HOOFDSTUK IX.Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouwHolderwaren tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen; alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend geweld.Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar opzien; zij ontwaardeSt. Luces, die recht op haar toetrad.Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met rassche schreden en sprak haar aan.„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig verwijderd hebben.”St. Lucesloog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de kunstig gehuichelde droefheid opzijn gelaat. Reeds sinds drie dragen bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid, om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag, zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen, ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen verzekeren. Uit dien hoofde stondBeaucaire's hebzuchtige regelrecht op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.St. Luceswilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende, dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.Beaucairehad hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets gelegen.St. Lucesmeer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn.BeaucaireenSt. Luceshielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen, deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten nutte te maken.Beaucairedeed onvermoeide nasporingen, om het verblijf van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos verspild, wijl Maria'sbrief reeds lang door de gravin was verzonden, die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven, om hem daar op de post te doen. Van het opzet vanSt. Luces, die hem met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte, vermoeddeBeaucaireniet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.Het was thans de eerste maal, datSt. LucesMaria alleen vond. Op zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”Maria rilde; daar zij wist, welken invloedSt. Lucesop het lot haars broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde eenzaamheid opzoekt.”St. Lucesverstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”Hij zweeg; ook Maria deed zulks.„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt terugkeeren,” begonSt. Lucesopnieuw.„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd, groette en ging.Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde zijne schreden opnieuw achter zich.„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op. Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert, dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde, „dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben.... dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik niet doen.... wees op uwe hoede!”Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen. Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”St. Lucesstond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te trekken.Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de verrassing ware hetSt. Luceswellicht gelukt, haar vertrouwen te winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd, van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij Benno's natuurlijk medelijden metSt. Luces'geveinsde deelneming, de heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en wilde zich verwijderen.„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riepSt. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij: „Voorzeker, wij willen u geleiden.”Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar op zijde trad; opSt. Lucestrekken werd de vroeger reeds met moeite verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het voorbijgaan: „Bonsoir Monsieur deSt. Luces!” Deze zag verrast op; het wasBeaucaire.Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin koesterde denzelfden argwaan tegenSt. Lucesen vermeerderde dien nog door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich, naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift aan de huisdeur werdgebeld. De bediende bracht een brief boven, dien een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende en vond slechts een blad met de woorden:„Wacht u voor den heerSt. Luces!Uw Vriend.”Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen, en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!HOOFDSTUK X.Maria had nog slechts inTeplitzwillen vertoeven, totdat hare moeder was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had. Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag met verlangen te gemoet.Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde de afreis op den volgenden morgen.Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht, gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist naar de reden vernemen, toen Bennoop haar toetrad en verhaalde, dat men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte, schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te verzegelen.Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, datSt. Lucesvan alles onderricht en zijne waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle zijden?Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens eigen.„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van alle en kost maar drie stuivers!”Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar, zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren. Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met klokslag van negen uuralleenin den slottuin aan de oude linde komt. Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt. Ten tweede male waarschuwt men u voorSt. Luces.”Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken? Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer boosaardige list hem wilde verderven?Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen. En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, bliktuit gindsche zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u wil ik mij toevertrouwen.Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer, verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid. Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht nog meer verdienen?”„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan den tuinmuur.”„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken ophouden en naar huis gaan zou.”„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige geldstukken.De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb leeren kennen, toen ik als bediende met vorstClaryin Napels was. Doch vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met wien gij te doen hebt.”„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak: „Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne uitnoodiging te voldoen.”Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam; het wasBeaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht gemaakt hebt.”Beaucairescheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.„Gij moogt dus,” gingBeaucairemet spotachtigen nadruk voort, „nog wel iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te houden, om niet machteloos neer te zinken.Beaucairegeleidde haar, terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige schreden verwijderde tuinbank.„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning,„wat ik voor mijn broeder doen kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden, wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” vielBeaucairehaar in de rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen, wellicht van uren afhangt.”Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”Beaucaireknarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden, eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegenBeaucairemoest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen. Met een verruimd hartkwam zij tot de overtuiging, dat door den brief niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen afgrond te vermoeden, waarinBeaucairehaar trachtte neder te storten.„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd en geraakt;„ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb. Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men echter slechts zich zelf vertrouwen.”„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder gij redt, u verraden zal?”„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan kennis der omstandigheden....”„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”„Gij wantrouwt mij dus?” vroegBeaucairegrimmig.Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul, kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen, welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”Beaucairegeraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg, dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af te werpen.„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af te doen.”Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest. Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?”Beaucaireliet haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus eener zuster waard!”„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of ik roep hulp!”„Bedaar, bedaar,” sprakBeaucaire, zonder de zich krachtig verwerende los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en uwe hand.... wilt gij....”„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los. „Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij hulp aan!”„Vrees geen geweld,” stameldeBeaucairemet verstikte woede, „ik ben geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij zich aanBeaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u, maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders, ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprakBeaucairedriftig, maar zacht.Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam gemaakt, nader trad.„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”„Gij zijt waanzinnig,” hervatteBeaucairewoest en reet zich met geweld van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer! De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven; gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te redden.”Beaucairestond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden in de donkere laan.Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad de welmeenende oude op haar toe en vroeg:„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet Maria met waggelende schreden den tuin.
Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouwHolderwaren tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen; alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend geweld.
Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.
Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar opzien; zij ontwaardeSt. Luces, die recht op haar toetrad.
Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met rassche schreden en sprak haar aan.
„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig verwijderd hebben.”
St. Lucesloog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de kunstig gehuichelde droefheid opzijn gelaat. Reeds sinds drie dragen bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid, om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag, zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen, ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen verzekeren. Uit dien hoofde stondBeaucaire's hebzuchtige regelrecht op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.
St. Luceswilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende, dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.
Beaucairehad hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets gelegen.
St. Lucesmeer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn.BeaucaireenSt. Luceshielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen, deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten nutte te maken.Beaucairedeed onvermoeide nasporingen, om het verblijf van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos verspild, wijl Maria'sbrief reeds lang door de gravin was verzonden, die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven, om hem daar op de post te doen. Van het opzet vanSt. Luces, die hem met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte, vermoeddeBeaucaireniet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.
Het was thans de eerste maal, datSt. LucesMaria alleen vond. Op zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”
Maria rilde; daar zij wist, welken invloedSt. Lucesop het lot haars broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.
„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde eenzaamheid opzoekt.”
St. Lucesverstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”
Hij zweeg; ook Maria deed zulks.
„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt terugkeeren,” begonSt. Lucesopnieuw.
„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd, groette en ging.
Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde zijne schreden opnieuw achter zich.
„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op. Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert, dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde, „dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben.... dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik niet doen.... wees op uwe hoede!”
Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen. Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”
St. Lucesstond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te trekken.
Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de verrassing ware hetSt. Luceswellicht gelukt, haar vertrouwen te winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.
Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd, van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij Benno's natuurlijk medelijden metSt. Luces'geveinsde deelneming, de heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.
„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en wilde zich verwijderen.
„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riepSt. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij: „Voorzeker, wij willen u geleiden.”
Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar op zijde trad; opSt. Lucestrekken werd de vroeger reeds met moeite verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.
Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het voorbijgaan: „Bonsoir Monsieur deSt. Luces!” Deze zag verrast op; het wasBeaucaire.
Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin koesterde denzelfden argwaan tegenSt. Lucesen vermeerderde dien nog door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.
De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich, naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift aan de huisdeur werdgebeld. De bediende bracht een brief boven, dien een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende en vond slechts een blad met de woorden:
„Wacht u voor den heerSt. Luces!Uw Vriend.”
„Wacht u voor den heerSt. Luces!
Uw Vriend.”
Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?
Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen, en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!
Maria had nog slechts inTeplitzwillen vertoeven, totdat hare moeder was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had. Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag met verlangen te gemoet.
Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.
Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde de afreis op den volgenden morgen.
Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht, gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.
Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist naar de reden vernemen, toen Bennoop haar toetrad en verhaalde, dat men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte, schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te verzegelen.
Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs waarschijnlijk, datSt. Lucesvan alles onderricht en zijne waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle zijden?
Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens eigen.
„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van alle en kost maar drie stuivers!”
Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”
Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.
Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar, zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren. Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met klokslag van negen uuralleenin den slottuin aan de oude linde komt. Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt. Ten tweede male waarschuwt men u voorSt. Luces.”
Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken? Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer boosaardige list hem wilde verderven?
Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen. En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, bliktuit gindsche zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u wil ik mij toevertrouwen.
Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.
De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer, verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.
Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid. Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht nog meer verdienen?”
„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”
„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan den tuinmuur.”
„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.
„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.
„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken ophouden en naar huis gaan zou.”
„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige geldstukken.
De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb leeren kennen, toen ik als bediende met vorstClaryin Napels was. Doch vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met wien gij te doen hebt.”
„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”
Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak: „Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne uitnoodiging te voldoen.”
Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam; het wasBeaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.
„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht gemaakt hebt.”
Beaucairescheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”
Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.
„Gij moogt dus,” gingBeaucairemet spotachtigen nadruk voort, „nog wel iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”
Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te houden, om niet machteloos neer te zinken.Beaucairegeleidde haar, terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige schreden verwijderde tuinbank.
„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning,„wat ik voor mijn broeder doen kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden, wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”
„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” vielBeaucairehaar in de rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen, wellicht van uren afhangt.”
Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”
Beaucaireknarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden, eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegenBeaucairemoest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen. Met een verruimd hartkwam zij tot de overtuiging, dat door den brief niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen afgrond te vermoeden, waarinBeaucairehaar trachtte neder te storten.
„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd en geraakt;„ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb. Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men echter slechts zich zelf vertrouwen.”
„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder gij redt, u verraden zal?”
„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan kennis der omstandigheden....”
„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”
„Gij wantrouwt mij dus?” vroegBeaucairegrimmig.
Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul, kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen, welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”
Beaucairegeraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg, dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af te werpen.
„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af te doen.”
Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest. Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?”Beaucaireliet haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus eener zuster waard!”
„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of ik roep hulp!”
„Bedaar, bedaar,” sprakBeaucaire, zonder de zich krachtig verwerende los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en uwe hand.... wilt gij....”
„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los. „Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij hulp aan!”
„Vrees geen geweld,” stameldeBeaucairemet verstikte woede, „ik ben geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”
Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij zich aanBeaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u, maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders, ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”
„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprakBeaucairedriftig, maar zacht.
Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam gemaakt, nader trad.
„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”
„Gij zijt waanzinnig,” hervatteBeaucairewoest en reet zich met geweld van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”
„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer! De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven; gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te redden.”
Beaucairestond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden in de donkere laan.
Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad de welmeenende oude op haar toe en vroeg:
„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”
„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”
„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet Maria met waggelende schreden den tuin.