VEERTIENDE BOEK.

VEERTIENDE BOEK.HOOFDSTUK I.Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden. De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd en ongemerkt bezweken zijn.Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen derlijdendenu toch eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker, alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht; maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen, terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel eens teruggaf?”„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,” hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze te dieper in den grond trappe!”Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg, want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende blikken aan hare lippen hing, met ongeduldhare mededeeling verwachtte en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het vertrek.„O, dieFrançoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij zij vergeten en veracht!”Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen, vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster; maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben lichter en beter geworden.”De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,” hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik niet biechtte.”„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil. Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En die furie vervolgt mij nog altijd!”„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen; „het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en boete.”„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan ontrooven moest.Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit genomen en bracht het ten uitvoer.Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die vergeving aannemen?”„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij zich niet kan laten vergeven.”„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou het mij dan niet vrijstaan?”Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen, dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen gevoelde. „Ja,gijmoogt hem vergeven,gijmoogt het,” sprak zij vol aandoening;„gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld kendet—thans, verneem ook die.”Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik gedwaald had?”Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke de bezoedelde omgang des gemeenenlevens den man vaak geheel onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij; „vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare oogen vloten zachte tranen, die zij overJaromirsval en berouw vergoot, welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had afgeschilderd.De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te troosten.„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden, weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-, driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet terugwijzen!”Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder, toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met het koude ijzer der trotschheid!Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven, tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem der liefde!UweLodoiska.”Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over. Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren gemoedsaard, maar zij eerbiedigde deheilige rechten van een minnend hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja, men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk, even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien, hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou, toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag, verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.HOOFDSTUK II.Inmiddels verstreek de eene week na de andere, zonder naricht van de betrekkingen bij het leger te zien aankomen; November spoedde ten einde en nog was het vurig gewenschte antwoord niet verschenen. Lodoiska verontrustte zich en begon te gelooven dat haar brief was verloren geraakt; bij andere gelegenheden kwelde zij zich met twijfelingen aangaande den aard van het antwoord. Te vergeefs stelde de gravin alles in het werk, om haar gerust te stellen en dag aan dag haar voor te rekenen, dat een tijding voor het einde van November onmogelijk kon daar zijn; te vergeefs somde zij al de toevalligheden op, die in oorlogstijd, bij het tusschen dooi en vorst weifelende winterweder en bij de gebrekkige inrichting der veldposten in den geregelden gang der briefwisseling eene stremming konden en moesten teweegbrengen; het minnende meisje werd gestadig treuriger en beangster, en zelfs dit, dat ook Rasinski, Lodewijk en Bernard geene enkele letter geschreven hadden, was niet in staat haar te troosten. Inderdaad was echter juist deze omstandigheid de bron van bekommernissen van een anderen aard voor de gravin zoowel als voor Maria. Deze laatste begon voor het leven der haren te sidderen, terwijl zich aan het dieper inzicht der eerste nog andere vermoedens en zorgen opdrongen, die de waarheid, helaas! maar al te nabij kwamen.Het was in het begin van December, dat de drie vrouwen, die over het geheel in strenge afzondering leefden, op een avond onder vertrouwelijke gesprekken bijeenzaten. Er werd gescheld; de kamerdienaar meldde een vreemden officier aan, die berichten uit het leger bracht. Een gloeiende vreugdeblos overtoog Lodoiska's wangen bij de gedachte: zou het misschien Jaromir zelf zijn? De gravin was niet minder begeerig te weten, wie de vreemde zijn mocht, en nam, hoewel geen naam was genoemd, derhalve het bezoek aan; in elk geval hoopten allen eenig naricht van hare vrienden te erlangen, waarnaar zij zoo lang en smachtend hadden uitgezien.De deur werd geopend—Arnheimtrad binnen.Was ook dadelijk bij zijne verschijning de hoop op tijding van Rasinski vervlogen, men koesterde toch voor den edelen, beschaafden man te veel vriendschap, om hem niet van harte welkom te heeten. Na de eerste begroetingen bracht de gravin het gesprek op de oorlogsaangelegenheden, en daar sedert eenigen tijd allerlei geruchten, niet weinig geschikt om onrust en bezorgdheid te verwekken, in omloop waren, vroeg zij dienaangaandeArnheimsgevoelen.„Wij weten niets anders, dan dat de keizer met de groote armee terugtrekt,” was het antwoord. „Evenwel gelooven wij, dat het in de omstreken van Minsk of Wilna tot een belangrijken slag moet komen, daar de russische legerkorpsen van de noordelijke en zuidelijke armee zich gedurig dichter samentrekken. Dat is de reden, waarom vorstSchwarzenbergzich thans tot dekking herwaarts gewend heeft.—Dezen namiddag liep er een gerucht, dat Minsk zelf door Tschitschagoff zou zijn ingenomen; de Fransche gezant spreekt zulks echter tegen.”„Juist daarom zou ik bijna te eer geneigd zijn, het te gelooven,” sprak de gravin met merkbare onrust; „want sedert ettelijke weken heeft zich doorgaans datgene bevestigd, wat bij het gezantschap de meest beslissende tegenspraak vond.”„Volgens de stelling des legers moeten de Russen Minsk bezet hebben,” hernamArnheim; „misschien kan dat zelfs reeds veertien dagen het geval zijn.”„Het zou mij niet verwonderen,” sprak de gravin, „want de ongelukstijdingen worden zoolang mogelijk voor ons verborgen gehouden. Doch wat is uw gevoelen aangaande de plannen en voornemens van den keizer? Tot hoever zal zijn terugtocht zich uitstrekken? Denkt hij in Litthauwen de winterkwartieren te betrekken, of hier te komen?”„Ik vermoed, dat hij Witepsk, Wilna, Minsk, zoo het niet verloren is of hernomen wordt tot zijne kantonnementen kiezen en vandaar tegen het volgende voorjaar den oorlog met nieuwe krachten hervatten zal; ingeval hij zich namelijk niet te zeer uitgeput voelt en zich daardoor meer geneigd tot den vrede betoont.”„Zoo zou dan toch de uitslag van dezen veldtocht niet aan de verwachting en aan de gedane opofferingen beantwoord hebben?”„Openhartig gesproken, neen!” antwoorddeArnheimvrijmoedig. „Zoo het den keizer gelukt ware, in Moskou vrede te sluiten—dan ongetwijfeld. Nu echter zou hij ten minste even ver geweest zijn, wanneer hij na de inneming van Smolensko den veldtocht besloten en de zaken van Polen geregeld had.”De gravin schudde mijmerend het hoofd. „Het was althans onze hoop zoo,” zuchtte zij, meer dan zij sprak.—„Doch vertel ons nu ook iets van uw eigen wedervaren, beste vriend!” vervolgde zij, blijkbaar met het doel om het gesprek eene andere wending te geven. „Wat brengt u herwaarts? Gij zijt spoediger teruggekeerd, dan wij hopen durfden.”„Het zijn aangelegenheden van verschillenden aard en wel niet de aangenaamste,” antwoorddeArnheim, „die mij in Warschau brengen; invorderingen van gelden, kleine onderhandelingen wegens duizend nietigheden, ten deele ook eigen zaken.” Hij wierp, dit zeggende, een blik op Maria, die een weinig verward, het oog onwrikbaar op het borduurwerk vestigde, waarmede zij zich juist bezighield.„Dan zult gij toch niet weder zulk een vluchtige gast zijn als onlangs?” hervatte de gravin met hartelijkheid. „Gij zult, hoop ik, mijn huis als de toevlucht beschouwen, waar gij u van uwe bezigheden ontspannen kunt, zoo de stilte eener vrouwelijke afzonderingu namelijk bevredigen kan na het woelige leven, dat de krijg medebrengt.”„Wat kon mij meer welkom zijn?” riepArnheimmet vuur. „De krijg maakt ons niet ongevoelig voor het geluk van een vertrouwelijken omgang; hij verleent ons integendeel de vatbaarheid daarvoor, daar elk genot door ontbering verhoogd wordt. Ik voor mij althans heb mij te midden van het oorlogsgewoel vaak in de vredige rust van uw eenzamen tuin teruggewenscht; aan die wandeling denk ik nog met wezenlijke aandoening.”Maria stond op en verliet onder eenig voorwendsel het vertrek. Hare ontroering hadArnheimwaarschijnlijk herinnerd, dat hij zich te levendig had uitgedrukt; want hij bedwong zich en sprak in algemeene bewoordingen over het genot, dat hij in de schoonheid der natuur vond, en hoe hij daarbij licht te bevredigen en onverzadelijk tevens was. Licht te bevredigen, wijl een boom, een weiland, een zonnestraal hem het rijkste genot verschafte; onverzadelijk, daar hij zich in de stille genoegens der natuur uren lang verlustigen kon.—Echter gelukte het hem niet, bedaard te blijven, vooral toen Maria, met de onmiskenbare sporen eener diepe aandoening op hare onbedriegelijke gelaatstrekken was teruggekeerd. De bezorgdheid, welke uitlegging hieraan voor zich zelf te moeten geven, verontrustte hem te zeer, dan dat zulks voor een zoo geoefend oog als dat der gravin zou hebben kunnen verborgen blijven.Arnheimhad, sedert hij Warschau verliet, steeds het voornemen gekoesterd, om Maria, voor wie hij eene warme genegenheid had opgevat, zijne hand aan te bieden. Vandaar had al zijn pogen en streven gedurende dien tijd slechts ten doel, in eene betrekking geplaatst te worden, die hem het geluk van den echt veroorloven kon. Zijn positie als soldaat was niet van dien aard en zijn tegenwoordige betrekking kwam ook geenszins met zijne neigingen overeen, zoolang Europa's staatkundige toestand alles aan den wil van Frankrijk ondergeschikt maakte. Zijn ontslag was hem, terstond na het eindigen van den veldtocht, toegezegd, en hij wilde zich dan als rechtsgeleerde aan den staat wijden, waartoe vroegere studiën, geboorte en bekwaamheid hem de bevoegdheid verleenden. Deze verwachtingen waren hare vervulling nabij en het hoofddoel van zijn oponthoud in Warschau was dus inderdaad geen ander, dan aanzoek te doen om de hand van het beminde meisje. Eene onbedriegelijke overtuiging zeide hem, dat zij meer dan enkel welwillendheid jegens hem koesterde; doch een bijna even stellig voorgevoel deed hem vreezen, dat wat hij haar inboezemde meer eene warme, vriendschappelijke neiging, of misschien wel deelneming in den landsman, dan werkelijk liefde was. Ten einde haar niet te verontrusten, wachtte hij zich zorgvuldig, deze teedere snaar opnieuw aan te roeren en bepaalde hij zich in zijn gesprek tot algemeene onderwerpen. Ook brak hij zijn bezoek vroeger af, dan hij dit anders wel zou gedaan hebben.De gravin zou zich in eene verbintenis tusschen Maria enArnheiminnig verheugd hebben, daar zij, en waarschijnlijk niet ten onrechte, vertrouwde, dat deze het geluk van het door haar zoo innig geliefde meisje op hechte grondslagen zou vestigen.Arnheimtoch was een edel hart waardig en Maria, in haar verlaten toestand, had een beschermer dringend noodig. Wat bovendien de uitwendige gaven der fortuin betrof, ook in dit opzicht liet dit huwelijk niets te wenschen over. Zij besloot uit dien hoofde alles, waartoe hare moederlijke betrekking op Maria haar recht gaf, in het werk te stellen, om het tot stand te brengen.Tegen hare gewoonte trad zij nog in den laten avond Maria's kamer binnen en vond deze met het invullen van haar dagboek bezig.„Ik zou toch wel gaarne eens willen weten, wat mijne jonge vriendin nog zoo laat in den nacht in dat boek opteekent,” zeide zij glimlachend, schoon daar zij Maria's geaardheid kende, die in ernstige zaken nimmer eene schertsende wending beminde, op den hartelijken toon van moederlijke deelneming.„Zoo gij het ernstig wenscht,” hernam Maria, die de bedoeling van het bezoek wellicht gissen kon, „wil ik het niet voor u verbergen.”„Neen, Maria,” sprak de gravin; „er zijn geheimen, welke zelfs de dochter voor de moeder mag hebben. Veel in ons moet alleen ons eigendom blijven; men miskent het innerlijke, zelfstandige recht van den mensch, wanneer men in vriendschap, liefde of in welke betrekking ook, op eenonbepaaldvertrouwen aandringt. En die het vorderen, verleenen het gewoonlijk het minst.”„In deze zaak mag ik u het schenken, ja, ik zou er u wellicht morgen zelve om verzocht hebben,” hernam Maria; „want uw moederlijke raad wordt mij thans onontbeerlijk.”„En ik kom u dien aanbieden,” viel de gravin haar haastig in de rede, daar zij eene voor haar opzet gunstige stemming waande te ontdekken. „Leg dan uw hart voor mij open, mijne lieve, en beschouw mij als uwe tweede moeder.”Maria zag haar met hare trouwe, blauwe oogen dankbaar aan en antwoordde vol aandoening: „Als zoodanig heb ik u immers altijd beschouwd, van het eerste oogenblik af, dat gij de ledige plaats innaamt, welke de dood mijner eerste liefderijke moeder in mijn hart openliet. O, ik heb steeds met innige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid erkend, hoe moederlijk gij voor mij zorgdet, toen ik hulp- en radeloos, toen ik geheel verlaten was.—Daarom moet ik ook nu mijn hart voor u openleggen, hoewel het mij eenigen strijd kost, daar gij mij wellicht van eene berispelijke ijdelheid zult verdacht houden. Maar ik moet mij dezen schijn van schuld getroosten, om niet eene werkelijke schuld op mij te laden.”De gravin luisterde in gespannen verwachting toe. Maria zweeg eenige oogenblikken en ging vervolgens onder liefelijk blozen met neergeslagen oogen voort: „Ik geloof—ik vrees, wilde ik zeggen—de ritmeesterArnheimkoestert inzichten....”Hier brak zij in tranen uit. De gravin, geheel verschrikt, sloot haar in de armen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Zij kon dit weenen wel is waar niet in zijne volle beteekenis verstaan, wijl Maria zich over Rasinski's aanzoek nooit een woord had laten ontvallen, doch in deze moesten de verlevendigde herinneringen gewaarwordingen doen oprijzen, waaraan hare gevoelige ziel zich weemoedig overgaf.„Gij zoudt zijne neiging niet kunnen beantwoorden?” vroeg de gravin op een deelnemenden toon.„Ach, dat is het juist, waarover ik mij bedroef en mij zelve verwijten doe,”snikte het meisje. „Hij is goed, ja, ik moet hem edel noemen en ik ben niet zonder schuld, want ik heb mijne gezindheid wellicht te onvoorzichtig doen blijken,—ach, er kwam nog veel bij, dat mijne vriendschap voor hem meer voedsel gaf—en nu moet ik hem zeggen: ik versmaad u!—Dat grieft en pijnigt mij onuitsprekelijk. Daarom heb ik eene moederlijke raadgeving noodig, hoe het onvermijdelijke kwaad te verzachten.”„Goeie Maria,” antwoordde de gravin vriendelijk, „gij weet, ik behoor niet tot diegenen, die de heiligste gewaarwording van het hart, de liefde, onder de dweepachtige tellen; maar ik geloof toch, dat vereenigingen, op den vasten ankergrond van achting en vriendschap gebouwd, op den duur gelukkiger zijn dan die, welke op de woelige zee der hartstochten worden aangeknoopt. Zouden wij vrouwen, aan wie eene vrije keusniet vergund is, wel het recht hebben, dezulken af te wijzen, tegen welke het scherpste onderzoek geen ander geldig bezwaar kan inbrengen, dan dit, dat zij ons geene onwillekeurige neiging hebben ingeboezemd? Het is schoon, wanneer volmaakt gelijk gestemde harten elkaâr ontmoeten; maar hoe zelden is dat werkelijk het geval! Meenen wij ons gerechtigd, ook daar neen te zeggen, waar wij den hoogsten graad van achting en vriendschap koesteren mogen, dan benemen wij ons zelve bijna de mogelijkheid van aan onze vrouwelijke bestemming te beantwoorden. Liefde baart liefde; hoe konden anders zoovele harten zoo gelukkig verbonden wezen. Men bemint, wijl men bemind wordt....”„Wanneer dat echter niet zoo is!” riep Maria met smartelijke hevigheid en bedekte zich het gelaat met haren zakdoek.—„Wanneer nu die schoone echo der wederliefde zich niet in het hart doet hooren,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met meerdere kalmte, „dan kan het toch wel geen plicht zijn, een band aan te knoopen, alleen wijl de uiterlijke omstandigheden gunstig schijnen? Het recht der keuze is ons ontzegd; zouden wij daarom ook het recht verliezen, om neen te zeggen, wanneer het hart tot een ja niet besluiten kan?”De gravin zweeg. Hare wet was eene van het gebruik, van de werkelijkheid, gelijk het leven in zijne verschijning die voorschrijft, die van Maria eene hoogere, uit het vrije rijk der gedachte, die wel is waar zelden wordt nageleefd, maar uit dien hoofde nog geenszins hare geldigheid verliest.„En waartoe hebt gij dan mijn raad noodig, mijne beste, wanneer gij zoo vast besloten zijt?” vroeg de gravin na eenig zwijgen.„Niet uw raad alleen, uwe dadelijke hulp heb ik noodig,” antwoordde Maria. „Tot dusver is er geen beslissend woord gesproken; gij kondt het geheel voorkomen en ons beiden de smartelijkste uitlegging besparen.”„Hoe gaarne wil ik dat, schoon het mij leed doet,” hernam de gravin. „Maar, lieve, staat uw besluit onherroepelijk vast? Zoo nu—ik moet u deze bittere mogelijkheid herinneren—zoo nu Lodewijk eens niet uit Rusland terugkeerde!”„O, hij zal, hij zal!” riep Maria. „En zou ik een man mijne hand reiken, wanneer ik ze slechts als een hulpeloos smeekende naar hem kon uitstrekken? Dat mag niet beslissen; de nood zou mij in zijne armen drijven, wanneer de liefde zulks niet vermocht.”„Gij oordeelt valsch, Maria!” antwoordde de gravin bedaard, maar op overtuigenden toon.„Het is het hoogste geluk der liefde, vreugde en zegen van elken aard te kunnen uitstorten. De edele redt zijn geluk het liefst uit onstuimige golven, uit eene schipbreuk des levens, ja, hij zou der geliefde alles willen ontrooven, om haar daarna opnieuw met alles te kunnen beschenken en versieren.”„Deminnende,” hernam Maria, „mag een dergelijk offer aannemen, hoewel zij het liever zelve brengen zou; maar wie niet zijn gansche hart ter vergoeding kan geven, die mag het niet—ik niet.”Zij sprak deze woorden zeer zacht, maar met vastheid. Hierop wendde zij zich weder biddende tot de moederlijke vriendin, opdat deze de bemiddeling op zich zou nemen. „Zeg hem,” eindigde zij,„dat ik hem mijne warme vriendschap wijd. Ook op mijne dankbaarheid heeft hij aanspraak! Dubbel vriendelijk en zusterlijk wil ik jegens hem zijn, wijl het hem smarten moet—maar ik kan niet anders, waarlijk ik kan niet.”Stil weenende rustte zij aan de borst der moeder, en deze zocht haar door teedereliefkoozingen te troosten, want beiden ontbrak het aan woorden. Eindelijk scheidden zij, om in den zachten arm des slaaps rust en kalmte voor het bewogen hart te zoeken.HOOFDSTUK III.Arnheimhad vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn vonnis aan.„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”Hij ging.De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst, hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning verwachten kon.Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeestervon Arnheimaandiende.„Zeer welkom!” sprak zij.Arnheimtrad binnen.„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn alleen.”„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernamArnheimmeteen gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en zich met moeite aan een stoel staande hield.Arnheimwilde haar te hulp snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos, niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de ongelukkige neergebogen enlegdede bevende handen op haar hoofd.Arnheimstaarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods ontkiemen zou.Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zijArnheimbespeurde, vloog een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich, ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden. Terwijl wij de kracht tot tegenstand in onstrachtenop te wekken, erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat gij eene dochter van Polen zijt.”„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde; „toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij mij niet verlaten zult!”De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?” antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een verwijt lag.„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens! Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing overweldigd,en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook zonder woorden te kennen gaf.Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans, zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog opArnheimen een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij, wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde zich haastig.Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor elkander konden uitstorten, sprak de gravin:„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer, in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden. Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”HOOFDSTUK IV.Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog totZembinvoort. Hier vond hij den maarschalkNey, wien wederom de zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede op de weerlooze offers aan te vallen.TeZembingelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond, inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken, op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven, hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden, dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste. De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich heen zien.”Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde, of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden opgewogen.Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen, onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bijNeyaan, deels uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen in te halen.De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog, maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven,verontrusttenden aftocht.Daar kwam de dag, tegen welken deverbitterdstevijand van het leger, de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen; thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond in zijn volle vreeselijkheid voor hen.Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op! Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en zij bleven roerloos liggen.„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al zijne kracht op het lijf.”Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige, daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen, dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn, bijtend vergif doordrong.„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel, beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna onwillekeurig deze woorden uiten.„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang verliest men elkander spoedig uit het oog.”Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen. Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de gedurende den nacht door hunne makkerstoebereide spijzen dachten meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd, dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen te vermannen.Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind ze aanroerde.Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in een grafgewelf weg.Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor, het andere na, den weg naar het westen insloeg.Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het was de maarschalkDavoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen verleende.Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede, Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde ruiters sloten zich bij hen aan.De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat, reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken, door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door, deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden laten rusten, viel haar plotselingeen hulpmiddel in. „Wacht, wacht, één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St.Bernarddroeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze sneeuw en deze zon.”Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu, daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren, opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen. Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken glans?”„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op de ijszee vanChamounyzoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen, werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te richten.De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid. Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir, die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hemhunne rossen aan; hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat geen rang meer.”Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ookBoleslawspaard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare, maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend wandelden zij naast elkander voort.Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in,dat gebaander scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan; Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”Bernard huiverde en zag om.Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed huiverendeene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil, klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten, om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te verlengen.„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?” antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest rollende oogen.Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van den woedende nederwerpt.„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles, alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit. Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de nog altijd knielende Bianca van den grond op.„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit; „neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij te doen staat!”Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend toeschenen.„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder oprichtte.„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik, zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot viel, de ongelukkige stortte neder.„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeantFerrand... uitLaon.”Hij leefde niet meer.In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend. Het was dezelfde sergeantFerrand, wiens streng plichtmatig, maar menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf! Slaap wel!”Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven. Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.

Een langdurig ziekbed had Lodoiska in een toestand van bedwelming gehouden; haar leven gedurende dat tijdsverloop was bij een zwaren droom te vergelijken, waarin zij zonder bewustzijn leed of genoot, naar gelang donkere of lichte gestalten hare bedwelmde zinnen voorbijgleden. De beelden, die haar oog om zich zag, vielen niet dan door een schemerachtig floers in hare ziel. Somtijds herkende zij hen, die aan hare legerstede gezeten waren; meestal schenen deze haar geheel vreemd en sprak zij hen verward en zonder samenhang uit de wereld harer verbeelding aan. Het was eene weldaad voor de arme te noemen, dat de ziekte haar niet het volle besef van haren toestand liet; want bij de prikkelbaarheid van haar gevoel zoude zij onder de zielesmart, welke zij op geene andere wijze had kunnen lucht geven, innerlijk weggekwijnd en ongemerkt bezweken zijn.

Na eenige weken begon de hevigheid der ziekte te breken en mocht men gegronde hoop voeden, dat de benevelde begrippen derlijdendenu toch eindelijk zouden worden opgeklaard. Maria verheugde zich hierover met zusterlijke deelneming; maar de gravin zag dit wederkeeren tot de werkelijkheid des levens met gestadig toenemende bezorgdheid te gemoet; want bij Lodoiska moest met het begrip der werkelijkheid om haar heen ook het besef van de oorzaak van haar hartverscheurend lijden terugkeeren, en dan was te duchten, dat de ziekte zich òf met doodelijke hevigheid hernieuwen òf in eene stille, maar des te onverzettelijker, alle inwendige levenskrachten verterende zwaarmoedigheid verkeeren zoude. Ach, en niemand kon haar ook zelfs den geringsten schijn van troost geven, want sinds die noodlottige regels van Jaromir waren geen brieven uit het leger aangekomen, met uitzondering van eenige vluchtige woorden van Rasinski, welke een keizerlijke renbode had medegebracht; maar deze behelsden niets, dan dat alle vrienden nog leefden en waren klaarblijkelijk in groote haast geschreven, om slechts de gelegenheid niet te laten voorbijgaan, die zich tot eene groete aan de achtergelaten betrekkingen aanbood. De gravin daarentegen had terstond na het ontvangen van den ongeluksbrief van Jaromir haren broeder geantwoord en op een onbewimpeld verslag van de reden dezer onbegrijpelijke aantijging ten dringendste bij hem aangedrongen. Het antwoord op dezen haren brief kon zij wel is waar nu nog niet verwachten; maar het plotseling stilzwijgen van alle overigen, want ook Maria had geen enkelen regel ontvangen, vervulde haar daarom toch met bange vermoedens.

„Wat moeten wij het arme kind zeggen,” vroeg zij op zekeren morgen, terwijl de kranke nog sluimerde, aan Maria, „als zij nu eindelijk wakker wordt en ons vraagt, of het een droombeeld was, dat haar zoo vreeselijk beangst heeft, dan of deze aarde wezenlijk zulk eene bittere waarheid oplevert?—Wat zouden wij haar antwoorden, zoo juist deze zachte slaap haar het heldere bewustzijn van hare schuldelooze ziel eens teruggaf?”

„Ik geloof niet, dat zij de waarheid vernemen mag,” sprak Maria; „wij moeten haar door een liefderijk bedrog trachten te misleiden, totdat haar hart meer veerkracht bekomen heeft en in staat is, het scherpe vergif te verdragen. De rampzalige brief mag haar niet onder de oogen komen; wij zullen haar in de waan trachten te brengen, dat het eene koortsachtige inbeelding van haar is, dien te hebben ontvangen.”

„Dat zou mogelijk zijn, wanneer wij haar andere brieven konden toonen,” hernam de gravin; „maar zoo zal zij op het vermoeden komen, dat Jaromir dood is en deze gedachte, deze vrees pijnigt de arme wellicht nog vreeselijker. Ach, ik zie geen uitweg uit deze akelige verwarringen en ik hoop er ook niet op, want sinds lang ben ik gewoon, dat de bloesems van mijn geluk zich slechts openen, om door de ruwe stormen van het lot te worden afgeschud, opdat elke schrede van den voortsnellenden tijd ze te dieper in den grond trappe!”

Dit droevig onderhoud werd door het binnenkomen van een bediende afgebroken, die de oplossing der bange twijfelingen in de hand droeg, want hij bracht een pakket brieven van Rasinski. Driftig brak de gravin het open, om zoo spoedig mogelijk zekerheid te erlangen. Zij vond den brief haars broeders, waarin deze van Jaromirs treurige geschiedenis volledig verslag gaf, benevens dien, welken de ongelukkige na zijne genezing aan Lodoiska geschreven had, om zich in zijn diepen rouw de boete van onherroepelijke verbanning uit haar hart op te leggen. De gravin had zwijgend ten einde toe gelezen, terwijl Maria met vragende blikken aan hare lippen hing, met ongeduldhare mededeeling verwachtte en toch niet waagde eene vraag te doen, wijl zij wist, dat dit zwijgen niet uit vergeetachtigheid en nog minder uit koele achterhoudendheid voortsproot, maar veeleer tot het sterke, zelfstandige karakter der edele vrouw behoorde, die al hare gevoelens zoolang voor zich zelve hield, tot zij zich bewust was, die volkomen meester en tot een vast besluit gekomen te zijn. Een blos van verontwaardiging kleurde nu en dan het gelaat der gravin, maar ging spoedig in een weemoedig lachje over. Eindelijk nam zij ook Jaromirs brief, maar onder het lezen welden verduisterende tranen in haar oog op en mompelde zij half voor zich zelve: „Hij is toch meer ongelukkig dan schuldig!” Opstaande gaf zij Maria de beide brieven over en wandelde met rassche schreden door het vertrek.

„O, dieFrançoise Alisette!” riep zij bijna luide uit. „Wie had zulk een giftige doortraptheid bij haar vermoed! Dus leert men toch nimmer de diepten des harten doorgronden! Voor lichtzinnig had ik haar misschien kunnen houden, en toch zou ik haar geene koele, vooraf berekenende, maar veeleer die dweepende lichtzinnigheid hebben toegeschreven, die meer zichzelve bedriegt dan anderen—en toch!—Zij zij vergeten en veracht!”

Ook Maria had Rasinski's brief gelezen, onder maagdelijk blozen, vermengd met diepe, zedelijke verontwaardiging tegen de verleidster; maar Jaromirs berouwvolle boete perste haar warme tranen van mededoogen uit het oog. „Arme Lodoiska,” zuchtte zij, „hoe zult gij nog gefolterd worden! Maar uw minnend hart zal alles overwinnen en vergeven.”

„Dat mag zij niet,” sprak de gravin met vastheid. „Jaromir is harer niet meer waardig. Zij moet achting hebben voor zich zelve! Kon zij hem ook al vergeven, hij mag geen vergiffenis aannemen.”

Inmiddels sloeg de zieke de oogen op; zij geleek eene lieflijke, bleeke roos; haar vroeger zoo vurig, donker oog had de vlam verloren, maar den zachten gloed behouden; met teedere innigheid vestigde zij haren blik op moeder en zuster en zeide: „Ik heb zeer gerust geslapen, ik ben lichter en beter geworden.”

De gravin boog zich over haar neder en drukte een zachten kus op haar voorhoofd. „Dat verheugt mij, lieve,” sprak zij, terwijl zij moeite had hare inwendige ontroering door toon en stem niet te verraden. Maria trad met een vriendelijk lachje op de zieke toe en vroeg: „Zijt gij nu weer wel, volkomen wel?”—„O ja, mij dunkt ik ben geheel gezond,” hernam Lodoiska, de aangeboden hand zachtkens drukkende; doch haar blik verried, dat zij iets anders dacht, dan zij sprak. Met pijnlijke onrust scheen zij zich op iets, dat zij vergeten had, te bezinnen. „Ik weet niet, Maria,” vervolgde zij en zag de vriendin vragend aan, „mij verontrust en beklemt iets, als had ik eene zware zonde begaan, die ik niet biechtte.”

„Gij eene zonde!” antwoordde Maria. „Neen, die gedachte bleef u nog uit de koortsachtige droomen uwer ziekte bij. Het vroolijke licht der gezondheid zal die donkere nachtvogels weldra geheel verdrijven.”

„Ach, ik vrees neen,” vervolgde Lodoiska; „het is mij, alsof een vreeselijk spook in mijne ziel stond, dat wijken noch wankelen wil. Slechts weet ik niet, wat het met zijn zwarten sluier bedekt; maar het beangst en knelt mij meer en meer.” Thans trad de gravin op het leger toe, nam de hand der zieke en sprak liefderijk, maar ernstig: „Mijne dochter, is u waarheid of ontveinzing liever? Zoudt gij thans in staat zijn, de bittere waarheid, die u verpletterde, toen zij eensklaps verraste, te verdragen, wanneer eene moeder ze u behoedzaam onthulde?”

Lodoiska staarde de gravin met angstig vorschende blikken aan en scheen het geheim te willen raden. Eindelijk sprak zij met stille onderwerping: „Van u kan ik alles hooren, ik wil bedaard blijven en lijden; ik weet immers, dat gij mij lief hebt.”

„Ik wil u zeggen, wat toch niet voor u verzwegen kan blijven,” begon de gravin. „Herinnert ge u nog de laatste woorden, die Jaromir u schreef?”

„O God!” riep Lodoiska angstig; „zoo is dat toch geen droom geweest! En die furie vervolgt mij nog altijd!”

„Neen, neen, geliefd kind,” trachtte de moeder haar gerust te stellen; „het was half een droom, half waarheid. Jaromir veroordeelde u in de verbijstering van zijn schuldig hart; nu echter is hij tot beter inzicht gekomen; aan hem lag de schuld, op hem rusten nu ook rouw en boete.”

„Hoe?” snikte Lodoiska, die thans alle herinneringen weder met gloeiende kleuren zag terugkeeren, maar niet verstond, wat de laatste woorden der gravin moesten beteekenen; „dan gelooft hij toch weder aan mijne liefde en miskent mijn hart niet langer? O, dan ben ik immers gelukkig. Hij heeft mij diep gegriefd, maar alles, alles zij hem vergeven! Ach, mijne moeder, hoe gelukkig maken mij uwe woorden!”

Zij strekte de zwakke armen uit, ten einde die om den hals der geliefde moederlijke vriendin te slaan, maar was te zeer uitgeput; de gravin echter volgde den teederen wenk, boog haar gelaat tot de lijdende neder en liet zich door deze aan de hijgende borst drukken. Weldadige vreugdetranen bevochtigden de wangen der kranke, maar eene angstige beklemdheid drukte op het hart der moeder, die haar dezen nieuwen waan ontrooven moest.

Doch de gravin erkende de noodzakelijkheid; zij had haar besluit genomen en bracht het ten uitvoer.

Nadat Lodoiska kalmer was geworden, vervolgde zij dus: „Uw minnend hart vergeeft; maar mag Jaromir, die de schuldelooze zoo diep krenkte, die vergeving aannemen?”

„Ach, het besef van schuld zal zijne boete zijn, en boete verzoent!”

„Zoo hij echter nu zelf schuldig ware, zoo hij....”

„Verlaat hij mij?” riep Lodoiska buiten zich zelve en met zulk eene hevigheid, dat de gravin het terugkeeren der woeste koortsvlagen duchten moest.—„Neen, lief kind,” vervolgde zij: „maar hij heeft zwaar tegen u misdreven, zóó zwaar, dat gij hem niet vergeven moogt, dat hij zich niet kan laten vergeven.”

„O moeder, ik weet niet wat hij misdeed; maar iets harders voor mij bestond er niet, dan dat hij mijn hart miskende en van ontrouw verdacht hield. God, die barmhartig is, vergeeft elken berouwhebbende, en zou het mij dan niet vrijstaan?”

Toen zij deze woorden sprak, glansde zulk eene hemelsche zachtheid op haar gelaat, straalde zulk eene vrome geestdrift uit hare oogen, dat de gravin zich in hare eigene strenge grondbeginselen overwonnen gevoelde. „Ja,gijmoogt hem vergeven,gijmoogt het,” sprak zij vol aandoening;„gij hebt het gedaan, nog eer gij zijne schuld kendet—thans, verneem ook die.”

Zij gaf haar den brief van Rasinski. Lodoiska beschouwde dien eenige oogenblikken en zeide: „Neen, lees gij hem slechts, als ik toch hooren moet; maar nog veel liever hoor ik niets, het is immers genoeg dat hij berouw heeft.—Zou hij dan zoo gruwzaam tegen mij zijn, wanneer ik gedwaald had?”

Het reine hart van Lodoiska vermoedde Jaromirs schuld niet; hare ziel had geen denkbeeld van de vele overtredingen, omtrent welke de bezoedelde omgang des gemeenenlevens den man vaak geheel onverschillig doet zijn. Maar de gravin achtte het noodzakelijk, haar alles te ontdekken. „Waarheid zij tusschen u en hem,” sprak zij; „vergeef dan, zoo gij het kunt en wilt. Alles moet gij weten; de vergeving zelve ware anders immers slechts eene halve vergeving, en Jaromir mocht ze niet aannemen, daar hij zou moeten gelooven, dat zij niet waar en niet volkomen was, wijl het u aan moed had ontbroken, de schuld te vernemen, die gij vergeven wildet.”

Zoo begon zij Rasinski's brief langzaam voor te lezen, terwijl zij de kranke daarbij zorgvuldig in het oog hield, om te zien, of deze misschien ook te hevig geschokt mocht worden. Doch dit was het geval niet, Lodoiska bleef bedaard; om hare lippen zweefde een weemoedig lachje, dat de vriendelijkheid harer verzorgsters gold, en uit hare oogen vloten zachte tranen, die zij overJaromirsval en berouw vergoot, welke beide Rasinski met de eenvoudige kleuren der waarheid had afgeschilderd.

De brief was ten einde. Lodoiska bleef eenige minuten zwijgend en heimelijk weenen, terwijl Maria haar door zachte liefkoozingen zocht te troosten.

„Laat mij zelve Jaromirs brief lezen,” verzocht zij eindelijk en ondersteunde deze bede door een tot diep in het hart dringenden, weemoedigen blik. De gravin reikte haar dien toe en met een dikwijls door tranen verduisterd oog las zij nu het geschrift een-, twee-, driemaal over. „O mijn God!” riep zij vervolgens smartelijk uit; „hoe onbeschrijfelijk heeft de arme geleden en hoe zwaar geboet! En ik zou hem niet vergeven? Ach, hij bemint mij immers nog, bemint mij vuriger dan ooit! Alles, alles zij vergeten! Hij mag mijn minnend hart niet terugwijzen!”

Eene zalige vreugde kleurde hare bleeke wangen en verleende vuur en gloed aan haar vochtig oog; zij was als nieuw geschapen door het grootmoedig besluit, dat aan haar edele ziel niet eenmaal strijd had gekost. De sombere geest der ziekte scheen eensklaps verbannen te zijn en te vlieden. Zij hield niet op met bidden, tot de gravin haar vergunde, de regels van verzoening en vergiffenis onverwijld te schrijven; zelfs de bezorgdheid harer verpleegsters, dat haar de kracht daartoe ontbreken zou, was ongegrond; want de dringende hevigheid van haar wenschen en willen had haar zoodanig opgewonden, dat volslagen weigeren thans gevaarlijker zou geweest zijn dan toegeven. Zich op haar leger oprichtende, schreef zij het volgende aan Jaromir:

„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder, toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met het koude ijzer der trotschheid!Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven, tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem der liefde!UweLodoiska.”

„O, mijn Geliefde! De liefde vergeeft alles; zij kan slechts weenen en bloeden—ik ben nooit vertoornd op u geweest. Verplet zonk ik neder, toen uw bedrogen hart mij verstooten wilde; thans toont gij mij een hart vol berouw, en ik weet niets meer van schuld; een hart vol liefde, en ik weet niets meer van mijne smart. Neen, geliefde, vorder niet, dat ik zelve de bloesems mijns levens vertreden zou. Omsluit uw hart niet met het koude ijzer der trotschheid!

Vriend mijner ziel! De rechter van uwe dwaling is alleen de liefde en haar zacht vonnis luidt: alles, alles zij vergeten! Wilt gij doof zijn voor hare zoete stem—o, dan zullen nacht en duister mijn hart omgeven, tot het ophoudt te slaan en breekt—en voor eeuwig verloren is het zalig geluk, waarop het thans nog hoop voedt!—Jaromir, hoor de heilige stem der liefde!

UweLodoiska.”

Toen het meisje geëindigd had, gaf zij het blad aan de gravin over. Deze las het met diepe aandoening; het strookte niet met haren gemoedsaard, maar zij eerbiedigde deheilige rechten van een minnend hart, dat alleen zichzelf raadpleegt en hoort. Maria's gevoel stemde met dat van Lodoiska overeen; zij zou zich niet zoo deemoedig, ja, men mocht bijna zeggen zoo onderdanig, maar toch even liefderijk, even vergevensgezind betoond hebben.—Daar deze schrede nu eenmaal gedaan was, toonde de gravin ook haren vollen werkdadigen ijver, om de zaak geheel ten einde te brengen. Zij schreef dadelijk aan haren broeder, sloot Lodoiska's brief in den haren en reed met beide naar den franschen gezant, ten einde de verzending door diens tusschenkomst op de spoedigste en veiligste wijze bewerkstelligd te weten. Gewoonlijk koos zij dezen weg niet; maar, hetzij dat zij er te veel belang in stelde, juist dezen brief zoo ras en zeker mogelijk verzonden te zien, hetzij dat een voorgevoel, misschien opgewekt door eenige wenken van Rasinski, die zijn brief den eersten dag na den terugtocht uit Moskou, toen zijn helder oog buiten twijfel reeds menig onheil voorzag, verzonden had, haar aandreef, kortom: zij meende dezen maatregel van voorzichtigheid thans niet te mogen verzuimen.

Toen Lodoiska wist, dat haar brief naar den geliefde op weg was en hem elk uur nader en nader kwam, keerden hoop en vertrouwen in haar hart terug. Elke dag zag haar frisscher ontluiken en reeds na verloop van de eerste week was zij in staat haar ziekbed te verlaten.

Inmiddels verstreek de eene week na de andere, zonder naricht van de betrekkingen bij het leger te zien aankomen; November spoedde ten einde en nog was het vurig gewenschte antwoord niet verschenen. Lodoiska verontrustte zich en begon te gelooven dat haar brief was verloren geraakt; bij andere gelegenheden kwelde zij zich met twijfelingen aangaande den aard van het antwoord. Te vergeefs stelde de gravin alles in het werk, om haar gerust te stellen en dag aan dag haar voor te rekenen, dat een tijding voor het einde van November onmogelijk kon daar zijn; te vergeefs somde zij al de toevalligheden op, die in oorlogstijd, bij het tusschen dooi en vorst weifelende winterweder en bij de gebrekkige inrichting der veldposten in den geregelden gang der briefwisseling eene stremming konden en moesten teweegbrengen; het minnende meisje werd gestadig treuriger en beangster, en zelfs dit, dat ook Rasinski, Lodewijk en Bernard geene enkele letter geschreven hadden, was niet in staat haar te troosten. Inderdaad was echter juist deze omstandigheid de bron van bekommernissen van een anderen aard voor de gravin zoowel als voor Maria. Deze laatste begon voor het leven der haren te sidderen, terwijl zich aan het dieper inzicht der eerste nog andere vermoedens en zorgen opdrongen, die de waarheid, helaas! maar al te nabij kwamen.

Het was in het begin van December, dat de drie vrouwen, die over het geheel in strenge afzondering leefden, op een avond onder vertrouwelijke gesprekken bijeenzaten. Er werd gescheld; de kamerdienaar meldde een vreemden officier aan, die berichten uit het leger bracht. Een gloeiende vreugdeblos overtoog Lodoiska's wangen bij de gedachte: zou het misschien Jaromir zelf zijn? De gravin was niet minder begeerig te weten, wie de vreemde zijn mocht, en nam, hoewel geen naam was genoemd, derhalve het bezoek aan; in elk geval hoopten allen eenig naricht van hare vrienden te erlangen, waarnaar zij zoo lang en smachtend hadden uitgezien.

De deur werd geopend—Arnheimtrad binnen.

Was ook dadelijk bij zijne verschijning de hoop op tijding van Rasinski vervlogen, men koesterde toch voor den edelen, beschaafden man te veel vriendschap, om hem niet van harte welkom te heeten. Na de eerste begroetingen bracht de gravin het gesprek op de oorlogsaangelegenheden, en daar sedert eenigen tijd allerlei geruchten, niet weinig geschikt om onrust en bezorgdheid te verwekken, in omloop waren, vroeg zij dienaangaandeArnheimsgevoelen.

„Wij weten niets anders, dan dat de keizer met de groote armee terugtrekt,” was het antwoord. „Evenwel gelooven wij, dat het in de omstreken van Minsk of Wilna tot een belangrijken slag moet komen, daar de russische legerkorpsen van de noordelijke en zuidelijke armee zich gedurig dichter samentrekken. Dat is de reden, waarom vorstSchwarzenbergzich thans tot dekking herwaarts gewend heeft.—Dezen namiddag liep er een gerucht, dat Minsk zelf door Tschitschagoff zou zijn ingenomen; de Fransche gezant spreekt zulks echter tegen.”

„Juist daarom zou ik bijna te eer geneigd zijn, het te gelooven,” sprak de gravin met merkbare onrust; „want sedert ettelijke weken heeft zich doorgaans datgene bevestigd, wat bij het gezantschap de meest beslissende tegenspraak vond.”

„Volgens de stelling des legers moeten de Russen Minsk bezet hebben,” hernamArnheim; „misschien kan dat zelfs reeds veertien dagen het geval zijn.”

„Het zou mij niet verwonderen,” sprak de gravin, „want de ongelukstijdingen worden zoolang mogelijk voor ons verborgen gehouden. Doch wat is uw gevoelen aangaande de plannen en voornemens van den keizer? Tot hoever zal zijn terugtocht zich uitstrekken? Denkt hij in Litthauwen de winterkwartieren te betrekken, of hier te komen?”

„Ik vermoed, dat hij Witepsk, Wilna, Minsk, zoo het niet verloren is of hernomen wordt tot zijne kantonnementen kiezen en vandaar tegen het volgende voorjaar den oorlog met nieuwe krachten hervatten zal; ingeval hij zich namelijk niet te zeer uitgeput voelt en zich daardoor meer geneigd tot den vrede betoont.”

„Zoo zou dan toch de uitslag van dezen veldtocht niet aan de verwachting en aan de gedane opofferingen beantwoord hebben?”

„Openhartig gesproken, neen!” antwoorddeArnheimvrijmoedig. „Zoo het den keizer gelukt ware, in Moskou vrede te sluiten—dan ongetwijfeld. Nu echter zou hij ten minste even ver geweest zijn, wanneer hij na de inneming van Smolensko den veldtocht besloten en de zaken van Polen geregeld had.”

De gravin schudde mijmerend het hoofd. „Het was althans onze hoop zoo,” zuchtte zij, meer dan zij sprak.—„Doch vertel ons nu ook iets van uw eigen wedervaren, beste vriend!” vervolgde zij, blijkbaar met het doel om het gesprek eene andere wending te geven. „Wat brengt u herwaarts? Gij zijt spoediger teruggekeerd, dan wij hopen durfden.”

„Het zijn aangelegenheden van verschillenden aard en wel niet de aangenaamste,” antwoorddeArnheim, „die mij in Warschau brengen; invorderingen van gelden, kleine onderhandelingen wegens duizend nietigheden, ten deele ook eigen zaken.” Hij wierp, dit zeggende, een blik op Maria, die een weinig verward, het oog onwrikbaar op het borduurwerk vestigde, waarmede zij zich juist bezighield.

„Dan zult gij toch niet weder zulk een vluchtige gast zijn als onlangs?” hervatte de gravin met hartelijkheid. „Gij zult, hoop ik, mijn huis als de toevlucht beschouwen, waar gij u van uwe bezigheden ontspannen kunt, zoo de stilte eener vrouwelijke afzonderingu namelijk bevredigen kan na het woelige leven, dat de krijg medebrengt.”

„Wat kon mij meer welkom zijn?” riepArnheimmet vuur. „De krijg maakt ons niet ongevoelig voor het geluk van een vertrouwelijken omgang; hij verleent ons integendeel de vatbaarheid daarvoor, daar elk genot door ontbering verhoogd wordt. Ik voor mij althans heb mij te midden van het oorlogsgewoel vaak in de vredige rust van uw eenzamen tuin teruggewenscht; aan die wandeling denk ik nog met wezenlijke aandoening.”

Maria stond op en verliet onder eenig voorwendsel het vertrek. Hare ontroering hadArnheimwaarschijnlijk herinnerd, dat hij zich te levendig had uitgedrukt; want hij bedwong zich en sprak in algemeene bewoordingen over het genot, dat hij in de schoonheid der natuur vond, en hoe hij daarbij licht te bevredigen en onverzadelijk tevens was. Licht te bevredigen, wijl een boom, een weiland, een zonnestraal hem het rijkste genot verschafte; onverzadelijk, daar hij zich in de stille genoegens der natuur uren lang verlustigen kon.—Echter gelukte het hem niet, bedaard te blijven, vooral toen Maria, met de onmiskenbare sporen eener diepe aandoening op hare onbedriegelijke gelaatstrekken was teruggekeerd. De bezorgdheid, welke uitlegging hieraan voor zich zelf te moeten geven, verontrustte hem te zeer, dan dat zulks voor een zoo geoefend oog als dat der gravin zou hebben kunnen verborgen blijven.

Arnheimhad, sedert hij Warschau verliet, steeds het voornemen gekoesterd, om Maria, voor wie hij eene warme genegenheid had opgevat, zijne hand aan te bieden. Vandaar had al zijn pogen en streven gedurende dien tijd slechts ten doel, in eene betrekking geplaatst te worden, die hem het geluk van den echt veroorloven kon. Zijn positie als soldaat was niet van dien aard en zijn tegenwoordige betrekking kwam ook geenszins met zijne neigingen overeen, zoolang Europa's staatkundige toestand alles aan den wil van Frankrijk ondergeschikt maakte. Zijn ontslag was hem, terstond na het eindigen van den veldtocht, toegezegd, en hij wilde zich dan als rechtsgeleerde aan den staat wijden, waartoe vroegere studiën, geboorte en bekwaamheid hem de bevoegdheid verleenden. Deze verwachtingen waren hare vervulling nabij en het hoofddoel van zijn oponthoud in Warschau was dus inderdaad geen ander, dan aanzoek te doen om de hand van het beminde meisje. Eene onbedriegelijke overtuiging zeide hem, dat zij meer dan enkel welwillendheid jegens hem koesterde; doch een bijna even stellig voorgevoel deed hem vreezen, dat wat hij haar inboezemde meer eene warme, vriendschappelijke neiging, of misschien wel deelneming in den landsman, dan werkelijk liefde was. Ten einde haar niet te verontrusten, wachtte hij zich zorgvuldig, deze teedere snaar opnieuw aan te roeren en bepaalde hij zich in zijn gesprek tot algemeene onderwerpen. Ook brak hij zijn bezoek vroeger af, dan hij dit anders wel zou gedaan hebben.

De gravin zou zich in eene verbintenis tusschen Maria enArnheiminnig verheugd hebben, daar zij, en waarschijnlijk niet ten onrechte, vertrouwde, dat deze het geluk van het door haar zoo innig geliefde meisje op hechte grondslagen zou vestigen.Arnheimtoch was een edel hart waardig en Maria, in haar verlaten toestand, had een beschermer dringend noodig. Wat bovendien de uitwendige gaven der fortuin betrof, ook in dit opzicht liet dit huwelijk niets te wenschen over. Zij besloot uit dien hoofde alles, waartoe hare moederlijke betrekking op Maria haar recht gaf, in het werk te stellen, om het tot stand te brengen.

Tegen hare gewoonte trad zij nog in den laten avond Maria's kamer binnen en vond deze met het invullen van haar dagboek bezig.

„Ik zou toch wel gaarne eens willen weten, wat mijne jonge vriendin nog zoo laat in den nacht in dat boek opteekent,” zeide zij glimlachend, schoon daar zij Maria's geaardheid kende, die in ernstige zaken nimmer eene schertsende wending beminde, op den hartelijken toon van moederlijke deelneming.

„Zoo gij het ernstig wenscht,” hernam Maria, die de bedoeling van het bezoek wellicht gissen kon, „wil ik het niet voor u verbergen.”

„Neen, Maria,” sprak de gravin; „er zijn geheimen, welke zelfs de dochter voor de moeder mag hebben. Veel in ons moet alleen ons eigendom blijven; men miskent het innerlijke, zelfstandige recht van den mensch, wanneer men in vriendschap, liefde of in welke betrekking ook, op eenonbepaaldvertrouwen aandringt. En die het vorderen, verleenen het gewoonlijk het minst.”

„In deze zaak mag ik u het schenken, ja, ik zou er u wellicht morgen zelve om verzocht hebben,” hernam Maria; „want uw moederlijke raad wordt mij thans onontbeerlijk.”

„En ik kom u dien aanbieden,” viel de gravin haar haastig in de rede, daar zij eene voor haar opzet gunstige stemming waande te ontdekken. „Leg dan uw hart voor mij open, mijne lieve, en beschouw mij als uwe tweede moeder.”

Maria zag haar met hare trouwe, blauwe oogen dankbaar aan en antwoordde vol aandoening: „Als zoodanig heb ik u immers altijd beschouwd, van het eerste oogenblik af, dat gij de ledige plaats innaamt, welke de dood mijner eerste liefderijke moeder in mijn hart openliet. O, ik heb steeds met innige dankbaarheid jegens de Voorzienigheid erkend, hoe moederlijk gij voor mij zorgdet, toen ik hulp- en radeloos, toen ik geheel verlaten was.—Daarom moet ik ook nu mijn hart voor u openleggen, hoewel het mij eenigen strijd kost, daar gij mij wellicht van eene berispelijke ijdelheid zult verdacht houden. Maar ik moet mij dezen schijn van schuld getroosten, om niet eene werkelijke schuld op mij te laden.”

De gravin luisterde in gespannen verwachting toe. Maria zweeg eenige oogenblikken en ging vervolgens onder liefelijk blozen met neergeslagen oogen voort: „Ik geloof—ik vrees, wilde ik zeggen—de ritmeesterArnheimkoestert inzichten....”

Hier brak zij in tranen uit. De gravin, geheel verschrikt, sloot haar in de armen en trachtte haar tot bedaren te brengen. Zij kon dit weenen wel is waar niet in zijne volle beteekenis verstaan, wijl Maria zich over Rasinski's aanzoek nooit een woord had laten ontvallen, doch in deze moesten de verlevendigde herinneringen gewaarwordingen doen oprijzen, waaraan hare gevoelige ziel zich weemoedig overgaf.

„Gij zoudt zijne neiging niet kunnen beantwoorden?” vroeg de gravin op een deelnemenden toon.

„Ach, dat is het juist, waarover ik mij bedroef en mij zelve verwijten doe,”snikte het meisje. „Hij is goed, ja, ik moet hem edel noemen en ik ben niet zonder schuld, want ik heb mijne gezindheid wellicht te onvoorzichtig doen blijken,—ach, er kwam nog veel bij, dat mijne vriendschap voor hem meer voedsel gaf—en nu moet ik hem zeggen: ik versmaad u!—Dat grieft en pijnigt mij onuitsprekelijk. Daarom heb ik eene moederlijke raadgeving noodig, hoe het onvermijdelijke kwaad te verzachten.”

„Goeie Maria,” antwoordde de gravin vriendelijk, „gij weet, ik behoor niet tot diegenen, die de heiligste gewaarwording van het hart, de liefde, onder de dweepachtige tellen; maar ik geloof toch, dat vereenigingen, op den vasten ankergrond van achting en vriendschap gebouwd, op den duur gelukkiger zijn dan die, welke op de woelige zee der hartstochten worden aangeknoopt. Zouden wij vrouwen, aan wie eene vrije keusniet vergund is, wel het recht hebben, dezulken af te wijzen, tegen welke het scherpste onderzoek geen ander geldig bezwaar kan inbrengen, dan dit, dat zij ons geene onwillekeurige neiging hebben ingeboezemd? Het is schoon, wanneer volmaakt gelijk gestemde harten elkaâr ontmoeten; maar hoe zelden is dat werkelijk het geval! Meenen wij ons gerechtigd, ook daar neen te zeggen, waar wij den hoogsten graad van achting en vriendschap koesteren mogen, dan benemen wij ons zelve bijna de mogelijkheid van aan onze vrouwelijke bestemming te beantwoorden. Liefde baart liefde; hoe konden anders zoovele harten zoo gelukkig verbonden wezen. Men bemint, wijl men bemind wordt....”

„Wanneer dat echter niet zoo is!” riep Maria met smartelijke hevigheid en bedekte zich het gelaat met haren zakdoek.—„Wanneer nu die schoone echo der wederliefde zich niet in het hart doet hooren,” vervolgde zij na eenige oogenblikken met meerdere kalmte, „dan kan het toch wel geen plicht zijn, een band aan te knoopen, alleen wijl de uiterlijke omstandigheden gunstig schijnen? Het recht der keuze is ons ontzegd; zouden wij daarom ook het recht verliezen, om neen te zeggen, wanneer het hart tot een ja niet besluiten kan?”

De gravin zweeg. Hare wet was eene van het gebruik, van de werkelijkheid, gelijk het leven in zijne verschijning die voorschrijft, die van Maria eene hoogere, uit het vrije rijk der gedachte, die wel is waar zelden wordt nageleefd, maar uit dien hoofde nog geenszins hare geldigheid verliest.

„En waartoe hebt gij dan mijn raad noodig, mijne beste, wanneer gij zoo vast besloten zijt?” vroeg de gravin na eenig zwijgen.

„Niet uw raad alleen, uwe dadelijke hulp heb ik noodig,” antwoordde Maria. „Tot dusver is er geen beslissend woord gesproken; gij kondt het geheel voorkomen en ons beiden de smartelijkste uitlegging besparen.”

„Hoe gaarne wil ik dat, schoon het mij leed doet,” hernam de gravin. „Maar, lieve, staat uw besluit onherroepelijk vast? Zoo nu—ik moet u deze bittere mogelijkheid herinneren—zoo nu Lodewijk eens niet uit Rusland terugkeerde!”

„O, hij zal, hij zal!” riep Maria. „En zou ik een man mijne hand reiken, wanneer ik ze slechts als een hulpeloos smeekende naar hem kon uitstrekken? Dat mag niet beslissen; de nood zou mij in zijne armen drijven, wanneer de liefde zulks niet vermocht.”

„Gij oordeelt valsch, Maria!” antwoordde de gravin bedaard, maar op overtuigenden toon.„Het is het hoogste geluk der liefde, vreugde en zegen van elken aard te kunnen uitstorten. De edele redt zijn geluk het liefst uit onstuimige golven, uit eene schipbreuk des levens, ja, hij zou der geliefde alles willen ontrooven, om haar daarna opnieuw met alles te kunnen beschenken en versieren.”

„Deminnende,” hernam Maria, „mag een dergelijk offer aannemen, hoewel zij het liever zelve brengen zou; maar wie niet zijn gansche hart ter vergoeding kan geven, die mag het niet—ik niet.”

Zij sprak deze woorden zeer zacht, maar met vastheid. Hierop wendde zij zich weder biddende tot de moederlijke vriendin, opdat deze de bemiddeling op zich zou nemen. „Zeg hem,” eindigde zij,„dat ik hem mijne warme vriendschap wijd. Ook op mijne dankbaarheid heeft hij aanspraak! Dubbel vriendelijk en zusterlijk wil ik jegens hem zijn, wijl het hem smarten moet—maar ik kan niet anders, waarlijk ik kan niet.”

Stil weenende rustte zij aan de borst der moeder, en deze zocht haar door teedereliefkoozingen te troosten, want beiden ontbrak het aan woorden. Eindelijk scheidden zij, om in den zachten arm des slaaps rust en kalmte voor het bewogen hart te zoeken.

Arnheimhad vermoed, wat Maria gevoelde; uit dien hoofde legde hij den volgenden morgen bij de gravin een bezoek af, om voor deze vrouw, wier waardigheid en minzaamheid aan ieder vertrouwen inboezemde, zijn hart open te leggen. Diep bedroefd, maar met bedaardheid hoorde hij zijn vonnis aan.

„Ik durfde nauwelijks anders hopen,” sprak hij, „want ik ben niet aan geluk en vreugde gewoon; alleen de buitenzijde des levens lacht mij aan, van binnen hebben zijne priemen mijn hart reeds meermalen diep gewond. Ik ben niet verstoord; ik eerbiedig haar besluit. Mij aan haar te vertoonen, is mij vooreerst nog onmogelijk. Ik heb eenige dagen stilte en afzondering noodig, om mijn onrustig hart tot bedaren te brengen. Vaarwel, gravin!—Vóór mijn vertrek, ziet gij mij nog eenmaal.”

Hij ging.

De treurige, bange stilte, welke zijne verschijning voor eenige oogenblikken had afgebroken, keerde opnieuw terug en woog met nog beangstigender druk op de bewoonsters des huizes. Het hart miste de kracht tot blijde verwachtingen; het knellend voorgevoel van eenige ramp drong dieper en dieper den boezem in. Men beefde voor de toekomst, hoewel men van haar alleen de verlossing uit deze pijnlijke spanning verwachten kon.

Op een morgen, het was den tienden December, stond de gravin in haar vertrek voor het venster en zag, in droeve mijmeringen verdiept, naar de straat uit. Zij bespeurde een onrustig woelen en bewegen, bekenden riepen elkander toe, hielden eene korte, levendige woordenwisseling en zetten vervolgens hun vroeger uiteenloopenden weg gezamenlijk in die richting voort, naar welke men een driftigen aandrang der voorbijgangers waarnam. Het was het eerste begin van een, door het een of ander belangrijk voorval teweeggebrachten volksoploop. Gedurende de laatste dagen waren er zoo menigvuldige nieuwe onheilspellende geruchten in omloop gekomen en vroegere noodlottige berichten, gelijk onder anderen het innemen van Minsk door de Russen, bevestigd geworden. De gravin vermoedde daarom iets kwaads, en was te ongeruster geworden door het geheel uitblijven der brieven van haren broeder. Voor Lodoiska trachtte zij wel rustig te schijnen, uit vrees dat zij in hare doodelijke overspanning terug mocht gaan; maar in het binnenste van haar heldhaftig gemoed stegen donkere voorgevoelens op, waarvan zij de mogelijkheid zich nauwelijks durfde voorstellen. In hare onrust stond zij reeds op het punt, den kamerdienaar te schellen en tot het inwinnen van eenige nadere berichten uit te zenden, toen deze binnentrad en den ritmeestervon Arnheimaandiende.

„Zeer welkom!” sprak zij.Arnheimtrad binnen.

„Op uw gelaat lees ik,” riep zij hem tegen, „dat er iets belangrijks gebeurd is; zeg het ons spoedig, want het dreigend zwaard beangst meer dan het gevallene.—Welke tijding is er? Spreek vrij uit, wij zijn alleen.”

„Het ongehoordste, dat de geschiedenis heeft aan te wijzen,” hernamArnheimmeteen gelaat, waarop de hoogste verbazing, maar noch vreugde noch droefheid te lezen stond. „Voor eenige minuten is de fransche keizer hier aangekomen; alleen, vluchtend, vermomd! Zijn leger is vernietigd—het overschot is door den vijand ingesloten...”

„Genoeg, genoeg!” riep de gravin, terwijl zij wankelde, verbleekte en zich met moeite aan een stoel staande hield.Arnheimwilde haar te hulp snellen, doch zij wees hem met de hand terug.—Nog stond zij ademloos, niet in staat te spreken, toen de deur geopend werd. Lodoiska, bleek als een marmerbeeld, met doodsangst in het matte oog, stoof het vertrek binnen. Met uitgestrekte armen, als voor een dreigend spooksel vliedende, snelde zij op de moeder toe, omhelsde haar krampachtig, en voor haar op de knieën vallende, verborg zij het gelaat in haren schoot.

Als Niobe in hare smart versteend, stond de gravin sprakeloos over de ongelukkige neergebogen enlegdede bevende handen op haar hoofd.

Arnheimstaarde somber voor zich heen; wel is waar zag hij uit dezen vreeselijken nacht reeds de ster der verlossing voor zijn vaderland schemeren; doch deze ging te bloedig op, dan dat zij met hare stralen vreugde in een menschelijk voelend hart zou hebben kunnen uitgieten. De ontzettingen der vernietigende Nemesis hadden het gemoed nog te zeer vervuld, om ruimte te laten voor de hoop, die uit dit zaad des doods ontkiemen zou.

Thans verscheen ook Maria, bleek, sidderend, maar met meer liefde dan schrik in de zachte gelaatstrekken. Toen zijArnheimbespeurde, vloog een donkere blos over hare wangen; doch spoedig herstelde zij zich, ging hem te gemoet, bood hem vriendelijk de hand en zeide met eene nauw hoorbare stem: „O, help mij deze ongelukkigen troosten!” Hierop wendde zij zich tot de gravin en Lodoiska en loste hare versteening door warme beden en tranen der liefde in eene zachtere smart op.

„Het is voorbij,” sprak eindelijk de gravin met vaste stem; „ik vind mij zelve weder. Deze ramp moet moedig en standvastig gedragen worden. Terwijl wij de kracht tot tegenstand in onstrachtenop te wekken, erlangen wij ze werkelijk. Kom, Lodoiska, beur het hoofd op; toon dat gij eene dochter van Polen zijt.”

„Dat wil ik,” sprak het meisje, in wier oogen een nieuw vuur ontvlamde; „toonen wil ik het door de daad. Maar gij, moeder, beloof mij, dat gij mij niet verlaten zult!”

De edele trekken van haar gelaat verfden zich met den gloed, dien een grootmoedig besluit over de wangen uitgiet. Voor de gravin was dit verschijnsel een raadsel; Maria, daarentegen, wier zusterlijk gevoel met dat der minnende nauw verwant was, vermoedde de bedoeling der belofte, welke het teedere meisje zoo onstuimig vorderde.

„Behoef ik u nu eerst toe te zeggen, wat ik door elke daad mijns levens beloofd, waarvan ik u elken dag een nieuw bewijs gegeven heb?” antwoordde de gravin op een toon, waarin zoowel een vraag als een verwijt lag.

„Neen gij behoeft het niet,” sprak Lodoiska kalmer; „want gij zult doen, wat gij mij niet weigeren kunt, zonder mij het leven te rooven,—moet hem zien, eer de oorlog hem wegraapt;—mijn hart zegt mij, dat hij nog leeft, dat ik hem vinden zal,—wij moeten ons met elkander verzoenen—neen, niet verzoenen, want ik voed geen wrok en voedde dien nooit; maar hij moet de liefde hem nog eens vriendelijk zien toelachen, al ware het ook in het laatste uur zijns levens! Moeder! moeder! zoo gij dat belet, dan breekt mij het hart en hier noch dáár boven is voor mij meer rust te hopen.”

„Onbegrijpelijk kind,” riep de gravin, door aandoening en verbazing overweldigd,en drukte het minnende wezen aan hare borst met eene teederheid, die het inwilligen van hare hartstochtelijke bede ook zonder woorden te kennen gaf.

Maria's gemoed werd door afwisselende aandoeningen geschokt. Het verpletterende der zoo even ontvangen berichten, hevige ontroering over Lodoiska's smart en liefde, zusterlijk gevoel van bange bezorgdheid voor den geliefden broeder en eindelijk, in de verborgenste diepte van het hart, het beeld van den edelen man, van wien zij afstand had gedaan, zonder van hare liefde voor hem afstand te doen, en die thans, zoo hij al niet reeds uit het land der levenden was weggerukt, door honderde doodsgevaren omringd werd,—dit alles bestormde gelijktijdig hare ziel, haar adem en herinnering. Eensklaps viel haar oog opArnheimen een nieuwe smartelijke pijl drong in hare borst. Wat moest hij, wien de liefde ontzegd werd, niet lijden, nu hij zag, hoe machtig die heilige vlam het teederste hart doorgloeide! Van dat geluk was hij uitgesloten—ach, en Maria, moest zij het niet zelve uit hare borst verbannen? De overeenkomst van haar lot met dat van den edelen vriend deed haar eene innige, zusterlijke betrekking op hem gevoelen. Zij trad op hem toe en fluisterde: „Edele vriend, wellicht doet deze minuut mij een broeder verliezen, wilt gij zijne plaats innemen—hij blijve of keere terug—het zusterhart kan twee broeders liefhebben.”

Driftig greep hij hare hand en klemde ze aan zijne lippen. „O Maria!—zij het een erfdeel of een geschenk,—het is het schoonste, wat ik van nu af bezit.”—Zijn gevoel overmeesterde hem, hij verwijderde zich haastig.

Toen de drie vrouwen zich alleen zagen en hare harten, die vroeger reeds nauw verwant, nu door den machtigen band van een gemeenschappelijk lijden nog vaster verbonden waren, ongestoord voor elkander konden uitstorten, sprak de gravin:

„Deze vreeselijke slag, die in Europa's eene helft droefheid en jammer, in de andere vreugde zal verspreiden, doet in uw hart, Maria, wellicht eene zoete hoop ontkiemen, terwijl het onze aan sombere vertwijfeling wordt ten prooi gegeven. Maar laat ons thans niet denken aan hetgeen ons zou kunnen scheiden; eene gemeenschappelijke zorg, die voor onze dierbaarste betrekkingen, houdt ons innig, onafscheidelijk verbonden. Lodoiska's minnend hart heeft ons den weg gewezen. Het drijft haar naar den geliefde voort; zij wil aan het harde lot nog een lachend oogenblik ontwringen; mogen wij haar alleen laten heentrekken?”

„Neen, neen!” riep Maria, Lodoiska aan hare borst drukkende; „mijn hart maakte mij reeds lang tot uwe gezellin. Eene zuster bemint ook!”

„Ja eene zuster bemint ook,” herhaalde de gravin, en een heldere traan welde in haar groot oog op.—„Het is dus besloten, wij vertrekken!—Onze vrienden zijn niet ver af, binnen weinige dagen kunnen wij hen bereiken. Wellicht heeft het lot hen gespaard, om hen nog eens in onze armen te voeren; wellicht zijn wij bestemd, om hun brekend oog zacht te sluiten; wellicht ook kan onze vrouwelijke verpleging hen aan den dood ontrukken. Men mag ons gedrag afkeuren; ons hart spreekt ons vrij. Slechts de lage menigte die nooit groothartig dacht of handelde, miskent elk vrij besluit dat de grenzen van gebruiken, gewoonten en koele berekeningen stout te buiten treedt.—Ik ben uwe moeder: mij is het heiligdom van uwe maagdelijke eer toevertrouwd; maar vol vertrouwen hef ik het oog tot de zalige op, wier schoot u baarde, want ik weet, dat zij billijkt, wat ik volbreng.”

Nadat het Rasinski gelukt was, met zijne vrienden en de weinige kameraden die hem gebleven waren, den rechteroever van den stroom te bereiken, die zoovele duizenden verslond, zette hij zijn weg nog totZembinvoort. Hier vond hij den maarschalkNey, wien wederom de zwaarste taak, het dekken van den terugtocht, was opgelegd. De grootste moeilijkheden en gevaren schenen nu toch overwonnen te zijn, want men trok door een meer bevolkt land en de inwoners koesterden althans geen vijandelijke gezindheid. De zucht tot behoud zag de geringste schemering van hoop voor redding aan; doch de onverbiddelijke gramschap van het lot was nog niet bevredigd, maar sluimerde slechts, om met vernieuwde woede op de weerlooze offers aan te vallen.

TeZembingelukte het Lodewijk, een kleine slede, die nauwelijks voor twee menschen ruimte had, voor Bianca te bekomen. Rasinski liet het paard van een gekwetste, die zich tot rijden niet meer in staat bevond, inspannen en redde den man zelven, door hem met het besturen van het kleine voertuig te belasten. Bernard en Lodewijk drongen er te vergeefs bij Bianca op aan, dat zij thans, nu het nog mogelijk was, beproeven zoude, het leger een eindweegs vooruit te komen en Wilna te bereiken, op welke plaats allen, als benarde zeelieden op eene reddende haven, hun uitzicht vestigden. Zij bleef onverzettelijk bij haar besluit, om den broeder en den geliefde geen oogenblik meer te verlaten. „Noemt het geen grootmoedigheid, wat mij uwe beden doet afwijzen,” sprak zij, „het is eigenbelang; in uwe nabijheid was ik kalm en getroost te midden der vreeselijkste gevaren, van u verwijderd zou de kleinste tegenspoed mij radeloos en versaagd vinden. Neen, laat mij bij u blijven; het lijden, dat ons gezamenlijk treft, valt licht, al is het ook het allerzwaarste. De eenzame, de verlatene zou slechts wanhoop en vertwijfeling om zich heen zien.”

Er bestaan opofferingen der liefde, die wij met angst en beklemdheid aannemen en welke wij toch niet kunnen afwijzen. De grens, die onze wederzijdsche plichten vaneenscheidt, is voor het scherpste oog niet meer kenbaar. Het hart geeft zich eindelijk lijdelijk en onwillens aan de toekomst over en waagt het niet eene zelfstandige beslissing uit te spreken.—Zoo ook hier. Bernard en Lodewijk lieten zich door de roerende beden van Bianca overhalen, wijl niemand beslissen durfde, of de uitwendige gevaren, welke zij dachten af te weren, door het innerlijke lijden, hetwelk afstand en angst der van vriend en broeder gescheidene moesten opleggen, niet misschien rijkelijk zouden worden opgewogen.

Aan eene regeling van het armeekorps, aan eene geregelde verdeeling van het leger was niet meer te denken. Elk hield zich bij de troepen, onder welke hij de meeste zekerheid hoopte te vinden, of die het toeval hem deed aantreffen. Rasinski sloot zich weder bijNeyaan, deels uit gehechtheid aan den veldheer, met wien hij zooveel gedragen en overwonnen had, deels, wijl zijne groothartigheid hem de gevaren van den kamp altijd als de meest roemvolle deed voorkomen, en eindelijk ook, vermits hem geene andere keuze overbleef, daar de uitputting zijner manschappen, welke hij zich had voorgenomen in geen geval te verlaten, hem niet gunde, de reeds een eindweegs vooruit zijnde korpsen in te halen.

De vijand verloor hen de eerstvolgende marschdagen wel niet uit het oog, maar vervolgde toch niet onstuimig. Slechts enkele zwermen kozakken, die men met een blind kanonschot dikwijls eenige uren ver kon terugdrijven,verontrusttenden aftocht.

Daar kwam de dag, tegen welken deverbitterdstevijand van het leger, de winter, zijne gansche grimmigheid scheen te hebben opgegaderd. Het was in den nacht van den 4 Dec. dat de zuidwestenwind plotseling in een snijdenden noordoostelijken omsloeg en alle verschrikkingen der ijspool op zijne vlerken aanvoerde, om de laatste overblijfselen van het trotsche heldenleger te vernietigen, dat eindelijk door den stroom van duizendvoudige rampen tot den veiligen oever scheen doorgeworsteld te zijn. Arglistig had de winter zich tot hiertoe half schuil gehouden en slechts nu en dan zijne schrikwekkende tegenwoordigheid doen gevoelen; thans kwam hij door den donkeren nacht aangeslepen en overviel de weerloozen in den slaap. Door zijne kille aanraking uit hunne sluimering opgeschrikt, sloegen zij het oog op, en het meedoogenlooze monster stond in zijn volle vreeselijkheid voor hen.

Rasinski had met al de zijnen en nog vele andere krijgsmakkers in eene groote schuur gelegen, waar de ruimte geen vuur toeliet en zij zich dus slechts door een nauw opeendringen verwarmen konden. Tegen den morgen ontwaakte hij door eene stekende pijn in handen en voeten; hij wilde opspringen, doch was als verlamd. Met moeite bracht zijne wilskracht eindelijk beweging in de stramme spieren en hij richtte zich op; een enkele ademtocht zeide hem, dat thans de moskovische winter voor de deuren was gelegerd en met doodelijke aanblazing alle leden versteende.

„Hola!” riep hij en schudde Jaromir, die naast hem lag. „Hola! Op! Anders ontwaakt gij nimmer! Boleslaw, Bernard op!”

Half bewusteloos wilden deze zich uit de vaste banden van den slaap losrukken, doch hunne leden waren aan den kouden grond vastgeketend en zij bleven roerloos liggen.

„Vermant u, spant alle krachten in,” schreeuwde Rasinski, „anders zijt gij verloren. Nu is de rechte winter daar. Tot hiertoe heeft hij slechts uit de verte gedreigd, nu, ik voel het, valt hij ons met al zijne kracht op het lijf.”

Onder deze woorden schudde en wekte hij de vrienden en was hun in het opstaan behulpzaam. Langzamerhand ontstond in de gansche, donkere ruimte der schuur, tot welke slechts de matte weerschijn van eenige, daar buiten aangelegde wachtvuren doordrong, een dof mompelen, kreunen en bewegen, en te midden daarvan verhief zich een jammerend weeklagen, dat kranken, licht gewonden of dezulken aanhieven, die den sluipenden dood reeds in de ledematen voelden, tot welke de koude als een fijn, bijtend vergif doordrong.

„Bij den duivel, is dat een weer!” mompelde Bernard, terwijl hij zich dichter in den pelsjas inknoopte; „het pakt iemand aan als met de klauwen van een ijsbeer!—Bianca, mijne beste, hoe hebt gij het?”

Het standvastige meisje onderdrukte smart en bezorgdheid. „Ik ben wel, beste broeder,” gaf zij ten antwoord; „dit klimaat is mij minder vreemd dan u. Ook zijn wij immers nog zoo goed van kleeding voorzien.”

„Door uwe zorg en goedheid,” merkte Lodewijk op. „Doch wee de ongelukkigen, die een dergelijk schild tegen de scherpe pijlen der koude missen!” Het toenemend gejammer om hen heen deed hem bijna onwillekeurig deze woorden uiten.

„Sluit dicht opeen, vrienden,” vermaande Rasinski; „in dit gedrang verliest men elkander spoedig uit het oog.”

Zij, die ontwaakt waren, hadden zich opgericht en snelden op de vuren toe, die buiten brandden, in hoop van zich daar te zullen verwarmen. Tegelijk werden zij door den honger gedreven, daar zij zich van de gedurende den nacht door hunne makkerstoebereide spijzen dachten meester te maken. Doch op verre na niet allen hadden de kracht, dit nabijgelegen doel te bereiken. De meesten tuimelden, door slaap en koude bedwelmd, de een op den ander neder; velen bleven roerloos op den grond liggen. Afmatting en koortshuivering hadden hen zoodanig verlamd, dat zij zich niet konden oprichten; ook was de kracht van den wil zelfs bij de sterksten geheel bezweken, en zij verkozen liever, in doffe gevoelloosheid den dood af te wachten, dan zich tot nieuwe martelingen te vermannen.

Bernard en Lodewijk namen Bianca, die de zorgvuldig in een pels gewikkelde kleine op den arm droeg, in hun midden. Rasinski ging met zijne beide vrienden voor hen uit; de weinige van het regiment nog overige ruiters volgden. Zoo bereikten zij, niet zonder moeite en inspanning, het vrije veld. De sneeuw kraakte en knetterde onder hunne voeten; de lucht scheen met ijsdeelen bezwangerd, die bij het ademhalen stekend op de borst vielen; oogen, wangen en lippen begonnen pijn te doen, zoodra de adem van den niet sterken, maar snijdend scherpen wind ze aanroerde.

Eenige trommen deden een dof geroffel hooren en vermaanden tot den afmarsch; doch dit teeken, waarbij de soldaat anders opmerkzaam het hoofd opheft en met de wapens in de hand opspringt, stierf thans als in een grafgewelf weg.

Met de grootste moeite werd de verwarde klomp eindelijk in beweging gebracht, terwijl zich, alsof elke inwendige band verbroken was, van tijd tot tijd enkele deelen van het geheel losrukten en het eene voor, het andere na, den weg naar het westen insloeg.

Op een heuvel, die door het flikkeren der sneeuw, het schemeren der sterren en het schijnen der legervuren zonderling verlicht werd, stond eene lange, statige mansgestalte, in een pelsmantel gewikkeld, en sloeg de armen kruiselings over elkaar, ten einde zich te verwarmen. „Hier bij mij! Het eerste armeekorps hier!” riep hij met luider stemme. Het was de maarschalkDavoust. Allengs schoolde een klein hoopje, het overschot van zijn gansche leger, om den onverzettelijken krijgsman te zamen, dien noch ellende, noch tallooze rampspoeden de redding deden opgeven, welke het inachtnemen van de orde en krijgstucht in zich besluit. De zijnen te voet voorgaande, deelde hij met de soldaten elk bezwaar en met zijne eerste officieren elke geringe gunst, die zijn hooge rang hem in deze, alles gelijk makende ellende nog boven anderen verleende.

Gelukkig hadden Rasinski's paarden nog eene dragelijke schuilplaats gevonden. Desniettemin waren twee daarvan door uitputting en koude bezweken. Men zat op, Bianca plaatste zich in hare kleine slede, Lodewijk en Bernard wandelden daarnaast en de beide thans ontzadelde ruiters sloten zich bij hen aan.

De aanbrekende dag, die anders de hoop, welke gedurende den akeligen nacht bezweken was, gewoonlijk weder deed herleven, had heden deze kracht verloren. Met het licht nam de snijdende koude meer en meer toe, en toen het bloedroode oog der zon zich boven den gezichtseinder vertoonde, scheen het slechts met het lijden van zoovele duizende ellendigen te willen spotten; want niet het geringste spoor van koesterende warmte was in de stralen, welke zij op het bleeke gelaat der verkleumden spelen liet, te ontdekken. Slechts tot het oog, dat, reeds door den rook en den gloed der nachtelijke legervuren ontstoken, door het glinsteren der sneeuw nog verblind was, drongen zij door, deden het in de holte branden en voegden zoo eene nieuwe foltering bij den last van lijden, waaronder de rampzaligen reeds gebukt gingen.

Toen Bianca zag, dat vriend en broeder het tranend oog afwendden en te vergeefs een voorwerp zochten, waarop zij het zonder pijn konden laten rusten, viel haar plotselingeen hulpmiddel in. „Wacht, wacht, één oogenblik slechts,” riep zij, keerde zich om, zocht een groenen sluier van onder haren pels te voorschijn, scheurde dien doormidden en reikte de eene helft aan Bernard, de andere aan Lodewijk toe. „Het is de groene sluier,” fluisterde zij dezen toe, „dien ik op den St.Bernarddroeg. Sinds ik wist, dat hij het teeken was, waaraan gij mij weder herkend hebt, droeg ik hem op mijn hart. Thans moge hij het licht der dierbaarste oogen behoeden. Bedek uw gezicht daarmede, geliefde, want alles, wat in dat land glanst en schemert, is koud en gruwzaam, als deze sneeuw en deze zon.”

Met diepe ontroering beschouwde Lodewijk het eerste teeken, waaraan hij zijne liefde geknoopt had, en de gedachte, dat het hem juist nu, daar de genadige Goedheid haar gelaat van de aarde scheen af te keeren, opnieuw in de oogen blonk, bezielde zijn hart met nieuwe hoop en verlevendigd vertrouwen. Een onverklaarbaar gevoel in zijne borst had hem van het eerste oogenblik af daarin een talisman doen zien, die een wonderdadigen invloed op geheel zijn volgend leven zoude uitoefenen. Ook thans weder beschouwde hij het als zoodanig. Doch terwijl hij het uit Bianca's hand ontving, zag hij haar bezorgd aan en vroeg: „Maar gij, geliefde, zult gij beschermd zijn tegen dezen verderfelijken glans?”

„Mij dekt immers nog het zwarte rouwfloers,” antwoordde zij; „schoon ik het eigenlijk niet dragen moest, want door dien nacht zag ik immers mijn schoonsten levensdag aanbreken!” Dat zeggend lachte zij den vriend met betooverende aanminnigheid toe en scheen door haar innerlijk geluk te vergeten, dat de boot, die het droeg, op de golven der van buiten dreigende gevaren als op eene doode zee van onheil en verderf omdobbert.

Bernard, hare ontroering bemerkende, beijverde zich, vroolijk en opgeruimd te schijnen. „Ik dank u, lieve zuster,” sprak hij; „hier wordt scherts ernst en ernst scherts. Onze gansche trein is niet veel anders dan een gemaskerde optocht, schoon wij allen verduiveld sombere grijnzen dragen. Ik wil dus over de mijne een groen net spannen. Een schilder moet buitendien altijd zijne oogen ontzien, en daar ik mij op de ijszee vanChamounyzoo zou toetakelen, waarom zou ik het op deze grootere niet doen?” Hij hechtte het dunne weefsel aan zijne pelsmuts en drukte ze dieper in de oogen. De scherpe koude maakte het ademhalen moeilijk, zoodat zwijgen eene noodzakelijkheid werd, waaraan elk zich vrijwillig onderwierp. De troep had het voorkomen van eene lange rij witte spookgestalten, zoo hadden als rijp neervallende dampen hun dicht weefsel van fijne ijsspitsen over man en paard uitgespreid. Met moeite sleepte men zich voort, en in de zich langzaam bewegende massa's heerschte eene doffe doodstilte. Alles, zelfs het geluid der lippen, werd door de vreeselijke koude in boeien van geheele verstijving geslagen. Ook de wind had zich neergelegd; vogels vielen dood uit de lucht neder; het laatste spoor van leven was uit de natuur verbannen.

De voorttrekkenden hoorden niets dan het kraken der sneeuw, het hol gedreun van het geschut en het doffe gekreun derzulken, die met den versteenden dood in de aderen ter aarde zonken, om zich nimmer op te richten.

De zoodanigen zag men waggelen, als bedwelmd eenige schreden voorttuimelen en vervolgens op de knieën neerzinken, welker verstramde spieren en pezen niet meer in staat waren hen te dragen. Bloedige tranen drongen uit hunne wijd opengespalkte oogen; vergeefs staarden zij hunne makkers aan, die onder eigen lijden gebukt, geen gevoel meer hadden voor de martelingen van anderen en de gevallenen onverschillig voorbijgingen, zonder het hoofd naar hen om te wenden.

Bij enkelen deed deze uiterste vertwijfeling nog een trotseerende kracht geboren worden, tot welke zij zich gewelddadig opwonden. Zij barstten in een woesten, schaterenden lach uit bij het zien van den zich gestadig hernieuwenden jammer en riepen den nedertuimelenden een grijnzend, honend vaarwel toe. Slechts de edelste en koenste gemoederen tevens behielden ook hier eene mannelijke kalmte en bedaardheid. Rasinski had haar niet verloren. Zijn paard, dat hij aan den teugel leidde, was door de koude bezweken; hij nam de pistolen uit den holster en zette rustig zijn weg voort. Vruchteloos boden Boleslaw en Jaromir, die uit hoofde der koude eveneens te voet gingen, hemhunne rossen aan; hij antwoordde: „Wij zijn nog slechts weinigen. Als uw aanvoerder had ik dat offer niet slechts aangenomen, maar zelfs gevorderd. Een regiment van onze sterkte kan een rekruut even goed aanvoeren als ik; er bestaat geen rang meer.”

Desniettemin had Boleslaw den mantelzak, dien Rasinski wilde achterlaten, afgenomen en op den zijnen gegespt. Eene hongerige schaar viel op het paard aan en scheurde het in duizend stukken, tot een maaltijd tegen den nacht.—Rasinski verhaastte zijne schreden, om niet te zien, hoe smadelijk het getrouwe dier, dat hem in zoo menigen slag had gedragen, verminkt werd.—Er verliep geen half uur, of ookBoleslawspaard viel; eenige minuten later dat van Jaromir. De in spijt van den naderenden middag toenemende koude viel als een roofdier menschen en beesten zonder onderscheid aan en verwon hen te lichter, naarmate de inspanning hen meer afmatte. De weg liep tegen eene nauwelijks merkbare, maar spiegelgladde hoogte op. Toen Bianca's slede ze naderde, was het paard niet in staat den geringen last voort te trekken; zij sprong uit het voertuig; doch dat baatte niet. Tweemaal spande het dier al zijne krachten in; de vijf mannen, onder wie Rasinski zelf, hielpen naar vermogen. Maar het was vergeefsche arbeid; het matte ros vermocht zich zelf niet meer voort te sleepen, zakte ineen en verstijfde binnen twee minuten. Zonder te ontstellen sprak Bianca tot de haar omringende vrienden: „Ik zal nu geheel in uwe bezwaren deelen en het zal mij niet zwaar vallen. In deze vinnige koude is te voet gaan zelfs verkieslijker.”

Bernard antwoordde niets; hij nam haar het kind van den arm en droeg het verder. Lodewijk ondersteunde de geliefde; stom en zwijgend wandelden zij naast elkander voort.

Zij sloegen een ter zijde van den weg voortloopend pad in,dat gebaander scheen en waar zij minder door de massa's gedrongen werden; slechts eenige weinigen hadden het gekozen. Bianca ging met Lodewijk vooraan; Bernard volgde op eenigen afstand met de kleine, welker niets kwaads vermoedende vroolijkheid—want Bianca's zorg had haar zelfs tegen deze koude beschut—op eene hartroerende wijze bij de heerschende verschrikkingen afstak. „Gij zijt een kleine vlinder, die in den opgesperden muil van een krokodil fladdert,” mompelde Bernard; „maar ik zie u even gaarne hier, als ik u een slapenden tijger den kop zag streelen.—Schelmpjen, lacht gij?”

Op hetzelfde oogenblik brulde een holle stem hem van achteren in het oor: „Sta, hond! Geef mij uw pels, of ik leg u neder!”

Bernard huiverde en zag om.

Een soldaat, met ellendige lompen bedekt, groot van gestalte, met verwilderde trekken, langen, morsigen baard, het gelaat door aarde en rook onkenbaar, krankzinnige woede in de bloedig ontstoken oogen, stond voor hem en hield hem de tromp van het geweer op de borst.

„Wat wilt gij, rampzalige?” riep Bernard van schrik bevangen, en deed huiverendeene schrede achterwaarts. Het kind gaf een angstigen gil, klemde zich aan hem vast en verborg het hoofdje aan zijne borst.

„Uw warmen pels, of ik schiet u neder,” riep de razende. „Hier is geen kameraadschap meer; ik heb even goed recht, mij te redden, als gij.”

Bernard bevond zich bijna alleen met den verbitterden aanrander; hoewel duizenden binnen het bereik zijner stem waren, zou het schot des wanhopigen toch allen zijn voorgekomen, voorondersteld ook al, dat een enkele nog medelijden genoeg met het gevaar eens makkers had bezeten, om deswege zijn weg en zijn lijden door eenige moeielijke schreden te verlengen.

„Gij wilt door het vermoorden van een kameraad uw leven verlengen?” antwoordde hij op vasten, kalmen toon; „welaan, het zij zoo; maar gij zult er u niet lang in verheugen. Uw laatste uur zal toch slaan.”

„Spoedig! want ik voel den dood reeds,” riep de onzinnige, die nog gestadig den verkleumden vinger aan den trekker hield, met woest rollende oogen.

Bernard bukte zich, om het kind neder te zetten, dat hem bij het uittrekken van den pels hinderde; eensklaps verneemt hij een luiden gil en zich omwendende ziet hij Bianca, die zich ademloos aan de voeten van den woedende nederwerpt.

„Neem, dit goud, dit juweel,” riep zij, „dezen warmen mantel, alles, alles, maar laat mijn broeder leven!” Met de drift van den doodsangst had zij eene kostbare keten van haren hals gerukt en wierp haar prachtigen pels af, zoodat zij met bijna ontbloote armen, aan de grimmige koude prijs gegeven, voor den moordenaar knielde.

Deze blikt haar met strakke oogen aan, laat daarop den arm met het geweer langzaam zinken; het wapen ontvalt hem, hij drukt de beide handen voor het woeste gelaat en breekt in een luid gekerm uit. Inmiddels was ook Lodewijk toegetreden, en deze en Bernard hieven de nog altijd knielende Bianca van den grond op.

„Zulk een monster kon ik worden?” riep de onbekende plotseling uit; „neen, deze schande overleef ik niet. Vergeef mij; gij hebt mij beter gekend, het vreeselijk lijden maakte mij razend! Maar ik weet wat mij te doen staat!”

Bianca hing met blikken, waarin twijfel en angst met de uitdrukking der hoogste vreugde afwisselden, aan den zonderlingen mensch, die zich thans naar het hem ontvallen geweer bukte en het opnam. Bernard hield evenzoo het oog op hem gevestigd en zocht in zijn geheugen naar de trekken, die hem zelfs in deze misvormende zinsverbijstering bekend toeschenen.

„Waar heb ik u ontmoet?” vroeg hij, toen de soldaat zich weder oprichtte.

„Het verwondert mij niet, dat gij mij niet herkent,” antwoordde deze somber; „ik zou mij zelf niet herkend hebben.—Deze orde hier ben ik, zoolang ik leef, niet meer waard!” riep hij woest uit, rukte het lint van het legioen van eer uit zijne lompen te voorschijn en wierp het in de sneeuw; „daarom wil ik pogen te verdienen, dat gij het op mijn lijk legt. Ik straf mijne daad zelf, zooals zij het verdient.”

Dit zeggende drukte hij de kolf van zijn geweer in de sneeuw, klemde de borst op de tromp en schopte met den voet tegen den haan. Het schot viel, de ongelukkige stortte neder.

„Barmhartige God!” gilde Bianca en zeeg bewusteloos in Lodewijks armen.

Bernard sprong op den gevallene toe en beurde zijn hoofd op. Nog glom eene flauwe vonk van leven in de verbrijzelde borst. „Zoo gij Frankrijk weerziet, groet mijne vrouwe en mijn jongen... sergeantFerrand... uitLaon.”

Hij leefde niet meer.

In het oogenblik, dat hij het oog sloot, had Bernard hem herkend. Het was dezelfde sergeantFerrand, wiens streng plichtmatig, maar menschlievend gedrag hem en Lodewijk bij hunne gevangenneming te Smolensko het leven had gered. Het heiligste, wat dit leven hem aanbood, was zijne onbevlekte eer als krijgsman; door de begane wandaad, waartoe de verbijstering der ellende, der vertwijfeling hem aandreef, achtte hij ze verloren; eene vrouw had hem in moed overwonnen—dat verdroeg hij niet. Streng rechtvaardig sprak hij zelf zijn vonnis uit en voltrok het met eigen hand.

Hevig geschokt knielde Bernard naast het lijk neder, nam het lint, dat de doode voor zijn hoogste goed had gehouden, legde het op zijne borst en zeide: „Wie zal het u ontnemen? Het siere u in uw onmetelijk graf! Slaap wel!”

Zij zetten hun weg voort, want hier was het geen oord om te vertoeven. Onverbiddelijk scheurde het lot de harten vaneen en joeg de verwijlende liefde met grimmige zweepslagen voorwaarts.


Back to IndexNext