HOOFDSTUK V.

HOOFDSTUK V.Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig; geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen.Jeannettewas doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben.Willhofensprongtoe om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich, hem bij te staan. Doch reeds hadJeannettezich met loshangende haren van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid, en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich omwendde, stondRegnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar. „O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te verwonderen.Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren vanTroje, doch dra zal alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg Bernard driftig.„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernamRegnard. „Maar het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar. Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak vol bonbons geven!”Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer genieten zou.Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca gaf de kleine, dieRegnardmet zijn éénen arm niet houden kon, aanJeannetteover: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken; „dat komtwijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang, gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen des doods blijft.”Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd, eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel, waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar opmerkzaam.„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard; „rustig meent gij?Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de rampzalige!”„Het is de weduwe van den oversteLavagnac,” sprakRegnard; „haar man viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft, is haar dochtertje.”Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd. Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw, kind en paard ter aarde.Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen spoor meer van haar ontdekken.„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te hulp, ziet of zij te redden is!”De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen. Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen. Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw kon zien liggen.Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij wellicht vertrapt geworden. Lodewijk enRegnardwilden beproeven, over het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in krampachtigen doodsangst, heft het woest,verwilderd, brekend oog ten hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op haar kind neder.Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen. Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waarJeannettemet het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween immers ook en ik ben toch een man.”Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den grond.Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der reddingtrachttente ontsluiten.De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare vrienden neder, zoodatWillhofenmoeite had, de paarden in toom te houden.Regnardliefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en hooger opzwellen.Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond, deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder, bukt u!” riepRegnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon ontdekken. „Lodewijk!”riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem. Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige God, ook dat nog!” Zijn oog viel opWillhofen, die vreeselijk verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die het toedrukte.Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend? Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen; hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog brak.„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij, getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!” Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en granaten in het gedrang om hen heen.„Laat ons opeensluiten,” riepRegnard; „anders zijn wij voor eeuwig gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!” riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij doodelijk getroffen?”Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem neder.„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij.Regnardlachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder... niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de keizer!”Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet meer.„Er is een maaier, die heet de Dood,”neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied; maar de tonen bestierven hem op de lippen.„Van God hij kracht ontving zeer groot!”ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven, want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven der vluchtelingen kwam nader.„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radeloozeJeannettemet zich voort. Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over deze zijne redding zocht.„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede het verderf daar ginds moordt en worgt.”Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet in staat de stukken te houden.Zoo bleef er geene keus meer; de weg liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden. De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop, die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil deed nedertuimelen.HOOFDSTUK VI.In dichte scharen stroomden de soldaten, die in den laatsten slag gevochten hadden, van de heuvels af. Daar zij de brug en den geheelen oever zoo dicht met vluchtelingen bezaaid zagen, dat het onmogelijk was, zich hier een doortocht te banen, namen zij hun loop verder stroomopwaarts, teneinde met zwemmen of over eene doorwaadbare ondiepte de overzijde te bereiken. Deze stortvloed bedreigde ook de schuilplaats, die Bernard had opgespoord. Lodewijk bemerkte dit het eerst en ried aan, voor de anderen dieper landwaarts in te vluchten. Zulks geschiedde met driftigen tred en zoo snel de uitgeputte krachten der vrouwen het toelieten. Maar ook nu was de natuur vijandig gezind, want de storm loeide hen tegen, en joeg hun de opeengehoopte sneeuw vlak in het aangezicht. Velen, die aan de redding over de brug wanhoopten, volgden hen na en zoo pakte zich ook hier eene dichte, golvende zwerm opeen. De uit het gevecht terugkeerende ruiters, soldaten, wagens en veldstukken stormden in teugellooze verwarring van de hoogte naar beneden. Weldra smolten de beide stroomen inéén en thans werden al de verschrikkingen van het vreeselijk gedrang vernieuwd. „Volgt mij,” schreeuwde Bernard zijnen verbijsterden lotgenooten toe; „altijd naar boven, nog hooger op moeten wij doorworstelen; waar niemand zich redden wil, zullen wij ons behoud zoeken.”Zij moesten dus den stroom van vluchtelingen doorsnijden en zulks kostte hun eene geweldige inspanning; hijgend, ademloos, op het punt van te bezwijken, zagen zij zich echter toch eindelijk aan de grenzen van het gewoel verplaatst. IJlings spoeddenzij over eene gladde heuvelhelling voort, doch ook hier loerde het verderf op hun ondergang. Twee kanonnen komen van de hoogte af, geraken op de met ijs bedekte helling, de paarden struikelen, dreigen te vallen. Niets kan meer redden dan een blind doorhollen. Door zweepslagen en wild getier voortgejaagd, komen de paarden in vollen loop aanrennen en stormen regelrecht op Bernard toe. Deze,Jeannetteom den middel grijpende, wil op zijde springen; doch het is te laat. Het voorste span heeft hem bereikt, doet hem met het meisje ter aarde tuimelen, en kletterend rollen de ijzeren raderen over hen heen.Met een luiden kreet valt Bianca op de knieën, heft de armen smeekend omhoog en roept: „Ook over mij, onmenschen, verplettert ook mij!” In hare zinsverbijstering wil zij zich voor de paarden nederwerpen, doch Lodewijk omvat haar en slingert haar terug. Bedwelmd zinkt zij met hem ter aarde; het gespan klettert voorbij, het bewustzijn begeeft haar, zij ligt in doodelijke onmacht.Eindelijk dringt eene welbekende stem tot haar door. „Zuster, lieve zuster, ontwaak!” Zij slaat het oog op, Bernard knielt ongekwetst voor haar neder en strekt zijne armen naar haar uit. „O God, ik dank U!” snikte zij en hield den broeder in teedere omhelzing vastgeklemd.„Dus heeft het geen offer gekost?” vraagt zij nog eenmaal, en wil des broeders lippen met zoete kussen verzegelen.„Eén heeft toch moeten bloeden,” is het sombere antwoord, „schoon de hemel het verderf van mij heeft afgewend,Jeannettevond den dood; de trouw uwer vriendin zal als die van onzenWillhofeneerst daar boven haar loon vinden.”„Jeannettedood!” riep Bianca met bevende stem. „O,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met onderdrukte aandoening, „wanneer hier alles vernietigd wordt, mogen wij het dan een geluk noemen, alleen te ontkomen?—Maar waar is zij?”„Ach, verlang haar niet te zien,” smeekte Bernard en wilde Bianca beletten, zich om te keeren, want het lijk lag achter haar; „haar dood was te afgrijselijk.”Doch die bede kwam te laat. Bianca, de bloedsporen met de oogen volgende, had het lijk reeds bespeurd en gaf een luiden gil bij den vreeselijken aanblik. Het rad was over voorhoofd en borst gegaan en had het frissche, bloeiende gelaat akelig gekwetst en opgereten. Nog borrelde het bloed in donkere stroomen uit de gapende wonden op en kleurde de blonde lokken, die loshangend en verward van het hoofd der ontzielde afgolfden en over de witte sneeuw lagen uitgespreid.„Ach, ik moet haar toch nog zien,” smeekte Bianca; „ik moet afscheid van haar nemen, al is zij ook nog zoo vreeselijk misvormd. Zoo weekelijk is mijn hart niet, dat ik dit gevoel door den plicht der liefde niet zou kunnen overwinnen. Zij heeft haar jeugdig leven immers voor mij opgeofferd! O, breng mij bij haar!”Bernard en Lodewijk namen haar in den arm en geleidden haar naar de doode. Lodewijk droeg ook het kind, dat tot nu toe, als door engelen beschermd, in alle gevaren was bewaard gebleven.De stroom der menigte in den omtrek was voorbijgevloeid, doch beneden in de diepte en verder terug bruischte en raasde hij nog; slechts uit de verte deed zich een verward geruisch van stemmen hooren. Zelfs de kogels konden deze plaats niet meer bereiken, schoon de donder van het geschut nog altijd den grond deed dreunen. Zij waren hier dus met hunne droefheid en hun zielsangst geheel alleen en toch, in weerwil van alle ellende, kinderlijk dankbaar, dat het losgelaten verderf ten minste deheiligste banden der liefde verschoond had. Sprakeloos stond Bianca, op de schouders van broeder en vriend geleund, voor de nu zalige en gaf aan hare tranen den vrijen loop.„O, zoo gij haar het hoofd wildet omkeeren, Bernard,” snikte zij, „wellicht kon ik dan nog eens hare vriendelijke trekken zien.” Bernard deed het; tegelijk verborg hij de bloedende, gewonde plaatsen onder het gewaad en bedekte het voorhoofd met een gedeelte der lokken, die nog niet met bloed besmet waren. Bianca had gelijk gehad; alleen de linkerzijde van het hoofd was zoo afzichtelijk verminkt, de rechter wel eenigszins krampachtig saamgetrokken, maar toch nog ongekwetst genoeg, om aan het beeld der levende te herinneren.Met aandoening boog Bianca zich over de doode neder. „Hoe zacht en roerend is haar voorkomen,” sprak zij; „zoo vriendelijk, welwillend en teeder was ook haar hart.”„En dat goede kind moest zulk een wreeden dood vinden!” voegde Lodewijk er bij en drukte Bianca met diepe ontroering de hand.„Ja,” merkte Bernard aan, „een zacht bed moet men hier niet zoeken; wie den dood hier gezien heeft, zal hem niet met de ouden als een genius met omgekeerden fakkel afbeelden. Zelfs onze beenderman is nog te vriendelijk; hij is een ijzeren cycloop, die onder zijne voeten en met zijne knods alles vergruist en vermorzelt.—Doch schoon de plichten van liefde heilig zijn, wij mogen en moeten ons hier niet langer ophouden. Ziet, daarboven vertoonen zich reeds weder nieuwe massa's, Russen of Franschen onverschillig, hier is alles vijand, want de menigte vernielt zich onderling. Haasten wij ons, om gindsche oeverbocht te bereiken; misschien vinden wij verder op nog een dorp of eene hut, waar wij kunnen schuilen.”Hij wilde de zuster voorttrekken, doch deze smeekte: „Laat mij nog slechts ééne lok van haar hoofd medenemen, Bernard!”„Gaarne,” antwoordde hij, en reikte haar uit zijne brieventasch eene kleine schaar, benevens een blad papier, om het haar daarin te wikkelen; „doch haast u, Bianca.”Zij knielde op de sneeuw neder, sneed eene golvende lok uit het rijke, blonde haar, rolde ze op en verborg ze zorgvuldig in haren boezem. Vervolgens drukte zij een smartelijken kus op de bleeke wangen van het meisje, bevochtigde die nog eenmaal met hare tranen en fluisterde haar een teeder: „Slaap zacht!” toe.Met verdubbelde snelheid zetten zij thans hunne vlucht voort. Eene aanmerkelijke kromming van den rivieroever bracht hen geheel buiten het gezicht der brug, en zij hoorden niets meer, dan het doffe gekraak der vijandelijke vuurmonden; overigens omgaf hen een bar, noorsch winterlandschap. Ter linkerzijde van hun pad kruide de Beresina hare dikke ijsschollen opeen, rechts werd het door de hoogten begrensd, van welke de storm de sneeuwvlokken dwarlend opjoeg. Deze blies koud tegen hen in, zoodat gezicht en handen verkleumden, en gierde met hevige rukken door de lucht. En toch was deze ruwe, akelige wildernis een vriendelijk toevluchtsoord, vergeleken bij het tooneel van moord en verwoesting, dat zij ontvloden.Evenwel moest zich spoedig eene schuilplaats vertoonen, want Bianca was doodelijk afgemat en op het punt van machteloos neerzinken. Bernard zocht haar daarmede moed in te spreken, dat Weselowa niet ver meer kon verwijderd zijn. Wanneer zij daar ook slechts Russen vonden, was hunne redding toch verzekerd, daar Bianca zich naar Bernards aanwijzing voor eene, voor de Franschen gevluchte Russin en hem en Lodewijk voor hare uitlandsche huisbedienden zoude uitgeven. Vonden zij Franschen, dan was het de taak der mannen, voor hulp en redding te zorgen.Verder dan een uur hadden zij thans hunne schreden voortgezet en nog liet Weselowa zich niet ontdekken. Eensklaps maakte Lodewijk zijn vriend op eenige ruiters opmerkzaam, die zich rechts van hun pad op de steile hoogte bevonden. Bernard, wiens scherp oog verder reikte, riep dadelijk: „Dat zijn kozakken, ik zie het aan de pieken; zoo de gierige roofvogels ons hier overvallen, is uitplundering het minste, dat wij te wachten hebben. Vriend of vijand, den kozak is alles buit. Wij willen ons zoo dicht mogelijk aan den oever houden”.—Dit geschiedde, doch te vergeefs, want reeds hadden de ruiters hen in het oog gekregen en schenen voornemens, jacht op hen te maken. Andermaal nam de rivier eene bocht, die hen gelukkig den vervolgers uit het gezicht bracht; tegelijk zagen zij de besneeuwde daken van Weselowa in de verte voor zich en hadden zij dus de veilige haven in het gezicht.Maar Bianca's krachten waren door de geweldige inspanning dezer laatste minuten geheel bezweken; hare knieën knikten, zij zeeg op den grond neder en riep: „Ik kan niet meer! O, vlucht gij, redt u en laat mij het kind; de barbaren zullen met mij medelijden hebben.”„Wij dragen u,” riep Bernard; „tot aan gindsche hut kunnen wij het nog uithouden.”Reeds hadden hij en Lodewijk haar opgeheven, doch zij beproefden het onmogelijke. Na weinige schreden moesten zij het opgeven, daar zij zelven zich met moeite staande hielden.„Vlucht, ik smeek het u! Broeder, geliefde, vlucht, dat is de eenige redding voor u en mij; zóó storten wij ons gezamenlijk in het verderf.”„Bianca,” sprak Lodewijk vriendelijk, ofschoon eenigszins gekrenkt: „kunt gij dat werkelijk van ons verwachten? Neen, uw hart weet niet, wat uwe lippen vorderen!”„Waarom luistert gij er dan naar, Lodewijk,” vroeg Bernard met een weemoedig glimlachje.„Maar wij kunnen hier verder niets doen en willen ons op de sneeuw nederzetten en er ons lot met bedaardheid afwachten. Wij scheppen inmiddels toch weder adem.”Bianca besefte, dat haar smeeken niets zoude baten. Zwijgend zette zij zich dus op den kouden grond neder en nam het kind op den schoot. Bernard en Lodewijk plaatsten zich nevens haar, sloegen elk den arm om het schoone edele wezen en zagen zoo in eene liefelijke omhelzing hun gemeenschappelijk lot te gemoet.Thans hoorden zij het getrappel van paarden achter de spits des sneeuwheuvels, om welken de rivier heen kromde; nog eene minuut, en hun lot was beslist. Zij zagen niet op, maar hielden elkander slechts te inniger omsloten en verwachtten als met gebukten hoofde den slag van het doodszwaard, dat hen dreigde.De ruiters kwamen nader, hielden voor hen stil, en eene stem vroeg in het russisch: „Zeg, is dat daar ginds Weselowa?” Bianca hief het hoofd langzaam op, maar juichte, het gelaat van den vrager herkennende, op een onbeschrijfelijken toon: „Almachtige God, Rasinski!”Met onstuimige vreugde sprongen Lodewijk en Bernard bij deze woorden op en tegelijk wierp Rasinski zich van het paard en in hunne armen. Ook Boleslaw en Jaromir die zich onder de achterste ruiters bevonden, vlogen toe en aan de borst der vrienden. „Gij leeft, gij leeft! en hier moeten wij elkander vinden!” klonk het uit aller mond; het hart was niet in staat het overstelpende geluk te bevatten, en tranen der vreugde bevochtigden zelfs Rasinski's wangen.Bianca hing aan zijn hals als eene dochter aan de borst haars vaders. De geweldige stroom der omstandigheden had de nietige grenzen en beperkingen, binnen welke demensch zich in gewone tijden kleingeestig vastnestelt, geheel omvergerukt. Tusschen edele zielen bestonden geen palen van armzalige gewoonte en stijve vormelijkheid meer, welke de argwaan om zich afbakent en die uit de verdorven kiemen van het hart opwassen. Het verheven geluk of ongeluk verbant al wat bedriegelijk en valsch is uit de menschelijke borst; slechts het gelouterde hart blijft over, en het edele slaat voor het edele.De onstuimige, half bedwelmende minuut van zaligheid was voorbij, en werd gevolgd door eene liefelijke rust, gelijk de stroom zich na een woelig bruisenden waterval rustig voortstuwt en de gansche diepte van den aether in zich afspiegelt.Ook aan diep smartelijke inmengsels ontbrak het niet;Willhofens,Regnards,Jeannette's lot werd verhaald. Rasinski vernam het met innige ontroering, wendde zich om, wees op de weinigen, die hem volgden, en sprak met eene bevende stem: „Ziedaar allen, die ik van mijne getrouwen uit de slachting heb overgehouden! Wij zijn tot hier verjaagd!”Eene ernstige stilte heerschte in den kleinen kring; elk gaf zich aan zijne sombere mijmeringen over en bepeinsde, welke offers gedurende deze korte scheiding gevallen waren. Ten laatste brak Rasinski het zwijgen af. „Om niet nog anderen van onze weinige vrienden te verliezen, willen wij opbreken; ginds ligt Weselowa, daar hoop ik over de rivier te komen. Aan gene zijde zijn wij, vertrouw ik, in veiligheid.”Hij hief de uitgeputte Bianca met het kind op zijn eigen paard en voerde het bij den teugel. Boleslaw en Jaromir boden Lodewijk en Bernard hunne rossen aan, doch dezen, zich nog sterk genoeg voelende om te voet te gaan, wezen dit aanbod van de hand.Zoo brak men op. Na verloop van een uur had men het plaatsje bereikt; een litthauwsche boer wees een punt aan, waar de stroombedding niet meer dan eene manshoogte diep was; niettegenstaande het drijfijs, begaf men zich moedig te water. Ditmaal zou hen geen nieuwe ramp treffen: zij bereikten gelukkig den anderen oever, en aller oog en hart verhief zich met een vurig dankgebed ten hemel.

Bianca hield beide hare handen voor de oogen en ademde krampachtig; geen enkelen traan had zij meer, zoo greep haar de alles verstijvende schrik der ontzetting aan. Lodewijk en Bernard sloten zich dicht aan haar en zochten haar door bemoedigende toespraak tot kalmte te brengen.Jeannettewas doodsbleek en rilde koortsachtig; ook zij weende niet meer, hare lippen beefden, alsof zij spreken wilde, doch zij vermocht zulks niet. Het kind klemde zich schuw aan Bianca's boezem.

Plotseling kraakte en dreunde het om hen heen, en als door een aardbeving geschokt, werden zij van hunne zitplaatsen opgelicht.

„Barmhartige God!” riep zij, toen zij opzag, en strekte de beide handen afwerend voor zich uit. Een kogel had het voorste gedeelte van den wagen getroffen, verbrijzeld en de bloedige, gescheurde ledematen der beide officieren op den grond geslingerd. De schuwe paarden steigerden hoog op en zouden, wanneer dissel en vooras niet verpletterd waren geweest, den wagen zijwaarts gesleurd hebben.Willhofensprongtoe om ze in de teugels te vatten; Lodewijk en Bernard beijverden zich, hem bij te staan. Doch reeds hadJeannettezich met loshangende haren van den wagen geworpen, en Bianca, onbewust wat zij deed, volgde dit voorbeeld, terwijl zij de kleine aan haren boezem klemde.

„Leeft het nog? Leeft het?” riep eene forsche stem in hare nabijheid, en zij voelde zich eensklaps van achteren vastgehouden. Toen zij zich omwendde, stondRegnard, den linkerarm in een doek gebonden, voor haar. „O, ik heb u gevonden,” sprak hij snikkend en kuste en liefkoosde het kind in Bianca's armen, die, nog geheel bedwelmd door den schrik, niet eens besef genoeg had, om zich over zijne plotselinge verschijning te verwonderen.

Ook Bernard ontdekte hem, ijlde op hem toe en vroeg vol verbazing: „Gij hier, overste? In 's hemels naam, hoe komt gij hier?”

„Van daarginds uit het gevecht,” antwoordde hij. „Het gaat er vreeselijk moorddadig toe; onze soldaten staan als de muren vanTroje, doch dra zal alles instorten; want zij begraven ons onder hunne kogels!”

„Zaagt gij Rasinski? Leeft hij? Leven Boleslaw en Jaromir?” vroeg Bernard driftig.

„Zij vechten als leeuwen, als duivels, die Polen,” hernamRegnard. „Maar het zal alles te vergeefs zijn, wij kunnen geen uur meer standhouden! En dan dit défilé, dat zoo goed als de open helpoort is.”

„Zijt gij gewond, overste?” vroeg Bernard, hem eene krampachtige beweging naar den arm ziende maken, die met een zakdoek omwonden was.

„Mijn rechterarm is verbrijzeld,” was het antwoord; „mijn paard werd door een granaat neergeworpen; ik sleepte mij naar Studianka, om een wondarts te zoeken, doch daarginds is niets te vinden dan asch en lijken. Vechten kan ik niet meer, ik wilde dus beproeven of ik over de brug kon komen. Daar zag ik uit de verte deze wagens! Ik wist, dat gij gisteren hier gestaan had en dacht: misschien vind ik hen nog daar. Mogelijk kunt gij uw klein dochtertje nog eens zien! sprak het in mijn binnenste, en—lach mijnenthalve, vriend,—dat klonk mij als eens stem uit den hemel in de ooren. Wellicht is het de laatste wensch, dien gij vervuld ziet, dacht ik en ging regelrecht hierop aan. Het was of een goede geest mij geleidde, want ik was juist bij uwe wagen, toen de twaalfponder u dien trek speelde.—Ach zie eens, hoe vriendelijk het kind nog is; het lijkt toch sprekend op de moeder!—Ja, had ik maar iets voor u, mijn arm schaap! Waren wij in Parijs, en kon ik u een zak vol bonbons geven!”

Hij gaf zich geheel aan het liefkoozen der kleine over en scheen zoowel zijn verpletterden arm, als de verwoesting om hem heen te hebben vergeten. De kogels verschrikten hem niet, twintig veldslagen hadden hem daaraan gewoon gemaakt; maar de vaderliefde was nieuw voor hem, en een voorgevoel scheen hem te zeggen, dat hij dit geluk niet lang meer genieten zou.

Middelerwijl was ook Lodewijk toegetreden en heette hem welkom. Bianca gaf de kleine, dieRegnardmet zijn éénen arm niet houden kon, aanJeannetteover: zij voelde dat zij wankelde, en trachtte zich aan het rad van den wagen staande te houden. Bernard speurde dit, sloeg den arm om haar middel en kuste hare bleeke wangen. Hij sprak niet, maar zijne vurigste bede rees tot den Almachtige omhoog en smeekte: „Red mij om harentwil en haar om mijnentwille, of laat ons allen omkomen!”

„Gij zijt zoo verschrikt geworden,” sprak hij na eenige oogenblikken; „dat komtwijl gij uw oog voor deze tooneelen sluit: beschouw ze lang, gij zult er aan gewoon worden en daardoor den indruk verflauwd zien.”

„O, mijn broeder!” riep zij smartelijk, „zou mijn hart dàt leeren?—Neen, neen; dat kan ik niet.”

„Zie daar gindsche vrouw,” ging Bernard voort; „neem een voorbeeld aan haar; zie, mijne lieve, hoe kalm en rustig zij onder de verwoestingen des doods blijft.”

Inderdaad zag men, ongeveer twintig schreden van hen verwijderd, eene edele vrouwelijke gestalte, die, een driejarig kind in den arm houdende, te paard zat en naar het scheen met onafgewende oogen het gewoel gadesloeg. Een zwarte sluier was om haar hoofd gewonden, doch liet het gelaat vrij, welks regelmatige, edele trekken onwillekeurig ontzag inboezemden. Zij moest zich eerst sinds eenige minuten hier bevinden, want hare verschijning had anders, zelfs in dit gewoel, waar ieder slechts aan zich zelf dacht, reeds vroeger de algemeene deelneming moeten gaande maken. Bernard maakte ook Lodewijk op haar opmerkzaam.

„Kalm, rustig?” vroeg Bianca, die haar lang oplettend had aangestaard; „rustig meent gij?Versteend moest gij zeggen; want bemerkt gij de tranen niet, die over haar onbewegelijk aangezicht rollen, en den wanhopigen blik, dien zij van haar kind ten hemel slaat?... O, de rampzalige!”

„Het is de weduwe van den oversteLavagnac,” sprakRegnard; „haar man viel voor drie weken bij Wiasma en het kind, dat zij op den arm heeft, is haar dochtertje.”

Allen hielden het oog op de rijzige, edele treurgestalte gevestigd. Daar sloeg een gierende kartets verpletterend neder en wierp vrouw, kind en paard ter aarde.

Zelfs den mannen werd bij dit gezicht een kreet van ontsteltenis afgeperst. De ongelukkige was verdwenen; in het gedrang liet zich geen spoor meer van haar ontdekken.

„In 's hemels naam, is zij dood?” kreet Bianca; „o, vliegt haar te hulp, ziet of zij te redden is!”

De drie mannen zochten door de opeengedrongen menschen en paarden een weg te banen, doch het was niet mogelijk, hierin spoedig te slagen. Bianca volgde hen, deels door hare deelneming gedreven, deels ook om hen in dit vreeselijk gedrang geen oogenblik uit het oog te verliezen. Na eenige minuten opende zich de zwarte hoop, zoodat men, ofschoon een omgestorte wagen belette haar te naderen, de rampzalige op de sneeuw kon zien liggen.

Daar zat de edele vrouw, zonder een klacht te uiten, op de met bloed gedrenkte sneeuw tegen een boomstam geleund en hield haar kind in de armen, de kartets had hare beide voeten verbrijzeld, doch de kleine scheen ongedeerd en sloeg de beide handjes angstig om den hals der moeder. Niemand dacht er aan, haar hulp te bieden, elk ging, zich alleen met zichzelf bezig houdende, haar gevoelloos voorbij; slechts dewijl alles voor het zich in stuiptrekkingen rondwentelende paard op zijde week, had zich eene opening om haar gevormd, anders ware zij wellicht vertrapt geworden. Lodewijk enRegnardwilden beproeven, over het omgeworpen voertuig heen te klimmen, terwijl Bernard de bevende Bianca ondersteunde. In dit oogenblik rukt de edele lijderes een haarsnoer van haren boezem los, legt het, eer iemand het verhinderen kan, om den ontblooten hals van het kind en trekt den strikt met hare laatste krachten te zamen, zoodat het kleine wezen met neerhangend hoofd, verworgd, in haren schoot terugzinkt. Daarop omklemt zij het in krampachtigen doodsangst, heft het woest,verwilderd, brekend oog ten hemel, hijgt nog eenmaal uit holle, diepe borst en zijgt ontzield op haar kind neder.

Tegelijk sprongen Lodewijk en Bernard toe, doch het was te laat; Bianca wierp zich aan de borst des broeders en verborg haar gelaat, als wilde zij den aanblik ontvlieden, die als eene Medusa haar binnenste versteende. Bernard sloeg zijne armen om haar heen, en vermocht noch te spreken, noch zijne overvloedig opwellende tranen te bedwingen. Plotseling rukte zij zich los, staarde hem met strakke oogen aan en sprak met doffe kalmte: „Thans kan mij niets meer verschrikken, mijn broeder; heb ik dat gezien, zonder vernietigd neer te zinken, dan is mijn hart voor eeuwig versteend en ik kan met den jammer spotten.”

Bernard huiverde; hij leidde haar langzaam naar de plaats, waarJeannettemet het kind stond, en zeide: „Ween uit, zuster, en ontdooi het koude ijs, dat zich op uw hart legt, met warme tranen; zie, ik ween immers ook en ik ben toch een man.”

Het meisje strekte de armpjes verlangend naar Bianca uit, nam het kind, drukte het met onstuimige hevigheid aan hare borst en barstte nu in een stroom van tranen uit. Hare knieën knikten, Bernard liet haar behoedzaam op de sneeuw nederzinken en plaatste zich naast haar op den grond.

Het moorddadige vuur der Russen duurde inmiddels voort; de batterijen op de heuvels werden versterkt, kogels en granaten kletterden onophoudelijk op de brug en de dichte drommen neder. Ook in den rug, van de zijde van Studianka, kwam het gevecht al nader en nader, en weldra moest men den vervolgenden vijand ook van daar duchten. Zoo ratelde de donder van het geschut in alle richtingen en smolt ineen met het gehuil van half verpletterden, de wanhoopskreten van de ongelukkigen, die in den stroom verzonken, het woest gebrul van hen, die zich met geweld de baan der reddingtrachttente ontsluiten.

De kogels sloegen thans weder meer in de nabijheid van Bianca en hare vrienden neder, zoodatWillhofenmoeite had, de paarden in toom te houden.Regnardliefkoosde zijn kind en sloeg inmiddels den voortgang van het gevecht en den aftocht met opmerkzaamheid gade. De pijn van zijn verbrijzelden arm deed hem geen enkele klacht uiten; echter zag hij met een gefronst voorhoofd den vloed des onheils steeds hooger en hooger opzwellen.

Eene granaat raakte op eenige voeten afstands van de vrienden den grond, deed ijs en sneeuw opstuiven en woelde een kuil in de aarde. „Neder, bukt u!” riepRegnard, doch in hetzelfde oogenblik barstte het moordtuig reeds in eene wolk van damp en gloed uitéén en spatten de stukken in het rond. Een angstkreet ging er van alle zijden op; Bernard voelde zich ongekwetst, de zuster in zijn arm was het ook, maar eene zwarte rookzuil hield hem zoodanig omhuld, dat hij niemand der anderen kon ontdekken. „Lodewijk!”riep hij, „Lodewijk, leeft gij?” Doch het kraken der vuurmonden, het angstgeschrei der verschrikten en het gehuil van den storm, die met vernieuwde woede opstak, versmoorden zijne stem. Eindelijk wentelde de rook langzaam weg en men kon om zich heen zien.

„Gij leeft!” klonk Lodewijks stem en hij zelf lag aan Bianca's voeten en drukte de geliefde met warme dankbaarheid voor hare redding aan zijne borst. Eensklaps echter rukte hij zich los en riep: „Heilige God, ook dat nog!” Zijn oog viel opWillhofen, die vreeselijk verminkt tusschen de paarden op den grond lag. Slechts het gelaat was ongeschonden; zijn brekend oog zocht verlangend eene vriendenhand, die het toedrukte.Lodewijk snelde op hem toe en ondersteunde het zware hoofd met beide handen. Bernard had de rechterhand van den gevallene gegrepen en knielde naast hem neder. „Leeft gij nog, getrouwe vriend? Kunt gij ons nog vaarwel zeggen?” stamelde Lodewijk met eene door aandoening gesmoorde stem. De stervende kon geen woord meer uitbrengen; hij bewoog slechts met moeite de lippen, en zijne machtelooze hand sloot zich tot een zachten druk. Een smartelijk lachje zweefde over zijne wangen, vervolgens zonk het hoofd op de borst neder en het oog brak.

„Dus mocht gij toch het vaderland niet wederzien,” riep Lodewijk, „gij, getrouwe dienaar! Nu is het lijden voorbij,—gij zijt de gelukkige!” Zij wilden het lijk opheffen, maar eene vernielende laag uit de russische batterijen slingerde juist weder eene menigte kogels en granaten in het gedrang om hen heen.

„Laat ons opeensluiten,” riepRegnard; „anders zijn wij voor eeuwig gescheiden.” Juist wilde hij Lodewijks hand grijpen, doch tusschen beiden gierde een kogel door en wierp den overste ter aarde. „Regnard!” riep Lodewijk, geheel verpletterd, en sprong op hem toe; „zijt gij doodelijk getroffen?”

Bernard beurde den gevallene bij de schouders op en boog zich over hem neder.

„Ik heb mijn deel,” steunde deze; „waar is mijn dochtertje?”

Bianca trad, hoewel bevende, met het kind op den arm nader; zij knielde voor den vader neder en hield het hem toe. „Hier, hier,” snikte zij.Regnardlachte de kleine weemoedig toe, kuste haar mond en voorhoofd en sprak: „Leef gelukkig! Gij hebt geen vader meer... maar eene moeder... niet waar?... Groet Rasinski... als nog een van u overblijft... Leve de keizer!”

Deze kreet uitte hij met alle inspanning der laatste krachten in den ruwen soldatentoon; hierop kromp hij zenuwtrekkend ineen—en was niet meer.

„Er is een maaier, die heet de Dood,”

„Er is een maaier, die heet de Dood,”

„Er is een maaier, die heet de Dood,”

neurde Bernard, om zijn woeste smart te bekampen, uit een oud lied; maar de tonen bestierven hem op de lippen.

„Van God hij kracht ontving zeer groot!”

„Van God hij kracht ontving zeer groot!”

„Van God hij kracht ontving zeer groot!”

ging hij nog, zich zelf vermannend, voort. „Van God! Ik ben getroost!”

Doch hun bleef de tijd niet, zich aan hunne droefheid over te geven, want een vreeselijk gedreun en geratel in de nabijheid, een mengeling van schreeuwen en brullen, een alles overhoop werpend dringen en golven der vluchtelingen kwam nader.

„Laat ons dezen stroom ontwijken, hij overstelpt ons!” schreeuwde Bernard. „Terug! Daar, de hoogte op.”

Lodewijk sleepte Bianca, Bernard de radeloozeJeannettemet zich voort. Alles achterlatende, zochten zij slechts het gevaar van het oogenblik te ontkomen en waren dan ook gelukkig genoeg, zijdelings af eene plaats te bereiken, werwaarts de menigte zich niet voortwentelde, daar zij niet in de richting van de brug gelegen was en niemand anders dan over deze zijne redding zocht.

„Hier is lucht,” riep Bernard geheel ademloos; „de vloed stroomt hier voorbij. Hier kan ons niets ergers meer overkomen, dan door de vijandelijke kogels getroffen of door den vijand zelf gevangen te worden. Onbarmhartiger kan hij niet zijn, dan de tijgerwoede, waarmede het verderf daar ginds moordt en worgt.”

Nu was echter ook het ontzettendste oogenblik daar; want van de hoogten van Studianka kwamen de vluchtende benden des legers afstroomen. Het geschut kletterde in vollen draf de steilten af; de paarden waren niet in staat de stukken te houden.Zoo bleef er geene keus meer; de weg liep midden op het diepste gedrang van ongelukkigen aan. Verpletterend rolden de ijzeren raderen op eene straat van lijken en over de krakende beenderen van vele honderden voort. Het angstgehuil scheen uit den schoot der aarde op te rijzen; wagens, kanonnen, paarden en menschen stormden over elkander heen, de oeverboorden af, op de brug toe.

Het vreeselijkst echter woedde de vernieling op de brug zelve. Hier liepen behoud en verderf op het smalste pad langs den afgrond naast elkander voort. De voet trad niet op lijken, maar op levenden, op zieltogenden, die zich half vertrapt in dolle stuiptrekkingen kromden en martelden. Gulzig spalkte de vloed aan weerszijden den zwarten muil op en verslond duizende offers, die meedoogenloos in zijn gapenden afgrond werden neergestort. Eene onmenschelijke worsteling werd op dit punt met afwisselende kans voortgezet. De broeder wilde zich de baan breken over het lijk des broeders en trapte diens hoofd onder den voet.

Die neergesleurd werden in de koude doodsomarming der golven, klemden zich met woede aan de naast omgevenden vast en wilden dezen met zich in het verderf trekken, of door hen op den veiligen oever gesleept worden. De aangegrepenen stelden zich te weer, alsof zij door wolven overvallen werden. Met de sabel, door een verpletterenden kolfstoot zochten zij zich uit de krampachtig vastgeknelde armen der wanhopigen los te rukken en stieten, zoo hun dit gelukte, de verminkte lichamen in de branding neder. Maar de razernij der vertwijfeling nam nieuwe reddingsmiddelen te baat; met scherpe tanden beten zich de nederstortenden in voet of kleeding vast, tot een dreunende kolfslag op den schedel of een schop, die het gelaat ontvleeschte, hen bedwelmd in den geopenden grafkuil deed nedertuimelen.

In dichte scharen stroomden de soldaten, die in den laatsten slag gevochten hadden, van de heuvels af. Daar zij de brug en den geheelen oever zoo dicht met vluchtelingen bezaaid zagen, dat het onmogelijk was, zich hier een doortocht te banen, namen zij hun loop verder stroomopwaarts, teneinde met zwemmen of over eene doorwaadbare ondiepte de overzijde te bereiken. Deze stortvloed bedreigde ook de schuilplaats, die Bernard had opgespoord. Lodewijk bemerkte dit het eerst en ried aan, voor de anderen dieper landwaarts in te vluchten. Zulks geschiedde met driftigen tred en zoo snel de uitgeputte krachten der vrouwen het toelieten. Maar ook nu was de natuur vijandig gezind, want de storm loeide hen tegen, en joeg hun de opeengehoopte sneeuw vlak in het aangezicht. Velen, die aan de redding over de brug wanhoopten, volgden hen na en zoo pakte zich ook hier eene dichte, golvende zwerm opeen. De uit het gevecht terugkeerende ruiters, soldaten, wagens en veldstukken stormden in teugellooze verwarring van de hoogte naar beneden. Weldra smolten de beide stroomen inéén en thans werden al de verschrikkingen van het vreeselijk gedrang vernieuwd. „Volgt mij,” schreeuwde Bernard zijnen verbijsterden lotgenooten toe; „altijd naar boven, nog hooger op moeten wij doorworstelen; waar niemand zich redden wil, zullen wij ons behoud zoeken.”

Zij moesten dus den stroom van vluchtelingen doorsnijden en zulks kostte hun eene geweldige inspanning; hijgend, ademloos, op het punt van te bezwijken, zagen zij zich echter toch eindelijk aan de grenzen van het gewoel verplaatst. IJlings spoeddenzij over eene gladde heuvelhelling voort, doch ook hier loerde het verderf op hun ondergang. Twee kanonnen komen van de hoogte af, geraken op de met ijs bedekte helling, de paarden struikelen, dreigen te vallen. Niets kan meer redden dan een blind doorhollen. Door zweepslagen en wild getier voortgejaagd, komen de paarden in vollen loop aanrennen en stormen regelrecht op Bernard toe. Deze,Jeannetteom den middel grijpende, wil op zijde springen; doch het is te laat. Het voorste span heeft hem bereikt, doet hem met het meisje ter aarde tuimelen, en kletterend rollen de ijzeren raderen over hen heen.

Met een luiden kreet valt Bianca op de knieën, heft de armen smeekend omhoog en roept: „Ook over mij, onmenschen, verplettert ook mij!” In hare zinsverbijstering wil zij zich voor de paarden nederwerpen, doch Lodewijk omvat haar en slingert haar terug. Bedwelmd zinkt zij met hem ter aarde; het gespan klettert voorbij, het bewustzijn begeeft haar, zij ligt in doodelijke onmacht.

Eindelijk dringt eene welbekende stem tot haar door. „Zuster, lieve zuster, ontwaak!” Zij slaat het oog op, Bernard knielt ongekwetst voor haar neder en strekt zijne armen naar haar uit. „O God, ik dank U!” snikte zij en hield den broeder in teedere omhelzing vastgeklemd.

„Dus heeft het geen offer gekost?” vraagt zij nog eenmaal, en wil des broeders lippen met zoete kussen verzegelen.

„Eén heeft toch moeten bloeden,” is het sombere antwoord, „schoon de hemel het verderf van mij heeft afgewend,Jeannettevond den dood; de trouw uwer vriendin zal als die van onzenWillhofeneerst daar boven haar loon vinden.”

„Jeannettedood!” riep Bianca met bevende stem. „O,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met onderdrukte aandoening, „wanneer hier alles vernietigd wordt, mogen wij het dan een geluk noemen, alleen te ontkomen?—Maar waar is zij?”

„Ach, verlang haar niet te zien,” smeekte Bernard en wilde Bianca beletten, zich om te keeren, want het lijk lag achter haar; „haar dood was te afgrijselijk.”

Doch die bede kwam te laat. Bianca, de bloedsporen met de oogen volgende, had het lijk reeds bespeurd en gaf een luiden gil bij den vreeselijken aanblik. Het rad was over voorhoofd en borst gegaan en had het frissche, bloeiende gelaat akelig gekwetst en opgereten. Nog borrelde het bloed in donkere stroomen uit de gapende wonden op en kleurde de blonde lokken, die loshangend en verward van het hoofd der ontzielde afgolfden en over de witte sneeuw lagen uitgespreid.

„Ach, ik moet haar toch nog zien,” smeekte Bianca; „ik moet afscheid van haar nemen, al is zij ook nog zoo vreeselijk misvormd. Zoo weekelijk is mijn hart niet, dat ik dit gevoel door den plicht der liefde niet zou kunnen overwinnen. Zij heeft haar jeugdig leven immers voor mij opgeofferd! O, breng mij bij haar!”

Bernard en Lodewijk namen haar in den arm en geleidden haar naar de doode. Lodewijk droeg ook het kind, dat tot nu toe, als door engelen beschermd, in alle gevaren was bewaard gebleven.

De stroom der menigte in den omtrek was voorbijgevloeid, doch beneden in de diepte en verder terug bruischte en raasde hij nog; slechts uit de verte deed zich een verward geruisch van stemmen hooren. Zelfs de kogels konden deze plaats niet meer bereiken, schoon de donder van het geschut nog altijd den grond deed dreunen. Zij waren hier dus met hunne droefheid en hun zielsangst geheel alleen en toch, in weerwil van alle ellende, kinderlijk dankbaar, dat het losgelaten verderf ten minste deheiligste banden der liefde verschoond had. Sprakeloos stond Bianca, op de schouders van broeder en vriend geleund, voor de nu zalige en gaf aan hare tranen den vrijen loop.

„O, zoo gij haar het hoofd wildet omkeeren, Bernard,” snikte zij, „wellicht kon ik dan nog eens hare vriendelijke trekken zien.” Bernard deed het; tegelijk verborg hij de bloedende, gewonde plaatsen onder het gewaad en bedekte het voorhoofd met een gedeelte der lokken, die nog niet met bloed besmet waren. Bianca had gelijk gehad; alleen de linkerzijde van het hoofd was zoo afzichtelijk verminkt, de rechter wel eenigszins krampachtig saamgetrokken, maar toch nog ongekwetst genoeg, om aan het beeld der levende te herinneren.

Met aandoening boog Bianca zich over de doode neder. „Hoe zacht en roerend is haar voorkomen,” sprak zij; „zoo vriendelijk, welwillend en teeder was ook haar hart.”

„En dat goede kind moest zulk een wreeden dood vinden!” voegde Lodewijk er bij en drukte Bianca met diepe ontroering de hand.

„Ja,” merkte Bernard aan, „een zacht bed moet men hier niet zoeken; wie den dood hier gezien heeft, zal hem niet met de ouden als een genius met omgekeerden fakkel afbeelden. Zelfs onze beenderman is nog te vriendelijk; hij is een ijzeren cycloop, die onder zijne voeten en met zijne knods alles vergruist en vermorzelt.—Doch schoon de plichten van liefde heilig zijn, wij mogen en moeten ons hier niet langer ophouden. Ziet, daarboven vertoonen zich reeds weder nieuwe massa's, Russen of Franschen onverschillig, hier is alles vijand, want de menigte vernielt zich onderling. Haasten wij ons, om gindsche oeverbocht te bereiken; misschien vinden wij verder op nog een dorp of eene hut, waar wij kunnen schuilen.”

Hij wilde de zuster voorttrekken, doch deze smeekte: „Laat mij nog slechts ééne lok van haar hoofd medenemen, Bernard!”

„Gaarne,” antwoordde hij, en reikte haar uit zijne brieventasch eene kleine schaar, benevens een blad papier, om het haar daarin te wikkelen; „doch haast u, Bianca.”

Zij knielde op de sneeuw neder, sneed eene golvende lok uit het rijke, blonde haar, rolde ze op en verborg ze zorgvuldig in haren boezem. Vervolgens drukte zij een smartelijken kus op de bleeke wangen van het meisje, bevochtigde die nog eenmaal met hare tranen en fluisterde haar een teeder: „Slaap zacht!” toe.

Met verdubbelde snelheid zetten zij thans hunne vlucht voort. Eene aanmerkelijke kromming van den rivieroever bracht hen geheel buiten het gezicht der brug, en zij hoorden niets meer, dan het doffe gekraak der vijandelijke vuurmonden; overigens omgaf hen een bar, noorsch winterlandschap. Ter linkerzijde van hun pad kruide de Beresina hare dikke ijsschollen opeen, rechts werd het door de hoogten begrensd, van welke de storm de sneeuwvlokken dwarlend opjoeg. Deze blies koud tegen hen in, zoodat gezicht en handen verkleumden, en gierde met hevige rukken door de lucht. En toch was deze ruwe, akelige wildernis een vriendelijk toevluchtsoord, vergeleken bij het tooneel van moord en verwoesting, dat zij ontvloden.

Evenwel moest zich spoedig eene schuilplaats vertoonen, want Bianca was doodelijk afgemat en op het punt van machteloos neerzinken. Bernard zocht haar daarmede moed in te spreken, dat Weselowa niet ver meer kon verwijderd zijn. Wanneer zij daar ook slechts Russen vonden, was hunne redding toch verzekerd, daar Bianca zich naar Bernards aanwijzing voor eene, voor de Franschen gevluchte Russin en hem en Lodewijk voor hare uitlandsche huisbedienden zoude uitgeven. Vonden zij Franschen, dan was het de taak der mannen, voor hulp en redding te zorgen.

Verder dan een uur hadden zij thans hunne schreden voortgezet en nog liet Weselowa zich niet ontdekken. Eensklaps maakte Lodewijk zijn vriend op eenige ruiters opmerkzaam, die zich rechts van hun pad op de steile hoogte bevonden. Bernard, wiens scherp oog verder reikte, riep dadelijk: „Dat zijn kozakken, ik zie het aan de pieken; zoo de gierige roofvogels ons hier overvallen, is uitplundering het minste, dat wij te wachten hebben. Vriend of vijand, den kozak is alles buit. Wij willen ons zoo dicht mogelijk aan den oever houden”.—Dit geschiedde, doch te vergeefs, want reeds hadden de ruiters hen in het oog gekregen en schenen voornemens, jacht op hen te maken. Andermaal nam de rivier eene bocht, die hen gelukkig den vervolgers uit het gezicht bracht; tegelijk zagen zij de besneeuwde daken van Weselowa in de verte voor zich en hadden zij dus de veilige haven in het gezicht.

Maar Bianca's krachten waren door de geweldige inspanning dezer laatste minuten geheel bezweken; hare knieën knikten, zij zeeg op den grond neder en riep: „Ik kan niet meer! O, vlucht gij, redt u en laat mij het kind; de barbaren zullen met mij medelijden hebben.”

„Wij dragen u,” riep Bernard; „tot aan gindsche hut kunnen wij het nog uithouden.”

Reeds hadden hij en Lodewijk haar opgeheven, doch zij beproefden het onmogelijke. Na weinige schreden moesten zij het opgeven, daar zij zelven zich met moeite staande hielden.

„Vlucht, ik smeek het u! Broeder, geliefde, vlucht, dat is de eenige redding voor u en mij; zóó storten wij ons gezamenlijk in het verderf.”

„Bianca,” sprak Lodewijk vriendelijk, ofschoon eenigszins gekrenkt: „kunt gij dat werkelijk van ons verwachten? Neen, uw hart weet niet, wat uwe lippen vorderen!”

„Waarom luistert gij er dan naar, Lodewijk,” vroeg Bernard met een weemoedig glimlachje.„Maar wij kunnen hier verder niets doen en willen ons op de sneeuw nederzetten en er ons lot met bedaardheid afwachten. Wij scheppen inmiddels toch weder adem.”

Bianca besefte, dat haar smeeken niets zoude baten. Zwijgend zette zij zich dus op den kouden grond neder en nam het kind op den schoot. Bernard en Lodewijk plaatsten zich nevens haar, sloegen elk den arm om het schoone edele wezen en zagen zoo in eene liefelijke omhelzing hun gemeenschappelijk lot te gemoet.

Thans hoorden zij het getrappel van paarden achter de spits des sneeuwheuvels, om welken de rivier heen kromde; nog eene minuut, en hun lot was beslist. Zij zagen niet op, maar hielden elkander slechts te inniger omsloten en verwachtten als met gebukten hoofde den slag van het doodszwaard, dat hen dreigde.

De ruiters kwamen nader, hielden voor hen stil, en eene stem vroeg in het russisch: „Zeg, is dat daar ginds Weselowa?” Bianca hief het hoofd langzaam op, maar juichte, het gelaat van den vrager herkennende, op een onbeschrijfelijken toon: „Almachtige God, Rasinski!”

Met onstuimige vreugde sprongen Lodewijk en Bernard bij deze woorden op en tegelijk wierp Rasinski zich van het paard en in hunne armen. Ook Boleslaw en Jaromir die zich onder de achterste ruiters bevonden, vlogen toe en aan de borst der vrienden. „Gij leeft, gij leeft! en hier moeten wij elkander vinden!” klonk het uit aller mond; het hart was niet in staat het overstelpende geluk te bevatten, en tranen der vreugde bevochtigden zelfs Rasinski's wangen.

Bianca hing aan zijn hals als eene dochter aan de borst haars vaders. De geweldige stroom der omstandigheden had de nietige grenzen en beperkingen, binnen welke demensch zich in gewone tijden kleingeestig vastnestelt, geheel omvergerukt. Tusschen edele zielen bestonden geen palen van armzalige gewoonte en stijve vormelijkheid meer, welke de argwaan om zich afbakent en die uit de verdorven kiemen van het hart opwassen. Het verheven geluk of ongeluk verbant al wat bedriegelijk en valsch is uit de menschelijke borst; slechts het gelouterde hart blijft over, en het edele slaat voor het edele.

De onstuimige, half bedwelmende minuut van zaligheid was voorbij, en werd gevolgd door eene liefelijke rust, gelijk de stroom zich na een woelig bruisenden waterval rustig voortstuwt en de gansche diepte van den aether in zich afspiegelt.

Ook aan diep smartelijke inmengsels ontbrak het niet;Willhofens,Regnards,Jeannette's lot werd verhaald. Rasinski vernam het met innige ontroering, wendde zich om, wees op de weinigen, die hem volgden, en sprak met eene bevende stem: „Ziedaar allen, die ik van mijne getrouwen uit de slachting heb overgehouden! Wij zijn tot hier verjaagd!”

Eene ernstige stilte heerschte in den kleinen kring; elk gaf zich aan zijne sombere mijmeringen over en bepeinsde, welke offers gedurende deze korte scheiding gevallen waren. Ten laatste brak Rasinski het zwijgen af. „Om niet nog anderen van onze weinige vrienden te verliezen, willen wij opbreken; ginds ligt Weselowa, daar hoop ik over de rivier te komen. Aan gene zijde zijn wij, vertrouw ik, in veiligheid.”

Hij hief de uitgeputte Bianca met het kind op zijn eigen paard en voerde het bij den teugel. Boleslaw en Jaromir boden Lodewijk en Bernard hunne rossen aan, doch dezen, zich nog sterk genoeg voelende om te voet te gaan, wezen dit aanbod van de hand.

Zoo brak men op. Na verloop van een uur had men het plaatsje bereikt; een litthauwsche boer wees een punt aan, waar de stroombedding niet meer dan eene manshoogte diep was; niettegenstaande het drijfijs, begaf men zich moedig te water. Ditmaal zou hen geen nieuwe ramp treffen: zij bereikten gelukkig den anderen oever, en aller oog en hart verhief zich met een vurig dankgebed ten hemel.


Back to IndexNext