Eene rilling doorvoer zijne leden. De wind suisde over de hoogten en ruischte door de toppen der oude pijnboomen, die hunne takken over Rasinski's hoofd uitstrekten. Zijn ros krabde met den hoef in de aarde en schudde zijne in den wind vliegende manen. Sombere voorgevoelens, welke de beelden der toekomst voor zijn geest schenen heen te voeren, verkregen meer en meer macht over hem.„Evenwel,” zuchtte hij na eene minuut zwijgens, „evenwel, is het waar, de daad des menschen is door de enge beperkingen der ruimte onzichtbaar omgeven; hij ziet de onoverkomelijke grenspalen eerst, wanneer hij ze bereikt heeft, en geene hand verzet ze, geen tijd doet ze verdwijnen.—Voorzegt hem zijn voorgevoelend hart niet, wanneer hij ze nadert?—Is hier dan de plaats, waar de stroom van groote daden zich in de zee der onmetelijkheid uitstorten en voor eeuwig spoorloos verdwijnen moet? Of keert hij slechts zijn loop, om zich trotsch door nieuwe velden uit te gieten en de nieuwe rotsdammen, die hem tegenstand willen bieden, te doorbreken? Wie zegt ons, waar onze voet de geheime teekens van het noodlot aanraakt, die als een bannende tooverkring om ons getrokken zijn? Openen zich thans de poorten van een nieuw olympisch kamp- en overwinningsveld, of staan wij voor de ijzeren gegrendelde deuren, waarmede de Almachtige in den raad des noodlots onherroepelijk besloot, onzen loop te stuiten? Is hier de plaats, waar de eindige kracht zich aan den metalen dam der eeuwige moest verpletteren?”„Ja, ja, zoo is het. Eene geestenstem roept het mij toe uit dezen duisteren hemel, uit het ijzingwekkend suizen van den herfstwind.”„Hier alzoo! Waarlijk hier! Thans grijpt de ijzeren arm van het noodlot in de vleugelen des geweldigen en verlamt en verbreekt ze! En was hij dan niet vernietigd? Neen, nimmer. Eeuwig zal zijn reuzenmonument vaststaan in de voortrollende baren des tijds. Hij zal den sluier van dit duister tegenwoordige oplichten. Weinige maanden of jaren—polsslagen der eeuwigheid—en het boek des noodlots ligt opgeslagen voor ons. De toekomende geslachten zullen het weten, of de klokslag van dit uur eene wisseling der wereldgebeurtenissen aankondigt. Welnu, het zij zoo! De sporen van zijn reuzentred op aarde kan geen eeuwigheid verdelgen. Zoo moge dan hier de grenssteen van zijn machtig volbrengen worden opgericht. De reusachtige altaren aan den Ganges, het slagveld bijCannae, de rookende puinhoopen bij deze dennenbosschen—zij zijn hieroglyphen van dezelfde beteekenis, en na duizende jaren nog zal de wandelaar ze met huiverige vereering lezen!”Deze gedachten golfden in Rasinski's heldenziel op en neder. Hij gevoelde met ontegensprekelijke zekerheid, dat een zwaar, verpletterend onheil naderde! Doch met dit klare bewustzijn van het gevaar keerde zijne geheele mannenkracht terug en richtte hij borst en hoofd moedig tegen de toekomst op. Nog één blik wierp hij over het duistere, in nacht verzonken landschap, waar de geschiedenis besloten had, de nieuwe zuilen van Hercules op te richten; daarop wendde hij zijn ros en keerde met bezadigden moed tot de zijnen terug.HOOFDSTUK IV.„De nachtwind was koud. En welk een dichte nevel ligt er weder op de aarde,” zeide Bernard en schudde zich rillend af. „Ik ben door en door koud, als een kikvorsch.” Met deze woorden sprong hij van zijn leger aan het bijna uitgegane vuur op en sloeg zijne armen over elkander, om zich te verwarmen. „Ik geloof, dat wij bevroren zouden zijn, wanneer hier weldra niets meer had gebrand dan die drie verkoolde blokken onder de asch!—Hé, Lodewijk; schud u wakker; hoort gij den trompetter niet!”Lodewijk sloeg, daar zijn vriend hem aanvatte, de oogen wijd open en zag hem vreemd aan. „Nu kent gij mij niet?” vroeg Bernard hem. „Gij ziet er immers uit, alsof gij uit een andere wereld op deze waart neergevallen!”„Bijna is het ook zoo,” hernam Lodewijk, die uit den diepen, vasten slaap, waarin hem zijne vermoeidheid niettegenstaande de koude gedompeld had, weder tot bewustheid begon te komen. „In mijne droomen zag ik andere gestalten, dan deze om mij heen.”„Ik heb van bietebauwen, ratelslangen, krokodillen, kozakken, heksen en spoken gedroomd,” antwoordde Bernard. „Toen was ik blijde, dat de ruwe wind mij wakker blies! Satans, is dat een nacht geweest! De vochtige nevel dringt iemand tot in het merg zijner beenderen en maakt het waterig. Als wij maar eerst weder te paard zitten, zal het wel beter worden.”Lodewijk had zich intusschen opgericht en zocht eveneens door sterke beweging zijne versteende ledematen te verwarmen. „Waar is Rasinski?” vroeg hij.„Hij moet met de overigen reeds lang op zijn. Ik ontwaakte eerst door het geblaas der trompet en door de koude aan mijn linkerzijde, waar Jaromir gelegen had. Het ergert mij eigenlijk; maar zij zijn toch aan het soldatenleven veel beter gewoon dan wij en verdragen de moeielijkheden gemakkelijker. Wilt gij u wasschen? Hier is nog water in den kookketel; gij ziet er van den rook een weinigje zwart uit, mijn goede vriend. Ferm er in met uw gezicht; het is koud, maar verkwikt. Voor het overige behoeft gij, om versch water te hebben, slechts uw haren uit te drukken; zij hangen vol mistdroppels.”De beide vrienden maakten hun bivaksmorgentoilet, zoo goed de omstandigheden het vergunden, en begaven zich daarop naar hunne paarden, waar de meesten hunner kameraden zich reeds bevonden en zich tot den marsch gereed maakten. Spoedig zaten zij op en de tocht ging voorwaarts.Nauwelijks schemerde het, en toch waren zij eerst te middernacht ter rust gekomen; want de marschen werden, wijl men dagelijks het aanrukken van het russische leger vreesde, met haast en inspanning afgelegd.Men reed, toen het dag werd en de nevel begon te vallen, langs eene helling van het dal naar beneden. Rasinski wees met zijn vinger naar eenige, nog half in mist, half in rook bedolven gevels. „Dat is Mosaisk,” zeide hij; „thans zijn wij weer op onzen ouden weg. Wanneer wij toch hierheen hadden moeten gaan, ware het beter geweest, dat wij dadelijk van Moskou af dezen weg gevolgd waren. Zoo hebben wij volle acht dagen verloren! Wij konden reeds bij Smolensko zijn.”„Rijden wij door het nest?” vroeg Bernard.„Neen,” hernam Rasinski; „wij nemen onzen weg hier links door de beek, wantdaar beneden verstopt zich weer alles. Het is een groot voordeel voor ons, dat wij zulke stipte bevelen niet behoeven te volgen als de anderen. Maar helaas, reeds begint ieder slechts voor zijn eigen voordeel te zorgen; het ware beter dat men strenger orde hield. Ik vrees nochtans, dat dit niet lang meer mogelijk zal zijn.—Ziet gij, hoe daar tegen ons over de artillerie reeds tegen de hoogten optrekt? De kanonnen blijven bijna steken in de diepe sporen en hebben toch reeds het dubbel getal paarden voorgespannen.”„Ik geloof, dat wij vorst krijgen,” merkte Lodewijk aan; „de lucht wordt zoo helder.”„Dat was zoo kwaad niet,” meende Bernard; „want in het taaie slijk marcheert het verduiveld slecht.”„Verlang maar niet naar den winter; hij zal ons spoedig genoeg inhalen!” antwoordde Rasinski ernstig. „Thans gaat onze marsch bezwaarlijk, maar is toch vol te houden. In Rusland blijft de winter niet aan de grenzen van den herfst of de lente staan, maar hij heerscht spoedig in volle kracht; daarom waag het niet hem op te roepen.”„Mij dunkt, hij komt zonder dat,” meende Bernard; „want de wind blaast ons uit het noordoosten in den nek, wat trouwens beter is dan gisteren, toen hij ons den natten stofregen in het gezicht joeg; maar ik ruik zoo iets van sneeuw in de lucht.”Onder deze gesprekken waren zij, van den hoofdweg afgaande, bij de beek beneden in het dal gekomen en doorwaadden haar op eene ondiepe plaats. Aan de overzijde sloten zij achter de artillerie aan, die, de spits der colonne uitmakende, reeds een groot eind weegs vooruit was. Zij bereikten de bergvlakte, waarover de weg loopt.„Duivels, hier blaast de wind scherper,” riep Bernard; „hij draait zich immer meer noordoost.”Rasinski zag met zijn opmerkzamen veldheersblik over de vlakte heen. Zij bood bijna geen afwisseling aan, maar breidde zich in onmeetbare uitgestrektheid naar alle zijden uit; nauwelijks verhieven zich eenige heuvels in lichte kromming boven de zuivere kringlijn van den gezichteinder.Niets brak het doode, troostelooze grauw van dit landschap af, dan de lange, zwarte strepen der dennenwouden, die zich aan den rand der vlakte onder blauwzwarte nevelwolken uitstrekten. Zelfs de lange rij van wagens en kanonnen en van de zich afbeulende paarden en artilleristen verlevendigde de eenzaamheid niet, maar maakte haar slechts te meer merkbaar door de tegenstelling.De zon had een oogenblik geschenen; doch reeds betrok de hemel weder met sombere wolken.„Heden schijnt de winter het toch nog niet te meenen, hoewel de wind scherp is en wij hierboven reeds sporen van den vorst zien,” zeide Lodewijk na eenigen tijd.„Het zuiver blauw des hemels is bijna weder geheel verdwenen.”„Enfin! Dit is zeker, dat onze weg niet door het paradijs gaat,” hernam Bernard.Men marcheerde eenige uren voort, bijna zonder te spreken; want deels brak de draad van het gesprek door het dagelijks bijna ongestoord bijeenzijn somwijlen af, deels boden de voorvallen van den dag zoowel als de omringende voorwerpen slechts stof tot bedroevende opmerkingen aan, welke ieder liever in stilte maakte. Eenige colonnes infanterie hadden van tijd tot tijd de cavalerie en artillerie ingehaald, daar deze wegens de afmatting der paarden slechts langzaam voorttrokken, terwijl het voetvolk, gedeeltelijk om zich te verwarmen, gedeeltelijk omdat de marsch in het algemeen verhaast moest worden, sneller dan gewoonlijk marcheerde. Men zag wonderlijke drachtenonder deze menschen. Van de regelmaat eener uniform was niets meer te zien; ieder beschutte zich zoo goed hij kon tegen weer en wind. Aan velen zag men, dat zij de ongemakken van den marsch reeds met moeite begonnen te dragen.Toen Rasinski zijne opmerkzame blikken over deze manschappen liet gaan en uit hunne houding gissingen trachtte te maken omtrent den toestand der zaken in het algemeen, bemerkte hij een ruiter onder hen. Het scheen een hoofdofficier te zijn. Beide herkenden elkander tegelijk; het wasRegnard.„Aha, Rasinski, zijt gij het?” zeide hij, terwijl hij naar hem toereed en hem de hand reikte. „Hoe gaat het ulieden?”„Vrij goed!” hernam deze, die het zich tot een stelregel had gemaakt, altijd goeden moed te toonen, wanneer zijne manschappen hem konden hooren of zien.„Gij zijt met weinig tevreden; ik heb het van mijn leven al beter gehad. Mijn oog is ontstoken; sinds den brand van Moskou werd ik daarmede gemarteld, en deze vochtige herfstnachten hier hebben het kwaad nog maar erger gemaakt.”„Gevaar zal er niet bij zijn; zulke dingen gaan gewoonlijk tegelijk met de aanleiding weer over.”„Soms ja, evenals de honger, maar duurt de aanleiding een poosje te lang, dan komt de genezing te laat. Het kon gemakkelijk gebeuren, dat het mij ook zoo ging.—Doch,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „ik geef er geen weerga om; men ziet hier met één oog toch al te veel.”„Hoezoo?”„Zijt gij niet door Mosaisk gekomen?”„Neen, ik heb met mijne manschappen een zijweg ingeslagen.”„Gij hebt niets verloren! Het gansche nest is een hospitaal. Drie duizend gekwetsten liggen er in en zullen er wel blijven liggen. Ik ril er nog van, als ik er om denk. Zeven weken rekken zij nu hun leven onder jammer en ellende. Zij zijn half verhongerd, half bevroren, want de meesten liggen op verrot stroo, dikwijls zonder dekens. Nauwelijks heeft men hun een ouden mantel gelaten. Hunne wonden zijn met werk dicht gestopt, meestal ontstoken en vreten in hunne beenderen in.”„Spreek zachter,” zeide Rasinski;„zulke schilderingen ontmoedigen de manschappen.”„Wat hebben zij schilderingen van noode? Zij hebben de ellende zelve gezien! Toen wij doormarcheerden strekten zij, die zich nog roeren konden, ons de armen smeekend uit de vensters toe en riepen: „Neemt ons mede, laat ons hier niet omkomen;” want het gerucht, dat wij terugtrokken, had zich als een loopend vuur onder hen verbreid. Tot hiertoe hielden zij zich met de hoop in hun jammer staande; thans komt nog de vertwijfeling bij de ellende. Zij huilden en weeklaagden luid; sommige vervloekten hemel en aarde! Een dragonder—ik herkende hem aan zijn mantel—wien beide de voeten afgezet waren, had zich met de slecht verbonden stompen tot aan den drempel der hut, waar hij lag, gesleept, en het bleeke beeld des jammers kermde mij met uitgestrekte handen te gemoet. Nu kwam de keizer voorbij; de rampzalige riep: „Sire, ik heb in Egypte gediend, laat mij hier niet versmachten! Naar Frankrijk, naar Frankrijk—mijn arme oude vader.” Daar begaf hem de spraak; de keizer beval, hem op zijn eigen wagen te leggen en zorg voor hem te dragen. Ik zelf tastte meê toe, om hem op te beuren, doch nog voor dat wij er hem konden optillen, had hij den laatsten adem uitgeblazen.”„Wèl hem!”„Dat is waar! Doch verbeeld u nu de ellende en den angst der achterblijvenden, wanneer een stervende deze toekomst zoo afgrijselijk voor zich ziet, dat de hoop om haar te ontvluchten hem nog in zijne laatste oogenblikken zulke krachten leent.”„Enmoetenzij dan achterblijven?” vroeg Rasinski met eene inwendige rilling.„Kunt gij ze wegbrengen, en kunnen zij den marsch uithouden? De keizer heeft bevolen dat iedere bagage- of amunitiewagen een man zal opnemen; hen, die nog te redden zijn, wil men trachten te redden. De anderen blijven der grootmoedigheid des vijands aanbevolen.”„Grootmoedigheid!” riep Rasinski bitter uit.„Zij mogen van geluk spreken,” voerRegnardvoort, terwijl hij den doek over het ontstoken oog terecht trok, „wanneer zij maar spoedig den vijand in handen vallen. Blijft hij lang uit, zoo verhongert en versmacht wat terugblijft op de ellendigste wijze; want het zijn immers louter menschen, die zich van hun leger niet verroeren kunnen. Maar, wat is dat weer een mist!”Inderdaad hadden de dampen zich weder vochtig en koud rondom op de vlakten gelegerd, zoodat men nauwelijks honderd passen voor zich uit kon zien. Met ieder oogenblik scheen het, dat zij dichter werden; spoedig was het gezicht tot de naaste voorwerpen beperkt.„Zulk een mist heb ik, geloof ik, nog nooit beleefd,” zeide Bernard; „zelfs in Schotland niet; men ziet immers het tweede kanon niet duidelijk meer. Hoog kan hij echter niet zijn, want de zon boven ons laat zich toch nog als eene helderroode maan zien.”Eene koude windvlaag streek door de in kringen langzaam wentelende nevelgestalten en joeg ze in grauwe, langgerekte strepen over het veld.„De wind is ook weer gedraaid; hij is noordwest geworden,” zeide Lodewijk, die de richting van den mist aandachtig met het oog volgde. De ruiters wikkelden zich dichter in hunne mantels en reden stom nevens elkander voort. Vooraan Rasinski metRegnard, vlak achter hen Jaromir, Boleslaw, Lodewijk en Bernard. Het was een wonderlijk, schrikbarend gezicht; rondom eene diepe stilte; slechts het stommelend ratelen der kanonnen was uit de verte te hooren, daar de mist het geluid dempte en de ruiters omtrent honderd treden ter zijde van den weg reden, om de paarden niet zoo diep in het uitgereden, moerassig spoor te doen wegzinken. Eenige kleine oneffenheden van den weg hadden toevallig Lodewijk omtrent twintig of dertig schreden rechts van de vrienden afgeleid. Plotseling struikelde zijn paard; hij rukte het aan den teugel op en boog zich voorover, om het voorwerp, waarover het gevallen was en dat hij, onnadenkend voortrijdende, eerst niet gezien had, op te nemen. Het was een half vergaan, half gekleed lichaam; het aangezicht, door verrotting en door de vogelen des hemels tot een walgelijk mengsel van bloed en etter gemaakt, staarde hem akelig aan. Een onwillekeurige schreeuw ontvoer hem door den schrik; zijn afgrijzen vermeerderde, toen hij om zich heen zag en in den naasten omtrek nog meerdere lijken, reeds half geraamten, in de diepe voren van den akker zag liggen. „Wat is er?” riep Bernard, toen hij den gil hoorde.„Zie slechts eens rond!” riep Lodewijk rillend. Allen waren in het eentonige grauw van den mist voortgereden, zonder op weg of plaats acht te slaan. Eene sterke windvlaag joeg in dit oogenblik de dampen een weinig uiteen en vergunde eenige honderden schreden in het rond te zien.„Wij zijn op het slagveld,” riep Rasinski, en eene zonderlinge mengeling van afgrijzen, eerbied en grootsche herinneringen greep hem aan.„Waarachtig! Ik had niet gedacht, dat wij er reeds zoo nabij waren,” sprakRegnarden zag om zich heen.Met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel lieten allen hunne blikken over het eenzame, akelig zwijgende veld des doods weiden, dat zeven weken te voren van het ontzettende gewoel van den slag en den duizendvoudigen donder van het geschut weergalmde. Gelijk in de schemering het oog eerst slechts eenige sterren en dan met iedere seconde er meer ziet, zoodat het zich spoedig in de onmetelijkheid verdiept, zoo vermenigvuldigden zich hier op de ontzettendste wijze de lichamen en overige teekenen der verwoesting, welke men overal ontdekte, voor het gezicht. Terwijl de mist, door den wind over de steppe gejaagd, zich langzaam voortbewoog, scheen hij als het ware de gordijn van de schrikkelijke schilderij af te rukken. Allen stond de adem in de borst stil, toen zich die akelige baaierd aan hunne oogen vertoonde. In het eerst had men slechts de naastbijzijnde lichamen, waartegen de hoeven der paarden stieten, gezien; doch toen hun blik verder reikte, steeg het aantal weldra tot in het oneindige; want men merkte spoedig, dat elke zwartachtige hoogte, die het oog zag, niet een steen, een boomstam of aardhoop was, maar een menschelijk lichaam of eene opgestapelde menigte daarvan. Met elken tred verder in deze, slechts door lijken bevolkte woestenij werd het beeld der verwoesting schrikkelijker en treffender. De wind joeg eene giftige pestlucht aan, die zelfs de paarden zóó aandeed, dat zij, schuw terugdeinzend, den ruiters niet wilden gehoorzamen, en slechts met vliegende manen en opengesperde neusgaten, als zochten zij eene reinere lucht in te ademen, de sporen gehoorzaamden en vooruitgingen. Thans zag men enkele hoogten, als hunnebedden, waar groote lijkenhoopen opgestapeld en zoo dun met aarde bedekt waren, dat storm en regen dit bedeksel reeds bijna hadden weggespoeld. Uit de akelige vermenging der over elkander opgestapelde lijken staken er enkele, het gebeente half met vergaan vleesch bedekt, bijna naakt en wit glinsterend, in schrikverwekkende houding uit. Den een was het hoofd, met borstelig bloedig haar bedekt, op de aarde gezonken en staken de beenen onnatuurlijk omhoog; een ander stak een arm hoog op, als leefde hij nog en als zocht hij zich uit het rottende graf naar boven te werken. Enkele ledematen, van roofvogels en wolven half afgeknaagd, lagen rondom verspreid. Grijnzende bekkeneelen met ledige oogholten of sluik afhangend bloedig haar zagen ijzingwekkend van den grond op. Tusschen deze schrikkelijke overblijfselen lagen de krijgshaftige gedenkteekenen van den slag verspreid; hun aanblik verwarmde de verkleumde borst ten minste door de herinnering aan den grootschen strijd, die hier gewoed had. Verbrijzelde affuiten, raderen, trommels, roestende kogels, de overblijfsels van gebroken geweren en sabels, glinsterende helmen en kurassen der ruiters lagen overal over het onbebouwde veld; de plaatsen waar de cavalerie en artillerie gestreden hadden, herkende men dadelijk; zij waren met glinsterende paardengeraamten, die nog half in het uitgedroogde vleesch staken, doch wit schitterden daar, waar de raven en vossen ze afgeknaagd hadden, rondom bedekt. De nevels rolden in lange strepen over het veld, en nu eens vertoonden, dan weder verborgen zij deze velden des schriks. Doch met elke seconde trokken zij meer en meer weg, en spoedig kon men ongehinderd zijne blikken zoo wijd laten rondgaan, als de schrikbarende teekens der verwoesting en des doods te onderscheiden waren.„Ziet gij daar dien heuvel?” riep Rasinski en wees met zijn vinger op eene vormlooze massa, die juist uit den nevel scheen op te rijzen; „dat is die schrikkelijke redoute, waar wij zoovelen der onzen gelaten hebben. Thans eerst vind ik mij weder te recht op deze velden des doods, waar dertigduizend onzer kameraden hun bloed vergoten.”Zij reden naderbij, om nog eenmaal de plaats te betreden, die hen met zulke grootsche herinneringen moest vervullen.—Niemand sprak, ieder droeg eene sprakelooze huivering in zijn boezem om. Hoeveel ontzettender was het slagveld nu, dan toen de brullende donder het oor verdoofde, de gansche hemel in rook en vuur gehuld scheen en de ijzeren kar des doods verpletterend over de gevallenen heenrolde; want toen vertoonde dit veld het schrikwekkend gelaat van een vertoornden gigant, thans het ijzingwekkende van een tot verrotting overgaanden.Toen Rasinski en zijne vrienden—want het regiment hield den grooten weg—nader bij de redouten kwamen, konden de paarden nauwelijks voortkomen door de lijken en de kogels, die hier den grond bedekten.„Wat mag dat daar boven op de borstwering zijn?” vroeg Rasinski, toen men nog omtrent vijfhonderd schreden van de verschansing verwijderd was.„Ik kan het niet onderscheiden,” zeideRegnard; „'t gelijkt wel een half afgebroken piramide.”„Wellicht ongestapeld hout,” sprak Lodewijk.„Hoe zou dat daar komen?” hernam Bernard, het hoofd schuddende. „Waarlijk een zonderlinge vorm, die een schilder in verlegenheid zoude brengen.”Zij reden naderbij, de zon brak met krachtige stralen door de wolken heen en sloeg de zwevende dampen neder. Eensklaps verlichtte zij de redoute met een helderen glans, terwijl alles in het rond nog in een grauw lag.„Het zijn geraamten,” riep Rasinski, die verreweg het scherpste gezicht had. „Ziet gij hoe de beenderen, door zon en regen gebleekt, als zilver blinken?”Door afgrijzing en verbazing getroffen, renden de ruiters sneller nader. Het was zooals Rasinski gezegd had. Van de lijken, die in het inwendige der verschansing opeengestapeld waren, staken eenige hoog boven den wal uit. Een ijselijk spel van het toeval had hen met de ruggen tegen elkander in eene half opgerichte stelling gebracht. Aan de lucht, den regen, den storm en de roofdieren het meest blootgesteld, waren de beenderen bijna geheel van vleesch ontbloot en de afschuwelijke geraamten schenen nu, op hun troon van lijken zittende, met een grijnzenden lach het veld der vernietiging rondom hen, als hun schrikkelijk rijk te overzien.Bij dit gezicht tastte een kil, huiveringwekkend gevoel van schrik zelfs den koelbloedigenRegnardaan. Hij trok zijne wenkbrauwen donker samen en rilde, alsof eene koude koorts door het merg zijner beenderen voer.—„Dat alzoo isCaulaincourtsgrafnaald?” zeide hij eindelijk, terwijl alle overigen stokstijf en zwijgend stonden.—„Komt, laat ons verder rijden.”Hij wendde zijn paard om.Rasinski was als aan den grond genageld; zijn oog hing onafgewend aan den heuvel van lijken. „En dat alles te vergeefs!” zeide hij eindelijk, diep uit zijne borst ademend. „En wij hebben dan toch den slag verloren!”„Verloren?” vroeg Bernard half luid.„Ja, ja, verloren! Het was eene overwinning in schijn, een bedriegelijk beeld vaneene bloedige zegepraal! Daarom kwam op dien droevigen avond geene vreugde in onze borst! O, gij hebt nooit overwonnen; gij weet niet, wat eene overwinning is! Dat wekt een ander gevoel in de borst. Eerst heden ruimen wij het veld! Heden, na zeven weken, beslist het zich, wie den slag verloren heeft! Maar welaan,” zeide hij, zich met koninklijke waardigheid oprichtende en met zijne opgeheven rechterhand naar de geraamten wijzende, „deze bergen van lijken mogen ten minste getuigen, dat hier dapperen gestreden hebben! Den roem van dezen dag zal geene macht op aarde ons ontrooven! Want de roem is waar; het geluk is valsch!”Een edel vuur vlamde, toen hij deze woorden sprak, in zijne donkere oogen; hij wierp zijn hoofd trotsch in den nek en draafde, zonder deelneming of toestemming van zijne begeleiders te verwachten, over de verrottende lijken hen voorbij. De vrienden bemerkten, dat hij alleen wilde zijn, en volgden hem langzaam op eenigen afstand.„Voorwaar, hij moest een koning zijn!” riep Bernard vol geestdrift Lodewijk toe. „Hebt gij zijn heldenblik gezien? Toen hij zijne hand uitstrekte, was het mij, als vermocht hij deze dooden te gebieden, zich op te richten en opnieuw naar de wapenen te grijpen.”„Hij is een held in den volsten zin des woords,” zeide Lodewijk; „want hij vereenigt de grootmoedige zachtheid met de machtig gebiedende kracht. Hij kan alleseischen, en hijverzoektalles.”„Zoo is het!” riep Jaromir levendig; het was zijne eerste warme ontboezeming na dien ongeluksdag.„O, gij moest hem in beter tijden gekend hebben,” zeide Boleslaw; „maar reeds sinds wij Duitschland verlaten hebben, is hij niet meer, die hij was. Hij moet diepen kommer in zijn boezem voeden of het onheil, hetwelk hij thans vreest, vooruit hebben gevoeld.”Zoo had de mannelijke houding van Rasinski eensklaps de ijzingwekkende indrukken van het slagveld verdreven en voor hartverheffender gevoelens plaats doen maken.Regnardhad zich bij Rasinski gevoegd en samen wachtten zij thans de overigen af. Om het regiment weder in te halen, zetten zij hun weg in versnelden draf voort; steeds liep hun pad nog over lijken en gebroken wapens. Een diepe holle weg doorsneed opeens het veld, dezelfde, waardoor zij toen op den avond na den slag naar de legerplaats terugreden, en dien zij den volgenden dag vol vonden van ongelukkigen, die gewond en versmachtend hier bescherming gezocht hadden tegen de ruwe nachtvorst. Ook hier lagen geraamten van paarden en menschen.Plotseling trof een klagend geluid hun oor. Allen schrikten en luisterden; eene rilling bekroop allen bij de gedachte, dat onder deze algemeene versterving nog een levend wezen kon zijn. Men zag rond, doch zonder te ontdekken, van waar de klagende stem kwam.„Het moet daar uit die inspringende holte achter ons zijn,” zeide Rasinski, en hij wierp zijn paard om en sprong in eene kleine, met verwelkt kreupelhout half dicht begroeide grot, langs welker mond zij zoo even gereden waren.„Heilige God!” klonk dadelijk daarop zijne stem, terwijl hij zich eensklaps van het paard wierp. De anderen begrepen de oorzaak niet zoo terstond; doch zij stonden verslagen van schrik, toen zij daar in den buik van een opengesneden paard een mensch ontdekten, die uit deze verschrikkelijke legerstede zijne handen smeekend naar den toesnellenden Rasinski uitstrekte.„Begoocheling der hel!” riep deze uit en drukte zich beide handen voor de oogen; „het is Petrowski!”Als verpletterd stonden Lodewijk, Bernard en Jaromir daar bijeen, toen zij dit woordhoorden en nu den rampzaligen grijsaard herkenden. Jaromir was het eerst van het paard, om Rasinski bij het werk der redding te helpen. Deze stond voor den ongelukkige en hield diens beide handen krampachtig in de zijne; hij had zijn gelaat, van den stervende afgekeerd, naar Jaromir gericht. In zijne trekken was een krampachtig geweld te bespeuren, om de ontzettende smart geen heer over zich te doen worden; doch hij moest bukken. Droppels van angstzweet stonden op het voorhoofd van den held; groote tranen rolden over zijne wangen; hij kon geen woord spreken.„Gij nog onder de levenden, mijn oude, trouwe kameraad!” riep hij eindelijk uit en gaf daardoor lucht aan zijne beklemde borst;—„en ik zocht u te vergeefs onder de dooden.”De grijsaard, door ellende en kommer uitgeput, had bij deze laatste vreugde toch nog een traan.„God in den hemel,—dank!” waren de eenige woorden, welke hij met eene gebroken stem nog vermocht te stamelen. Het vreeselijke van zijn lijden had hem nog de kracht gegeven van om hulp te roepen; de onuitsprekelijke vreugde beroofde hem thans van bewustzijn en spraak.„Mijn God, mijn God, zijt Gij dan alwetend?” riep Rasinski uit. „In de afgrijselijke armen der verrotting en des doods lag deze levende; zijne spijs was, wat de hongerige wolf en de krassende raaf versmaadt; ieder oogenblik eene hel—en vijftigmaal ging Uwe zon er over op, zag deze ellende en Gij zondt geene redding!”Jaromir, Bernard, Lodewijk en Boleslaw waren nader gekomen en wilden beproeven, den ongelukkige uit zijne verpeste legerstede op te richten. Doch reeds staarde zijn in de kas weggezonken oog hen gebroken en bewusteloos aan, een lachje zweefde over zijne trekken, die door de grenzelooze ellende diep ingevallen waren; nog eenmaal haalde hij diep adem—toen zonk hem het hoofd op de borst neder en zijne ziel was het veege lichaam ontvloden.Rasinski liet de handen van den doode niet los; zijn met tranen gevuld oog hechtte zich aan het verbleekte gelaat, dat zelfs in den strijd des lijdens en des doods den krijgsmansadel bewaard had. „Ziet dit schoone voorhoofd vol litteekens, versierd met zilveren haren!—O, dat was een trouw soldatenhart!—En zoo verschrikkelijk te sterven!”„Neen, hij had een schoone dood,” zeide Lodewijk, wiens ziel zich geloovig tot den Algoede verhief, die den gemartelde in zijn doodsuur zijne dierbaarste vrienden als door een wonderwerk in deze schrikkelijke eenzaamheid toezond; „hij stierf een schoonen dood! Zie slechts, hoe zijne trekken zich verheerlijkt hebben!”Jaromir sprong plotseling te paard en snelde ras op den weg, dien zij gekomen waren, terug; men wist niet wat hij voor had. „Wacht hier twee minuten,” riep hij, „ik ben dadelijk terug.”Zwijgend stonden de vrienden rondom den gestorvene.—„Geef mij eene schaar,” vroeg Rasinski. „Ik wil tot aandenken een lok van zijn hoofdhaar medenemen.”Bernard reikte hem uit zijne portefeuille het verlangde toe. „Gunt gij mij tien minuten,” zeide hij, „zoo teeken ik den kop hier in mijn studieboekje. Deze trekken tref ik gewis.”„Het blad zal mij heilig zijn,” hernam Rasinski en dankte zijn vriend door een handdruk.Terwijl Bernard teekende, keerde Jaromir terug. Hij had twee spaden dwars voor zich over den zadel liggen. „Wij moeten onzen kameraad begraven!” riep hij reedsvan verre, „dat is de wil van God, die ons in zijn doodsuur tot hem heeft gezonden.”„Van waar hebt gij die spaden?” vroeg Rasinski verwonderd; „ik had gewis dadelijk aan eene begrafenis gedacht, wanneer ik de mogelijkheid had ingezien van haar te bewerkstelligen. Gij brengt den schoonsten troost aan mijne ziel!”„Door een toeval ontdekte ik ze. Daar straks, toen wij van de redoute afkwamen, zag ik in een gat twee gebroken russische affuiten liggen, waarbij ik nog de houweelen en spaden ontdekte. Dat viel mij thans in, en daar ik de plaats onthouden had, snelde ik heen om ze te halen.”„Geef hier,” zeide Rasinski en nam de eene spade. „Hier onder dezen jongen den, dien misschien eens een grijsaard onder de boomen wordt, gelijk de doode er een was onder de helden, hier willen wij hem begraven.” Tegelijk stak hij zelf de eerste kluit uit den grond; Jaromir werkte ijverig mede. Eene aardkloof, die slechts eenigszins verwijd behoefde te worden, moest het laatste leger van den ouden krijgsman worden.—Boleslaw en Lodewijk hielden het hoofd van den doode even omhoog, opdat Bernard zou kunnen teekenen. Een kwartier werd aan dezen liefdedienst gewijd.Regnardbleef een zwijgende, innig ontroerd getuige; hij hield het voor eene zaak van eer, zich niet aan de plechtigheid der begrafenis van een zoo grijzen kameraad te onttrekken.„Ik ben gereed,” zeide Bernard en reikte Rasinski de met vaste, stoute trekken geschetste beeltenis van den doode over.„Wij zijn het ook!” zeide deze en nam het blad aan. „Voortreffelijk!” riep hij, terwijl hij het beschouwde. „Het is geheel en al de oude, trouwe kameraad; het is zijn eerwaardig voorhoofd, zijne zachte glimlach in den dood.—Bernard, ik dank u voor dit kleinood.” Hij drukte hem bewogen de hand. „Thans neemt hem uit zijn ontzettingwekkend bed en legt hem in zijne laatste, koele, stille woonplaats. Gij zult eenzaam rusten, oude vriend! maar de wolf zal toch uw graf niet opwroeten, de raaf uw trouw oog niet tot spijs voor zijne jongen in zijn nest dragen.”Het lijk werd nedergelaten; de aarde bedekte het spoedig.„Rust zacht!” sprak Rasinski, en strekte zijn arm zegenend over het graf uit. „De wil des Almachtigen zond u eene maat van ellende toe, welke de menschelijke borst niet kan bevatten, voor welke zelfs de ijzeren zenuwen van den held terugbeven. Doch Zijne genade is rijker dan Zijne gestrengheid; u zal vergolden worden. Gij rust hier eenzaam, want geen uwer broederen slaapt nevens u, en verre is het vaderland der uwen. Maar op den dag der opstanding zullen dertig duizend helden om u heen ontwaken en gij zult met hen in zegepraal de poorten der eeuwigheid binnentrekken.—Uw graf kunnen wij niet versieren, de volgende lente moet het doen! Vervloekt zij de bijl, die dezen jongen boom treft, die nog in de latere jaren ons deze plaats kan aantoonen; doch gezegend zij hij, die aan dit graf een teeken van liefde wijdt.” Hier zweeg hij.Bernard riep: „Laten wij dien steen daar op zijn graf wentelen!” Weinige schreden verder lag een granietblok, dat bijna de gedaante van een teerling had. De krachtige mannen pakten het zware blok aan en wentelden het gelukkig tot op het graf. Toen braken zij groene takken van den denneboom af, staken deze in de versch opgeworpen aarde, en Bernard krabde met zijn mes eenPin den steen.„Thans de laatste krijgsmaneer,” zeide Boleslaw en trok zijne pistolen uit de holsters; de anderen deden hetzelfde. Rasinski trad voor om te commandeeren. Hij trok de sabel en commandeerde: „Legt aan! vuur!” De schoten vielen, de rookzuil steegrecht naar boven en schitterde in een vluchtigen blik, dien de zon door de wolken wierp. Doch door den slag opgejaagd, vlogen rondom troepen van raven op en vluchtten met ruischend klapwieken.Driemaal werd den begravene den krijgsmanseer gebracht, waaraan ookRegnardzich niet onttrok.Daarna zaten zij op en reden snel en zwijgend naar de hunnen terug.HOOFDSTUK V.Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den maarschalkDavoust, op te wachten.Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen; velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen; dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde, van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren, zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen, dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite, herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen voorbeeld ijverig bij hem aan.InWiasmawas het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal; doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen, dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging. De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden, had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel. Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen: „Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne rommelzoô het eerst ontnomen had?”„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk, berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid in onze gedachten?”„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die naast Jaromirreed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan,„want hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen, wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten. Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van Croesus.”„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in de ziel van het gansche leger gedacht.”„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen, lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben, reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn verlangen was.„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski;„kent gij de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,” antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots, dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig,„ik heb mij verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben! Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm! Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik denk, wij zullen wat te doen vinden.”„Wenscht gij het?”„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste, hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski vriendelijk.„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden, als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte zijn paard vriendelijk op den hals.Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens aanspraak aan zijn paard in de rede.„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”„En is de weg goed?”„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo zeker als de pruimen in den herfst.”„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in het gelid.Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden, zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag men wagens het veld inrijden.„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne vrienden.„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder; plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde menschen schitterend teruggekaatst.„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den grooten weg.Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen vloed begraven.Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn overmoed.Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen, welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven, totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huiste verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans dreigend bedekt.Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen, dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij dezen dag behoefden te zien.HOOFDSTUK VI.Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden. Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen, kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij, op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch, om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste wilskracht de vermoeide natuur.Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een Pool wanhoopt nooit!”Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn blik alleenreeds deed den gezonken moed der manschappen herleven; spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk; „de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde Lodewijk.„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de verzengde luchtstreek gelegen.”„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal vanChamounyden besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar zijn uwe oogen u dat ook niet?”„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke hij met innigheid drukte.„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er sneeuw in de lucht steekt.”Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille, akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen aan. Al lager en lager daalde zij neder.„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot Rasinski.„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel, daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter kende.De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend, in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad, zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort. Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze, ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden, die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabriëtotaan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor eeuwig te verstijven.Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam, maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van iedere kracht overtrof.Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,” zeide hij, „dat inScythiëzich de lucht dikwijls door neervallende vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging, om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam. „Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had het ook eens zien sneeuwen.”„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude onsCapuazijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van denTicinustot aanCannae.”„Nu,Capuahebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet tevreden metdie hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order, dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja verbazing.„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden het doen,”zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem in het lot hunner kameraden te mogen deelen.„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgenmoetgij doen, wat gij hedenwilt; daarom hebt gij gelijk.”Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen, wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de assen in de sneeuw, die ineene taaie massa veranderd was, daar zij zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte. Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de vermoeide dieren nog te hulp komen.Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween, naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden. Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken henverblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen, ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde, ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan, waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef, verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit. Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroetmocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in de akelige omarming des doods verstijven!Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.
Eene rilling doorvoer zijne leden. De wind suisde over de hoogten en ruischte door de toppen der oude pijnboomen, die hunne takken over Rasinski's hoofd uitstrekten. Zijn ros krabde met den hoef in de aarde en schudde zijne in den wind vliegende manen. Sombere voorgevoelens, welke de beelden der toekomst voor zijn geest schenen heen te voeren, verkregen meer en meer macht over hem.
„Evenwel,” zuchtte hij na eene minuut zwijgens, „evenwel, is het waar, de daad des menschen is door de enge beperkingen der ruimte onzichtbaar omgeven; hij ziet de onoverkomelijke grenspalen eerst, wanneer hij ze bereikt heeft, en geene hand verzet ze, geen tijd doet ze verdwijnen.—Voorzegt hem zijn voorgevoelend hart niet, wanneer hij ze nadert?—Is hier dan de plaats, waar de stroom van groote daden zich in de zee der onmetelijkheid uitstorten en voor eeuwig spoorloos verdwijnen moet? Of keert hij slechts zijn loop, om zich trotsch door nieuwe velden uit te gieten en de nieuwe rotsdammen, die hem tegenstand willen bieden, te doorbreken? Wie zegt ons, waar onze voet de geheime teekens van het noodlot aanraakt, die als een bannende tooverkring om ons getrokken zijn? Openen zich thans de poorten van een nieuw olympisch kamp- en overwinningsveld, of staan wij voor de ijzeren gegrendelde deuren, waarmede de Almachtige in den raad des noodlots onherroepelijk besloot, onzen loop te stuiten? Is hier de plaats, waar de eindige kracht zich aan den metalen dam der eeuwige moest verpletteren?”
„Ja, ja, zoo is het. Eene geestenstem roept het mij toe uit dezen duisteren hemel, uit het ijzingwekkend suizen van den herfstwind.”
„Hier alzoo! Waarlijk hier! Thans grijpt de ijzeren arm van het noodlot in de vleugelen des geweldigen en verlamt en verbreekt ze! En was hij dan niet vernietigd? Neen, nimmer. Eeuwig zal zijn reuzenmonument vaststaan in de voortrollende baren des tijds. Hij zal den sluier van dit duister tegenwoordige oplichten. Weinige maanden of jaren—polsslagen der eeuwigheid—en het boek des noodlots ligt opgeslagen voor ons. De toekomende geslachten zullen het weten, of de klokslag van dit uur eene wisseling der wereldgebeurtenissen aankondigt. Welnu, het zij zoo! De sporen van zijn reuzentred op aarde kan geen eeuwigheid verdelgen. Zoo moge dan hier de grenssteen van zijn machtig volbrengen worden opgericht. De reusachtige altaren aan den Ganges, het slagveld bijCannae, de rookende puinhoopen bij deze dennenbosschen—zij zijn hieroglyphen van dezelfde beteekenis, en na duizende jaren nog zal de wandelaar ze met huiverige vereering lezen!”
Deze gedachten golfden in Rasinski's heldenziel op en neder. Hij gevoelde met ontegensprekelijke zekerheid, dat een zwaar, verpletterend onheil naderde! Doch met dit klare bewustzijn van het gevaar keerde zijne geheele mannenkracht terug en richtte hij borst en hoofd moedig tegen de toekomst op. Nog één blik wierp hij over het duistere, in nacht verzonken landschap, waar de geschiedenis besloten had, de nieuwe zuilen van Hercules op te richten; daarop wendde hij zijn ros en keerde met bezadigden moed tot de zijnen terug.
„De nachtwind was koud. En welk een dichte nevel ligt er weder op de aarde,” zeide Bernard en schudde zich rillend af. „Ik ben door en door koud, als een kikvorsch.” Met deze woorden sprong hij van zijn leger aan het bijna uitgegane vuur op en sloeg zijne armen over elkander, om zich te verwarmen. „Ik geloof, dat wij bevroren zouden zijn, wanneer hier weldra niets meer had gebrand dan die drie verkoolde blokken onder de asch!—Hé, Lodewijk; schud u wakker; hoort gij den trompetter niet!”
Lodewijk sloeg, daar zijn vriend hem aanvatte, de oogen wijd open en zag hem vreemd aan. „Nu kent gij mij niet?” vroeg Bernard hem. „Gij ziet er immers uit, alsof gij uit een andere wereld op deze waart neergevallen!”
„Bijna is het ook zoo,” hernam Lodewijk, die uit den diepen, vasten slaap, waarin hem zijne vermoeidheid niettegenstaande de koude gedompeld had, weder tot bewustheid begon te komen. „In mijne droomen zag ik andere gestalten, dan deze om mij heen.”
„Ik heb van bietebauwen, ratelslangen, krokodillen, kozakken, heksen en spoken gedroomd,” antwoordde Bernard. „Toen was ik blijde, dat de ruwe wind mij wakker blies! Satans, is dat een nacht geweest! De vochtige nevel dringt iemand tot in het merg zijner beenderen en maakt het waterig. Als wij maar eerst weder te paard zitten, zal het wel beter worden.”
Lodewijk had zich intusschen opgericht en zocht eveneens door sterke beweging zijne versteende ledematen te verwarmen. „Waar is Rasinski?” vroeg hij.
„Hij moet met de overigen reeds lang op zijn. Ik ontwaakte eerst door het geblaas der trompet en door de koude aan mijn linkerzijde, waar Jaromir gelegen had. Het ergert mij eigenlijk; maar zij zijn toch aan het soldatenleven veel beter gewoon dan wij en verdragen de moeielijkheden gemakkelijker. Wilt gij u wasschen? Hier is nog water in den kookketel; gij ziet er van den rook een weinigje zwart uit, mijn goede vriend. Ferm er in met uw gezicht; het is koud, maar verkwikt. Voor het overige behoeft gij, om versch water te hebben, slechts uw haren uit te drukken; zij hangen vol mistdroppels.”
De beide vrienden maakten hun bivaksmorgentoilet, zoo goed de omstandigheden het vergunden, en begaven zich daarop naar hunne paarden, waar de meesten hunner kameraden zich reeds bevonden en zich tot den marsch gereed maakten. Spoedig zaten zij op en de tocht ging voorwaarts.
Nauwelijks schemerde het, en toch waren zij eerst te middernacht ter rust gekomen; want de marschen werden, wijl men dagelijks het aanrukken van het russische leger vreesde, met haast en inspanning afgelegd.
Men reed, toen het dag werd en de nevel begon te vallen, langs eene helling van het dal naar beneden. Rasinski wees met zijn vinger naar eenige, nog half in mist, half in rook bedolven gevels. „Dat is Mosaisk,” zeide hij; „thans zijn wij weer op onzen ouden weg. Wanneer wij toch hierheen hadden moeten gaan, ware het beter geweest, dat wij dadelijk van Moskou af dezen weg gevolgd waren. Zoo hebben wij volle acht dagen verloren! Wij konden reeds bij Smolensko zijn.”
„Rijden wij door het nest?” vroeg Bernard.
„Neen,” hernam Rasinski; „wij nemen onzen weg hier links door de beek, wantdaar beneden verstopt zich weer alles. Het is een groot voordeel voor ons, dat wij zulke stipte bevelen niet behoeven te volgen als de anderen. Maar helaas, reeds begint ieder slechts voor zijn eigen voordeel te zorgen; het ware beter dat men strenger orde hield. Ik vrees nochtans, dat dit niet lang meer mogelijk zal zijn.—Ziet gij, hoe daar tegen ons over de artillerie reeds tegen de hoogten optrekt? De kanonnen blijven bijna steken in de diepe sporen en hebben toch reeds het dubbel getal paarden voorgespannen.”
„Ik geloof, dat wij vorst krijgen,” merkte Lodewijk aan; „de lucht wordt zoo helder.”
„Dat was zoo kwaad niet,” meende Bernard; „want in het taaie slijk marcheert het verduiveld slecht.”
„Verlang maar niet naar den winter; hij zal ons spoedig genoeg inhalen!” antwoordde Rasinski ernstig. „Thans gaat onze marsch bezwaarlijk, maar is toch vol te houden. In Rusland blijft de winter niet aan de grenzen van den herfst of de lente staan, maar hij heerscht spoedig in volle kracht; daarom waag het niet hem op te roepen.”
„Mij dunkt, hij komt zonder dat,” meende Bernard; „want de wind blaast ons uit het noordoosten in den nek, wat trouwens beter is dan gisteren, toen hij ons den natten stofregen in het gezicht joeg; maar ik ruik zoo iets van sneeuw in de lucht.”
Onder deze gesprekken waren zij, van den hoofdweg afgaande, bij de beek beneden in het dal gekomen en doorwaadden haar op eene ondiepe plaats. Aan de overzijde sloten zij achter de artillerie aan, die, de spits der colonne uitmakende, reeds een groot eind weegs vooruit was. Zij bereikten de bergvlakte, waarover de weg loopt.
„Duivels, hier blaast de wind scherper,” riep Bernard; „hij draait zich immer meer noordoost.”
Rasinski zag met zijn opmerkzamen veldheersblik over de vlakte heen. Zij bood bijna geen afwisseling aan, maar breidde zich in onmeetbare uitgestrektheid naar alle zijden uit; nauwelijks verhieven zich eenige heuvels in lichte kromming boven de zuivere kringlijn van den gezichteinder.
Niets brak het doode, troostelooze grauw van dit landschap af, dan de lange, zwarte strepen der dennenwouden, die zich aan den rand der vlakte onder blauwzwarte nevelwolken uitstrekten. Zelfs de lange rij van wagens en kanonnen en van de zich afbeulende paarden en artilleristen verlevendigde de eenzaamheid niet, maar maakte haar slechts te meer merkbaar door de tegenstelling.
De zon had een oogenblik geschenen; doch reeds betrok de hemel weder met sombere wolken.
„Heden schijnt de winter het toch nog niet te meenen, hoewel de wind scherp is en wij hierboven reeds sporen van den vorst zien,” zeide Lodewijk na eenigen tijd.„Het zuiver blauw des hemels is bijna weder geheel verdwenen.”
„Enfin! Dit is zeker, dat onze weg niet door het paradijs gaat,” hernam Bernard.
Men marcheerde eenige uren voort, bijna zonder te spreken; want deels brak de draad van het gesprek door het dagelijks bijna ongestoord bijeenzijn somwijlen af, deels boden de voorvallen van den dag zoowel als de omringende voorwerpen slechts stof tot bedroevende opmerkingen aan, welke ieder liever in stilte maakte. Eenige colonnes infanterie hadden van tijd tot tijd de cavalerie en artillerie ingehaald, daar deze wegens de afmatting der paarden slechts langzaam voorttrokken, terwijl het voetvolk, gedeeltelijk om zich te verwarmen, gedeeltelijk omdat de marsch in het algemeen verhaast moest worden, sneller dan gewoonlijk marcheerde. Men zag wonderlijke drachtenonder deze menschen. Van de regelmaat eener uniform was niets meer te zien; ieder beschutte zich zoo goed hij kon tegen weer en wind. Aan velen zag men, dat zij de ongemakken van den marsch reeds met moeite begonnen te dragen.
Toen Rasinski zijne opmerkzame blikken over deze manschappen liet gaan en uit hunne houding gissingen trachtte te maken omtrent den toestand der zaken in het algemeen, bemerkte hij een ruiter onder hen. Het scheen een hoofdofficier te zijn. Beide herkenden elkander tegelijk; het wasRegnard.
„Aha, Rasinski, zijt gij het?” zeide hij, terwijl hij naar hem toereed en hem de hand reikte. „Hoe gaat het ulieden?”
„Vrij goed!” hernam deze, die het zich tot een stelregel had gemaakt, altijd goeden moed te toonen, wanneer zijne manschappen hem konden hooren of zien.
„Gij zijt met weinig tevreden; ik heb het van mijn leven al beter gehad. Mijn oog is ontstoken; sinds den brand van Moskou werd ik daarmede gemarteld, en deze vochtige herfstnachten hier hebben het kwaad nog maar erger gemaakt.”
„Gevaar zal er niet bij zijn; zulke dingen gaan gewoonlijk tegelijk met de aanleiding weer over.”
„Soms ja, evenals de honger, maar duurt de aanleiding een poosje te lang, dan komt de genezing te laat. Het kon gemakkelijk gebeuren, dat het mij ook zoo ging.—Doch,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „ik geef er geen weerga om; men ziet hier met één oog toch al te veel.”
„Hoezoo?”
„Zijt gij niet door Mosaisk gekomen?”
„Neen, ik heb met mijne manschappen een zijweg ingeslagen.”
„Gij hebt niets verloren! Het gansche nest is een hospitaal. Drie duizend gekwetsten liggen er in en zullen er wel blijven liggen. Ik ril er nog van, als ik er om denk. Zeven weken rekken zij nu hun leven onder jammer en ellende. Zij zijn half verhongerd, half bevroren, want de meesten liggen op verrot stroo, dikwijls zonder dekens. Nauwelijks heeft men hun een ouden mantel gelaten. Hunne wonden zijn met werk dicht gestopt, meestal ontstoken en vreten in hunne beenderen in.”
„Spreek zachter,” zeide Rasinski;„zulke schilderingen ontmoedigen de manschappen.”
„Wat hebben zij schilderingen van noode? Zij hebben de ellende zelve gezien! Toen wij doormarcheerden strekten zij, die zich nog roeren konden, ons de armen smeekend uit de vensters toe en riepen: „Neemt ons mede, laat ons hier niet omkomen;” want het gerucht, dat wij terugtrokken, had zich als een loopend vuur onder hen verbreid. Tot hiertoe hielden zij zich met de hoop in hun jammer staande; thans komt nog de vertwijfeling bij de ellende. Zij huilden en weeklaagden luid; sommige vervloekten hemel en aarde! Een dragonder—ik herkende hem aan zijn mantel—wien beide de voeten afgezet waren, had zich met de slecht verbonden stompen tot aan den drempel der hut, waar hij lag, gesleept, en het bleeke beeld des jammers kermde mij met uitgestrekte handen te gemoet. Nu kwam de keizer voorbij; de rampzalige riep: „Sire, ik heb in Egypte gediend, laat mij hier niet versmachten! Naar Frankrijk, naar Frankrijk—mijn arme oude vader.” Daar begaf hem de spraak; de keizer beval, hem op zijn eigen wagen te leggen en zorg voor hem te dragen. Ik zelf tastte meê toe, om hem op te beuren, doch nog voor dat wij er hem konden optillen, had hij den laatsten adem uitgeblazen.”
„Wèl hem!”
„Dat is waar! Doch verbeeld u nu de ellende en den angst der achterblijvenden, wanneer een stervende deze toekomst zoo afgrijselijk voor zich ziet, dat de hoop om haar te ontvluchten hem nog in zijne laatste oogenblikken zulke krachten leent.”
„Enmoetenzij dan achterblijven?” vroeg Rasinski met eene inwendige rilling.
„Kunt gij ze wegbrengen, en kunnen zij den marsch uithouden? De keizer heeft bevolen dat iedere bagage- of amunitiewagen een man zal opnemen; hen, die nog te redden zijn, wil men trachten te redden. De anderen blijven der grootmoedigheid des vijands aanbevolen.”
„Grootmoedigheid!” riep Rasinski bitter uit.
„Zij mogen van geluk spreken,” voerRegnardvoort, terwijl hij den doek over het ontstoken oog terecht trok, „wanneer zij maar spoedig den vijand in handen vallen. Blijft hij lang uit, zoo verhongert en versmacht wat terugblijft op de ellendigste wijze; want het zijn immers louter menschen, die zich van hun leger niet verroeren kunnen. Maar, wat is dat weer een mist!”
Inderdaad hadden de dampen zich weder vochtig en koud rondom op de vlakten gelegerd, zoodat men nauwelijks honderd passen voor zich uit kon zien. Met ieder oogenblik scheen het, dat zij dichter werden; spoedig was het gezicht tot de naaste voorwerpen beperkt.
„Zulk een mist heb ik, geloof ik, nog nooit beleefd,” zeide Bernard; „zelfs in Schotland niet; men ziet immers het tweede kanon niet duidelijk meer. Hoog kan hij echter niet zijn, want de zon boven ons laat zich toch nog als eene helderroode maan zien.”
Eene koude windvlaag streek door de in kringen langzaam wentelende nevelgestalten en joeg ze in grauwe, langgerekte strepen over het veld.
„De wind is ook weer gedraaid; hij is noordwest geworden,” zeide Lodewijk, die de richting van den mist aandachtig met het oog volgde. De ruiters wikkelden zich dichter in hunne mantels en reden stom nevens elkander voort. Vooraan Rasinski metRegnard, vlak achter hen Jaromir, Boleslaw, Lodewijk en Bernard. Het was een wonderlijk, schrikbarend gezicht; rondom eene diepe stilte; slechts het stommelend ratelen der kanonnen was uit de verte te hooren, daar de mist het geluid dempte en de ruiters omtrent honderd treden ter zijde van den weg reden, om de paarden niet zoo diep in het uitgereden, moerassig spoor te doen wegzinken. Eenige kleine oneffenheden van den weg hadden toevallig Lodewijk omtrent twintig of dertig schreden rechts van de vrienden afgeleid. Plotseling struikelde zijn paard; hij rukte het aan den teugel op en boog zich voorover, om het voorwerp, waarover het gevallen was en dat hij, onnadenkend voortrijdende, eerst niet gezien had, op te nemen. Het was een half vergaan, half gekleed lichaam; het aangezicht, door verrotting en door de vogelen des hemels tot een walgelijk mengsel van bloed en etter gemaakt, staarde hem akelig aan. Een onwillekeurige schreeuw ontvoer hem door den schrik; zijn afgrijzen vermeerderde, toen hij om zich heen zag en in den naasten omtrek nog meerdere lijken, reeds half geraamten, in de diepe voren van den akker zag liggen. „Wat is er?” riep Bernard, toen hij den gil hoorde.
„Zie slechts eens rond!” riep Lodewijk rillend. Allen waren in het eentonige grauw van den mist voortgereden, zonder op weg of plaats acht te slaan. Eene sterke windvlaag joeg in dit oogenblik de dampen een weinig uiteen en vergunde eenige honderden schreden in het rond te zien.
„Wij zijn op het slagveld,” riep Rasinski, en eene zonderlinge mengeling van afgrijzen, eerbied en grootsche herinneringen greep hem aan.
„Waarachtig! Ik had niet gedacht, dat wij er reeds zoo nabij waren,” sprakRegnarden zag om zich heen.
Met een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel lieten allen hunne blikken over het eenzame, akelig zwijgende veld des doods weiden, dat zeven weken te voren van het ontzettende gewoel van den slag en den duizendvoudigen donder van het geschut weergalmde. Gelijk in de schemering het oog eerst slechts eenige sterren en dan met iedere seconde er meer ziet, zoodat het zich spoedig in de onmetelijkheid verdiept, zoo vermenigvuldigden zich hier op de ontzettendste wijze de lichamen en overige teekenen der verwoesting, welke men overal ontdekte, voor het gezicht. Terwijl de mist, door den wind over de steppe gejaagd, zich langzaam voortbewoog, scheen hij als het ware de gordijn van de schrikkelijke schilderij af te rukken. Allen stond de adem in de borst stil, toen zich die akelige baaierd aan hunne oogen vertoonde. In het eerst had men slechts de naastbijzijnde lichamen, waartegen de hoeven der paarden stieten, gezien; doch toen hun blik verder reikte, steeg het aantal weldra tot in het oneindige; want men merkte spoedig, dat elke zwartachtige hoogte, die het oog zag, niet een steen, een boomstam of aardhoop was, maar een menschelijk lichaam of eene opgestapelde menigte daarvan. Met elken tred verder in deze, slechts door lijken bevolkte woestenij werd het beeld der verwoesting schrikkelijker en treffender. De wind joeg eene giftige pestlucht aan, die zelfs de paarden zóó aandeed, dat zij, schuw terugdeinzend, den ruiters niet wilden gehoorzamen, en slechts met vliegende manen en opengesperde neusgaten, als zochten zij eene reinere lucht in te ademen, de sporen gehoorzaamden en vooruitgingen. Thans zag men enkele hoogten, als hunnebedden, waar groote lijkenhoopen opgestapeld en zoo dun met aarde bedekt waren, dat storm en regen dit bedeksel reeds bijna hadden weggespoeld. Uit de akelige vermenging der over elkander opgestapelde lijken staken er enkele, het gebeente half met vergaan vleesch bedekt, bijna naakt en wit glinsterend, in schrikverwekkende houding uit. Den een was het hoofd, met borstelig bloedig haar bedekt, op de aarde gezonken en staken de beenen onnatuurlijk omhoog; een ander stak een arm hoog op, als leefde hij nog en als zocht hij zich uit het rottende graf naar boven te werken. Enkele ledematen, van roofvogels en wolven half afgeknaagd, lagen rondom verspreid. Grijnzende bekkeneelen met ledige oogholten of sluik afhangend bloedig haar zagen ijzingwekkend van den grond op. Tusschen deze schrikkelijke overblijfselen lagen de krijgshaftige gedenkteekenen van den slag verspreid; hun aanblik verwarmde de verkleumde borst ten minste door de herinnering aan den grootschen strijd, die hier gewoed had. Verbrijzelde affuiten, raderen, trommels, roestende kogels, de overblijfsels van gebroken geweren en sabels, glinsterende helmen en kurassen der ruiters lagen overal over het onbebouwde veld; de plaatsen waar de cavalerie en artillerie gestreden hadden, herkende men dadelijk; zij waren met glinsterende paardengeraamten, die nog half in het uitgedroogde vleesch staken, doch wit schitterden daar, waar de raven en vossen ze afgeknaagd hadden, rondom bedekt. De nevels rolden in lange strepen over het veld, en nu eens vertoonden, dan weder verborgen zij deze velden des schriks. Doch met elke seconde trokken zij meer en meer weg, en spoedig kon men ongehinderd zijne blikken zoo wijd laten rondgaan, als de schrikbarende teekens der verwoesting en des doods te onderscheiden waren.
„Ziet gij daar dien heuvel?” riep Rasinski en wees met zijn vinger op eene vormlooze massa, die juist uit den nevel scheen op te rijzen; „dat is die schrikkelijke redoute, waar wij zoovelen der onzen gelaten hebben. Thans eerst vind ik mij weder te recht op deze velden des doods, waar dertigduizend onzer kameraden hun bloed vergoten.”
Zij reden naderbij, om nog eenmaal de plaats te betreden, die hen met zulke grootsche herinneringen moest vervullen.—Niemand sprak, ieder droeg eene sprakelooze huivering in zijn boezem om. Hoeveel ontzettender was het slagveld nu, dan toen de brullende donder het oor verdoofde, de gansche hemel in rook en vuur gehuld scheen en de ijzeren kar des doods verpletterend over de gevallenen heenrolde; want toen vertoonde dit veld het schrikwekkend gelaat van een vertoornden gigant, thans het ijzingwekkende van een tot verrotting overgaanden.
Toen Rasinski en zijne vrienden—want het regiment hield den grooten weg—nader bij de redouten kwamen, konden de paarden nauwelijks voortkomen door de lijken en de kogels, die hier den grond bedekten.
„Wat mag dat daar boven op de borstwering zijn?” vroeg Rasinski, toen men nog omtrent vijfhonderd schreden van de verschansing verwijderd was.
„Ik kan het niet onderscheiden,” zeideRegnard; „'t gelijkt wel een half afgebroken piramide.”
„Wellicht ongestapeld hout,” sprak Lodewijk.
„Hoe zou dat daar komen?” hernam Bernard, het hoofd schuddende. „Waarlijk een zonderlinge vorm, die een schilder in verlegenheid zoude brengen.”
Zij reden naderbij, de zon brak met krachtige stralen door de wolken heen en sloeg de zwevende dampen neder. Eensklaps verlichtte zij de redoute met een helderen glans, terwijl alles in het rond nog in een grauw lag.
„Het zijn geraamten,” riep Rasinski, die verreweg het scherpste gezicht had. „Ziet gij hoe de beenderen, door zon en regen gebleekt, als zilver blinken?”
Door afgrijzing en verbazing getroffen, renden de ruiters sneller nader. Het was zooals Rasinski gezegd had. Van de lijken, die in het inwendige der verschansing opeengestapeld waren, staken eenige hoog boven den wal uit. Een ijselijk spel van het toeval had hen met de ruggen tegen elkander in eene half opgerichte stelling gebracht. Aan de lucht, den regen, den storm en de roofdieren het meest blootgesteld, waren de beenderen bijna geheel van vleesch ontbloot en de afschuwelijke geraamten schenen nu, op hun troon van lijken zittende, met een grijnzenden lach het veld der vernietiging rondom hen, als hun schrikkelijk rijk te overzien.
Bij dit gezicht tastte een kil, huiveringwekkend gevoel van schrik zelfs den koelbloedigenRegnardaan. Hij trok zijne wenkbrauwen donker samen en rilde, alsof eene koude koorts door het merg zijner beenderen voer.—„Dat alzoo isCaulaincourtsgrafnaald?” zeide hij eindelijk, terwijl alle overigen stokstijf en zwijgend stonden.—„Komt, laat ons verder rijden.”
Hij wendde zijn paard om.
Rasinski was als aan den grond genageld; zijn oog hing onafgewend aan den heuvel van lijken. „En dat alles te vergeefs!” zeide hij eindelijk, diep uit zijne borst ademend. „En wij hebben dan toch den slag verloren!”
„Verloren?” vroeg Bernard half luid.
„Ja, ja, verloren! Het was eene overwinning in schijn, een bedriegelijk beeld vaneene bloedige zegepraal! Daarom kwam op dien droevigen avond geene vreugde in onze borst! O, gij hebt nooit overwonnen; gij weet niet, wat eene overwinning is! Dat wekt een ander gevoel in de borst. Eerst heden ruimen wij het veld! Heden, na zeven weken, beslist het zich, wie den slag verloren heeft! Maar welaan,” zeide hij, zich met koninklijke waardigheid oprichtende en met zijne opgeheven rechterhand naar de geraamten wijzende, „deze bergen van lijken mogen ten minste getuigen, dat hier dapperen gestreden hebben! Den roem van dezen dag zal geene macht op aarde ons ontrooven! Want de roem is waar; het geluk is valsch!”
Een edel vuur vlamde, toen hij deze woorden sprak, in zijne donkere oogen; hij wierp zijn hoofd trotsch in den nek en draafde, zonder deelneming of toestemming van zijne begeleiders te verwachten, over de verrottende lijken hen voorbij. De vrienden bemerkten, dat hij alleen wilde zijn, en volgden hem langzaam op eenigen afstand.
„Voorwaar, hij moest een koning zijn!” riep Bernard vol geestdrift Lodewijk toe. „Hebt gij zijn heldenblik gezien? Toen hij zijne hand uitstrekte, was het mij, als vermocht hij deze dooden te gebieden, zich op te richten en opnieuw naar de wapenen te grijpen.”
„Hij is een held in den volsten zin des woords,” zeide Lodewijk; „want hij vereenigt de grootmoedige zachtheid met de machtig gebiedende kracht. Hij kan alleseischen, en hijverzoektalles.”
„Zoo is het!” riep Jaromir levendig; het was zijne eerste warme ontboezeming na dien ongeluksdag.
„O, gij moest hem in beter tijden gekend hebben,” zeide Boleslaw; „maar reeds sinds wij Duitschland verlaten hebben, is hij niet meer, die hij was. Hij moet diepen kommer in zijn boezem voeden of het onheil, hetwelk hij thans vreest, vooruit hebben gevoeld.”
Zoo had de mannelijke houding van Rasinski eensklaps de ijzingwekkende indrukken van het slagveld verdreven en voor hartverheffender gevoelens plaats doen maken.
Regnardhad zich bij Rasinski gevoegd en samen wachtten zij thans de overigen af. Om het regiment weder in te halen, zetten zij hun weg in versnelden draf voort; steeds liep hun pad nog over lijken en gebroken wapens. Een diepe holle weg doorsneed opeens het veld, dezelfde, waardoor zij toen op den avond na den slag naar de legerplaats terugreden, en dien zij den volgenden dag vol vonden van ongelukkigen, die gewond en versmachtend hier bescherming gezocht hadden tegen de ruwe nachtvorst. Ook hier lagen geraamten van paarden en menschen.
Plotseling trof een klagend geluid hun oor. Allen schrikten en luisterden; eene rilling bekroop allen bij de gedachte, dat onder deze algemeene versterving nog een levend wezen kon zijn. Men zag rond, doch zonder te ontdekken, van waar de klagende stem kwam.
„Het moet daar uit die inspringende holte achter ons zijn,” zeide Rasinski, en hij wierp zijn paard om en sprong in eene kleine, met verwelkt kreupelhout half dicht begroeide grot, langs welker mond zij zoo even gereden waren.
„Heilige God!” klonk dadelijk daarop zijne stem, terwijl hij zich eensklaps van het paard wierp. De anderen begrepen de oorzaak niet zoo terstond; doch zij stonden verslagen van schrik, toen zij daar in den buik van een opengesneden paard een mensch ontdekten, die uit deze verschrikkelijke legerstede zijne handen smeekend naar den toesnellenden Rasinski uitstrekte.
„Begoocheling der hel!” riep deze uit en drukte zich beide handen voor de oogen; „het is Petrowski!”
Als verpletterd stonden Lodewijk, Bernard en Jaromir daar bijeen, toen zij dit woordhoorden en nu den rampzaligen grijsaard herkenden. Jaromir was het eerst van het paard, om Rasinski bij het werk der redding te helpen. Deze stond voor den ongelukkige en hield diens beide handen krampachtig in de zijne; hij had zijn gelaat, van den stervende afgekeerd, naar Jaromir gericht. In zijne trekken was een krampachtig geweld te bespeuren, om de ontzettende smart geen heer over zich te doen worden; doch hij moest bukken. Droppels van angstzweet stonden op het voorhoofd van den held; groote tranen rolden over zijne wangen; hij kon geen woord spreken.
„Gij nog onder de levenden, mijn oude, trouwe kameraad!” riep hij eindelijk uit en gaf daardoor lucht aan zijne beklemde borst;—„en ik zocht u te vergeefs onder de dooden.”
De grijsaard, door ellende en kommer uitgeput, had bij deze laatste vreugde toch nog een traan.
„God in den hemel,—dank!” waren de eenige woorden, welke hij met eene gebroken stem nog vermocht te stamelen. Het vreeselijke van zijn lijden had hem nog de kracht gegeven van om hulp te roepen; de onuitsprekelijke vreugde beroofde hem thans van bewustzijn en spraak.
„Mijn God, mijn God, zijt Gij dan alwetend?” riep Rasinski uit. „In de afgrijselijke armen der verrotting en des doods lag deze levende; zijne spijs was, wat de hongerige wolf en de krassende raaf versmaadt; ieder oogenblik eene hel—en vijftigmaal ging Uwe zon er over op, zag deze ellende en Gij zondt geene redding!”
Jaromir, Bernard, Lodewijk en Boleslaw waren nader gekomen en wilden beproeven, den ongelukkige uit zijne verpeste legerstede op te richten. Doch reeds staarde zijn in de kas weggezonken oog hen gebroken en bewusteloos aan, een lachje zweefde over zijne trekken, die door de grenzelooze ellende diep ingevallen waren; nog eenmaal haalde hij diep adem—toen zonk hem het hoofd op de borst neder en zijne ziel was het veege lichaam ontvloden.
Rasinski liet de handen van den doode niet los; zijn met tranen gevuld oog hechtte zich aan het verbleekte gelaat, dat zelfs in den strijd des lijdens en des doods den krijgsmansadel bewaard had. „Ziet dit schoone voorhoofd vol litteekens, versierd met zilveren haren!—O, dat was een trouw soldatenhart!—En zoo verschrikkelijk te sterven!”
„Neen, hij had een schoone dood,” zeide Lodewijk, wiens ziel zich geloovig tot den Algoede verhief, die den gemartelde in zijn doodsuur zijne dierbaarste vrienden als door een wonderwerk in deze schrikkelijke eenzaamheid toezond; „hij stierf een schoonen dood! Zie slechts, hoe zijne trekken zich verheerlijkt hebben!”
Jaromir sprong plotseling te paard en snelde ras op den weg, dien zij gekomen waren, terug; men wist niet wat hij voor had. „Wacht hier twee minuten,” riep hij, „ik ben dadelijk terug.”
Zwijgend stonden de vrienden rondom den gestorvene.—„Geef mij eene schaar,” vroeg Rasinski. „Ik wil tot aandenken een lok van zijn hoofdhaar medenemen.”
Bernard reikte hem uit zijne portefeuille het verlangde toe. „Gunt gij mij tien minuten,” zeide hij, „zoo teeken ik den kop hier in mijn studieboekje. Deze trekken tref ik gewis.”
„Het blad zal mij heilig zijn,” hernam Rasinski en dankte zijn vriend door een handdruk.
Terwijl Bernard teekende, keerde Jaromir terug. Hij had twee spaden dwars voor zich over den zadel liggen. „Wij moeten onzen kameraad begraven!” riep hij reedsvan verre, „dat is de wil van God, die ons in zijn doodsuur tot hem heeft gezonden.”
„Van waar hebt gij die spaden?” vroeg Rasinski verwonderd; „ik had gewis dadelijk aan eene begrafenis gedacht, wanneer ik de mogelijkheid had ingezien van haar te bewerkstelligen. Gij brengt den schoonsten troost aan mijne ziel!”
„Door een toeval ontdekte ik ze. Daar straks, toen wij van de redoute afkwamen, zag ik in een gat twee gebroken russische affuiten liggen, waarbij ik nog de houweelen en spaden ontdekte. Dat viel mij thans in, en daar ik de plaats onthouden had, snelde ik heen om ze te halen.”
„Geef hier,” zeide Rasinski en nam de eene spade. „Hier onder dezen jongen den, dien misschien eens een grijsaard onder de boomen wordt, gelijk de doode er een was onder de helden, hier willen wij hem begraven.” Tegelijk stak hij zelf de eerste kluit uit den grond; Jaromir werkte ijverig mede. Eene aardkloof, die slechts eenigszins verwijd behoefde te worden, moest het laatste leger van den ouden krijgsman worden.—Boleslaw en Lodewijk hielden het hoofd van den doode even omhoog, opdat Bernard zou kunnen teekenen. Een kwartier werd aan dezen liefdedienst gewijd.Regnardbleef een zwijgende, innig ontroerd getuige; hij hield het voor eene zaak van eer, zich niet aan de plechtigheid der begrafenis van een zoo grijzen kameraad te onttrekken.
„Ik ben gereed,” zeide Bernard en reikte Rasinski de met vaste, stoute trekken geschetste beeltenis van den doode over.
„Wij zijn het ook!” zeide deze en nam het blad aan. „Voortreffelijk!” riep hij, terwijl hij het beschouwde. „Het is geheel en al de oude, trouwe kameraad; het is zijn eerwaardig voorhoofd, zijne zachte glimlach in den dood.—Bernard, ik dank u voor dit kleinood.” Hij drukte hem bewogen de hand. „Thans neemt hem uit zijn ontzettingwekkend bed en legt hem in zijne laatste, koele, stille woonplaats. Gij zult eenzaam rusten, oude vriend! maar de wolf zal toch uw graf niet opwroeten, de raaf uw trouw oog niet tot spijs voor zijne jongen in zijn nest dragen.”
Het lijk werd nedergelaten; de aarde bedekte het spoedig.
„Rust zacht!” sprak Rasinski, en strekte zijn arm zegenend over het graf uit. „De wil des Almachtigen zond u eene maat van ellende toe, welke de menschelijke borst niet kan bevatten, voor welke zelfs de ijzeren zenuwen van den held terugbeven. Doch Zijne genade is rijker dan Zijne gestrengheid; u zal vergolden worden. Gij rust hier eenzaam, want geen uwer broederen slaapt nevens u, en verre is het vaderland der uwen. Maar op den dag der opstanding zullen dertig duizend helden om u heen ontwaken en gij zult met hen in zegepraal de poorten der eeuwigheid binnentrekken.—Uw graf kunnen wij niet versieren, de volgende lente moet het doen! Vervloekt zij de bijl, die dezen jongen boom treft, die nog in de latere jaren ons deze plaats kan aantoonen; doch gezegend zij hij, die aan dit graf een teeken van liefde wijdt.” Hier zweeg hij.
Bernard riep: „Laten wij dien steen daar op zijn graf wentelen!” Weinige schreden verder lag een granietblok, dat bijna de gedaante van een teerling had. De krachtige mannen pakten het zware blok aan en wentelden het gelukkig tot op het graf. Toen braken zij groene takken van den denneboom af, staken deze in de versch opgeworpen aarde, en Bernard krabde met zijn mes eenPin den steen.
„Thans de laatste krijgsmaneer,” zeide Boleslaw en trok zijne pistolen uit de holsters; de anderen deden hetzelfde. Rasinski trad voor om te commandeeren. Hij trok de sabel en commandeerde: „Legt aan! vuur!” De schoten vielen, de rookzuil steegrecht naar boven en schitterde in een vluchtigen blik, dien de zon door de wolken wierp. Doch door den slag opgejaagd, vlogen rondom troepen van raven op en vluchtten met ruischend klapwieken.
Driemaal werd den begravene den krijgsmanseer gebracht, waaraan ookRegnardzich niet onttrok.
Daarna zaten zij op en reden snel en zwijgend naar de hunnen terug.
Na twee moeitevolle dagen bereikte het leger Wiasma. Hier liet de keizer een rustdag houden, om de achterhoede, onder bevel van den maarschalkDavoust, op te wachten.
Reeds waren de krachten der troepen tot het uiterste ingespannen; velen, door ziekte of wonden verzwakt, bleven achter; zelfs de meeste vaste wil kon de weigerende lichaamskrachten niet vergoeden.
Rasinski was gelukkig genoeg geweest, nog geen der zijnen te verliezen; dit was hij deels zijner tijdige zorg voor hunne warmere en betere kleeding verschuldigd, deels aan de onvermoeide werkzaamheid, waarmede hij nog voortdurend in al hunne behoeften trachtte te voorzien. Vooral had hij door het voorbeeld van moed en beradenheid den geest van orde, van eer en van vertrouwen weten te bewaren, die in zulke benauwde tijden het zekerste redmiddel, de werkzaamste bescherming tegen het naderend verderf verschaft. De soldaat is geheel overmand en verloren, zoodra hij eenmaal, ook maar een oogenblik, den moed opgeeft, om zijn grimmige vijanden, het gebrek, de koude en de bovenmatige inspanning te trotseeren. Zoo was Rasinski thans streng in het handhaven der orde op marsch; hij veroorloofde volstrekt geen achterblijven, geen alleen marcheeren, geene veronachtzaming van paarden, kleedingstukken of wapenen. Hij wist het zijnen ruiters aan het verstand te brengen, dat het kleine gebrek, hetwelk zij nu nog, ofschoon met eenige moeite, herstellen konden, in weinige dagen door verwaarloozing tot eene onherstelbare ramp zoude worden. Zijne officieren zoowel als Lodewijk en Bernard sloten zich door een even zorgvuldig toezicht en door eigen voorbeeld ijverig bij hem aan.
InWiasmawas het Rasinski gelukt nog een dragelijk onderkomen voor man en paard te vinden. Drie half staande gebleven muren eener groote schuur, die nog zoowat een dak had, dienden den paarden tot stal; doch daar er voor allen geen plaats was, moesten zij om de acht uren verwisselen. Er was stroo genoeg bijeen gebracht, zoodat allen konden liggen; maar de fourage viel mager genoeg uit. Doch reeds de rust binnen den warmeren omtrek der muren deed den dieren goed. Voor zich en zijne manschappen had Rasinski een huisje in beslag genomen, dat nauwelijks dertig man scheen te kunnen bevatten; maar door de wijze verdeeling der enge ruimte van kamer en zolder, waarbij ieder plekje in acht werd genomen, was het toch mogelijk geweest, zestig man, zekerlijk een weinig benauwd, te legeren. Door eene verwisseling van acht tot acht uren, gedurende welke dezen sliepen, anderen de paarden, de wachtvuren en de keuken bezorgden, gelukte het den op alles bedachten aanvoerder, de manschappen volkomen te doen uitrusten en zich te verwarmen, zoodat zij, toen de marsch moest vervolgd worden, met frissche krachten tot de moeielijke reis konden aantreden.
Vóór het aanbreken van den dag zetten de colonnes zich in beweging. De weg liep door lange dennenbosschen; de doodsche eentonigheid scheen den onmetelijken afstand, op welken zich de krijgslieden van hun vaderland gevoelden, nog te vermeerderen. Ook de lengte der buitendien moeielijke dagreizen groeide daardoor aan. Rasinski kreeg bevel met zijne manschappen de achterhoede uit te maken en de achterblijvers voort te drijven; want sinds de twee laatste dagen hadden zich zoo vele traineurs opgedaan, die zich op de nakomende korpsen verlieten en tot deze aankwamen eenige rustdagen meenden te verwerven, dat men deze wanorde op alle wijze moest tegengaan. Hij reed dus achter de lange rij van wagens, die deels levensmiddelen en gewonden medevoerden. De overtollige munitiewagens en vele andere, die den tocht hinderden, had men reeds verbrand en de paarden voor de kanonnen gespannen. Want ofschoon het weder helder bleef, ijzelde het iederen nacht, en dan kon men met de slecht beslagen, ongescherpte paarden zelfs kleine hoogten nauwelijks meer opkomen, zoodat de kanonniers zich zelve mede voorspanden, om de hun toevertrouwde wapenen, waaraan zij, even als de regimenten aan hunne adelaars, hunne eer verbonden, niet te moeten achterlaten.—Met moeite bereikte men het bivak, waaruit men, na eene door honger en koude gestoorde nachtrust, nog in den donker weder opbrak.—De aankomende dag vertoonde een beklagenswaardig schouwspel. Eene menigte manschappen was uit krachteloosheid achtergebleven; het was onmogelijk hen in het gelid te houden. Daarbij werd de weg slechter en de slecht gevoerde paarden sleepten zich met moeite voort. De colonnes rukten bijzonder langzaam voort. Er werden al meer en meer paarden tot het vervoeren van het geschut vereischt. De keizer gaf bevel, van alle bagagewagens, zelfs van die der hoofdofficieren, de helft der voorgespannen paarden te nemen, om ze voor de kanonnen te spannen. Daar op die wijze de reeds te groote last door het halve span niet meer vooruit te brengen was, moest deze in gelijke mate verminderd worden. Men zag derhalve alles, wat zich van ontbeerlijke werktuigen en zelfs kunstwerken op de wagens bevond, als een nuttelooze ballast wegwerpen en wat zich daarvan verbranden liet, door vuur vernietigen.
Toen Rasinski naast Jaromir bij een dezer nog vlammende brandstapels voorbijreed en zij hunne paarden moesten afwenden, om niet in de scherven van kostbare porseleinen serviezen te trappen, welke men onvoorzichtig midden op den weg had geworpen, zeide hij tot dezen: „Herinnert gij u het voorval dicht bij Moskou nog, waar die wagen geplunderd werd? Had ik geen gelijk met te zeggen, dat die man de gelukkigste van allen was, daar men hem de nuttelooze zorg voor zijne rommelzoô het eerst ontnomen had?”
„Dat wel,” hernam Jaromir, „doch wie ziet dit in? Geluk en ongeluk, berusten ze niet in onze eigen harten? En wanneer wij ons door den schijn laten bedriegen, is dat niet hetzelfde, alsof wij door de waarheid lijden! Mij zelf is het reeds menigmaal voorgekomen, alsof wij eerst later inzagen, wat gelukkige of ongelukkige voorvallen voor ons zijn. Bij onzen eersten aanval in den slag bij Mosaisk rukte mij een kogel de pluim van het hoofd. Ik prees mij gelukkig, dat hij mij niet een voet breed lager getroffen had. En toch zou het mijn geluk zijn geweest, want als mij nu of later dat lot treft, wat heb ik dan gewonnen, dan eenige dagen van kwelling? En evenwel gevoelde ik mij in die oogenblikken werkelijk gelukkig. Wat is nu waarheid, wat valschheid in onze gedachten?”
„Het tegenwoordige behoort ons ten minste zeker,” zeide Bernard, die naast Jaromirreed. „Doch ook dat niet,” voegde hij er snel bij, „want toekomst of verleden kunnen het vergiftigen. Maar juist daarom, wijl ons niets behoort, behoort ons alles. Waar geen gebieder is, heerscht hij, die heerschen wil, en wat onze wil ons geeft, behoort ons.”
„Ik geloof toch niet, dat gij gelijk hebt,” merkte Boleslaw aan,„want hoe gering is de macht van onzen wil tegen de hoogere machten.”
„Dat is zekerlijk de eindelijke grenspaal van ieder mensch,” zeide Lodewijk; „maar dit geldt toch ook slechts tot aan een zeker punt. Ik geloof niet, dat Bernard staande zal willen houden, dat er geen geluk of ongeluk bestaat, maar dat de mensch zich alles zelf maakt; maar gelijk heeft hij, wanneer hij gelooft, dat er buiten het geluk, laat het het schoonste, het edelste zijn, hetwelk deze aarde aanbiedt, nog iets hoogers is, dat ons machtig kan ondersteunen, wanneer smart of vreugde ons overmeesteren. Zoo kent de schipper boven de zon, die hem een heldere vaart geeft of weigert, nog de eeuwige sterren, naar welke hij opziet, wanneer de aarde in duisternis ligt gedompeld.”
„Zeer waar,” zeide Bernard en schudde zich eens ter deeg, daar de herfstwind hun juist onzacht tegen woei; „maar de eeuwige sterren zijn koud en geven ook niet bijster veel licht. Men komt licht op klippen, wanneer men den neus naar haar uitsteekt.—Gelooft evenwel niet, dat dit eigenlijk mijne philosophie is; ik heb slechts die, er geene andere te hebben, dan welke ik telkens van de omstandigheden leen. Zoo bijvoorbeeld nu, daar wij allerlei rommel zien verbranden, neem ik de leer aan dat men aan zulk een rommel zijn hart niet moet hechten. Daarentegen zou ik, wanneer ik hier ergens een gevulden bakkerswinkel zag, dadelijk bewijzen, dat hij meer waard is, dan alle schatten van Croesus.”
„Hebt gij honger?” vroeg hem Jaromir; „hier is nog brood, dat ik bij mij heb gestoken. Ik eet zeer weinig.”
„Neen, mijn waarde,” hernam Bernard en weigerde het geschenk, „gij weet dat ik even goed ontbeten heb als gij allen. Mijne vergelijking was in de ziel van het gansche leger gedacht.”
„Tot Smolensko, hoop ik,” zeide Rasinski, „zullen wij er ons, ofschoon met moeite, doorslaan. Daar zijn magazijnen.—Maar luistert! Was dat geen kanonschot? Waarachtig! nog een, een derde! Het geluid komt van den kant van Wiasma!—Zouden de Russen er zijn?”
Allen luisterden met spanning naar de doffe, verwijderde schoten, die de stilte van den vroegen morgen afbraken.—Doch spoedig werd het weder stil; men hoorde niets meer. Ondertusschen was Rasinski bezorgd geworden. Tot hiertoe had men slechts de moeielijkheden van een langen, lastigen marsch te overwinnen gehad; doch was de vijand nagerukt en tastte hij met frissche krachten het uitgeputte leger aan, dan kon men niet voorzien, hoe men het geheele verderf zou ontkomen. Het stelde hem niet gerust, dat het schieten weder ophield; want daar hij de wijze van vechten van het russische leger kende, was hij overtuigd, dat ten minste een troep stoutmoedige, snelle kozakken de achterhoede had aangevallen, die wel spoedig kon teruggedreven zijn, maar niettemin bewees, dat het groote leger niet ver meer af was.
Nadenkende over de gevolgen, welke een ernstige aanval konde hebben, reed hij zwijgend voor de zijnen uit. „Bliski,” riep hij na eenige minuten een zijner ruiters toe en wenkte hem, nader te komen.
Bliski reed in krijgsmanshouding naar zijn overste en vroeg, wat zijn verlangen was.
„Gij zijt lang in Rusland geweest, Bliski,” begon Rasinski;„kent gij de wegen tusschen Malo-Jaroslawez en Smolensko volkomen?”
„Dat zou ik denken! Ik heb ze wel dertigmaal met de kibitki gemeten,” antwoordde de vroolijke krullekop levendig en met een zekeren trots, dat zijn aanvoerder bij hem om raad moest komen.
„Hoe verre rekent men van Malo-Jaroslawez naar Wiasma over Medyn?”
„Ten minste eene, zoo geen twee dagreizen nader, dan de weg, dien wij genomen hebben.—Als de kozakken lust hadden gehad, moesten zij ons reeds van Wiasma tot halverwege Gjaz te gemoet zijn gekomen.”
„Zoo meent gij?” vroeg Rasinski glimlachend en verheugd over het vlugge verstand van den knaap, die de bedoeling van zijne vraag spoedig inzag.
„Bij de Heilige Maagd, overste,” hernam Bliski levendig,„ik heb mij verwonderd, dat het niet gebeurd is. Maar wij zouden ze geraakt hebben! Ik had mijn sabel expres geslepen; want ik ben nog in hunne schuld wegens den houw hier over mijn linker oog en den steek in mijn arm! Nu, wie weet het, misschien ontmoeten wij elkander bij Dogorobuye.”
„Waarom daar?” vroeg Rasinski, ofschoon hij zeer goed wist waarom.
„Omdat daar de groote weg van Kaluga dien van Smolensko kruist. Ik denk, wij zullen wat te doen vinden.”
„Wenscht gij het?”
„Wanneer mijn paard en ik tot zoover goed gevoerd worden, zal mij niets liever zijn; maar het ziet er niet naar uit. Zie maar eens, overste, hoe het arme dier het vleesch van de ribben valt, en de heupbeenderen steken hem uit, dat men er zijne chakot aan zou kunnen ophangen.”
„Troost u, Bliski, wij leven ook niet in overvloed,” sprak Rasinski vriendelijk.
„Ei wat,” riep Bliski, „om mij zelf geef ik niet; want een vette ruiter is de dood voor het paard, zooals wij bij ons in het wooiwoodschap Sendomir zeggen; maar mijn paard zie ik even ongaarne gebrek lijden, als ik mijne sabel ongeslepen en mijne pistolen zonder steen zie. Kan men zich niet meer op een flink ros verlaten, dan is de gansche ruiter niets meer waard. Niet waar, oude?” Hierbij bukte hij zich en klopte zijn paard vriendelijk op den hals.
Rasinski had weinig naar dit gepraat geluisterd, wijl de gevaarlijke toestand des legers zijne gedachten te ernstig bezighield.—„Hoe ver rekent men van Kaluga naar Dogorobuye?” viel hij Bliski in diens aanspraak aan zijn paard in de rede.
„Het zullen wel omtrent honderd en twintig wersten zijn.”
„En is de weg goed?”
„Dat ligt aan het weer; tegenwoordig denkelijk zooals hier; op de hoogten dragelijk, in de diepte moerassig. Maar als het sneeuwt, is het de beste sledebaan in het gansche keizerrijk.”
„Nu, naar sneeuw ziet het er nog niet uit.”
„Wie weet het, overste? Het jaargetij is er, de vrucht wordt rijp, zoo zeker als de pruimen in den herfst.”
„Goed, goed, Bliski; rijd nu maar weer naar uwe kameraden terug; ik weet nu al, wat ik weten wilde. Gij kent den omtrek en zult niet verdwalen, wanneer ik u noodig heb.”
„Vrees daarvoor niet,” riep Bliski met levendige oogen; „ik vind den weg van hier naar Madrid.” Daarop reed hij weder bij zijne kameraden in het gelid.
Daar thans de weg een hoek maakte en de boschjes ter zijde ophielden, zag men eenige honderden schreden vooruit een zwart gewemel van menschen, die aan de zijde van den weg druk bezig waren. Tegelijk zag men wagens het veld inrijden.
„Daar zal het weer een vuurtje geven,” zeide Rasinski tot zijne vrienden.
„Het is ook noodig, de kanonnen nog sterker te bespannen, want zij komen niet van de plaats.” Het loopen en de beweging nevens den weg hield de blikken der ruiters voortdurend geboeid. De zon scheen helder; plotseling werd haar beeld midden uit de zwarte massa der verzamelde menschen schitterend teruggekaatst.
„Dat is het kruis van den heiligen Iwan!” riep Bernard, die zich dadelijk het voorval bij Moskou herinnerde. Met gespannen verwachting volgde men nu alles, wat op dat punt voorviel.
Daar de weg tegen eene hoogte opliep, overzag men spoedig het geheele veld. Een klein meer werd ter zijde zichtbaar. Rondom dat meer was eene rij van wagens bijeengereden, bij welke ontelbare menschen bezig waren met afladen. Anderen spanden de paarden af en voerden deze terug op den grooten weg.
Als men nader en nader kwam en de voorwerpen duidelijker kon onderscheiden, zag men, dat de in Moskou buit gemaakte tropeeën, die als teeken der overwinning bestemd waren, om door de bewoners van Parijs bewonderd te worden, hier in het meer bedolven werden. Prachtige sieraden van erts, aan die oude trotsche paleizen der grijze czarenstad ontrukt, vreemde kanonnen, welke Rusland in zijne oorlogen met het oosten veroverd had, eindelijk zelfs dat schitterende kruis van den heiligen Iwan werden hier in de moerassige diepten van den troebelen vloed begraven.
Alzoo bleef het heiligdom toch op zijn vaderlandschen bodem! De proef om het weg te rukken was niet gelukt. De beschermende goden en heiligen van het land hadden het niet verlaten; ja, met smaad moest de vijand het bezit opgeven en bekennen: gij waart machtiger dan ik in mijn overmoed.
Met siddering zag Jaromir het reusachtige gouden kruis in de golven nederzinken. Hij dacht aan de zonderlinge voorvallen, welke hij bij het afnemen te Moskou beleefd had. Hadden die duistere voorteekens gelogen of profeteerden zij waarheid. Beginnen de vloeken en verwenschingen, welke het volk over de schennis van zijne heiligdommen luide had uitgestooten, hunne vervulling te genaken? Zal het vrijwillig opgeven van den buit den toorn der beleedigde huisgoden van dit land verzoenen?
Gelooft gij dat deze zoen toereikend is? Ziet gij niet, hoe vertoornd de zwarte golf opstijgt, nadat zij het gouden heiligdom in haar schoot verborgen heeft? Zij ruischt en kookt als van geheime machten bewogen, en in haar doffer slaan tegen den oever klinken murmelende tooverwoorden! Waanzinnigen, hebt gij met de heilige teekens dan ook de vloeken van u geworpen, welke de heiligschennende roof tegen u opriep? Deze zijn niet mede verzonken in de diepten dezer wateren, maar zij zullen weder opstijgen als uit een kokenden tooverketel en u als gevleugelde harpijen met giftigen adem vervolgen. Ziet gij niet hoe de zware, doffe mist uit dezen modderpoel opwalmt, waarin gij het heilige kleinood hebt doen zinken? Opstijgen zal hij tot den hoogen, helderen hemel en zich tot een schrikkelijk onweer saampakken, om zich boven uwe hoofden te ontlasten. Reeds verduistert de zon! Ziet wel toe! Gij ziet haar niet weder, zooverre Ruslands volkeren voor het beeld van den heiligen Iwan knielen. Verborgen zal u haar zuiver aanschijn blijven, totdat de laatste van ulieden uit deze grenspalen verjaagd is, indien er één van u ze levend bereikt, om het verderf der overigen te huiste verkondigen! Want vervolgen zal u de hand des Almachtigen, zoolang gij op dezen bodem wandelt, welken gij met heiligschennende voeten betraadt, waar gij met roovershanden ingebroken zijt in het heiligdom des geloofs, des vaderlands, des huisgezins! Daarom ontsluiert zich het oog des heelals donker, vreeselijk! Bloedig rood slechts zal het u nog tegengloeien door de grauwe nevels, met welke de hemel zich thans dreigend bedekt.
Nu rust het kruis van Iwan weder op zijn vaderlandschen bodem! Ontrukt is het aan de schendende handen der verwatenen! Thans zal het zijne oude beschermende kracht openbaren, en de volken van dat onmetelijke rijk om zich heen verzamelen. Zij stroomen aan van de oevers van den Don en de Wolga, uit de wouden van het Uralgebergte, uit de steppen van Azië, de sneeuwwoestijnen van de pool, van de oevers der Witte en der Zwarte Zee. In duizend drachten en tongvallen, gewapend met zwaard en lans, met knods of met pijl en boog stroomen zij nader. Geen wapen, dat niet tot uwe verdelging wordt opgeheven, geene taal waarin de volken niet wraak over u roepen. Wee, wee u! Het uur des noodlots heeft geslagen. Gelukkig moogt gij ze noemen, die gevallen zijn, eer zij dezen dag behoefden te zien.
Een ruwe, snerpende wind verhief zich tegen den avond. Hoe dicht zich de vermoeide krijgslieden ook om de vuren legerden, doch verkleumden hun bijna de ledematen daar, waar zij niet naar de vlam waren toegekeerd. Met verlangen werd naar het morgenrood, als het einde dezer kwelling, uitgezien. Eindelijk klonk het geluid der trommels en trompetten tot opbreken. Doch juist thans eerst had de slaap aangevangen, de overmacht op koude en honger te verkrijgen, en nu moesten de door marschen en honger oververmoeiden zich met geweld oprichten. Velen waren zelfs door sterk schudden en roepen niet in beweging te brengen, zoo verlamden koude en vermoeidheid hun de leden. Als zij eindelijk op hunne voeten stonden, wankelden zij met weigerende knieën eenige treden voort, doch vielen bij de geringste oneffenheid van den grond tuimelend, als verdoofd, weer neder.—Rasinski trad op eene hoogte, van waar hij zijne wachtvuren overzag. „Hier heen, kameraden,” riep hij met vaste stem, „hier heen, verzamelt u om mij, op, op, te paard!” Hem zelf deed de nachtvorst ook nog bibberen, doch, om den moed zijner manschappen aan te wakkeren, bedwong hij met vaste wilskracht de vermoeide natuur.
Zoodra de plaats tot aantreden door vele aangekomenen genoegzaam was aangeduid, ging hij bij de wachtvuren rond, waar eenige talmers en zwakken nog achterbleven, en sprak hun moed in. „Houdt moed, mijne jongens! De nacht was bar, maar de dag zal beter zijn. Wanneer gij maar eerst in beweging zijt, zult gij ook wel weer warm worden. Het ontbijt was schraal, maar ik heb het eerlijk met u gedeeld en gij ziet, ik ben wel te moede. Verliest slechts den moed niet; hij, die het eerst wanhoopt, is het eerst verloren. Wij hebben immers reeds menig boozen dag te zamen doorleefd; waarom laat gij dan heden den moed zakken? Een Pool wanhoopt nooit!”
Zoo hen toesprekend, ging hij door de gelederen; zijn woord, ja zijn blik alleenreeds deed den gezonken moed der manschappen herleven; spoedig zaten allen te paard en begonnen den marsch.
„Het zal van daag laat licht worden,” zeide Bernard tot Lodewijk; „de hemel moet dik met wolken bezet zijn, want er is geen ster te zien.—Hoe is u de nacht bekomen?”
„Het was hard; maar men leert iederen dag meer uitstaan,” antwoordde Lodewijk.
„Ik geloof ook, dat de mensch een plant is, die lichtelijk aan alle luchtstreken gewent. Wij rukken heden, dunkt mij, de koude in; ten minste als ik mijn rug, die van nacht naar de windzijde lag, tot thermometer neem, moeten wij sterk onder het vriespunt gedaald zijn.—Mijn lijf en gezicht daarentegen hebben den ganschen nacht in de verzengde luchtstreek gelegen.”
„Pas toch op uwe oogen, mijn vriend; reeds onlangs hebt gij er over geklaagd,” hernam Lodewijk met goedheid.
„Wat wonder! Ik heb ook nooit gehoord, dat rook van groen hout en de helle schijn van het vuur een conservatief voor de oogappels waren.—Intusschen is het waar, mijne oogen zijn in zeker opzicht mijne schaafbank, mijn ploeg, ja zelfs nog iets beters, de werktuigen namelijk, waarmede ik den honig uit het leven zuig, dat anders, evenals de lindebloesem, die toch na de kruiken uit het dal vanChamounyden besten honig absorbeert, misschien een beetje bitter zou smaken.—Maar zijn uwe oogen u dat ook niet?”
„O zeker,” zeide Lodewijk weemoedig, want hij dacht aan de liefelijke gedaante zijner beminde; „doch voor u is het kleinood toch nog dierbaarder.” Hierbij legde hij zijn vriend de rechterhand op den schouder, liet ze langs zijn arm afglijden en vatte zijne hand, welke hij met innigheid drukte.
„De wind is verduiveld scherp!” riep Bernard wrevelig uit, om zijne aandoening voor den vriend te verbergen.—„Ik ruik zoo iets alsof er sneeuw in de lucht steekt.”
Inderdaad woei er een scherpe, snijdende noordwesten wind hun vlak in het gezicht. Na een uur had hij het gelaat reeds tot smartens toe koud gemaakt en nog scheen hij heviger te worden.
Eindelijk brak de dag aan; doch wat hij liet zien, kon het stille, akelige van den nacht slechts vermeerderen. Dichte, zwarte wolken trokken langs den hemel en schenen met ieder oogenblik lager te drijven. De nevel streek reeds over de dennenbosschen, die langs den heirweg zich uitstrekten, ja raakte reeds de toppen der hoogste boomen aan. Al lager en lager daalde zij neder.
„Er is hoop, dat wij een helderen dag krijgen,” zeide Lodewijk tot Rasinski.
„O ja,” zeide deze ras en stellig, maar hij geloofde het tegendeel, daar hij het onderscheid tusschen een duitschen en russischen winter kende.
De dampen vielen niet in droppels ter aarde; zij zonken niet voor de opstijgende zon neder, om een helderen dag voort te brengen, maar zij werden dichter en dichter en zweefden, langzaam in het rond dwarrelend, in de lucht. Eenigen tijd werd het geheel windstil; doch in deze weinige oogenblikken nam de koude aanmerkelijk toe, en daarop verhief de wind zich weder met nieuwe kracht en streek met ijskoude vleugelen over hen heen. Plotseling scheen het, alsof de zwevende dampen verdwenen en in een dichten rijm nedervielen. Uit hoogere luchtgewelven vielen enkele sneeuwvlokken neder, en eer men nog tijd had gehad, zich over deze snelle, zeldzame verandering te verwonderen, scheen de geheele dampkring in sneeuwvlokken opgelost, die door den wind gedreven, dwarrelend en jagend de geheele atmospheer vervulden.
Met ontzetting zag de soldaat zich plotseling door den winter overvallen. Als had hij arglistig eene hinderlaag gelegd, zoo stoof deze van alle zijden nader en wierp het onmetelijke net over zijn buit heen. De sneeuw viel zoo dicht en scherp, dat men ze op de wang als het ware voelde steken, tot deze in verkleumende verstijving gevoelloos werd. Met stommen schrik togen de scharen der krijgslieden voort. Het vaste land scheen in weinige oogenblikken in eene beweginglooze, ongebaande en onbegrensde zee veranderd. Hoe zou zich een uitweg uit deze woestenij opdoen, waar men geene zon, geen afgelegen bergtop of toren ontdekken, geen weg voor zijne voeten zien kon? De krijgslieden, die sinds twintig jaren van de piramiden van Egypte en de woestijnen van Syrië tot aan den mond van den Taag, van de gebergten van Calabriëtotaan de golvende Belt, van de Pyreneeën tot aan den voet van het Uralgebergte over de aarde waren getogen en overal het gevaar een trotseerenden blik hadden getoond, gevoelden thans voor de eerste maal het koude spook der ontzetting in hunne borst en staarden met een vreesachtig voorgevoel naar omhoog, in den dwarrelenden baaierd boven hunne hoofden, van waar de vlokkige wolken uit onafzienbare hoogte als een zwartachtige zwerm insecten nederstoven. Het met sneeuw bedekte en met geheimzinnige snelheid geweven lijkkleed overtoog de geheele oppervlakte in het rond, en wat het aanraakte scheen de dood voor eeuwig te verstijven.
Gelijk een zich steeds vernieuwend tooverweefsel breidde het zich voor de voeten uit en wikkelde iederen tred in de arglistige strikken zijner fijne draden. Geen ijzeren, onverbreekbare boeien legde het om den voet, maar het putte, door de duizendmaal herhaalde poging om den lichten band te verbreken, de krachten uit. De foltering was langzaam, maar het offer zeker; het stortte niet neder onder een verpletterenden knodsslag, maar zonk langzamerhand onder een last ineen, die, van seconde, slechts bij atomen aangroeiende, eindelijk toch de maat van iedere kracht overtrof.
Bernard trachtte den stommen schrik, dien hij in zijn eigen boezem ondervond en op het gelaat van al zijne kameraden las, weg te schertsen. „Ik wenschte wel, dat het sprookje in Herodotus waar was,” zeide hij, „dat inScythiëzich de lucht dikwijls door neervallende vederen zoo verdikt, dat een ruiter de ooren van zijn paard niet meer zien kan. Het ware niet kwaad voor het bivak, wanneer wij het eiderdons gereed vonden, om ons een warm nest te bezorgen.”
Rasinski, die ernstig bleef, maar in zijne trekken de vaste, moedige houding niet verloor, verheugde zich, dat Bernard hem in zijne poging, om eene rustige stemming onder het volk te houden, te gemoet kwam. „Hebben de ouden dat waarlijk geloofd?” vroeg hij glimlachend.
„Herodotus?” hernam Bernard, „niet zoo geheel en al, ten minste was de oude stroosnijder de waarheid wel wat op het spoor. Hij vermoedt, dat het wel sneeuw zou zijn, waarvan de Thraciërs vertelden, want hij had het ook eens zien sneeuwen.”
„Eenmaal! Die gelukkige Ioniër!” riep Lodewijk bijna onwillekeurig uit.
„Het is mij toch zoo aangenamer,” zeide Rasinski opzettelijk luid; „ik zou slechte soldaten hebben, wanneer het eiderdons sneeuwde. Dat zoude onsCapuazijn. Met de soldaten die zich door de sneeuw der Alpen eene baan gebroken hadden, sloeg Hannibal de Romeinen van denTicinustot aanCannae.”
„Nu,Capuahebben wij vooreerst nog niet te vreezen,” liet Bernard zich ontvallen; „het ziet er hier naar geen oranjeboschjes uit.”
De sneeuwmassa werd ondertusschen met iedere minuut dichter. Niet tevreden metdie hij uit de wolken nederschudde, joeg de storm haar ook van den grond op en sloeg ze zoo den soldaten in het gezicht. Van alle vlakten en hoogten dreef hij de dwarrelende kolommen aan en vulde de groeven en lage plaatsen, door welke de weg heen liep.
„Men zou toch denken, dat zoovele duizenden zich spoedig eene vaste baan moesten maken,” zeide Lodewijk; „doch hier vinden wij vóór ons geen spoor en achter ons laten wij er geen terug, zoo snel verwaait de storm het en verdwijnt het onder de altijd vallende sneeuw.”
De trein stopte. Eerst dacht Rasinski, dat het slechts een oponthoud van eenige minuten zouden zijn, zooals dit bij lange marschcolonnes dikwijls voorvalt. Doch spoedig bemerkte hij, dat er een ernstiger hinderpaal moest zijn, want de stilstand duurde al langer. Een adjudant kwam eindelijk op zijn afgemat paard met moeite door de sneeuw galoppeeren en sprak Rasinski aan: „Overste! ik breng u de order, dadelijk de helft uwer paarden uit te leveren, om ze voor het geschut te spannen. Het kan niet meer voorwaarts in de diepe sneeuw. Voor ons ligt een holle weg waar de storm haar ter manshoogte opeen gewaaid heeft. De sappeurs moeten ons eerst baan maken.”
„De cavalerie moet afzitten?” vroeg Rasinski met verwondering, ja verbazing.
„Het is eene harde noodzakelijkheid, maar de order gaat over alle regimenten. Zelfs de garde moet afzitten en te voet gaan. Zadel en gepak blijven op de paarden; de manschappen kunnen hen geleiden.”
Rasinski begreep, dat hij niet weigeren mocht, doch het koste hem een zware strijd, zijne manschappen, zoo ongewoon aan het gaan, van hunne paarden te berooven. Echter liet hij van deze gevoelens niets merken en behandelde dit geval, als alle andere, met ernst, maar als iets zeer gewoons. Zonder dralen kommandeerde hij: „Eerste en tweede escadron met sectiën rechts zwenkt! Marsch!” en liet hen ter zijde van het regiment uit nevens den weg rijden. Thans zwenkten zij met halve sectiën in colonne en volgden onder Rasinski's aanvoering den vooruit rijdenden adjudant. Zij moesten hunne paarden twaalf aan twaalf voor de kanonnen der naaste batterij spannen, wat trouwens in den nood slechts met touwen en slechte borstzeelen kon geschieden. De manschappen gingen er te voet naast. „Gij doet heden het werk, morgen zullen uwe kameraden het doen,”zeide Rasinski. Bernard en Lodewijk behoorden tot het eerste escadron; zij zouden dus hunne paarden ook moeten gegeven hebben; doch daar Rasinski hen voor zijn ordonnancedienst bestemd had, behielden zij ze. Beiden echter gevoelden, dat de tijd, waarin eene uitzondering mogelijk en geoorloofd was, voorbij was. Het strenge gebod van den nood, die allen gelijk maakt, was begonnen te heerschen. Nog eenige zulke dagen, en er zouden nog slechts kameraden, geene officieren en soldaten meer zijn. Zij reden daarom op Rasinski toe en verzochten hem in het lot hunner kameraden te mogen deelen.
„O, wanneer ik het u besparen kon,” zeide deze. „Doch morgenmoetgij doen, wat gij hedenwilt; daarom hebt gij gelijk.”
Zij reden daarop ook naar het hoofd der colonne en meldden zich bij den artillerie-officier, die de paarden voor een houwitser liet spannen, wiens ellendig, hoogst vermoeid voorspan de hulp het meest behoefde.
Op deze wijze werd het mogelijk, de artillerie vooruit te brengen; maar toch nog met de grootste moeite, want de raderen zonken tot aan de assen in de sneeuw, die ineene taaie massa veranderd was, daar zij zich met het zand van den grond vermengd had en zich nu vast pakte. Zweepslagen en vloeken klonken door de lucht. Voor menig stuk zag men twintig, ja dertig paarden, en toch moest de kracht der menschen de vermoeide dieren nog te hulp komen.
Zeer langzaam rukte de zwaar bewegelijke massa voorwaarts. Niet alleen aan de artillerie lag het, maar menschen en paarden geraakten in de immer dieper wordende sneeuw evenzeer uitgeput. Na weinige uren was de grootste afmatting reeds daar. De orde in de regimenten verdween, naarmate de manschappen met uitgeputte krachten achterbleven. Spoedig marcheerden velen niet meer op den weg, deels wijl men dien in de sneeuwjacht verloor, deels wijl ieder trachtte een beter pad te vinden. Zoo dikwijls zich daarom eene hoogere plaats opdeed, waar de storm het veld van sneeuw gereinigd had, drongen de massa's daarop aan, om ten minste eenigen tijd eene kleine verlichting te hebben. Doch door velen werd deze schrikkelijk geboet. Want achter de hoogten volgden dikwijls diepe aardkloven of ten minste steile hellingen, die, door de sneeuw bedriegelijk gevuld, met den effen grond gelijk schenen te zijn. De krijgslieden stortten plotseling tot aan den buik, tot aan de schouders daarin; anderen volgden, wijl het koude stuiven der vlokken henverblindde, onwillekeurig na en stortten over hunne kameraden heen of drukten hen nog dieper in hun koud graf ter neder. Zoo zag men dikwijls drie, vier menschen plotseling over elkander heen vallen en in de sneeuw verdwijnen. Weinigen werkten er zich uit op; de meesten begaven de krachten; het geweer of het wapen, waarmede zij zich wilden helpen, ontzonk aan hunne verstijfde handen; zij wilden eenige oogenblikken rusten, om adem te halen. Dan verlamde de koude hunne leden, zij riepen wel met stervende stem om hulp, maar niemand hoorde hen in het geloei van den storm, of de eigene ellende der meesten was reeds zóó hoog gestegen, dat zij, als bij eene schipbreuk, slechts om hun eigen behoud dachten. De eerste offers, die op deze wijze vielen, vervulden de ziel met pijnlijken weemoed; maar toen het aantal vermeerderde, toen dit bij de invallende duisternis tot honderden, tot duizenden steeg, toen verstompte de scherpe smart en slechts nog een medelijdende blik trof hen, die in de koude en gruwelijke omarming verstijfden en te vergeefs de handen om hulp uitstrekten. Stervend wendde zich hun blik naar het vaderland, naar hun voorbijtrekkende kameraden; nog een zachte zucht ontglipte hunne borst, dan dekte de nacht hunne oogleden en hun lijden was voorbij.—Anderen zonken van afmatting en verstijving ter aarde, ook zonder in die bedriegelijke kuilen te storten. Een licht omhulsel werd hun graf, de voortdurend vallende sneeuw bedekte hen met haar lijkkleed. In het begin duidde nog eene lichte ophooging de plaats aan, waar de doode lag, doch spoedig herstelde zich de eenvormige woestijn en ieder spoor van zijn aanwezen was verdwenen.
Thans werd het volkomen nacht; doch geen lichtende ster verhelderde dien, slechts duisterder nog omhulde zich de hemel en stortte voortdurend het ijskoude verderf over de aarde uit. De storm verhief zich ruwer, kouder. Het oog onderscheidde nauwelijks nog het pad voor de naaste voetstappen; wie zich ter zijde begaf, wie terug bleef, verdween in de diepte van den nacht; struikelde zijn voet, zoo verzwolg hem de onafzienbare sneeuwwoestijn. Geen vriend, geen kameraad roept hem een afscheidsgroet toe; geene hand strekt zich naar hem uit. Vergeefs haakt de stervende borst naar zijne gelieven, naar zijn vaderland. Niet om ze gelukkig te bereiken, want tot deze stoute hoop heeft het hart geene kracht meer; slechts een laatsten liefdegroetmocht hij zoo gaarne ontvangen, slechts niet zoo vreeselijk alleen in de akelige omarming des doods verstijven!
Te vergeefs! Uw brekend oog staart vruchteloos naar den hemel, het krampachtig beven uwer stervende borst roert hem niet meer! Doof is hij voor het jammeren der vertwijfeling, doof voor het smeeken van den doodsangst. Vloeken en gebeden kaatsten even machteloos van zijn ijzeren gewelf terug. De poorten der genade zijn gesloten; het gigantische rad der vergelding rolt verpletterend over de aarde.