Zoo traden zij de gezelschapszaal binnen; geen woord verried het geluk, maar het verwijlde toch in den stillen vredigen kring en lachte uit aller blikken.HOOFDSTUK VI.Zoo snelden eenige dagen vrij gelijkvormig voorbij.AlisetteenRegnard, zelden anderen, waren de gasten, die den kring der familie, van welke Bernard en Lodewijk zich thans als leden begonnen te beschouwen, vergrootten.Regnardbracht steeds berichten aangaande de krijgsgebeurtenissen, het oprukken van troepen en soortgelijk nieuws mede en hield de kleine, vertrouwelijke vereeniging daardoor eenigermate met de buitenwereld in betrekking. Zijn scherpziend oog had Jaromirs neiging voor Lodoiska en de beantwoording van deze spoedig ontdekt, niettegenstaande het jonge paar ze zorgvuldig trachtte te verbergen; vandaar verdween de lichte vlaag van jaloerschheid, welkeAlisettebij hem had doen oprijzen, weder geheel en al, en niets stoorde verder het vroolijk verkeer. De zangeres was sedert twee dagen weggebleven, daar de opera, die men den volgenden avond zoude geven, haar geheel bezig hield; de overste, die eene halve proefvoorstelling had bijgewoond, prees die zeer, maar had den titel vergeten. „Ik was recht verdrietig,” zeide hij, „dat ik niet tot het einde toe kon blijven, maar ik werd door een lastig voorval gestoord. Mijn adjudant meldde mij, dat men met zekerheid ontdekt heeft, dat een russisch generaal, die met geheime, staatkundige opdrachten in Frankrijk geweest en van daar ontvlucht is, zich in de stad verborgen houdt en het voornemen heeft, dezen nacht zijne vlucht voort te zetten. Daar mijn regiment juist de poortwachten heeft, moest ik weg om voor de verdubbeling der posten te zorgen.”„En wie moet de vluchteling zijn?” vroeg de gravin.„Dat weten wij niet,” hervatteRegnard. „Eenigen beweren de generaal Cz...., die inderdaad te Parijs in eene menigte verbintenissen gewikkeld is geweest, op last van Napoleon in hechtenis moest genomen worden, maar tijdig gewaarschuwd, Straatsburg achter den rug had, eer de telegraaf het bevel kon overbrengen. Het is bijna onmogelijk, dat hij zich zoo lang op vijandelijk grondgebied heeft schuil gehouden. Anderen willenweten, dat het de graafWinzingerodeis, een Duitscher in russischen dienst; dit luidt waarschijnlijker. Maar men noemt nog andere mannen, en bij slot van rekening weet niemand iets met zekerheid.”De overste sprak nog, toen een ordonnans binnentrad en aan Jaromir een verzegelden brief overhandigde. „Waarachtig, in dezelfde zaak,” riep deze na gelezen te hebben; „ik krijg bevel, de wijk, waarin onze stallen liggen, en vooral de uitgangen naar denWeichselmet mijne lieden te bezetten.”„Ja, ja, de zaak schijnt ernstig te worden behandeld,” merkte de overste aan. „Ik werd van het gezang der schooneFrançoiseverstoken, gij zult u de opoffering van uw maaltijd moeten getroosten! Dat zijn soldatenkansen!”„Zij zijn te verdragen,” antwoordde Jaromir glimlachend; „slechts is het verdrietig, dat ik ook onze vrienden van hun avond en misschien wel van den nacht moet berooven; het ontbreekt mij nog aan welberaden mannen en ik moet toch, daar de dienst des daags zoo vermoeiend is, op ten minste drie aflossingen rekenen. Ik kan u dus niet verschoonen, lieve vrienden; gij zult heden uwe eerste wacht moeten betrekken!”„Op staanden voet gekommandeerd!” riep Bernard vroolijk, „in 's hemels naam. Als het wild bij mij opspringt, zal ik het niet laten ontsnappen.”Er was geen tijd te verliezen; men nam afscheid van de dames en den overste, gespte de sabels om en ging. Jaromir liet zijne trompetters verzameling blazen, bepaalde de uit te zetten posten, deelde zijne manschappen af en beval den afmarsch.Bernard werd aan het verst verwijderd einde der gansche wijk geplaatst. De weg derwaarts liep door eene stille straat tusschen twee steile muren, waarvan de eene den tuin van een klooster begrensde. Een dwarssteegje doorsneed ze en voerde afwaarts naar denWeichsel. Tweehonderd schreden van dit punt stond de naaste schildwacht; verder op geene meer, wijl zich daar geene uitgangen naar den stroom bevonden. Jaromir zelf had de posten opgebracht.„Gij staat hier tamelijk afgezonderd,” zeide hij, toen Bernard de sabel getrokken en zich in de houding gesteld had; „ik zou de post verdubbelen, wanneer ik meer volk had. Juist daarom gaf ik u deze plaats, wijl hier omzichtigheid noodig zal zijn; ook is het goed dat gij fransch spreekt, want onze Polen kunnen zich bezwaarlijk aan de vele fransche soldaten doen verstaan. Binnen twee uren zal Lodewijk u hier aflossen.”„Mijnentwege laat mij den ganschen nacht hier,” hervatte Bernard; „het is zwoel en warm, vermoedelijk krijgen wij een verkwikkenden regen. En wat de eenzaamheid betreft, wees daarover niet bezorgd; ik weet mij den tijd te verdrijven en heb niemand noodig om mij wakker te houden.”„Wanneer u iets bijzonders mocht ontmoeten, schiet dan uw pistool af en gij zult dadelijk hulp van den naasten post bekomen.”„Wees onbezorgd; de schildwacht heeft geen tweeden voor zich zelf noodig; ik zal mij weten te redden.”Jaromir ging, Bernard bleef alleen. De hemel werd dicht bewolkt; middernacht was nabij; een fijne warme stofregen vermeerderde de duisternis.De gevelspitsen en torentjes van het oude klooster, welks omtrekken Bernard tot hiertoe als zwarte schaduwbeelden op den nachtelijken hemel had afgeteekend gezien, verloren zich thans in onmiskenbare vormen. Slechts een mat lamplicht schemerde uit eenige kleine vensters. Het was doodstil. Slechts nu en dan hoorde men in de verte een nachtegaal slaan en het zachte ruischen van den voorbijvlietenden stroom.„Het is goed, dat ik een paar scherpe oogen heb,” mompelde Bernard, „want hier dient men ze waarachtig open te zetten, wil men iemand zien, die voorbijsluipt. Ik zal verstandig doen met mijne sabel van tijd tot tijd als een voelhoren vooruit te steken en, als bij 't blindeman, met uitgestrekte armen rond te tasten. Ha, nu wordt het helderder; zij hangen eene lantaarn uit daar boven in 't klooster; die komt mij goed te pas.”Inderdaad werd in een der bovenste vensters eene lamp zichtbaar, waarmede iemand naar buiten scheen te lichten; het schijnsel bewoog zich eenige malen heen en weder, vervolgens verdween het.„Nu is 't eerst recht duister geworden; dat verwenschte licht heeft mij geheel verblind. Wilde hier iemand ontsnappen, hij zou verstandig doen, eene londensche straatlantaarn onder den arm te nemen, de schildwacht daarmee eerst eens fiksch onder de oogen te lichten, ze hem vervolgens naar den kop te gooien en dan naar de maan te loopen! Maar halt! wat was dat?—Heeft het gebliksemd? Al weer!”Een zeer mat, flikkerend schijnsel, als van een verwijderden bliksem verlichtte van de stroomzijde het dichte duister. De enge straat belemmerde het uitzicht daarop, doch eensklaps zag Bernard kleine vonken vliegen en ontdekte dat iemand op de rivier, naar het scheen na aan den oever, vuur sloeg.Zijn vlugge geest bracht deze verschijning dadelijk met het licht in het klooster in verband. Zou men elkander hier seinen? dacht hij. Holla, vriend! de oogen in 't zeil! Het zou niet onaardig wezen, als het wild u eens in 't net liep.—Hm! dacht hij verder, ik wil 't niet hopen; mijn plicht vordert, dat ik den vluchteling aanhoud, en wellicht lever ik den Franschman dan een even onschuldig offer in handen, als Lodewijk of ik bijna geweest waren. Ik wou, dat hij een anderen uitweg nam uit zijn schuilhoek!Eensklaps stond hij stil en luisterde. Hij hoorde zachte schreden; neen, het was geen bedrog. Het hoofd voorover gebogen, den adem inhoudende, gaf hij geen geluid. Ras, maar behoedzaam kwam het nader; eenige fluisterende en mompelende tonen lieten zich vernemen. Men naderde, Bernard hield den blanken sabel vaardig en riep in het poolsch: „Werda!”Een oogenblik bleef het stil; vervolgens trad eene mannelijke gestalte met vaste schreden vooruit, eenige woorden mompelende, die Bernard niet verstond. Zij klonken bijna als een vrome groet.„Ik spreek geen poolsch!” zeide hij in die taal, en gaf door eene beweging met zijn sabel te kennen, dat hij niemand mocht doorlaten.„Dus fransch?” vroeg eene welluidende vrouwelijke stem.„Desnoods; doch liever duitsch,” hernam Bernard in het fransch.„Een duitsch soldaat,” riep dezelfde stem, als onwillekeurig, op den toon van blijde verrassing.„Ja, een Duitscher,” hervatte Bernard; „en daar gij deze taal verstaat, zeg ik u hiermede, dat ik niemand mag doorlaten, die niet van een bewijs is voorzien, dat hij zich aan de hoofdwacht gemeld heeft en daar onverdacht is bevonden.”„O mijn God!” hernam het vrouwelijke wezen met eene gesmoorde bevende stem: „wij hebben haast; deze vrome man moet eenen stervende, die aan de overzijde met den dood worstelt, den laatsten troost brengen; daarom hebben wij hem hier uit het klooster gehaald. Gij zult het heilige werk toch niet verhinderen?”Eerst thans zag Bernard, dat de vreemde in monniksdracht gehuld scheen; achterhem stond nog eene vrouwelijke gedaante. Duidelijk liet zich in de diepe duisternis niets onderkennen.„Ik mag van mijne bevelen niet afwijken; is alles waarheid wat gij zegt, ga dan tusschen de muren voort; na twee honderd passen stoot gij op den eersten post en vraagt dezen naar den officier. Hij is in het wachthuis, en zal u zeker door eenige mannen, die zich van de waarheid overtuigen kunnen, laten geleiden, zoodat gij uw vroom werk ongestoord verrichten kunt.”„Twee honderd schreden van hier staat de naaste post?” vroeg de monnik thans met eene stem, die niet meer de vrome zalving van zoo even had.„Tweehonderd.”„Dat is tamelijk ver.”„Ik kan 't niet veranderen.”De vreemde scheen besluiteloos; er heerschte een gespannen stilzwijgen. Eensklaps vertoonde zich weder het helder lichtgeflonker in de richting van den stroom, maar ditmaal zeer in de nabijheid, en tevens kon men het slaan der roeiriemen duidelijk onderscheiden. Bernard werd onthutst en wendde het hoofd naar de rivier: een voorgevoel zeide hem, dat deze verschijning met die vóór hem in het nauwste verband stond. Maar niet zoodra was deze gedachte in zijne ziel opgerezen, of plotselingvoeldehij zich door eene sterke vuist in den nek gegrepen en zag eene dolkspits tegen zijne borst flikkeren. De stoot trof, gleed echter op den breeden riem der sabelkoppel af en schramde slechts de huid. Door een koenen sprong rukte hij zich los, greep de vuist, waarin de aanvaller den dolk hield, met zijne linkerhand krachtig in het gewricht aan en deed met de rechter een forschen sabelhouw naar het hoofd van zijn onbekenden vijand. Deze week terug, ontdook den slag, maar gleed uit en viel op den grond; thans trok Bernard zijn pistool uit den gordel, zette haar den liggende op de borst en riep: „Gij zijt des doods, als gij u beweegt.”Doch op hetzelfde oogenblik wierp de vrouwelijke gestalte zich aan zijne voeten, hief de armen biddende tot hem omhoog en riep met de uitdrukking van den doodelijksten angst:„Erbarmen! Erbarmen! dood hem niet!”Bernard was verbaasd; de stem drong tot het binnenste zijner ziel door. Hij was voornemens geweest, luide om hulp te roepen, doch de aanblik der smeekende, die zijne knie hield vastgekneld, bewees hem, dat hij hier geen gevaar meer te duchten had.„Ikwilgeen wraak nemen,” sprak hij vast en beraden, „maar mijn plicht vordert gestrengheid. Ik moet nu achterdocht voeden; gij zijt mijn gevangene.”„Schiet mij slechts door de borst, jonkman,” sprak de nog ter aarde liggende somber; „uw gevangene te zijn, is mij onverdragelijker dan de dood.”„O, mijn vader!” snikte het jonge meisje en greep zijne hand. „Neen, neen, niet sterven. Hij zal medelijden hebben! Ik wil voor u bidden!” Zij sprong op en wendde zich tot Bernard. „O, uwe spraak verraadt, dat gij tot de beschaafden behoort! Uw hart zal den angst der dochter beseffen. Wij zijn verloren, als gij ons niet laat ontvluchten. Wees grootmoedig, houdt ons niet terug. Ik zou u goud bieden, maar ik durf den man niet beleedigen, van wien ik eene edele daad vorder!”Bernard was met zich zelf in tweestrijd. „Ik vermag niet—houd op! Elk uwer woorden verzwaart de hardheid van mijn plicht. Ik vermoed nu, wie ik voor mij heb!”De onbekende had zich intusschen weder opgericht. „Gij zijt een Duitscher,” sprakhij; „wat u hier ook brengen mag, uwe eerste plichten behooren het vaderland. Ik betuig u, gij schendt ze niet door mij de vlucht te vergunnen.”„Neen, bij den hemel hierboven, dat doet gij niet,” riep het jonge meisje en hief de hand als tot eene bezwering omhoog; „het is geen misdaad, waartoe u mijn smeeken verleiden zal. Nooit, nooit zal uw hart u eenig verwijt behoeven te doen.”In de verte liet zich het kletteren van wapens vernemen; men scheen te komen. Bernard wendde zich verschrikt om.„O hemel!” riep de biddende, „als gij nog eene minuut toeft, is het te laat! Hoor het smeeken der radelooze!”Bernard werd door de hevigste twijfeling geslingerd. Zou hij den eersten plicht der eer, dien zijn stand hem oplegde, schenden? Zou hij wellicht den vriend, die hem hielp redden, in het verderf storten? En toch, zijn eigen noodlot, maar bovenal de hem onbeschrijfelijk diep in het hart dringende stem der smeekende overwon hem. „Vlucht dan,” sprak hij haastig en liet zijne gewapende hand zinken, „maar ik mag, ik wil niet zien waarheen! Weg! weg!”„Dank, dank!” fluisterde de schoone gestalte hem met eene in tranen en vreugde smorende stem toe, greep zijne hand en wilde ze aan haar vochtig gelaat brengen. Bernard verhinderde dit: „Haast u,” zuchtte hij,„om Gods wil, men komt nader!”Toen hij den warmen handdruk der dankbaarheid ontving, bestormde een smartelijk, zalig gevoel zijne borst. Vinden en verliezen in hetzelfde oogenblik! Zou deze wonderbare, groote minuut, die twee zielen in ééne heilige gewaarwording deed samensmelten, spoorloos verdwijnen, als een regendrop die in den oceaan valt? Neen, dat mocht zij niet! Een aandenken, een herkenningsteeken voor toekomstige dagen wilde Bernard ten minste behouden. Daarom trok hij haastig den lichten handschoen van de hand van het belangrijke wezen, om dezen te behouden. Doch terwijl zijne vingers over hare zachte, bevende hand heengleden, voelde hij eensklaps een ring aan de hare. De gedachte, dat deze een teeken kon zijn, waardoor zij zich aan een ander voor eeuwig verbonden had, drong hem ijskoud door de ziel. Alsof hij haar aan de macht van dezen zou ontrukken, wanneer hij het onderpand der trouw roofde, greep hij driftig naar den ring en vorderde dien haar af. „Ik weet niet, wie ik hier ontmoette, ik mag het niet weten,” riep hij omstuimig, terwijl hij de sidderende, die zich juist wilde losrukken, om den reeds naar den oever ijlenden vader in te halen, half vasthield, half geleidde; „laat mij daarom dit aandenken, waardoor we elkander in gelukkiger dagen kunnen wedervinden.”Terwijl hij sprak, trachtte hij haar het kleinood reeds van den vinger te schuiven. Zij bood een oogenblik tegenstand. „Juist dezen ring, ach juist dezen!” zuchtte zij; doch Bernard, vreezende, dat zij zou uitspreken, wat hem in duister voorgevoel beangstigde, viel haar heftig in de rede:„Juist dezen wil ik; voleind niet; juist dezen of niets!” Maar hij had den roof reeds bemachtigd en haar tevens zijn eigen ring met onstuimigheid aan den vinger gedrukt. „De uwe kan u niet dierbaarder zijn dan mij de mijne,” ging hij voort, „ik geef u veel, misschien alles, wat ik te hopen heb. Maar mijn geloof staat vast, dat ik hem eens zal inlossen.”Zijne drift had elke weigering vruchteloos doen zijn, ook wanneer de plicht der dankbaarheid het der onbekende niet onmogelijk gemaakt had, haren redder thans zijne eenige bede, al eischte deze wat haar het dierbaarst was, af te slaan.„Zoo neem hem dan,” fluisterde zij onder het voortsnellen, „maar ik moet hem terug hebben, wanneer de krijg niet meer elken zachteren band tusschen de menschen vaneen scheurt.—Leef dan gelukkig en zij de Algoede steeds met mijn redder!”Bij deze laatste woorden begaf haar de stem; zij wilde hare hand zachtkens uit de zijne losmaken, doch hij hield haar vast en drukte er een gloeienden kus op. Eindelijk reet hij zich met een bloedend hart los en ijlde terug.Nauwelijks had hij zijne standplaats bereikt, of hij hoorde, dat de boot van den oever stiet en met vlugge riemslagen de golven doorkliefde. Hij haalde ruimer adem. „Thans zijn zij gered; het was hoog tijd!” En waarlijk, de aflossing naderde; nog kon hij het ruischen der roeispanen in de verte vernemen, toen ze voor hem stond.„Niets nieuws op uw post?” vroeg de onderofficier; het was Petrowski.„Niets,” sprak Bernard met bedaardheid.„Afgelost!”Lodewijk nam thans de plaats van zijn vriend in; voor Bernard was de dienst van dezen nacht afgeloopen. Haastig snelde deze naar huis; onder het voortspoeden vatte hij het besluit op, om het gansche voorval in zijn hart te begraven en noch aan Lodewijk, noch aan Jaromir het geringste mede te deelen, ten einde hen, bij mogelijke ontdekking, niet misschien ook met de verantwoordelijkheid belast te zien. Hij bereikte zijne kamer; in allerijl ontstak hij eene waskaars, om den ring nauwkeuriger te bezien. „Duivel!” riep hij uit, toen hij dien tegen het licht hield. „Is dat een goochelspel van den satan, of ben ik krankzinnig geworden?” Hij had zijn eigen ring in de hand. „O dwaas, die ik ben!” riep hij uit en drukte zich de vuist gramstorig tegen het voorhoofd; „die plompe, botte vingers hebben de ringen verwisseld. De hersens kon ik mij inslaan en met Frans Moor uitroepen: „Dat was dom, dom!””Driftig stapte hij op en neder. „Ha! ha! ha!—Nu moet ik waarachtig de geschiedenis voor geheel de wereld uitkraaien; ha, zij is te potsierlijk fraai, om verborgen te blijven, als zij niet tevens zoo venijnig boosaardig was! En als zij nu de dwaling bemerkt! In welk hemelsch daglicht van onnoozele belachelijkheid moet de slimme redder voor haar staan. Bernard! Bernard! dat was een meesterstuk. Als die sul van een tooverleerling, staat gij thans voor de gesloten poort en hebt het woord vergeten, waarop zij openspringt.”Hij werd week; tranen drongen in zijn oog. Hij wierp zich op een stoel en leunde met het hoofd op de hand.„Ja, ja, dat gaat zoo,” mompelde hij voor zich zelf, „'t is mij geen nieuws meer; ik heb het immers meermalen ervaren. Het is de Nemesis van 't lot, dat mij, omdat ik het in mijne grimmigheid altijd een grijnslachend masker vertoon, in plaats van een krijtend melkmuilsgezicht, gewoonlijk met gelijke munt betaalt. Hoe vaak, als ik een vriend of eene geliefde aan 't hart dacht te drukken, schoof het mij eene smalle stroopop in de armen! Het doet toch zeer!—Een aandenken aan die schoone minuut had ik toch gaarne gehad.—Het is mij niet om 't weervinden te doen; want duizend tegen een, dat ik haar ooit weer te zien krijg. Wat de nacht met zijn geheimzinnig donker mij tooverachtig schoon deed voorkomen, is wellicht alledaagsch, als de zon er hare gemeene stralen op neer werpt!—En wil ik haar vinden, dan vind ik haar toch zonder den ring of andere nesterijen—maar—een aandenken had ik toch gaarne van haar gehad!”Half treurende, half verdrietig wierp hij zich op zijn leger, om er den slaap niet te vinden.HOOFDSTUK VII.De opera, waarvanRegnardgesproken had, zoude dien avond worden opgevoerd. Noch uit de benaming van het stuk, noch uit de personen, op het aanplakbiljet genoemd, kon Lodewijk opmaken van wien het was, en van den componist had men in het geheel geen melding gemaakt. Hij was dus zeer begeerig de muziek te hooren, te meer, daarFrançoiseaan de gravin verhaald had, dat ze verrukkend schoon was. Te zeven uur reed men naar den schouwburg; de gravin Lodoiska,Regnarden onze drie jonge vrienden waren te zamen in ééne loge. Met welgevallen liet Bernard zijne blikken langs de reeks van schoone vrouwen en meisjes zweven, die den eersten rang der loges versierde. „Waarlijk,” riep hij en stiet Lodewijk aan, „nog nooit zag ik eene zaal met zulk een heerlijken bloemkrans getooid als deze hier. InDrurylane, inKings theatre, inVauxhallvond ik de loges vrij lief bezet; de engelsche vrouwen zijn onweerstaanbaar door haar fijne leest, door haar smaakvolle kleeding, door de zachte maagdelijke uitdrukking van haar groot blauw oog; maar bij Sint Lukas, den patroon aller schilders, ik betuig u, 't zijn alle slechte onechte boheemsche steenen tegen de diamanten van het zuiverste water, die men hier ziet glanzen.”—„Lodoiska is toch nog verreweg de schoonste,” fluisterde Lodewijk, „ofschoon ik moet toestemmen, nog nooit een zoo rijken kring van schoone, vrouwelijke gestalten te hebben gezien.”„De schoonste is zij niet, daarin moogt ge een oud kenner als ik ben vrij gelooven,” merkte Bernard op, „maar zij is de bekoorlijkste, de aanvalligste, de liefelijkste. Als alle schoone borstbeelden in de loges hier tegenover in marmer veranderen, zouden velen van deze ongetwijfeld edeler vormen vertoonen, ja, ik twijfel bijna, of zelfs de gravin haar misschien niet verdonkeren zou. Iets anders zou het zijn, wanneer wij al deze beelden op het doek voor ons hadden, en het tooverachtige spel der kleuren een schitterenden glans over den helderen hemel van het aangezicht wierp. Dan, geef ik u toe, zou Lodoiska de lenteroos, de slanke zachte lelie, het bescheiden viooltje, kortom, al wat bekoorlijk is tevens en de liefelijkste bloesem op dit gansche volle bloembed zijn.”De invallende ouverture brak het gesprek af; Lodewijk werd aan den eersten toon gewaar, dat het geen andere opera dandie Schweizerfamiliewas, die men hooren zoude. Hij glimlachte wel een weinig over de sterke geestdrift, waarmede de overste van het werk gesproken had, maar begreep toch, datAlisettealsEmmeline, die op het biljet den herdersnaam Dorina bekomen had, eene zeer bevallige verschijning moest zijn. En dat was inderdaad zoo. De eerste inleidende tooneelen, trouwens ook niet dan zeer middelmatig voorgesteld, liepen af zonder bijzonderen indruk te verwekken. Maar reeds het eerste optreden vanAlisettemaakte de belangstelling in de hoogste mate gaande. Zij had het karakter zeer eigenaardig opgevat en uit de beperkte vormen en verven van den zwitserschen volksaard in een half denkbeeldig gebied overgedragen, zonder daarom zijne kenschetsende eigendommelijkheid geheel uit het oog te verliezen.In hare kleeding had zij wel is waar eenige aanduidingen van de zwitsersche volksdracht behouden, maar toch hier en daar eene smaakvolle wijziging aangebracht. Het haar droeg zij in vrije lokken, slechts met eenige linten saamgebonden, waarvan een van eene donkere kleur, het heldere, blanke voorhoofd begrensde; hals, boezem en nek waren niet zoo zorgvuldig bedekt als in de werkelijke landdracht, schoon zij het sierlijke, zwarte keurslijfje behouden had. Het kleed daarentegen hing, welvoegelijker dan gewoonlijk, tot ver over de enkels neer; ook was het niet zoo bolvormig, eirond opgevuld, maar deed de gestalte zeer voordeelig uitkomen. Met groote behendigheid wist zij den kleinen voet, die, met sneeuwwitte kousen bekleed en in een eng schoeisel besloten, de sierlijkheid zelve was, te doen opmerken, waardoor haar gang, haar stand en hare bewegingen iets zeer bevalligs erlangden. Zij geleek half een zwitsersch landmeisje, half eene herderin, zooals de idylle ze ons vertoont, en had op deze wijze de vorderingen van het eigenaardige volkskarakter zeer gelukkig met die der volmakende kunst in overeenstemming gebracht. Toen de eerste klanken harer liefelijke stem in zijn oor drongen, kon Lodewijk zich niet genoeg verwonderen, dat dit schijnbaar zoo teeder orgaan in staat was, de gansche ruimte der inderdaad niet kleine zaal in zulk eene mate met welluidende tonen te vervullen. Van het zachtste aanademen der tonen tot het zoete, zielvolle aanzwellen, was de klank in zijne zilveren helderheid overal te vernemen; men ontwaarde nergens eenige leemte, maar van de zachtste tot de hevigste uitdrukking van den hartstocht vond de betooverende kunstenares immer de juiste maat. Daar zij bovendien het gansche lichaam in al zijne bewegingen, tot zelfs het fijnste spel der gebaren en blikken, met de ziel harer tonen vervulde, moest het bekoorlijke beeld, dat zij voorstelde, wel aller harten onweerstaanbaar boeien. Reeds bij het eerste bedrijf versmolt Lodoiska in tranen. Bij de woorden: „Wie hoorde me immer klachten uiten!” waarinAlisetteals ware het den doodsangst der overstelpende vreugde uitdrukte, terwijl haar oog toch een zoo onbeschrijfelijk smartelijken blik ten hemel sloeg, dat men gevoelde, hoe haar hart dreigde te breken onder den last van het overmatig geluk—bij deze woorden bracht het geschokte meisje de hand onwillekeurig aan het hart, als wilde zij het daardoor tot bedaren brengen. Terwijl twee groote tranen in hare oogen opwelden slaakte hare borst een zachten, half gesmoorden zucht; zij was zoozeer door innig mededoogen getroffen, dat zij de smart, welkeAlisettezoo bedriegelijk voorstelde, bijna zelf gevoelde. Of was het eene voorzeggende stem, die zich half verstaanbaar in hare borst liet vernemen? Was het een duister voorgevoel, levendig geworden door de nabijheid van haar, die een verderfelijken invloed op het gesternte van haar leven dreigde uit te oefenen? Zag zij reeds den zwarten kop der adder, die zich nu nog onder geurige rozen schuil hield?Jaromir, wiens frisch, levendig gemoed door elken indruk ras geboeid werd, was geheel oog en oor. Als eene betooverende Armida wistAlisettezijn hart te leiden; Bernard meende inderdaad te bespeuren, dat zij spel en blikken, gelijk reeds op den eersten avond, dikwijls uitsluitend tot den schoonen jongeling richtte. Doch ook hij zelf, wiens vrije blik anders zoo zelden beperkt werd, was thans door de kunst van het meisje te zeer betooverd, om zijne waarnemingen met de vereischte koele bedaardheid te kunnen voortzetten. En dit scheen bij alle verzamelde toeschouwers en hoorders het geval; door den wenk van haar oog beheerschteAlisetteelke borst; onweerstaanbaar sleepte zij het hart uit den diepsten afgrond der smarten tot het toppunt der vreugde met zich voort en deed het even snel weder dalen als rijzen.Na het eindigen van het bedrijf verlietRegnardde loge; Bernard, die hem met argusoogen bewaakte, zag dat hij naar het tooneel ging. Hij werd meer en meer overtuigd, dat tusschenAlisetteen den overste eene zeer nauwe betrekking moest bestaan, doch even stellig hield hij zich ook verzekerd, dat het hart van het meisje daarin weinig deel had.Jaromir wendde zich tot Lodoiska en vroeg: „Is dat niet onbeschrijfelijk schoon?”„Maar ook onbeschrijfelijk beangstigend,” antwoordde deze en haalde diep adem.Lodewijk, de eenige die de opera kende, en geoefend kunstgevoel genoeg bezat, om de welsprekende voorstelling niet met de wezenlijke waarde van het werk te verwisselen, uitte zich daarover veeleer als beoordeelaar dan wel als bewonderaar. De gravin, door hare jaren reeds boven de macht van onmiddellijke gemoedsindrukken verheven, luisterde met belangstelling naar zijne opmerkingen; ook Lodoiska liet zich gaarne uit hare onrustige, gejaagde stemming in die van een kalmer genieten overbrengen en was niet verstoord, dat Lodewijk haar door zijne bezadigde oordeelvellingen menige begoocheling aangaande de schoonheid van het kunstwerk ontroofde. Slechts Jaromir wilde niet gelooven, dat in hetgeen zijn jeugdig hart zoo diep getroffen had, iets gebrekkigs, iets minder schoons zoude te vinden zijn. Hij was tot hiertoe zoo ver van alle kunst verwijderd geweest, had zoolang met de ruwste bouwstoffen des uiterlijken levens te worstelen gehad, dat deze eerste stralen en klanken uit eene hem nog onbekende schoonere wereld hem natuurlijk als iets onovertrefbaars moesten voorkomen.Het tweede bedrijf begon, en reeds de eerste tooneelen daarvan bewezen den onervarene, dat hij nog op verre na niet aan de grenzen van het bereikbare gestaan had; want gestadig nam de belangrijkheid toe, en toen eindelijk de laatste ontknooping van het werk daar was, met hare diep weemoedige vreugde, met haar weenenden jubel, toen dreigden de jonge, minnende harten onder den overstelpenden vloed van hartstochtelijke gewaarwordingen te bezwijken.Alisettewas echter ook zoo schoon, zoo roerend, zoo verheven in hare vreugde, dat zij zelfs voor den met bewustzijn genietenden Lodewijk het kunstwerk uit de lagere kringen, waarin het op zwakke, matte vleugels omzweeft, in eene hoogere meer zuivere sfeer overbracht, waar het zich op vrije vlerken in den zonneglans wiegen kon.Lodoiska was tot in het diepste der ziel getroffen, maar niet gelukkig; duister rees het beklemmend gevoel in haar op, dat zij niet vermogend was zich met deze machtige tooveres, die haar zelve zoo tegen wil en dank medesleepte, te meten. Hoe zou zij den geliefde boeien, wanneer gene hare verleidelijke netten uitspande, hare zoetlokkende stem klinken liet en de zachte, blanke armen naar hem uitstrekte? Zij dacht dit alles wel niet dadelijk, maar het drukkend gevoel van armoede en zwakheid, dat edele zielen zoo licht bekruipt, daar zij hare eigene hooge waarde miskennen, doordrong hare borst. Wie ben ik, dacht zij, om met mijne liefde het hart des vriends te vervullen in eene wereld, die zoo oneindig veel schooners aanbiedt?—Het schuldelooze meisje besefte niet, dat een rein hart de schoonste diamant is, die het eigen leven en dat des vreemden versieren kan. Slechts de verblinde gaat dit kleinood achteloos voorbij, slechts de waanzinnige werpt het roekeloos van zich. Doch hoevelen legt een nijdige genius een zwarten blinddoek voor de oogen, zoodat zij in eeuwig duister door het leven ronddwalen en het geluk niet vinden, wanneer het de open armen naar hen uitstrekt!HOOFDSTUK VIII.De gravin en Lodoiska reden in gezelschap van den overste naar huis, de drie jongelieden volgden te voet en kwamen dus iets later aan het paleis. Toen zij de breede marmeren trappen opvlogen, kwam de gravin hun met een geheimzinnig, maar zeer tevreden lachje te gemoet. „Niet naar de eetzaal,” sprak zij, „volgt mij nog eerst in het spreekvertrek, want de tafel is nog niet behoorlijk gedekt.” Gewillig volgden haar de vrienden en vonden niemand dan den overste. „Lodoiska verkleedt zich,” vervolgde de gastvrouw, „en wij zullen ook nog eenig geduld moeten hebben, daar de lieveAlisettebeloofd heeft van het gezelschap te zijn.” De vrienden zaten in een vertrouwelijk gesprek met den rug naar de deur gewend, toen Jaromir eensklaps twee handen voor zijne oogen voelde, om hem te laten raden, wie de onbekende was; doch daartoe bleef hem de tijd niet, want eer hij nog gissen kon, waren Lodewijk en Bernard reeds met den luiden vreugdekreet: „Graaf Rasinski!” van hunne stoelen opgesprongen. Boleslaw was het, die Jaromirs oogen bedekt hield. Deze sprong op en omarmde den vriend en krijgsmakker met onstuimige heftigheid: Rasinski begroette hem met hetzelfde vuur. „Hoe is 't u gegaan? Zijt gij gezond en wel?” klonken de hartelijke vragen verward dooreen, zonder dat het antwoord afgewacht werd, daar men elkander frisch en bloeiend voor zich zag. „Duizend groeten van de uwen,” waren de eerste woorden, welke Rasinski na de eerste luidruchtige verwelkoming tot Lodewijk richtte; „mijne afreis kwam zoo overhaast op, dat er geen tijd was mij wijdloopige brieven mede te geven; intusschen heb ik toch eenige regels voor u, en met den volgenden postdag meer.”De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht, het voor hem bestemde te mogen ontvangen.Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust, dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde. Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen nader uiteenzette.„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een goed teeken zijn, graafLomond; gij kunt op bevordering aanspraak maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd naarden grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend, kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijnSorenmoet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te gemakkelijker te kunnen betitelen.”Zij traden het vertrek weder binnen.„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons onttrekken.”„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,” sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig verouderd,Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel, die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij voorheen zoo vaak bemoedigde.”„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in beslag genomen.Alisettetrad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te begroeten.„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een keur vangaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,” hernamAlisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,” merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkteFrançoisehem en was verrast, eenvreemdete zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te verhalen, datAlisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met schertsende vriendelijkheid eene roos;Regnardechter bekwam er geen. „Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten, keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik opRegnardwerpende.„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond onverhoeds naast de gravin.„Ach, daar zijt gij immers,” riepAlisetteuit en trad op haar toe; „hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen. En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en bleef vriendelijk maar dringend weigeren.Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der beide schoone meisjes aan te zien.Alisette, in haar wit golvend gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk;Alisette's wangen en lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven; Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd en de sneeuwwittenek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk edel in gelaat en houding;Alisettehaar met rustelooze levendigheid omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem schemerde bevallig op den donkeren grond.„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riepFrançoiseuit, toen zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid voor haar zelve lag opgesloten.Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zichzelf enbesloot zijne navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska. Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog vanRegnarden de fijne opmerkzaamheid vanAlisetteop hare hoede te zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij, als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer jeugd, in vele punten van aanraking stond.Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen? Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk eener zoete, hoopvolle verwachting.HOOFDSTUK IX.De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen; dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof, Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner waarnemingen omtrent de verleidelijkeAlisette, noch aan het schilderen van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.Op zekeren avond trad Rasinski de zaal, waar Jaromir, de gravin en Lodoiska bijeen zaten, driftig binnen met de woorden: „Ons lot is beslist. De keizer heeft den 29stenMei Dresden verlaten, zal zich eenige dagen inPosenophouden en trekt dan vermoedelijk, zonder Warschau aan te doen, opThorn. Wij hebben bevel bekomen, om morgen op te rukken en den weg naar Kowno in te slaan. Een dag is ons dus nog overig, en dien willen wij in den huiselijken kring doorbrengen. Heden nog kan ik broeder en vriend zijn, morgen ben ik niets dan soldaat.” Zijn oog fonkelde helder bij deze woorden en verhoogde den adel van den zachten ernst zijner wezentrekken. Op de vrouwen daarentegen maakte de tijding, die het hart der mannen, de onzekerheid sinds lang moede, met blijdschap vervulde, een bedroevenden indruk. Lodoiska verbleekte en sidderde; op de trekken der gravin stond eene kommervolle bezorgdheid te lezen: „Dus werkelijk reeds zoo spoedig?” vroeg zij opstaande en naar den broeder toetredende.„De oorlog,” vervolgde deze, „schijnt thans onherroepelijk verklaard. Alle onderhandelingen, die laatstelijk doorNarbonnegevoerd werden, zijn afgebroken. Men zegt dat vooral het lot van ons vaderland den twistappel tusschen de beide heerschers werpt; Napoleon wil ons als eene vrije, zelfstandige natie erkend zien, doch Rusland is niet gewoon, den roof, dien het tusschen de bloedige klauwen houdt, los te laten. Het toont grimmig de tanden. Laat ons zien, of de Hercules, wiens opgeheven knods Europa doet beven, den kamp met dit monster zegevierend ten einde zal brengen!”Een vuurgloed van verontwaardiging kleurde zijn gelaat. De zuster stond met treurige blikken voor hem, streek hem het haar van het voorhoofd en zeide, hare hand op zijn arm leggende: „Gij hadt vroeger een vroolijker vertrouwen, toen minder sterren van hoop aan den gezichtseinder blonken. Vat moed, broeder! Wanneer wij onsniet aan uwe moedige kracht kunnen opbeuren, wat zal ons dan ondersteunen en staande houden?”Rasinski glimlachte. „Ik heb soms uren, zuster, dat ik alles uit een somber oogpunt zie; zulks is echter spoedig voorbij, en waar ik kracht en vertrouwen tot handelen noodig heb, ontbreken ze mij niet. Doch laat dat daar; heden en morgen behoor ik aan u, aan de lieve beperking van den huiselijken kring, en wil mij daarin geheel verplaatsen. Zelfs mijne blikken zullen de heilige grens niet overschrijden, die, als een gewijde toovercirkel, de zwarte geesten des levens van ons verwijderd houdt. Want treed ik over die tooverlijn, dan word ik een speelbal van de woeste zee, en de losgelaten stormen mogen mijne boot naar willekeur voortzweepen. Wij hebben immers ook nog huiselijke zaken af te doen,” vervolgde hij en wierp een blik op Lodoiska, „uwe schoone pleegdochter maakt aanspraak op onze zorg.” Het meisje sloeg het zachte oog ter aarde en een licht rood schemerde op hare wangen. „Ja, mijne kinderen,” vervolgde hij, tusschen de gelieven tredende, „hebt gij wel overlegd, wat gij doen wilt? Wie zou uwe liefde niet met vreugde aanzien? Gij zijt elkander waardig; Jaromir ken ik, hij zal een hart als het uwe, Lodoiska, als een kostbaar kleinood weten te schatten en te beschermen. Maar zijn dit tijden, om banden der liefde aan te knoopen? Mag men op een zaad hopen, dat in den stormwind wordt uitgestrooid? Wie gaat scheep, als de zee woelt en bruist; wie geeft een vreugdefeest in een huis, dat boven den afgrond waggelt? Hebt gij een maatstaf, waarnaar gij de vervulling uwer hoop berekenen kunt? Gij werpt u in den woeligen stroom, zonder te weten of de naaste golf u scheiden, dan aan een veiligen oever werpen zal.”Lodoiska blikte Rasinski schroomvallig aan en zeide: „Zijn het dan niet juist de tijden van zorgen en gevaar, die men gemeenschappelijk te lichter draagt? Het geluk, den zonneschijn des levens geniet ook de eenzame voor zich zelf.”„Maar de man zal geen wezen aan zijn lot verbinden, wanneer dit zelf onzeker is als de wentelende baar.”„Waarlijk,” riep Jaromir levendig, „ik mag thans niet om u aanhouden, want alles staat op een te onzeker spel! Maar een verbond der hoop zou ik toch gaarne met u aanknoopen.”Hij sprak deze laatste woorden met een zoo onschuldig smeekend gelaat, dat Rasinski onwillekeurig moest glimlachen. „Wanneer gij,” vervolgde hij, beider handen aangrijpende, „ernstig bedacht en overwogen hebt, wat gij doen wilt; wanneer het niet enkel de vluchtige roes van een oogenblik is; wanneer gij, Jaromir, uwe jeugdige lichtzinnigheid genoeg beheerschen kunt, om de proef van lange, ernstige jaren te doorstaan, dan hebt gij recht om eene verbintenis der trouw te sluiten en geen gevaar, dat haar van buiten bedreigt, mag u terugschrikken. Ook ik weet de edele gezindheid in den mensch op prijs te stellen, die in een donker uur des levens minnende harten meer voor de bezwaren dan voor de genoegens daarvan te zamen bindt. Uw oom, Lodoiska, heeft mij eene vaderlijke volmacht gezonden, om u met Jaromir te verloven. Wanneer gij dus niet beschroomd zijt, den ernstigen stap in het gebied der plichten te wagen, mag ik uwe handen ineen leggen en de ringen uwer gelofte wisselen.”Het schoone wezen stond bevend en met donkeren rozegloed op de wangen voor den ernstigen, vaderlijken vriend. „Gij wilt dus?” sprak deze. In plaats van antwoord te geven, zonk zij sprakeloos aan de borst der gravin, doch liet hare rechterhandaan Rasinski die ze zachtkens in die van den verrukten jongeling nederlegde.„O, hoe onuitsprekelijk gelukkig ben ik,” riep hij uit, terwijl hij de hand van het bevende meisje aan zijne lippen bracht.„Zij is nu uwe bruid,” sprak Rasinski, „en door de heiligste plichten zijt gij aan haar verbonden. Zult gij den moed hebben, die te vervullen?”„Tot aan mijn dood!” riep Jaromir heftig en drukte het bekoorlijke wezen, dat zich met de gansche teederheid van het vrouwelijke hart aan hem overgaf, onstuimig aan zijne borst.Juist trad Boleslaw binnen en werd bleek als de dood, toen hij de twee in elkanders armen zag; ook hij toch had eene ernstige, diepe liefde voor de schoone Lodoiska opgevat, en niet vermoed, dat zij de verloofde van den vriend zijn konde. Met eene zelfbeheersching echter, die zijn streng, wel hartstochtelijk, maar toch vast karakter alleen mogelijk maakte, bedwong hij schrik en smart tevens en vertoonde een kalm gelaat, terwijl de doodsteekhem de borst verscheurde. Met vasten tred ging hij op de aanwezenden, van wie niemand zijne komst bespeurd had, toe. „Mag ik u geluk wenschen?” vroeg hij, zich tot Jaromir wendende.„Neen,” riep deze vurig, „want ik bezit reeds het zaligste geluk, dat de aarde ons aanbiedt!”De vrienden omhelsden elkander hartelijk; voor Lodoiska boog de jongeling zich ernstig, greep hare hand en sprak: „Wees gelukkig, in alles gelukkig!”—Nu sidderde en verbleekte hij toch; zijne jeugdige heldenkracht dreigde te bezwijken. „Weet gij al, dat wij overmorgen oprukken, graaf Rasinski?” richtte hij zich tot dezen, om het gesprek eene andere wending te geven.„Voorzeker,” was het antwoord.„Ook dat de oversteRegnardmet zijn regiment marcheert en de dragonders en de drie compagnieën rijdende artillerie eveneens?”„Ik had slechts zooveel van het bevel vernomen, als mij zelf betreft. Overigens moet ik bekennen, dat dit geleide mij niet uitstekend behaagt, want hoe talrijker wij zijn, hoe slechter nachtkwartieren wij te wachten hebben. Ik bemin ons vaderland, maar zijne gastvrije steden en dorpen zijn eer geschikt om vijandelijke legers te laten verhongeren, dan om bevriende den kost te geven.”Bernard en Lodewijk, die tegelijk met Boleslaw te huis gekomen, zich eerst naar hunne kamers hadden begeven, traden thans binnen en maakten den vriendenkring voltallig. Ook aan hen werd het bruidspaar voorgesteld, ook zij ontboezemden hunne beste wenschen.Rasinski liet in den loop van den avond eene zachte opgeruimdheid blijken, die hem uiterst beminnelijk maakte. „Hoe jammer,” riep hij in het vervolg van het gesprek uit, „dat onze vriend Bernard sabel en lans zoo druk te hanteeren heeft gehad. Hij had waarlijk geen tijd, om aan penseel of krijt te denken; anders had hij mij het beeld der lieve bruid moeten teekenen.”„En hij had het mij zelfs beloofd. Ten voeten uit wou hij haar schilderen!” riep Jaromir.„Schoon ik tot het laatste geen tijd gehad heb, kan ik ten minste nog eene teekening beproeven,” viel Bernard hem in de rede. „De avond is lang; eene, hoe vluchtige schets is toch beter dan niets, en weinige uren zijn daartoe volkomen toereikend. Het is eene goede eigenschap van ons bedrijf, dat het in zulke gevallen slechts opeen deel onzer krachten aanspraak maakt en noch ons zelf, noch anderen in het gezellig onderhoud hinderlijk is; ten minste verlangen wij slechts zeer geringe opoffering. Hand en oog arbeiden, maar het oor kan den loop van het gesprek vrij volgen en de geest leent zich gemakkelijk tot beide verrichtingen. Vergunt mij dus, mijne kleine, vluchtige werkplaats hier voor eenige oogenblikken op te slaan, laat mij de lichten naar mijn zin plaatsen, geeft mijne oogen de anders niet zeer kiesche vrijheid, om zich scherp op het voorwerp mijner bezigheid te richten, en ik hoop nog iets te leveren, dat althans tot eene kleine vergoeding voor de grootere uitvoering, waartoe ons thans geen tijd blijft, dienen kan. Geeft u vrij en ongedwongen aan het gesprek over. Dikwijls heeft eene beeltenis oneindig meer waarheid en leven wanneer wij haar, zonder dat ons doel vermoed wordt, heimelijk afloeren, dan wanneer het voorwerp er zich toe zet, om op het doek te worden overgedragen. Het rampzaligst van alles is, wanneer iemand alle plooien en plooitjes van zijn gezicht met angstvallige bezorgdheid in orde schikt, om er de uitdrukking van ongedwongenheid toch recht kunstmatig in te brengen, of wel om het nog mooier te maken, een onnatuurlijk lachje om de lippen beitelt, zooals de naaister een kleed met linten garneert.”Zijn gereedschap werd door een bediende binnengebracht, hij verplaatste de lichten, koos een geschikt standpunt en ging ijverig aan het werk. Het gesprek der overigen werd inmiddels voortgezet en ook hij nam daaraan ongedwongen deel, schoon hij soms slechts toeluisterde en slechts nu en dan enkele woorden daartusschen wierp om eene geuite meening goed te keuren, haar door eene losse opmerking te ondersteunen of een scherpen pijl der tegenspraak daarop los te laten.Men behandelde intusschen slechts algemeene onderwerpen, die wel eene zekere deelnemende levendigheid verwekken, maar toch geene hartstochtelijke bewegingen der ziel veroorzaken konden. Zulks had Bernard uitdrukkelijk gevorderd, daar hij bij het losbarsten van onstuimige gemoedsdriften onmogelijk op de rustig begonnen wijze had kunnen voortteekenen; met groote behendigheid wist hij deze stemming te doen standhouden en steeds te rechter tijd het gesprek te beteugelen of aan te sporen, al naarmate het dreigde te verflauwen of al te levendig te worden.„Ik ben klaar,” riep hij, nadat er twee uren verloopen waren, en sprong met het blad in de hand op. Nieuwsgierig drongen allen om hem heen, om zijn werk te beschouwen. Hij trad eenige schreden achteruit en hield plagend het blad met de rugzijde naar het gezelschap toe.„Geen spanning, geen verwachting!” riep hij; „het is eene half mislukte schets, meer niets. Had ik tijd, die morgen te herhalen, ik zou het blad verbranden, eer iemand van u het gezien had; dat betuig ik u bij mijne kunstenaarseer, die ik juist op het punt ben een weinig aan de kaak te stellen.”Thans wendde hij het blad om; men zag twee teekeningen. De eerste stelde Lodoiska voor, de tweede Jaromir, beide in borstbeeld, slechts vluchtig, maar geestig uitgevoerd en sprekend gelijkende. Allen verheugden zich in het geslaagde werk en bewonderden de zinrijke uitvoering; maar vooral Jaromir was verrukt en riep uit: „Welk een heerlijk geschenk, welk eene dubbele verrassing! Nu kan ik het beeld van mijn meisje medenemen en haar het mijne achterlaten.”Lodewijk was de eenige, die de teekeningen nauwkeuriger beschouwde; na eenige oogenblikken zeide hij glimlachend: „Inderdaad, ik wist in den beginne niet, waarom gij die ouderwetsche lijsten om de beelden getrokken hadt; daar ik u ken, vermoeddeik dadelijk eene oorzaak, die ik nu meen gevonden te hebben. Waarlijk, de inval is goed en nog beter uitgevoerd.”„Ja, ja, gij kent mijne streken,” hernam Bernard, „en weet, dat ik zelden honderd schreden rechtuit ga. Bokkesprongen op den effen weg zijn mij nu eenmaal tot behoefte geworden, want de Uilenspiegel zit mij onveranderlijk, van mijne geboorte af, in den nek.”Na dit gesprek werden de overigen zeer begeerig, het geheim ontraadseld te zien. Nu men er eens opmerkzaam op gemaakt was, werd dit zeer gemakkelijk. Bernard had namelijk om elken kop een vierkante, schijnbaar ouderwetsch opgeluisterde lijst geteekend, elke hoek vertoonde een gezicht, en wel de uiterst welgelijkende beeltenissen der aanwezigen. Aan de beide bovenzijden waren Rasinski en zijne zuster, beneden Lodewijk en Boleslaw afgebeeld. Bovendien had hij aan elke lijst een knop gegeven, waaruit zijn eigen gezicht met hekelende spotachtige trekken op het gansche werk scheen neder te zien.Deze luimige toegift tot het geschenk werd met levendigen bijval bekroond. Van alle zijden werd de schilder met lofspraken overstelpt en vooral Jaromir gaf zijne vreugde door luide ontboezemingen te kennen. „Zulk een beeld,” riep hij uit, „maakt mij waarlijk gelukkig, ja verheugt mij meer dan de schoonste schilderij; dit immers kan ik altijd bij mij dragen en mij in den aanblik verkwikken zoo vaak ik wil. Hoe trouw haar beeld mij ook overal verzellen zal, het is toch iets anders, als men het zoo werkelijk met de oogen zien kan.”„Evenals het nog niet iets anders en duizendmaal schooner is,” hernam Bernard, „als men de geliefde zelve voor zich ziet, niet waar?”Lodoiska sloeg het oog neder, daar Bernard haar bij deze woorden aanzag; doch spoedig hief zij het weder op en blikte Jaromir met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde aan, als wilde zij daardoor Bernards woorden bevestigen.Hoeveel reden ook elk der aanwezigen hebben mocht om sombere gedachten te koesteren, door deze kleine verrassing was toch zulk een aangenaam, helder licht op de donkere grondkleur der gemoederen gevallen, dat men, zoo al niet in een vroolijke, dan toch in eene kalme en zacht opgeruimde stemming geraakte.Zoo voldeed de kunst dan ook hier aan hare schoone roeping, door zacht bemiddelend in den ruwen strijd des levens te treden en zijne donkere, moeielijke paden te verlichten en te effenen. O, niet genoeg kunnen wij den goedertieren Schepper danken, dat Hij eene schoone gestalte uit zijn Hemel deed nederdalen, wier taak het is, de scherpe omtrekken der werkelijkheid door eene zachte schakeering der kleuren te doen wegsmelten en over de woest neerbruisende stortbeek der hartstochten den schemerenden stofregenboog uit te spannen, die ons bewijst, dat de stralen der goddelijke zon tot in de diepste, verborgenste aardkloof doordringen.HOOFDSTUK X.Reeds in den vroegen morgen dreunde het roffelen der trommen en het schetteren der trompetten door Warschau's straten en riep de troepen tot den afmarsch te zamen.Het vervulde Lodoiska met bange beklemdheid, daar zij thans den geliefde harer ziel aan duizend dreigende gevaren zoude prijsgeven.Niet zoo angstig bezorgd, maar de borst met zoete verwachtingen voor het vaderland vervuld, zag de gravin de scheiding te gemoet; zij was te zeer poolsch, om niet met een inmengsel van blijden trots de krijgszuchtige tooneelen te beschouwen, welke de onrustige dagen van dien tijd haar zoo ruimschoots aanboden. Ook haren broeder, die haar het liefste op aarde, ja, die haar alles was, daar zij zonder hem geheel alleen stond, ook hem zag zij met kalmte aan den spits zijner schaar ten strijde trekken.Een gekletter van sabels op de trap verkondigde haar het naderen van Rasinski en zijne kameraden, die in het vertrek der vrouwen traden om afscheid te nemen. Zij waren in volle uniform; sjerp en sabel versierden hen en van de czapka wuifden blinkende vederbossen. Het krijgsmanskleed verleent aan lichaam en ziel dezelfde krijgshaftigheid. Het is, alsof men zich de roeping van dien stand door zijne uiterlijke kenteekenen te beter bewust wordt. Vandaar waren de mannen bij het werkelijk afscheid nemen minder geroerd, dan hunne vroegere weeke stemming had doen vermoeden. Rasinski drukte de zuster met broederlijke warmte aan zijne borst en sprak mannelijk en vast: „Wij trekken uit tot eene hooge roeping; geen smartgevoel beklemme onze ziel. Slechts heilige geestdrift voor het vaderland mag haar doorgloeien. Wij zullen onze ontwijde altaren reinigen, den verdreven vaderlandschen goden eene nieuwe haardstede vesten, aan onze oude grenzen het wapen der Jagellonen weder neerplanten, hunne heilige vanen wederom laten wapperen tot roem van ons volk! Vaarwel, zuster! niet mij, niet ons, slechts onze wapenen verzelle uw zegen, slechts voor de overwinning rijze uw gebed tot den Almachtige omhoog! 't Zij wij vallen of wederkeeren, 't is hetzelfde, als slechts Polens witte arend met trotsche vleugels uit de donderwolken van den slag tot den helderen hemel der vrijheid opstijgt. Leef wel! God spare u voor eene betere toekomst!”Hij liet den opgeheven arm zinken, omhelsde de zuster nog eenmaal, drukte ook op Lodoiska's bleeke wangen een kus, verliet met rasse schreden het vertrek en ijlde naar beneden, om zich in den zadel te werpen.Jaromir klemde zijne bruid onder het storten van heete tranen aan de borst; verlangend sloeg zijn hart den kamp voor het vaderland te gemoet, maar het bloedde bij het scheiden van de geliefde. Zij weende nauwelijks, want eene kille doodsangst, vreeselijker dan de diepste smart, had hare tranen versteend. Slechts uit hare bleeke wangen en lippen, uit haar koortsachtig rillen liet zich de hevigheid van het lijden opmaken, dat haar in dit oogenblik bijna ontzielde.Jaromir legde het sidderend marmerbeeld aan de borst harer moederlijke pleegster.Deze weende haar angst in tranen, welke zij tot hiertoe bedwongen had, over het geliefde wezen uit. Voor het afscheid der drie jongelingen, die haar niet zoo nauw aan het hart lagen, schoon het, vooral in het uur der scheiding met warme vriendschap voor hen sloeg, voor dit vaarwel had zij slechts benevelde blikken en eene in sprakeloosheid toegereikte hand.Boleslaw bleef de laatste in het vertrek. In zijne ernstige, hijgende borst woedde de storm van den hartstocht met verteerende macht. Hij zag haar, die voor eeuwig de zijne en hem voor eeuwig ontrukt was, als een beeld des doods voor zich, zag haar met mat gesloten oogen in de armen der moeder hangen; hij beefde, hij vermocht nauw staande te blijven, zoo krampachtig verscheurde hem de smart, die vruchteloosom den zachten dauw van een traan kampte. De storm der driften dreigde hem te overweldigen; het scheen hem, als mocht, als moest hij de geliefde aan het hart klemmen en hare liefde vorderen, daar de zijne grooter, waarachtiger, heiliger was dan die van Jaromir. Eene innerlijke stem riep hem toe: Drink, drink ten minste eenmaal den beker der zaligheid van hare lippen; drink, al moest hij u tot gloeiend gif worden! Eene koortsrilling huiverde hem door alle leden. Doch zijn betere genius behield de zege. „Neen,” riep hij sidderend, „dat ware meer dan broedermoord! Weg, weg!”—met deze woorden stormde hij het vertrek uit.Eigen smart en verdooving hadden den blik der vrouwen zoo verduisterd, dat zij deze worsteling niet eenmaal opmerkten. Lodoiska hing nog immer bewusteloos in de armen der moeder; eindelijk sloeg zij het oog op en barstte in een stroom van tranen uit, doch met deze bezweken hare laatste krachten en zij zeeg, door de armen der gravin gehouden, in zwijm op een rustbed neder.Daar buiten schetterden luid de trompetten. Men hoorde den dreunenden hoefslag van af- en aanrennende ruiters. De gravin snelde naar het venster. Het was Rasinski's nieuw regiment, dat zich voor het paleis verzamelde, om den chef te ontvangen. Eene krijgszuchtige veldmuziek vormde de spits van den trein; eenige officieren kwamen met lossen teugel aanstuiven, om Rasinski te begroeten. Deze kwam op zijn steigerenden arabischen schimmel, mannelijk schoon, in eene vorstelijke houding uit de slotpoort te voorschijn. Jaromir volgde hem op een slanken goudvos, die met de sierlijke vlugheid van een hert over den grond heenvloog; eenige oogenblikken later zag men Boleslaw op een ros, welks manen verwilderd om den trotschen nek zwierden, in eenige stoute sprongen uit de poort hollen. Hij was bleek als de dood en zijn oog rolde woest en somber onder de donkere wenkbrauwen, toen hij zich half in den zadel omwendde en naar de gravin opzag, die hem met een vriendelijk lachje haren groet toewierp.Thans daverde de luide juichtoon der krijgslieden, die hun aanvoerder welkom heetten; de vroolijke veldmuziek viel jubelend in, vaandels golfden in den morgenwind, wapens flikkerden in zonneglans, rossen brieschten en snoven, vederbosschen wapperden, levendiger en levendiger werd het bonte gewoel. De kalmte, die bij den aanblik dezer moedige scharen de borst der gravin doordrong, gaf haar de overtuiging, dat ook Lodoiska's smart daardoor gelenigd en zij zelve tot een edelen moed ontvlamd moest worden. Zij trad dus op de machteloos neergezonkene toe en noodigde haar vriendelijk uit op het balkon te treden, ten einde den uittocht der dapperen mede aan te zien. „Schep moed, kom tot u zelve,” sprak zij met zachte overreding; „elk vast willen en moeten wordt een hecht steunsel, waaraan de smart, waaronder wij meenen te bezwijken, zich staande houdt. Het zal u troosten en sterken, den geliefde als man en held te zien, daar hij in blinkenden wapendos te velde trekt, om voor het vaderland te vechten. De achting doet onze liefde toenemen, en met haar de kracht, om te dragen en te lijden. Kom, zamel uwe krachten bijeen, toon den scheidenden vriend een bemoedigend gelaat; hij gaat ernstige beproevingen en gevaren te gemoet, die hij lichter overwinnen zal, als het beeld eener sterke, geloovig vertrouwende geliefde hem verzelt, dan wanneer zij hem weeklagende en hopeloos kermende voor de oogen zweeft.”Lodoiska voelde zich door deze zachte, overtuigende toespraak gesterkt; haar minnend hart erkende, dat het plicht was, den vriend het uur des afscheids minsmartelijk te maken. Zij verzamelde dus al hare krachten en volgde de gravin, die haar door de aangrenzende zaal op het balkon bracht.Reeds het gezicht der woelende, golvende gelederen verruimde den geprangden boezem; kracht toch verwekt kracht. Juist begonnen de klokken der hoofdkerk ter vroegmis te luiden, zoodat deze ernstige, statige tonen zich met het luidruchtige krijgsgejoel vermengden. Het lichtblauw gewelf des hemels werd door geen wolkje ontluisterd, de vogels dartelden vroolijk door het groen; de frissche adem van den schoonsten, heldersten morgen deelde aan alles lust, leven en veerkracht mede. Het was, alsof de goedheid Gods zich eens recht levendig vertegenwoordigen en door duizend teekenen aan den mensch verkondigen wilde: Ik ben u eeuwig nabij met mijne onuitputtelijke liefde en ontferming. Welke smarten, welk lijden gij in uwen waanzin ook bereiden moogt, ik ben altijd tegenwoordig, om met zachte hand de wonden te heelen, die gij u zelven in uwe verblinding toebrengt.Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir; deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de vrouwelijke gestalten op het balkon.Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen onderscheidt.
Zoo traden zij de gezelschapszaal binnen; geen woord verried het geluk, maar het verwijlde toch in den stillen vredigen kring en lachte uit aller blikken.
Zoo snelden eenige dagen vrij gelijkvormig voorbij.AlisetteenRegnard, zelden anderen, waren de gasten, die den kring der familie, van welke Bernard en Lodewijk zich thans als leden begonnen te beschouwen, vergrootten.Regnardbracht steeds berichten aangaande de krijgsgebeurtenissen, het oprukken van troepen en soortgelijk nieuws mede en hield de kleine, vertrouwelijke vereeniging daardoor eenigermate met de buitenwereld in betrekking. Zijn scherpziend oog had Jaromirs neiging voor Lodoiska en de beantwoording van deze spoedig ontdekt, niettegenstaande het jonge paar ze zorgvuldig trachtte te verbergen; vandaar verdween de lichte vlaag van jaloerschheid, welkeAlisettebij hem had doen oprijzen, weder geheel en al, en niets stoorde verder het vroolijk verkeer. De zangeres was sedert twee dagen weggebleven, daar de opera, die men den volgenden avond zoude geven, haar geheel bezig hield; de overste, die eene halve proefvoorstelling had bijgewoond, prees die zeer, maar had den titel vergeten. „Ik was recht verdrietig,” zeide hij, „dat ik niet tot het einde toe kon blijven, maar ik werd door een lastig voorval gestoord. Mijn adjudant meldde mij, dat men met zekerheid ontdekt heeft, dat een russisch generaal, die met geheime, staatkundige opdrachten in Frankrijk geweest en van daar ontvlucht is, zich in de stad verborgen houdt en het voornemen heeft, dezen nacht zijne vlucht voort te zetten. Daar mijn regiment juist de poortwachten heeft, moest ik weg om voor de verdubbeling der posten te zorgen.”
„En wie moet de vluchteling zijn?” vroeg de gravin.
„Dat weten wij niet,” hervatteRegnard. „Eenigen beweren de generaal Cz...., die inderdaad te Parijs in eene menigte verbintenissen gewikkeld is geweest, op last van Napoleon in hechtenis moest genomen worden, maar tijdig gewaarschuwd, Straatsburg achter den rug had, eer de telegraaf het bevel kon overbrengen. Het is bijna onmogelijk, dat hij zich zoo lang op vijandelijk grondgebied heeft schuil gehouden. Anderen willenweten, dat het de graafWinzingerodeis, een Duitscher in russischen dienst; dit luidt waarschijnlijker. Maar men noemt nog andere mannen, en bij slot van rekening weet niemand iets met zekerheid.”
De overste sprak nog, toen een ordonnans binnentrad en aan Jaromir een verzegelden brief overhandigde. „Waarachtig, in dezelfde zaak,” riep deze na gelezen te hebben; „ik krijg bevel, de wijk, waarin onze stallen liggen, en vooral de uitgangen naar denWeichselmet mijne lieden te bezetten.”
„Ja, ja, de zaak schijnt ernstig te worden behandeld,” merkte de overste aan. „Ik werd van het gezang der schooneFrançoiseverstoken, gij zult u de opoffering van uw maaltijd moeten getroosten! Dat zijn soldatenkansen!”
„Zij zijn te verdragen,” antwoordde Jaromir glimlachend; „slechts is het verdrietig, dat ik ook onze vrienden van hun avond en misschien wel van den nacht moet berooven; het ontbreekt mij nog aan welberaden mannen en ik moet toch, daar de dienst des daags zoo vermoeiend is, op ten minste drie aflossingen rekenen. Ik kan u dus niet verschoonen, lieve vrienden; gij zult heden uwe eerste wacht moeten betrekken!”
„Op staanden voet gekommandeerd!” riep Bernard vroolijk, „in 's hemels naam. Als het wild bij mij opspringt, zal ik het niet laten ontsnappen.”
Er was geen tijd te verliezen; men nam afscheid van de dames en den overste, gespte de sabels om en ging. Jaromir liet zijne trompetters verzameling blazen, bepaalde de uit te zetten posten, deelde zijne manschappen af en beval den afmarsch.
Bernard werd aan het verst verwijderd einde der gansche wijk geplaatst. De weg derwaarts liep door eene stille straat tusschen twee steile muren, waarvan de eene den tuin van een klooster begrensde. Een dwarssteegje doorsneed ze en voerde afwaarts naar denWeichsel. Tweehonderd schreden van dit punt stond de naaste schildwacht; verder op geene meer, wijl zich daar geene uitgangen naar den stroom bevonden. Jaromir zelf had de posten opgebracht.
„Gij staat hier tamelijk afgezonderd,” zeide hij, toen Bernard de sabel getrokken en zich in de houding gesteld had; „ik zou de post verdubbelen, wanneer ik meer volk had. Juist daarom gaf ik u deze plaats, wijl hier omzichtigheid noodig zal zijn; ook is het goed dat gij fransch spreekt, want onze Polen kunnen zich bezwaarlijk aan de vele fransche soldaten doen verstaan. Binnen twee uren zal Lodewijk u hier aflossen.”
„Mijnentwege laat mij den ganschen nacht hier,” hervatte Bernard; „het is zwoel en warm, vermoedelijk krijgen wij een verkwikkenden regen. En wat de eenzaamheid betreft, wees daarover niet bezorgd; ik weet mij den tijd te verdrijven en heb niemand noodig om mij wakker te houden.”
„Wanneer u iets bijzonders mocht ontmoeten, schiet dan uw pistool af en gij zult dadelijk hulp van den naasten post bekomen.”
„Wees onbezorgd; de schildwacht heeft geen tweeden voor zich zelf noodig; ik zal mij weten te redden.”
Jaromir ging, Bernard bleef alleen. De hemel werd dicht bewolkt; middernacht was nabij; een fijne warme stofregen vermeerderde de duisternis.
De gevelspitsen en torentjes van het oude klooster, welks omtrekken Bernard tot hiertoe als zwarte schaduwbeelden op den nachtelijken hemel had afgeteekend gezien, verloren zich thans in onmiskenbare vormen. Slechts een mat lamplicht schemerde uit eenige kleine vensters. Het was doodstil. Slechts nu en dan hoorde men in de verte een nachtegaal slaan en het zachte ruischen van den voorbijvlietenden stroom.
„Het is goed, dat ik een paar scherpe oogen heb,” mompelde Bernard, „want hier dient men ze waarachtig open te zetten, wil men iemand zien, die voorbijsluipt. Ik zal verstandig doen met mijne sabel van tijd tot tijd als een voelhoren vooruit te steken en, als bij 't blindeman, met uitgestrekte armen rond te tasten. Ha, nu wordt het helderder; zij hangen eene lantaarn uit daar boven in 't klooster; die komt mij goed te pas.”
Inderdaad werd in een der bovenste vensters eene lamp zichtbaar, waarmede iemand naar buiten scheen te lichten; het schijnsel bewoog zich eenige malen heen en weder, vervolgens verdween het.
„Nu is 't eerst recht duister geworden; dat verwenschte licht heeft mij geheel verblind. Wilde hier iemand ontsnappen, hij zou verstandig doen, eene londensche straatlantaarn onder den arm te nemen, de schildwacht daarmee eerst eens fiksch onder de oogen te lichten, ze hem vervolgens naar den kop te gooien en dan naar de maan te loopen! Maar halt! wat was dat?—Heeft het gebliksemd? Al weer!”
Een zeer mat, flikkerend schijnsel, als van een verwijderden bliksem verlichtte van de stroomzijde het dichte duister. De enge straat belemmerde het uitzicht daarop, doch eensklaps zag Bernard kleine vonken vliegen en ontdekte dat iemand op de rivier, naar het scheen na aan den oever, vuur sloeg.
Zijn vlugge geest bracht deze verschijning dadelijk met het licht in het klooster in verband. Zou men elkander hier seinen? dacht hij. Holla, vriend! de oogen in 't zeil! Het zou niet onaardig wezen, als het wild u eens in 't net liep.—Hm! dacht hij verder, ik wil 't niet hopen; mijn plicht vordert, dat ik den vluchteling aanhoud, en wellicht lever ik den Franschman dan een even onschuldig offer in handen, als Lodewijk of ik bijna geweest waren. Ik wou, dat hij een anderen uitweg nam uit zijn schuilhoek!
Eensklaps stond hij stil en luisterde. Hij hoorde zachte schreden; neen, het was geen bedrog. Het hoofd voorover gebogen, den adem inhoudende, gaf hij geen geluid. Ras, maar behoedzaam kwam het nader; eenige fluisterende en mompelende tonen lieten zich vernemen. Men naderde, Bernard hield den blanken sabel vaardig en riep in het poolsch: „Werda!”
Een oogenblik bleef het stil; vervolgens trad eene mannelijke gestalte met vaste schreden vooruit, eenige woorden mompelende, die Bernard niet verstond. Zij klonken bijna als een vrome groet.
„Ik spreek geen poolsch!” zeide hij in die taal, en gaf door eene beweging met zijn sabel te kennen, dat hij niemand mocht doorlaten.
„Dus fransch?” vroeg eene welluidende vrouwelijke stem.
„Desnoods; doch liever duitsch,” hernam Bernard in het fransch.
„Een duitsch soldaat,” riep dezelfde stem, als onwillekeurig, op den toon van blijde verrassing.
„Ja, een Duitscher,” hervatte Bernard; „en daar gij deze taal verstaat, zeg ik u hiermede, dat ik niemand mag doorlaten, die niet van een bewijs is voorzien, dat hij zich aan de hoofdwacht gemeld heeft en daar onverdacht is bevonden.”
„O mijn God!” hernam het vrouwelijke wezen met eene gesmoorde bevende stem: „wij hebben haast; deze vrome man moet eenen stervende, die aan de overzijde met den dood worstelt, den laatsten troost brengen; daarom hebben wij hem hier uit het klooster gehaald. Gij zult het heilige werk toch niet verhinderen?”
Eerst thans zag Bernard, dat de vreemde in monniksdracht gehuld scheen; achterhem stond nog eene vrouwelijke gedaante. Duidelijk liet zich in de diepe duisternis niets onderkennen.
„Ik mag van mijne bevelen niet afwijken; is alles waarheid wat gij zegt, ga dan tusschen de muren voort; na twee honderd passen stoot gij op den eersten post en vraagt dezen naar den officier. Hij is in het wachthuis, en zal u zeker door eenige mannen, die zich van de waarheid overtuigen kunnen, laten geleiden, zoodat gij uw vroom werk ongestoord verrichten kunt.”
„Twee honderd schreden van hier staat de naaste post?” vroeg de monnik thans met eene stem, die niet meer de vrome zalving van zoo even had.
„Tweehonderd.”
„Dat is tamelijk ver.”
„Ik kan 't niet veranderen.”
De vreemde scheen besluiteloos; er heerschte een gespannen stilzwijgen. Eensklaps vertoonde zich weder het helder lichtgeflonker in de richting van den stroom, maar ditmaal zeer in de nabijheid, en tevens kon men het slaan der roeiriemen duidelijk onderscheiden. Bernard werd onthutst en wendde het hoofd naar de rivier: een voorgevoel zeide hem, dat deze verschijning met die vóór hem in het nauwste verband stond. Maar niet zoodra was deze gedachte in zijne ziel opgerezen, of plotselingvoeldehij zich door eene sterke vuist in den nek gegrepen en zag eene dolkspits tegen zijne borst flikkeren. De stoot trof, gleed echter op den breeden riem der sabelkoppel af en schramde slechts de huid. Door een koenen sprong rukte hij zich los, greep de vuist, waarin de aanvaller den dolk hield, met zijne linkerhand krachtig in het gewricht aan en deed met de rechter een forschen sabelhouw naar het hoofd van zijn onbekenden vijand. Deze week terug, ontdook den slag, maar gleed uit en viel op den grond; thans trok Bernard zijn pistool uit den gordel, zette haar den liggende op de borst en riep: „Gij zijt des doods, als gij u beweegt.”
Doch op hetzelfde oogenblik wierp de vrouwelijke gestalte zich aan zijne voeten, hief de armen biddende tot hem omhoog en riep met de uitdrukking van den doodelijksten angst:
„Erbarmen! Erbarmen! dood hem niet!”
Bernard was verbaasd; de stem drong tot het binnenste zijner ziel door. Hij was voornemens geweest, luide om hulp te roepen, doch de aanblik der smeekende, die zijne knie hield vastgekneld, bewees hem, dat hij hier geen gevaar meer te duchten had.
„Ikwilgeen wraak nemen,” sprak hij vast en beraden, „maar mijn plicht vordert gestrengheid. Ik moet nu achterdocht voeden; gij zijt mijn gevangene.”
„Schiet mij slechts door de borst, jonkman,” sprak de nog ter aarde liggende somber; „uw gevangene te zijn, is mij onverdragelijker dan de dood.”
„O, mijn vader!” snikte het jonge meisje en greep zijne hand. „Neen, neen, niet sterven. Hij zal medelijden hebben! Ik wil voor u bidden!” Zij sprong op en wendde zich tot Bernard. „O, uwe spraak verraadt, dat gij tot de beschaafden behoort! Uw hart zal den angst der dochter beseffen. Wij zijn verloren, als gij ons niet laat ontvluchten. Wees grootmoedig, houdt ons niet terug. Ik zou u goud bieden, maar ik durf den man niet beleedigen, van wien ik eene edele daad vorder!”
Bernard was met zich zelf in tweestrijd. „Ik vermag niet—houd op! Elk uwer woorden verzwaart de hardheid van mijn plicht. Ik vermoed nu, wie ik voor mij heb!”
De onbekende had zich intusschen weder opgericht. „Gij zijt een Duitscher,” sprakhij; „wat u hier ook brengen mag, uwe eerste plichten behooren het vaderland. Ik betuig u, gij schendt ze niet door mij de vlucht te vergunnen.”
„Neen, bij den hemel hierboven, dat doet gij niet,” riep het jonge meisje en hief de hand als tot eene bezwering omhoog; „het is geen misdaad, waartoe u mijn smeeken verleiden zal. Nooit, nooit zal uw hart u eenig verwijt behoeven te doen.”
In de verte liet zich het kletteren van wapens vernemen; men scheen te komen. Bernard wendde zich verschrikt om.
„O hemel!” riep de biddende, „als gij nog eene minuut toeft, is het te laat! Hoor het smeeken der radelooze!”
Bernard werd door de hevigste twijfeling geslingerd. Zou hij den eersten plicht der eer, dien zijn stand hem oplegde, schenden? Zou hij wellicht den vriend, die hem hielp redden, in het verderf storten? En toch, zijn eigen noodlot, maar bovenal de hem onbeschrijfelijk diep in het hart dringende stem der smeekende overwon hem. „Vlucht dan,” sprak hij haastig en liet zijne gewapende hand zinken, „maar ik mag, ik wil niet zien waarheen! Weg! weg!”
„Dank, dank!” fluisterde de schoone gestalte hem met eene in tranen en vreugde smorende stem toe, greep zijne hand en wilde ze aan haar vochtig gelaat brengen. Bernard verhinderde dit: „Haast u,” zuchtte hij,„om Gods wil, men komt nader!”
Toen hij den warmen handdruk der dankbaarheid ontving, bestormde een smartelijk, zalig gevoel zijne borst. Vinden en verliezen in hetzelfde oogenblik! Zou deze wonderbare, groote minuut, die twee zielen in ééne heilige gewaarwording deed samensmelten, spoorloos verdwijnen, als een regendrop die in den oceaan valt? Neen, dat mocht zij niet! Een aandenken, een herkenningsteeken voor toekomstige dagen wilde Bernard ten minste behouden. Daarom trok hij haastig den lichten handschoen van de hand van het belangrijke wezen, om dezen te behouden. Doch terwijl zijne vingers over hare zachte, bevende hand heengleden, voelde hij eensklaps een ring aan de hare. De gedachte, dat deze een teeken kon zijn, waardoor zij zich aan een ander voor eeuwig verbonden had, drong hem ijskoud door de ziel. Alsof hij haar aan de macht van dezen zou ontrukken, wanneer hij het onderpand der trouw roofde, greep hij driftig naar den ring en vorderde dien haar af. „Ik weet niet, wie ik hier ontmoette, ik mag het niet weten,” riep hij omstuimig, terwijl hij de sidderende, die zich juist wilde losrukken, om den reeds naar den oever ijlenden vader in te halen, half vasthield, half geleidde; „laat mij daarom dit aandenken, waardoor we elkander in gelukkiger dagen kunnen wedervinden.”
Terwijl hij sprak, trachtte hij haar het kleinood reeds van den vinger te schuiven. Zij bood een oogenblik tegenstand. „Juist dezen ring, ach juist dezen!” zuchtte zij; doch Bernard, vreezende, dat zij zou uitspreken, wat hem in duister voorgevoel beangstigde, viel haar heftig in de rede:
„Juist dezen wil ik; voleind niet; juist dezen of niets!” Maar hij had den roof reeds bemachtigd en haar tevens zijn eigen ring met onstuimigheid aan den vinger gedrukt. „De uwe kan u niet dierbaarder zijn dan mij de mijne,” ging hij voort, „ik geef u veel, misschien alles, wat ik te hopen heb. Maar mijn geloof staat vast, dat ik hem eens zal inlossen.”
Zijne drift had elke weigering vruchteloos doen zijn, ook wanneer de plicht der dankbaarheid het der onbekende niet onmogelijk gemaakt had, haren redder thans zijne eenige bede, al eischte deze wat haar het dierbaarst was, af te slaan.
„Zoo neem hem dan,” fluisterde zij onder het voortsnellen, „maar ik moet hem terug hebben, wanneer de krijg niet meer elken zachteren band tusschen de menschen vaneen scheurt.—Leef dan gelukkig en zij de Algoede steeds met mijn redder!”
Bij deze laatste woorden begaf haar de stem; zij wilde hare hand zachtkens uit de zijne losmaken, doch hij hield haar vast en drukte er een gloeienden kus op. Eindelijk reet hij zich met een bloedend hart los en ijlde terug.
Nauwelijks had hij zijne standplaats bereikt, of hij hoorde, dat de boot van den oever stiet en met vlugge riemslagen de golven doorkliefde. Hij haalde ruimer adem. „Thans zijn zij gered; het was hoog tijd!” En waarlijk, de aflossing naderde; nog kon hij het ruischen der roeispanen in de verte vernemen, toen ze voor hem stond.
„Niets nieuws op uw post?” vroeg de onderofficier; het was Petrowski.
„Niets,” sprak Bernard met bedaardheid.
„Afgelost!”
Lodewijk nam thans de plaats van zijn vriend in; voor Bernard was de dienst van dezen nacht afgeloopen. Haastig snelde deze naar huis; onder het voortspoeden vatte hij het besluit op, om het gansche voorval in zijn hart te begraven en noch aan Lodewijk, noch aan Jaromir het geringste mede te deelen, ten einde hen, bij mogelijke ontdekking, niet misschien ook met de verantwoordelijkheid belast te zien. Hij bereikte zijne kamer; in allerijl ontstak hij eene waskaars, om den ring nauwkeuriger te bezien. „Duivel!” riep hij uit, toen hij dien tegen het licht hield. „Is dat een goochelspel van den satan, of ben ik krankzinnig geworden?” Hij had zijn eigen ring in de hand. „O dwaas, die ik ben!” riep hij uit en drukte zich de vuist gramstorig tegen het voorhoofd; „die plompe, botte vingers hebben de ringen verwisseld. De hersens kon ik mij inslaan en met Frans Moor uitroepen: „Dat was dom, dom!””
Driftig stapte hij op en neder. „Ha! ha! ha!—Nu moet ik waarachtig de geschiedenis voor geheel de wereld uitkraaien; ha, zij is te potsierlijk fraai, om verborgen te blijven, als zij niet tevens zoo venijnig boosaardig was! En als zij nu de dwaling bemerkt! In welk hemelsch daglicht van onnoozele belachelijkheid moet de slimme redder voor haar staan. Bernard! Bernard! dat was een meesterstuk. Als die sul van een tooverleerling, staat gij thans voor de gesloten poort en hebt het woord vergeten, waarop zij openspringt.”
Hij werd week; tranen drongen in zijn oog. Hij wierp zich op een stoel en leunde met het hoofd op de hand.
„Ja, ja, dat gaat zoo,” mompelde hij voor zich zelf, „'t is mij geen nieuws meer; ik heb het immers meermalen ervaren. Het is de Nemesis van 't lot, dat mij, omdat ik het in mijne grimmigheid altijd een grijnslachend masker vertoon, in plaats van een krijtend melkmuilsgezicht, gewoonlijk met gelijke munt betaalt. Hoe vaak, als ik een vriend of eene geliefde aan 't hart dacht te drukken, schoof het mij eene smalle stroopop in de armen! Het doet toch zeer!—Een aandenken aan die schoone minuut had ik toch gaarne gehad.—Het is mij niet om 't weervinden te doen; want duizend tegen een, dat ik haar ooit weer te zien krijg. Wat de nacht met zijn geheimzinnig donker mij tooverachtig schoon deed voorkomen, is wellicht alledaagsch, als de zon er hare gemeene stralen op neer werpt!—En wil ik haar vinden, dan vind ik haar toch zonder den ring of andere nesterijen—maar—een aandenken had ik toch gaarne van haar gehad!”
Half treurende, half verdrietig wierp hij zich op zijn leger, om er den slaap niet te vinden.
De opera, waarvanRegnardgesproken had, zoude dien avond worden opgevoerd. Noch uit de benaming van het stuk, noch uit de personen, op het aanplakbiljet genoemd, kon Lodewijk opmaken van wien het was, en van den componist had men in het geheel geen melding gemaakt. Hij was dus zeer begeerig de muziek te hooren, te meer, daarFrançoiseaan de gravin verhaald had, dat ze verrukkend schoon was. Te zeven uur reed men naar den schouwburg; de gravin Lodoiska,Regnarden onze drie jonge vrienden waren te zamen in ééne loge. Met welgevallen liet Bernard zijne blikken langs de reeks van schoone vrouwen en meisjes zweven, die den eersten rang der loges versierde. „Waarlijk,” riep hij en stiet Lodewijk aan, „nog nooit zag ik eene zaal met zulk een heerlijken bloemkrans getooid als deze hier. InDrurylane, inKings theatre, inVauxhallvond ik de loges vrij lief bezet; de engelsche vrouwen zijn onweerstaanbaar door haar fijne leest, door haar smaakvolle kleeding, door de zachte maagdelijke uitdrukking van haar groot blauw oog; maar bij Sint Lukas, den patroon aller schilders, ik betuig u, 't zijn alle slechte onechte boheemsche steenen tegen de diamanten van het zuiverste water, die men hier ziet glanzen.”—„Lodoiska is toch nog verreweg de schoonste,” fluisterde Lodewijk, „ofschoon ik moet toestemmen, nog nooit een zoo rijken kring van schoone, vrouwelijke gestalten te hebben gezien.”
„De schoonste is zij niet, daarin moogt ge een oud kenner als ik ben vrij gelooven,” merkte Bernard op, „maar zij is de bekoorlijkste, de aanvalligste, de liefelijkste. Als alle schoone borstbeelden in de loges hier tegenover in marmer veranderen, zouden velen van deze ongetwijfeld edeler vormen vertoonen, ja, ik twijfel bijna, of zelfs de gravin haar misschien niet verdonkeren zou. Iets anders zou het zijn, wanneer wij al deze beelden op het doek voor ons hadden, en het tooverachtige spel der kleuren een schitterenden glans over den helderen hemel van het aangezicht wierp. Dan, geef ik u toe, zou Lodoiska de lenteroos, de slanke zachte lelie, het bescheiden viooltje, kortom, al wat bekoorlijk is tevens en de liefelijkste bloesem op dit gansche volle bloembed zijn.”
De invallende ouverture brak het gesprek af; Lodewijk werd aan den eersten toon gewaar, dat het geen andere opera dandie Schweizerfamiliewas, die men hooren zoude. Hij glimlachte wel een weinig over de sterke geestdrift, waarmede de overste van het werk gesproken had, maar begreep toch, datAlisettealsEmmeline, die op het biljet den herdersnaam Dorina bekomen had, eene zeer bevallige verschijning moest zijn. En dat was inderdaad zoo. De eerste inleidende tooneelen, trouwens ook niet dan zeer middelmatig voorgesteld, liepen af zonder bijzonderen indruk te verwekken. Maar reeds het eerste optreden vanAlisettemaakte de belangstelling in de hoogste mate gaande. Zij had het karakter zeer eigenaardig opgevat en uit de beperkte vormen en verven van den zwitserschen volksaard in een half denkbeeldig gebied overgedragen, zonder daarom zijne kenschetsende eigendommelijkheid geheel uit het oog te verliezen.In hare kleeding had zij wel is waar eenige aanduidingen van de zwitsersche volksdracht behouden, maar toch hier en daar eene smaakvolle wijziging aangebracht. Het haar droeg zij in vrije lokken, slechts met eenige linten saamgebonden, waarvan een van eene donkere kleur, het heldere, blanke voorhoofd begrensde; hals, boezem en nek waren niet zoo zorgvuldig bedekt als in de werkelijke landdracht, schoon zij het sierlijke, zwarte keurslijfje behouden had. Het kleed daarentegen hing, welvoegelijker dan gewoonlijk, tot ver over de enkels neer; ook was het niet zoo bolvormig, eirond opgevuld, maar deed de gestalte zeer voordeelig uitkomen. Met groote behendigheid wist zij den kleinen voet, die, met sneeuwwitte kousen bekleed en in een eng schoeisel besloten, de sierlijkheid zelve was, te doen opmerken, waardoor haar gang, haar stand en hare bewegingen iets zeer bevalligs erlangden. Zij geleek half een zwitsersch landmeisje, half eene herderin, zooals de idylle ze ons vertoont, en had op deze wijze de vorderingen van het eigenaardige volkskarakter zeer gelukkig met die der volmakende kunst in overeenstemming gebracht. Toen de eerste klanken harer liefelijke stem in zijn oor drongen, kon Lodewijk zich niet genoeg verwonderen, dat dit schijnbaar zoo teeder orgaan in staat was, de gansche ruimte der inderdaad niet kleine zaal in zulk eene mate met welluidende tonen te vervullen. Van het zachtste aanademen der tonen tot het zoete, zielvolle aanzwellen, was de klank in zijne zilveren helderheid overal te vernemen; men ontwaarde nergens eenige leemte, maar van de zachtste tot de hevigste uitdrukking van den hartstocht vond de betooverende kunstenares immer de juiste maat. Daar zij bovendien het gansche lichaam in al zijne bewegingen, tot zelfs het fijnste spel der gebaren en blikken, met de ziel harer tonen vervulde, moest het bekoorlijke beeld, dat zij voorstelde, wel aller harten onweerstaanbaar boeien. Reeds bij het eerste bedrijf versmolt Lodoiska in tranen. Bij de woorden: „Wie hoorde me immer klachten uiten!” waarinAlisetteals ware het den doodsangst der overstelpende vreugde uitdrukte, terwijl haar oog toch een zoo onbeschrijfelijk smartelijken blik ten hemel sloeg, dat men gevoelde, hoe haar hart dreigde te breken onder den last van het overmatig geluk—bij deze woorden bracht het geschokte meisje de hand onwillekeurig aan het hart, als wilde zij het daardoor tot bedaren brengen. Terwijl twee groote tranen in hare oogen opwelden slaakte hare borst een zachten, half gesmoorden zucht; zij was zoozeer door innig mededoogen getroffen, dat zij de smart, welkeAlisettezoo bedriegelijk voorstelde, bijna zelf gevoelde. Of was het eene voorzeggende stem, die zich half verstaanbaar in hare borst liet vernemen? Was het een duister voorgevoel, levendig geworden door de nabijheid van haar, die een verderfelijken invloed op het gesternte van haar leven dreigde uit te oefenen? Zag zij reeds den zwarten kop der adder, die zich nu nog onder geurige rozen schuil hield?
Jaromir, wiens frisch, levendig gemoed door elken indruk ras geboeid werd, was geheel oog en oor. Als eene betooverende Armida wistAlisettezijn hart te leiden; Bernard meende inderdaad te bespeuren, dat zij spel en blikken, gelijk reeds op den eersten avond, dikwijls uitsluitend tot den schoonen jongeling richtte. Doch ook hij zelf, wiens vrije blik anders zoo zelden beperkt werd, was thans door de kunst van het meisje te zeer betooverd, om zijne waarnemingen met de vereischte koele bedaardheid te kunnen voortzetten. En dit scheen bij alle verzamelde toeschouwers en hoorders het geval; door den wenk van haar oog beheerschteAlisetteelke borst; onweerstaanbaar sleepte zij het hart uit den diepsten afgrond der smarten tot het toppunt der vreugde met zich voort en deed het even snel weder dalen als rijzen.
Na het eindigen van het bedrijf verlietRegnardde loge; Bernard, die hem met argusoogen bewaakte, zag dat hij naar het tooneel ging. Hij werd meer en meer overtuigd, dat tusschenAlisetteen den overste eene zeer nauwe betrekking moest bestaan, doch even stellig hield hij zich ook verzekerd, dat het hart van het meisje daarin weinig deel had.
Jaromir wendde zich tot Lodoiska en vroeg: „Is dat niet onbeschrijfelijk schoon?”
„Maar ook onbeschrijfelijk beangstigend,” antwoordde deze en haalde diep adem.
Lodewijk, de eenige die de opera kende, en geoefend kunstgevoel genoeg bezat, om de welsprekende voorstelling niet met de wezenlijke waarde van het werk te verwisselen, uitte zich daarover veeleer als beoordeelaar dan wel als bewonderaar. De gravin, door hare jaren reeds boven de macht van onmiddellijke gemoedsindrukken verheven, luisterde met belangstelling naar zijne opmerkingen; ook Lodoiska liet zich gaarne uit hare onrustige, gejaagde stemming in die van een kalmer genieten overbrengen en was niet verstoord, dat Lodewijk haar door zijne bezadigde oordeelvellingen menige begoocheling aangaande de schoonheid van het kunstwerk ontroofde. Slechts Jaromir wilde niet gelooven, dat in hetgeen zijn jeugdig hart zoo diep getroffen had, iets gebrekkigs, iets minder schoons zoude te vinden zijn. Hij was tot hiertoe zoo ver van alle kunst verwijderd geweest, had zoolang met de ruwste bouwstoffen des uiterlijken levens te worstelen gehad, dat deze eerste stralen en klanken uit eene hem nog onbekende schoonere wereld hem natuurlijk als iets onovertrefbaars moesten voorkomen.
Het tweede bedrijf begon, en reeds de eerste tooneelen daarvan bewezen den onervarene, dat hij nog op verre na niet aan de grenzen van het bereikbare gestaan had; want gestadig nam de belangrijkheid toe, en toen eindelijk de laatste ontknooping van het werk daar was, met hare diep weemoedige vreugde, met haar weenenden jubel, toen dreigden de jonge, minnende harten onder den overstelpenden vloed van hartstochtelijke gewaarwordingen te bezwijken.Alisettewas echter ook zoo schoon, zoo roerend, zoo verheven in hare vreugde, dat zij zelfs voor den met bewustzijn genietenden Lodewijk het kunstwerk uit de lagere kringen, waarin het op zwakke, matte vleugels omzweeft, in eene hoogere meer zuivere sfeer overbracht, waar het zich op vrije vlerken in den zonneglans wiegen kon.
Lodoiska was tot in het diepste der ziel getroffen, maar niet gelukkig; duister rees het beklemmend gevoel in haar op, dat zij niet vermogend was zich met deze machtige tooveres, die haar zelve zoo tegen wil en dank medesleepte, te meten. Hoe zou zij den geliefde boeien, wanneer gene hare verleidelijke netten uitspande, hare zoetlokkende stem klinken liet en de zachte, blanke armen naar hem uitstrekte? Zij dacht dit alles wel niet dadelijk, maar het drukkend gevoel van armoede en zwakheid, dat edele zielen zoo licht bekruipt, daar zij hare eigene hooge waarde miskennen, doordrong hare borst. Wie ben ik, dacht zij, om met mijne liefde het hart des vriends te vervullen in eene wereld, die zoo oneindig veel schooners aanbiedt?—Het schuldelooze meisje besefte niet, dat een rein hart de schoonste diamant is, die het eigen leven en dat des vreemden versieren kan. Slechts de verblinde gaat dit kleinood achteloos voorbij, slechts de waanzinnige werpt het roekeloos van zich. Doch hoevelen legt een nijdige genius een zwarten blinddoek voor de oogen, zoodat zij in eeuwig duister door het leven ronddwalen en het geluk niet vinden, wanneer het de open armen naar hen uitstrekt!
De gravin en Lodoiska reden in gezelschap van den overste naar huis, de drie jongelieden volgden te voet en kwamen dus iets later aan het paleis. Toen zij de breede marmeren trappen opvlogen, kwam de gravin hun met een geheimzinnig, maar zeer tevreden lachje te gemoet. „Niet naar de eetzaal,” sprak zij, „volgt mij nog eerst in het spreekvertrek, want de tafel is nog niet behoorlijk gedekt.” Gewillig volgden haar de vrienden en vonden niemand dan den overste. „Lodoiska verkleedt zich,” vervolgde de gastvrouw, „en wij zullen ook nog eenig geduld moeten hebben, daar de lieveAlisettebeloofd heeft van het gezelschap te zijn.” De vrienden zaten in een vertrouwelijk gesprek met den rug naar de deur gewend, toen Jaromir eensklaps twee handen voor zijne oogen voelde, om hem te laten raden, wie de onbekende was; doch daartoe bleef hem de tijd niet, want eer hij nog gissen kon, waren Lodewijk en Bernard reeds met den luiden vreugdekreet: „Graaf Rasinski!” van hunne stoelen opgesprongen. Boleslaw was het, die Jaromirs oogen bedekt hield. Deze sprong op en omarmde den vriend en krijgsmakker met onstuimige heftigheid: Rasinski begroette hem met hetzelfde vuur. „Hoe is 't u gegaan? Zijt gij gezond en wel?” klonken de hartelijke vragen verward dooreen, zonder dat het antwoord afgewacht werd, daar men elkander frisch en bloeiend voor zich zag. „Duizend groeten van de uwen,” waren de eerste woorden, welke Rasinski na de eerste luidruchtige verwelkoming tot Lodewijk richtte; „mijne afreis kwam zoo overhaast op, dat er geen tijd was mij wijdloopige brieven mede te geven; intusschen heb ik toch eenige regels voor u, en met den volgenden postdag meer.”
De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht, het voor hem bestemde te mogen ontvangen.
Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust, dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde. Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen nader uiteenzette.
„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een goed teeken zijn, graafLomond; gij kunt op bevordering aanspraak maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd naarden grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend, kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijnSorenmoet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te gemakkelijker te kunnen betitelen.”
Zij traden het vertrek weder binnen.
„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons onttrekken.”
„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,” sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig verouderd,Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel, die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij voorheen zoo vaak bemoedigde.”
„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.
„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”
Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.
„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”
De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.
De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in beslag genomen.Alisettetrad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te begroeten.
„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”
„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een keur vangaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”
„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,” hernamAlisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”
„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,” merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkteFrançoisehem en was verrast, eenvreemdete zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te verhalen, datAlisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met schertsende vriendelijkheid eene roos;Regnardechter bekwam er geen. „Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten, keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik opRegnardwerpende.
„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”
Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond onverhoeds naast de gravin.
„Ach, daar zijt gij immers,” riepAlisetteuit en trad op haar toe; „hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen. En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en bleef vriendelijk maar dringend weigeren.
Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der beide schoone meisjes aan te zien.Alisette, in haar wit golvend gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk;Alisette's wangen en lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven; Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd en de sneeuwwittenek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk edel in gelaat en houding;Alisettehaar met rustelooze levendigheid omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.
Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem schemerde bevallig op den donkeren grond.
„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riepFrançoiseuit, toen zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”
Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid voor haar zelve lag opgesloten.
Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zichzelf enbesloot zijne navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”
Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.
Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska. Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog vanRegnarden de fijne opmerkzaamheid vanAlisetteop hare hoede te zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij, als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer jeugd, in vele punten van aanraking stond.
Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen? Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk eener zoete, hoopvolle verwachting.
De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen; dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof, Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner waarnemingen omtrent de verleidelijkeAlisette, noch aan het schilderen van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.
Op zekeren avond trad Rasinski de zaal, waar Jaromir, de gravin en Lodoiska bijeen zaten, driftig binnen met de woorden: „Ons lot is beslist. De keizer heeft den 29stenMei Dresden verlaten, zal zich eenige dagen inPosenophouden en trekt dan vermoedelijk, zonder Warschau aan te doen, opThorn. Wij hebben bevel bekomen, om morgen op te rukken en den weg naar Kowno in te slaan. Een dag is ons dus nog overig, en dien willen wij in den huiselijken kring doorbrengen. Heden nog kan ik broeder en vriend zijn, morgen ben ik niets dan soldaat.” Zijn oog fonkelde helder bij deze woorden en verhoogde den adel van den zachten ernst zijner wezentrekken. Op de vrouwen daarentegen maakte de tijding, die het hart der mannen, de onzekerheid sinds lang moede, met blijdschap vervulde, een bedroevenden indruk. Lodoiska verbleekte en sidderde; op de trekken der gravin stond eene kommervolle bezorgdheid te lezen: „Dus werkelijk reeds zoo spoedig?” vroeg zij opstaande en naar den broeder toetredende.
„De oorlog,” vervolgde deze, „schijnt thans onherroepelijk verklaard. Alle onderhandelingen, die laatstelijk doorNarbonnegevoerd werden, zijn afgebroken. Men zegt dat vooral het lot van ons vaderland den twistappel tusschen de beide heerschers werpt; Napoleon wil ons als eene vrije, zelfstandige natie erkend zien, doch Rusland is niet gewoon, den roof, dien het tusschen de bloedige klauwen houdt, los te laten. Het toont grimmig de tanden. Laat ons zien, of de Hercules, wiens opgeheven knods Europa doet beven, den kamp met dit monster zegevierend ten einde zal brengen!”
Een vuurgloed van verontwaardiging kleurde zijn gelaat. De zuster stond met treurige blikken voor hem, streek hem het haar van het voorhoofd en zeide, hare hand op zijn arm leggende: „Gij hadt vroeger een vroolijker vertrouwen, toen minder sterren van hoop aan den gezichtseinder blonken. Vat moed, broeder! Wanneer wij onsniet aan uwe moedige kracht kunnen opbeuren, wat zal ons dan ondersteunen en staande houden?”
Rasinski glimlachte. „Ik heb soms uren, zuster, dat ik alles uit een somber oogpunt zie; zulks is echter spoedig voorbij, en waar ik kracht en vertrouwen tot handelen noodig heb, ontbreken ze mij niet. Doch laat dat daar; heden en morgen behoor ik aan u, aan de lieve beperking van den huiselijken kring, en wil mij daarin geheel verplaatsen. Zelfs mijne blikken zullen de heilige grens niet overschrijden, die, als een gewijde toovercirkel, de zwarte geesten des levens van ons verwijderd houdt. Want treed ik over die tooverlijn, dan word ik een speelbal van de woeste zee, en de losgelaten stormen mogen mijne boot naar willekeur voortzweepen. Wij hebben immers ook nog huiselijke zaken af te doen,” vervolgde hij en wierp een blik op Lodoiska, „uwe schoone pleegdochter maakt aanspraak op onze zorg.” Het meisje sloeg het zachte oog ter aarde en een licht rood schemerde op hare wangen. „Ja, mijne kinderen,” vervolgde hij, tusschen de gelieven tredende, „hebt gij wel overlegd, wat gij doen wilt? Wie zou uwe liefde niet met vreugde aanzien? Gij zijt elkander waardig; Jaromir ken ik, hij zal een hart als het uwe, Lodoiska, als een kostbaar kleinood weten te schatten en te beschermen. Maar zijn dit tijden, om banden der liefde aan te knoopen? Mag men op een zaad hopen, dat in den stormwind wordt uitgestrooid? Wie gaat scheep, als de zee woelt en bruist; wie geeft een vreugdefeest in een huis, dat boven den afgrond waggelt? Hebt gij een maatstaf, waarnaar gij de vervulling uwer hoop berekenen kunt? Gij werpt u in den woeligen stroom, zonder te weten of de naaste golf u scheiden, dan aan een veiligen oever werpen zal.”
Lodoiska blikte Rasinski schroomvallig aan en zeide: „Zijn het dan niet juist de tijden van zorgen en gevaar, die men gemeenschappelijk te lichter draagt? Het geluk, den zonneschijn des levens geniet ook de eenzame voor zich zelf.”
„Maar de man zal geen wezen aan zijn lot verbinden, wanneer dit zelf onzeker is als de wentelende baar.”
„Waarlijk,” riep Jaromir levendig, „ik mag thans niet om u aanhouden, want alles staat op een te onzeker spel! Maar een verbond der hoop zou ik toch gaarne met u aanknoopen.”
Hij sprak deze laatste woorden met een zoo onschuldig smeekend gelaat, dat Rasinski onwillekeurig moest glimlachen. „Wanneer gij,” vervolgde hij, beider handen aangrijpende, „ernstig bedacht en overwogen hebt, wat gij doen wilt; wanneer het niet enkel de vluchtige roes van een oogenblik is; wanneer gij, Jaromir, uwe jeugdige lichtzinnigheid genoeg beheerschen kunt, om de proef van lange, ernstige jaren te doorstaan, dan hebt gij recht om eene verbintenis der trouw te sluiten en geen gevaar, dat haar van buiten bedreigt, mag u terugschrikken. Ook ik weet de edele gezindheid in den mensch op prijs te stellen, die in een donker uur des levens minnende harten meer voor de bezwaren dan voor de genoegens daarvan te zamen bindt. Uw oom, Lodoiska, heeft mij eene vaderlijke volmacht gezonden, om u met Jaromir te verloven. Wanneer gij dus niet beschroomd zijt, den ernstigen stap in het gebied der plichten te wagen, mag ik uwe handen ineen leggen en de ringen uwer gelofte wisselen.”
Het schoone wezen stond bevend en met donkeren rozegloed op de wangen voor den ernstigen, vaderlijken vriend. „Gij wilt dus?” sprak deze. In plaats van antwoord te geven, zonk zij sprakeloos aan de borst der gravin, doch liet hare rechterhandaan Rasinski die ze zachtkens in die van den verrukten jongeling nederlegde.
„O, hoe onuitsprekelijk gelukkig ben ik,” riep hij uit, terwijl hij de hand van het bevende meisje aan zijne lippen bracht.
„Zij is nu uwe bruid,” sprak Rasinski, „en door de heiligste plichten zijt gij aan haar verbonden. Zult gij den moed hebben, die te vervullen?”
„Tot aan mijn dood!” riep Jaromir heftig en drukte het bekoorlijke wezen, dat zich met de gansche teederheid van het vrouwelijke hart aan hem overgaf, onstuimig aan zijne borst.
Juist trad Boleslaw binnen en werd bleek als de dood, toen hij de twee in elkanders armen zag; ook hij toch had eene ernstige, diepe liefde voor de schoone Lodoiska opgevat, en niet vermoed, dat zij de verloofde van den vriend zijn konde. Met eene zelfbeheersching echter, die zijn streng, wel hartstochtelijk, maar toch vast karakter alleen mogelijk maakte, bedwong hij schrik en smart tevens en vertoonde een kalm gelaat, terwijl de doodsteekhem de borst verscheurde. Met vasten tred ging hij op de aanwezenden, van wie niemand zijne komst bespeurd had, toe. „Mag ik u geluk wenschen?” vroeg hij, zich tot Jaromir wendende.
„Neen,” riep deze vurig, „want ik bezit reeds het zaligste geluk, dat de aarde ons aanbiedt!”
De vrienden omhelsden elkander hartelijk; voor Lodoiska boog de jongeling zich ernstig, greep hare hand en sprak: „Wees gelukkig, in alles gelukkig!”—Nu sidderde en verbleekte hij toch; zijne jeugdige heldenkracht dreigde te bezwijken. „Weet gij al, dat wij overmorgen oprukken, graaf Rasinski?” richtte hij zich tot dezen, om het gesprek eene andere wending te geven.
„Voorzeker,” was het antwoord.
„Ook dat de oversteRegnardmet zijn regiment marcheert en de dragonders en de drie compagnieën rijdende artillerie eveneens?”
„Ik had slechts zooveel van het bevel vernomen, als mij zelf betreft. Overigens moet ik bekennen, dat dit geleide mij niet uitstekend behaagt, want hoe talrijker wij zijn, hoe slechter nachtkwartieren wij te wachten hebben. Ik bemin ons vaderland, maar zijne gastvrije steden en dorpen zijn eer geschikt om vijandelijke legers te laten verhongeren, dan om bevriende den kost te geven.”
Bernard en Lodewijk, die tegelijk met Boleslaw te huis gekomen, zich eerst naar hunne kamers hadden begeven, traden thans binnen en maakten den vriendenkring voltallig. Ook aan hen werd het bruidspaar voorgesteld, ook zij ontboezemden hunne beste wenschen.
Rasinski liet in den loop van den avond eene zachte opgeruimdheid blijken, die hem uiterst beminnelijk maakte. „Hoe jammer,” riep hij in het vervolg van het gesprek uit, „dat onze vriend Bernard sabel en lans zoo druk te hanteeren heeft gehad. Hij had waarlijk geen tijd, om aan penseel of krijt te denken; anders had hij mij het beeld der lieve bruid moeten teekenen.”
„En hij had het mij zelfs beloofd. Ten voeten uit wou hij haar schilderen!” riep Jaromir.
„Schoon ik tot het laatste geen tijd gehad heb, kan ik ten minste nog eene teekening beproeven,” viel Bernard hem in de rede. „De avond is lang; eene, hoe vluchtige schets is toch beter dan niets, en weinige uren zijn daartoe volkomen toereikend. Het is eene goede eigenschap van ons bedrijf, dat het in zulke gevallen slechts opeen deel onzer krachten aanspraak maakt en noch ons zelf, noch anderen in het gezellig onderhoud hinderlijk is; ten minste verlangen wij slechts zeer geringe opoffering. Hand en oog arbeiden, maar het oor kan den loop van het gesprek vrij volgen en de geest leent zich gemakkelijk tot beide verrichtingen. Vergunt mij dus, mijne kleine, vluchtige werkplaats hier voor eenige oogenblikken op te slaan, laat mij de lichten naar mijn zin plaatsen, geeft mijne oogen de anders niet zeer kiesche vrijheid, om zich scherp op het voorwerp mijner bezigheid te richten, en ik hoop nog iets te leveren, dat althans tot eene kleine vergoeding voor de grootere uitvoering, waartoe ons thans geen tijd blijft, dienen kan. Geeft u vrij en ongedwongen aan het gesprek over. Dikwijls heeft eene beeltenis oneindig meer waarheid en leven wanneer wij haar, zonder dat ons doel vermoed wordt, heimelijk afloeren, dan wanneer het voorwerp er zich toe zet, om op het doek te worden overgedragen. Het rampzaligst van alles is, wanneer iemand alle plooien en plooitjes van zijn gezicht met angstvallige bezorgdheid in orde schikt, om er de uitdrukking van ongedwongenheid toch recht kunstmatig in te brengen, of wel om het nog mooier te maken, een onnatuurlijk lachje om de lippen beitelt, zooals de naaister een kleed met linten garneert.”
Zijn gereedschap werd door een bediende binnengebracht, hij verplaatste de lichten, koos een geschikt standpunt en ging ijverig aan het werk. Het gesprek der overigen werd inmiddels voortgezet en ook hij nam daaraan ongedwongen deel, schoon hij soms slechts toeluisterde en slechts nu en dan enkele woorden daartusschen wierp om eene geuite meening goed te keuren, haar door eene losse opmerking te ondersteunen of een scherpen pijl der tegenspraak daarop los te laten.
Men behandelde intusschen slechts algemeene onderwerpen, die wel eene zekere deelnemende levendigheid verwekken, maar toch geene hartstochtelijke bewegingen der ziel veroorzaken konden. Zulks had Bernard uitdrukkelijk gevorderd, daar hij bij het losbarsten van onstuimige gemoedsdriften onmogelijk op de rustig begonnen wijze had kunnen voortteekenen; met groote behendigheid wist hij deze stemming te doen standhouden en steeds te rechter tijd het gesprek te beteugelen of aan te sporen, al naarmate het dreigde te verflauwen of al te levendig te worden.
„Ik ben klaar,” riep hij, nadat er twee uren verloopen waren, en sprong met het blad in de hand op. Nieuwsgierig drongen allen om hem heen, om zijn werk te beschouwen. Hij trad eenige schreden achteruit en hield plagend het blad met de rugzijde naar het gezelschap toe.
„Geen spanning, geen verwachting!” riep hij; „het is eene half mislukte schets, meer niets. Had ik tijd, die morgen te herhalen, ik zou het blad verbranden, eer iemand van u het gezien had; dat betuig ik u bij mijne kunstenaarseer, die ik juist op het punt ben een weinig aan de kaak te stellen.”
Thans wendde hij het blad om; men zag twee teekeningen. De eerste stelde Lodoiska voor, de tweede Jaromir, beide in borstbeeld, slechts vluchtig, maar geestig uitgevoerd en sprekend gelijkende. Allen verheugden zich in het geslaagde werk en bewonderden de zinrijke uitvoering; maar vooral Jaromir was verrukt en riep uit: „Welk een heerlijk geschenk, welk eene dubbele verrassing! Nu kan ik het beeld van mijn meisje medenemen en haar het mijne achterlaten.”
Lodewijk was de eenige, die de teekeningen nauwkeuriger beschouwde; na eenige oogenblikken zeide hij glimlachend: „Inderdaad, ik wist in den beginne niet, waarom gij die ouderwetsche lijsten om de beelden getrokken hadt; daar ik u ken, vermoeddeik dadelijk eene oorzaak, die ik nu meen gevonden te hebben. Waarlijk, de inval is goed en nog beter uitgevoerd.”
„Ja, ja, gij kent mijne streken,” hernam Bernard, „en weet, dat ik zelden honderd schreden rechtuit ga. Bokkesprongen op den effen weg zijn mij nu eenmaal tot behoefte geworden, want de Uilenspiegel zit mij onveranderlijk, van mijne geboorte af, in den nek.”
Na dit gesprek werden de overigen zeer begeerig, het geheim ontraadseld te zien. Nu men er eens opmerkzaam op gemaakt was, werd dit zeer gemakkelijk. Bernard had namelijk om elken kop een vierkante, schijnbaar ouderwetsch opgeluisterde lijst geteekend, elke hoek vertoonde een gezicht, en wel de uiterst welgelijkende beeltenissen der aanwezigen. Aan de beide bovenzijden waren Rasinski en zijne zuster, beneden Lodewijk en Boleslaw afgebeeld. Bovendien had hij aan elke lijst een knop gegeven, waaruit zijn eigen gezicht met hekelende spotachtige trekken op het gansche werk scheen neder te zien.
Deze luimige toegift tot het geschenk werd met levendigen bijval bekroond. Van alle zijden werd de schilder met lofspraken overstelpt en vooral Jaromir gaf zijne vreugde door luide ontboezemingen te kennen. „Zulk een beeld,” riep hij uit, „maakt mij waarlijk gelukkig, ja verheugt mij meer dan de schoonste schilderij; dit immers kan ik altijd bij mij dragen en mij in den aanblik verkwikken zoo vaak ik wil. Hoe trouw haar beeld mij ook overal verzellen zal, het is toch iets anders, als men het zoo werkelijk met de oogen zien kan.”
„Evenals het nog niet iets anders en duizendmaal schooner is,” hernam Bernard, „als men de geliefde zelve voor zich ziet, niet waar?”
Lodoiska sloeg het oog neder, daar Bernard haar bij deze woorden aanzag; doch spoedig hief zij het weder op en blikte Jaromir met eene onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde aan, als wilde zij daardoor Bernards woorden bevestigen.
Hoeveel reden ook elk der aanwezigen hebben mocht om sombere gedachten te koesteren, door deze kleine verrassing was toch zulk een aangenaam, helder licht op de donkere grondkleur der gemoederen gevallen, dat men, zoo al niet in een vroolijke, dan toch in eene kalme en zacht opgeruimde stemming geraakte.
Zoo voldeed de kunst dan ook hier aan hare schoone roeping, door zacht bemiddelend in den ruwen strijd des levens te treden en zijne donkere, moeielijke paden te verlichten en te effenen. O, niet genoeg kunnen wij den goedertieren Schepper danken, dat Hij eene schoone gestalte uit zijn Hemel deed nederdalen, wier taak het is, de scherpe omtrekken der werkelijkheid door eene zachte schakeering der kleuren te doen wegsmelten en over de woest neerbruisende stortbeek der hartstochten den schemerenden stofregenboog uit te spannen, die ons bewijst, dat de stralen der goddelijke zon tot in de diepste, verborgenste aardkloof doordringen.
Reeds in den vroegen morgen dreunde het roffelen der trommen en het schetteren der trompetten door Warschau's straten en riep de troepen tot den afmarsch te zamen.Het vervulde Lodoiska met bange beklemdheid, daar zij thans den geliefde harer ziel aan duizend dreigende gevaren zoude prijsgeven.
Niet zoo angstig bezorgd, maar de borst met zoete verwachtingen voor het vaderland vervuld, zag de gravin de scheiding te gemoet; zij was te zeer poolsch, om niet met een inmengsel van blijden trots de krijgszuchtige tooneelen te beschouwen, welke de onrustige dagen van dien tijd haar zoo ruimschoots aanboden. Ook haren broeder, die haar het liefste op aarde, ja, die haar alles was, daar zij zonder hem geheel alleen stond, ook hem zag zij met kalmte aan den spits zijner schaar ten strijde trekken.
Een gekletter van sabels op de trap verkondigde haar het naderen van Rasinski en zijne kameraden, die in het vertrek der vrouwen traden om afscheid te nemen. Zij waren in volle uniform; sjerp en sabel versierden hen en van de czapka wuifden blinkende vederbossen. Het krijgsmanskleed verleent aan lichaam en ziel dezelfde krijgshaftigheid. Het is, alsof men zich de roeping van dien stand door zijne uiterlijke kenteekenen te beter bewust wordt. Vandaar waren de mannen bij het werkelijk afscheid nemen minder geroerd, dan hunne vroegere weeke stemming had doen vermoeden. Rasinski drukte de zuster met broederlijke warmte aan zijne borst en sprak mannelijk en vast: „Wij trekken uit tot eene hooge roeping; geen smartgevoel beklemme onze ziel. Slechts heilige geestdrift voor het vaderland mag haar doorgloeien. Wij zullen onze ontwijde altaren reinigen, den verdreven vaderlandschen goden eene nieuwe haardstede vesten, aan onze oude grenzen het wapen der Jagellonen weder neerplanten, hunne heilige vanen wederom laten wapperen tot roem van ons volk! Vaarwel, zuster! niet mij, niet ons, slechts onze wapenen verzelle uw zegen, slechts voor de overwinning rijze uw gebed tot den Almachtige omhoog! 't Zij wij vallen of wederkeeren, 't is hetzelfde, als slechts Polens witte arend met trotsche vleugels uit de donderwolken van den slag tot den helderen hemel der vrijheid opstijgt. Leef wel! God spare u voor eene betere toekomst!”
Hij liet den opgeheven arm zinken, omhelsde de zuster nog eenmaal, drukte ook op Lodoiska's bleeke wangen een kus, verliet met rasse schreden het vertrek en ijlde naar beneden, om zich in den zadel te werpen.
Jaromir klemde zijne bruid onder het storten van heete tranen aan de borst; verlangend sloeg zijn hart den kamp voor het vaderland te gemoet, maar het bloedde bij het scheiden van de geliefde. Zij weende nauwelijks, want eene kille doodsangst, vreeselijker dan de diepste smart, had hare tranen versteend. Slechts uit hare bleeke wangen en lippen, uit haar koortsachtig rillen liet zich de hevigheid van het lijden opmaken, dat haar in dit oogenblik bijna ontzielde.
Jaromir legde het sidderend marmerbeeld aan de borst harer moederlijke pleegster.
Deze weende haar angst in tranen, welke zij tot hiertoe bedwongen had, over het geliefde wezen uit. Voor het afscheid der drie jongelingen, die haar niet zoo nauw aan het hart lagen, schoon het, vooral in het uur der scheiding met warme vriendschap voor hen sloeg, voor dit vaarwel had zij slechts benevelde blikken en eene in sprakeloosheid toegereikte hand.
Boleslaw bleef de laatste in het vertrek. In zijne ernstige, hijgende borst woedde de storm van den hartstocht met verteerende macht. Hij zag haar, die voor eeuwig de zijne en hem voor eeuwig ontrukt was, als een beeld des doods voor zich, zag haar met mat gesloten oogen in de armen der moeder hangen; hij beefde, hij vermocht nauw staande te blijven, zoo krampachtig verscheurde hem de smart, die vruchteloosom den zachten dauw van een traan kampte. De storm der driften dreigde hem te overweldigen; het scheen hem, als mocht, als moest hij de geliefde aan het hart klemmen en hare liefde vorderen, daar de zijne grooter, waarachtiger, heiliger was dan die van Jaromir. Eene innerlijke stem riep hem toe: Drink, drink ten minste eenmaal den beker der zaligheid van hare lippen; drink, al moest hij u tot gloeiend gif worden! Eene koortsrilling huiverde hem door alle leden. Doch zijn betere genius behield de zege. „Neen,” riep hij sidderend, „dat ware meer dan broedermoord! Weg, weg!”—met deze woorden stormde hij het vertrek uit.
Eigen smart en verdooving hadden den blik der vrouwen zoo verduisterd, dat zij deze worsteling niet eenmaal opmerkten. Lodoiska hing nog immer bewusteloos in de armen der moeder; eindelijk sloeg zij het oog op en barstte in een stroom van tranen uit, doch met deze bezweken hare laatste krachten en zij zeeg, door de armen der gravin gehouden, in zwijm op een rustbed neder.
Daar buiten schetterden luid de trompetten. Men hoorde den dreunenden hoefslag van af- en aanrennende ruiters. De gravin snelde naar het venster. Het was Rasinski's nieuw regiment, dat zich voor het paleis verzamelde, om den chef te ontvangen. Eene krijgszuchtige veldmuziek vormde de spits van den trein; eenige officieren kwamen met lossen teugel aanstuiven, om Rasinski te begroeten. Deze kwam op zijn steigerenden arabischen schimmel, mannelijk schoon, in eene vorstelijke houding uit de slotpoort te voorschijn. Jaromir volgde hem op een slanken goudvos, die met de sierlijke vlugheid van een hert over den grond heenvloog; eenige oogenblikken later zag men Boleslaw op een ros, welks manen verwilderd om den trotschen nek zwierden, in eenige stoute sprongen uit de poort hollen. Hij was bleek als de dood en zijn oog rolde woest en somber onder de donkere wenkbrauwen, toen hij zich half in den zadel omwendde en naar de gravin opzag, die hem met een vriendelijk lachje haren groet toewierp.
Thans daverde de luide juichtoon der krijgslieden, die hun aanvoerder welkom heetten; de vroolijke veldmuziek viel jubelend in, vaandels golfden in den morgenwind, wapens flikkerden in zonneglans, rossen brieschten en snoven, vederbosschen wapperden, levendiger en levendiger werd het bonte gewoel. De kalmte, die bij den aanblik dezer moedige scharen de borst der gravin doordrong, gaf haar de overtuiging, dat ook Lodoiska's smart daardoor gelenigd en zij zelve tot een edelen moed ontvlamd moest worden. Zij trad dus op de machteloos neergezonkene toe en noodigde haar vriendelijk uit op het balkon te treden, ten einde den uittocht der dapperen mede aan te zien. „Schep moed, kom tot u zelve,” sprak zij met zachte overreding; „elk vast willen en moeten wordt een hecht steunsel, waaraan de smart, waaronder wij meenen te bezwijken, zich staande houdt. Het zal u troosten en sterken, den geliefde als man en held te zien, daar hij in blinkenden wapendos te velde trekt, om voor het vaderland te vechten. De achting doet onze liefde toenemen, en met haar de kracht, om te dragen en te lijden. Kom, zamel uwe krachten bijeen, toon den scheidenden vriend een bemoedigend gelaat; hij gaat ernstige beproevingen en gevaren te gemoet, die hij lichter overwinnen zal, als het beeld eener sterke, geloovig vertrouwende geliefde hem verzelt, dan wanneer zij hem weeklagende en hopeloos kermende voor de oogen zweeft.”
Lodoiska voelde zich door deze zachte, overtuigende toespraak gesterkt; haar minnend hart erkende, dat het plicht was, den vriend het uur des afscheids minsmartelijk te maken. Zij verzamelde dus al hare krachten en volgde de gravin, die haar door de aangrenzende zaal op het balkon bracht.
Reeds het gezicht der woelende, golvende gelederen verruimde den geprangden boezem; kracht toch verwekt kracht. Juist begonnen de klokken der hoofdkerk ter vroegmis te luiden, zoodat deze ernstige, statige tonen zich met het luidruchtige krijgsgejoel vermengden. Het lichtblauw gewelf des hemels werd door geen wolkje ontluisterd, de vogels dartelden vroolijk door het groen; de frissche adem van den schoonsten, heldersten morgen deelde aan alles lust, leven en veerkracht mede. Het was, alsof de goedheid Gods zich eens recht levendig vertegenwoordigen en door duizend teekenen aan den mensch verkondigen wilde: Ik ben u eeuwig nabij met mijne onuitputtelijke liefde en ontferming. Welke smarten, welk lijden gij in uwen waanzin ook bereiden moogt, ik ben altijd tegenwoordig, om met zachte hand de wonden te heelen, die gij u zelven in uwe verblinding toebrengt.
Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir; deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de vrouwelijke gestalten op het balkon.
Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen onderscheidt.