HOOFDSTUK V.

„Nu”, sprak Benno, „open nu de oogen! Nu is het tijd, om in het rond te zien.”„Almachtige hemel!” riep Lodoiska en trad verbleekend eene schrede terug, toen zij den duizelingwekkenden afgrond zoo eensklaps voor zich geopend zag. Doch spoedighad zij zich hersteld, trad, hoewel nog een weinig sidderend, aan Benno's hand weder dicht aan de lage vensteropening en blikte naar beneden. „Welk een huiveringwekkend genot!” sprak zij, angstvallig rondziende. „Schoonheid en ontzetting, hoe zonderling gaan zij hier gepaard!”„Welnu,” vroeg Benno,„is de rots hoog? Verdient zij haren naam: Rots der Verschrikking?”„Voorzeker, voorzeker! O het is hier verrukkelijk schoon!” riep het meisje, wier angst weldra in bewondering overging. „Hoe klein schijnen onze gondels daar in de oeverbocht. Reeds het tuintje van den poortwachter hier dicht onder ons ligt diep, en van daar daalt de rots toch eerst recht steil naar beneden. Zie slechts, hoe de zwaluwen bijna zoo diep onder ons vliegen als anders boven ons!”„De roofvogels blijven toch nog altijd hoog boven onze hoofden,” merkte Benno aan; en wees op een havik, die juist schuins over het dal streek en zich op breede vlerken wiegde.Lodoiska sloeg het oog naar boven. Juist stond de roofvogel bijna onbewegelijk en liet zich op de wijd uitgespannen wieken drijven. Eensklaps schoot hij pijlsnel op eene vlucht bergduiven neder, die vreedzaam onder hem rondkruisten. De verschrikte dieren fladderden haastig naar alle richtingen uiteen; maar de roover had reeds een in het oog gevat en joeg het met uitgebreide vleugels voor zich uit. De duif nam hare vlucht naar den toren, doch bijna in hetzelfde oogenblik, dat zij deze zekere schuilplaats bereikte, was ook de vijand haar genaderd en greep, nabij de plek waar Lodoiska stond, het angstig fladderende diertje met zijn scherpe klauwen grimmig aan. Het meisje zag eenige witte veeren vliegen en hoorde het angstig gekrijsch van het schuldelooze offer. In de snelle vaart zijner vlucht streek de havik zoo na aan den toren voorbij, dat hij met de breede, grijze vleugels de hoeksteenen raakte, waarna hij zich, schuw voor de menschen, doch zonder zijn roof te laten varen, weder hoog in de lucht verhief.De vrouwen—want ook Maria, de gravin en eenige andere dames waren inmiddels in den toren getreden—hadden met deelneming het schouwspel aangezien. Medelijden met het gekwelde diertje, dat niemand redden kon, en zelfs ook schrik voor den wilden, heesch krijschenden roofvogel hadden allen meer of min getroffen; maar Lodoiska zag bleek als de dood en sidderde hevig. Door het beklemmend gevoel, dat het duizelingwekkend hooge standpunt, waarop zij zich zoo eensklaps had verplaatst gezien, in haar verwekt had, was zij nog te zeer ontroerd, om niet door een tweede, soortgelijke gewaarwording ten hevigste geschokt te worden. Het gelaat afwendende trad zij terug, en toen haar oog de gravin ontdekte, wierp zij zich met eene krampachtige stuiptrekking aan hare borst en uitte eenige woorden in hare moedertaal. Hare moederlijke vriendin fluisterde haar in dezelfde taal een antwoord in het oor en wendde zich vervolgens, als om het gebruik der vreemde taal te verontschuldigen, tot de aanwezigen: „Zij heeft iets dergelijks gedroomd, daarom heeft het gezicht haar zoo getroffen.”„Ja, het was een droom, een recht akelige droom,” stamelde Lodoiska met een gedwongen lachje; „maar ik wil niet verder daaraan denken,” voegde zij er met meer kalmte bij en trad in den kring der overigen terug.HOOFDSTUK V.Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen. Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag legde.De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook brachtArnheimhier tegen in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar, Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden, besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken, enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met eenvoudig verhevenetrekken aan. Benno, die met de landstreek nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen, welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen, verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is hier boven in groote menigte te vinden.”Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in hunne rust gestoord werden.„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren reeds inTeplitzgezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover ophield.”Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen. Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een rijk landeigenaar uit den omtrek, dienErlhofen, Arnheimen Benno van nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als de heerenSt. LucesenBeaucairevoorstelde, bij het gezelschap aan te sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder uitoefenden.Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld, alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij het afklimmen moest verdeelen, hieldSt. Lucesdenritmeester een weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar stand en naam der aanwezigen. OokBeaucairedrong nader. De namenErlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen vrij onverschillig te laten; toenArnheimechter Maria noemde, viel de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe?Rosen? Uit Dresden? Hebt gij 't gehoord,Beaucaire?”„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame uitdrukkingArnheimsaandacht tot zich trok.„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.„Eenigszins geëerde vriend,” hervatteSt. Luces, „eenigszins. Ik heb haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit zeggende wierp hij echterBeaucaireeen zoo zonderlingen blik toe, dat de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt, en deze onverwachte kennis welkeSt. Lucesmet haren naam toonde te hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of met hare bloedverwanten hier?”„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoorddeArnheim, „die evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”„Dus is haar broeder hier niet?”„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de minste inlichting geven.”„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroegSt. Lucesmet eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang stelde.„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen intusschen niet verder na, enArnheimzocht zich van hem los te maken, wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken, eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op zijde te komen.„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden het geluk gehad te hebben....”„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld; „het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene betrekking hoegenaamd heb gestaan.”„Wellicht in geene nadere,” vervolgdeArnheim; „en toch waart gij den ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den schouwburg te hebben gezien.”„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij sprak met zooveel geestdrift, datArnheimvreesde haar mishaagd te hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht het gevolg van zulk eene verkeering geweest.„Ik kan u betuigen,” vervolgdeArnheim, „dat ik slechts letterlijk herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij vermoeddeArnheimte hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk, wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was, terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven; men bereikte dan ook weldra denSchreckenstein, waar men nog eene wijle vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden eener gitaar lieten hooren.Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde, aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht, alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens voortdobberde.De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van denSchreckensteinvervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote blauwe oog naar het licht opsloeg en meteene welluidende stem het in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige vlammen.Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? ZelfsSt. LucesenBeaucairehadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld, en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken.Erlhofenkon echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt, en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld. De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is, wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen op de hobbelige straat naarTeplitz. In 's hemels naam dan, mijne onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen. Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door het schooneschijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar huis.De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd. Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze met zoet weemoedige aandoeningen.HOOFDSTUK VI.De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad, waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen, hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken, zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen zij binnentrad, ontwaakte vrouwHolder, want deze was het die in den leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen; zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees. Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouwHolderkwam haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur gesloten was, met bevende stem.„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen, toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw, en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen. Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten. Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van hare onpasselijkheid.”Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouwHolder, alles, volstrekt alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen! Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, wantgestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in hare ziel op.„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde vrouwHolder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat de zieke een weinig bloed had opgegeven.”„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen, vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouwHoldernaar een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven. Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen; want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid zijn van het lange rijden en wandelen.”Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed, schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.Na eenige uren trad vrouwHolderaan hare legerstede en deed haar uit hare lichte sluimering ontwaken.Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te verraden.„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe gaat het u? Voelt gij u iets beter?”De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat haar door dezelfde hand werd toegezonden.Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en bood haar deop het dek rustende hand door een langzaam omwenden en openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd verscheurd.„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet door wenken kunt uitdrukken.”Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen, moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest, de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden, versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen, meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd. Maria las:„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken. Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot, geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt,welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde? Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving. Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst, die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze, die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde, zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan, alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij opmerkzaam onderzocht.„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de kalmeerende middelen voortgaan.”Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was, zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat innuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij niet het geringste verborgen!”„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den middag zal zich denk ik, alles beslissen.”Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te beuren.„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige, dat ik thans op aarde bezit!”„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder. Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen, en ik zal terstond hier zijn.”Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel overweldigd te worden.Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.HOOFDSTUK VII.St. LucesenBeaucairewaren, in hunne woning terugkeerende, te vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediendeBeaucairehet ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naarSt. Luces, dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden napoleons buitgeld kan opbrengen.”„Zeker, zeker,” hernamSt. Lucesmet een tevreden glimlachje; „de vraag is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige volmachten te verzoeken, om ook hetbestuur hier in den arm te kunnen nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatteBeaucaire; „ik vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen wie men niet met gestrengheid handelenwil; anders had men reeds lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen. Had men dat dus door de beteekenis der vrouwenwillenontdekken, zoo ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen, voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan. Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om achter het geheim te komen.”„En die waren?” vroegSt. Lucesopmerkzaam.„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” gingBeaucairemet een sluw, boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde staatsstukken?”„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede zal zijn!”„Wie zou ons herkend hebben?” riepBeaucaire. „Het jonge meisje? Dat hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden, was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”„Ook ik niet,” hervatteSt. Luces; „maar juist aan hare houding, aan hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen zijn?” riepBeaucaireuit.„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen verzenden, wellicht zelve afreizen!”„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”St. Lucesging nadenkend op en neder.„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan de kaak stellen?”„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatteBeaucaireeenigszins geraakt, „u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen wist aan te knoopen, waarbij nogmeer op het spel stond. Wanneer ben ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan te leggen en uit te spinnen.”St. Lucesging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide: „Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in, die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”„Laat alles vrij op mij aankomen,” riepBeaucairemet eene nederige buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen minuut te verliezen.”Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug, om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te beginnen.Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden; wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen, dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende groene oogenBeaucaireeen zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich den besten uitslag voorspelde.„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit plachtBeaucaire's doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen, verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is. Intusschen gingBeaucaireook nog verder met behoedzaamheid te werk; hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de brievenmaal gestoord werden. Debeambte opende de lijst, waarop de adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ookBeaucairewierp een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naamRosen.Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden, deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel lag.Beaucaireverstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een triomfeerend gelaat inSt. Luces'kamer en sprak: „Wat nu, heer baron, indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van het geheim reeds mijn ware!”„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op.Beaucairereikte hem den brief over;St. Luceslas verbaasd het opschrift.„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel geven?”„Hoe zoo?” zeideSt. Luces.„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatteBeaucaireen maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!” juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had:„„Uw getrouwe L.” de onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprakSt. Luces; „echter zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken, tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernamBeaucaire, „en ik ben zóó verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken, dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker, want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”St. Luceswas inwendig hevig geërgerd, datBeaucairein deze ontdekking zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe te schrijven, daartoegevoelde hij niet de geringste neiging. Hij was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden, hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs ook, wilde hijBeaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem daardoor elken argwaan te benemen.„Ik moet aan uwe talenten volle recht laten wedervaren, mijn lieveBeaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is wellicht ook de vleiendste.”Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken, zoo vond ookBeaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht door een valschen schijn te laten misleiden.St. Lucesbezat echter ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had.Beaucairekon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen.St. Luces'ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door; des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen, wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, namBeaucairedit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand onopgemerkt overhandigde.St. Lucesbleef in gedachten verzonken aan het venster staan en overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking zich zelf toe te eigenen.HOOFDSTUK VIII.Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om haar nieuwen kommerte bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten, dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid, met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het anders besloten.De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke; herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter, in uw armen....!”Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij ademloos, toen vrouwHolderintrad, en deze ijlde haastig weder terug, om dien te ontbieden.„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden, dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af, maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op het kussen achterover.Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten, slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje, de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst. De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees bevende open boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de wereld.Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten, die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouwHolder. „Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouwHolder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!” doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk. Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken, was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet aan vrouwHolderalleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk doodkleed te wikkelen.Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn, maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig, daarmede bezig te houden.Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet, dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze niet in den eigen boezem omdraagt.De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm, zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om de lippen.De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste, zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde: „Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte, op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide: „Schreiniet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe gerust zij slaapt?”Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld. Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat. Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen. Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd en sprak troostend: „Weesmijnedochter!”—„Enmijnezuster!” fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.O, hoeweldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting, waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den donkeren vloed der smarte en des lijdens.Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht, eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte. „Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem, want in uw huis vond hij als LodewijkSorenmet zijne vriend Bernard de liefderijkste toevlucht.”„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria, en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij noemde zij ook de namenSt. LucesenBeaucaire, waarop de gravin, die voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn konden. Thans viel Maria ook te binnen, watArnheimhaar gisteren gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe verzendt gij uwe brieven?”„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet zonder te blozen.„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring acht te slaan;„maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het vervolg uwe briefwisseling.”Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde hulsel van haar, in wie zij beide verloor.In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe kalm, hoe vroom, hoe rustig!”„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij was van Lodewijk; dezelfde, dienBeaucairevoor een uur met misdadige handen geopend had.„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij, aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voorzijnleven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is, en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten, om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen. Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om aanstalten tot hare ontvangst te maken.Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest, slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord, haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en doodsch!In de huisdeur stond vrouwHoldermet haar beide meisjes. De goede vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het voorschoot de tranen uit de oogenwischte. Anna verschool zich schuw en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw weer te huis!”„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort, om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.

„Nu”, sprak Benno, „open nu de oogen! Nu is het tijd, om in het rond te zien.”

„Almachtige hemel!” riep Lodoiska en trad verbleekend eene schrede terug, toen zij den duizelingwekkenden afgrond zoo eensklaps voor zich geopend zag. Doch spoedighad zij zich hersteld, trad, hoewel nog een weinig sidderend, aan Benno's hand weder dicht aan de lage vensteropening en blikte naar beneden. „Welk een huiveringwekkend genot!” sprak zij, angstvallig rondziende. „Schoonheid en ontzetting, hoe zonderling gaan zij hier gepaard!”

„Welnu,” vroeg Benno,„is de rots hoog? Verdient zij haren naam: Rots der Verschrikking?”

„Voorzeker, voorzeker! O het is hier verrukkelijk schoon!” riep het meisje, wier angst weldra in bewondering overging. „Hoe klein schijnen onze gondels daar in de oeverbocht. Reeds het tuintje van den poortwachter hier dicht onder ons ligt diep, en van daar daalt de rots toch eerst recht steil naar beneden. Zie slechts, hoe de zwaluwen bijna zoo diep onder ons vliegen als anders boven ons!”

„De roofvogels blijven toch nog altijd hoog boven onze hoofden,” merkte Benno aan; en wees op een havik, die juist schuins over het dal streek en zich op breede vlerken wiegde.

Lodoiska sloeg het oog naar boven. Juist stond de roofvogel bijna onbewegelijk en liet zich op de wijd uitgespannen wieken drijven. Eensklaps schoot hij pijlsnel op eene vlucht bergduiven neder, die vreedzaam onder hem rondkruisten. De verschrikte dieren fladderden haastig naar alle richtingen uiteen; maar de roover had reeds een in het oog gevat en joeg het met uitgebreide vleugels voor zich uit. De duif nam hare vlucht naar den toren, doch bijna in hetzelfde oogenblik, dat zij deze zekere schuilplaats bereikte, was ook de vijand haar genaderd en greep, nabij de plek waar Lodoiska stond, het angstig fladderende diertje met zijn scherpe klauwen grimmig aan. Het meisje zag eenige witte veeren vliegen en hoorde het angstig gekrijsch van het schuldelooze offer. In de snelle vaart zijner vlucht streek de havik zoo na aan den toren voorbij, dat hij met de breede, grijze vleugels de hoeksteenen raakte, waarna hij zich, schuw voor de menschen, doch zonder zijn roof te laten varen, weder hoog in de lucht verhief.

De vrouwen—want ook Maria, de gravin en eenige andere dames waren inmiddels in den toren getreden—hadden met deelneming het schouwspel aangezien. Medelijden met het gekwelde diertje, dat niemand redden kon, en zelfs ook schrik voor den wilden, heesch krijschenden roofvogel hadden allen meer of min getroffen; maar Lodoiska zag bleek als de dood en sidderde hevig. Door het beklemmend gevoel, dat het duizelingwekkend hooge standpunt, waarop zij zich zoo eensklaps had verplaatst gezien, in haar verwekt had, was zij nog te zeer ontroerd, om niet door een tweede, soortgelijke gewaarwording ten hevigste geschokt te worden. Het gelaat afwendende trad zij terug, en toen haar oog de gravin ontdekte, wierp zij zich met eene krampachtige stuiptrekking aan hare borst en uitte eenige woorden in hare moedertaal. Hare moederlijke vriendin fluisterde haar in dezelfde taal een antwoord in het oor en wendde zich vervolgens, als om het gebruik der vreemde taal te verontschuldigen, tot de aanwezigen: „Zij heeft iets dergelijks gedroomd, daarom heeft het gezicht haar zoo getroffen.”

„Ja, het was een droom, een recht akelige droom,” stamelde Lodoiska met een gedwongen lachje; „maar ik wil niet verder daaraan denken,” voegde zij er met meer kalmte bij en trad in den kring der overigen terug.

Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen. Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag legde.

De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook brachtArnheimhier tegen in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar, Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden, besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.

De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken, enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met eenvoudig verhevenetrekken aan. Benno, die met de landstreek nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen, welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen, verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.

„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is hier boven in groote menigte te vinden.”

Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in hunne rust gestoord werden.

„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren reeds inTeplitzgezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover ophield.”

Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen. Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een rijk landeigenaar uit den omtrek, dienErlhofen, Arnheimen Benno van nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als de heerenSt. LucesenBeaucairevoorstelde, bij het gezelschap aan te sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder uitoefenden.

Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld, alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij het afklimmen moest verdeelen, hieldSt. Lucesdenritmeester een weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar stand en naam der aanwezigen. OokBeaucairedrong nader. De namenErlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen vrij onverschillig te laten; toenArnheimechter Maria noemde, viel de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe?Rosen? Uit Dresden? Hebt gij 't gehoord,Beaucaire?”

„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame uitdrukkingArnheimsaandacht tot zich trok.

„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.

„Eenigszins geëerde vriend,” hervatteSt. Luces, „eenigszins. Ik heb haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit zeggende wierp hij echterBeaucaireeen zoo zonderlingen blik toe, dat de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt, en deze onverwachte kennis welkeSt. Lucesmet haren naam toonde te hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.

„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of met hare bloedverwanten hier?”

„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoorddeArnheim, „die evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”

„Dus is haar broeder hier niet?”

„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de minste inlichting geven.”

„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroegSt. Lucesmet eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang stelde.

„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen intusschen niet verder na, enArnheimzocht zich van hem los te maken, wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken, eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op zijde te komen.

„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden het geluk gehad te hebben....”

„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld; „het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene betrekking hoegenaamd heb gestaan.”

„Wellicht in geene nadere,” vervolgdeArnheim; „en toch waart gij den ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den schouwburg te hebben gezien.”

„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij sprak met zooveel geestdrift, datArnheimvreesde haar mishaagd te hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht het gevolg van zulk eene verkeering geweest.

„Ik kan u betuigen,” vervolgdeArnheim, „dat ik slechts letterlijk herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”

„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij vermoeddeArnheimte hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk, wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”

Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was, terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.

De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven; men bereikte dan ook weldra denSchreckenstein, waar men nog eene wijle vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.

Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden eener gitaar lieten hooren.

Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde, aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht, alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens voortdobberde.

De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van denSchreckensteinvervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote blauwe oog naar het licht opsloeg en meteene welluidende stem het in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige vlammen.

Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? ZelfsSt. LucesenBeaucairehadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.

Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld, en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken.Erlhofenkon echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt, en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld. De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is, wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen op de hobbelige straat naarTeplitz. In 's hemels naam dan, mijne onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen. Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door het schooneschijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar huis.

De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd. Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze met zoet weemoedige aandoeningen.

De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad, waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen, hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken, zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen zij binnentrad, ontwaakte vrouwHolder, want deze was het die in den leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen; zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees. Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouwHolderkwam haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.

„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur gesloten was, met bevende stem.

„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen, toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw, en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen. Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten. Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van hare onpasselijkheid.”

Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouwHolder, alles, volstrekt alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen! Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, wantgestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in hare ziel op.

„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde vrouwHolder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat de zieke een weinig bloed had opgegeven.”

„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”

Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen, vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouwHoldernaar een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven. Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen; want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid zijn van het lange rijden en wandelen.”

Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed, schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.

Na eenige uren trad vrouwHolderaan hare legerstede en deed haar uit hare lichte sluimering ontwaken.

Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te verraden.

„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe gaat het u? Voelt gij u iets beter?”

De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat haar door dezelfde hand werd toegezonden.

Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en bood haar deop het dek rustende hand door een langzaam omwenden en openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd verscheurd.

„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet door wenken kunt uitdrukken.”

Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen, moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest, de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden, versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen, meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd. Maria las:

„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken. Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot, geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt,welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde? Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving. Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst, die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze, die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”

Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde, zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan, alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij opmerkzaam onderzocht.

„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de kalmeerende middelen voortgaan.”

Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was, zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat innuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij niet het geringste verborgen!”

„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den middag zal zich denk ik, alles beslissen.”

Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te beuren.

„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige, dat ik thans op aarde bezit!”

„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder. Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen, en ik zal terstond hier zijn.”

Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel overweldigd te worden.

Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.

St. LucesenBeaucairewaren, in hunne woning terugkeerende, te vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediendeBeaucairehet ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naarSt. Luces, dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden napoleons buitgeld kan opbrengen.”

„Zeker, zeker,” hernamSt. Lucesmet een tevreden glimlachje; „de vraag is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige volmachten te verzoeken, om ook hetbestuur hier in den arm te kunnen nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”

„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatteBeaucaire; „ik vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen wie men niet met gestrengheid handelenwil; anders had men reeds lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen. Had men dat dus door de beteekenis der vrouwenwillenontdekken, zoo ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen, voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan. Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om achter het geheim te komen.”

„En die waren?” vroegSt. Lucesopmerkzaam.

„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” gingBeaucairemet een sluw, boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde staatsstukken?”

„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede zal zijn!”

„Wie zou ons herkend hebben?” riepBeaucaire. „Het jonge meisje? Dat hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden, was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”

„Ook ik niet,” hervatteSt. Luces; „maar juist aan hare houding, aan hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”

„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen zijn?” riepBeaucaireuit.

„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen verzenden, wellicht zelve afreizen!”

„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”

St. Lucesging nadenkend op en neder.

„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan de kaak stellen?”

„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatteBeaucaireeenigszins geraakt, „u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen wist aan te knoopen, waarbij nogmeer op het spel stond. Wanneer ben ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan te leggen en uit te spinnen.”

St. Lucesging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide: „Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in, die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”

„Laat alles vrij op mij aankomen,” riepBeaucairemet eene nederige buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen minuut te verliezen.”

Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug, om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te beginnen.

Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden; wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.

Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen, dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende groene oogenBeaucaireeen zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich den besten uitslag voorspelde.

„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit plachtBeaucaire's doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen, verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is. Intusschen gingBeaucaireook nog verder met behoedzaamheid te werk; hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de brievenmaal gestoord werden. Debeambte opende de lijst, waarop de adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ookBeaucairewierp een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naamRosen.

Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden, deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel lag.Beaucaireverstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een triomfeerend gelaat inSt. Luces'kamer en sprak: „Wat nu, heer baron, indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van het geheim reeds mijn ware!”

„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op.Beaucairereikte hem den brief over;St. Luceslas verbaasd het opschrift.

„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel geven?”

„Hoe zoo?” zeideSt. Luces.

„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatteBeaucaireen maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!” juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had:„„Uw getrouwe L.” de onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”

„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprakSt. Luces; „echter zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken, tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”

„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernamBeaucaire, „en ik ben zóó verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”

Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken, dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker, want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”

St. Luceswas inwendig hevig geërgerd, datBeaucairein deze ontdekking zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe te schrijven, daartoegevoelde hij niet de geringste neiging. Hij was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden, hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs ook, wilde hijBeaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem daardoor elken argwaan te benemen.„Ik moet aan uwe talenten volle recht laten wedervaren, mijn lieveBeaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is wellicht ook de vleiendste.”

Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken, zoo vond ookBeaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht door een valschen schijn te laten misleiden.St. Lucesbezat echter ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had.Beaucairekon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen.St. Luces'ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door; des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.

Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen, wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, namBeaucairedit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand onopgemerkt overhandigde.

St. Lucesbleef in gedachten verzonken aan het venster staan en overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking zich zelf toe te eigenen.

Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om haar nieuwen kommerte bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten, dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid, met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het anders besloten.

De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke; herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter, in uw armen....!”

Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij ademloos, toen vrouwHolderintrad, en deze ijlde haastig weder terug, om dien te ontbieden.

„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden, dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af, maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op het kussen achterover.

Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten, slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje, de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst. De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.

Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees bevende open boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.

Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de wereld.

Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten, die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouwHolder. „Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouwHolder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!” doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk. Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken, was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.

Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet aan vrouwHolderalleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk doodkleed te wikkelen.

Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn, maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig, daarmede bezig te houden.

Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet, dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze niet in den eigen boezem omdraagt.

De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm, zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om de lippen.

De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste, zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde: „Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”

Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte, op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide: „Schreiniet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe gerust zij slaapt?”

Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”

„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.

De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld. Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat. Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen. Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.

Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.

Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd en sprak troostend: „Weesmijnedochter!”—„Enmijnezuster!” fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.

O, hoeweldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting, waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den donkeren vloed der smarte en des lijdens.

Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht, eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.

Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte. „Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem, want in uw huis vond hij als LodewijkSorenmet zijne vriend Bernard de liefderijkste toevlucht.”

„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”

„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria, en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij noemde zij ook de namenSt. LucesenBeaucaire, waarop de gravin, die voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn konden. Thans viel Maria ook te binnen, watArnheimhaar gisteren gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe verzendt gij uwe brieven?”

„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet zonder te blozen.

„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring acht te slaan;„maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het vervolg uwe briefwisseling.”

Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde hulsel van haar, in wie zij beide verloor.

In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.

„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe kalm, hoe vroom, hoe rustig!”

„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”

Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij was van Lodewijk; dezelfde, dienBeaucairevoor een uur met misdadige handen geopend had.

„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij, aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voorzijnleven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is, en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”

De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten, om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen. Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om aanstalten tot hare ontvangst te maken.

Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest, slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.

Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord, haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en doodsch!

In de huisdeur stond vrouwHoldermet haar beide meisjes. De goede vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het voorschoot de tranen uit de oogenwischte. Anna verschool zich schuw en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw weer te huis!”

„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort, om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.


Back to IndexNext