Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen, elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten, had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch, door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski; Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski; „doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens borst een jeugdig vuur van moed envaderlandsliefde gloeide, schoon zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte ons allen mede voort.”„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden. Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren gebruik maken.”Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig in vasten slaap.Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt. Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de vlammen starende, den gloed aan.„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.„Middernacht.”„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”„Alles stil als de dood.”„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de overwonnenen!”Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op; die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.„Werda?”„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn vriend! Mijnedroomen zijnwellicht nog akeliger! Wanneer gij een ervaren soldaat waart, zoudt gijmij begrijpen. Deze overwinning is ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen, hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven, wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren zal!”Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den duisteren nacht.„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt. Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure, regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland, aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen, door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen, vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie denslaggezien heeft, kent slechts delachendezijde van den krijg. Zie morgen het slagvelden gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven. Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem, voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die gruwzame martelingen van eengerekten doodstrijd, die het medelijden zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend, dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne schouders wentelt.”Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed. Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven, het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende morgen hen wekte.HOOFDSTUK VI.Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan wel naar Kaluga wendde.Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen. In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden. De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen. Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de eenige prijs deroverwinning, die men bevochten had! Vele regimenten waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.Zoo wachtten zij op den keizer.Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten, prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldatenherhaaldendien, maar het was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis bestuurt!”„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde zie doen; gelijk zij tegen zijn grooteenverdwijnen, even als de tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het stofdeeltje der enkelekracht, dat hij tot vorming van het geheel verzamelen moet. Of de atomen der enkelerechtendaarbij verstuiven, dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt, om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen, die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen, dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen,omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had, daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had, om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders. Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem op eene baar leiden en wegdroegen.Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te ijzen.”Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O, helpt toch eindelijk ook mij!”Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen, Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en daarmeê basta.”De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen; vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijkvatte hem aan en wilde hem oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „Ah! ma mère!” ademde hij met brekende stem en was niet meer.„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden geëindigd.”„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden ijlings na.Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had. Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld. De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten vermoeden, te beschadigen.De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalkBerthierbleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk te onderkennen waren, in de verte schemeren.„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem verwekt had, trachtte te verbergen.„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,” vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,” sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet, die daar zoo haastig komt aanrennen?”Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid, weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden bleven natuurlijk niet achter.„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden. „Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”„Wie heeft het bevel gebracht?”„Een adjudant van den koning van Napels.”„Hebt gij fourage gevonden?”Jaromir schudde het hoofd.„Dus hebben de paarden niets gehad?”„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad te vinden.”„En hoe zijn de manschappen?”„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk. De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.„Ja, maar aan beide zijden.”„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder henCaulaincourtenMontbrun. Ook de maarschalkDavoustis gewond.”„Maar niet gevaarlijk!”Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te storten.Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd, dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert, hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen; eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepteook reeds weder het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.
Het vuur was spoedig helder ontvlamd; de weerschijn daarvan verlichtte de breed neerhangende takken der oude, reusachtige boomen en het lage kreupelhout in den omtrek. Bernard, Lodewijk, Jaromir, Boleslaw en de officieren, welke de slag verschoond had, vlijden zich op deze plaats neder. Rasinski wenschte hen om zich heen te hebben.
„Welaan vrienden,” begon hij, „laat ons nog eenige minuten aan een vertrouwelijk gesprek wijden en dan de rust zoeken, die wij allen behoeven zullen.—Het was een harde dag! Weet gij, hoevelen wij nog overig zijn? Niet meer dan honderd vijf en twintig man, wij allen medegerekend. Driehonderd zeventig heeft ons de slag gekost.”
De officieren zagen elkander met sombere blikken aan. Zij waren slechts vijf in getal. Zeven had men zwaar gewond van het slagveld gedragen, elf had de dood weggerukt; en van hen, die hier aan het vuur zaten, had Boleslaw een houw over het voorhoofd, die echter onbeduidend en door hem zelf verbonden was, terwijl Lichnowski, een zeer jong mensch, door een schampschot in den arm was gekwetst. Geheel ongekwetst waren slechts Rasinski, Jaromir en de beide ritmeesters Bernecki en Jelski; Bernard was eveneens onbezeerd gebleven, doch Lodewijk had door zijn val van het paard eenige zware kneuzingen bekomen.
„Velen, allen, die ik missen moet, betreur ik innig,” sprak Rasinski; „doch één verlies gaat mij bijzonder na aan het hart. Het is dat van onzen Petrowski, die meer naden dan haren op zijn schedel had; in wiens borst een jeugdig vuur van moed envaderlandsliefde gloeide, schoon zijn hoofd met de sneeuw van den ouderdom bestrooid was.”
„Dus Petrowski dood! En waar viel hij?” vroeg Bernard.
„Daarboven bij de redoute, waar wij wijken moesten en meest al de onzen den dood vonden. Hij wilde niet vluchten en trachtte zijne sectie tot staan te brengen, toen een kanonskogel tusschen hem en zijn paard doorsloeg, zoodat beiden neerstortten. De sabel ontzonk aan zijne hand en het gebroken oog staarde ten hemel; zoo zag ik hem op de plaats liggen. Het was onmogelijk hem weg te dragen, want de stroom sleepte ons allen mede voort.”
„Zou hij wellicht ook onder de gewonden zijn?” vroeg Lodewijk.
„Neen, mijn vriend, ik heb reeds bericht. Ook was de dood te duidelijk op zijn gezicht te lezen. Hij ligt daarboven. Wanneer de tijd het morgen toelaat, wil ik zien, of ik den grijzen held een eerlijk graf kan bezorgen, opdat zijne kameraden te huis vertellen kunnen, waar het gebeente van den dapperen Pool rust.” Rasinski rilde, als werd hij door eene koortsachtige koude bevangen. „Wij worden te weekhartig, vrienden. Wie weet, wat dezen nacht onze rust nog stoort; laat ons van de uren gebruik maken.”
Hij hulde zich in zijn mantel en legde zich neder, meer om zijne ontroering te verbergen, dan om te sluimeren. Echter had de geweldige arbeid en nog meer de langdurige spanning der ziel het lichaam tot uitputtens toe vermoeid, en zoo zonken allen die hem omringden, spoedig in vasten slaap.
Doch midden in den nacht dreven onrust en bezorgdheid Rasinski van zijne harde legerstede op. Hij trad, in zijn mantel gedoken, door de rijen der krijgers, die in diepen slaap om de vuren waren uitgestrekt. Alleen de vuurwachten waakten nog en stookten, gedachteloos in de vlammen starende, den gloed aan.
„Hoe laat is het, vriend?” vroeg Rasinski.
„Middernacht.”
„Hebt gij niets gehoord? Geen kanonschot in de verte, geen trommelslag?”
„Alles stil als de dood.”
„Zonderling,” mompelde Rasinski; „men moest vervolgen, den vijand geen rust gunnen. Maar de overwinnaars zijn wellicht nog vermoeider dan de overwonnenen!”
Hij beklom eene hoogte, die hem een ruim uitzicht aanbood. Het slagveld lag zwart en zwijgend voor hem. Evenals den avond te voren vlamden de vuren van het russische leger in een breeden, halven kring helder op; die der zegevierende armee brandden slechts flauw en spaarzaam.
„Dat is dus de vrucht van een zoo moorddadigen kamp? De vijand nog onverwrikt in zijne stelling! Zou morgen wellicht de zon ten tweedenmale zoo bloedig opgaan? Nog eens zulk eene overwinning en wij zijn reddeloos verloren!”—Hij trad driftig op en neder. Een verward gerucht van stemmen drong uit de verte in zijn oor. Het was het welbekende russische krijgsgeschreeuw, dat door den nachtwind werd voortgedragen. „Zouden zij midden in den nacht een aanval wagen?”
Inmiddels ritselde het achter hem in de struiken.
„Werda?”
„Ik ben het,” antwoordde Lodewijks stem. „Mij laten akelige droomen geen rust vinden, daarom volgde ik u, toen ik u zag opstaan.”
Rasinski legde de hand op Lodewijks schouder en zuchtte. „O mijn vriend! Mijnedroomen zijnwellicht nog akeliger! Wanneer gij een ervaren soldaat waart, zoudt gijmij begrijpen. Deze overwinning is ons verderf! Deze oorlog kan niet gelukkig eindigen! De keizer is verblind! Hij kent het oude Rusland niet. Hij hoopt tot Moskou door te dringen en daar den vrede voor te schrijven. En wanneer het hem al gelukt, de oude hoofdstad der czaren, die nog slechts twee dagmarschen voor ons ligt, te bemeesteren, bedenkt hij niet, dat hij dan eerst aan den drempel van dit reusachtige rijk staat, dat eerst aan gene zijde de bloeiendste provinciën liggen, die ruimte en kracht genoeg bezitten, om de bewoners van dezen oever der Moskowa op te nemen en te voeden, terwijl de winter ons hier doet omkomen?—En nog zijn wij niet in Moskou! Ziet gij daarboven de vlammende legervuren der Russen, hoort gij hun krijgsgeschreeuw? Wanneer zij den moed niet opgeven, wanneer hun veldheer dapperheid aan inzicht en beleid paart, kunnen zij ons nog drie veldslagen leveren, eer wij Moskou's gulden koepels zien blinken.—En dan? Wanneer duizenden en nog eens duizenden weggeraapt zijn, hoe zullen wij ons dan in het bezit der onmetelijke ruimte handhaven, die wij veroverd hebben? Elke menschelijke kracht heeft hare grenzen. Gewoon, het reusachtige te volbrengen, het onmogelijke werkelijk te maken, heeft onze groote veldheer zijne kracht te hoog geschat, zijne grenzen overschreden. Hij moet bezwijken onder het gewicht zijner onderneming, dat terugrollen en hem zelf verpletteren zal!”
Lodewijk zweeg en liet aan zijne sombere gedachten den vrijen loop.
Ook Rasinski stond zwijgend voor hem en staarde droefgeestig in den duisteren nacht.
„O vriend,” begon hij plotseling weder, en zoo ontroerd als Lodewijk hem nog nooit gezien had, „wanneer men zulk een veld der verwoesting vóór zich ziet, dan wil men ook weten, waarom de duizende offers bloeden moesten. O, gij vermoedt niet, welk een afgrijselijk beeld van menschelijke ellende zich achter die duisternis verscholen houdt. Niet de dooden beklaag ik; zij hebben hun edel doel bereikt. In den slag te vallen is het lot, de roem des krijgsmans. Maar hoe vele duizenden liggen hier op de folterbank van nameloos lijden! Deze gure, regenachtige nacht doet ons van koude rillen, die ongedeerd, gelaafd en verkwikt in onze mantels aan het vuur rusten. En zij daar? Met verbrijzelde leden, met opgereten lichaam liggen zij aan den ruwen nachtstorm prijsgegeven; hunne wonden bloeden, koude en koorts doen hen stuiptrekkend samenkrimpen; angstvol tellen zij de trage seconden van den nacht en kermen te vergeefs om hulp. Zij denken aan hun vaderland, aan hunne ouders, wier teedere zorg zij, nauw de kinderjaren ontwassen, door de ijzeren hand des oorlogs ontrukt werden; den vader zweeft het beeld zijner hulpelooze kinderen, den echtgenoot de gestalte der minnende gade, den jongeling zijne weenende bruid voor oogen. Doch uit al de gedachten der liefde, die hen in de verte op het slagveld volgen, vormt zich geen enkele beschermende, helpende engelengedaante, om de vertwijfelenden te troosten. Onder koude lijken begraven, omgeven van hen, die nog in den laatsten doodstuip zich zelven en hunne Schepper vloeken, liggen zij in akelige eenzaamheid of in schrikwekkend gezelschap, en elke komende minuut schudt een nieuwen stroom van jammer en ellende over hen uit.—Lodewijk, wie denslaggezien heeft, kent slechts delachendezijde van den krijg. Zie morgen het slagvelden gij zult voor het grijnzend masker van het helsche spooksel terugbeven. Maar zien zult, moet gij het! Gij moet weten, wat de man voor den roem, voor het vaderland waagt. Die aanblik moet uwe mannelijke opvoeding voltooien. Maar wanneer het doel gemist wordt! Wanneer in onze borst de vreeselijke overtuiging oprijst, het is te vergeefs! Alles, alles te vergeefs! Al die bloedige tranen, die krampachtige zuchten, die gruwzame martelingen van eengerekten doodstrijd, die het medelijden zelfs den verhardsten booswicht bespaart—alles te vergeefs! Vriend, dan zijn er oogenblikken dat ook de ijzeren kracht des mans nog te zwak is en dreigt te bezwijken onder den last, dien het noodlot op zijne schouders wentelt.”
Door zijn gevoel overweldigd, sloeg hij den arm om Lodewijks hals en drukte het hoofd aan zijne borst; hij vergoot geene tranen, maar zijn hart klopte onstuimig en zijne wang brandde als in koortsgloed. Lodewijk had geen troostwoorden, maar slechts een liefderijken handdruk voor den man, aan wiens mannelijke kracht hij zich zoo vaak had staande gehouden en dien hij thans zoo geheel verpletterd voor zich zag. Maar deze zwakheid duurde slechts eenige minuten. Spoedig richtte Rasinski het hoofd weder op, en sprak weemoedig vriendelijk: „Mijne borst wordt kalm en bedaard, Lodewijk, als die, waarin geen hart meer slaat; het is voorbij, ik heb aan de verstikkende beklemdheid lucht gegeven, het droombeeld is vervlogen, ik ben weer meester over mij zelf. Gij zult mij niet zwak zien, wanneer mijn plicht koele kracht eischt, het oogenblik de daad vordert. Ik wilde mijn lijden alleen aan den nacht toevertrouwen; thans heeft de borst des vriends daarin gedeeld en gij helpt het mij dragen, niet waar, Lodewijk? Ik heb immers ook in uwe smart gedeeld, en zoo valt ons beiden de last lichter.”
Arm in arm keerden zij naar het bivak terug en rustten tot de dagende morgen hen wekte.
Een ordonnans had het bericht gebracht, dat de keizer de troepen in oogenschouw zoude nemen. Zeer vroeg zat het regiment dus reeds op en rukte in de linie voor. Eerst thans vernam men van de heen en weder rijdende adjudanten, dat het russische leger gedurende den nacht den aftocht begonnen had. De koning van Napels was met een gedeelte der cavalerie uitgerukt, om na te vorschen, of het zich naar Moskou, dan wel naar Kaluga wendde.
Eene nadrukkelijke vervolging met de gansche armee meende de keizer van de uitgeputte, bijna geheel ontbonden troepen niet te kunnen vorderen. In eene lange linie geschaard, kroonden de regimenten den zoom der heuvels, die het vóór hen uitgebreide slagveld begrensden. Het strekte zich als eene treurige woestenij voor het front uit, doch men was te ver verwijderd, om de duizendvoudige ellende daarop te onderscheiden. De armee zelve leverde een droevig schouwspel op. De troepen hadden zich om hunne adelaars verzameld, maar hun voorkomen was ernstig en somber. Hunne uniformen waren zwart van kruitdamp en stof, doorboord en verscheurd door kogels en sabelhouwen. Honger, koude en bovenmatige inspanning hadden de krachten der dapperen uitgeput. De anders zoo vurige oogen schemerden flauw en mat onder de borstelige wenkbrauwen. Eene verheven droefheid lag op de gefronste voorhoofden; zij scheen toe te nemen bij elken blik op het bloedige veld, waar zoo vele duizende wapenbroeders sluimerden of onder duldelooze martelingen naar den dood als naar een verlosser uitzagen. En dat veld vol lijken en bloed was de eenige prijs deroverwinning, die men bevochten had! Vele regimenten waren tot een derde gesmolten; een klein rot, stonden zij om hunne arenden en schenen nauw talrijk genoeg, om ze verder te beschermen.
Zoo wachtten zij op den keizer.
Ernstig reed deze langs de gelederen. Hij groette de soldaten, prees hunne dapperheid in korte, afgemeten bewoordingen, beloofde belooningen, bevorderingen, eereteekens. Wel hieven de officieren den kreet: „Leve de keizer!” aan en de soldatenherhaaldendien, maar het was slechts eene oude gewoonte, een plicht van het hart, niet de vrije aandrang, die zich moedig en vroolijk uitte; en waar eens de donder van duizende stemmen daverde, daar hoorde men thans slechts eenige honderden roepen, want velen waren de lippen voor eeuwig gesloten.
Na de monstering der troepen wierp de keizer zijn paard om, ten einde het slagveld op te nemen. Vele generaals en hoofdofficieren volgden hem. Rasinski, en op zijn verlangen ook Lodewijk en Bernard, sloten zich op behoorlijken afstand bij den trein aan.
„Zie eens, hoe donker de hemel zich omwolkt, als ware hij bevreesd, bij zulk een akelig schouwspel een helder gelaat te toonen,” sprak Bernard tot zijn vriend, toen zij langzaam naast elkander voortreden. „Wat moet dat voor eene ziel vol koene, zich boven menschenrecht en menschengeluk stout als de Alpen verheffende ontwerpen zijn, die zulk een last van jammer en ellende op zich durft laden, zonder daaronder verpletterd te worden! Hoe hoog boven de aarde moet de geest omzweven, die de kleine akkers, vruchten, hutten, genoegens en wenschen der menschheid zoozeer uit het oog verliest, dat hij niets meer ontdekt, dan de massa's der landen en volkeren, dan de oceanen en vesten des aardrijks. Hoe ver moet hij met zijne gedachten over den tijd, over het tegenwoordige heenreiken, die, te midden van het verwarde, duizendvoudige schrift der dagelijksche gebeurtenissen zoo stout de griffel der wereldgeschiedenis bestuurt!”
„In zijne nabijheid,” hernam Lodewijk, „is het alsof ik mij tot dat gevoel zou kunnen verheffen. Gelijk ik mij zelf verlies en mij slechts als eene alleenstaande kracht beschouwen kan, waaraan hij tegelijk met duizend andere de richting geeft; gelijk ik allen, die ik anders als de besten, de grootsten, de zelfstandigsten vereerde, hetzelfde zie doen; gelijk zij tegen zijn grooteenverdwijnen, even als de tallooze regendroppelen eens onweders, die op den oceaan vallen—zoo wordt het mij begrijpelijk, hoe al die afzonderlijke krachten in het ééne zwaartepunt van zijn machtigen wil te zamen dringen. Hij gevoelt slechts de verplichting, haar naar den innerlijken, noodwendigen aandrang zijner ziel te gebruiken; hij ziet in den mensch slechts het stofdeeltje der enkelekracht, dat hij tot vorming van het geheel verzamelen moet. Of de atomen der enkelerechtendaarbij verstuiven, dat overweegt hij niet, dat mag hij niet overwegen, en wie zich bij hem aansluit, verliest dat recht volgens eene onveranderlijke grondwet. Wie niet wil moet het aan een anderen algemeenen wil ten offer brengen; dat is het lot der menschenkinderen. Wie in zich zelf de kracht gevoelt, om de draden des willens van zooveel duizenden in zich te vereenigen, die heeft ook het recht daartoe; wie het zich ijdel inbeeldt, zal spoedig verpletterd worden door de reusachtige knods, welke hij niet wist te voeren. Zij echter, die aan het machtige gebod van een beslisser der wereldgebeurtenissen gehoorzamen, mogen niet klagen, dat zij hunne vrijheid verliezen. Zij volgen hier zoo als altijd eene natuurwet; slechts de hoogere van den geest wordt minder algemeen erkend, dan de lagere der lichamelijke stof. Moogt gij u beklagen,omdat gij sterfelijk zijt? Zou het hoogste wezen, dat u aan die wet onderwierp, eenig verwijt treffen? Immers neen. Daarom is een groot man evenmin verantwoordelijk voor het lijden van enkelen, als deze recht hebben zulks aan hem te wijten. Daarom ook voelt hij roeping en recht in zich vereenigd, vindt hij zijne ziel niet bezwaard door hun jammer en richten zij hun vloek niet tegen hem. Elk draagt en vervult in zijne betrekking, wat eene eeuwige beschikking der waarheid en der gerechtigheid hem oplegt. Zoo slechts vormt zich de gedachte der Godheid; wie daaraan niet vasthoudt, mag uit de gonzende mug, die hem in den slaap stoort, eene beschuldiging tegen de Almacht inbrengen.”
„Zie op, Lodewijk, daar rechts?” viel Bernard hem in de rede.
Juist kwam een transport wagens voorbij, waarop men gekwetsten had geladen. De uitdrukking der bleeke, met bloed bemorste gelaatstrekken was over het geheel die van een stil, gelaten lijden. Eenigen zagen trotsch, wild in het rond, alsof zij zich boven hun lot wilden verheffen. Slechts enkele stieten hartverscheurende klaagtonen uit, terwijl nog anderen alleen vreugde over de hulp, die hun was toegebracht, schenen te gevoelen en vroolijk om zich heenblikten, als wilden zij zeggen; „ditmaal zijn wij nog gelukkig aan den dreigenden dood ontsnapt en zullen in leven blijven.”
Men bereikte thans het eerste punt, waar de dood hevig gewoed had, daar men door den hollen weg reed, dien Rasinski gisteren gekozen had, om het met lijken bezaaide veld te vermijden. Doch nu was het anders. Vele gewonden hadden zich tot hier voortgesleept, om bescherming tegen den storm te zoeken. Zij lagen, in de zandkuilen gedoken, en beefden van koude en koorts. Een ouden grenadier klapperden de tanden hoorbaar op elkander, doch hij uitte geen klaagtoon, maar staarde slechts uit holle, brekende oogen de voorbijrijdenden aan. Lodewijk werd door dit gezicht zoo hevig ontroerd, dat hij van het paard springen en den ongelukkige helpen wilde, doch juist kwamen twee treinsoldaten, die hem op eene baar leiden en wegdroegen.
Eenige schreden verder stiet Bernard Lodewijk aan. „Zie, het is om te ijzen.”
Een jongmensch, met blond haar, op wiens teedere, bijna vrouwelijke trekken, niettegenstaande de diepe voren der smart, nog jeugdige bevalligheid zichtbaar was, lag aan den weg en hief de flauwe verglaasde oogen naar de ruiters op. Aan de half geopende lippen schenen zachte klaagtonen te ontglippen; smeekend richtte hij zijne blikken naar eenige krijgers, die in zijne nabijheid gekwetsten opnamen en naar een gereedstaanden wagen droegen. Hij scheen te kermen: „O, helpt toch eindelijk ook mij!”
Lodewijk kon dit niet aanzien, hij sprong uit den zadel, naderde den verlatene en wilde hem oprichten, toen eene grijze grenadier hem barsch, schoon niet zonder aandoening toeriep: „Laat hem liggen, Kameraad, voor hem is geen kruid meer gewassen; gij verlengt slechts zijn lijden. Hoe kan iemand met één been en eene opengescheurde borst uit dit woeste land weer naar Frankrijk hinken? Help liever die nog te redden zijn, als gij iets doen wilt. Wensch hem wel te rusten en daarmeê basta.”
De ongelukkige hoorde deze woorden, die den laatsten draad zijner hoop meêdoogenloos afsneden, en zag diep zuchtend tot Lodewijk op. Dezen dreigde het hart te breken, zijn blik verduisterde en hij moest alle kracht der mannelijke vastheid bijeenrapen, om uiterlijk bedaard te blijven. Met innig medelijden boog hij zich over den jongeling neder en zeide: „Het is zoo erg nog niet, mijn vriend; ik zal voor u zorgen; vat moed!” De gewonde zag hem dankbaar aan; glimlachen kon hij niet met de door pijn verwrongen spieren, echter lichtte een zachte straal van vreugde in zijn stervend oog. Lodewijkvatte hem aan en wilde hem oprichten, doch daar de ongelukkige den gepakten ransel nog op den rug droeg, was de last te zwaar en moest hij hem laten terugzinken. Bernard was inmiddels ook van het paard gesprongen, om zijn vriend behulpzaam te zijn; doch toen beide vrienden den stervende behoedzaam wilden opbeuren, liet deze het hoofd op de borst neerzijgen. „Ah! ma mère!” ademde hij met brekende stem en was niet meer.
„Wel hem!” sprak Lodewijk, toen hij thans het stille lachje des doods op het bleeke gelaat zag doorstralen, „wel hem, nu is zijn lijden geëindigd.”
„Kom dan mede,” drong Bernard, bezorgd, dat hun lang achterblijven Rasinski verdrieten mocht. Zij wierpen zich weder te paard en renden ijlings na.
Juist toen zij het gevolg bereikten, was dit op de hoogte voor de redoute gekomen, waar de strijd gisteren zoo vreeselijk gewoed had. Hier lag het gansche veld vol lijken; echter zag men niet meer zoovele gewonden, daar honderden soldaten reeds van den vroegen morgen bezig geweest waren die op de van alle zijden bijeenverzamelde wagens te laden. Des te schrikwekkender was de werkplaats des doods, die men hier geopend zag. Russen en Franschen bedekten in tallooze menigte den bodem. Men zag afgrijselijke verminkingen; de afgeschoten ledematen lagen in het rond verspreid of waren achteloos in hoopen opgestapeld. De lichamen van half vermorselde paarden hadden zich in de wilde stuiptrekkingen van den doodstrijd over de zieltogenden en gekwetsten heengewenteld, zoodat men in de verstijfde trekken van hen, die onder die bloedige vleeschklompen bedolven lagen, nog den krampachtigen angst kon lezen, waarmede zij onder dat akelig wicht den laatsten adem hadden uitgeblazen. Verbrijzelde helmen, harnassen, geweren, sabels schemerden tusschen de bloedige lijken; overblijfsels van vernield geschut lagen in het rond verstrooid. Het was bezwaarlijk, de paarden door dezen gruwelijken chaos voort te leiden, zonder door hunne hoeven menschelijke lichamen, waarin zich nog altijd sporen des levens lieten vermoeden, te beschadigen.
De keizer hield stil. Met scherpen blik zag hij in het rond; over het tooneel der verwoesting voor zijne voeten zweefde zijn oog heen, zonder daarop te rusten. Hij beschouwde niet het veld des doods, maar dat van den slag met het vorschend oog des veldheers en scheen alleen te willen zijn, want voor zoover men zien konde, gaf hij hun die hem het naast omringden, een wenk, zich te verwijderen. Zij verstrooiden zich in verschillende richtingen over het slagveld. De maarschalkBerthierbleef alleen in zijne nabijheid en volgde hem op zijn verderen rit.
Rasinski richtte zich met zijne geleiders naar de plaats, waar hij gisteren met zijn regiment het eerst in het vuur was gekomen. Spoedig zag men de poolsche uniformen, die aan de lichtblauwe kleur gemakkelijk te onderkennen waren, in de verte schemeren.
„Hier zocht ik u gisteren,” sprak Bernard tot den vriend; „voor den duivel, het is mij lief, dat ik u thans nevens mij te paard zie!” Deze woorden stiet hij bijna met woestheid uit; Lodewijk bemerkte intusschen wel, dat hij achter dezen ruwen uitroep de op hem overweldigende ontroering en aandoening, die de aanblik van het slagveld bij hem verwekt had, trachtte te verbergen.
„Nu zal men er spoedig aan gewoon zijn en er bij inslapen, als arme zondaars op de pijnbank, als zij lang gemarteld worden,” vervolgde Bernard. „De mensch is ontzettend leerzaam in de kunst der meêdoogenloosheid. Ik laat alles reeds bij mij afglijden als sneeuw van den mantel.” Inderdaad maakte hij daarbij eene beweging, die met deze woorden overeenstemde, schoon zijne trekken verrieden, dat hij de ijskoude rilling, die hem aangreep, op deze wijze wilde ontveinzen.
„O, zoo het ons gelukte, het lijk van den braven Petrowski te vinden,” sprak Rasinski, terwijl hij opmerkzame blikken over het veld wierp en de dooden van zijn regiment een voor een monsterde.—„In dezen omtrek zag ik hem vallen.—Gewonden zie ik gelukkig niet meer; het was ook het deel van het slagveld, waarvan wij ons het eerst meester maakten, en men kon dus hier reeds tijdig hulp brengen.—Maar is dat Jaromir niet, die daar zoo haastig komt aanrennen?”
Men herkende hem aan een ver in het rond blinkenden appelschimmel, dien hij sinds gisteren bereed, toen hij twee paarden verloren had. Toen hij nader gekomen was en zag, dat men hem bemerkte, wenkte hij met de sabel. In het veld is men steeds op belangrijke tijdingen voorbereid, weshalve Rasinski hem ijlings te gemoet snelde; de beide vrienden bleven natuurlijk niet achter.
„Wij marcheeren, Rasinski,” riep Jaromir. „De order is zoo even gekomen,” vervolgde hij, terwijl zij langzaam te zamen voortreden. „Boleslaw met het overblijfsel van ons regiment is reeds op weg. Ik bleef achter, om u op te zoeken. Wij moeten de zijwegen van de oude baan naar Moskou verkennen, daar men gelooft, dat de Russen derwaarts terugtrekken en op Kaluga en op Tula aanrukken.”
„Wie heeft het bevel gebracht?”
„Een adjudant van den koning van Napels.”
„Hebt gij fourage gevonden?”
Jaromir schudde het hoofd.
„Dus hebben de paarden niets gehad?”
„Een weinig hooi en half verdord gras was alles, wat wij konden opsporen; echter hopen wij in de dorpen rechts van den weg nog voorraad te vinden.”
„En hoe zijn de manschappen?”
„Uitgerust, maar niet genoegzaam; ondernemend, doch niet vroolijk. De overwinning is onvolkomen. Zij weten dat men slechts achthonderd gevangenen gemaakt heeft, en men zou na zulk een slag toch dubbel zooveel duizenden verwachten. De vier en twintig zware kanonnen en ettelijke veldstukjes zijn de eenige buit, dien men gemaakt heeft.”
„En daarvoor zeventig duizend dooden en gekwetsten!” zuchtte Rasinski.
„Ja, maar aan beide zijden.”
„O, wij hebben aan de helft, die op ons valt, dubbel genoeg.—Eene vreeselijke overwinning! Twee en veertig generaals zijn gebleven, onder henCaulaincourtenMontbrun. Ook de maarschalkDavoustis gewond.”
„Maar niet gevaarlijk!”
Rasinski antwoordde niet verder en rende, daar men nu een vlak terrein bereikt had, met lossen teugel voort, om het regiment in te halen en zich opnieuw in de woeste zee zijner krijgsmansverplichtingen te storten.
Zoo zijn de wilde verschrikkingen van den oorlog de heelsters der wonden, welke zij zelve toebrengen; want in het steeds voortdurend gewoel wordt de klagende stem in de borst zoo luide overschreeuwd, dat zij zich zelve niet meer verneemt. Wie kan, zoolang de storm met onophoudelijk vernieuwde woede het slingerende vaartuig teistert, hen betreuren, die hij reeds in de kolken van den afgrond heeft doen verzinken? De ziel zelve wordt immers door onstuimige golven bewogen; eerst wanneer deze kalm en bedaard zijn, vermag zij, de beelden des levens weder helder in zich af te spiegelen. Dan echter, zoo heeft de eeuwige goedheid het verordend, rust in hare diepteook reeds weder het reine, zuivere blauw des hemels, waarin het geloovig hart elken troost vindt, die het zoekt en van noode heeft.