HOOFDSTUK IV.

„Hartelijk geliefde Broeder!„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is, dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt, die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg; een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij zoudt minder lijden!De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart zal hun eeuwig dankbaar zijn.Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft! O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven! Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet, dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn troost zij met u!UweMaria.”„Gij hebt een machtig schild voor u, dat morgen in het uur des gevaars u dekken zal,” sprak Bernard met eene stem, waaraan hij te vergeefs hare gewone vastheid poogde te geven; „omzweefden mij zulke beschermgeesten, ik zou aan den mond van den Vesuvius rustig insluimeren. Broeder Lodewijk, wij zouden u troosten? Troost gij ons, die van niemand zulke woorden der liefde hooren.—Lees, lees,” dus wendde hij zich tot Rasinski en reikte hem den brief over, „hij staat mij in het hart gegrift.”„Ik zal haar dus niet wederzien!” sprak Lodewijk met eene gesmoorde stem en leunde het hoofd aan Bernards borst.„Dat de duivel ons nu nog tot morgen op de pijnbank moet laten omspartelen!” riep deze verdrietig. „Nu dadelijk heb ik lust tot den slag, dadelijk. Dapper? Dapper zal ik niet zijn; maar dat mij ooit van mijn leven iets onverschilligers ontmoeten kan, dan eene batterij, die een Niagarastroom van kartetsen uitbraakt, dat geloof ik niet.—Kom, laat ons naar de hutten gaan, waar Jaromir en Boleslaw liggen; op een avond vóór den slag moet men elkander toch nog eens goeden dag zeggen.—Maar is het dan ernst?”Bernard had, zoolang hij sprak, Lodewijks hand niet uit de zijne gelaten en ze bijna krampachtig vastgeklemd. De laatste woorden richtte hij tot Rasinski, die uit eene sombere mijmering oprees.„Ernst? Zoo zeker als de bittere slag, die onzen vriend getroffen heeft.”—Hij drukte zich de hand op het voorhoofd, als kostte het hem moeite zijne gedachten te verzamelen. „Wat wilde ik toch zeggen?—Ja, ja.—Kutusow wil morgen vechten—zonder twijfel. De keizer heeft het slagveld reeds opgenomen. De dag van gisteren was slechts een voorspel. De zevende September is bestemd, om in de boeken der geschiedenis te worden ingeschreven.”„Dan zal men hem met roode letters in den almanak kunnen drukken, denk ik,” hernam Bernard. „Mij goed. Hoe meer de dood in massa oogst, des te koeler zie ik het aan. Wat ziet men met meer onverschilligheid dan de sterflijsten van een groot rijk bij het einde des jaars? En geen veldslag, de bloedigste zelfs niet, is zoo moorddadig als een enkel jaar van den rustig voortloopenden tijdstroom. Wat zeg ik? Een jaar? Een dag, een uur, een oogenblik, wanneer wij over den molshoop, waarop wij rondwoelen, heenzien! Ik ken niets dwazers dan aan dood en doodsgevaar gewicht te hechten; het gevaarlijkste is geboren te worden, want daarmede begint niet alleen de last des stervens, maar ook die des levens met zijn zondvloed van rampspoeden, jammer, ellende, schurkestreken en nesterijen. Maar komt, vrienden.—De paarden smullen, dat het een lust is. Wat doen wij langer hier.”Met drift vatte hij Lodewijk onder den arm en geleidde hem naar buiten. „Ik volg u dadelijk,” riep Rasinski de heengaanden na.„Nu, een ijsbeer ben ik nou ook juist niet, vriend,” mompelde Bernard, toen zij alleen waren;„maar mijne tranen heb ik slechts voor mij zelf en voor hen, die ik lief heb als mijn eigen ik.” Hier klemde hij den vriend onstuimig aan de borst en drukte een warmen kus op zijn voorhoofd. Lodewijk voelde Bernards heete tranen en met deze zijne gansche liefde, den vollen troost zijner opofferende trouw.Arm in arm beklommen zij eene kleine hoogte, vanwaar zij de met mannen en paarden bedekte vlakte geheel konden overzien. Reeds had de herfst het loof verbleekt, de berkenstrooidendorre bladeren over het gras uit, het groen was dood en vertoondeeen vaal grauw; de hemel hing loodkleurig over de velden, ruwe windrukken gierden van tijd tot tijd door de vochtige, nevelachtige lucht.„Zoo is het thans in mijne ziel gesteld, beste broeder,” sprak Lodewijk met eene onzekere stem; „zoo ledig en vreugdeloos en toch zoo onstuimig, als in dit doode, schoon met een onrustig gewoel vervulde landschap.”„In de mijne is dat eigenlijk de alledaagsche kleur,” hernam Bernard, „slechts zelden werpt de zon, als op hooge feestdagen, een vluchtigen blik door het grijze nevelfloers. En zelfs dan wekt hare verschijning, evenals elk te vluchtig geluk, eer smart, dan vreugde en doet slechts het verlangen van ons hart uit zijne doffe sluimering ontwaken. Drogbeelden naderen ons; wij zijn vol liefde, maar wanneer wij de armen uitbreiden, om haar te omvangen, zijn zij verdwenen. Ik voor mij pleeg dan nog gewoonlijk het geluk te hebben van met de knokkels tegen den wand te stooten of mij de wollen deken in het gezicht te drukken in plaats van de geliefde.—Gij wordt wellicht verdrietig, Lodewijk, maar er is iets dat mij ergert, en ik moet het u zeggen. Het zou mij een goed voorteeken geweest zijn, wanneer het uur en de dag waren overeengekomen; intusschen zie ik, dat zulks het geval niet is.”„Hoe zoo, broeder?”„Toen wij door den Dnieper reden, moest ik, gij weet het immers, zoo levendig aan uwe zuster denken, alsof zij voorbij ons heenzweefde. Wanneer dat nu het doodsuur uwer moeder geweest was—ik ben een man, ik weet het, maar ik hecht nu eenmaal aan zoo iets. Uwe moeder is des morgens en drie dagen vroeger overleden.”Lodewijk glimlachte weemoedig, Bernard zag strak voor zich neder, beiden zwegen.„De goede Maria!” begon Lodewijk eindelijk weder, „zij bekommert zich over mijne eenzaamheid en staat toch zelve zoo geheel verlaten.”„Zoo moet het ieder toeschijnen, die niet altijd het eerst aan zich zelf denkt. Ook komt daar nog eene zeer algemeene dwaling bij. Nooit kan de mensch geheel uit zijne eigene gewaarwordingen in die van een ander overtreden. Wijl Maria u zoo ver van haar zelve gescheiden gevoelt, meent zij u ook van allen gescheiden; en gij omgekeerd evenzoo. Niets is bij ons natuurlijker, dan dat wij ons den bewoner van Siberië of Spitsbergen als geheel verstooten van den aardbodem voorstellen, want wij bedenken niet, dat een Parijzenaar de Groenlander even verwijderd, even ver naar de uiterste grenzen van den bewoonden aardbodem verbannen moet toeschijnen, ja dat deze hem als beroofd en verstoken van alle weldaden der natuur beschouwt, dewijl alles, wat Frankrijk kan opleveren, ver buiten den kring zijner wenschen en voorstellingen ligt.—Doch zie, hoe de wind den rook der wachtvuren over de vlakte jaagt; de damp beklemt de ademhaling.—Denkt gij met bezorgdheid aan den slag?”„Neen, Bernard, mijn ziel houdt zich zoo geheel anders bezig. Wanneer wij midden in het gewoel zijn, wellicht dat het mij dan medesleept. Ik had mij vroeger het bijwonen van een veldslag als hoogst belangrijk voorgesteld; heeft het gevaarvolle zwervende krijgsmansleven, die gedurige herhaling van het voorspel tot het hoofddrama, mij verstompt of is het, omdat mijne gedachten zoo ver van hier omzwerven, althans voor mijn gevoel is het op dit oogenblik eene schier onverschillige omstandigheid, dat morgen het lot van twee volken beslist moet worden. Intusschen zegt mijn verstand mij het tegendeel.”„Vriend,” begon Bernard, „ik vroeg dat niet zonder opzet, anders had ik thans wel over andere dingen gesproken. Maar vergeef mij, ik denk mede aan Maria; het slotvan haren brief—ik geloof wel, dat hare beden in den grond meer afdoen dan tien beschermheiligen—en toch—om uwentwil vrees ik den slag en het zou mij, rondweg gezegd, recht aangenaam zijn, wanneer gij buiten het gedrang woudt blijven. Laat mij met Rasinski spreken.”„Neen!” antwoordde Lodewijk zacht, maar met vastheid. „Gij weet, dat geen innerlijke beweeggrond mij tot den strijd aanvuurt, dat mijne wenschen zelfs meer tot de zaak onzer tegenstanders overhellen, wijl hunne overwinning ons vaderland ten minste van de onderdrukking, die het in dit oogenblik dulden moet, bevrijden zou; maar toch druischt uw voorslag zoozeer tegen mijn gevoel in, dat ik geene minuut weifelen kan. Vooreerst ben ik een man; daardoor reeds zoude ik mij zelven verlaagd gevoelen, wanneer ik mij in het uur des gevaars aan mijne roeping onttrok.”„Waarlijk, ik denk slechts aan Maria,” riep Bernard, „en weet, dat gij een smartelijk offer zoudt brengen; maar ik twijfel of gij zulks niet verplicht zijt!”„Slechts voor haar wensch ik te leven,” hernam Lodewijk, „en de hemel is mijn getuige, dat ik, moet ik vallen, alleen treur om de eenzaam achtergelatene. Doch neen, neen, de scherpzinnigheid mijner gronden mag kunnen bestreden worden, het gevoel, dat in mijne borst spreekt, kan het nimmer. Maria zelve zou zich mijner schamen; zoomin zij mij door iets, dat harer onwaardig is, het leven zou willen behouden, zoomin kan zij verwachten, dat ik zulks voor haar doen zoude. Neen, Bernard, uwe liefde voert u te ver!”„Gij zijt door uwen waren moed boven den schijn dezer verdenking verheven; ik ben het ook en zou mij, in geval ik reden had om mij aan den slag te onttrekken, geen oogenblik bezinnen.”„Ook ik niet, indien het terugblijven zelf het doel mijner handelwijze was; maar niet, wanneer dat het middel zijn moest. Vergeet ook niet, dat de stand dien wij kozen, eigenlijk ons leven beschermt; daardoor rust op ons de dubbele verplichting om het heiligdom van zijne eer ongeschonden te bewaren. En dan, Bernard, dezen weg des doods wilt gij voor mij afsluiten; maar hoe de duizend andere paden, waarop hij ons dagelijks kan overvallen? Sterk u met het geloovig vertrouwen, dat Maria zelve koestert; zij vordert niet, dat ik het gevaar ontvluchten zal, maar hare krachtige ziel vertrouwt er op, dat hoogere machten mij zullen beschermen. En zoudt gij dan mij en Rasinski en Jaromir en Boleslaw in den slag kunnen laten trekken en in zekerheid uit de verte aanzien, hoe het zwaard des doods boven de hoofden uwer vrienden zweefde? Bernard, raadpleeg uw eigen hart en laat dat u antwoorden.”„Recht hebt gij zekerlijk, maar stond het in mijne macht u onrecht aan te doen, ik deed het dadelijk in dit geval. Ware ik in Rasinski's plaats, ik liet u onder eenig voorwendsel handen en voeten binden, en heden avond nog tien dagmarschen achter onze achterhoede tusschen vier muren zetten.”„Gij deedt het zeker niet,” sprak Lodewijk en drukte hem met aandoening de hand.„Laat dan loopen het ijzeren rad van het noodlot!” riep Bernard en stampvoette van spijt. „Het verplette wien het wil, maar dat zweer ik u, het zal geene ruimte vinden, om tusschen u en mij door te rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw daar niet de hoogte op?”Zij waren het. Door Rasinski van Lodewijks verlies onderricht, kwamen zij den bedroefden vriend door hunne liefde en hun medelijden vertroosten. De jeugdige, lichtvoor aandoeningen vatbare Jaromir bedwong zijne tranen niet; Boleslaw, door eigen lijden meer gehard, vermocht slechts den zachten ernst te toonen.Zij gingen te zamen den heuvel af, om zich aan het wachtvuur bij Rasinski's hut te legeren, waar deze alle officieren verzameld had, om den avond vóór den slag in vriendschappelijke vertrouwelijkheid door te brengen. De zon moest haren ondergang reeds nabij zijn; sedert den middag had zij zich achter grauwe wolken verscholen. De avond naderde en was gevoelig koud, zoodat zelfs het vuur en de dichte mantels de vorst niet geheel konden afweren. De gansche dag was in doodsche rust voorbijgesneld; het scheen, dat de beide vreeselijke, tegenover elkander gelegerde strijdmachten zich deze korte verademing wilden vergunnen, om den volgenden morgen met verdubbelde woede den verbitterden kamp der verdelging te kunnen beginnen. Deze beklemmende, alle frissche levenskrachten verlammende stilte werd door de stemming der enkelen nog vermeerderd; want ieder zag natuurlijk het uur der beslissing met somberen ernst te gemoet. Zoo wilde dan ook het gesprek in den kring der gelegerde kameraden niet levendig worden, en zelfs dan, wanneer Lodewijk en zij, die het nauwst met hen verbonden waren, niet bijzondere oorzaken hadden gehad, om zich aan zwijgende, afgetrokken mijmeringen over te geven, zoude op dezen avond geen vrije, zorgelooze opgeruimdheid onder de krijgers geheerscht hebben. De toekomst vertoonde zich te donker, de hemel was te zwart betrokken, de donder rolde te dreigend in de verte, om aan het bloed een vrijen omloop door de aderen te vergunnen. Te vergeefs trachtte Rasinski door het gestadig vullen der bekers, door het herinneren aan vroegere, belangrijke ontmoetingen, door het uiten der schoonste verwachtingen voor de toekomst de gemoederen te vervroolijken; een oogenblik nam men een levendig aandeel in het gesprek, maar na eenige minuten was ieder weder in zijne eigene, stille overdenkingen verdiept.Het schemerde reeds, toen een kanonschot uit het vijandelijk leger de doodsche stilte afbrak. Men sprong op, vorschte, vroeg. In zulke uren, onder zulke omstandigheden is een schot bijna altijd het teeken van een gewichtig voorval, ieder hield het voor eene waarschuwing, om op alles bedacht te zijn. Ditmaal echter bleek de vrees voor dadelijke verontrusting ongegrond te zijn, schoon men reeds na eenige minuten vernam, dat dit enkele schot misschien het lot van den ganschen veldtocht had kunnen beslissen. Het was op eene bende ruiters gelost, onder welke zich de keizer bevond, die, door de vrees gefolterd, dat het russische leger zijne hoop op een veldslag andermaal door een overhaasten nachtelijken aftocht mocht verijdelen, zich te paard geworpen en van de schemering gebruik gemaakt had, om de stelling van den vijand nog eenmaal op te nemen. Tot zijne vreugde had hij uit de in zwarte massa's opdagende colonnes, die zich over de vlakte verspreidden, uit de lange, van Moskou aanrukkende rijen van ammunitie- en proviandwagens en de geduchte, nog gedurig versterkt wordende verschansingen op de hoogten de zekerheid verkregen, dat de lang gewenschte dag gekomen was. Hij aarzelde nu niet meer, zijne troepen hiermede bekend te maken. Een half uur na het vallen van het schot werd de legerorder rondgedeeld. Rasinski ontving ze van een adjudant en haastte zich, de woorden des keizers aan zijne vrienden voor te lezen.„Soldaten! De dag van den veldslag, dien gij lang gewenscht hebt, is daar. De zege staat ons op zijde; zij is noodzakelijk, zij zal u overvloed, veilige winterkwartieren, een spoedigen terugtocht naar het vaderland verzekeren. Gedraagt u als teAusterlitz,Friedland, Witepsk en Smolensko, opdat uwe late nakomelingen nog met trotschheid van hunne voorvaderen zeggen mogen: Hij streed in den geweldigen slag onder de muren van Moskou!”Deze korte, ernstige woorden maakten een krachtigen indruk op het hart der krijgers. Een edel vuur straalde uit hunne blikken, en toen Rasinski de sabel trok, haar plechtig omhoog hief en luid uitriep: „Leve de keizer!” werd die kreet door duizend stemmen juichend herhaald, zoodat de daverende toon, door den wind voortgedragen, tot in het leger des vijands weergalmde.De komende dag vorderde groote inspanningen; Rasinski vermaande derhalve zijne manschappen, zich tot rusten te leggen, ten einde frissche krachten tegen den volgenden morgen te verzamelen. Om eene opgewekte stemming levendig te houden; maar vooral ook om Lodewijk te verstrooien, sloeg hij den officieren nog eene wandeling door de legerplaats der gardes naar de tent des keizers voor, welke niet ver van het bivak der cavalerie was opgeslagen.Spoedig had men den grooten vierhoek bereikt, dien de gardes om de keizerlijke tent gesloten hadden. De aanblik dezer uitgelezen dapperen, onder welke men geen voorhoofd zonder litteekenen, geene borst zonder orde zag, moest de mannelijke ziel met krachtvol zelfgevoel vervullen; zelfs de weemoedig gestemde Lodewijk richtte zich vrijer op, toen hij door de rijen dezer helden trad. Nog levendiger werd Bernard door dit gezicht verrast.„Waarlijk, eene gansche galerij van studiebeelden!” riep hij uit. „Tien jaren zou ik hier kunnen zitten teekenen. En welk eene verscheidenheid van koppen en drachten! Zie eens dien gindschen grenadier, die juist zijn geweer poetst. Met welken ernst beschouwt en onderzoekt hij zijn wapen; in elken trek leest men, dat hij het als een heiligdom in eere houdt. Zie hoe hij den schijn der vlammen op het slot laat spelen en zich in den blanken loop spiegelt! Hm, de oude knevel mag zich vrij laten zien en mij dunkt, hij heeft zelf schik in den breeden naad, die zijn rimpelig voorhoofd halveert. Nu is hij klaar, doet een paar handgrepen, legt aan. Zeker bedenkt hij reeds, hoe hij morgen in den dichtsten kruitdamp zijn vijand in 't vizier nemen en met oogen zal aanzien, die doorborender schijnen dan de kogels in den loop.”—Onder het voortwandelen zweefde zijn geoefend oog over alle groepen in het rond, en waar hij een belangrijken kop zag, maakte hij de vrienden in zijne levendige, schertsende voorstelling daarop opmerkzaam, vooral ook met het doel, om zijn treurenden vriend hierdoor eenige afleiding te verschaffen.—„Zie daar vóór ons den baardigen grijskop, die zich het bloedig voorhoofd verbindt. Hoe koel en onverschillig scheurt hij zijne oude slobkous tot windsels! Nu, hij is aan wonden gewoon! Ik zie daar nog een breeden hoekigen hieroglief, die vermoedelijk door eene Mammelukkensabel aan de piramiden geteekend is. Zijn voorhoofd is eene volmaakte gedenkrol. Wie zich ingeschreven heeft, blijft zekerlijk in aandenken, schoon bezwaarlijk, in het vriendschappelijkste.—Die kerel ginds bevalt mij! Waarachtig hij scheert zich;—met gladde kin, als tot den zondagsdans in de tuinen vanNeuillyof in de lustige wijnhuizen vanSt. Denyswaar zooveel lieve meisjes zijn, wil hij morgen in den slag gaan. Hij is een Spartaan, die zich ook versierden en bekransten voor den strijd. Ik geloof, deze grenadier ziet er weinig onderscheid in, of hij met zijn liefjen de française opvoert of aan den vleugel van zijn regiment op eene batterij aanrukt. Muziek heeft men bij beide gelegenheden. Ik wed, dat hij zich verzekerd houdt, morgenavond in Moskou tezullen zijn en nu zijn toilet in orde brengt, wijl het dan misschien aan tijd kon ontbreken. Zijn gansche voorkomen roept: „Vive la bagatelle!” en een slag, een geheele veldtocht telt mee onder de rij der bagatellen. Hij ziet er echter niet jong meer uit en kan misschien wel vanMarengoenArcolameespreken. Geluk op reis, goede vriend, ik hoop, dat gij morgen nog zoo vroolijk zijn moogt als heden en bij uw avondeten zoo zorgeloos uw liedje neuriën, als op dit oogenblik.”„Ik heb toch deze soldaten reeds in eene geheel andere stemming gezien,” hernam Rasinski; „zoo woelig het leger hem moge toeschijnen, die het in dezen veldtocht voor het eerst ziet, zoo stil en doodsch komt het hem voor, die het reeds sinds lange jaren kent. Kalmte, bedaardheid, gevatheid op het ergste is op de gezichten dezer lieden te lezen, maar niet dat blijde vertrouwen, die brandende begeerte naar kamp en overwinning, die men anders op dagen vóór den slag in hunne oogen zag blinken.—Zie, daar is de tent des keizers. Wat mag wel de reden van dien oploop zijn?”Men zag de soldaten in groote troepen naar de tent snellen en zich in dicht gedrang daarom heen scharen. De terugkeerenden vertoonden een vroolijk gelaat en waren levendig met elkander in gesprek. Uitroepen van verwondering, van vreugde verhieven zich uit den zwarten hoop.„Wat is daar te zien?” vroeg Rasinski een grenadier, die uit het gedrang terugkeerde.„Wat er te zien is, mijn kolonel? O, wat schoons en prachtigs! Een kind, een kostelijk kind! De zoon des keizers! Ja, mijn overste, het is een jongen van melk en bloed. O, men is ook vader! Ik heb een zoon, die pas acht dagen ouder is. Zijn portret kan ik wel niet laten nakomen, maar ik heb het toch in het geheugen. De schelm staat mij hier”—daarbij wees hij op zijne met de orde van het legioen van eer versierde borst—„zoo duidelijk afgeteekend, dat ik geen beeltenis noodig heb. Maar het is toch aangenaam, als men die hebben kan!—Verzuim niet, overste, 't is de moeite waard, het zelf te zien.”De verrukte soldaat werd in den stroom zijner rede gestuit en door den hoop medegesleept. Rasinski en zijne geleiders trachtten zich een doortocht te banen, maar het gedrang was te groot; zij konden slechts uit de verte zien, dat voor den ingang der tent, onder de bewaking van twee baardige grenadiers, eene schilderij was ten toon gesteld, welke de soldaten met nieuwsgierige deelneming beschouwden.„Het heeft in mijn oog iets roerends,” sprak Lodewijk, „dat zich te midden dezer vreeselijke krijgstoerusting niet alleen de veldheer, maar ook de liefhebbende vader vertoont, die zijne dapperen in zijne vreugde wil doen deelen.”„Ja, ja,” sprak Rasinski glimlachend, „hij is een grondig menschenkenner, de keizer. Door niets kan hij zijne oude knevelbaarden levendiger aan het vaderland en hunne geliefde betrekkingen herinneren, dan door zulk eene vertooning. Nu verlangt ieder met vurige drift naar het schoone Frankrijk, waar deze zijne kinderen, gene zijne jonge vrouw, die wellicht moeder is geworden, een derde zijn bevallig liefje heeft achtergelaten. Een andere weg naar Parijs, dan die over Moskou is er niet, dat weten zij allen te goed. Als grimmige leeuwen zullen zij dus op den vijand instormen, die dezen weg voor hen sluiten wil.”„Mij dunkt toch,” hernam Lodewijk, „door zulke herinneringen moest het hart van den soldaat verteederd worden, hij moest den krijg, die hem van alles wat hem dierbaar is scheidt, haten en met weerzin verder voortdringen.”„Voorzeker,” antwoordde Rasinski, „doch slechts niet op den dag vóór den slag.Moeite en bezwaren verdraagt hij met tegenzin, gevaren gewillig; hij waagt liever dan hij duldt. De tijd der vermoeienissen is nu voorbij, er komt een kortstondig oogenblik van gevaar; dat gaat hij getroost te gemoet, want er is altijd meer bij te winnen dan te verliezen. Toon hem slechts een zekeren prijs der overwinning en waarlijk, hij zal met vreugde de hel bestormen, om in het paradijs te komen. De belooning echter moet ontwijfelbaar zeker zijn; hij moetzijn vast doel hebben, dat hij, door zijn leven te wagen, bereiken kan. Zijne geloofsartikelen luiden: zege, vrede, terugkeer. Wordt zijn verlangen naar het laatste levendig opgewekt, dan behoeft gij voor de eersten niet bezorgd te zijn.”„Goeden avond, graaf,” riep eene bekende stem Rasinski toe. Het wasRegnard. „Goed, dat wij elkander heden nog aantreffen, morgen zullen wij naar menigeen te vergeefs vragen. Ik denk, dat de slag naar de aanstalten zal beantwoorden, die men er toe gemaakt heeft; men marcheert geen achthonderd mijlen, om een voorpostengevecht te leveren.”„Nu, tot hiertoe hebben wij nog weinig anders te doen gehad,” antwoordde Rasinski.„Elke vrucht moet rijp worden, graaf. In Rusland oogst men later dan bij ons. Geef acht, morgen zullen de maaiers de handen vol hebben. De Russen meenen het ditmaal zeer ernstig.”„Is men daar reeds zoo zeker van?”„Men kan er geen oogenblik aan twijfelen. Zoo even was ik er bij tegenwoordig, dat een overlooper zijn bericht aflegde. De oudeKutusowhoudt zich verzekerd, dat wij morgen aanvallen, en heeft besloten als een muur stand te houden. De Rus is op een beslissenden kamp voorbereid, is plechtig tot den dood gewijd. Gij hoordet immers tegen den middag die zonderlinge muziek wel overwaaien en hebt de beweging in het leger bemerkt, toen de manschappen onder de wapens traden?”„Voorzeker! Doch wat beteekende het?”„Het was de feestrede voor de bruiloft, die wij vieren zullen. De oude vorst heeft zich met al zijne priesters en archimandriten omgeven, die in hunne prachtgewaden het leger doortrokken. Zij droegen een heilig beeld, dat zij uit Smolensko gered hebben, door de gelederen der soldaten. De Rus bidt het als een wonderdoenden beschermheilige aan; zijne kerk vervult hem met geestdrijvende woede. Zijne priesters hebben hem nu tot den kamp gewijd, wie valt, is van de hemelsche zaligheid verzekerd. Gij kampt morgen voor de altaren van uwen God, heeft men hun toegeroepen, gij moet uwe heilige stad Moskou, die de vijand verdelgen wil, beschermen, uwe vrouwen en dochters voor smaad en slavernij beschutten. Zoo iets werkt; de gemeene rus verlangt thans reikhalzend naar den martelaarsdood, brandt van begeerte om door onze kogels te vallen. Ik heb ook de oproeping gelezen; ik verzeker u, men vleit ons niet, en het zou moeite kosten een hongerigen noordschen dog zoo grimmig aan te hitsen, als de oude cycloop daarboven zijne brommende ijsberen tegen ons opstookt. De zaak komt mij verduiveld ernstig voor, want uit scherts, dat weet gij, windt men den soldaat zoo niet op, daar eene dergelijke stemming geen zes weken aanhoudt en men zich wachten moet haar noodeloos te verwekken, wijl anders de herhaling slecht uitvalt. Daarom zeg ik u, wij vinden den vijand morgen nog op dezelfde plek: wellicht nog overmorgen. Een ijzeren muur werpt men zoo licht niet overhoop, en geestdrijvers zijn nog taaier dan ijzer.”„Hoe, gij twijfelt aan de overwinning,Regnard?” riep Rasinski bijna verdrietig.„Geen oogenblik! Maar zij zal bloed kosten. Een twintig, dertigduizend man kunnen morgen avond hier den grond mesten en zoo vreedzaam naast elkander liggen, als zij gedurende den dag grimmig gevochten hebben. Mochten wij onder dat getal zijn, overste, zoo laat ons thans afscheid nemen, want ik moet naar mijn korps terug!” Zij drukten elkander vriendschappelijk de hand. „Vaartwel mijne heeren, tot wederzien! Morgenavond in Moskou; wordt intusschen de een of ander verhinderd woord te houden, wij zullen het hem voor ditmaal niet ten kwade duiden. Vaartwel!”Met deze woorden verdween hij in het gedrang; op hetzelfde oogenblik zag men Petrowski naderen, die den overste een verzegelden brief overbracht.„Wij moeten terug,” sprak deze, na gelezen te hebben. „De troepen zullen nog dezen nacht andere stellingen innemen. Komt dan, vrienden, de tijd is kostbaar.”Zij bereikten hunne legerplaats; Rasinski beval de vuren uit te blusschen, de manschappen moesten onder de wapens treden. Weldra bracht een adjudant het bevel tot opzitten en het regiment begaf zich op marsch. Onder het rijden bespeurde men, dat alle vuren in het fransche leger waren uitgedoofd of slechts flauw en donker brandden. In dat der Russen daarentegen vlamden zij hoog op en beschreven een breeden gloeienden lichtkring om den zwarten gezichteinder.De marsch was slechts kort; men had zich nader naar het centrum der armee teruggetrokken. Aan de helling van een heuvel, die breed opliep, maakte men halt; rechts was het terrein met struikgewas bedekt, dat den overgang tot een hooger woud vormde. Groote massa's cavalerie schenen hier verzameld te zijn. Tegen elf ure had men eene vaste stelling ingenomen. Rasinski liet afzitten, echter moesten de paarden gepakt en gezadeld blijven. De manschappen legerden zich op den vochtigen grond. Stomme, beklemmende verwachting deed alle harten driftiger slaan, lang scheen de slaap de oogleden te willen ontvluchten, doch eindelijk kreeg lichamelijke vermoeidheid op de ontroering der gemoederen de overhand, en in weerwil van den kouden, guren herfstnacht zonken alle krijgers in diepe rust. Ook Lodewijk; maar bange, weemoedige droomen deden hem dikwijls weder ontwaken en in eene werkelijkheid terugkeeren, zwarter en dreigender dan zijne droombeelden zelve.HOOFDSTUK IV.De gewichtige morgen brak aan. De hemel was helder, slechts enkele blauwe nevelstrepen lagen over de diepe bedding der Kalotscha en eenige andere beken, die het slagveld doorkruisten. Een frissche morgenwind had deze vluchtige dampen spoedig verjaagd. Thans rees de zon van achter de donkere toppen van het dennenwoud bij Utiza op en wierp haar verblindende stralen over de vlakte, waar de massa's van het fransche leger, reeds tot den slag geordend, hare komst met ongeduld verbeiden. De lange rijen der bajonetten lichtten en flonkerden, de adelaars blonken en op het harnas der kurassiers gloeide het volle beeld der zon, zoodat het zich langs de onafzienbare gelederen gelijk eene bloedige slang over de velden kronkelde.„Dat is de zon vanAusterlitz,” riep de keizer, die van eene hoogte ter linkerzijde der in linie geschaarde cavalerie het slagveld overzag, terwijl hij met den vinger ophet glansrijke hemellicht duidde. Rasinski was benevens andere hoofdofficieren den heuvel opgesneld, om een vrijer uitzicht op de vlakte te hebben, en hem tot zoo nabij genaderd, dat zij deze woorden konden verstaan. De generaals, tot welke zij gericht waren, gaven geen antwoord.Lodewijk en Bernard sloten, als Rasinski's geleiders, dicht achter de hoofdofficieren op. Ook zij hadden den luiden uitroep des keizers gehoord.„De stralen vallen ons te verblindend in het oog,” fluisterde de laatste, „wij kunnen den vijand niet zien en ons moet hij des te duidelijker onderscheiden. Deze zon is ons dus ten minste nog niet gunstig.”Thans zag men de batterijen, die gedurende den nacht hare stelling te ver van de linie der Russen genomen hadden, aanrukken, om de nabij gelegen hoogten te bezetten. De vijand liet dit gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan. Het scheen, alsof hij in dezen oorlog, waarin hij zich altijd slechts verdedigd had, zelfs op het gekozen slagveld niet het eerste bloed vergieten wilde, maar den aanvaller ook thans nog keus en gelegenheid laten, om van zijne onderneming af te zien.Daar dreunt eensklaps aan den linkervleugel de doffe donder van het geschut; bij het dorp Borodino ziet men rook en stofwolken opstijgen. De heilige stilte is afgebroken, de zwarte nevelsluier der onzekerheid vaneen gereten, de bliksem slaat verdelgend neder. Met verplettendgewichtontschiet het ijzeren rad aan de handen van het noodlot; verbrijzele 't wien 't wil, geene menschelijke macht is thans meer in staat zijn woedenden loop te stuiten.De bevelen des keizers vliegen over het veld. Op hetzelfde oogenblik dondert het van alle hoogten, die zoo even nog als sluimerende nachtgedrochten in doffe stilterustten. Rook en vlammen stijgen van hunne kruinen omhoog, de aarde beeft, de lucht trilt in het vreeselijke gedaver. Een breede vloed van zwarten damp wentelt zich, gelijk een losbrekende helsche stroom, over de sidderende vlakte; het bloedig oog der zon is te zwak, om die golvende duisternis te doorboren.Met een angstig beklemd hart beschouwden de beide vrienden deze ontwikkeling van het, den oudsten krijgsman ontroerende schouwspel, dat voor hen nog alle verschrikkingen der nieuwheid met zich voerde. Echter vonden zij, gelijk de standvastige en beschaafde altijd, kalmte en bedaardheid in het gevoel van plicht en mannelijke waarde.Rasinski scheen te vermoeden, wat in hen omging. Hij reed op hen toe en zeide: „Gij hebt u met mij ingescheept, vrienden; thans stormt en woelt de zee. Ik wenschte, dat ik een veilig eiland wist, waar ik u aan wal kon zetten.”„Dat ware slechts een toevluchtsoord der schande,” hernam Lodewijk met vastheid; „wij willen ons verheugen, dat onze mannelijke gezindheid op eene ernstige proef gesteld wordt.”De kamp had zich thans langs de geheele heuvelreeks uitgestrekt. Ter rechterzijde, vóór de plaats waar Rasinski stond, doch buiten het bereik van het geschut, lagen drie vijandelijke verschansingen, die den ijzeren dood uit ontelbare vuurmonden op de aanrukkende troepen uitbraakten.„MaarschalkDavoustzal veel volk verliezen,” sprak Rasinski, toen diens colonnes zich op de vlakten ontwikkelden, om de vreeselijke redouten te bestormen.Vast opééngesloten, doch met verbazende snelheid drongen deze, door strenge krijgstucht tot één lichaam, waarin slechts ééne ziel leefde, te zamen gesmede massa's op den versterkten vijand aan. Dertig mortieren verzelden hen. Weldra waren zijzoodanig in stof en kruitdamp gewikkeld, dat men niets meer van hen ontdekken kon.Met arendsblikken overzag Rasinski het slagveld. Op den rechtervleugel had ook vorst Poniatowski den aanval begonnen; hij rukte uit het woud, dat zijne stelling gedekt had te voorschijn en drong naar het scheen den linkervleugel des vijands met beslissend overwicht, doch slechts langzaam terug.Uit den vuurspuwenden vulkaan, door welkenDavousten zijne scharen verslonden schenen, kwam thans een adjudant met lossen teugel aanrennen. Hij joeg recht op de plaats aan, waar de keizer zich bevond, die zijn standpunt eenige honderden schreden verder voorwaarts genomen had, om een duidelijker overzicht van het gevecht te hebben. Men kon niets van zijn rapport vernemen, maar dadelijk daarop zag men hem met den generaalRappin vliegenden ijl naar het dichtste gewoel terugspoeden.Om te vernemen, welken keer het gevecht nam, reed Rasinski op een transport gewonde officieren toe, dat juist naar de achterhoede vervoerd werd.„Nu, kameraden? Hoe staat het? Gij zijt de eerste offers?” vroeg hij.„Maar zullen niet de laatste zijn,” antwoordde een kapitein, wiens arm verbonden was; „de batterijen daar boven braken een hagel van kartetsen uit. GeneraalCompansis gevallen, de maarschalk gewond!”„MaarschalkDavoust?”„Zeker, wie anders?”„Het gevecht is dus bloedig?”„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze woorden reed Rasinski terug.De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de maarschalkNeymet zijne drie divisiën voorwaarts.Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het wasRapp, die, toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel van het paard geworpen werd. Het was detwee en twintigstewonde, die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen, dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den eersten wenk gereed te zijn.De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet, wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren; een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren doorNey's enDavoustsdappere scharen genomen.In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder den stampenden hoefslag. Bernard wierp eenblik op Lodewijk, die hem ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken. In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was de vorst Bagration, die, opKutusowsbevel, met deze frissche benden aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren, daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen, geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde. Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd, deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken. Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe, om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst. Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaarpaard, om in het lot dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren, toen de maarschalkNeyaan de spits der herzamelde infanterie zich opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe daden te verzamelen.Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten, die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder. Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!” kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten? Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop, waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen, die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galopvliegt deze op hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de zijnen opnieuw verzamelt en ordent.Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij, en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt, hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden, ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre, herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving gelouterd.Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den koning van Napelsverzameldenzich de cavalerie-regimenten ten tweeden male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welkeBruyèresenNansoutyaanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der overwinning, bedekken het slagveld.De zoom der hoogten achterSemenowskoiis nog altijd met sterke batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht. Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal een korte verademing toe.Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij, terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweedebedrijf van het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval beschermen moest.Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder. Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet, maar ordende zich telkens weder opnieuw.„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski,„maar zij offeren zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen dien misslag duur betalen.”„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te offeren.”„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski. „Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in, hoe zij ons ontkomen zouden.”„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken der garde aangedrongen,” hernam Bernard.„Ook maarschalkNey,” sprak Boleslaw.„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.„Vermoedelijk.”„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet ongelukkig gevochten.—Maar is dat nietRegnard, die daar aankomt?”Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam, door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski snelde op hem toe.„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt. Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, datik mij niet langer te paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des satans dreigen mij razend te maken!”„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat,DavoustenNeyhebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons in het verderf te storten!”„Wij zullen het toch winnen!”„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”„De vijand doet ook het zijne!”„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw. Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet zachtjes uit den zadel glijden.”Hij reikte hem de hand en reed verder.Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat. Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende regimenten nederwierpen.„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden. „Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de keizer toonen, dat hij nog de veldheer vanAusterlitzenMarengois!”Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen moesten.„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen, dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterdenslag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort. Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste, vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder. De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten. Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden krater doen oprijzen.Tegen de beide zijden derredoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen der aanvallers.Muratzendt twee cavalerie-regimenten tegen deze colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperenMontbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij, beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaalCaulaincourtvoor het front, omMontbrunsplaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij, „niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel, een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien. Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug. Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierigverslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende voorwaarts.Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog. Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal bedekken.HOOFDSTUK V.Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter, dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken, was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht. Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe, huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven, die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om. Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe, waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendsteafgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder. Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe wonden in zijn hart achterlaten.Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen heuvel bijDuomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf, het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook, hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel, wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan! Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker veld lag!”„En Maria?”„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Dochsteeds gewoon, zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon: „Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”„Hoopt gij dat?”„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een lijk was, waarover ik gevallen ben.”„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten. Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen niet nog vermeerderen.”Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken stap daartegen aanstiet.„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken bezaaid.„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij diep door het hart.Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken, die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld geworden.„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe, wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte; hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dektehet hoofd en reed in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!” riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst. Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want, schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen bloedigen, maar schoonen dag!”Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken, plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen, de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het bivak betrokken.

„Hartelijk geliefde Broeder!„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is, dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt, die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg; een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij zoudt minder lijden!De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart zal hun eeuwig dankbaar zijn.Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft! O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven! Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet, dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn troost zij met u!UweMaria.”

„Hartelijk geliefde Broeder!

„Hoe moet ik beginnen, om met de verpletterende tijding die ik u niet onthouden kan, tegelijk ook den troost der liefde in uw hart uit te storten? Der liefde, die u op dien verren afstand nauwelijks nog vermag te bereiken! Ach Lodewijk, onze moeder is niet meer; dezen morgen is zij in mijne armen ontslapen! Hare oude borstkwaal, waarvan ik reeds zoolang het ergste vreesde, nam door onvoorziene toevallen eensklaps zoo hevig toe, dat aan de redding van haar dierbaar leven niet te denken was. Echter waren de laatste uren kalm en rustig; de ziel der liefderijke moeder hield zich slechts met hare kinderen bezig. O, mijn broeder, bij deze diepe smart komt nog die, welke veel grievender is, dat gij eenzaam en verlaten in eene ruwe wildernis omzwerft, waar uwe klachten door het woeste krijgsgewoel verdoofd worden. Mijne droefheid over de afgestorvene is zacht en kalm, maar mijn hart wordt als toegeschroefd, als ik aan u denk, mij uwen toestand voorstel. O kon ik bij u zijn, kon ik met zusterlijke liefde uwe wangen afdrogen, als zij door tranen bevochtigd zijn! U zijn alle goederen des levens ontrukt, die ons in donkere dagen vertroostend toelachen. Uit uw vaderland verdreven, in een barre wildernis geslingerd, is uwe bezigheid eer een geesel dan een straf voor u. Gij kunt geen troost, geene afleiding vinden in uw beroep, dat u slechts nog meer ter neerdrukt. O, ik gevoel het, Lodewijk, dat deze slag voor u veel verpletterender zijn moet dan voor mij. Een zachte genius voerde de ontslapene uit mijn armen weg; een vreeselijke demon rijt haar u van het bloedend hart. Laat toch geene zorg of bekommering over mijn lot uw lijden vermeerderen. Dat ik diep bedroefd ben en onze lieve moeder hartelijk beween, kunt gij u niet verhelen: maar ik treur niet alleen: moederlijke vriendschap en zusterlijke liefde staan mij ter zijde. Vrees dus niet, dat ik eenzaam en verlaten ben. Juist wijl het ouderlooze meisje geheel hulpeloos is, biedt haar ieder de hand, toont ieder haar medelijden en ziet zij zich—zoo althans ging het mij—door de roerendste liefdeblijken overstelpt. Met den man handelt men anders, hij is sterk, hij moet door eigen kracht staande blijven; wijl hij zelf hulp en raad kent, gaat ieder hem koel voorbij, en zoo is hij dikwijls meer verlaten dan wij zelve. Wie toch vermag zich alleen staande te houden in deze wereld vol stormen?—Ach waarom kan ik niet slechts het eerste, bittere uur aan uwe borst rusten, en u de tranen van de wangen kussen! Voorzeker, gij zoudt minder lijden!

De warme hand der liefde zou de ijskoude der smart van uwe borst afweren. Slechts door mannen zijt gij omgeven. Zal hunne verharde ziel uw lijden zoo diep gevoelen? Kunnen zij u zoo teeder beminnen, als mijn zusterhart? Kunt gij u tot hen om troost wenden, als tot mij? Maar, zij zullen in uw lijden deelnemen, u bemoedigen, u niet verlaten in uwe droefheid, gelijk zij u in andere bittere rampspoeden zoo trouw ter zijde stonden. Dat smeek ik van God, die zoo genadig is, ook als Hij ons beproevingen toezendt; ik vertrouw op hen—ach, mijn gansche hart zal hun eeuwig dankbaar zijn.

Vaarwel, mijn broeder! Gij het eenige, dat mij nog op aarde blijft! O, mogen duizend goede engelen u op uwe gevaarvolle paden omzweven! Wanneer de gedachte bij mij oprijst, dat ook gij—neen, neen, dat zal de liefderijke Vader in den hemel mij niet opleggen, want Hij weet, dat wij zwak zijn en wat wij dragen kunnen. Leef wel! Zijn zegen, Zijn troost zij met u!

UweMaria.”

„Gij hebt een machtig schild voor u, dat morgen in het uur des gevaars u dekken zal,” sprak Bernard met eene stem, waaraan hij te vergeefs hare gewone vastheid poogde te geven; „omzweefden mij zulke beschermgeesten, ik zou aan den mond van den Vesuvius rustig insluimeren. Broeder Lodewijk, wij zouden u troosten? Troost gij ons, die van niemand zulke woorden der liefde hooren.—Lees, lees,” dus wendde hij zich tot Rasinski en reikte hem den brief over, „hij staat mij in het hart gegrift.”

„Ik zal haar dus niet wederzien!” sprak Lodewijk met eene gesmoorde stem en leunde het hoofd aan Bernards borst.

„Dat de duivel ons nu nog tot morgen op de pijnbank moet laten omspartelen!” riep deze verdrietig. „Nu dadelijk heb ik lust tot den slag, dadelijk. Dapper? Dapper zal ik niet zijn; maar dat mij ooit van mijn leven iets onverschilligers ontmoeten kan, dan eene batterij, die een Niagarastroom van kartetsen uitbraakt, dat geloof ik niet.—Kom, laat ons naar de hutten gaan, waar Jaromir en Boleslaw liggen; op een avond vóór den slag moet men elkander toch nog eens goeden dag zeggen.—Maar is het dan ernst?”

Bernard had, zoolang hij sprak, Lodewijks hand niet uit de zijne gelaten en ze bijna krampachtig vastgeklemd. De laatste woorden richtte hij tot Rasinski, die uit eene sombere mijmering oprees.

„Ernst? Zoo zeker als de bittere slag, die onzen vriend getroffen heeft.”—Hij drukte zich de hand op het voorhoofd, als kostte het hem moeite zijne gedachten te verzamelen. „Wat wilde ik toch zeggen?—Ja, ja.—Kutusow wil morgen vechten—zonder twijfel. De keizer heeft het slagveld reeds opgenomen. De dag van gisteren was slechts een voorspel. De zevende September is bestemd, om in de boeken der geschiedenis te worden ingeschreven.”

„Dan zal men hem met roode letters in den almanak kunnen drukken, denk ik,” hernam Bernard. „Mij goed. Hoe meer de dood in massa oogst, des te koeler zie ik het aan. Wat ziet men met meer onverschilligheid dan de sterflijsten van een groot rijk bij het einde des jaars? En geen veldslag, de bloedigste zelfs niet, is zoo moorddadig als een enkel jaar van den rustig voortloopenden tijdstroom. Wat zeg ik? Een jaar? Een dag, een uur, een oogenblik, wanneer wij over den molshoop, waarop wij rondwoelen, heenzien! Ik ken niets dwazers dan aan dood en doodsgevaar gewicht te hechten; het gevaarlijkste is geboren te worden, want daarmede begint niet alleen de last des stervens, maar ook die des levens met zijn zondvloed van rampspoeden, jammer, ellende, schurkestreken en nesterijen. Maar komt, vrienden.—De paarden smullen, dat het een lust is. Wat doen wij langer hier.”

Met drift vatte hij Lodewijk onder den arm en geleidde hem naar buiten. „Ik volg u dadelijk,” riep Rasinski de heengaanden na.

„Nu, een ijsbeer ben ik nou ook juist niet, vriend,” mompelde Bernard, toen zij alleen waren;„maar mijne tranen heb ik slechts voor mij zelf en voor hen, die ik lief heb als mijn eigen ik.” Hier klemde hij den vriend onstuimig aan de borst en drukte een warmen kus op zijn voorhoofd. Lodewijk voelde Bernards heete tranen en met deze zijne gansche liefde, den vollen troost zijner opofferende trouw.

Arm in arm beklommen zij eene kleine hoogte, vanwaar zij de met mannen en paarden bedekte vlakte geheel konden overzien. Reeds had de herfst het loof verbleekt, de berkenstrooidendorre bladeren over het gras uit, het groen was dood en vertoondeeen vaal grauw; de hemel hing loodkleurig over de velden, ruwe windrukken gierden van tijd tot tijd door de vochtige, nevelachtige lucht.

„Zoo is het thans in mijne ziel gesteld, beste broeder,” sprak Lodewijk met eene onzekere stem; „zoo ledig en vreugdeloos en toch zoo onstuimig, als in dit doode, schoon met een onrustig gewoel vervulde landschap.”

„In de mijne is dat eigenlijk de alledaagsche kleur,” hernam Bernard, „slechts zelden werpt de zon, als op hooge feestdagen, een vluchtigen blik door het grijze nevelfloers. En zelfs dan wekt hare verschijning, evenals elk te vluchtig geluk, eer smart, dan vreugde en doet slechts het verlangen van ons hart uit zijne doffe sluimering ontwaken. Drogbeelden naderen ons; wij zijn vol liefde, maar wanneer wij de armen uitbreiden, om haar te omvangen, zijn zij verdwenen. Ik voor mij pleeg dan nog gewoonlijk het geluk te hebben van met de knokkels tegen den wand te stooten of mij de wollen deken in het gezicht te drukken in plaats van de geliefde.—Gij wordt wellicht verdrietig, Lodewijk, maar er is iets dat mij ergert, en ik moet het u zeggen. Het zou mij een goed voorteeken geweest zijn, wanneer het uur en de dag waren overeengekomen; intusschen zie ik, dat zulks het geval niet is.”

„Hoe zoo, broeder?”

„Toen wij door den Dnieper reden, moest ik, gij weet het immers, zoo levendig aan uwe zuster denken, alsof zij voorbij ons heenzweefde. Wanneer dat nu het doodsuur uwer moeder geweest was—ik ben een man, ik weet het, maar ik hecht nu eenmaal aan zoo iets. Uwe moeder is des morgens en drie dagen vroeger overleden.”

Lodewijk glimlachte weemoedig, Bernard zag strak voor zich neder, beiden zwegen.

„De goede Maria!” begon Lodewijk eindelijk weder, „zij bekommert zich over mijne eenzaamheid en staat toch zelve zoo geheel verlaten.”

„Zoo moet het ieder toeschijnen, die niet altijd het eerst aan zich zelf denkt. Ook komt daar nog eene zeer algemeene dwaling bij. Nooit kan de mensch geheel uit zijne eigene gewaarwordingen in die van een ander overtreden. Wijl Maria u zoo ver van haar zelve gescheiden gevoelt, meent zij u ook van allen gescheiden; en gij omgekeerd evenzoo. Niets is bij ons natuurlijker, dan dat wij ons den bewoner van Siberië of Spitsbergen als geheel verstooten van den aardbodem voorstellen, want wij bedenken niet, dat een Parijzenaar de Groenlander even verwijderd, even ver naar de uiterste grenzen van den bewoonden aardbodem verbannen moet toeschijnen, ja dat deze hem als beroofd en verstoken van alle weldaden der natuur beschouwt, dewijl alles, wat Frankrijk kan opleveren, ver buiten den kring zijner wenschen en voorstellingen ligt.—Doch zie, hoe de wind den rook der wachtvuren over de vlakte jaagt; de damp beklemt de ademhaling.—Denkt gij met bezorgdheid aan den slag?”

„Neen, Bernard, mijn ziel houdt zich zoo geheel anders bezig. Wanneer wij midden in het gewoel zijn, wellicht dat het mij dan medesleept. Ik had mij vroeger het bijwonen van een veldslag als hoogst belangrijk voorgesteld; heeft het gevaarvolle zwervende krijgsmansleven, die gedurige herhaling van het voorspel tot het hoofddrama, mij verstompt of is het, omdat mijne gedachten zoo ver van hier omzwerven, althans voor mijn gevoel is het op dit oogenblik eene schier onverschillige omstandigheid, dat morgen het lot van twee volken beslist moet worden. Intusschen zegt mijn verstand mij het tegendeel.”

„Vriend,” begon Bernard, „ik vroeg dat niet zonder opzet, anders had ik thans wel over andere dingen gesproken. Maar vergeef mij, ik denk mede aan Maria; het slotvan haren brief—ik geloof wel, dat hare beden in den grond meer afdoen dan tien beschermheiligen—en toch—om uwentwil vrees ik den slag en het zou mij, rondweg gezegd, recht aangenaam zijn, wanneer gij buiten het gedrang woudt blijven. Laat mij met Rasinski spreken.”

„Neen!” antwoordde Lodewijk zacht, maar met vastheid. „Gij weet, dat geen innerlijke beweeggrond mij tot den strijd aanvuurt, dat mijne wenschen zelfs meer tot de zaak onzer tegenstanders overhellen, wijl hunne overwinning ons vaderland ten minste van de onderdrukking, die het in dit oogenblik dulden moet, bevrijden zou; maar toch druischt uw voorslag zoozeer tegen mijn gevoel in, dat ik geene minuut weifelen kan. Vooreerst ben ik een man; daardoor reeds zoude ik mij zelven verlaagd gevoelen, wanneer ik mij in het uur des gevaars aan mijne roeping onttrok.”

„Waarlijk, ik denk slechts aan Maria,” riep Bernard, „en weet, dat gij een smartelijk offer zoudt brengen; maar ik twijfel of gij zulks niet verplicht zijt!”

„Slechts voor haar wensch ik te leven,” hernam Lodewijk, „en de hemel is mijn getuige, dat ik, moet ik vallen, alleen treur om de eenzaam achtergelatene. Doch neen, neen, de scherpzinnigheid mijner gronden mag kunnen bestreden worden, het gevoel, dat in mijne borst spreekt, kan het nimmer. Maria zelve zou zich mijner schamen; zoomin zij mij door iets, dat harer onwaardig is, het leven zou willen behouden, zoomin kan zij verwachten, dat ik zulks voor haar doen zoude. Neen, Bernard, uwe liefde voert u te ver!”

„Gij zijt door uwen waren moed boven den schijn dezer verdenking verheven; ik ben het ook en zou mij, in geval ik reden had om mij aan den slag te onttrekken, geen oogenblik bezinnen.”

„Ook ik niet, indien het terugblijven zelf het doel mijner handelwijze was; maar niet, wanneer dat het middel zijn moest. Vergeet ook niet, dat de stand dien wij kozen, eigenlijk ons leven beschermt; daardoor rust op ons de dubbele verplichting om het heiligdom van zijne eer ongeschonden te bewaren. En dan, Bernard, dezen weg des doods wilt gij voor mij afsluiten; maar hoe de duizend andere paden, waarop hij ons dagelijks kan overvallen? Sterk u met het geloovig vertrouwen, dat Maria zelve koestert; zij vordert niet, dat ik het gevaar ontvluchten zal, maar hare krachtige ziel vertrouwt er op, dat hoogere machten mij zullen beschermen. En zoudt gij dan mij en Rasinski en Jaromir en Boleslaw in den slag kunnen laten trekken en in zekerheid uit de verte aanzien, hoe het zwaard des doods boven de hoofden uwer vrienden zweefde? Bernard, raadpleeg uw eigen hart en laat dat u antwoorden.”

„Recht hebt gij zekerlijk, maar stond het in mijne macht u onrecht aan te doen, ik deed het dadelijk in dit geval. Ware ik in Rasinski's plaats, ik liet u onder eenig voorwendsel handen en voeten binden, en heden avond nog tien dagmarschen achter onze achterhoede tusschen vier muren zetten.”

„Gij deedt het zeker niet,” sprak Lodewijk en drukte hem met aandoening de hand.

„Laat dan loopen het ijzeren rad van het noodlot!” riep Bernard en stampvoette van spijt. „Het verplette wien het wil, maar dat zweer ik u, het zal geene ruimte vinden, om tusschen u en mij door te rollen!———Komen Jaromir en Boleslaw daar niet de hoogte op?”

Zij waren het. Door Rasinski van Lodewijks verlies onderricht, kwamen zij den bedroefden vriend door hunne liefde en hun medelijden vertroosten. De jeugdige, lichtvoor aandoeningen vatbare Jaromir bedwong zijne tranen niet; Boleslaw, door eigen lijden meer gehard, vermocht slechts den zachten ernst te toonen.

Zij gingen te zamen den heuvel af, om zich aan het wachtvuur bij Rasinski's hut te legeren, waar deze alle officieren verzameld had, om den avond vóór den slag in vriendschappelijke vertrouwelijkheid door te brengen. De zon moest haren ondergang reeds nabij zijn; sedert den middag had zij zich achter grauwe wolken verscholen. De avond naderde en was gevoelig koud, zoodat zelfs het vuur en de dichte mantels de vorst niet geheel konden afweren. De gansche dag was in doodsche rust voorbijgesneld; het scheen, dat de beide vreeselijke, tegenover elkander gelegerde strijdmachten zich deze korte verademing wilden vergunnen, om den volgenden morgen met verdubbelde woede den verbitterden kamp der verdelging te kunnen beginnen. Deze beklemmende, alle frissche levenskrachten verlammende stilte werd door de stemming der enkelen nog vermeerderd; want ieder zag natuurlijk het uur der beslissing met somberen ernst te gemoet. Zoo wilde dan ook het gesprek in den kring der gelegerde kameraden niet levendig worden, en zelfs dan, wanneer Lodewijk en zij, die het nauwst met hen verbonden waren, niet bijzondere oorzaken hadden gehad, om zich aan zwijgende, afgetrokken mijmeringen over te geven, zoude op dezen avond geen vrije, zorgelooze opgeruimdheid onder de krijgers geheerscht hebben. De toekomst vertoonde zich te donker, de hemel was te zwart betrokken, de donder rolde te dreigend in de verte, om aan het bloed een vrijen omloop door de aderen te vergunnen. Te vergeefs trachtte Rasinski door het gestadig vullen der bekers, door het herinneren aan vroegere, belangrijke ontmoetingen, door het uiten der schoonste verwachtingen voor de toekomst de gemoederen te vervroolijken; een oogenblik nam men een levendig aandeel in het gesprek, maar na eenige minuten was ieder weder in zijne eigene, stille overdenkingen verdiept.

Het schemerde reeds, toen een kanonschot uit het vijandelijk leger de doodsche stilte afbrak. Men sprong op, vorschte, vroeg. In zulke uren, onder zulke omstandigheden is een schot bijna altijd het teeken van een gewichtig voorval, ieder hield het voor eene waarschuwing, om op alles bedacht te zijn. Ditmaal echter bleek de vrees voor dadelijke verontrusting ongegrond te zijn, schoon men reeds na eenige minuten vernam, dat dit enkele schot misschien het lot van den ganschen veldtocht had kunnen beslissen. Het was op eene bende ruiters gelost, onder welke zich de keizer bevond, die, door de vrees gefolterd, dat het russische leger zijne hoop op een veldslag andermaal door een overhaasten nachtelijken aftocht mocht verijdelen, zich te paard geworpen en van de schemering gebruik gemaakt had, om de stelling van den vijand nog eenmaal op te nemen. Tot zijne vreugde had hij uit de in zwarte massa's opdagende colonnes, die zich over de vlakte verspreidden, uit de lange, van Moskou aanrukkende rijen van ammunitie- en proviandwagens en de geduchte, nog gedurig versterkt wordende verschansingen op de hoogten de zekerheid verkregen, dat de lang gewenschte dag gekomen was. Hij aarzelde nu niet meer, zijne troepen hiermede bekend te maken. Een half uur na het vallen van het schot werd de legerorder rondgedeeld. Rasinski ontving ze van een adjudant en haastte zich, de woorden des keizers aan zijne vrienden voor te lezen.

„Soldaten! De dag van den veldslag, dien gij lang gewenscht hebt, is daar. De zege staat ons op zijde; zij is noodzakelijk, zij zal u overvloed, veilige winterkwartieren, een spoedigen terugtocht naar het vaderland verzekeren. Gedraagt u als teAusterlitz,Friedland, Witepsk en Smolensko, opdat uwe late nakomelingen nog met trotschheid van hunne voorvaderen zeggen mogen: Hij streed in den geweldigen slag onder de muren van Moskou!”

Deze korte, ernstige woorden maakten een krachtigen indruk op het hart der krijgers. Een edel vuur straalde uit hunne blikken, en toen Rasinski de sabel trok, haar plechtig omhoog hief en luid uitriep: „Leve de keizer!” werd die kreet door duizend stemmen juichend herhaald, zoodat de daverende toon, door den wind voortgedragen, tot in het leger des vijands weergalmde.

De komende dag vorderde groote inspanningen; Rasinski vermaande derhalve zijne manschappen, zich tot rusten te leggen, ten einde frissche krachten tegen den volgenden morgen te verzamelen. Om eene opgewekte stemming levendig te houden; maar vooral ook om Lodewijk te verstrooien, sloeg hij den officieren nog eene wandeling door de legerplaats der gardes naar de tent des keizers voor, welke niet ver van het bivak der cavalerie was opgeslagen.

Spoedig had men den grooten vierhoek bereikt, dien de gardes om de keizerlijke tent gesloten hadden. De aanblik dezer uitgelezen dapperen, onder welke men geen voorhoofd zonder litteekenen, geene borst zonder orde zag, moest de mannelijke ziel met krachtvol zelfgevoel vervullen; zelfs de weemoedig gestemde Lodewijk richtte zich vrijer op, toen hij door de rijen dezer helden trad. Nog levendiger werd Bernard door dit gezicht verrast.

„Waarlijk, eene gansche galerij van studiebeelden!” riep hij uit. „Tien jaren zou ik hier kunnen zitten teekenen. En welk eene verscheidenheid van koppen en drachten! Zie eens dien gindschen grenadier, die juist zijn geweer poetst. Met welken ernst beschouwt en onderzoekt hij zijn wapen; in elken trek leest men, dat hij het als een heiligdom in eere houdt. Zie hoe hij den schijn der vlammen op het slot laat spelen en zich in den blanken loop spiegelt! Hm, de oude knevel mag zich vrij laten zien en mij dunkt, hij heeft zelf schik in den breeden naad, die zijn rimpelig voorhoofd halveert. Nu is hij klaar, doet een paar handgrepen, legt aan. Zeker bedenkt hij reeds, hoe hij morgen in den dichtsten kruitdamp zijn vijand in 't vizier nemen en met oogen zal aanzien, die doorborender schijnen dan de kogels in den loop.”—Onder het voortwandelen zweefde zijn geoefend oog over alle groepen in het rond, en waar hij een belangrijken kop zag, maakte hij de vrienden in zijne levendige, schertsende voorstelling daarop opmerkzaam, vooral ook met het doel, om zijn treurenden vriend hierdoor eenige afleiding te verschaffen.—„Zie daar vóór ons den baardigen grijskop, die zich het bloedig voorhoofd verbindt. Hoe koel en onverschillig scheurt hij zijne oude slobkous tot windsels! Nu, hij is aan wonden gewoon! Ik zie daar nog een breeden hoekigen hieroglief, die vermoedelijk door eene Mammelukkensabel aan de piramiden geteekend is. Zijn voorhoofd is eene volmaakte gedenkrol. Wie zich ingeschreven heeft, blijft zekerlijk in aandenken, schoon bezwaarlijk, in het vriendschappelijkste.—Die kerel ginds bevalt mij! Waarachtig hij scheert zich;—met gladde kin, als tot den zondagsdans in de tuinen vanNeuillyof in de lustige wijnhuizen vanSt. Denyswaar zooveel lieve meisjes zijn, wil hij morgen in den slag gaan. Hij is een Spartaan, die zich ook versierden en bekransten voor den strijd. Ik geloof, deze grenadier ziet er weinig onderscheid in, of hij met zijn liefjen de française opvoert of aan den vleugel van zijn regiment op eene batterij aanrukt. Muziek heeft men bij beide gelegenheden. Ik wed, dat hij zich verzekerd houdt, morgenavond in Moskou tezullen zijn en nu zijn toilet in orde brengt, wijl het dan misschien aan tijd kon ontbreken. Zijn gansche voorkomen roept: „Vive la bagatelle!” en een slag, een geheele veldtocht telt mee onder de rij der bagatellen. Hij ziet er echter niet jong meer uit en kan misschien wel vanMarengoenArcolameespreken. Geluk op reis, goede vriend, ik hoop, dat gij morgen nog zoo vroolijk zijn moogt als heden en bij uw avondeten zoo zorgeloos uw liedje neuriën, als op dit oogenblik.”

„Ik heb toch deze soldaten reeds in eene geheel andere stemming gezien,” hernam Rasinski; „zoo woelig het leger hem moge toeschijnen, die het in dezen veldtocht voor het eerst ziet, zoo stil en doodsch komt het hem voor, die het reeds sinds lange jaren kent. Kalmte, bedaardheid, gevatheid op het ergste is op de gezichten dezer lieden te lezen, maar niet dat blijde vertrouwen, die brandende begeerte naar kamp en overwinning, die men anders op dagen vóór den slag in hunne oogen zag blinken.—Zie, daar is de tent des keizers. Wat mag wel de reden van dien oploop zijn?”

Men zag de soldaten in groote troepen naar de tent snellen en zich in dicht gedrang daarom heen scharen. De terugkeerenden vertoonden een vroolijk gelaat en waren levendig met elkander in gesprek. Uitroepen van verwondering, van vreugde verhieven zich uit den zwarten hoop.

„Wat is daar te zien?” vroeg Rasinski een grenadier, die uit het gedrang terugkeerde.

„Wat er te zien is, mijn kolonel? O, wat schoons en prachtigs! Een kind, een kostelijk kind! De zoon des keizers! Ja, mijn overste, het is een jongen van melk en bloed. O, men is ook vader! Ik heb een zoon, die pas acht dagen ouder is. Zijn portret kan ik wel niet laten nakomen, maar ik heb het toch in het geheugen. De schelm staat mij hier”—daarbij wees hij op zijne met de orde van het legioen van eer versierde borst—„zoo duidelijk afgeteekend, dat ik geen beeltenis noodig heb. Maar het is toch aangenaam, als men die hebben kan!—Verzuim niet, overste, 't is de moeite waard, het zelf te zien.”

De verrukte soldaat werd in den stroom zijner rede gestuit en door den hoop medegesleept. Rasinski en zijne geleiders trachtten zich een doortocht te banen, maar het gedrang was te groot; zij konden slechts uit de verte zien, dat voor den ingang der tent, onder de bewaking van twee baardige grenadiers, eene schilderij was ten toon gesteld, welke de soldaten met nieuwsgierige deelneming beschouwden.

„Het heeft in mijn oog iets roerends,” sprak Lodewijk, „dat zich te midden dezer vreeselijke krijgstoerusting niet alleen de veldheer, maar ook de liefhebbende vader vertoont, die zijne dapperen in zijne vreugde wil doen deelen.”

„Ja, ja,” sprak Rasinski glimlachend, „hij is een grondig menschenkenner, de keizer. Door niets kan hij zijne oude knevelbaarden levendiger aan het vaderland en hunne geliefde betrekkingen herinneren, dan door zulk eene vertooning. Nu verlangt ieder met vurige drift naar het schoone Frankrijk, waar deze zijne kinderen, gene zijne jonge vrouw, die wellicht moeder is geworden, een derde zijn bevallig liefje heeft achtergelaten. Een andere weg naar Parijs, dan die over Moskou is er niet, dat weten zij allen te goed. Als grimmige leeuwen zullen zij dus op den vijand instormen, die dezen weg voor hen sluiten wil.”

„Mij dunkt toch,” hernam Lodewijk, „door zulke herinneringen moest het hart van den soldaat verteederd worden, hij moest den krijg, die hem van alles wat hem dierbaar is scheidt, haten en met weerzin verder voortdringen.”

„Voorzeker,” antwoordde Rasinski, „doch slechts niet op den dag vóór den slag.Moeite en bezwaren verdraagt hij met tegenzin, gevaren gewillig; hij waagt liever dan hij duldt. De tijd der vermoeienissen is nu voorbij, er komt een kortstondig oogenblik van gevaar; dat gaat hij getroost te gemoet, want er is altijd meer bij te winnen dan te verliezen. Toon hem slechts een zekeren prijs der overwinning en waarlijk, hij zal met vreugde de hel bestormen, om in het paradijs te komen. De belooning echter moet ontwijfelbaar zeker zijn; hij moetzijn vast doel hebben, dat hij, door zijn leven te wagen, bereiken kan. Zijne geloofsartikelen luiden: zege, vrede, terugkeer. Wordt zijn verlangen naar het laatste levendig opgewekt, dan behoeft gij voor de eersten niet bezorgd te zijn.”

„Goeden avond, graaf,” riep eene bekende stem Rasinski toe. Het wasRegnard. „Goed, dat wij elkander heden nog aantreffen, morgen zullen wij naar menigeen te vergeefs vragen. Ik denk, dat de slag naar de aanstalten zal beantwoorden, die men er toe gemaakt heeft; men marcheert geen achthonderd mijlen, om een voorpostengevecht te leveren.”

„Nu, tot hiertoe hebben wij nog weinig anders te doen gehad,” antwoordde Rasinski.

„Elke vrucht moet rijp worden, graaf. In Rusland oogst men later dan bij ons. Geef acht, morgen zullen de maaiers de handen vol hebben. De Russen meenen het ditmaal zeer ernstig.”

„Is men daar reeds zoo zeker van?”

„Men kan er geen oogenblik aan twijfelen. Zoo even was ik er bij tegenwoordig, dat een overlooper zijn bericht aflegde. De oudeKutusowhoudt zich verzekerd, dat wij morgen aanvallen, en heeft besloten als een muur stand te houden. De Rus is op een beslissenden kamp voorbereid, is plechtig tot den dood gewijd. Gij hoordet immers tegen den middag die zonderlinge muziek wel overwaaien en hebt de beweging in het leger bemerkt, toen de manschappen onder de wapens traden?”

„Voorzeker! Doch wat beteekende het?”

„Het was de feestrede voor de bruiloft, die wij vieren zullen. De oude vorst heeft zich met al zijne priesters en archimandriten omgeven, die in hunne prachtgewaden het leger doortrokken. Zij droegen een heilig beeld, dat zij uit Smolensko gered hebben, door de gelederen der soldaten. De Rus bidt het als een wonderdoenden beschermheilige aan; zijne kerk vervult hem met geestdrijvende woede. Zijne priesters hebben hem nu tot den kamp gewijd, wie valt, is van de hemelsche zaligheid verzekerd. Gij kampt morgen voor de altaren van uwen God, heeft men hun toegeroepen, gij moet uwe heilige stad Moskou, die de vijand verdelgen wil, beschermen, uwe vrouwen en dochters voor smaad en slavernij beschutten. Zoo iets werkt; de gemeene rus verlangt thans reikhalzend naar den martelaarsdood, brandt van begeerte om door onze kogels te vallen. Ik heb ook de oproeping gelezen; ik verzeker u, men vleit ons niet, en het zou moeite kosten een hongerigen noordschen dog zoo grimmig aan te hitsen, als de oude cycloop daarboven zijne brommende ijsberen tegen ons opstookt. De zaak komt mij verduiveld ernstig voor, want uit scherts, dat weet gij, windt men den soldaat zoo niet op, daar eene dergelijke stemming geen zes weken aanhoudt en men zich wachten moet haar noodeloos te verwekken, wijl anders de herhaling slecht uitvalt. Daarom zeg ik u, wij vinden den vijand morgen nog op dezelfde plek: wellicht nog overmorgen. Een ijzeren muur werpt men zoo licht niet overhoop, en geestdrijvers zijn nog taaier dan ijzer.”

„Hoe, gij twijfelt aan de overwinning,Regnard?” riep Rasinski bijna verdrietig.

„Geen oogenblik! Maar zij zal bloed kosten. Een twintig, dertigduizend man kunnen morgen avond hier den grond mesten en zoo vreedzaam naast elkander liggen, als zij gedurende den dag grimmig gevochten hebben. Mochten wij onder dat getal zijn, overste, zoo laat ons thans afscheid nemen, want ik moet naar mijn korps terug!” Zij drukten elkander vriendschappelijk de hand. „Vaartwel mijne heeren, tot wederzien! Morgenavond in Moskou; wordt intusschen de een of ander verhinderd woord te houden, wij zullen het hem voor ditmaal niet ten kwade duiden. Vaartwel!”

Met deze woorden verdween hij in het gedrang; op hetzelfde oogenblik zag men Petrowski naderen, die den overste een verzegelden brief overbracht.

„Wij moeten terug,” sprak deze, na gelezen te hebben. „De troepen zullen nog dezen nacht andere stellingen innemen. Komt dan, vrienden, de tijd is kostbaar.”

Zij bereikten hunne legerplaats; Rasinski beval de vuren uit te blusschen, de manschappen moesten onder de wapens treden. Weldra bracht een adjudant het bevel tot opzitten en het regiment begaf zich op marsch. Onder het rijden bespeurde men, dat alle vuren in het fransche leger waren uitgedoofd of slechts flauw en donker brandden. In dat der Russen daarentegen vlamden zij hoog op en beschreven een breeden gloeienden lichtkring om den zwarten gezichteinder.

De marsch was slechts kort; men had zich nader naar het centrum der armee teruggetrokken. Aan de helling van een heuvel, die breed opliep, maakte men halt; rechts was het terrein met struikgewas bedekt, dat den overgang tot een hooger woud vormde. Groote massa's cavalerie schenen hier verzameld te zijn. Tegen elf ure had men eene vaste stelling ingenomen. Rasinski liet afzitten, echter moesten de paarden gepakt en gezadeld blijven. De manschappen legerden zich op den vochtigen grond. Stomme, beklemmende verwachting deed alle harten driftiger slaan, lang scheen de slaap de oogleden te willen ontvluchten, doch eindelijk kreeg lichamelijke vermoeidheid op de ontroering der gemoederen de overhand, en in weerwil van den kouden, guren herfstnacht zonken alle krijgers in diepe rust. Ook Lodewijk; maar bange, weemoedige droomen deden hem dikwijls weder ontwaken en in eene werkelijkheid terugkeeren, zwarter en dreigender dan zijne droombeelden zelve.

De gewichtige morgen brak aan. De hemel was helder, slechts enkele blauwe nevelstrepen lagen over de diepe bedding der Kalotscha en eenige andere beken, die het slagveld doorkruisten. Een frissche morgenwind had deze vluchtige dampen spoedig verjaagd. Thans rees de zon van achter de donkere toppen van het dennenwoud bij Utiza op en wierp haar verblindende stralen over de vlakte, waar de massa's van het fransche leger, reeds tot den slag geordend, hare komst met ongeduld verbeiden. De lange rijen der bajonetten lichtten en flonkerden, de adelaars blonken en op het harnas der kurassiers gloeide het volle beeld der zon, zoodat het zich langs de onafzienbare gelederen gelijk eene bloedige slang over de velden kronkelde.

„Dat is de zon vanAusterlitz,” riep de keizer, die van eene hoogte ter linkerzijde der in linie geschaarde cavalerie het slagveld overzag, terwijl hij met den vinger ophet glansrijke hemellicht duidde. Rasinski was benevens andere hoofdofficieren den heuvel opgesneld, om een vrijer uitzicht op de vlakte te hebben, en hem tot zoo nabij genaderd, dat zij deze woorden konden verstaan. De generaals, tot welke zij gericht waren, gaven geen antwoord.

Lodewijk en Bernard sloten, als Rasinski's geleiders, dicht achter de hoofdofficieren op. Ook zij hadden den luiden uitroep des keizers gehoord.

„De stralen vallen ons te verblindend in het oog,” fluisterde de laatste, „wij kunnen den vijand niet zien en ons moet hij des te duidelijker onderscheiden. Deze zon is ons dus ten minste nog niet gunstig.”

Thans zag men de batterijen, die gedurende den nacht hare stelling te ver van de linie der Russen genomen hadden, aanrukken, om de nabij gelegen hoogten te bezetten. De vijand liet dit gunstig oogenblik ongebruikt voorbijgaan. Het scheen, alsof hij in dezen oorlog, waarin hij zich altijd slechts verdedigd had, zelfs op het gekozen slagveld niet het eerste bloed vergieten wilde, maar den aanvaller ook thans nog keus en gelegenheid laten, om van zijne onderneming af te zien.

Daar dreunt eensklaps aan den linkervleugel de doffe donder van het geschut; bij het dorp Borodino ziet men rook en stofwolken opstijgen. De heilige stilte is afgebroken, de zwarte nevelsluier der onzekerheid vaneen gereten, de bliksem slaat verdelgend neder. Met verplettendgewichtontschiet het ijzeren rad aan de handen van het noodlot; verbrijzele 't wien 't wil, geene menschelijke macht is thans meer in staat zijn woedenden loop te stuiten.

De bevelen des keizers vliegen over het veld. Op hetzelfde oogenblik dondert het van alle hoogten, die zoo even nog als sluimerende nachtgedrochten in doffe stilterustten. Rook en vlammen stijgen van hunne kruinen omhoog, de aarde beeft, de lucht trilt in het vreeselijke gedaver. Een breede vloed van zwarten damp wentelt zich, gelijk een losbrekende helsche stroom, over de sidderende vlakte; het bloedig oog der zon is te zwak, om die golvende duisternis te doorboren.

Met een angstig beklemd hart beschouwden de beide vrienden deze ontwikkeling van het, den oudsten krijgsman ontroerende schouwspel, dat voor hen nog alle verschrikkingen der nieuwheid met zich voerde. Echter vonden zij, gelijk de standvastige en beschaafde altijd, kalmte en bedaardheid in het gevoel van plicht en mannelijke waarde.

Rasinski scheen te vermoeden, wat in hen omging. Hij reed op hen toe en zeide: „Gij hebt u met mij ingescheept, vrienden; thans stormt en woelt de zee. Ik wenschte, dat ik een veilig eiland wist, waar ik u aan wal kon zetten.”

„Dat ware slechts een toevluchtsoord der schande,” hernam Lodewijk met vastheid; „wij willen ons verheugen, dat onze mannelijke gezindheid op eene ernstige proef gesteld wordt.”

De kamp had zich thans langs de geheele heuvelreeks uitgestrekt. Ter rechterzijde, vóór de plaats waar Rasinski stond, doch buiten het bereik van het geschut, lagen drie vijandelijke verschansingen, die den ijzeren dood uit ontelbare vuurmonden op de aanrukkende troepen uitbraakten.

„MaarschalkDavoustzal veel volk verliezen,” sprak Rasinski, toen diens colonnes zich op de vlakten ontwikkelden, om de vreeselijke redouten te bestormen.

Vast opééngesloten, doch met verbazende snelheid drongen deze, door strenge krijgstucht tot één lichaam, waarin slechts ééne ziel leefde, te zamen gesmede massa's op den versterkten vijand aan. Dertig mortieren verzelden hen. Weldra waren zijzoodanig in stof en kruitdamp gewikkeld, dat men niets meer van hen ontdekken kon.

Met arendsblikken overzag Rasinski het slagveld. Op den rechtervleugel had ook vorst Poniatowski den aanval begonnen; hij rukte uit het woud, dat zijne stelling gedekt had te voorschijn en drong naar het scheen den linkervleugel des vijands met beslissend overwicht, doch slechts langzaam terug.

Uit den vuurspuwenden vulkaan, door welkenDavousten zijne scharen verslonden schenen, kwam thans een adjudant met lossen teugel aanrennen. Hij joeg recht op de plaats aan, waar de keizer zich bevond, die zijn standpunt eenige honderden schreden verder voorwaarts genomen had, om een duidelijker overzicht van het gevecht te hebben. Men kon niets van zijn rapport vernemen, maar dadelijk daarop zag men hem met den generaalRappin vliegenden ijl naar het dichtste gewoel terugspoeden.

Om te vernemen, welken keer het gevecht nam, reed Rasinski op een transport gewonde officieren toe, dat juist naar de achterhoede vervoerd werd.

„Nu, kameraden? Hoe staat het? Gij zijt de eerste offers?” vroeg hij.

„Maar zullen niet de laatste zijn,” antwoordde een kapitein, wiens arm verbonden was; „de batterijen daar boven braken een hagel van kartetsen uit. GeneraalCompansis gevallen, de maarschalk gewond!”

„MaarschalkDavoust?”

„Zeker, wie anders?”

„Het gevecht is dus bloedig?”

„Het zal lichter zijn de overblijvenden te tellen dan de dooden.”

„Ik dank u, kameraad, en wensch u eene spoedige genezing,” met deze woorden reed Rasinski terug.

De slag had zich thans reeds algemeener ontsponnen. Juist rukte de maarschalkNeymet zijne drie divisiën voorwaarts.

Een gekwetste generaal werd uit het gewoel gebracht. Het wasRapp, die, toen hij nauwelijks in het gevecht gekomen was, door een kartetskogel van het paard geworpen werd. Het was detwee en twintigstewonde, die de onverschrokken krijgsman op dezen dag ontving.—Langzaam droeg men hem bij de hoogte op, waar de keizer stond.—Ney's divisiën ontwikkelden zich thans op het vrije veld; onder het vernielend vuur des vijands drongen zij met onbezweken moed voorwaarts. Het scheen, dat zulks spoedig eene beslissing ten gevolge zoude hebben, waardoor ook aan de cavalerie gelegenheid gegeven werd aandeel aan den kamp te nemen. Rasinski begaf zich derhalve naar zijn regiment terug, om op den eersten wenk gereed te zijn.

De koning van Napels kwam aanrennen; zijne adjudanten stoven naar alle richtingen uiteen. Hij verzamelde de lichte cavalerie, om den vijand op de hoogte aan te tasten. Rasinski moest mede aansluiten. In langzamen draf stelden de massa's zich in beweging. Thans roffelden de trommen der infanterie ten stormtred. Men zag haar met bliksemsnelheid de hoogte opvliegen. De donder der kanonnen verdubbelde; de gansche vlakte was eene zee van stof, rook en vuur. Men zag niet, wie viel, zag niet, wie voortdrong. Daar verstomde plotseling het gedreun der mortieren; een luid jubelgeschrei verhief zich; de redouten waren doorNey's enDavoustsdappere scharen genomen.

In vliegenden galop kletterden thans de, door den ridderlijken koning van Napels aangevoerde ruiterbenden over het slagveld; stof en keien werden hoog in de lucht geslingerd; de bodem dreunde onder den stampenden hoefslag. Bernard wierp eenblik op Lodewijk, die hem ter zijde reed; deze knikte hem toe, aan spreken was niet te denken. In weinige minuten was de hoogte bereikt. De russische troepen, uit de batterijen verjaagd, waren grootendeels op het veld verstrooid en werden door de cavalerie nog verder teruggeworpen. Eensklaps echter vernam men opnieuw den donder van het geschut en bijna op hetzelfde oogenblik sloeg eene hagelbui van kogels en kartetsen in de gelederen neder. Tegelijk zag men nieuwe korpsen in zwarte massa's van achter de heuvels van het verwoeste dorp Semenowskoi te voorschijn komen. Het was de vorst Bagration, die, opKutusowsbevel, met deze frissche benden aanrukte, om de overhoop geworpen scharen te ondersteunen. Rondom, op alle hoogten, vertoonden zich rijdende batterijen, die hare vernielende kogels op de voorwaarts dringenden nederslingerden. Rasinski's regiment scheen het doelwit te zijn, waarop alle stukken tegelijk gericht waren, daar zulk eene menigte kartetsen door het front en van ter zijde door de rechterflank in de gelederen nedersloeg, dat in weinige oogenblikken de ontzettendste verwoesting was aangericht. Het verpletterend ijzer had wijde bressen geboord, paarden en menschen stortten ter aarde, het luid jammergeschrei der gewonden en half verbrijzelden verscheurde het oor. Het scheen, alsof men zich in den maalstroom van eene woedende windhoos bevond, zoo wild raasde de dood door de rijen. Rasinski hief de sabel omhoog en riep met al de kracht zijner metalen stem den zijnen een: „Voorwaarts!” toe. Door de onverschrokkenheid des aanvoerders bemoedigd, drongen de reeds wankelende gelederen met een nieuwen, geweldigen aanloop voort. Doch in dit oogenblik kletterde hun een kartetsenhagel tegen, welks dichtheid de lucht bijna verduisterde. Lodewijks paard werd getroffen, steigerde, deed een zijsprong en slingerde zijn ruiter ter aarde. Bernard zag het, een onbeschrijfelijke angst verscheurde zijne borst, doch aan hulp was niet te denken, want de nadringende stroom dreef hem met onweerstaanbaar geweld voorwaarts over de gevallenen heen. Maar reeds had de verstrooide russische infanterie zich weder verzameld en rukte in gesloten gelederen op. Van alle zijden stormde de dood in de rijen; spoedig waren alle banden van tucht en orde verbroken. De aanvoerders verdwenen in stof en rook of waren reeds gevallen; naar geen bevel werd meer geluisterd, de schrik kreeg de overhand. Twee escadrons dragonders, die ver vooruitgedrongen waren, wierpen zich, een vernielend kartetsvuur ontwijkend, in wilde vlucht op Rasinski's nog stand houdende manschappen. Door dezen schok werden ook zij deels in den teruggolvenden stroom mede voortgesleurd, deels afzonderlijk over de vlakte verstrooid. In weinige minuten was de gansche linie der cavalerie ontbonden en op de vlucht.

Bernard was door eenige wilde zijsprongen van zijn gewond paard uit het gedrang geraakt. Verdoofd door het gedreun en gewoel, waarin zijn oog de enkele voorwerpen nauwelijks meer onderscheiden kon, zag hij slechts naar Rasinski om, ten einde diens lot tot het zijne te maken. Op eenmaal bespeurt hij aanrennende kozakken, die hem bijna reeds omringd hadden. Driftig wil hij zijn paard omwerpen; daar ziet hij den koning van Napels in gevaar van omsingeld te worden. Hij vliegt hem te hulp; tegelijk dringen ook reeds de zijnen van alle zijden toe, om den geliefden veldheer te redden. Het gelukt!—Murat wuift met zijn golvenden vederbos ten teeken van verzameling. Zijn paard wordt door een kogel ter aarde geworpen; hij zelf echter blijft ongekwetst. Vast besloten, roemrijk te sneven of te overwinnen, werpt hij zich in de redoute; de weinigen, die nog om hem verzameld zijn, volgen hem. Ook Bernard, wien na Lodewijks val nog slechts de dood welkom is, springt van zijn, door de wonde onbruikbaarpaard, om in het lot dezer dapperen te deelen. Thans druischen twee vijandelijke, dicht opeengepakte kurassiersregimenten en als eene ijzeren deining over de vlakte tegen de schans aan. Reeds geloofden de benarden zich verloren, toen de maarschalkNeyaan de spits der herzamelde infanterie zich opnieuw aan den rand der hoogte vertoonde. De zijwaarts oprukkende artillerie boort met hare vuurmonden eene wijde bres in den stalen muur der voortdringende russische kurassiers; de infanterie opent een moorddadig bataljonsvuur en volgt in stormloop met gevelde bajonet na. De vijand wankelt, deinst; zijne gelederen zijn gebroken, door het vuur gedund; enkelen wijken voor de overmacht van den schrik; de stroom sleept ook de koeneren met zich voort, en weldra is het veld met vluchtenden overdekt. Onder luid gejuich dringen de overwinnaars van alle zijden na; thans eerst, daar zij de zege bevochten, de eer gehandhaafd, den veldheer gered zien, houden zij, ademloos, uitgeput door de geweldige inspanning, op de hoogte stil, om krachten tot nieuwe daden te verzamelen.

Bernard maakte van dit eerste oogenblik, waarin het mogelijk was naar de gewonden om te zien, gebruik, om Lodewijk op te zoeken. Men was reeds ijverig bezig, eenige generaals en hoofdofficieren achteruit te brengen, die op het met bloed doorweekte veld gevallen waren; om de menigte der overigen kon men zich nog niet bekommeren. Ofschoon zulks met het uiterste gevaar verbonden was waagde Bernard zich koelbloedig op de tusschen beide legers vrijgebleven ruimte, waar de lijken van het regiment moesten liggen. Het bloed stolde hem in de aderen, toen hij dit veld der verwoesting bereikt had en daarop voorttrad. Niet de dooden vervulden hem met ontzetting, maar de afgrijselijk verminkten, die jammerend om redding smeekten en welker ellende hij niet verzachten kon. Huiverend, met afgewend gelaat, spoedde hij hen voorbij. Zij strekten de bloedige armen krampachtig naar hem uit, riepen met hartverscheurend snikken zijne hulp in. Onmogelijk! Hij moest verder. Deze afschuwelijke aanblik bracht hem met verdubbelde levendigheid voor den geest, dat hij, die hem het dierbaarste op aarde was, in denzelfden hulpeloozen toestand versmachtte. Lijken van menschen en paarden belemmerden hem bij elke schrede in het voortdringen. Een ongelukkige, die in krampachtige zenuwtrekken op den bloedigen grond rondwentelde, greep den voorbijsluipende aan en klemde de armen als ijzeren boeien om zijne voeten. „Help mij, red mij, ik versmacht!” kreunde hij. Het was een Duitscher! Bernard hoorde de taal van zijn vaderland. Moest hij den landsman, den krijgsmakker, die kermend om redding smeekte, die met afgrijselijk vaneen gereten lijf, waaruit bloed en ingewanden opwelden, aan zijne voeten kroop, van zich stooten? Moest hij met een wreeden voetschop de nog glimmende vonk der heilige levensvlam voor eeuwig uitdooven? En anders konde hij zich niet uit die stuipachtig saamgeknelde armen losrukken! „Lodewijk! U moge God redden! Ik kan het niet!” snikte hij, door zijn gevoel overweldigd, en boog zich tot den kermende neder, om hem op de schouders te laden en naar eene veilige plaats te dragen. Doch reeds werd de vaste knoop, waarmede de ongelukkige hem omkluisterd hield, losgebonden; de armen zonken krachteloos neder, het met brekende oogen opgeheven gelaat zeeg ter aarde, de alle spieren en zenuwen verwringende doodskramp was voorbij, het leven ontvloden. Eene ijskoude rilling liep den jongeling over de leden, bevend trad hij terug en drukte beide handen voor de oogen.—Eensklaps hoort hij in de verte eene stem roepen, die als hemelsche tonen in zijn oor klinkt. Hij ziet op, het is Lodewijk, die te paard komt aanrennen, om den vriend, dien hij onder de gevallenen waande, op te zoeken. In woesten galopvliegt deze op hem toe; zij vallen elkander sprakeloos in de armen, tranen van vreugde en dankbaarheid rollen langs hunne wangen.—Doch er is geen tijd te verliezen. „Spring op!” roept Lodewijk, „wij moeten naar de onzen terug.” In ééne seconde zit Bernard achter den vriend te paard, en deze snelt met den kostelijken buit naar de plaats terug, waar Rasinski de zijnen opnieuw verzamelt en ordent.

Met een luiden vreugdekreet ijlen Jaromir en Boleslaw de naderenden te gemoet. „Gij leeft dus? Zijt ongekwetst?” luidt de wederkeerige begroeting. Ook Rasinski komt vol vreugde aansnellen en ontvangt de geredden, die men reeds verloren waande. „Een paard hier!” roept hij, en terstond staat een van die, welke zonder ruiter, zich uit natuurlijk instinct midden uit het slaggewoel weder in hunne oude gelederen geschaard hebben, voor Bernard in gereedheid.

Eenige oogenblikken rust zijn den vermoeiden vergund. Bernard verhaalt, hoe het hem gegaan is; Lodewijk, dat hij zich, toen zijn paard was neergestort, hoewel door den val eenigermate bedwelmd, toch vrij spoedig weder opgericht, een los rondloopend paard opgevangen en zich opnieuw bij het regiment aangesloten heeft, tot de terugwijkende benden ook hem medegesleept hadden. Toen de vrienden zich verzamelden, ontbreekt Bernard. Zonder hem geen leven! Met lossen teugel vliegt hij naar 't slagveld terug, maar, nog eer hij de plaats bereikt heeft, waar zijne gevallen kameraden moeten liggen, ziet hij Bernard van verre, herkent hem aan de uniform en redt den vriend, die hem redden wilde.

Zoo, door nieuwe banden der liefde aan elkander gesnoerd, wordt hunne vriendschap nog versterkt en als edel goud in de vlam der beproeving gelouterd.

Maar opnieuw sleurt de woede van den slag hen voort. Op bevel van den koning van Napelsverzameldenzich de cavalerie-regimenten ten tweeden male, om den, door 't geschutvuur aanmerkelijk verzwakten vijand geheel overhoop te werpen. Rasinski voegt zich bij de dappere brigades, welkeBruyèresenNansoutyaanvoeren. Deze massa's doen den vijand wijken en werpen hem op zijn centrum terug; maar tallooze lijken, de troepen der overwinning, bedekken het slagveld.

De zoom der hoogten achterSemenowskoiis nog altijd met sterke batterijen beplant, die hare verderfelijke ladingen onophoudelijk losbranden. De zege wordt twijfelachtig en schijnt nu naar deze, dan naar gene zijde over te hellen. Met lijken koopt men elke schrede voorwaarts, met lijken teekent men de baan van den terugtocht. Eindelijk stormt het voetvolk met inspanning der laatste krachten de steile heuvels op, het vuur van den vijand verflauwt en laat andermaal een korte verademing toe.

Rasinski bevond zich met zijn regiment in eene diepte, waar hij, terwijl de infanterie het gevecht op een voor de ruiterij ongunstig terrein had overgebracht, voor den kogelregen gedekt was. Ernstig reed hij de gelederen door en berekende het getal dergenen, die hij miste. Eene sombere wolk legerde zich op zijn voorhoofd, toen hij nauwelijks de helft der zijnen aanwezig zag; een vol derde was gesneuveld, de overigen lagen gewond op de vlakte. En toch was het eerst middag en de bloedigste arbeid wellicht nog te doen. Een adjudant van Murat kwam pijlsnel aanrennen en bracht hem het bevel over om onmiddellijk naar den linkervleugel der armee te trekken en de in massa oprukkende artillerie te dekken. Tegelijk besteeg de officier met hem de naaste hoogte, ten einde hem het punt, werwaarts hij zich te begeven had, nader aan te wijzen. De slag was nu reeds tot dicht bij de vijandelijke stellingen doorgedrongen. De Russen raapten hunne reserves bijeen, om met hardnekkige dapperheid een tweedebedrijf van het bloedige schouwspel te beginnen. Ter verijdeling van hun opzet liet de keizer thans de gansche onafzienbare linie zijner artillerie in beweging brengen, ten einde de oprukkende colonnes reeds op verren afstand met dit vreeselijk wapen te verpletteren. Rasinski volgde drie zware batterijen, die zich tot eene eenigszins afgezonderde hoogte vooruitwaagden, waar zij lichtelijk door de vijandelijke lichte cavalerie konden verrast worden, tegen welke hij haar in dat geval beschermen moest.

Het rumoer van den slag, dat men tot hiertoe vernomen had, geleek slechts het dof gedreun van een verwijderd onweder tegen de krakende donderslagen, die thans over de vlakte rolden. Op de tegenovergelegen hoogten waren de Russen in lange colonnes in slagorde geschaard. De kogels sloegen met vreeselijke zekerheid in de zwarte massa's neder. Men zag den vijand in gansche rijen nederstorten; echter week hij niet, maar ordende zich telkens weder opnieuw.

„Zij bieden hardnekkig tegenstand,” sprak Rasinski,„maar zij offeren zich te vergeefs op. Niet dáár moesten zij zich verzamelen, maar òf verder terugtrekken òf met allen spoed voorwaarts rukken. Zij zullen dien misslag duur betalen.”

„Zie, zie,” riep Jaromir, „hoe de blauwe hemel gedurig door den zwarten muur zichtbaar wordt, wanneer onze kogels eene opening boren. Zij zijn waarachtig waanzinnig, hunne beste manschappen zoo nutteloos op te offeren.”

„Maar ook wij verzuimen onzen tijd, vrees ik,” antwoordde Rasinski. „Wanneer thans de gardes aanrukten en van de voordeelen, die wij, met het bloed onzer kameraden betaald hebben, gebruik maakten, moesten wij de gansche armee der Russen op haren rechtervleugel terugwerpen en tusschen de Moskowa en de Kalotscha insluiten kunnen. Ik zie niet in, hoe zij ons ontkomen zouden.”

„De koning van Napels, daarvan was ik zelf in de redoute getuige, heeft reeds voorlang zijn adjudant aan den keizer gezonden en op voortrukken der garde aangedrongen,” hernam Bernard.

„Ook maarschalkNey,” sprak Boleslaw.

„En hij weigerde het?” vroeg Rasinski.

„Vermoedelijk.”

„Onbegrijpelijk! onbegrijpelijk!—Hij is te ver van het slagveld verwijderd, hij moest hier op ons standpunt staan en ik ben verzekerd dat hij den aanval in stormmarsch bevelen zoude.”

„Ik kan mij niet voorstellen,” sprak Lodewijk, „dat een veldheer als de keizer niet gewichtiger redenen zou hebben, om aan dit verlangen niet te voldoen, dan zij opgeven, die het aan hem te kennen gaven.”

„Wat hem doet aarzelen, geloof ik te kunnen gissen,” antwoordde Rasinski; „men is aan de beide vleugels nog zoover niet, als op het centrum. Echter ziet men toch duidelijk, dat ook vorst Poniatowski grond wint, en de onderkoning van Italië heeft ten minste nog niet ongelukkig gevochten.—Maar is dat nietRegnard, die daar aankomt?”

Hij was het inderdaad. Met verbonden hoofd en arm reed hij langzaam, door twee zijner soldaten ondersteund, uit het gevecht terug. Rasinski snelde op hem toe.

„Nu, hoe staat het, vriend?” riep deze hem toe.

„Hoe het staat? Met mij verduiveld slecht, zooals gij zien kunt. Echter kan ik nu verzekerd zijn, dat ik in dezen slag mijn leven niet verliezen zal. Ik ben onbeduidend gekwetst, maar de helsche arbeid en het bloedverlies hebben mij zoo verzwakt, datik mij niet langer te paard kan houden. En dan het ongeluk, het verdriet, deze arglist des satans dreigen mij razend te maken!”

„Wat dan?” vroeg Rasinski verwonderd,

„Gij vraagt nog? Ziet gij dan niet hoe de slag staat? Barsten kon ik van spijt, dat de keizer niet meer de keizer, of liever, dat hij enkel de keizer en niet meer de veldheer is. Hij moet ziek zijn, de koorts spookt hem in de hersens, geen mensch kan hem begrijpen. De overwinning ligt vóór hem en hij, die anders in eene Charybdis sprong om haar te grijpen, is thans bevreesd er den arm naar uit te strekken. Murat,DavoustenNeyhebben hem bezworen, hun de garde tot versterking toe te zenden. Hij heeft het afgeslagen. Slechts op de hoogte mag zij zich vertoonen, om den vijand voor onze reserve bevreesd te maken. Het schijnt, dat een helsche demon zijne gedaante heeft aangenomen, om ons in het verderf te storten!”

„Wij zullen het toch winnen!”

„Dat zullen wij ook! Maar kan het ook anders met zulke troepen? Vliegen de kerels niet als uitgehongerde wolven op den vijand in? Mijne manschappen hebben zich bij den aanval op de verschansing in den dood gestort, als gold het een wedloop naar de prijzen aan den meiboom, en het verwondert mij nog, dat zij de kogels niet met de bajonetten uit de kanonnen geboord hebben, terwijl de artillerist de brandende lont aan de kruitkamer bracht. Voor den duivel, ik weet wat vechten is, maar zooals heden heb ik de Franschen nog nooit gekend.”

„De vijand doet ook het zijne!”

„Zeker; hij weert zich als een gewond everzwijn; doch juist als hij zulk een ijzersterken tegenstander vindt, wordt de soldaat een leeuw. Vaarwel, vriend! Ik moet mij dadelijk laten verbinden, wil ik niet zachtjes uit den zadel glijden.”

Hij reikte hem de hand en reed verder.

Inmiddels was de bloedige worsteling met verdubbelde woede hervat. Thans was het de moedige Eugenius, die den hachelijksten kamp te strijden had. Op eene hoogte tusschen Borodino en Semenowskoi had de vijand zijne stelling door eene geduchte redoute gedekt, waaruit vier en twintig mortieren hunne ijzeren kogels op de voorwaarts dringende regimenten nederwierpen.

„Daar is de overwinning!” riep Rasinski, toen hij het punt in het oog kreeg, waartegen thans beide machten al hunne benden aanvoerden. „Die redoute is het palladium van Ruriks gebied,” voegde hij er met fonkelende oogen bij; „maar zij zal het onze worden. Thans zal de keizer toonen, dat hij nog de veldheer vanAusterlitzenMarengois!”

Eenige oogenblikken later kreeg hij bevel, zich weder met zijn regiment bij de hoofdcolonne der ruiterij aan te sluiten, die het ten derden male herstelde linkercentrum van den vijand moest overhoop werpen. In een dal, door eene kleine beek doorsneden, werden de troepen onder de bescherming van het terrein herzameld. Tegelijk zag men dichte colonnes infanterie ontwikkelen, die den storm op de verschansing ondernemen moesten.

„Mij dunkt, het is lichter den zetel van den dondergod te bestormen, dan deze helsche werkplaats der cyclopen,” riep Bernard zijnen vriend toe.—Doch reeds drongen de colonnes met gezwinden tred met geveld geweer voorwaarts. Een vreeselijk gedonder dreunde over de vlakte; alle stukken der redoute werden tegelijk gelost. Een hagel van kartetsen kletterde op de troepen neder, als moesten zij door één verpletterdenslag vernield worden. Hef hoog opdwarlende stof liet niet toe, te onderscheiden, wie stond of viel. Doch spoedig zag men de adelaars weder blinken, en in opnieuw gesloten rijen rukten de stormenden voort. Het ijzeren monster op den heuvel scheen verstomd te zijn. Maar het had slechts geloerd, om zijne prooi des te zekerder te treffen; toen de colonnes zich weder tot eene dichte massa hadden saamgesmeed, rukte het de bliksemende tongen uit al zijne vier- en twintig vuurmonden tegelijk uit en het hemel en aarde schokkende gebrul kraakte door de lucht. Gelijk een stormwind over het korenveld raast en de halmen in breede vlakten ter aarde drukt, zoo velde thans de sikkel des doods de koene aanvallers ter neder. Het scheen, dat de helft door dien éénen slag was weggemaaid. De ijzeren stroom, die over hen heen bruiste, vergunde hun nauw een vrijen ademtocht. Met onverzadelijken bloeddorst slingerde de furie des verderfs, die, in den donkeren mantel van rook en damp gehuld, over de strijders rondwaarde, hare bliksemen neder. De verschrikking won de overhand; de rijen bogen, weken, vluchtten. Nieuwe benden werden aangevoerd, om de verpletterden en vliedenden te vervangen; maar even onuitputtelijk goot zich de alles vernielende vloed der kartetsen over het veld uit. Lijken werden op lijken gestapeld, als wilde men een wal van gevallenen om dezen vuurspuwenden krater doen oprijzen.

Tegen de beide zijden derredoute, die als een onverwinnelijk Gibraltar alle pogingen van den stoutsten heldenmoed trotseerde, leunden de vleugels van het russische leger. Ook zij zonden den dood in de rijen der aanvallers.Muratzendt twee cavalerie-regimenten tegen deze colonnes af, om haar zoo mogelijk te doen wijken en vervolgens de verschansing van ter zijde aan te tasten. Doch nauwelijks komen zij binnen het bereik van het vijandelijk vuur, of eene bloedige slachting verdunt hunne gelederen, en een kogel doet hun aanvoerder, den dapperenMontbrun, van het paard storten. Hem ziende vallen, wankelen zij, beginnen te wijken; doch ijlings springt de generaalCaulaincourtvoor het front, omMontbrunsplaats in te nemen. „Vrienden!” roept hij, „niet beweenen, wreken willen wij onzen wapenbroeder!”

Op last van den koning van Napels stelt zich nu de gansche ruiterij in beweging. Twee saksische kurassiersregimenten vormen den linkervleugel, een poolsch korps sluit hun ter zijde aan, hierop volgt Rasinski met zijne scharen en eindelijk de overige lichte cavalerie.

Langzaam rukken zij voort, tot zij het vlakke veld voor zich zien. Thans klinkt het commando, de trompet schalt, pijlsnel stormen de ijzeren mannen over het veld. De donder van het geschut wordt verdoofd door het stampen en trappelen der paarden, het kletteren der kurassen en sabels, den woedenden aanvalskreet der krijgers. Eene stofwolk hult hen in nacht; slechts de bliksems der vijandelijke mortieren wijzen hun het spoor. Man aan man gesloten, rennen zij voort. Aan deze vereenigde kracht vermag niets weerstand te bieden. Thans wordt de teerling geworpen, die over den slag, over twee keizerskroonen, over het lot van Europa beslissen moet. Met woeste onstuimigheid werpen de ruiterscharen zich op de linie van den vijand en drijven hem naar de vlakte terug. Dit gezicht doet den moed der reeds afdeinzende infanterie, die tegen de verschansing wordt aangevoerd, opnieuw ontvlammen; onder wild geschreeuw dringt zij voort. De gloeiende ijzerbrokken woelen door hare gelederen en doen duizenden vermorzeld neerzinken. Voorwaarts over de lijken der broeders! De adelaars vallen. Voorwaarts! De aanvoerders storten ter aarde. Voorwaarts, dat zij op het veld der overwinning hun heldenadem uitblazen! De aarde is eene stormende zee; gierigverslindt de afgrond des verderfs zijn roof. Nog eenmaal kraken de ijzeren mortieren en slingeren vlammen en erts op de bestormers. Hunne rijen liggen geveld, doch onder jubelgeschrei dringen de overblijvende voorwaarts.

Daar wordt het plotseling stil. Het zwarte voorhangsel van rook en damp opent zich, en een verblindende glans straalt den dapperen in het oog. Hoe? Is dat de godin der Overwinning? Rijst een nieuwe, ijzeren muur voor onze schreden op?—Neen, wij vernemen vreugdegejuich, zegekreten!

Het zijn de duitsche scharen, die de schans genomen, de zege bevochten hebben, en de zon van dezen dag spiegelt zich trotsch in hunne flonkerende kurassen die een hart van nog ondoordringbaarder metaal bedekken.

Het vijandelijk geschut was veroverd, de tegenstander overhoop geworpen. Doch spoedig wordt deze door geordende scharen ondersteund en schijnt nogmaals den kamp te willen hervatten. Hij beseft echter, dat hij wijken moet, maar wil niet vluchten. Het grimmig gelaat naar het slagveld gekeerd, trekt hij langzaam in nieuwe, vaste stellingen terug. Zijne heuvels, zijne vloeden worden tot machtige verdedigers des vaderlands. Geen stortbeek, die niet hare steile zandoevers tot borstwering aanbiedt, om hem tegen den nadringenden vijand te beschermen; geen heuvel, die zich niet tot eene vesting hervormt, om den vervolger opnieuw een dam in den weg te werpen, waarop hij zijne afnemende krachten geheel kan uitputten. Zoo was het der fransche lichte ruiterij niet mogelijk, verwarring en verderf onder de wijkende scharen te weeg te brengen, en na het ernstige spel van den slag bleef het lichtere, den vijand rijken buit te ontwringen of talrijke gevangenen in triumf terug te voeren, geheel achterwege. Slechts het ijzeren geschut hechtte zich aan de verzenen der vluchtenden en zond hun den dood na, tot eindelijk de stille nacht den jammer en de verschrikkingen van den dag met zijn donkeren mantel omhulde.

Om de narukkende batterijen tegen de vijandelijke cavalerie te dekken, was Rasinski met zijn regiment tot aan den laten avond in het gevecht geweest. Thans, daar de schemering inviel en ook deze laatste kamp een einde nam, reed hij met de zijnen over het slagveld terug, om eene geschikte legerplaats op te zoeken. De toenemende duisternis liet niet toe, de omliggende voorwerpen duidelijk te onderscheiden; de hemel was met dichte wolken betrokken; een fijne stofregen, door den ruwen herfstwind voortgejaagd, sloeg den vermoeiden krijgers in het gezicht. Het vreeselijke gewoel en geraas van den dag had voor eene diepe, huiveringwekkende stilte plaats gemaakt. Slechts in de golvende toppen der wouden murmelde een hol gesuis en geritsel, en fladderende raven, die reeds het aas roken, krijschten boven de hoofden der ruiters om. Somber en droefgeestig, als de omringende natuur, was ook de stemming der gemoederen. „Is dat het gevoel na eene overwinning?” zuchtte Lodewijk. Zijn lot scheen hem op dit oogenblik een zwarte droom toe, waaruit hij ontwaken moest. Huiverig wierp hij een blik terug op de baan zijns levens, die zoo plotseling uit eene zachte vlakte bij de steilste hoogte was opgeklommen en hem nu langs de dreigendsteafgronden heenleidde. Voor eenige maanden, toen de lente de knoppen der boomen op de velden van Italië deed ontluiken, toen woonde nog zachte rust en tevredenheid in zijne borst. Toenmaals bouwde hij schoone luchtkasteelen van eene vreedzame, van het gewoel der wereld afgezonderde toekomst. Hij dacht aan Maria, aan de moeder, aan hare stille huiselijkheid, aan de beoefening der wetenschappen en aan het beroep dat hem beidde; hij gevoelde zich gelukkig als zoon en broeder. Zelfs de zonderlinge gewaarwording, welke de schoone, aanlokkelijke gestalte, die hem aan den voet van den St. Bernard verschenen was, in zijne borst had opgewekt, voerde slechts een glimlachje van weemoedig verlangen op zijne lippen. Wat hij steeds als een droom, als een vluchtig voorbijzwevende verschijning beschouwd had, kon geene diepe wonden in zijn hart achterlaten.

Hij kende slechts de bezorgdheid over het lot van zijn vaderland en de treurigheid—dikwijls kan men haar ook een geluk noemen!—die, door een onbevredigd, rusteloos pogen en streven veroorzaakt, de borst van elk gevoelig mensch zoo dikwijls bestormt. Zoo beklom hij den kleinen heuvel bijDuomo d'Ossola; daar zag hij het geheimzinnige teeken des groenen sluiers, en sinds dat oogenblik werd de kalme vloed zijns levens door onstuimige golven bewogen, die hem naar eene woeste, ledige eenzaamheid met zich voortsleurden. Wanneer hij zich nu in het hart van het russische gebied op een, met lijken bezaaid, met bloed gedrenkt slagveld verplaatst zag, wanneer hij bedacht, dat zijne moeder in het stille graf sluimerde, zijne zuster eenzaam en verlaten rondzwierf, het beeld der geliefde in de zee van een eeuwigen nacht verzonken was, dan gaf het oogenblikken, dat hij met krampachtige smart wilde uitroepen: Wekt mij, wekt mij uit dezen vreeselijken droom!—Eensklaps voelde hij, dat Bernard, die stilzwijgend aan zijne zijde reed en met innig medelijden het gelaat van den treurenden vriend gadesloeg, zijn achteloos neerhangende hand aangreep en met warmte drukte.

„Gij zijt zoo ernstig en bedrukt, Lodewijk,” sprak hij; „gij moest het oog vroolijker ten hemel slaan, nu wij ons na dezen bloedigen dag nog in leven en aan elkanders zijde bevinden. Dit moet ons een onderpand zijn, dat ons zeldzaam lot een gelukkig beslissend einde zal nemen. Ik ben niet buitengewoon vroom, zooals men dat gemeenlijk verstaat, maar na een dag als dezen, dat de donder Gods om ons heen rolde en zijne bliksems naast ons neersloegen, hef ik toch met een ander gevoel dan gewoonlijk naar de kleine starren daarboven ons het oog op, schoon zij ook slechts ter sluiks tusschen de drijvende herfstwolken heengluren.”

„Ja, Bernard,” hervatte Lodewijk, „gij hebt gelijk! Wanneer ik u naast mij zie, levend, frisch als dezen morgen, dan wendt mijne ziel zich met warme dankbaarheid tot den eeuwigen Vader, maar gevoel ik tevens ook, hoe peilloos diep de afgrond der droefenis zijn kan. Vriend, ik gevoel, wat ik verloor, en beef, als ik bedenk, wat ik nog verliezen kan! Wanneer de dood, die zoo weinigen van onze getrouwen verschoonde, nu ook u eens had weggerukt! O dan was het beter, dat ook ik op dit donker veld lag!”

„En Maria?”

„Ach zij zoude spoedig haar vermoeid hoofd tot mij neigen.”

„Ja, tot u,” sprak Bernard met eene bitterheid, die de vriend, door de eigene bekommernissen te zeer geschokt, niet bemerkte. Mij, wilde hij er bijvoegen, zou geen gedachte, geen wensch navolgen, wanneer ik als een goede maaltijd voor de raven, die hier boven ons zwieren en krassen, op dit woeste slagveld lag neergestrekt. Dochsteeds gewoon, zich zelf streng te beheerschen, bande hij deze gedachte van zijne lippen in de borst terug en vervolgde op bijna onverschilligen toon: „Spreek niet op die wijze, Lodewijk. Zekerlijk zal zij haar hoofd spoedig tot u neigen, maar met eene van vreugde gloeiende, door zoete tranen bevochtigde wang tegen uwe warme, kloppende borst.”

„Hoopt gij dat?”

„Voorzeker, en juist heden na den slag vooral, want de overwinning is ook de vrede, de vrede de terugkeer, deze de verzoening met alle ons nog dreigende machten des noodlots, wanneer ik namelijk den franschen schurken niet te veel eer aandoe, door hun giftig spinneweb met het weefsel der Schikgodinnen te vergelijken.”

Hier werd het gesprek afgebroken, daar Bernards paard struikelde en op de knie nederviel, zoodat hij bijna uit den zadel geslingerd was. „Wat is dat?” riep hij, zich oprichtende. „Ik geloof waarachtig, dat het een lijk was, waarover ik gevallen ben.”

„Wij zijn thans op de hoogte achter Semenowskoi,” sprak Rasinski, „hier moeten reeds vele dooden liggen en voorzeker ook nog zwaar gekwetsten. Rijdt dus voorzichtig, mannen, opdat wij het lijden der hulpeloozen niet nog vermeerderen.”

Dit menschlievende bevel was vruchteloos, want spoedig werd het getal der lijken van menschen en paarden zoo groot, dat men bijna bij elken stap daartegen aanstiet.

„Wij willen links afslaan en de laagte houden,” beval Rasinski. „Daar heeft de dood niet zoo sterk kunnen woeden; wij bereiken ons doel wel langs een omweg, maar toch altijd nog spoediger, dan wanneer wij recht doorrijden en bij elken pas worden tegengehouden.”

Zoolang zij nog op de hoogte voortreden, bleef de grond met lijken bezaaid.

„Het is mij niet onaangenaam, dat de nacht al deze gruwelen in duisternis hult,” sprak Lodewijk; „schoon ook de verbeelding machtiger is dan de werkelijkheid, zullen hare beelden toch niet zoo afgrijselijk zijn als die, welke het oog des dags hier verlichten zal.”

Sprakeloos reed de kleine schaar over het lijkenveld voort. Dikwijls waande men een kermen, een zwaar kreunen te vernemen, doch de in de boomen van het nabijgelegen woud ruischende wind, het doffe dreunen der hoefslagen, het gekletter der sabels, het snuiven der hijgende paarden verdoofden weldra deze enkele toonen des jammers. Echter sneden zij diep door het hart.

Elk ademde vrijer, toen men de kloof bereikte, waar de dood niet zoo talrijke offers had kunnen neervellen. Den loop der regenbeken, die zich hier eene diepe bedding gewoeld hadden, volgende, kwam men voorbij den voet des heuvels, waarop de drie redouten lagen, voor welke Rasinski met zijn regiment het eerst in den strijd was gewikkeld geworden.

„Halt! Front!” kommandeerde hij. Het regiment, wanneer men de weinige lieden, die nog overig waren, zoo noemen mag, stond thans met het front tegen de hoogte, waar het zijne dappersten gelaten had.

„Daar boven,” sprak Rasinski met eene weeke, doch mannelijk krachtige stem tot zijne ruiters, „daar boven op den heuvel liggen onze getrouwe, wakkere kameraden. Laat ons een stil gebed voor hen uitspreken.”

Met deze woorden nam hij zijn czapka met den golvenden vederbos af en neigde het ontbloote hoofd. Ernstig volgden de krijgers zijn voorbeeld. Eenige minuten heerschte er eene plechtige, heilige stilte; hierna richtte de aanvoerder zich weder op, dektehet hoofd en reed in korten galop langs de gelederen. In het midden, op eene kleine hoogte, hield hij stil. „Rechts en links zwenkt, formeert den kring!” riep hij. Toen men een halven kring gesloten had, want meer liet het terrein niet toe, liet hij halt houden en sprak: „Kameraden! De dag van heden was bloedig, maar roemvol. Meer dan twee derden onzer broeders ontbreken in onze rijen. De helft heeft de zege met den dood betaald, de anderen hebben zware wonden bekomen in den strijd voor onze rechten. Wij betreuren de dapperen, die gevallen zijn; maar hun lot is schoon, hun verlies mag ons niet ontmoedigen, doch wij moeten er trotsch op zijn. Verbant derhalve de sombere stemming uit uwe borst. Wij hebben overwonnen en na eene overwinning moet het gelaat des krijgsmans vroolijk stralen. De kamp is geëindigd; nog eenige dagen en het loon zal u geworden voor de zware vermoeienissen en gevaren, die gij zoo roemrijk doorworsteld hebt. Ja, mijne broeders, roemrijk, want, schoon de kans ons ook in enkele oogenblikken van den dag ongunstig was, gij hebt gevochten als echte zonen van Polen; ik ben er trotsch op uw aanvoerder te zijn. Ontvangt mijn dank, kameraden, voor dezen bloedigen, maar schoonen dag!”

Gelijk eene vlam door de zware rookwolken, die haar lang neerdrukken, plotseling lichtend omhoog slaat, zoo vlamde na de sombere stemming der droefheid de geestdrift der krijgers thans helder op. „Leve onze aanvoerder, de dappere Rasinski!” riep Jaromir het eerst, en de gansche schaar ruiters herhaalde dien kreet. Rasinski dankte door handdruk en vriendelijken groet, doch beheerschte zijne ontroering, om de krachtige stemming der manschappen, die hem zoo gewichtig en noodzakelijk scheen, niet te verzwakken. Hij liet de trompetters een marsch blazen, de gelederen ordenen en sluiten en reed zoo aan de spits der kleine bende op het bivak toe. Weldra had men het bereikt, en nu deed zich de behoefte aan rust en verkwikking bij allen te sterk voelen, dan dat men nog aan iets anders had kunnen denken. Rasinski koos zijne legerplaats onder drie hooge dennen van het woud, aan welks zoom zijne ruiters het bivak betrokken.


Back to IndexNext