid.„Ik zal u bij mijne moeder brengen,” zeide zij met eene zachte stem. „Gij hebt haar reeds op onze vlucht uit Italië leeren kennen. Voel u slechts niet beleedigd door de misschien te koude, stijve ontvangst, welke gij lichtelijk bij haar vinden zult. In dit land kent men de zachtere zeden van Duitschland nog slechts weinig; hier geldt de rang alles; en de nationale hoogmoed en de haat tegen vreemden zijn in deze oogenblikken beide zoo hevig, dat de stem der warmste dankbaarheid zich nauwelijks kan verheffen.”„Dankbaarheid?” hernam Lodewijk. „Wie moet hier dankbaar zijn? Gij, wieik, nauwelijks wetende wat ik deed, een geringen dienst bewees, die het hoogste geluk mijns levens uitmaakte, of ik, die u alles te danken heb?”„Gij wildet de toevallige wederdiensten in rekening brengen?” zeide Feodorowna. „Misschien ook wel, dat gij thans, nu gij in onze handen zijt, niet op eene barbaarsche wijze vermoord zijt geworden, gelijk die andere rampzaligen?”„Zoude ik ook de waarschuwing moeten vergeten, welke ik in Moskou ontvangen heb?” antwoordde Lodewijk na eenig dralen.„Zoo hebt gij mij aan mijn teeken herkend?” vroeg Feodorowna met onuitsprekelijk liefdevollen blik.„Wat kon ik ooit vergeten, dat ik door u heb leeren kennen!” antwoordde hij koen.Een licht rood vloog over de bleeke wangen van het schoone gelaat; zij sloeg hare oogen neder en zeide zacht: „Ook mij zijn de uren, welke wij tezamen doorgebracht hebben, onvergetelijk gebleven. O, dat gij u zoo spoedig van ons losruktet!”„Meent gij, dat het mijn wil was?” riep Lodewijk uit. „O neen! dat kunt gij niet gelooven! Een vijandige demon voerde ons vaneen. Ik verdwaalde; te laat moet ik den oever derRhônebereikt hebben.”„Mijn vader drong ons, om ons te haasten,” viel hem Feodorowna in de rede. „Ik beproefde door een teeken...”„O, ik heb het gevonden,” sprak Lodewijk schielijk met eene stem, waaruit zijne ontroering sprak, nam hare hand en drukte ze aan zijne lippen. „Doch eerst den anderen morgen, na een met ronddwalen verloren nacht, schitterde het mij als eene star der hoop te gemoet. Nooit vergeet ik het oogenblik, toen ik dit lint rozenkleurig door het hout zag schemeren! Nog in dit uur draag ik het op mijn hart. Hier is het.”Tranen welden in hare schoone oogen op, toen zij dit liefdeteeken in de hand des beminden zag.„Wij sloegen dadelijk aan de andere zijde der rivier een gevaarlijk pad naar het hooge gebergte in,” zeide zij, terwijl ze te vergeefs hare aandoening zocht te beheerschen.„En ik meende u in het dal, over den St.Gotthard, het zekerste te zullen achterhalen. Zonder ophouden vorschte ik naar uw spoor, tot in Duitschland een ongelukkig blad mij...”„Heeft mijn afscheidswoord u aldus toch bereikt?” viel Feodorowna vroolijk in.„Het was de bitterste kelk, die mij ooit door eene aanminnige hand is toegereikt.”„Het lot heeft hem verzoet, wij willen dankbaar zijn,” hernam Feodorowna en eene vrome aandoening bewoog hare stem. „Ik geloofde niet, dat het ons ooit weder bijeen zou brengen; doch een hoogere hand bestuurt de draden, waaraan ons leven hangt.”„Waarlijk, eene wonderbaar bestierende macht!” riep Lodewijk door zijn gevoel overmeesterd uit. „O, zoo gij wist, hoe nabij ik u intusschen reeds geweest ben!”Bianca zag hem verwonderd aan. „In Moskou meent gij?”„Neen, niet verre van hier—ik was bij het bestormen van dat slot ginds.”„Gij zelf!” riep zij en zag hem met weifelende blikken aan. Toen hief zij oogen en handen ten hemel en sprak uit de volheid harer ziel:„O, Almachtige Vader in den hemel! Hoe kon ik ook slechts een oogenblik aan Uwe goedertierenheid twijfelen! O, gij weet niet,” keerde zij zich bewogen weder tot Lodewijk, „gij vermoedt niet, van welk rampzalig lot gij mij verlost hebt! Doch,” voer zij snel en zacht voort, „verzwijg om 's hemels wil, dat gij aandeel in den strijd van dien nacht hebt gehad; men zoude het u nimmer vergeven!”Onder deze gesprekken waren zij tot aan de hut gekomen.Feodorowna trad eerst binnen, Lodewijk volgde. Op een rustbed, in een pels gehuld, zag hij de gravin Dolgorow liggen, wier trekken, ofschoon de uitdrukking van ziekte en lijden ze veranderd had, hij dadelijk herkende. Zij zag hem niet met vriendelijkheid, doch met een gevoel van meerderheid aan. „Het verheugt mij,” zeide zij afgemeten, „dat wij u den dienst, dien gij ons in Italië gedaan hebt, thans hebben kunnen vergelden, ofschoon het mij leed doet, u onder hen aan te treffen, die den oorlog in ons vaderland hebben gebracht.”„Ik geloof, genadige gravin, mij desaangaande reeds gerechtvaardigd te hebben,” hernam Lodewijk met eenige fierheid.„Gij kunt thans gelegenheid vinden, de schuld van het lot te vereffenen. God heeft de legers der vijanden verslagen; het verderf komt op hen neder; de rechtvaardige zaak zegepraalt. Het hangt thans slechts van u af, deel aan den strijd te nemen.”Lodewijk zweeg eenige oogenblikken; toen antwoordde hij rustig en bedaard: „Gij zult mij vergunnen, u op dit voorstel een antwoord te geven, dat mijn besluit mag rechtvaardigen. Ik zelf houd de zaak van Rusland voor eene rechtvaardige; met inwendigen tegenzin heb ik aan den strijd deelgenomen. Ik deed niets meer, dan de eer van den man, den soldaat die zich eenmaal onder eene vaan geschaard heeft, van mij eischte. Als een enkel persoon konde ik den stroom der wereldgebeurtenissen niet beheerschen, noch dien wederstand bieden; dit spreekt mij van persoonlijke verantwoordelijkheid jegens dit land vrij. Misschien wenschte niemand in het geheele leger den oorlog; daarom zal ook het individu het algemeene onrecht noch ontgelden, noch behoeven te verdedigen, daar hij het niet kon verhoeden. Voor den edelen aanvoerder onder wiens bescherming ik mij begeven had, voor mijne trouwe, dierbare kameraden was mijne meening geen geheim. Doch zij eerden die en behandelden mij met zooveel bescheidenheid, dat zij mij van elken plicht zochten te verschoonen, die mijn hart had kunnen bezwaren. Ik moest er mij zelf tegen verzetten, om geene schandelijke verdenking op mijne eer, mijn mannenmoed te laden. Wat vriendschap en broederlijke liefde uit welwillendheid kunnen uitdenken, dat gewerd mij van mijne wapenbroeders. Thans zult gij, daarvan ben ik overtuigd, niet meer verlangen, dat ik hen trouweloos verraden en zelfs de wapenen tot hunne bestrijding opnemen zou. Dwong eene heilige verplichting jegens mijn eigen vaderland mij daartoe, dan moest ik zekerlijk gehoorzamen; en evenwel zou ik met nog zwaarder hart in zulk een strijd gaan, dan in dien tegen Rusland. Want, hoe de groote massa's ook tegenover elkander mogen staan, de enkele persoon treft slechts zijn eenen man, en ik zou het zwaard liever tegen mij zelf trekken, dan tegen die edele, getrouwe vrienden, met wie ik tot hiertoe gevaar en ongemak gedeeld heb.”De gravin scheen verstoord over Lodewijks vrije, standvastige weigering; doch in Feodorowna's oog gloeide eene heilige vreugde en aandoening over het edele gevoel van hem, tot wien haar hart haar met overweldigende macht heentrok.„De zaak van Rusland is ook die van uw vaderland. Zij is die van geheel Europa,” hernam de gravin na eenig nadenken; „doch ik voel mij te zwak, u dit thans overtuigend te bewijzen.—Gij zult ons naar een jachtslot, twee uren van hier, vergezellen; het ligt zoo diep in het bosch, dat het tegen elken vijandelijken aanval beveiligd is. Doch wij kunnen eerst tegen den avond opbreken, daar onze slede eenige zwaar gewonden naar een tamelijk ver van hier gelegen dorp brengt. Ondertusschen zullen onze bedienden zorg dragen, dat u niets ontbreke.”Bij deze woorden wenkte zij met de hand, als wilde zij Lodewijk beduiden, dat hij zich verwijderen kon. Doch Feodorowna viel, zichtbaar geërgerd over de koude, trotsche ontvangst, de gravin in de rede: „Die zorg zal ik zelve op mij nemen, dierbaarste moeder; de redder van ons leven mag ons niet ondankbaar vinden.”„Ik hoop, hij zal russische grootmoedigheid leeren kennen en waardeeren,” antwoordde de gravin trotsch en verdrietig. „Doch ik moet u bidden, mijne dochter, mij niet te veel alleen te laten, daar gij weet, dat ik uw bijstand in mijn toestand hier, waar wij ons ieder levensgenot moeten ontzeggen, noodzakelijk behoef.”Lodewijk boog zich en ging; doch Feodorowna volgde hem dadelijk.„Ik bezweer u, doe niets, wat u onaangenaamheden kan berokkenen,” zeide Lodewijk dringend, toen zij buiten de hut waren. „Het schoonst geluk heb ik immers verworven; wat kan men hoogers wenschen?”„O, gij verontschuldigt mij zoo goedaardig,” hernam Feodorowna;„maar ik moet ook mijne moeder verdedigen. Zij is met hare gansche ziel aan haar vaderland gehecht, en dit is ook de reden, waarom gij ons hier in dezen zonderlingen toestand aantreft. Zij wilde volstrekt—en hierin volgde zij niet alleen den wil mijns vaders—door hare tegenwoordigheid, door toespraak en hulp voor ongelukkigen en door den veel vermogenden invloed, welke aan hoogere standen zoo licht wordt, wanneer zij dien op deemoedige onderdanen willen uitoefenen, den moed en ijver der verzamelde volksmenigte aanvuren. Dezen plicht heeft zij met zulke, alle vrouwelijke krachten te boven gaande inspanning uitgeoefend, dat zij thans ziek en afgemat ter neder ligt en gedwongen is zich naar dat slot te begeven, waarheen wij, zoo ik hoop, spoedig zullen afrijden.”Hun gesprek werd daardoor gestoord, dat de grijsaard, die Lodewijks redder uit de handen zijner verbitterde vijanden geweest was, toen hij voor twee uren, aan den doodspaal gebonden, als een offer der volkswraak zoude gevallen zijn, uit het bosch trad. Het was Gregorius.„Wees gegroet, mijne dochter,” sprak hij Feodorowna in het russisch aan; „erbarmt gij u over dezen ongelukkige?”„Dezen eerwaardigen grijsaard,” riep Lodewijk, en vatte met een warm gevoel van dankbaarheid zijne hand, „heb ik eerst mijn leven en thans het grootste geluk te danken.”„Dus gij, vader Gregorius”, zeide Feodorowna bewogen, „hebt gij dezen getrouwen vriend, die eens de redder mijns vaders, mijner moeder en van mij zelve was—ach! hij is het tweemaal geweest—gij dus hebt hem behouden? Deze nieuwe schuld moet mijn hart u betalen?”„Lieve dochter,” hernam Gregorius vriendelijk, „het gebod des Heeren eischte slechts zijne redding. Hij was hulpeloos, onmachtig, gebonden, onze vijanden waren ook de zijne, en zoo behoorde hij tot ons. Mocht hij thans geheel een der onzen worden en het zwaard tegen de heiligschenners keeren, die door Gods wrekenden bliksem getroffen zijn.”Lodewijk zweeg, want hij verstond de in het russisch gesproken woorden niet; doch Feodorowna antwoordde snel: „Neen, mijn vader, laat ons dit niet vragen en niet van hem vorderen. Hoe zwaar zich de zijnen ook aan hem vergrepen hebben,hijmaggeenewraak aan hen uitoefenen, noch verrader worden van hen, die in één vaderland met hem wonen, ééne taal met hem spreken. Laat Ruslands heilige zaak aan zijne eigene zonen worden overgelaten! Zij zijn sterk genoeg om zich zelven genoegdoening en wraak te verschaffen. Het moet hun roem, hun naijverig streven zijn, geene vreemden deel te laten nemen aan een werk, dat zij zelven kunnen volbrengen. Daarom laat ons, mijn vader, de gevoelens van onzen gast jegens de zijnen eeren. U voert eene mij welkome bestiering mij te gemoet. U zij de vreemdeling ter verzorging aanbevolen; gij zult vaderlijk voor hem zorgen, tot ik om u zend. Deel uw maal, uw leger met hem, want gij ziet, hij is door harde rampen uitgeput. U geef ik hem over; en weet, dat uwe dochter hem als een broeder bemint—daarom zij hij u als een zoon.”Feodorowna sprak met warmen ijver. Gregorius reikte zijn gast de rechterhand, ten teeken, dat hij hem gaarne opnam, en sprak hem in het latijn aan.„Salve! Sis felix, quomodo mihi es exoptatus!”Lodewijk bemerkte nu eerst, dat hij een dienaar des Heeren voor zich had. Verheugd, een middel te vinden, om zich met hem te onderhouden, antwoordde hij hem:„Salve, mi pater! Gratias tibi ago ex intimo pectore, salvatori vitae meae! Sis felix, quomodo benignas es.”Feodorowna nam afscheid van Lodewijk en ging terug naar hare moeder. Hij volgde den eerwaardigen Gregorius, die hem naar eene andere hut geleidde, voor welke een groot vuur brandde. Met dank nam hij het maal aan, dat de grijsaard hem aanbood. Terwijl hij den eenvoudigen, maar versterkenden kost nuttigde, trad ookWillhofennader en zette zich op de welwillende uitnoodiging van Gregorius bij hen neder. Thans eerst had Lodewijk gelegenheid, naar zijn vader en de bediende, om naar Lodewijks moeder en hare lotgevallen te vernemen. Ach, zij konden beiden slechts van het verlorene spreken; maar evenwel vervulden deze herinneringen hunne zielen met een zoeten weemoed.Eéne zorg, één kommer slechts lag op Lodewijks hart: het lot van Bernard. Wel was de hoop in al hare bezielende kracht in hem ontwaakt, doch hij behoefde slechts een blik te slaan op hetgeen hem omringde, om zijne vrees weder even sterk te doen aangroeien.HOOFDSTUK VI.Het werd bijna volkomen nacht, eer Lodewijk weder iets van Feodorowna vernam. Hoe gaarne hij zich in het gezelschap van den eerwaardigen geestelijke bevond, die hem daarenboven nog een warmen pels geschonken had, en hoeveel hij door de vertellingen vanWillhofenvernam, dat zijne ziel diep ontroerde, toch sloeg zijn hart van onrustig verlangen naar zijne geliefde en vreesde hij ieder oogenblik, dat de hoop, van haar weder te zien, hem bedriegen moest. Eindelijk kwam er eene boodschap van haar: het verzoek, om zich gereed te maken tot het vertrek. Gregorius enWillhofenbegeleidden hem naar de hut, waar de slede met uitgeruste en afgevoerde paarden gereed stond. Spoedig kwamen de beide vrouwen buiten, dicht in pelzen en sluiers gewikkeld. De gravin werd ondersteund; zij was zichtbaar vermoeid. In het voorbijgaan groette zij Lodewijk door eene lichte beweging met het hoofd, Feodorowna daarentegen reikte haar vriend de hand en zeide: „In een paar uren zullen wij de rustplaats bereikt hebben; gij zult u, hoop ik, daarover verheugen.—Vergeef slechts, dat in onze slede ook geen plaats voor u is.”Lodewijk ried, wat het teeder gevoel van Feodorowna verontrustte, de omstandigheid namelijk, dat hij op de plaats van een bediende moest zitten. Voorkomend brak hij daarom hare woorden af, terwijl hij haar bij het instijgen hielp. „Mijn oog zal voor u zien en waken in dezen nacht; het is eene opdracht, die mij gelukkig maakt.” Met deze woorden sprong hij op de voorbank, waarWillhofenaan zijne zijde plaats nam.—De koetsier zette zich achter op en gafWillhofende teugels over; twee knechts reden te paard vooruit.Gregorius stak, nadat hij afscheid van de vrouwen had genomen, ook zijn jongen gast, welken hij spoedig lief gekregen had, de hand toe. Lodewijk drukte die met gevoel van warme dankbaarheid. Toen voer de slede als de wind heen. Men moestmidden door het bosch; het was wel zeer donker en de lucht betrokken, doch de sneeuw lichtte genoeg, om den weg te zien. Ondertusschen hield de vaste baan spoedig op en men moest in de diepe, losse sneeuw langzamer rijden.Het was alles stil in het rond. Slechts een hol gesuis, dat door de zwarte toppen der dennen streek, en het snuiven der paarden waren de geluiden, welke men in deze bevroren woestenij vernam.Lodewijk had thans den tijd, om een blik op de gebeurtenissen van den laatsten dag te werpen. Eene wereld van gebeurtenissen lag in dat korte tijdperk van gisteren tot heden. Zij waren elkander zoo snel opgevolgd, dat de eene door de andere verdrongen werd. De van alle zijden bestormde, ontroerde ziel werd opgehouden en gesteund door het evenwicht der op haar aanstormende machten; ééne alleen had haar zeker overweldigd, zoo niet geheel en al verpletterd.—Thans had hij het eerste oogenblik, waarin hij de verwarde gedaanten in orde kon schikken en ze een voor een voor zijn geest doen voorbijgaan. Het tegenwoordige en het verledene, het verre en het nabijzijnde lag voor zijn ziel; smart en vreugde, kommer en hoop grensden aan elkander. Zijn noodlot gaf hem het beeld van een landschap in den herfst, waar duistere wolkschaduwen naast helderen zonneschijn rusten en het groene en half verdorde loof zich op eene wonderlijke wijze vermengen.De geliefde, de verlorene is u nabij; de adem harer lippen beroert u, uwe hand kan haar bereiken! Zult gij haar echter ooit aan uw hart mogen drukken? Zal zich de ijzeren poort van het noodlot niet wederom met doffen donder voor het geopende paradijs sluiten, zoodat gij daarbuiten in de koude, eenzame duisternis zult vertwijfelen? En uw vriend! Uw trouwe, dierbare, onvergelijkelijke vriend! Heeft het donker lot, dat eene godheid van uw hoofd afwendde, hem getroffen? Of zal hem de dood hier in deze woestijn te beurt vallen? Moet hij eenzaam, huiverend, afscheid nemen van de gulden dagen des levens? Strekt zich geen troostende hand in de laatste bange minuten naar hem uit, om hem den bitteren kelk door zoete droppels van liefde te verzachten? O Almachtige! verscheur het hart niet, dat gij wilt zalig maken! Deze doodwonde heelt zelfs niet aan de borst der geliefde! Neen, neen! moet het voor dien prijs zijn, dan zinkt mijne door smart verlamde hand neder en ik kan den beker der zaligheid, welken Gij mij aanbiedt, niet aan mijne lippen brengen.„Het wordt recht donker,” zeideWillhofen. „Deze wouden zijn toch schrikkelijk.—Luister! Hoort gij den wolf? Hij huilt van den honger. Wanneer de wind hem de lucht van ons brengt, zal hij ons spoedig op het spoor zijn. Holla, jongens, daar vooruit, rijdt dicht bij ons! Hebt gij de buksen geladen?—Wij zouden ze noodig kunnen hebben.”Lodewijk zag met bezorgdheid achterom naar de vrouwen. Doch de nacht en de dichte sluiers, welke zij droegen, maakten het onmogelijk, hare trekken te onderscheiden en te zien, of zij zijne bezorgdheid deelden.„Is er gevaar?” vroeg hijWillhofenzacht.„Zelden, mijn waarde heer. Wees maar niet bang.”„Ik ben voor mij niet bezorgd; maar wij hebben vrouwen bij ons,” antwoordde Lodewijk.„Och, het is niets; wij hebben drie buksen en u geef ik mijn hartsvanger.—Hm! Er moet toch een heele troep bijeen zijn; hoor maar hoe zij huilen!”Men reed juist door de diepe, ongebaande sneeuw langzaam voort. De wind zweeg, daardoor kon men in de ademlooze stilte het geluid der hongerige roofdieren duidelijk vernemen.„De paarden rieken waarachtig ook hun vijand reeds,” zeideWillhofenzacht;„zie maar, hoe schuw zij den kop omdraaien en snuiven.—Paulowitsch en Stephanos,” riep hij den ruiters toe, „gebruikt uwe sporen, dat wij spoedig den hoek bij den grooten den bereiken. Daar loopt de weg zoover rechts, dat het vee misschien ons spoor verliest.”Hij sloeg met de zweep en dreef de paarden aan.—Spoedig daarop draaide de weg om een hoogen, ouden den, wiens stam den hoek maakte, op eenmaal rechts om. Toen de ruiters den hoek wilden omslaan, schrikten zij en hielden hunne paarden in.„Wat is er?” vroegWillhofen.„Hier ligt een mensch op den weg?” hernam de ruiter.„Waarachtig!” riepWillhofen, die juist tot aan den hoek gekomen was. „Dood of levend? Holla! antwoord!”„Hij verroert zich niet; het moet een lijk zijn. Wij willen het wegruimen, anders komen wij er met de slede niet voorbij.”Hij hield op en wilde Lodewijk de teugels geven; doch deze zeide: „Ik zal u helpen. Men moet toch eerst zien, of hij waarlijk dood is.”De koetsier nam de teugels. Lodewijk enWillhofenstegen af, om het lijk uit den weg te dragen.„Almachtige Godheid, het is Bernard!” riep Lodewijk uit, toen hij zich over het voorhoofd van den liggende voorover boog, om hem op te nemen. „Bernard, leeft gij? Wanneer er nog een ademtocht in u is, bezweer ik u, geef mij antwoord.”Hij knielde weenend bij den verstijfde neder,hief hem het hoofd op, steunde het tegen zijne borst en drukte vurige kussen op het koude, bleeke gelaat.„Wat is er?” vroeg de gravin ongeduldig.Feodorowna echter had den uitroep van haren vriend gehoord en snelde, van de lage slede afspringend, zelve naar de plaats. „Vindt gij een vriend hier?” vroeg zij met bevende stem, toen zij den hevigen angst van Lodewijk gewaar werd.„Een vriend! O, den eenigsten, dierbaarsten mijns levens!—En verstijfd—dood! O, mijn Bernard! Dat overleef ik niet.”„Misschien is er nog redding,” sprak Feodorowna bewogen; „wij willen het mogelijke beproeven.”Met deze woorden naderde zij en legde hare hand op het hart van den verstijfde. „Mij dunkt hij ademt nog,” zeide zij verheugd.„Neen, neen! Hij is dood—hij is weg!” riep Lodewijk, bijna buiten zich zelf. „Deze slag verplettert mijne borst! Neem mij mede met u, mijn Bernard; ik verlaat u ook zelfs niet in den dood!”Met krampachtigen angst klemde hij den vriend aan het hart en drukte zijne lippen op den kouden, bleeken mond van den verstijfde.„Wij willen den ongelukkige opnemen,” zeide Feodorowna op den toon van het diepste medelijden;„misschien keert het leven in hem terug, wanneer wij hem met warme kleederen bedekken. In een uur kunnen wij het slot bereiken, en dan zal geen middel onbeproefd blijven, om hem tot het leven terug te roepen.”Lodewijk was sprakeloos van smart; hij kon niets, dan Feodorowna's hand vatten en deze aan zijne lippen drukken. Zij trok die zacht terug. Haar hart bad tot den goeden hemelschen Vader, dat Hij de onuitsprekelijke smart van haren vriend mocht afwenden.Willhofenen Lodewijk namen den verstijfde op. Toen zij hem aan de slede brachten, vroeg de gravin: „Mijn God, wat is dat? Wat moet dat lijk hier?”„O mijne moeder,” bad Feodorowna, „het is een ongelukkige, in wiens boezem nog leven is. Misschien zijn wij in staat, hem te redden.”„Het kan niet zijn,” hernam de gravin heftig; „hoort gij de wolven niet? Wij zijn in gevaar, wij kunnen de slede niet meer beladen en ik zie ook geen plaats—met één woord, het is onmogelijk, het kan niet!—Maakt dat wij voorwaarts komen, ik beveel het.”Willhofenstond onzeker, wat te doen. Doch Lodewijk wierp zich voor Feodorowna's voeten neder en riep uit: „Bij al wat u heilig is, bezweer ik u, red mijn vriend, neem mijn leven daarvoor in de plaats.”„Mijne moeder!” riep Feodorowna met nadruk, „de menschelijkheid, het gebod der liefde....”„Dwaze! om een lijk mede te sleepen zullen wij, levenden, een buit der wolven worden? Neen, zeg ik, neen; ik beveel u spoed te maken. Terstond vooruit!”„Dan blijf ik hier,” riep Lodewijk buiten zich zelf, „tot de dood ook aan mijn rampvol leven een einde maakt.” Hij trok den verstijfde aan zijne borst, wikkelde hem in zijn pels en drukte hem vast aan zijne borst. „Mijn Bernard, gij, trouwste hart op de gansche aarde,” zeide hij en zijne tranen vloeiden zonder ophouden. „Thans komt de dag der vergelding, ik verlaat u niet. Aan mijne borst zult gij—moetgij weder ontwaken.”„Solanow, klim op!” beval de gravin met ziekelijke heftigheid. „Het kost u het leven, wanneer gij nog talmt! Laat hier blijven, wie wil!”„Moeder, moeder!” riep Feodorowna uit, terwijl zij hare hand vatte, „het geldt een menschenleven—het geldt dat van onzen redder!”„Die ons thans in het verderf wil storten,” viel de gravin in. „Kom bij mij, of ik laat u achter.”Men hoorde inderdaad het huilen der wolven al nader en nader. De bedienden waagden niet te gehoorzamen, noch tegen te spreken. Feodorowna was in een vreeselijke tweestrijd met zich zelve. „Welaan dan,” begon zij na eenige oogenblikken met fierheid, „dan moet ik beslissen. Moest ik tot mijn onuitsprekelijk lijden den naam van prinses Ochalskoi aannemen, dan zal die mij ten minste eenmaal tot heil verstrekken. Mij behooren deze paarden, deze lijfeigenen, gij kent uwe vorstin, uwe gebiedster. Bij uw leven gelast ik u thans, dezen hulpelooze niet achter te laten.”Zij stond in eene gebiedende, majestueuze houding voor de bedienden; toorn en verbazing boeiden der gravin de tong.„Haast u, red u met ons en uw vriend,” zeide Feodorowna thans tot den half bedwelmden Lodewijk. „Haast u!”Willhofensprong toe en hielp Bernard voor op de bank zetten, waar Lodewijk hem met zijn eigen pels bedekte en met zijne armen vast aan zich drukte.„Ik ga hier voor op den dissel zitten,” riep de brave knecht, „dan hebben wij alle drie plaats.” Op den zadel van den dissel springend, greep hij snel de teugels aan en riep: „Vooruit knapen!”De paarden, die, de nabijheid der woedende wolven ruikende, reeds angstig hadden staan trappelen en met hunne hoeven de sneeuw omwoelden, vlogen thans, alsof zij wisten, dat hunne redding er van afhing, als de wind vooruit. Pijlsnel ging de vaart door het donkere bosch; evenwel vernam men het gehuil der vervolgende roofdieren al nader en nader. Opeens kraakte en bewoog het zich in de takken en plotselingsprong een groote wolf met machtige sprongen uit de struiken, om zich voor de paarden te werpen en deze in den strot te grijpen. Doch de vluggeWillhofenhad dadelijk de buks in de hand en velde het dier neer op het oogenblik, dat het het schuw op zijde springend paard naar de keel wilde vliegen.„Die is betaald! Hij zal ons zijne huid niet schuldig blijven,” riep de schutter vroolijk, zonder bijzonder veel acht te slaan op het luide geschreeuw der gravin. „Paulowitsch, hebt gij geladen? Wees op uwe hoede!”Er vergingen eenige minuten, zonder dat een nieuwe vijand zich vertoonde. Het akelige gehuil scheen zwakker te worden.„Zij zijn schuw geworden,” zeideWillhofen, zich tot Lodewijk wendend, die echter, zijn vriend aan het hart houdende, nauwelijks bemerkt had, wat er voorgevallen was.—„Wees onbezorgd, genadige gravin en prinses,” zeide hij tot deze, „nu kunnen de beesten ons niets meer doen. In vijf minuten zijn wij uit het dichtste woud en dan is de baan zoo glad als een spiegel. Dan zal een zwaluw in hare vlucht ons niet inhalen.”Thans werd het bosch lichter; men kwam op eene, slechts door laag kreupelhout bedekte vlakte, ongeveer een kwartier breed. De slede vloog als een pijl uit een boog over de vastgereden baan heen. Aan de overzijde zwenkte men eene rechte doorgehouwen laan in, en na weinige minuten lag het jachtslot voor de oogen der reizenden.„Dat noem ik rijden!” riepWillhofen, toen hij voor de poortstilhield, waaruit reeds twee oude bedienden, door het klappen der zweep opmerkzaam gemaakt, met lantaarnen naar buiten waren gekomen. „Zie maar, hoe de paarden dampen! Van den grooten den tot hier nog geen twintig minuten, en dat half door de diepe sneeuw! En het zijn toch goed tien wersten.”Onder deze woorden was hij afgesprongen en had den koetsier de teugels overgegeven. De bedienden hielpen de vrouwen uit den wagen. Zwijgend, zonder te groeten, ging de gravin, op den arm van een der bedienden steunende, in het slot.Bianca beval dadelijk, voor Lodewijk en zijn vriend de meeste zorg te dragen. Daarop wendde zij zich met deze worden tot hem: „Hier zijt gijmijngast; dit slot behoortmij; wil de Hemel die groote smart van u afwenden, dan hoop ik, dat gij hier onbekommerde uren zult doorbrengen.”Lodewijk, die nog was blijven zitten, daar hij Bernard in den arm hield, wendde zich tot haar, toen zij sprak. Hare zachte stem vond ook nu nog den weg tot zijne ziel. „Engelachtig wezen,” begon hij—daar bewoog Bernard zich aan zijne borst en haalde diep adem. „Hij leeft!” riep Lodewijk, alles vergetend uit. „Algoede Hemel! Hij leeft! hij leeft!”Hopend en vreezend tegelijk, sloeg hij zijne armen om zijn vriend en beefde hevig.„Waar ben ik?” vroeg Bernard en sloeg de oogen op.„In mijne armen!” riep Lodewijk en zijn boezem klopte ademloos en dreigde vaneen te springen door overmaat van vreugde.Feodorowna hief hare oogen bewogen ten hemel. Ook voor haar vertoonde zich voor het eerst een schijn van hoop.Willhofenhielp den nog half bewust- en beweginglooze van de slede heffen en leidde hem, gezamenlijk met Lodewijk, in het voor dezen bestemde vertrek, waar zij hem op stoelen nederlegden. Daarop haastte de getrouwe knecht zich, om spoedig reddings- en versterkingsmiddelen te gaan halen.Hier kwam de herlevende weder tot zijne volle bewustheid. „Lodewijk,” riep hij uit,„zie ik u weder! Leeft gij, of zijn wij reeds aan de overzijde? Of was alles een droom?” En met eene warme omhelzing drukte hij den vriend aan zijn hart.„Wij leven! Een genadig besturende God heeft ons behoed.—O, gij zult nog andere wonderen zien.”Willhofentrad binnen met een warmen, door Feodorowna gereed gemaakten drank; een bediende bracht wollen dekens, om er den verstijfde in te wikkelen. „Dat is Goddank niet meer noodig,” riepWillhofen, toen hij zag, dat Bernard geheel tot leven en bewustzijn was teruggekeerd. „Doch hier, mijnheer, drink een weinig.—Dat zal u krachten geven.”Bernard bracht het glas aan zijne lippen. Weinige druppels gaven hem een nieuw levensgevoel; de macht der vreugde voleindigde het werk der genezing spoedig.„Kom,Ossip,” zeideWillhofentot den bediende, „wij zijn hier niet meer noodig en er is nog veel op andere plaatsen te doen.”Beiden vertrokken.„Broeder!” begon Bernard, toen zij alleen waren,„aan uwe borst hebt gij mij weder tot het leventeruggeroepen! Hier bezweer ik het u, bij de wonderbare wegen der Voorzienigheid, dat er geen droppel bloeds in mijn aderen is, die u niet behoort! Bij den Almachtige!” Hij hief zijne hand op; in zijne vermoeide trekken keerde de edele, alles trotseerende kracht terug, die als een veerkrachtig staal te sterker opsprong, naarmate de druk des noodlots haar harder dreigde samen te persen.—„Doch, nu, vertel mij,” sprak hij. „Waar zijn wij? Hoe zijn wij ontkomen? Wat mij betreft, mij is, buiten eene gruwelijke geschiedenis, waardoor mij letterlijk het leven van binnen bevroren is, want anders, dat gevoel ik nu, zoude de koude mij nog niet overweldigd hebben, niets ontmoet, dan dat ik in het bosch heb rondgedwaald. Maar u?”Juist wilde Lodewijk spreken, toen de deur geopend werd en Feodorowna met opgeslagen sluier, in rouwgewaad, binnentrad. Een armblaker, die op eene tafel naast de deur stond, wierp een helder licht op hare edele, door de vreugde zacht gekleurde gelaatstrekken. „Zie daar onze redster,” zeide Lodewijk en wees op de binnentredende.„Uw vriend leeft? De goede hemel zij gedankt!” sprak zij naderbij komende, met eene stem, waarin de heilige beweging harer borst bevend doorklonk.Bernard hief het oog verwonderd tot haar op. „Die trekken ken ik,” riep hij plotseling, van onverklaarbare gevoelens van herinnering doordrongen, „en ik weet van waar. Maar ook deze stem heb ik meer gehoord.”Eene gelijke verwondering hield ook Feodorowna's blikken aan het edele gelaat van Bernard geboeid. Het zien van hem wekte wonderbare, vreemde en onverklaarbare herinneringen in haar op. Zij reikte hem, door eene zachte neiging des harten geleid, hare hand toe. Bernard boog zich om die te kussen, doch in het oogenblik, dat hij er zijne oogen op sloeg, schrikte hij als zag hij eene geestverschijning, en stond met bevende lippen, sprakeloos, zijne oogen onafgewend op Feodorowna's gelaat gevestigd, roerloos stil. Driftig streek hij met zijne hand over zijn voorhoofd en door zijne haren, alsof hij daar een lastige drukking en smart gevoelde.„Wat schort u?” vroeg Lodewijk en trad deelnemend nader.„Niets, niets!” riep Bernard wild en beefde over het geheele lichaam. „Een waanzinnige droom—doch wanneer ik daaruit ontwaak, word ik razend.—Om Gods wil, maak mij toch dezen knoop uit mijne haren los—ik kan ze immers niet uitrukken!”Daarbij trok hij krampachtig aan zijn hoofdhaar. Lodewijk voelde den knoop en maaktedien zachtjes los. Bernards ring viel op den grond; hij greep er snel naar, nam hem op, reikte hem Feodorowna toe en sprak met hijgende borst: „Mij dunkt, deze ring gelijkt op den uwen—ik verruilde hem eens—in Warschau—hij draagt de letters—Waanzinnige!” riep hij opeens en trok het voorhoofd in diepe plooien, „maak u niet zelf razend door zulke droomen. Lodewijk, schud mij, opdat ik voel, of ik waak.”Feodorowna had den ring van hem aangenomen, zij wilde hem met den haren vergelijken, doch haar oog werd duister. Bevend zonk zij op de knieën neder, vouwde hare handen als ten gebede en smeekte zacht, met hemelwaarts gekeerde blikken: „Algoede! beproef mij niet te hard—wanneer mijn hart zich bedriegt, zoo breekt het—zooveel vermag het niet te dragen—neem mij in Uwe bescherming.”Zij hield de ringen afgewend voor zich uit en hare blikken vlogen ras op zijde, als beefde zij voor het schrikbarend orakel, dat zij moesten verkondigen, dan drukte zij ze beide hevig aan haar hart, alsof zij het kostelijkste waren, dat zij bezat, en zij zich daarvan voor eeuwig moest afscheuren. Opeens hechtte zij hare blikken onafgewend daarop. Zij beefde, haar boezem joeg, de rozengloed van den morgen kleurde hare wangen—toen verbleekte zij tot de sneeuw der lelie—de ringen ontzonken hare hand—zij strekte hare armen verlangend naar Bernard uit—hare lippen bewogen zich, doch het jagen harer borst verstikte ieder geluid—eindelijk riep zij met angstvolle inspanning: „Broeder, broeder!” en zonk als levenloos met het schoone hoofd aan de borst van den voor haar knielenden Bernard. Deze hield haar stom, bevend aan zich geklemd; zijne ijzeren kracht was gebroken, zonder ophouden vloten er tranen uit zijne oogen en bevochtigden de wangen der schoone zuster, die bewusteloos aan zijn hart rustte. „Lodewijk, Lodewijk!” bad hij dezen eindelijk met weeke stem. „Gij zijt beter dan ik—bid gij tot den eeuwigen Vader, dat zij mij niet ontvalle—uw smeeken zal Hij hooren!—Lieve, zachte roos, richt uw hoofd op!—Breek thans niet, gij engelrein hart, klop nog eenmaal levend en beminnend tegen de borst des broeders!”In zijne armen hief hij zijne zuster omhoog en liet haar zachtjes op de rustplaats neder, waarop hij, nog voor weinige minuten, zelf tot een nieuw leven ontwaakt was. Daar sloeg zij het groote blauwe oog op en hief den mat neergezonken arm weder omhoog, om hem liefkoozend om den hals des broeders te slaan. Thans stroomde de milde bron der tranen over en verloste de borst van het overstelpend geweld der vreugde. Ruim ademde zij en een volle, eindelooze hemel van zaligheid straalde door den vochtigen nevel harer oogen.„Zoo is het dan waar? Zijn het niet de toovergestalten mijner verbeelding, welke mij bedriegen? Ben ik niet verplaatst in de gewesten der zaligheid?—Ja, ja, gij zijt mijn broeder! De stem mijns harten bedriegt mij niet. Zij is waarachtiger dan de duizend teekenen mijner zintuigen, waaraan ik u herken. Ik heb nu een hart op deze wereld, dat mij toebehoort; eene borst, die mij niet ruw terugstoot, wanneer ik tot haar wil vluchten!—Niet waar mijn broeder!—Gij zult mij niet weder verlaten?”„Verlaten?” vroeg Bernard, en sidderend drukte hij haar inniger aan zijne borst. „Gelijk de plant in eene donkere rotskloof naar het licht zoekt, zoo verlangde mijne borst naar een zusterhart! En gij waant, dat ik voor de warme gouden straal, die eindelijk in mijn verstorven hart dringt, den kelk zoude sluiten? Voor het eerst breekt in dezen heiligen stond het licht door de nevelwolken mijns levens! Voor het eerst zie ik deze schoone wereld verheerlijkt in zijn gouden rozenglans! Grauw, woest, akelig lag zij voor mij in donkere nevels gehuld.—Thans schittert zij van duizendkleuren! Neen, thans zal ons niets meer scheiden! Zelfs de dood niet, want ik vernietig mij zelf in het oogenblik, waarin hij u uit mijne liefdearmen wegrukt.”HOOFDSTUK VII.Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk, wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij den arm en zeide: „Vriend, men komt!”„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken zoude hebben?”„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder, het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,” zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenierJeannettetraden binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,” voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den avonddisch in de zaal zult komen?”Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend; zij zweefde de kamer uit.„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,” zeideWillhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens! Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen pels.”Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen. Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen, en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het momvan luim te bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem dit bijna zonder moeite.Willhofenhad welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.Thans verhaalden Lodewijk enWillhofengedurende het verkleeden de geschiedenis van hun wedervinden.„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk genoeg.—EnBeaucaireenSt. Luceshebben ook hun loon?—Er komen zoo oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja, waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom! Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene sluier uit het dal vanAostahier zoo goed op de sneeuw zal schitteren, als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte. Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in die des vriends konde leggen.Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welkeWillhofenhun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.Willhofenzette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,” zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan; daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend omarmd.„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren, waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind aan wonderen en engelen te gelooven.”„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat af om zijne tranen te verbergen.„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet iku metdezen naam begroeten.”„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij, terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht, tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven, noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O, ik wenschte dathijuw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij gevonden.”„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”„Boos op u zijn? Op u?”„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ikgeloofdeaan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zaligeovertuiging, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards borst.„Dienzelfden dank benikhemschuldig, zuster,” hernam Bernard, met innigen nadruk sprekende.„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.„Ishijmij dan geen borg voor de zuster?”Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken heerschte er eene heilige stilte.„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier, waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene vreemde aandoening vervulden.”Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten hebben.”„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering; „het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die u het leven gaven, terug te denken.”„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar zijn, dat zij mijutot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze haar zijn wonderbaar vinden vanWillhofenen den samenhang te verhalen, waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”„Waldheim,” antwoordde deze.„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend aan.„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”Intusschen tradWillhofenbinnen.„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het voorhoofd;„moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had, en wendde zich totWillhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”Willhofennaderde bescheiden.„Kent gij misschien deze portretten?”Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan niet honderdmaal in de kamer van den ritmeesterWaldheimte Straatsburg boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend, en de genadige vrouw ook.”Nauw hadWillhofendeze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe? Mijn vader dus....”„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet eens te spreken.”„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en vergelding!” Hij dacht aanSt. LucesenBeaucaire, die in denzelfden stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad van lang verloopen jaren was opgebloeid.Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne moeder gekend, Solanow?”De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard, die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste, dit hart is trouw; ik sta borgdaarvoor; doch nu mag niets meer voor hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daaropWillhofenvan alles en beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag, zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal verschijnen,” hernam Feodorowna, enWillhofenverliet, stilzwijgend zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het vertrek.Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke plichtplegingen.Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal. Feodorowna beval, datWillhofenin de buurt en op zijne hoede zou blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader. „Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik weder geheel aan u.”„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet, zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven, is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde, ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans beslissen.”Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat; sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat voor hem den hemel der zaligheidwijd opende, doch zijn hart werd door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk, te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde, dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te gelooven.Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel. „Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.HOOFDSTUK VIII.Thans eerst vereenigde de innigste band de drie beminnende zielen. Zij waren zóó overgelukkig, dat alle zorg, alle schrik voor de toekomst verbannen scheen. Slechts in het verledene verwijlden zij, zich vermeiende in het aangenaam herdenken van de oogenblikken hunner eerste ontmoeting, toen de kiem ontsproot van den heerlijken boom, die hen thans met zijne bloesemkroon beschaduwde. Lodewijk verhaalde van dien dag, waarop hij voor het eerst den groenen sluier op eene uitgebreide sneeuwvlakte had gezien en, door een onwederstaanbaar voorgevoel gedreven, hem dat vooruitzwevende doel was nageijld. „O, Bianca,” zeide hij geroerd, „toen reeds bouwde ik in hoogvliegende droomen luchtkasteelen, waaraan ik zelf niet durfde gelooven. En thans heeft eene wonderhand ons midden in die zalige gewesten gevoerd!—Maar ook thans waag ik niet te gelooven, dat alles werkelijk is, wat ik om mij zie. Spreek, mijne beminde, zullen deze liefelijke gestalten niet verzinken? Reik mij de hand ten onderpand, dat gij leeft, dat gij mij inderdaad nabij zijt en niet verdwijnen zult, wanneer ik u aanraak!”Zij gaf hem vriendelijk glimlachend hare hand.„Ja, ja, gij zijt het,” begon hij weder; „zoo glimlachtet gij, toen ik voor de eerste maal uw gelaat zag. Weet gij het nog? In het dal vanAosta, bij die hut, welke de wijnranken vertrouwelijk omslingerden, waar de kastanjeboom zijne takken beschaduwend over het grasperk uitbreidde. O, dat tafereel zal nimmer uit mijne herinnering verdwijnen!”Zij zag hem aan met de uitdrukking der innigste liefde; een traan glom in haar helder blauw oog.—„O, het was schoon daar,”zeide zij bewogen.„En weet gij, lieve zuster,” sprak Bernard, „waar ik u het eerst gezien heb?”„Uwe eerste ontmoeting was eene gezegende,” hernam zij; „gij reddet de zuster uit den dringenden nood, waarin zij met hen, aan wie zij haar hart geheel gewijd had, verkeerde.”„Neen! Ik kende u reeds veel vroeger,” zeide hij lachend. „Niet in eene romanesk gelegen hut, maar midden in den glans der rijke, bedorven wereld heb ik u het eerst gezien. Maar ik ontdekte den reinen diamant uwer ziel midden onder de menigte van valsche steenen, daar ik ze aan een anderen diamant zag toetsen. Het was te Londen in deRomeo en Julia, dat ik in uwe tranen spoedig echte parelen zag. Ik wilde de schoone schelp rooven—herinnert gij het u niet meer, mijne zuster?”„Hoe?” vroeg zij verwonderd en zocht door het levend beeld haars broeders dat harer herinnering te verjongen; „hoe waartgijdie jonge schilder?”„Niemand anders dan ik,” hernam Bernard.„En gisteren nog zou ik u het bewijs hebben kunnen leveren, want Lodewijk had uw portret sinds lang. De schelmBeaucaireheeft het ons ontroofd.—Doch wie was die trotsche, engelsche gek, die mij uitdaagde en zich naderhand niet vinden liet?”„O, mijn broeder,” antwoordde Bianca met levendigheid, „dan dank ik u reeds eene onmetelijke weldaad. Die Engelschman,lord Glower, was de voor mij bestemde bruidegom. Dit voorval verwekte een twist tusschen hem en mijn vader, wijl deze afkeurde, dat de lord zich aan het tweegevecht onttrokken had. Zoo werd door den beleedigden trots van den Engelsman eene betrekking verbroken, welke mijne gebeden en tranen te vergeefs getracht hadden af te wenden.”„Men wilde u alzoo dwingen?” vroeg Bernard.„De dochter,” antwoordde Bianca zacht en bepaald, „meende te moeten gehoorzamen; haar hart kende toen de liefde nog niet. Maar zij alleen werpt een zuiver licht op de verwarde paden der plichten en voert, gelijk de morgenster, den dwalenden voet aan het doel.”„Doch gij waart gehuwd, lieve zuster?” vroeg Bernard.Lodewijk beefde inwendig bij deze vraag.Bianca bloosde sterk en sloeg beschaamd hare oogen neder. „Het was door dwang, dat ik den naam eener prinses Ochalskoi draag,” zeide zij zacht; „doch gij zult uwe zuster voorzeker vrijspreken.”Zij verhaalde thans met weinige woorden de geschiedenis van haar huwelijk. Lodewijk werd daardoor hevig ontroerd, doch het trotsche hart van Bernard zwol van toorn. Hij stond op en ging met onrustige schreden door het vertrek op en neder.„Lieve zuster,” sprak hij na eenige minuten, „uit alles, wat gij verhaalt, zie ik, dat ons heil hier aan een haar over een afgrond hangt. Wij hebben een uur in de zoetste rust ons geluk genoten; doch de nood dwingt ons te handelen. Zeg mij, weet graaf Dolgorow, dat het geheim uwer geboorte u bekend is?”„Hij weet het niet; ik zweeg, om Ruschka's broeder niet in het ongeluk te storten, en om ongehinderd naar u te kunnen vernemen.”„En zoudt gij nog schroomen, u aan hem te ontdekken?”„Voorzeker,” riep zij snel.„Zoudt gij dan vreezen....”„Alles, mijn broeder, voor u, voor mij—voor uw vriend,” voegde zij er zachter bij.„Dan moeten wij ons zelven den weg banen. Strenge bewaring van het geheim is ten eerste noodig.—Mijne zuster, ik heb u slechts eene vraag te doen; wilt gij metons naar Duitschland gaan? Kunt gij rang, macht en rijkdom verzaken, om een broeder en een vriend te volgen, die u niets aanbieden dan hun hart,hunhoofd en in het ergste geval hunne werkzame handen?”„O mijn broeder!” riep Bianca en sloeg haren arm om hem heen, „vraagt gij mij waarlijk, of ik de vurigste wenschen mijns harten wil vervullen?”„Goed dan,” zeide Bernard bedaard; „zoo is de weg, dien wij in te slaan hebben, te zwijgen en te vluchten, wanneer zich eene gunstige gelegenheid voordoet, maar vooral om thans te scheiden, opdat ons laat bijeenblijven geen argwaan wekke. Morgen zal de zon ons immers wel weder beschijnen.”In Bernards toon lag iets gebiedends, dat bijna onwillekeurige gehoorzaamheid vond. Zoo gehoorzaamde Bianca hem dan ook en scheidde, na eene innige omarming, met liefdevollen blik, terwijl zij door de deur naar de vertrekken der gravin verdween. Bernard en Lodewijk begaven zich naar hunne slaapkamer.
„Rumigny!” riepWillhofenuit, en zijne trekken namen de uitdrukking van den woedendsten toorn aan. „Almachtige God, Uwe wraak sluimert niet!” riep hij met ten hemel geheven handen uit. „Ellendige, kent gij mij? Hebt gij vergeten, dat gij—doch halt, hier—zie hier heen! Kent gij dezen?”—Daarop liep hij op Lodewijk toe en trok hem met geweld tot dicht bijRumignyvoort, „Sternfelsis zijn naam! De dooden staan op om zich te wreken!—Deze is de moordenaar uws vaders, de moordenaar van den bravenWaldheim—doch thans is het uur der vergelding gekomen.”
St. Lucesstaarde doodsbleek en met onbewegelijke blikken Lodewijk aan; hij beproefde te spreken, doch de stem begaf hem.
Lodewijk was in het diepst zijner ziel getroffen door alles wat dit enkele uur hem had ontdekt. Een oogenblik bruiste ook in hem de toorn op; doch zijn edele aard wees dit gevoel spoedig af. Slechts medelijden vervulde zijne borst, toen hij den ellendige, van doodsangst en van gewetenswroeging gefolterde beschouwde. „Willhofen,” zeide hij tot den ouden bediende, „mij is de wraak, spreekt de Heer! Laat den Almachtige verder handelen—wij willen vergeven.”
Willhofenhad tranen in de oogen; hij boog zich over Lodewijks hand en kuste die. „Een hart als zijn vader! Hij stierf voor zijn vriend—en ware ook voor zijn vijand gestorven.”
Lodewijk wilde Dolgorow naderen, om een woord van genade voorSt. Luceste spreken; doch deze wees met strengen blik zijne bede af. „Hier heerscht de wet,” zeide hij ernstig. „Heeft de gevangene u onrecht gedaan, dan mag uwe vergiffenis hem daar boven helpen. Hier helpt zij hem niet.”
Hij wenkte met de hand een kozak in zijne nabijheid en sprak eenige russische woorden. Dadelijk werdSt. Luces, wien de doodsangst alle krachten scheen ontroofd te hebben, weggeleid. Eenige minuten later vielen drie schoten. Lodewijk kon niet twijfelen, wien zij gegolden hadden.
Dolgorow steeg weder te paard, verzamelde bijna alle weerbare mannen en zette zich aan hun hoofd naar den grooten weg in beweging.Willhofenen vier landlieden met pieken bleven ter bewaking der gevangenen achter, welken men vergunde, zich aan de groote vuren te warmen; ook werd er eenig brood en brandewijn onder hen uitgedeeld. Lodewijks hart smachtte naar Bianca. Hij vroeg daarom aanWillhofen: „Wat zullen wij nu beginnen, lieve vriend? Welke zal mijne, welke uwe naaste bestemming wezen?”
„Ik moet hier de bevelen der prinses afwachten, die daar bij de kranke gravin in de hut is,” antwoordde hij. „Zij zullen den terugkeer wel afwachten van hare slede, die gewonden naar het dorp gebracht heeft.”
De benamingprinseshad Lodewijk getroffen. Hij vroeg: „Is dan de prinses niet de dochter van den graaf?”
„Jawel,” hernamWillhofen, „en aan prins Ochalskoi, wiens lijfeigene ik ben, gehuwd.”
„Gehuwd?” riep Lodewijk verbleekend.
„Of liever gehuwd geweest,” voerWillhofenvoort; „want de prins is dood. Ik geloof, onder ons gezegd, dat het zelfs tot geen huwelijk gekomen is, want op den bruiloftsavond werd het slot door de Franschen overvallen en bestormd, en de prins ontving eene zware wonde, waaraan hij eindelijk te Moskou overleden is.”
Lodewijk luisterde met gespannen aandacht toe.
„Hier op deze plaats in het bosch heb ik hem een geruimen tijd in de struiken moeten verbergen, tot wij hem, met zijne jonge vrouw, in een wagen naar het jachtslot konden brengen.”
„Hier, hier?” viel Lodewijk den sprekende in de rede, en een treffend gevoel bewoog zijne borst.
„Juist hier; want het slot ligt nauwelijks een uur van hier; men kan het door het hooge hout niet zien. Daar over...”
„Wanneer is de bestorming geschied?”
„Den zeventienden Augustus; ik weet het nog, alsof het gisteren was.”
„God van genade!”riep Lodewijk en wierp zich op de knieën. „Almachtige Bestuurder onzer dagen! Wie zal tegen U morren! Aan welke draden bestuurt Gij ons lot! Eeuwige, Oneindige! Neem mijn warmen dank en mijne tranen. Beproef mij nu, zoo hard en zwaar Gij wilt, ik zal nimmer vertwijfelen; geene ontmoediging zal mijne borst bewegen. Want wonderbaarlijk hebt Gij geheerscht en gewaakt.—Gij zult in Uwe heerlijke wijsheid alles voleindigen!”
Willhofenbeschouwde den biddende met verwondering. Hij vermoedde geheime betrekkingen, doch waagde het niet, om er naar te vorschen.
Toen Lodewijk opstond en in de hevigste gemoedsbeweging op en neder ging, tradWillhofentot hem en zeide, terwijl hij zijne hand vatte: „Dat is braaf, lieve heer; vroomheid is eene hooge deugd. Ook ik heb menigmaal innig tot den Heer gebeden en ik hoop ook, dat Hij mij zal verhooren. Hij heeft mij immers nu reeds uit het verre Azië, waar ik, vergeten door mijn vaderland, leefde, weder tot hier gevoerd, bij den zoon mijns dierbaren meesters. O, ik bid u, het schijnt, dat gij veel op graaf Dolgorow vermoogt, ik bid u dringend, verzoek mijne vrijheid van hem.”
„Zekerlijk!” beloofde Lodewijk met een handslag. „Maar zeidet gij niet, dat gij een lijfeigene van den prins waart?”
„Dat wel; doch de goederen zijn door het huwelijkscontrakt aan den graaf gekomen. O, wanneer het van de prinses afhing om mij de vrijheid te geven—dan had ik ze reeds lang. Maar den graaf Dolgorow heb ik er nog niet om durven vragen.”
Een bediende kwam en sprak metWillhofen. „De gravin Dolgorow doet u tot zich roepen, lieve heer,” zeideWillhofen. „Volg dezen man slechts, hij zal u geleiden.”
Lodewijk ging met een kloppend hart. De bediende geleidde hem naar de luchtig van dennetakken gebouwde hut. Bianca kwam hem halverwege te gemoet; zij was vriendelijk, doch eene stille zwaarmoedigheid lag over hare trekken verspreid.
„Ik zal u bij mijne moeder brengen,” zeide zij met eene zachte stem. „Gij hebt haar reeds op onze vlucht uit Italië leeren kennen. Voel u slechts niet beleedigd door de misschien te koude, stijve ontvangst, welke gij lichtelijk bij haar vinden zult. In dit land kent men de zachtere zeden van Duitschland nog slechts weinig; hier geldt de rang alles; en de nationale hoogmoed en de haat tegen vreemden zijn in deze oogenblikken beide zoo hevig, dat de stem der warmste dankbaarheid zich nauwelijks kan verheffen.”
„Dankbaarheid?” hernam Lodewijk. „Wie moet hier dankbaar zijn? Gij, wieik, nauwelijks wetende wat ik deed, een geringen dienst bewees, die het hoogste geluk mijns levens uitmaakte, of ik, die u alles te danken heb?”
„Gij wildet de toevallige wederdiensten in rekening brengen?” zeide Feodorowna. „Misschien ook wel, dat gij thans, nu gij in onze handen zijt, niet op eene barbaarsche wijze vermoord zijt geworden, gelijk die andere rampzaligen?”
„Zoude ik ook de waarschuwing moeten vergeten, welke ik in Moskou ontvangen heb?” antwoordde Lodewijk na eenig dralen.
„Zoo hebt gij mij aan mijn teeken herkend?” vroeg Feodorowna met onuitsprekelijk liefdevollen blik.
„Wat kon ik ooit vergeten, dat ik door u heb leeren kennen!” antwoordde hij koen.
Een licht rood vloog over de bleeke wangen van het schoone gelaat; zij sloeg hare oogen neder en zeide zacht: „Ook mij zijn de uren, welke wij tezamen doorgebracht hebben, onvergetelijk gebleven. O, dat gij u zoo spoedig van ons losruktet!”
„Meent gij, dat het mijn wil was?” riep Lodewijk uit. „O neen! dat kunt gij niet gelooven! Een vijandige demon voerde ons vaneen. Ik verdwaalde; te laat moet ik den oever derRhônebereikt hebben.”
„Mijn vader drong ons, om ons te haasten,” viel hem Feodorowna in de rede. „Ik beproefde door een teeken...”
„O, ik heb het gevonden,” sprak Lodewijk schielijk met eene stem, waaruit zijne ontroering sprak, nam hare hand en drukte ze aan zijne lippen. „Doch eerst den anderen morgen, na een met ronddwalen verloren nacht, schitterde het mij als eene star der hoop te gemoet. Nooit vergeet ik het oogenblik, toen ik dit lint rozenkleurig door het hout zag schemeren! Nog in dit uur draag ik het op mijn hart. Hier is het.”
Tranen welden in hare schoone oogen op, toen zij dit liefdeteeken in de hand des beminden zag.
„Wij sloegen dadelijk aan de andere zijde der rivier een gevaarlijk pad naar het hooge gebergte in,” zeide zij, terwijl ze te vergeefs hare aandoening zocht te beheerschen.
„En ik meende u in het dal, over den St.Gotthard, het zekerste te zullen achterhalen. Zonder ophouden vorschte ik naar uw spoor, tot in Duitschland een ongelukkig blad mij...”
„Heeft mijn afscheidswoord u aldus toch bereikt?” viel Feodorowna vroolijk in.
„Het was de bitterste kelk, die mij ooit door eene aanminnige hand is toegereikt.”
„Het lot heeft hem verzoet, wij willen dankbaar zijn,” hernam Feodorowna en eene vrome aandoening bewoog hare stem. „Ik geloofde niet, dat het ons ooit weder bijeen zou brengen; doch een hoogere hand bestuurt de draden, waaraan ons leven hangt.”
„Waarlijk, eene wonderbaar bestierende macht!” riep Lodewijk door zijn gevoel overmeesterd uit. „O, zoo gij wist, hoe nabij ik u intusschen reeds geweest ben!”
Bianca zag hem verwonderd aan. „In Moskou meent gij?”
„Neen, niet verre van hier—ik was bij het bestormen van dat slot ginds.”
„Gij zelf!” riep zij en zag hem met weifelende blikken aan. Toen hief zij oogen en handen ten hemel en sprak uit de volheid harer ziel:„O, Almachtige Vader in den hemel! Hoe kon ik ook slechts een oogenblik aan Uwe goedertierenheid twijfelen! O, gij weet niet,” keerde zij zich bewogen weder tot Lodewijk, „gij vermoedt niet, van welk rampzalig lot gij mij verlost hebt! Doch,” voer zij snel en zacht voort, „verzwijg om 's hemels wil, dat gij aandeel in den strijd van dien nacht hebt gehad; men zoude het u nimmer vergeven!”
Onder deze gesprekken waren zij tot aan de hut gekomen.
Feodorowna trad eerst binnen, Lodewijk volgde. Op een rustbed, in een pels gehuld, zag hij de gravin Dolgorow liggen, wier trekken, ofschoon de uitdrukking van ziekte en lijden ze veranderd had, hij dadelijk herkende. Zij zag hem niet met vriendelijkheid, doch met een gevoel van meerderheid aan. „Het verheugt mij,” zeide zij afgemeten, „dat wij u den dienst, dien gij ons in Italië gedaan hebt, thans hebben kunnen vergelden, ofschoon het mij leed doet, u onder hen aan te treffen, die den oorlog in ons vaderland hebben gebracht.”
„Ik geloof, genadige gravin, mij desaangaande reeds gerechtvaardigd te hebben,” hernam Lodewijk met eenige fierheid.
„Gij kunt thans gelegenheid vinden, de schuld van het lot te vereffenen. God heeft de legers der vijanden verslagen; het verderf komt op hen neder; de rechtvaardige zaak zegepraalt. Het hangt thans slechts van u af, deel aan den strijd te nemen.”
Lodewijk zweeg eenige oogenblikken; toen antwoordde hij rustig en bedaard: „Gij zult mij vergunnen, u op dit voorstel een antwoord te geven, dat mijn besluit mag rechtvaardigen. Ik zelf houd de zaak van Rusland voor eene rechtvaardige; met inwendigen tegenzin heb ik aan den strijd deelgenomen. Ik deed niets meer, dan de eer van den man, den soldaat die zich eenmaal onder eene vaan geschaard heeft, van mij eischte. Als een enkel persoon konde ik den stroom der wereldgebeurtenissen niet beheerschen, noch dien wederstand bieden; dit spreekt mij van persoonlijke verantwoordelijkheid jegens dit land vrij. Misschien wenschte niemand in het geheele leger den oorlog; daarom zal ook het individu het algemeene onrecht noch ontgelden, noch behoeven te verdedigen, daar hij het niet kon verhoeden. Voor den edelen aanvoerder onder wiens bescherming ik mij begeven had, voor mijne trouwe, dierbare kameraden was mijne meening geen geheim. Doch zij eerden die en behandelden mij met zooveel bescheidenheid, dat zij mij van elken plicht zochten te verschoonen, die mijn hart had kunnen bezwaren. Ik moest er mij zelf tegen verzetten, om geene schandelijke verdenking op mijne eer, mijn mannenmoed te laden. Wat vriendschap en broederlijke liefde uit welwillendheid kunnen uitdenken, dat gewerd mij van mijne wapenbroeders. Thans zult gij, daarvan ben ik overtuigd, niet meer verlangen, dat ik hen trouweloos verraden en zelfs de wapenen tot hunne bestrijding opnemen zou. Dwong eene heilige verplichting jegens mijn eigen vaderland mij daartoe, dan moest ik zekerlijk gehoorzamen; en evenwel zou ik met nog zwaarder hart in zulk een strijd gaan, dan in dien tegen Rusland. Want, hoe de groote massa's ook tegenover elkander mogen staan, de enkele persoon treft slechts zijn eenen man, en ik zou het zwaard liever tegen mij zelf trekken, dan tegen die edele, getrouwe vrienden, met wie ik tot hiertoe gevaar en ongemak gedeeld heb.”
De gravin scheen verstoord over Lodewijks vrije, standvastige weigering; doch in Feodorowna's oog gloeide eene heilige vreugde en aandoening over het edele gevoel van hem, tot wien haar hart haar met overweldigende macht heentrok.
„De zaak van Rusland is ook die van uw vaderland. Zij is die van geheel Europa,” hernam de gravin na eenig nadenken; „doch ik voel mij te zwak, u dit thans overtuigend te bewijzen.—Gij zult ons naar een jachtslot, twee uren van hier, vergezellen; het ligt zoo diep in het bosch, dat het tegen elken vijandelijken aanval beveiligd is. Doch wij kunnen eerst tegen den avond opbreken, daar onze slede eenige zwaar gewonden naar een tamelijk ver van hier gelegen dorp brengt. Ondertusschen zullen onze bedienden zorg dragen, dat u niets ontbreke.”
Bij deze woorden wenkte zij met de hand, als wilde zij Lodewijk beduiden, dat hij zich verwijderen kon. Doch Feodorowna viel, zichtbaar geërgerd over de koude, trotsche ontvangst, de gravin in de rede: „Die zorg zal ik zelve op mij nemen, dierbaarste moeder; de redder van ons leven mag ons niet ondankbaar vinden.”
„Ik hoop, hij zal russische grootmoedigheid leeren kennen en waardeeren,” antwoordde de gravin trotsch en verdrietig. „Doch ik moet u bidden, mijne dochter, mij niet te veel alleen te laten, daar gij weet, dat ik uw bijstand in mijn toestand hier, waar wij ons ieder levensgenot moeten ontzeggen, noodzakelijk behoef.”
Lodewijk boog zich en ging; doch Feodorowna volgde hem dadelijk.
„Ik bezweer u, doe niets, wat u onaangenaamheden kan berokkenen,” zeide Lodewijk dringend, toen zij buiten de hut waren. „Het schoonst geluk heb ik immers verworven; wat kan men hoogers wenschen?”
„O, gij verontschuldigt mij zoo goedaardig,” hernam Feodorowna;„maar ik moet ook mijne moeder verdedigen. Zij is met hare gansche ziel aan haar vaderland gehecht, en dit is ook de reden, waarom gij ons hier in dezen zonderlingen toestand aantreft. Zij wilde volstrekt—en hierin volgde zij niet alleen den wil mijns vaders—door hare tegenwoordigheid, door toespraak en hulp voor ongelukkigen en door den veel vermogenden invloed, welke aan hoogere standen zoo licht wordt, wanneer zij dien op deemoedige onderdanen willen uitoefenen, den moed en ijver der verzamelde volksmenigte aanvuren. Dezen plicht heeft zij met zulke, alle vrouwelijke krachten te boven gaande inspanning uitgeoefend, dat zij thans ziek en afgemat ter neder ligt en gedwongen is zich naar dat slot te begeven, waarheen wij, zoo ik hoop, spoedig zullen afrijden.”
Hun gesprek werd daardoor gestoord, dat de grijsaard, die Lodewijks redder uit de handen zijner verbitterde vijanden geweest was, toen hij voor twee uren, aan den doodspaal gebonden, als een offer der volkswraak zoude gevallen zijn, uit het bosch trad. Het was Gregorius.
„Wees gegroet, mijne dochter,” sprak hij Feodorowna in het russisch aan; „erbarmt gij u over dezen ongelukkige?”
„Dezen eerwaardigen grijsaard,” riep Lodewijk, en vatte met een warm gevoel van dankbaarheid zijne hand, „heb ik eerst mijn leven en thans het grootste geluk te danken.”
„Dus gij, vader Gregorius”, zeide Feodorowna bewogen, „hebt gij dezen getrouwen vriend, die eens de redder mijns vaders, mijner moeder en van mij zelve was—ach! hij is het tweemaal geweest—gij dus hebt hem behouden? Deze nieuwe schuld moet mijn hart u betalen?”
„Lieve dochter,” hernam Gregorius vriendelijk, „het gebod des Heeren eischte slechts zijne redding. Hij was hulpeloos, onmachtig, gebonden, onze vijanden waren ook de zijne, en zoo behoorde hij tot ons. Mocht hij thans geheel een der onzen worden en het zwaard tegen de heiligschenners keeren, die door Gods wrekenden bliksem getroffen zijn.”
Lodewijk zweeg, want hij verstond de in het russisch gesproken woorden niet; doch Feodorowna antwoordde snel: „Neen, mijn vader, laat ons dit niet vragen en niet van hem vorderen. Hoe zwaar zich de zijnen ook aan hem vergrepen hebben,hijmaggeenewraak aan hen uitoefenen, noch verrader worden van hen, die in één vaderland met hem wonen, ééne taal met hem spreken. Laat Ruslands heilige zaak aan zijne eigene zonen worden overgelaten! Zij zijn sterk genoeg om zich zelven genoegdoening en wraak te verschaffen. Het moet hun roem, hun naijverig streven zijn, geene vreemden deel te laten nemen aan een werk, dat zij zelven kunnen volbrengen. Daarom laat ons, mijn vader, de gevoelens van onzen gast jegens de zijnen eeren. U voert eene mij welkome bestiering mij te gemoet. U zij de vreemdeling ter verzorging aanbevolen; gij zult vaderlijk voor hem zorgen, tot ik om u zend. Deel uw maal, uw leger met hem, want gij ziet, hij is door harde rampen uitgeput. U geef ik hem over; en weet, dat uwe dochter hem als een broeder bemint—daarom zij hij u als een zoon.”
Feodorowna sprak met warmen ijver. Gregorius reikte zijn gast de rechterhand, ten teeken, dat hij hem gaarne opnam, en sprak hem in het latijn aan.
„Salve! Sis felix, quomodo mihi es exoptatus!”
Lodewijk bemerkte nu eerst, dat hij een dienaar des Heeren voor zich had. Verheugd, een middel te vinden, om zich met hem te onderhouden, antwoordde hij hem:
„Salve, mi pater! Gratias tibi ago ex intimo pectore, salvatori vitae meae! Sis felix, quomodo benignas es.”
Feodorowna nam afscheid van Lodewijk en ging terug naar hare moeder. Hij volgde den eerwaardigen Gregorius, die hem naar eene andere hut geleidde, voor welke een groot vuur brandde. Met dank nam hij het maal aan, dat de grijsaard hem aanbood. Terwijl hij den eenvoudigen, maar versterkenden kost nuttigde, trad ookWillhofennader en zette zich op de welwillende uitnoodiging van Gregorius bij hen neder. Thans eerst had Lodewijk gelegenheid, naar zijn vader en de bediende, om naar Lodewijks moeder en hare lotgevallen te vernemen. Ach, zij konden beiden slechts van het verlorene spreken; maar evenwel vervulden deze herinneringen hunne zielen met een zoeten weemoed.
Eéne zorg, één kommer slechts lag op Lodewijks hart: het lot van Bernard. Wel was de hoop in al hare bezielende kracht in hem ontwaakt, doch hij behoefde slechts een blik te slaan op hetgeen hem omringde, om zijne vrees weder even sterk te doen aangroeien.
Het werd bijna volkomen nacht, eer Lodewijk weder iets van Feodorowna vernam. Hoe gaarne hij zich in het gezelschap van den eerwaardigen geestelijke bevond, die hem daarenboven nog een warmen pels geschonken had, en hoeveel hij door de vertellingen vanWillhofenvernam, dat zijne ziel diep ontroerde, toch sloeg zijn hart van onrustig verlangen naar zijne geliefde en vreesde hij ieder oogenblik, dat de hoop, van haar weder te zien, hem bedriegen moest. Eindelijk kwam er eene boodschap van haar: het verzoek, om zich gereed te maken tot het vertrek. Gregorius enWillhofenbegeleidden hem naar de hut, waar de slede met uitgeruste en afgevoerde paarden gereed stond. Spoedig kwamen de beide vrouwen buiten, dicht in pelzen en sluiers gewikkeld. De gravin werd ondersteund; zij was zichtbaar vermoeid. In het voorbijgaan groette zij Lodewijk door eene lichte beweging met het hoofd, Feodorowna daarentegen reikte haar vriend de hand en zeide: „In een paar uren zullen wij de rustplaats bereikt hebben; gij zult u, hoop ik, daarover verheugen.—Vergeef slechts, dat in onze slede ook geen plaats voor u is.”
Lodewijk ried, wat het teeder gevoel van Feodorowna verontrustte, de omstandigheid namelijk, dat hij op de plaats van een bediende moest zitten. Voorkomend brak hij daarom hare woorden af, terwijl hij haar bij het instijgen hielp. „Mijn oog zal voor u zien en waken in dezen nacht; het is eene opdracht, die mij gelukkig maakt.” Met deze woorden sprong hij op de voorbank, waarWillhofenaan zijne zijde plaats nam.—De koetsier zette zich achter op en gafWillhofende teugels over; twee knechts reden te paard vooruit.
Gregorius stak, nadat hij afscheid van de vrouwen had genomen, ook zijn jongen gast, welken hij spoedig lief gekregen had, de hand toe. Lodewijk drukte die met gevoel van warme dankbaarheid. Toen voer de slede als de wind heen. Men moestmidden door het bosch; het was wel zeer donker en de lucht betrokken, doch de sneeuw lichtte genoeg, om den weg te zien. Ondertusschen hield de vaste baan spoedig op en men moest in de diepe, losse sneeuw langzamer rijden.
Het was alles stil in het rond. Slechts een hol gesuis, dat door de zwarte toppen der dennen streek, en het snuiven der paarden waren de geluiden, welke men in deze bevroren woestenij vernam.
Lodewijk had thans den tijd, om een blik op de gebeurtenissen van den laatsten dag te werpen. Eene wereld van gebeurtenissen lag in dat korte tijdperk van gisteren tot heden. Zij waren elkander zoo snel opgevolgd, dat de eene door de andere verdrongen werd. De van alle zijden bestormde, ontroerde ziel werd opgehouden en gesteund door het evenwicht der op haar aanstormende machten; ééne alleen had haar zeker overweldigd, zoo niet geheel en al verpletterd.—Thans had hij het eerste oogenblik, waarin hij de verwarde gedaanten in orde kon schikken en ze een voor een voor zijn geest doen voorbijgaan. Het tegenwoordige en het verledene, het verre en het nabijzijnde lag voor zijn ziel; smart en vreugde, kommer en hoop grensden aan elkander. Zijn noodlot gaf hem het beeld van een landschap in den herfst, waar duistere wolkschaduwen naast helderen zonneschijn rusten en het groene en half verdorde loof zich op eene wonderlijke wijze vermengen.
De geliefde, de verlorene is u nabij; de adem harer lippen beroert u, uwe hand kan haar bereiken! Zult gij haar echter ooit aan uw hart mogen drukken? Zal zich de ijzeren poort van het noodlot niet wederom met doffen donder voor het geopende paradijs sluiten, zoodat gij daarbuiten in de koude, eenzame duisternis zult vertwijfelen? En uw vriend! Uw trouwe, dierbare, onvergelijkelijke vriend! Heeft het donker lot, dat eene godheid van uw hoofd afwendde, hem getroffen? Of zal hem de dood hier in deze woestijn te beurt vallen? Moet hij eenzaam, huiverend, afscheid nemen van de gulden dagen des levens? Strekt zich geen troostende hand in de laatste bange minuten naar hem uit, om hem den bitteren kelk door zoete droppels van liefde te verzachten? O Almachtige! verscheur het hart niet, dat gij wilt zalig maken! Deze doodwonde heelt zelfs niet aan de borst der geliefde! Neen, neen! moet het voor dien prijs zijn, dan zinkt mijne door smart verlamde hand neder en ik kan den beker der zaligheid, welken Gij mij aanbiedt, niet aan mijne lippen brengen.
„Het wordt recht donker,” zeideWillhofen. „Deze wouden zijn toch schrikkelijk.—Luister! Hoort gij den wolf? Hij huilt van den honger. Wanneer de wind hem de lucht van ons brengt, zal hij ons spoedig op het spoor zijn. Holla, jongens, daar vooruit, rijdt dicht bij ons! Hebt gij de buksen geladen?—Wij zouden ze noodig kunnen hebben.”
Lodewijk zag met bezorgdheid achterom naar de vrouwen. Doch de nacht en de dichte sluiers, welke zij droegen, maakten het onmogelijk, hare trekken te onderscheiden en te zien, of zij zijne bezorgdheid deelden.
„Is er gevaar?” vroeg hijWillhofenzacht.
„Zelden, mijn waarde heer. Wees maar niet bang.”
„Ik ben voor mij niet bezorgd; maar wij hebben vrouwen bij ons,” antwoordde Lodewijk.
„Och, het is niets; wij hebben drie buksen en u geef ik mijn hartsvanger.—Hm! Er moet toch een heele troep bijeen zijn; hoor maar hoe zij huilen!”
Men reed juist door de diepe, ongebaande sneeuw langzaam voort. De wind zweeg, daardoor kon men in de ademlooze stilte het geluid der hongerige roofdieren duidelijk vernemen.
„De paarden rieken waarachtig ook hun vijand reeds,” zeideWillhofenzacht;„zie maar, hoe schuw zij den kop omdraaien en snuiven.—Paulowitsch en Stephanos,” riep hij den ruiters toe, „gebruikt uwe sporen, dat wij spoedig den hoek bij den grooten den bereiken. Daar loopt de weg zoover rechts, dat het vee misschien ons spoor verliest.”
Hij sloeg met de zweep en dreef de paarden aan.—Spoedig daarop draaide de weg om een hoogen, ouden den, wiens stam den hoek maakte, op eenmaal rechts om. Toen de ruiters den hoek wilden omslaan, schrikten zij en hielden hunne paarden in.
„Wat is er?” vroegWillhofen.
„Hier ligt een mensch op den weg?” hernam de ruiter.
„Waarachtig!” riepWillhofen, die juist tot aan den hoek gekomen was. „Dood of levend? Holla! antwoord!”
„Hij verroert zich niet; het moet een lijk zijn. Wij willen het wegruimen, anders komen wij er met de slede niet voorbij.”
Hij hield op en wilde Lodewijk de teugels geven; doch deze zeide: „Ik zal u helpen. Men moet toch eerst zien, of hij waarlijk dood is.”
De koetsier nam de teugels. Lodewijk enWillhofenstegen af, om het lijk uit den weg te dragen.
„Almachtige Godheid, het is Bernard!” riep Lodewijk uit, toen hij zich over het voorhoofd van den liggende voorover boog, om hem op te nemen. „Bernard, leeft gij? Wanneer er nog een ademtocht in u is, bezweer ik u, geef mij antwoord.”
Hij knielde weenend bij den verstijfde neder,hief hem het hoofd op, steunde het tegen zijne borst en drukte vurige kussen op het koude, bleeke gelaat.
„Wat is er?” vroeg de gravin ongeduldig.
Feodorowna echter had den uitroep van haren vriend gehoord en snelde, van de lage slede afspringend, zelve naar de plaats. „Vindt gij een vriend hier?” vroeg zij met bevende stem, toen zij den hevigen angst van Lodewijk gewaar werd.
„Een vriend! O, den eenigsten, dierbaarsten mijns levens!—En verstijfd—dood! O, mijn Bernard! Dat overleef ik niet.”
„Misschien is er nog redding,” sprak Feodorowna bewogen; „wij willen het mogelijke beproeven.”
Met deze woorden naderde zij en legde hare hand op het hart van den verstijfde. „Mij dunkt hij ademt nog,” zeide zij verheugd.
„Neen, neen! Hij is dood—hij is weg!” riep Lodewijk, bijna buiten zich zelf. „Deze slag verplettert mijne borst! Neem mij mede met u, mijn Bernard; ik verlaat u ook zelfs niet in den dood!”
Met krampachtigen angst klemde hij den vriend aan het hart en drukte zijne lippen op den kouden, bleeken mond van den verstijfde.
„Wij willen den ongelukkige opnemen,” zeide Feodorowna op den toon van het diepste medelijden;„misschien keert het leven in hem terug, wanneer wij hem met warme kleederen bedekken. In een uur kunnen wij het slot bereiken, en dan zal geen middel onbeproefd blijven, om hem tot het leven terug te roepen.”
Lodewijk was sprakeloos van smart; hij kon niets, dan Feodorowna's hand vatten en deze aan zijne lippen drukken. Zij trok die zacht terug. Haar hart bad tot den goeden hemelschen Vader, dat Hij de onuitsprekelijke smart van haren vriend mocht afwenden.
Willhofenen Lodewijk namen den verstijfde op. Toen zij hem aan de slede brachten, vroeg de gravin: „Mijn God, wat is dat? Wat moet dat lijk hier?”
„O mijne moeder,” bad Feodorowna, „het is een ongelukkige, in wiens boezem nog leven is. Misschien zijn wij in staat, hem te redden.”
„Het kan niet zijn,” hernam de gravin heftig; „hoort gij de wolven niet? Wij zijn in gevaar, wij kunnen de slede niet meer beladen en ik zie ook geen plaats—met één woord, het is onmogelijk, het kan niet!—Maakt dat wij voorwaarts komen, ik beveel het.”
Willhofenstond onzeker, wat te doen. Doch Lodewijk wierp zich voor Feodorowna's voeten neder en riep uit: „Bij al wat u heilig is, bezweer ik u, red mijn vriend, neem mijn leven daarvoor in de plaats.”
„Mijne moeder!” riep Feodorowna met nadruk, „de menschelijkheid, het gebod der liefde....”
„Dwaze! om een lijk mede te sleepen zullen wij, levenden, een buit der wolven worden? Neen, zeg ik, neen; ik beveel u spoed te maken. Terstond vooruit!”
„Dan blijf ik hier,” riep Lodewijk buiten zich zelf, „tot de dood ook aan mijn rampvol leven een einde maakt.” Hij trok den verstijfde aan zijne borst, wikkelde hem in zijn pels en drukte hem vast aan zijne borst. „Mijn Bernard, gij, trouwste hart op de gansche aarde,” zeide hij en zijne tranen vloeiden zonder ophouden. „Thans komt de dag der vergelding, ik verlaat u niet. Aan mijne borst zult gij—moetgij weder ontwaken.”
„Solanow, klim op!” beval de gravin met ziekelijke heftigheid. „Het kost u het leven, wanneer gij nog talmt! Laat hier blijven, wie wil!”
„Moeder, moeder!” riep Feodorowna uit, terwijl zij hare hand vatte, „het geldt een menschenleven—het geldt dat van onzen redder!”
„Die ons thans in het verderf wil storten,” viel de gravin in. „Kom bij mij, of ik laat u achter.”
Men hoorde inderdaad het huilen der wolven al nader en nader. De bedienden waagden niet te gehoorzamen, noch tegen te spreken. Feodorowna was in een vreeselijke tweestrijd met zich zelve. „Welaan dan,” begon zij na eenige oogenblikken met fierheid, „dan moet ik beslissen. Moest ik tot mijn onuitsprekelijk lijden den naam van prinses Ochalskoi aannemen, dan zal die mij ten minste eenmaal tot heil verstrekken. Mij behooren deze paarden, deze lijfeigenen, gij kent uwe vorstin, uwe gebiedster. Bij uw leven gelast ik u thans, dezen hulpelooze niet achter te laten.”
Zij stond in eene gebiedende, majestueuze houding voor de bedienden; toorn en verbazing boeiden der gravin de tong.
„Haast u, red u met ons en uw vriend,” zeide Feodorowna thans tot den half bedwelmden Lodewijk. „Haast u!”
Willhofensprong toe en hielp Bernard voor op de bank zetten, waar Lodewijk hem met zijn eigen pels bedekte en met zijne armen vast aan zich drukte.
„Ik ga hier voor op den dissel zitten,” riep de brave knecht, „dan hebben wij alle drie plaats.” Op den zadel van den dissel springend, greep hij snel de teugels aan en riep: „Vooruit knapen!”
De paarden, die, de nabijheid der woedende wolven ruikende, reeds angstig hadden staan trappelen en met hunne hoeven de sneeuw omwoelden, vlogen thans, alsof zij wisten, dat hunne redding er van afhing, als de wind vooruit. Pijlsnel ging de vaart door het donkere bosch; evenwel vernam men het gehuil der vervolgende roofdieren al nader en nader. Opeens kraakte en bewoog het zich in de takken en plotselingsprong een groote wolf met machtige sprongen uit de struiken, om zich voor de paarden te werpen en deze in den strot te grijpen. Doch de vluggeWillhofenhad dadelijk de buks in de hand en velde het dier neer op het oogenblik, dat het het schuw op zijde springend paard naar de keel wilde vliegen.
„Die is betaald! Hij zal ons zijne huid niet schuldig blijven,” riep de schutter vroolijk, zonder bijzonder veel acht te slaan op het luide geschreeuw der gravin. „Paulowitsch, hebt gij geladen? Wees op uwe hoede!”
Er vergingen eenige minuten, zonder dat een nieuwe vijand zich vertoonde. Het akelige gehuil scheen zwakker te worden.
„Zij zijn schuw geworden,” zeideWillhofen, zich tot Lodewijk wendend, die echter, zijn vriend aan het hart houdende, nauwelijks bemerkt had, wat er voorgevallen was.—„Wees onbezorgd, genadige gravin en prinses,” zeide hij tot deze, „nu kunnen de beesten ons niets meer doen. In vijf minuten zijn wij uit het dichtste woud en dan is de baan zoo glad als een spiegel. Dan zal een zwaluw in hare vlucht ons niet inhalen.”
Thans werd het bosch lichter; men kwam op eene, slechts door laag kreupelhout bedekte vlakte, ongeveer een kwartier breed. De slede vloog als een pijl uit een boog over de vastgereden baan heen. Aan de overzijde zwenkte men eene rechte doorgehouwen laan in, en na weinige minuten lag het jachtslot voor de oogen der reizenden.
„Dat noem ik rijden!” riepWillhofen, toen hij voor de poortstilhield, waaruit reeds twee oude bedienden, door het klappen der zweep opmerkzaam gemaakt, met lantaarnen naar buiten waren gekomen. „Zie maar, hoe de paarden dampen! Van den grooten den tot hier nog geen twintig minuten, en dat half door de diepe sneeuw! En het zijn toch goed tien wersten.”
Onder deze woorden was hij afgesprongen en had den koetsier de teugels overgegeven. De bedienden hielpen de vrouwen uit den wagen. Zwijgend, zonder te groeten, ging de gravin, op den arm van een der bedienden steunende, in het slot.
Bianca beval dadelijk, voor Lodewijk en zijn vriend de meeste zorg te dragen. Daarop wendde zij zich met deze worden tot hem: „Hier zijt gijmijngast; dit slot behoortmij; wil de Hemel die groote smart van u afwenden, dan hoop ik, dat gij hier onbekommerde uren zult doorbrengen.”
Lodewijk, die nog was blijven zitten, daar hij Bernard in den arm hield, wendde zich tot haar, toen zij sprak. Hare zachte stem vond ook nu nog den weg tot zijne ziel. „Engelachtig wezen,” begon hij—daar bewoog Bernard zich aan zijne borst en haalde diep adem. „Hij leeft!” riep Lodewijk, alles vergetend uit. „Algoede Hemel! Hij leeft! hij leeft!”
Hopend en vreezend tegelijk, sloeg hij zijne armen om zijn vriend en beefde hevig.
„Waar ben ik?” vroeg Bernard en sloeg de oogen op.
„In mijne armen!” riep Lodewijk en zijn boezem klopte ademloos en dreigde vaneen te springen door overmaat van vreugde.
Feodorowna hief hare oogen bewogen ten hemel. Ook voor haar vertoonde zich voor het eerst een schijn van hoop.Willhofenhielp den nog half bewust- en beweginglooze van de slede heffen en leidde hem, gezamenlijk met Lodewijk, in het voor dezen bestemde vertrek, waar zij hem op stoelen nederlegden. Daarop haastte de getrouwe knecht zich, om spoedig reddings- en versterkingsmiddelen te gaan halen.
Hier kwam de herlevende weder tot zijne volle bewustheid. „Lodewijk,” riep hij uit,„zie ik u weder! Leeft gij, of zijn wij reeds aan de overzijde? Of was alles een droom?” En met eene warme omhelzing drukte hij den vriend aan zijn hart.
„Wij leven! Een genadig besturende God heeft ons behoed.—O, gij zult nog andere wonderen zien.”
Willhofentrad binnen met een warmen, door Feodorowna gereed gemaakten drank; een bediende bracht wollen dekens, om er den verstijfde in te wikkelen. „Dat is Goddank niet meer noodig,” riepWillhofen, toen hij zag, dat Bernard geheel tot leven en bewustzijn was teruggekeerd. „Doch hier, mijnheer, drink een weinig.—Dat zal u krachten geven.”
Bernard bracht het glas aan zijne lippen. Weinige druppels gaven hem een nieuw levensgevoel; de macht der vreugde voleindigde het werk der genezing spoedig.
„Kom,Ossip,” zeideWillhofentot den bediende, „wij zijn hier niet meer noodig en er is nog veel op andere plaatsen te doen.”
Beiden vertrokken.
„Broeder!” begon Bernard, toen zij alleen waren,„aan uwe borst hebt gij mij weder tot het leventeruggeroepen! Hier bezweer ik het u, bij de wonderbare wegen der Voorzienigheid, dat er geen droppel bloeds in mijn aderen is, die u niet behoort! Bij den Almachtige!” Hij hief zijne hand op; in zijne vermoeide trekken keerde de edele, alles trotseerende kracht terug, die als een veerkrachtig staal te sterker opsprong, naarmate de druk des noodlots haar harder dreigde samen te persen.—„Doch, nu, vertel mij,” sprak hij. „Waar zijn wij? Hoe zijn wij ontkomen? Wat mij betreft, mij is, buiten eene gruwelijke geschiedenis, waardoor mij letterlijk het leven van binnen bevroren is, want anders, dat gevoel ik nu, zoude de koude mij nog niet overweldigd hebben, niets ontmoet, dan dat ik in het bosch heb rondgedwaald. Maar u?”
Juist wilde Lodewijk spreken, toen de deur geopend werd en Feodorowna met opgeslagen sluier, in rouwgewaad, binnentrad. Een armblaker, die op eene tafel naast de deur stond, wierp een helder licht op hare edele, door de vreugde zacht gekleurde gelaatstrekken. „Zie daar onze redster,” zeide Lodewijk en wees op de binnentredende.
„Uw vriend leeft? De goede hemel zij gedankt!” sprak zij naderbij komende, met eene stem, waarin de heilige beweging harer borst bevend doorklonk.
Bernard hief het oog verwonderd tot haar op. „Die trekken ken ik,” riep hij plotseling, van onverklaarbare gevoelens van herinnering doordrongen, „en ik weet van waar. Maar ook deze stem heb ik meer gehoord.”
Eene gelijke verwondering hield ook Feodorowna's blikken aan het edele gelaat van Bernard geboeid. Het zien van hem wekte wonderbare, vreemde en onverklaarbare herinneringen in haar op. Zij reikte hem, door eene zachte neiging des harten geleid, hare hand toe. Bernard boog zich om die te kussen, doch in het oogenblik, dat hij er zijne oogen op sloeg, schrikte hij als zag hij eene geestverschijning, en stond met bevende lippen, sprakeloos, zijne oogen onafgewend op Feodorowna's gelaat gevestigd, roerloos stil. Driftig streek hij met zijne hand over zijn voorhoofd en door zijne haren, alsof hij daar een lastige drukking en smart gevoelde.
„Wat schort u?” vroeg Lodewijk en trad deelnemend nader.
„Niets, niets!” riep Bernard wild en beefde over het geheele lichaam. „Een waanzinnige droom—doch wanneer ik daaruit ontwaak, word ik razend.—Om Gods wil, maak mij toch dezen knoop uit mijne haren los—ik kan ze immers niet uitrukken!”
Daarbij trok hij krampachtig aan zijn hoofdhaar. Lodewijk voelde den knoop en maaktedien zachtjes los. Bernards ring viel op den grond; hij greep er snel naar, nam hem op, reikte hem Feodorowna toe en sprak met hijgende borst: „Mij dunkt, deze ring gelijkt op den uwen—ik verruilde hem eens—in Warschau—hij draagt de letters—Waanzinnige!” riep hij opeens en trok het voorhoofd in diepe plooien, „maak u niet zelf razend door zulke droomen. Lodewijk, schud mij, opdat ik voel, of ik waak.”
Feodorowna had den ring van hem aangenomen, zij wilde hem met den haren vergelijken, doch haar oog werd duister. Bevend zonk zij op de knieën neder, vouwde hare handen als ten gebede en smeekte zacht, met hemelwaarts gekeerde blikken: „Algoede! beproef mij niet te hard—wanneer mijn hart zich bedriegt, zoo breekt het—zooveel vermag het niet te dragen—neem mij in Uwe bescherming.”
Zij hield de ringen afgewend voor zich uit en hare blikken vlogen ras op zijde, als beefde zij voor het schrikbarend orakel, dat zij moesten verkondigen, dan drukte zij ze beide hevig aan haar hart, alsof zij het kostelijkste waren, dat zij bezat, en zij zich daarvan voor eeuwig moest afscheuren. Opeens hechtte zij hare blikken onafgewend daarop. Zij beefde, haar boezem joeg, de rozengloed van den morgen kleurde hare wangen—toen verbleekte zij tot de sneeuw der lelie—de ringen ontzonken hare hand—zij strekte hare armen verlangend naar Bernard uit—hare lippen bewogen zich, doch het jagen harer borst verstikte ieder geluid—eindelijk riep zij met angstvolle inspanning: „Broeder, broeder!” en zonk als levenloos met het schoone hoofd aan de borst van den voor haar knielenden Bernard. Deze hield haar stom, bevend aan zich geklemd; zijne ijzeren kracht was gebroken, zonder ophouden vloten er tranen uit zijne oogen en bevochtigden de wangen der schoone zuster, die bewusteloos aan zijn hart rustte. „Lodewijk, Lodewijk!” bad hij dezen eindelijk met weeke stem. „Gij zijt beter dan ik—bid gij tot den eeuwigen Vader, dat zij mij niet ontvalle—uw smeeken zal Hij hooren!—Lieve, zachte roos, richt uw hoofd op!—Breek thans niet, gij engelrein hart, klop nog eenmaal levend en beminnend tegen de borst des broeders!”
In zijne armen hief hij zijne zuster omhoog en liet haar zachtjes op de rustplaats neder, waarop hij, nog voor weinige minuten, zelf tot een nieuw leven ontwaakt was. Daar sloeg zij het groote blauwe oog op en hief den mat neergezonken arm weder omhoog, om hem liefkoozend om den hals des broeders te slaan. Thans stroomde de milde bron der tranen over en verloste de borst van het overstelpend geweld der vreugde. Ruim ademde zij en een volle, eindelooze hemel van zaligheid straalde door den vochtigen nevel harer oogen.
„Zoo is het dan waar? Zijn het niet de toovergestalten mijner verbeelding, welke mij bedriegen? Ben ik niet verplaatst in de gewesten der zaligheid?—Ja, ja, gij zijt mijn broeder! De stem mijns harten bedriegt mij niet. Zij is waarachtiger dan de duizend teekenen mijner zintuigen, waaraan ik u herken. Ik heb nu een hart op deze wereld, dat mij toebehoort; eene borst, die mij niet ruw terugstoot, wanneer ik tot haar wil vluchten!—Niet waar mijn broeder!—Gij zult mij niet weder verlaten?”
„Verlaten?” vroeg Bernard, en sidderend drukte hij haar inniger aan zijne borst. „Gelijk de plant in eene donkere rotskloof naar het licht zoekt, zoo verlangde mijne borst naar een zusterhart! En gij waant, dat ik voor de warme gouden straal, die eindelijk in mijn verstorven hart dringt, den kelk zoude sluiten? Voor het eerst breekt in dezen heiligen stond het licht door de nevelwolken mijns levens! Voor het eerst zie ik deze schoone wereld verheerlijkt in zijn gouden rozenglans! Grauw, woest, akelig lag zij voor mij in donkere nevels gehuld.—Thans schittert zij van duizendkleuren! Neen, thans zal ons niets meer scheiden! Zelfs de dood niet, want ik vernietig mij zelf in het oogenblik, waarin hij u uit mijne liefdearmen wegrukt.”
Men hoorde voetstappen en stemmen op de gang. Geheel in hunne zaligheid verzonken, had het gelukkige drietal ze niet vernomen; doch Lodewijk, wien smart en liefde thans den boezem benauwden, wien donkere voorgevoelens nader waren dan blijde, hoorde ze. Door het duister gevoel, dat het hoogste geluk zich altijd in den schoot des geheims het zekerst verbergt, gedreven, trad hij Bernard snel nader, greep hem bij den arm en zeide: „Vriend, men komt!”
„Wie?” voer deze heftig uit: „wie, wien ik te vreezen of te ontwijken zoude hebben?”
„Hier iedereen,” riep Feodorowna en scheurde zich verschrikt uit zijne armen los; „hier is elk een arglistig, gezworen vijand van het reine geluk der ziel! Laat geen woord uwer lippen ons verraden, mijn broeder, het is de eerste bede uwer zuster; o wijs haar die niet af!”
„Aan een haar zult gij, engel, mijne ongetemdste kracht teugelen,” zeide hij weemoedig. „Beveel mij met den blik uwer oogen en ik wil hem verstaan, en u gehoorzamen, als de schaduw van uw lichaam, die de minste beweging van uw vinger lijdzaam volgt.”
Willhofen, twee bedienden en Feodorowna's kamenierJeannettetraden binnen. De laatste sprak hare meesteres aan: „Doorluchtige hoogheid, de gravin Dolgorow zendt mij met last, u bij haar te ontbieden.”
„Ik wilde juist komen,” hernam Feodorowna. „Vaart ondertusschen wel,” voer zij voort, zich tot Bernard en Lodewijk wendende, „binnen een half uur uiterlijk zien wij u weder, want ik hoop toch, dat gij bij den avonddisch in de zaal zult komen?”
Hare blikken vorderden een ja; Bernard en Lodewijk bogen zich zwijgend; zij zweefde de kamer uit.
„Wij komen met eene geheele vracht kleedingstukken, mijne heeren,” zeideWillhofen. „De prinses heeft gelast de garderobe van haar overleden gemaal hier over te brengen, opdat gij u zoudt kunnen verkleeden. Gij moet ons vergeven, dat u in den nood dit aanbod gedaan wordt; maar wat kunnen wij voor het oogenblik anders doen? Wanneer wij in Petersburg waren, zouden wij binnen vier en twintig uren wel andere maatregelen nemen. Maar hier is de nood meester.”
„Kom over maar, vriend!” zeide Bernard, „gij ziet, wij hebben juist geene staatsiekleederen aan, en gescheurde mantels en laarzen houden de koude wel niet zoo goed buiten als heele.—Vertoon uw winkel eens! Hm, alles zal zoo slecht nog niet passen! Wanneer wij maar niet trotsch worden, Lodewijk; wij zijn niet gewoon ons zoo prachtig uitgedost te zien.—Zie maar eens, ik zie er uit als een russische prins in dezen pels.”
Bernard sprak met voordacht veel en schertsend, daar Lodewijk stil en afgetrokken was. Hij wilde daarmede de vermoedens der bedienden, die deze gasten reeds met vragende oogen aanzagen, afleiden, opdat zij niet op het denkbeeld zouden komen, dat hier iets vreemds was voorgevallen. Gewoon, zelfs zijne diepste gewaarwordingen met kracht te beheerschen, en geoefend, om zijn natuurlijk gelaat met het momvan luim te bedekken, vooral wanneer het van vreugde of smart weende, gelukte hem dit bijna zonder moeite.
Willhofenhad welgevallen in den vroolijken, krachtigen jongeling.
„Waarlijk,” riep hij, „het was goed mijnheer, dat wij u op de slede laadden, want nog zoo jong een buit voor de wolven te worden, dat ware al te hard geweest.—Wilt gij echter hier deze pelslaarzen niet aantrekken? Gij zijt er misschien niet aan gewoon, maar bij ons zijn zij goed. De wind blaast hier een weinig scherper dan in Duitschland.”
„Kent gij Duitschland, oude vriend?” vroeg Bernard.
Thans verhaalden Lodewijk enWillhofengedurende het verkleeden de geschiedenis van hun wedervinden.
„Hm!” zeide Bernard, terwijl hij nadenkend stilstond, „wonderlijk genoeg.—EnBeaucaireenSt. Luceshebben ook hun loon?—Er komen zoo oogenblikken, dat ik piëtist kon worden, Lodewijk, en gelooven, dat zich iemand zeer bijzonder om onze voddige aangelegenheden bekommerde en onzichtbaar nevens ons ging, om ons door alle zich kruisende dwaalwegen heen te voeren tot aan het punt, waar de draden, waaraan wij dansen, bijeenkomen. Dan eerst verneemt men, wie met ons aan hetzelfde draadje geregeerd werd en naar dezelfde wijs met ons moest dansen. Ja, waarlijk, er gebeuren allerlei wonderlijke fratsen in de wereld!”—„Nu oude!” wendde hij zich tot Lodewijk, „waarom dan zoo hongerig en stom! Is uw geloof nog niet vast genoeg? Merkt gij nog niet, dat uw groene sluier uit het dal vanAostahier zoo goed op de sneeuw zal schitteren, als bij het hospitium van den heiligen Bernard?—Het doet mij, in 't voorbijgaan, vermaak, dat ik zijn naamgenoot ben.”
Hij greep bij deze woorden Lodewijks hand en drukte ze met warmte. Zijn scherp zielsoog zag diep in het hart zijns vriends en bemerkte den grond van zijn zwaarmoedig zwijgen. Doch met een even helder oog zag hij ook dat de verborgen knoppen der liefde thans tot welriekende bloemen moesten openbarsten, en dat de broeder de hand der zuster in die des vriends konde leggen.
Beiden waren aangekleed; zij gingen naar de zaal, welkeWillhofenhun als de eetzaal aanwees. Zij was nog slechts door een groot vuur verlicht, dat, om spoediger warmte te krijgen, was aangelegd. De voor vier personen gedekte tafel stond dicht bij den schoorsteen.
Willhofenzette den armblaker, dien hij in de hand droeg, om de gasten voor te lichten, op de tafel. „Weest voor het overige onbezorgd,” zeide hij, „de zaal zal spoedig warm worden, want de kachels zijn ook gestookt, doch dit duurt wel iets langer.—Ik zal thans de prinses melden, dat gij hier wacht.” Hij ging.
Thans waren Lodewijk en Bernard alleen. Zij zagen elkander lang aan; daarop vielen zij elkander om den hals en hielden elkander zwijgend omarmd.
„Lodewijk,” riep Bernard eindelijk, „wanneer wij ons herinneren, waar wij dezen morgen ontwaakten, en waar wij dezen avond zullen insluimeren—Lodewijk, dan vang ik waarlijk aan, gelijk een vroom kind aan wonderen en engelen te gelooven.”
„Een liefelijke engel is het, die dit wonder bewerkte,” hernam Lodewijk bewogen; „hare beschermende vleugelen waren over ons uitgebreid, hare zorgende hand voerde ons uit het duistere rijk des doods terug. Het hoogste wonder blijft dit wonderdadige heiligenbeeld zelf.”
De deur naar eene binnenkamer opende zich en Feodorowna trad binnen.
„Ziet gij? Reeds zweeft het weder zegenend nader—o, de glans verblindt mij, ik moet mijne oogen afwenden.” En hij wendde zijn gelaat af om zijne tranen te verbergen.
„Zuster!” zeide Bernard zacht en behoedzaam, toen hij zag, dat zij alleen kwam. „Zuster! nog eenmaal moet iku metdezen naam begroeten.”
„Broeder!” antwoordde zij en trad hem vertrouwelijk tegemoet en leunde tegen zijne borst, toen hij den arm om haar heen sloeg en haar op het voorhoofd kuste.—„Broeder! zuster! Wat klinkt zoeter? De eene naam streelt mijn oor, gelijk de andere mijne lippen. Broeder, zuster!”
„En vriend!” voegde Bernard uit het innigste zijner ziel er bij, terwijl hij den afgewenden Lodewijk bij de hand vatte, om hem nader bij te trekken. „Zie, zuster, hij was de heldere ster van mijn levensnacht, tot uw helder zonnelicht voor mij opging; maar hij zal niet verdooven, noch verbleeken, gelijk de trouwelooze starren aan het firmament; want nooit heeft hem ook eene wolk verborgen en hoe vreeselijker de nacht was, des te helderder, des te vriendelijker straalde hij mij tegen. O, ik wenschte dathijuw broeder was, dan hadt gij een beteren dan mij gevonden.”
„Bernard!” zeide Lodewijk geroerd, doch zacht berispend.
„O, ik kende onzen vriend vroeger dan u,” hernam Feodorowna. „Mijn hart is hem nog veel verschuldigd uit oude dankbaarheid, en sinds weinige oogenblikken is deze schuld oneindig vermeerderd.”
„Hoe zoo, mijne beste?” vroeg Bernard.
„Mag ik het u bekennen, mijn broeder,” vroeg zij en zag hem vriendelijk aan, „zult gij niet boos op mij zijn?”
„Boos op u zijn? Op u?”
„Zie,” voer zij met eene liefelijke bedeesdheid voort, „de waarde van den vriend is mij borg voor die des broeders! Waarlijk, ikgeloofdeaan u,” voegde zij er sneller bij, „doch hem dank ik de zaligeovertuiging, daar de edele slechts den edele zoekt en bemint.”
Zij verborg na deze woorden het lieve gelaat schaamrood aan Bernards borst.
„Dienzelfden dank benikhemschuldig, zuster,” hernam Bernard, met innigen nadruk sprekende.
„Hoe, gij?” vroeg zij met verbazing.
„Ishijmij dan geen borg voor de zuster?”
Zij sloeg hare oogen neder; de liefelijkste rozengloed kleurde hare wangen; zacht huiverend zweeg zij. Eene aangename beklemdheid vervulde de harten der drie innig verbonden menschen: eenige oogenblikken heerschte er eene heilige stilte.
„Ik ben hier gekomen, om u alles te verklaren,” hernam zij.—„Zie hier, waarom uwe trekken mij dadelijk in het eerste oogenblik met zulk eene vreemde aandoening vervulden.”
Zij reikte hem de beide portretten, welke zij van Ruschka door Gregorius ontvangen had, over. Bernard, die ze met een schildersoog bekeek, herkende dadelijk de gelijkenis van het mansportret met hem en van dat der vrouw met Feodorowna. Hierdoor drong de zekere gewisheid in zijn hart, dat zijn nieuw geluk geen droom was, dat het vast rustte op den bodem der wezenlijkheid. Opeens vroeg hij: „En kent gij ook den naam onzer ouders, mijne zuster? Want ik ben onder wildvreemden opgegroeid en heb nauwelijks geleerd eenige waardij aan den naam en het aanzijn van hen te hechten, die mij onbarmhartig van zich gestooten hebben.”
„O, bezondig u niet,” hernam Feodorowna met eene vrome huivering; „het aandenken aan uwe ouders mag u dierbaar zijn. Ik kan u wel geene uitvoerige berichten van hen geven; doch deze papieren zullen u genoeg inlichten, om in het vervolg slechts met weemoed en liefde aan hen, die u het leven gaven, terug te denken.”
„O, gij hebt recht, want reeds daarom moest ik hun eeuwig dankbaar zijn, dat zij mijutot zuster hebben gegeven.” Hij nam met deze woorden den brief aan, waarin Ruschka aan Feodorowna het geheim harer geboorte ontdekt had, en las hem haastig met stijgende belangstelling.
Ondertusschen spraken Lodewijk en Feodorowna met elkander en begon deze haar zijn wonderbaar vinden vanWillhofenen den samenhang te verhalen, waarin deze brave man met zijne lotgevallen stond. Bernard, die onder het lezen half hoorde riep opeens uit: „Lodewijk, hoe heette de vriend uws vaders, om wiens wil hij vluchten moest?”
„Waldheim,” antwoordde deze.
„Waldheim!” riep Feodorowna verrast en zag Lodewijk en Bernard vragend aan.
„Dan vertoonen zich hier nog nieuwe draden van den wonderlijksten samenhang; doch ik weet nog geen middel, om zekerheid te verkrijgen.”
Intusschen tradWillhofenbinnen.
„O, ik dwaas,” zeide Bernard en sloeg zich onwillekeurig voor het voorhoofd;„moest ik dat nog afwachten? Mijne scherpzinnigheid moet in deze koude verstijfd zijn, anders had ik er wel van zelf op kunnen komen, dat hier een voldoende ooggetuige leeft.”
Hij nam de beide afbeeldingen, die hij van zijne zuster ontvangen had, en wendde zich totWillhofen. „Kom nader, mijn vriend,” sprak hij hem aan, „nader, heel dicht bij ons, hier aan het licht.”
Willhofennaderde bescheiden.
„Kent gij misschien deze portretten?”
Eene vroolijke verrassing schitterde in de oogen van den ouden bediende; hij beefde en kon nauwelijks spreken. „Of ik ze ken?” vroeg hij. „Ach hoe ligt opeens de goede tijd voor mijne oogen! Heb ik ze dan niet honderdmaal in de kamer van den ritmeesterWaldheimte Straatsburg boven de sofa zien hangen?—Dat is hij immers zelf sprekend gelijkend, en de genadige vrouw ook.”
Nauw hadWillhofendeze woorden gesproken, toen Lodewijk uitriep: „Hoe? Mijn vader dus....”
„Offerde zich voor den mijnen op,” viel Bernard hem in de rede. „Ziet gij, vriend,” voer hij aangedaan voort, „zoo heb ik u nog menige oude schuld af te doen, om nu van de nieuwe, die daar zijn gekomen, niet eens te spreken.”
„Welk een samenhang!” riep Lodewijk uit. „Welk een dag van gericht en vergelding!” Hij dacht aanSt. LucesenBeaucaire, die in denzelfden stond door de goddelijke wraak waren ingehaald, dat het lot hem en zijn vriend den schoonsten krans bood, welke uit het langzaam gerijpte zaad van lang verloopen jaren was opgebloeid.
Feodorowna had tot hiertoe met stomme verwondering toegeluisterd; thans deed zij in hare verrassing de snelle vraag: „Gij hebt alzoo mijne moeder gekend, Solanow?”
De knecht stond verstomd. „De gravin Dolgorow,” begon hij stamelend en zag Feodorowna met vreemde, verwonderde oogen aan, als zocht hij in hare gelaatstrekken eene verklaring van hare zonderlinge vraag.
Feodorowna was verschrikt, daar zij haar geheim verraden had. Bernard, die het zag, sprak haar geruststellend aan: „Vrees niets, mijne beste, dit hart is trouw; ik sta borgdaarvoor; doch nu mag niets meer voor hem geheim blijven.” Hij onderrichtte daaropWillhofenvan alles en beval hem zwijgen en voorzichtigheid aan. De oude bediende beloofde dit beide met ontroerde stem en stak Bernard met Duitsche trouwhartigheid zijne hand tot pand toe. „Nu begrijp ik eerst,” zeide hij, „waarom de trekken der prinses mij dadelijk, de eerste maal dat ik haar zag, zoo bekend voorkwamen. Ja, en de uwe waarachtig ook, jongeheer.—Doch vergeef mijn gebabbel, uwe hoogheid; ik kwam eigenlijk om te vragen, of het uwe hoogheid gelegen komt, dat men aanrichten zal.”
„De gravin Dolgorow moet eerst gevraagd worden, of zij aan tafel zal verschijnen,” hernam Feodorowna, enWillhofenverliet, stilzwijgend zich buigende, geheel op de wijze zijner oude dienstonderdanigheid, het vertrek.
Na eenige minuten kwam hij met het antwoord terug, dat de gravin zoo vermoeid was, dat zij zich te bed had begeven.
Men richtte aan. De tegenwoordigheid van onderscheiden bedienden bedwong thans de warme opwelling der liefde tusschen de drie zoo nauw verbonden zielen in het ijzeren keurslijf van uiterlijke plichtplegingen.
Echter wist Feodorowna ook zelfs aan deze betrekking zulk eene aangenaamheid en vriendelijkheid des harten bij te zetten, dat zelfs de broeder met gewillige onderwerping den dwang verdroeg, aan welken zijn trotsche aard en het levendig gevoel zijner rechten zich moesten onderwerpen. Zoo vloog ook dit uur pijlsnel om.
Feodorowna stond op, de bedienden namen af en verlieten de zaal. Feodorowna beval, datWillhofenin de buurt en op zijne hoede zou blijven. De vertrouwelijke eenzaamheid vereende de harten weder nader. „Nu ben ik weder uwe zuster,” begon Feodorowna, terwijl zij zich met beminnenswaardige vertrouwelijkheid aan Bernard aansloot; „nu behoor ik weder geheel aan u.”
„Gij lieve,” hernam hij en zag haar in het onschuldige, trouwe oog. „O mijn God, zoo diep hebt gij mij nog nooit in uw hemel laten zien!”
Lodewijk was met zich zelf hevig in strijd: zijn hart verdroeg den bangen strijd tusschen het hoogste geluk en de diepste smart niet langer.—Doch hij gevoelde, dat niet de hand des broeders, die zijne liefde kende, hem de zuster mocht toevoeren, maar dat hij zelf met vrijen mannelijken wil en kracht moest wagen en handelen. Wie niet, zelfs met gevaar van het te verliezen, naar het hoogste durft streven, is het niet waard; dit riep hem zijn hart toe, en hij gehoorzaamde, ofschoon bevend, het gebod der liefde en der eer.
„Bianca,” zeide hij met ontroerde stem, „want de zuster mijns vriends vergunt mij gewis den naam, die mij onvergetelijk dierbaar van den schoonen lentedag onzer eerste ontmoeting toeklinkt,—Bianca—op mijne lippen zweeft de hoogste wensch mijns harten, hebt gij dien niet verstaan voor ik hem uitspreek—zoo blijve hij eeuwig in de banden des zwijgens verborgen.—Doch spreekt uw hart—dan—laat het thans beslissen.”
Zij werd rood, eene zoete verwarring teekende zich op haar gelaat; sidderende, met neergeslagen oogen hernam zij: „Mijn hart?—Ik weet het niet—of ik het gehoor mag geven—het heeft reeds lang beslist!” Hier verborg zij het hoofd en het van zoete tranen overstroomend oog aan de borst des broeders. Bernard sloot haar zacht in de armen.
Lodewijk greep bevend hare hand; doch hij waagde het niet de liefelijke gestalte aan zijne borst te drukken. Zijn oor vernam het woord, dat voor hem den hemel der zaligheidwijd opende, doch zijn hart werd door de huivering eener bange twijfeling bewogen, want te schielijk, te machtig stond het wonder der vervulling voor hem. Hij vreesde, dat de beeltenissen zijner zalige droomen mochten ontvluchten; de onmetelijkheid van zijn geluk ontnam hem de kracht, om er aan te gelooven.
Zij liet hare hand in de zijne rusten en trok die niet terug, toen hij ze met heete kussen en tranen overdekte; doch hield haar liefelijk gelaat nog steeds zacht weenend aan de borst haars broeders verborgen.
„Bloos niet, mijne zuster,” zeide Bernard op bewogen toon, „wanneer gij de schoonste bekentenis moogt doen; schooner dan de liefde versiert geene roos de vrouwelijke borst. Uw rein hart kon niet dwalen, het heeft het edelste gevonden en uitgekozen.”
Thans verhief zij het hoofd en het in tranen schitterend oog tot haren broeder; daarna keerde zij zich met maagdelijke schroomvalligheid naar haar geliefde, die haar met bevend verlangen tot zich trok.
„O mijn God,” lispelde zij en dankbaar richtte zij haar oog ten hemel. „Waarmede heb ik deze overmaat van goedheid verdiend?” Woord en blik stierven in heilige tranen weg; liefelijk boog zij zich tot den vriend en zonk zwijgend, zalig bedwelmd aan zijne borst.
Thans eerst vereenigde de innigste band de drie beminnende zielen. Zij waren zóó overgelukkig, dat alle zorg, alle schrik voor de toekomst verbannen scheen. Slechts in het verledene verwijlden zij, zich vermeiende in het aangenaam herdenken van de oogenblikken hunner eerste ontmoeting, toen de kiem ontsproot van den heerlijken boom, die hen thans met zijne bloesemkroon beschaduwde. Lodewijk verhaalde van dien dag, waarop hij voor het eerst den groenen sluier op eene uitgebreide sneeuwvlakte had gezien en, door een onwederstaanbaar voorgevoel gedreven, hem dat vooruitzwevende doel was nageijld. „O, Bianca,” zeide hij geroerd, „toen reeds bouwde ik in hoogvliegende droomen luchtkasteelen, waaraan ik zelf niet durfde gelooven. En thans heeft eene wonderhand ons midden in die zalige gewesten gevoerd!—Maar ook thans waag ik niet te gelooven, dat alles werkelijk is, wat ik om mij zie. Spreek, mijne beminde, zullen deze liefelijke gestalten niet verzinken? Reik mij de hand ten onderpand, dat gij leeft, dat gij mij inderdaad nabij zijt en niet verdwijnen zult, wanneer ik u aanraak!”
Zij gaf hem vriendelijk glimlachend hare hand.
„Ja, ja, gij zijt het,” begon hij weder; „zoo glimlachtet gij, toen ik voor de eerste maal uw gelaat zag. Weet gij het nog? In het dal vanAosta, bij die hut, welke de wijnranken vertrouwelijk omslingerden, waar de kastanjeboom zijne takken beschaduwend over het grasperk uitbreidde. O, dat tafereel zal nimmer uit mijne herinnering verdwijnen!”
Zij zag hem aan met de uitdrukking der innigste liefde; een traan glom in haar helder blauw oog.—„O, het was schoon daar,”zeide zij bewogen.
„En weet gij, lieve zuster,” sprak Bernard, „waar ik u het eerst gezien heb?”
„Uwe eerste ontmoeting was eene gezegende,” hernam zij; „gij reddet de zuster uit den dringenden nood, waarin zij met hen, aan wie zij haar hart geheel gewijd had, verkeerde.”
„Neen! Ik kende u reeds veel vroeger,” zeide hij lachend. „Niet in eene romanesk gelegen hut, maar midden in den glans der rijke, bedorven wereld heb ik u het eerst gezien. Maar ik ontdekte den reinen diamant uwer ziel midden onder de menigte van valsche steenen, daar ik ze aan een anderen diamant zag toetsen. Het was te Londen in deRomeo en Julia, dat ik in uwe tranen spoedig echte parelen zag. Ik wilde de schoone schelp rooven—herinnert gij het u niet meer, mijne zuster?”
„Hoe?” vroeg zij verwonderd en zocht door het levend beeld haars broeders dat harer herinnering te verjongen; „hoe waartgijdie jonge schilder?”
„Niemand anders dan ik,” hernam Bernard.„En gisteren nog zou ik u het bewijs hebben kunnen leveren, want Lodewijk had uw portret sinds lang. De schelmBeaucaireheeft het ons ontroofd.—Doch wie was die trotsche, engelsche gek, die mij uitdaagde en zich naderhand niet vinden liet?”
„O, mijn broeder,” antwoordde Bianca met levendigheid, „dan dank ik u reeds eene onmetelijke weldaad. Die Engelschman,lord Glower, was de voor mij bestemde bruidegom. Dit voorval verwekte een twist tusschen hem en mijn vader, wijl deze afkeurde, dat de lord zich aan het tweegevecht onttrokken had. Zoo werd door den beleedigden trots van den Engelsman eene betrekking verbroken, welke mijne gebeden en tranen te vergeefs getracht hadden af te wenden.”
„Men wilde u alzoo dwingen?” vroeg Bernard.
„De dochter,” antwoordde Bianca zacht en bepaald, „meende te moeten gehoorzamen; haar hart kende toen de liefde nog niet. Maar zij alleen werpt een zuiver licht op de verwarde paden der plichten en voert, gelijk de morgenster, den dwalenden voet aan het doel.”
„Doch gij waart gehuwd, lieve zuster?” vroeg Bernard.
Lodewijk beefde inwendig bij deze vraag.
Bianca bloosde sterk en sloeg beschaamd hare oogen neder. „Het was door dwang, dat ik den naam eener prinses Ochalskoi draag,” zeide zij zacht; „doch gij zult uwe zuster voorzeker vrijspreken.”
Zij verhaalde thans met weinige woorden de geschiedenis van haar huwelijk. Lodewijk werd daardoor hevig ontroerd, doch het trotsche hart van Bernard zwol van toorn. Hij stond op en ging met onrustige schreden door het vertrek op en neder.
„Lieve zuster,” sprak hij na eenige minuten, „uit alles, wat gij verhaalt, zie ik, dat ons heil hier aan een haar over een afgrond hangt. Wij hebben een uur in de zoetste rust ons geluk genoten; doch de nood dwingt ons te handelen. Zeg mij, weet graaf Dolgorow, dat het geheim uwer geboorte u bekend is?”
„Hij weet het niet; ik zweeg, om Ruschka's broeder niet in het ongeluk te storten, en om ongehinderd naar u te kunnen vernemen.”
„En zoudt gij nog schroomen, u aan hem te ontdekken?”
„Voorzeker,” riep zij snel.
„Zoudt gij dan vreezen....”
„Alles, mijn broeder, voor u, voor mij—voor uw vriend,” voegde zij er zachter bij.
„Dan moeten wij ons zelven den weg banen. Strenge bewaring van het geheim is ten eerste noodig.—Mijne zuster, ik heb u slechts eene vraag te doen; wilt gij metons naar Duitschland gaan? Kunt gij rang, macht en rijkdom verzaken, om een broeder en een vriend te volgen, die u niets aanbieden dan hun hart,hunhoofd en in het ergste geval hunne werkzame handen?”
„O mijn broeder!” riep Bianca en sloeg haren arm om hem heen, „vraagt gij mij waarlijk, of ik de vurigste wenschen mijns harten wil vervullen?”
„Goed dan,” zeide Bernard bedaard; „zoo is de weg, dien wij in te slaan hebben, te zwijgen en te vluchten, wanneer zich eene gunstige gelegenheid voordoet, maar vooral om thans te scheiden, opdat ons laat bijeenblijven geen argwaan wekke. Morgen zal de zon ons immers wel weder beschijnen.”
In Bernards toon lag iets gebiedends, dat bijna onwillekeurige gehoorzaamheid vond. Zoo gehoorzaamde Bianca hem dan ook en scheidde, na eene innige omarming, met liefdevollen blik, terwijl zij door de deur naar de vertrekken der gravin verdween. Bernard en Lodewijk begaven zich naar hunne slaapkamer.