HOOFDSTUK V.De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden, werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalkNeyden weerbaren toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht, koos eene stelling.„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen. Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen keizer!”„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle landen van Europa doorkruist had.„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door den vijandafgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend, in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir vuurde af.„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week. „Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen gekost hebben.”Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den winter.”De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden, neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riepNey, de vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien te verkoopen.”De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven. Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit. De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen, de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen koopen.Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging, welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige voorzien werden.Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.Nadinewerd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid, schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende stroomen langs hare bleeke wangen.Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen. Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op. Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster, lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft, beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”„Genadige hemel! hij is....”„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,” vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden, en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,” zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele lichaam verwoest.„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die, den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat. Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te bezinnen.„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig. „Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom heeft de dood mij niet verlost!”„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw gebleven! O, ik rampzalige!”„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne vreugde daarboven!”Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem. Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog, legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken; heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard, en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,” wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtlegerzien te bereiken; en daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno, werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun dit toevluchtsoord te betwisten.Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de borst van den doode.„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker, vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en neemt gij de plaats des verlorenen in.”Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen. „Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,” sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.HOOFDSTUK VI.Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs de edelste, diepste smart.Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de getrouwen de kracht.Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep Rasinski hem toe.„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd een klein plaatsje!”„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het mogelijk!”„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er ons in ophouden.”„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.Zoo traden zij de hut binnen.„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van een kleinzijvertrek.„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen. Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren oud.Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen enlegdenhet aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond, als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door; mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef ik. Zij is echter thans in Wilna.”Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo kalm en edel waren zijne trekken.„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug, welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige dankbaarheid vervulde.„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid niet vreezen.”Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te wel, dat de arm desHeeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige geest ons allen beschermt.”Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt? Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou zeggen, wijzijngelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden in dit uur gelukkig zijn!”„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij, wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel! Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja, soms voelt zij het eene slechts door het andere.”Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan zich zelve ondervonden had.„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades. Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens, er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die nog gestadig met de tang in het vuur speelde.„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach in het rond zag.„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel bekomen konden.”Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem tot rust zien te krijgen.”Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren, dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een warme soep kan ik gereed maken.”„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen, „daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen, zijn wij verloren!”„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalkVictorde plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel onopgemerkt was gebleven.De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en aan het verderf ontrukken mochten.Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit het laatste mocht zijn!HOOFDSTUK VII.Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel hare verschrikkingenin steeds toenemende mate op de velden nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed geboren worden.Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is daar?”Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het russisch: „Wie is daar?”„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts weinigen!”„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren, als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig verder.”„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer, en vele officieren!”„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek hen zoolang op te houden.”De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne vrienden uit den slaap wakker.„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid, die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid geven.”Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het russisch:„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen onze eigene redding, want de slachtoffersvan dezen oorlog noodeloos te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl alle overigen in diepen slaap lagen.”Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over.„Dit briefje stelt u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel, oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn, had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den winter versteenen konden.Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands, die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet over mij; ik ben wèl.Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk deze bij dekoude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch Rasinski was gelukkig genoeg, den MaarschalkNeyaan te treffen, die hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens bij zich ontbood.Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo ontroerd gezien had.„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het tegenwoordige is het nog een geheim.”Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne smart meester te zijn gebleven.„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij opbeuren.”Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen. Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.Lodewijk, Bianca en Bernard waren alleen nog wakker gebleven en zagen elkander weemoedig aan, zonder dat zij het wagen durfden, voor hunne bezorgdheid uit te komen. Eene drukkende beklemdheid benauwde hunne borst; de onuitsprekelijke liefde, die zij elkander toedroegen, was de eenige lichtstar, die in dezen donkeren nacht voor hen schemerde en troost uitstortte in hun versagend hart.Zoo verstreek andermaal een lange nacht, tot de schemering hen tot nieuwe zorgen en gevaren deed ontwaken. Toen zij op het punt stonden, de hut te verlaten, hield Rasinski hen tegen en zeide: „Eerst moet ik u ontdekken, wat mij gisteren bijna verpletterde.De keizer heeft het leger verlaten!”Allen staarden hem vragend en met angstige blikken aan.„En hij had gelijk!” vervolgde hij. „Gisteren was ik even ontroerd als gij thans, want ik weet, dat het onwrikbare vertrouwen op zijn reuzengeest de eenige band was, die de armzalige overblijfsels van het groote leger nog te zamen hield. Maar het moest zoo zijn. Wij kunnen niets meer redden dan ons zelven; de keizer heeft eene meer gewichtige taak te volbrengen. Parijs is thans het slagveld, waar hij handelen moet.Hier is alles verloren, daar alles te redden. Wij blijven aan ons zelven overgelaten en willen voor ons zelven zorgen.”Zij braken op.HOOFDSTUK VIII.De zon neigde achter grauwe nevelachtige wolken ter kimme; troepsgewijze, langzaam, doodelijk afgemat sleepte eene schaar van bleeke schaduwbeelden zich door de diepe sneeuw voort. Zij geleken wezens uit eene andere wereld, tot welke nooit eene vriendelijke zonnestraal was doorgedrongen. In de holle, bloedende oogen woonden jammer en ellende; het spooksel van den honger grijnsde uit de ingevallen wangen en bleeke lippen. De koude deed de tanden knarsend en klapperend op elkander slaan, en op het loodvervige voorhoofd, in den strakken blik lieten zich de voorteekenen van razernij en vertwijfeling bespeuren. Zoo strompelden de schrikgestalten als bedwelmd en wezenloos naast elkander voort, en waar nog een voelend wezen onder hen wandelde, werd dit door de zich opeenhoopende verschrikkingen gemarteld en gepijnigd, totdat het afgrijzen elke zenuw had afgestompt of het vloekgedrocht der krankzinnigheid eindelijk toch de overmacht bekwam en den te vergeefs wederstrevenden geest met zijne vreeselijke kluisters omknelde.Bianca had den sluier voor het gelaat getrokken, om zoodoende het tafereel van den haar omringenden jammer niet te zien. Bernard en Lodewijk liepen naast haar en namen, daar hunne verstijfde armen niet meer in staat waren dien last te torschen, het in een paardedeken gewikkelde kind beurtelings op den rug. Dat kleine wezen alleen bleef kalm en rustig te midden der gestadig toenemende ellende; door de koude vermoeid, was het in diepen slaap gezonken, doch het liep geen gevaar van te verkleumen, daar Bianca haar pleegkind zorgvuldig tegen de koude gedekt had.Rasinski ging vooruit met Jaromir, die, zwak enkrachteloos, zonder de hulp en ondersteuning van den vaderlijken vriend reeds lang zou bezweken zijn en wiens toestand, zelfs te midden dezer algemeene ellende, een diep mededoogen inboezemde. Zijne innerlijke zielesmart deed hem zoo vreeselijk lijden, dat hij alle lichamelijke pijnen en kwellingen bijna zonder bewustzijn verdroeg. Hij sprak niet; slechts een bange, diepe zucht kwam van tijd tot tijd over zijne lippen.Zoolang het licht, dit onderpand der eeuwige genade, nog in den dampkring trilde, had de hoop zich nog staande gehouden, maar nu de duisternis allengs toenam en zich zwarter en zwarter op de versteende aarde nederliet, werd de laatste glimmende vonk van moed en vertrouwen in de versagende borst uitgedoofd en achtten de sterksten zich zelfs verloren.Nu was de zon verdwenen; de weg verloor zich in de donkere diepte van een onbegrensd mastbosch; het laatste uitzicht op een dragelijk nachtverblijf was den ongelukkigen benomen. Als dreigende reuzen rezen de steile dennen aan weerszijden van den weg op en strekten hunne zwarte armen over het besneeuwde wagenspoor uit. Het dichte weefsel hunner takken sloot elke schemering des hemels buiten en scheen een onmetelijk grafgewelf te vormen, dat plaats voor vele duizenden aanbood. Vruchteloostrachtte het oog de lengte van dit woud te meten, en te ontdekken, of zich achter deze onherbergzame wildernis niet nog eenige gastvrije woningen van menschen zouden bevinden, waar men de afgemartelde leden voor eene poos slechts veilig kon te rusten leggen. Met dit langzaam wegstervend schijnsel van hoop in de borst, sleepten de uitgeputte strijders zich voort, tot eindelijk de laatste krachten bezweken. Dan struikelden zij, de voet gleed uit op den gladden spiegel der ijskorst, zij sloegen voorover of zonken machteloos op de knieën. Vruchteloos strekten zij de armen nog eenmaal naar de hen voorbij waggelende lotgenooten uit; doch geen oor luisterde meer naar de stem der smeekende ellende. De winter omvatte zijne offers met koude armen en vermoordde hen door zijne ijzige aanblazing; het bloed stolde in de aderen, langzaam drong de versteenende dood tot in het hart door; nu had hij het bereikt, het hield op te slaan, de marteling was geëindigd, het hoofd zonk voorover, een donkere bloedstroom gulpte uit de borst op en met dezen was het laatste spoor van leven verdwenen.De hoop op een toevluchtsoord tegen den nacht werd eindelijk door allen opgegeven; er bleef geene keus meer, men moest zich zonder schut of scherm aan het hongerige roofdier der koude prijsgeven. Vele troepen hielden op het voorbeeld der voorgangers halt en maakten zich gereed, hun bivak op te slaan.Bernard gaf dezelfde begeerte te kennen, doch Rasinski sprak hem moed in en drong er op aan, dat men den marsch nog een eindweegs zoude voortzetten. Gewoon, op den aanvoerder te vertrouwen, volgden allen zijn raad. Plotseling stond Rasinski stil. „Hier willen wij vuur aanleggen, mijne vrienden,” sprak hij, „en beproeven, of wij den vreeselijken nacht kunnen doorworstelen.”„Welaan dan,” hernam Bernard; „wellicht gelukt het ons, het grimmig ondier te verjagen, dat ons de koude tanden reeds op de borst zet. Wolven vluchten immers voor het vuur; laat ons zien, of ook dit monster niet tot wijken is te brengen.”Rasinski had zelfs in dezen bijna hopeloozen toestand noch den scherpzienden blik, wien in den drang der gevaren geen reddingsweg ontgaat, noch de stout beradene kracht verloren, die het hollende span des verderfs met vaste hand in de teugels grijpt en het dan ook nog zoekt te leiden en te betoomen, wanneer het reeds met ons in den afgrond dreigt neer te storten.Uit dien hoofde had hij, hoewel zelf op het punt van te bezwijken, zich tot hiertoe voortgesleept en gestadig naar eene plaats omgezien, waar het aanleggen van vuur mogelijk was. Overal vond hij slechts breedstammig, hoog opgeschoten of nog geheel groen hout. Hoe zou men dat vellen of in brand krijgen? Wie bezat nog kracht genoeg, om een steilen den te beklimmen en met de stompe sabel of bijl in den top takken af te houwen? Daarenboven was de grond overal hoog met sneeuw bedekt, zoodat, wanneer men de vuren daarop aanlegde, alles in den omtrek zou smelten, waardoor het legeren onmogelijk zou worden gemaakt. Hier echter had zijn onvermoeid rondvorschend oog twee verdorde stammen ontdekt, waarvan de eene half omver was gevallen en tegen een nabijstaanden boom leunde. Dezen kon men omhakken, genen in brand steken en alsdan in de hoog opslaande vlammen ook van groen hout gebruik maken. Tevens had hij eenige schreden verder een steilen, eenige voeten hoogen aardwal bemerkt, waarvoor geen sneeuw lag, daar de wind die in het vallen onderschept en over de schuine helling voortgejaagd had. Was het mogelijk den nacht ergens door te brengen, dan kon zulks het veiligst hier geschieden.Onverwijld liet hij dus zijne manschappen van de plaats en de boomen bezitnemen en was hij de eerste, die zelf de handen aan het werk sloeg.Bernard, die sedert zijne ontmoeting met den ongelukkigen sergeant weder wapens droeg, ging met zijn breeden hartsvanger aan het hout vellen. Lodewijk beijverde zich de sneeuw nog verder uit den weg te ruimen, zoodat men eene vrije legerplaats bekwam. Rasinski brak met Jaromir, die uit eigen beweging maar zwijgend alles mededeed, het dunne rijshout van de stammen. Door deze vereende werkzaamheid was in weinige minuten het noodige verricht. Eene heldere vlam steeg op, de grond werd met frissche dennetakken belegd, die men dicht onder de wal uitspreidde, om tegen den storm gedekt te zijn; men maakte aanstalten tot het toebereiden der zorgvuldig bespaarde levensmiddelen.De koesterende vuurgloed gaf nieuw leven aan de verstijfde ledematen; de uitgeputte kracht keerde na het genot van eenige spijzen terug. Met dankbare verwondering ondervond men, dat alle levensgloed nog niet was uitgebluscht en eene nieuwe schemering van hoop en vertrouwen brak voor de ongelukkigen aan.Het vlammend vuur had spoedig ook vreemde, afzonderlijk voorbijtrekkende krijgslieden gelokt; in een dichten kring legerden zij zich in het rond en schenen zich na de lange ontbering in het gevoel der levenwekkende warmte niet te kunnen verzadigen. Maar de aandrang der opdagende ongelukkigen werd gestadig sterker. Reeds ontbrak het aan ruimte, en wilde men een nieuwen lotgezel opnemen, dan moest een reeds gelegerde zich op zijne reeds vrij beperkte plaats nog nauwer inkrimpen. Doch de tijd was voorbij, dat de een voor den ander met menschelijke bereidwilligheid een deel zijner voordeelen opgaf, om hem aan het verderf te ontrukken. De nood was te dringend, de grens tusschen leven en dood te smal geworden. De geringste inschikkelijkheid kon den toegevende zoover van het vuur verwijderen, dat hij door de koude klauwen van het in de duisternis loerende monster der koude in den rug werd aangegrepen. Daarom was er slechts plaats voor een enkele; wie haar afstond was zelf verloren. Het was een schrikwekkend spel van het toeval om redding of vernietiging. Bleeke schaduwbeelden waggelden uit het duister, 't welk het vuur omgaf, te voorschijn en vertoonden zich als afgrijselijke nachtspoken in den donkerrooden gloed der vlammen; door eene bewustelooze drift tot zelfbehoud aangespoord, wilden zij in den kring der gelegerden doordringen, doch werden gruwzaam, onverbiddelijk afgewezen. De angst baarde eene machtelooze woede; zij poogde hunne kameraden bij de schouders, bij de haren terug te trekken, doch dezensteldenzich met wanhopige grimmigheid te weer en dreven de rampzaligen met scherpe wapenen terug.Deze laatste inspanning van den doodsangst heeft de krachten der hulpeloozen ten eenenmale uitgeput; jammerend werpen zij zich op de knieën en smeeken hunnen broeders om mededoogen, om erbarmen. Te vergeefs! Aarde en hemel blijven doof voor de hartverscheurende weeklachten. In wanhopigen doodsstrijd storten de verstootelingen ter aarde en wentelen zich in de koude sneeuw rond, hun luid jammergeschrei wordt flauwer en flauwer, sterft weg in een zacht kreunen en nokken, en weldra kan men uit het verstommen hunner laatste zuchten opmaken, dat de versteenende dood hun lijden voor altijd geëindigd heeft. Zoo hoopt zich een akelige dam van lijken om den kleinen kring van levenden op.Bianca's gevoelig hart ware tegen deze folteringen niet bestand geweest; zij zou zich voor anderen hebben opgeofferd, tot eindelijk het verderf haar achterhaald had. Dochde hemel nam haar in zijne genadige bescherming; nog eer deze jammertooneelen plaats grepen, had een diepe, geruste slaap een sluier voor hare oogen gelegd, zoodat zij het afgrijselijke schouwspel niet kon zien; het schemerachtig weefsel der vergetelheid omhulde hare ziel met ondoordringbare sluiers. Het was de zoetste lafenis, welke de hand der genade op deze schrikwekkende plaats kon aanbieden.Lodewijk en Bernard rustten aan de zijde der sluimerende en beschermden haar door hunne nabijheid. Angstig en huiverend had Jaromir zich tegen Bernards borst aangedrukt; eene inwendige koude scheen hem koortsachtig aan te doen, want tegen het geweld des winters was hij tot hiertoe beter bestand geweest, dan een zijner makkers, ook brak hij thans zijn diep, beangstigend stilzwijgen af en begon, wat niet in zijn aard lag, bitterlijk te klagen. „Ik ben koud, Bernard; het is of mij het hart bevriest. Ach, laat mij aan uwe borst rusten!—En hier, hier gloeit het als vuur!” Hij streek hierbij met de hand over het voorhoofd, als wilde hij de brandende pijn verzachten.Met innig medelijden zag Bernard hem aan, want het oog des jongelings dwaalde verwilderd in het rond en verried de verwarring van zijn eens zoo helderen geest. De doffe bedwelming, welke de vrienden tot dusverre met bange bezorgdheid hadden waargenomen, ging nu in eene woeste, beangstigende opgewondenheid over, welker doodelijk gif de kiemen des levens weldra moest vernietigen. Slaap, geruste, verkwikkende slaap, zou nog van eene heilrijke uitwerking kunnen zijn; doch het scheen, dat zijne stillende olie tegen de opgeruide baren der geschokte ziel niets meer vermocht. De vriendelijke broeder van den dood, die na deze ongehoorde vermoeienissen elk hoofd met looden last ter aarde drukte, zoodra de inspanning van den wil slechts een oogenblik afliet, fladderde om het hoofd des armen jongelings als een schuwe nachtvlinder heen en weder en scheen zich daarop niet te willen nederlaten.„Kom, kom,” sprak Bernard op den overredenden toon van broederlijke liefde, „laat uw gloeiend hoofd hier aan mijne borst rusten, de slaap zal het spoedig afkoelen. Drink met ons uit dezen Lethe, opdat wij vergeten, wat om ons heen voorvalt. Alles vergeten, is immers het beste, wat wij hier van den hemel kunnen afsmeeken! Kom, kom, slaap mijn broeder!”„Ja, vergeten!” zuchtte Jaromir, terwijl hij zich rillend aan den vriend vastklemde en hem met beide armen omsloot. Bernard voelde, hoe de ongelukkige koortsachtig sidderde en drukte hem dicht aan het hart. „Slechts dit ééne leven,” bad hij vurig, „laat het ons behouden, Almachtige; de smart over dit verlies zou het ruwste hart gruwzaam verscheuren.”Doch de uitputting liet Bernard niet lang wakend blijven; nog eenige oogenblikken en hij lag vast omstrikt door de armen des slaaps en wist niet meer, dat een vriend aan zijne borst, eene zuster aan zijne zijde rustte.Rasinski alleen zat wakend in den kring, waarin thans eene diepe, akelige stilte heerschte. Roerloos, als had de koude dood hem aangegrepen, lagen zijne lotgenooten om hem heen; de heldere gloed van het vuur wierp een vreemd schijnsel op de in zonderlinge, avontuurlijke dracht gehulde gestalten. Altijd eerst voor anderen zorgende, was Rasinski ook thans de eerste geweest, die zich met de zorg voor het vuur belastte. Hij rakelde het hout op, dat de vonken in dichte lichtwolken uiteenstoven, en wierp nieuwe, groene dennetakken in den gloed, waarvan eene zwarte rookzuil dwarlend opsteeg en over de hoofden der sluimerenden wegtrok. Met starend oog, den arm opde hand steunende, waakte de edele Pool, en sombere mijmeringen vervulden zijne heldenziel. Hij overdacht zijn levensloop. Wat was zijn leven geweest? Smart en lijden, vurig verlangen, rusteloos streven, moeite en gevaren—en geen ander loon, dan het innerlijk bewustzijn van eer en trouw. Van kindsbeen af ten prooi aan kommer en verbittering over het in schande en smaad gedompelde vaderland; sedert den jongelingsleeftijd medegevoerd in den woesten draaikolk der wereldwisselingen; voortgedreven op den stroom des levens, de groene oevers voorbij, zonder tijd tot landen of verwijlen, schaars door den verren groet eener vriendelijk wenkende en lokkende gestalte verkwikt; elk betooverend beeld van het lachende geluk door ruwe stormen ras weggevaagd—wat had deze borst niet geleden en gedragen!„Hm, hm,” mompelde hij, „wat verlangt gij dan? Heeft niet de glansrijke zon der eer uw levenspad van der jeugd af bestraald?—Ach, zij is geene zon, zij is slechts eene star, die aan den donkeren, nachtelijken hemel glanst, maar deze vriendelijke woonstede der aarde niet verlicht, niet verwarmt! Op dan, voorwaarts! omhoog het hoofd! Heeft mijn lot mijne borst met zijn stalen harnas omgeven en haar aan de zachte omarming der liefde en des vredes ontrukt, zoo zij ze althans tegen den kamp gewapend, en de scherpe pijl stuite even machteloos weder af. Ik tart u uit; hoop uwe verschrikkingen, uwe rampen opeen! De tijd zal komen, dat gij mij verplettert, maar nimmer, nimmer die, dat ik mijn hoofd angstvallig voor uw dreigenden arm verberg.”Hij richtte zich op; zelfs toen de moed der sterksten bezweek, ontwaakte in hem het bewustzijn van edele kracht en bood hij het noodlot fier het hoofd.Zwijgend, luisterend, waakzaam zat hij voor de vlam; zijn machtige wil verbande den slaap, want hem was het leven der dierbaarste vrienden toevertrouwd.HOOFDSTUK IX.Het uur was verstreken, toen schudde hij Jaromir wakker. „Nu is het uwe beurt te waken; maar voelt gij u daartoe wel in staat? Gij schijnt ziek en gij laagt slechts in onrustige sluimering, terwijl de anderen vast doorsliepen.”Zijn plichtbesef als soldaat had Jaromir nog niet verloren; nu dit hem riep, wist hij, door gewoonte en eergevoel geoefend, zich te vermannen en antwoordde snel:„Ik ben wakker, leg gij u thans neder, geen slaap zal in mijne oogen komen.”Rasinski was gerustgesteld, toen hij de kalme beradenheid van Jaromir zag, waarop hij zich altijd onvoorwaardelijk had kunnen verlaten. Hij wikkelde zich dus dieper in zijn mantel, leunde het hoofd achterover en sliep in.Jaromir nam een langen dennetak en stookte het vuur op. Alles in het rond was doodstil, geen voet verroerde zich, geen geluid liet zich hooren.„Het is koud,” mompelde de eenzame en staarde in den gloed. Eene rilling greep hem aan. In den nek voelde hij de ijzige hand des winters, terwijl zijn gelaat door de vlam verschroeid werd. Maar nog meer, dan deze tweevoudige pijniging, folterden hem de giftige adders in zijne borst. Nog was de helderheid van zijn geest niet geheel geweken, want nog voelde hij met angstvolle huivering, dat donkere wolken der zinneloosheid bij tusschenpoozen voorbij de heldere zon van zijn bewustzijn heentogen en deze verduisterden. „Hoe is het,” dacht hij, „droom ik meer onder hetwaken, of waak ik meer onder het droomen? Nauwelijks voel ik eenig verschil tusschen slapen en waken; als een langzaam dalende nevel komt het op mij neerwentelen.—Hoe rustig slapen die allen!”Zijne blikken hechtten zich op het gelaat der vrienden. „Ja, zij slapen vast, zij droomen zoet en genoegelijk! Ach, of ik al mijn lijden zoo in den slaap vergeten kon! Dat ik nimmer weder ontwaakte!” Eene machtige duizeling greep hem aan; hij moest al de kracht van zijn wil, al zijn eergevoel te hulp roepen, om niet bedwelmd achterover te zinken.Eensklaps vernam hij op geringen afstand, maar uit de diepste duisternis, een schaterend gelach.Als door den bliksem getroffen, kromp hij bij dit geluid ineen, dat hem op deze akelige plaats als eene helsche godslastering in de ooren klonk.„Wie daar?” wilde hij uitroepen, maar de stem bestierf op zijne lippen en zijn oog staarde woest in het rond, om den geest des afgronds, die hier loeren moest, te ontdekken.Daar trad uit het duistere rijk van den nacht eene afgrijselijke gestalte in den lichtkring van het vuur. Het was een rijzige kurassier, in een verscheurden mantel gehuld, het hoofd onder den helm met een bloedigen doek omwonden, een jongen taxisboom als langen wandelstaf in de hand.„Goeden avond,” riep hij Jaromir met holle stem toe, „goeden avond, kameraad!Heisa, hier is 't lustig en goed!”„Wat wilt gij?” riep deze ontzet;„maak u weg, satan!”De kurassier staarde hem uit holle oogen aan, vertrok den mond tot een vreeselijk grijnzen en knarste als een verwoed roofdier op de tanden.„Ha, ha, ha!” gierde hij schaterend uit. „Slaapt gij zóó vast, gij luiaards!” Hier stampte hij met den voet op het lijk eens bevrorenen. „Wordt wakker! kom met mij!”Een oogenblik stond hij stil en scheen naar iets te luisteren; vervolgens kwam hij met wankelende schreden nader en tuimelde op het vuur toe.„Terug,” riep Jaromir. „Terug, of ik schiet u neder!” Hij greep naar zijn pistool, maar zijne sidderende hand was niet bij machte het op te heffen.De krankzinnige staarde hem met doffe onverschilligheid aan; nu vertoonde zich een woeste grijnslach, dan de uitdrukking der diepste ellende op zijne ingevallen trekken, Jaromir, wien schrik en ontzetting elke zenuw verlamd hadden, hing sprakeloos, bleek, met onafgewende blikken aan de dreigende gestalte, die zich hoog oprichtte, de magere armen van onder den mantel te voorschijn stak en allerlei zonderlinge bewegingen maakte.„Wat wilt gij, akelig monster?” vroeg hij eindelijk, zelf reeds bewusteloos en verbijsterd, met bevende stem.„Brr, ik ben koud!” huilde de razende, greep als een spelend kind naar de vlam en trad nader en nader, tot hij dicht aan den kring der slapenden stond, over welken hij de beide armen ver uitstrekte. Thans eerst scheen hij de warmte van den gloed te bemerken. Een zacht gekreun en gereutel steeg uit zijne borst op; vervolgens riep hij half lachend, half jammerend: „In 't bed, in 't warme bed!” slingerde zijn taxis ver van zich af, tuimelde voorwaarts over de gelegerden heen en stortte zich in razende verblinding midden in de vlammen.„Hulp! hulp!” schreeuwde Jaromir, wien de haren te berge rezen, en schudde Rasinski met krampachtige hevigheid bij den arm.Deze sprong op. „Wat is er?”„Daar! Daar!” stamelde de jongeling en wees op de vlammen, waar de ongelukkige zich huilend en stuiptrekkend rondwentelde.Rasinski giste eer wat er voorviel, dan dat hij het begreep; snel beraden sprong hij toe, om den rampzalige te redden. Doch het was te laat. Reeds had de hitte hem verstikt; hij lag roerloos, de vlam sloeg over zijn verschroeid lijf samen, en een dichte, verpeste walm dampte in zwarte wolken omhoog.Rillend trad Rasinski terug en wendde het gelaat af, om zijne ontroering te verbergen; nu zag hij, dat allen in den kring nog in diepen slaap lagen. Niemand was ontwaakt door het vreeselijke voorval, hetwelk te midden van zoovele levenden plaats greep!Eene gestalte echter bewoog zich; het was Bianca. Het afgrijselijk gehuil van den verbrande had in den slaap haar oor getroffen en hare ziel met onwillekeurigen angst vervuld. Vermoedende, dat er iets ontzettends voorviel, rukte zij zich met moeite uit de zware kluisters van den slaap los, richtte zich op en zag angstvallig in het rond. Haar oog viel op Jaromir, die nog altijd bleek, sidderend en bedwelmd in de vlam staarde. Met diep medelijden beschouwde zij den armen jongeling, want, den samenhang niet vermoedende, moest zij gelooven, dat de krankzinnigheid, welker verontrustende voorteekenen zich in de laatste dagen reeds meermalen bij hem vertoond hadden, zich nu geheel van hem had meester gemaakt.„Lieve Jaromir!” sprak zij hem op den innigsten toon der liefde aan en legde de hand op zijn schouder.Hij staroogde haar met blijkbare bevreemding aan en scheen uit een zwaren droom te ontwaken. „Ach,” zuchtte hij uit het diepste der borst en een zonderling weemoedig lachje zweefde om zijne lippen.„Het is niets, Bianca,” sprak Rasinski, die ras toetrad, om te verhinderen, dat zij van het gebeurde onderricht werd. „Leg u gerust weer te slapen, wij zullen voor u waken.”„Ach, Lodoiska! Hebt gij mij eindelijk vergeven....?” riep Jaromir plotseling, en zijne stem ging in een luid weenen over; hij drukte het hoofd op Bianca's hand en bevochtigde ze met een stroom van tranen.„Heilige God, wat is dit!” riep deze verschrikt en waagde niet, de hand terug te trekken.„Bezin u, Jaromir,” sprak Rasinski hem ernstig aan en wilde hem oprichten.„Bezin u, zamel uwe kracht bijeen en bedenk waar gij zijt.”„Ach, Rasinski, zij vergeeft mij!” riep de jongeling uit, terwijl hij den vaderlijken vriend aan het hart viel; „zij is eene heilige, zij is niet langer vertoornd! Om mijns stervenden Boleslaws wille heeft zij mij vergeven! Niet waar? O gij neemt het niet terug! Ik ben uwer niet meer waardig—maar ik kan immers niet uitstaan, zonder u te leven. Kom nu weder aan mijn hart!” Hij vouwde de handen en zag Bianca met smeekende oogen aan; groote tranen biggelden langs zijne bleeke wangen en toch blonk eene zachte, vluchtige schemering van vreugde op zijn gelaat.„Ik ben immers Lodoiska niet,” hernam Bianca met vruchteloos bekampte ontroering, en zocht hare hand uit die van den jongeling los te maken.„Gij zijt het niet?” riep hij eensklaps met toenemende hevigheid; „gij wilt het niet zijn—gij haat mij, gij veracht mij!—Ach, dan is alles voorbij!”Radeloos wierp hij zich weder aan Rasinski's borst en wilde de armen om zijn hals slaan; doch de kracht ontbrak hem, hij zonk bewusteloos neder.„Ook dát moet nog gedragen worden!” riep Rasinski uit en knielde voor den bleekenjongeling neder. Bianca wilde in haren angst Bernard en Lodewijk wekken, doch Rasinski verhinderde dit. „Hoe kunnen zij ons helpen?” sprak hij; „waarom zouden nog anderen met ons dit lijden verduren? Het is wellicht spoedig beslist!”„O, welk een vreeselijke troost,” snikte Bianca en wrong de handen. „Neen, neen, dat zal de Algoede ons niet opleggen. De maat is gevuld, het kan niet zijn, het kan niet!”„Bid gij tot Hem uit den grond van uw schuldeloos hart,” sprak Rasinski somber; „ik kan slechts handelen, maar uw bidden is meer dan mijn doen!”Bianca deed het. Met diepen ootmoed knielde zij neder en smeekte uit een geloovig, kinderlijk hart om redding voor den ongelukkige. Doch hare beklemde borst werd niet verruimd, de angst bleef op hare ziel drukken.Rasinski had den onmachtige de slapen met sneeuw ingewreven. Deze sloeg eindelijk de oogen op en blikte verwilderd om zich heen. „Waarom neemt gij mij uit het graf?” mompelde hij;„het was zoo stil en koel daar beneden.—Ach, ik zie het, de zon gaat prachtig op en schijnt in het graf. Zij is schoon!”Hij staroogde onbewegelijk in de vlammen. Plotseling rukte hij zich met ongeloofelijke spierkracht uit Rasinski's armen los, sprong op en met den kreet: „Dat is de brandende hel! Daar storten zij mij in neder! Spoedig, spoedig!” wilde hij zich in denlaaiendengloed werpen. Rasinski greep hem aan met de kracht van den angst. Bianca wierp zich aan zijne voeten en klemde zich aan zijne knieën vast. „Help help, mijn broeder, Lodewijk!” gilde zij, op doordringenden toon, daar beider vereende krachten niet meer in staat waren, de razende tegen te houden. Door deze stem op eenmaal uit den vasten slaap gewekt, sprong Lodewijk op.„Hemel, wat is er?” riep hij uit, toen hij Jaromir met Rasinski en Bianca zag worstelen; tegelijk ontwaakte Bernard enrichttezich mede op. Het was meer dan tijd, want Rasinski met zijne volle mannenkracht vermocht den rampzalige, die zich met geweld in de vlammen wilde werpen, niet meer te houden. „Helpt, vrienden,” riep hij, „helpt mij, anders is hij verloren.”Zonder te weten, wat er voorviel, snelden Bernard en Lodewijk den roepende te hulp; doch Jaromirs verwilderde trekken ziende, behoefden zij geen oogenblik langer aan 's jongelings volslagen zinneloosheid te twijfelen.„Ach, ik hebhet lang gevreesd,” zuchtte Bernard; „hem lag te veel op de ziel, hij kon den last niet dragen.”Na de bovenmatige overspanning van zijne krachten volgde even spoedig eene geheele verslapping. De armen zonken machteloos neder, de knieën knikten, het gansche lichaam zakte ineen. Nu scheen het, alsof de folterendste smarten zijn binnenste doorgriefden; want hij brak in een luid, hartverscheurend jammeren en weeklagen uit. Deze tonen die door merg en been drongen, gelijk ook de onrust van het vroeger voorgevallene, hadden eindelijk alle slapenden doen ontwaken. Zij richtten zich op, blikten in den beginne verwonderd, maar daarna vertoornd over deze stoornis in het rond. Er ontstond een dof gemompel, dat van minuut tot minuut levendiger werd. Men begon op den ongelukkige te wijzen, en het noodlottige denkbeeld, dat deze hen in gevaar en ten verderve zou kunnen brengen, maakte zich van de gemoederen meester.„Wie is de razende, wat wil hij?” riep eindelijk een baardig grenadier met onstuimige drift. „Wat rooft hij ons de kostbare minuten des slaaps? Werpt hem uit den kring en laat hem doodvriezen, dan hebben wij rust!”„Weg met hem, weg met hem!” riepen verscheidene stemmen, en eenigen sprongen op, om het gruwzame vonnis onverwijld te voltrekken.Bianca gaf een luiden gil van angst; Lodewijk ving haar, daar zij dreigde neder te zinken, in zijn rechterarm op en trachtte met den linker een woest toedringende af te weren.Rasinski, den omvang van het gevaar terstond overziende, liet Jaromir in Bernards armen en sprong met flonkerende oogen midden in den kring. Snel beraden rukte hij een smeulenden boomtak uit het vuur, hief dien hoog op en donderde met zijne leeuwenstem: „Terug, rampzaligen! Wie één tred voorwaarts doet, sla ik met deze knods de hersens in!”De verbitterden weken verschrikt terug en waagden niet te naderen; de zedelijke overmacht van Rasinski boezemde hun ontzag in. De grenadier nochtans trok de sabel en schreeuwde: „Hoe, lafaards! zijt gij allen bevreesd voor een enkele! Voorwaarts! Neer met den poolschen hond!”„Ellendeling!” donderde Rasinski en sprong als een getergde leeuw op den razende toe. „Uit den weg met u, ontmenscht ondier!” Tegelijk greep hij hem met kracht en behendigheid in het gewricht der opgeheven vuist, zoodat hij zijn wapen niet kon gebruiken, en bracht hem met den brandenden tak zulk een hevigen slag op het hoofd toe, dat deze in splinters vloog en kolen en vonken in het rond stoven. Doch de slag was door de dichte berenmuts gebroken en had slechts den toorn van den verbitterde tot ziedende woede doen stijgen. Een Hercules in lichaamsbouw, in lengte een half hoofd boven zijne tegenpartij uitstekende, liet hij de sabel vallen en wierp zich op Rasinski, om hem al worstelende in de vlammen te werpen. Deze bood slechts een oogenblik tegenstand, toen gleed hij uit, struikelde; viel op de knieën. Hij was verloren! Een roekeloos monster dreigde de edelste heldenborst met ruwe overmacht te verpletten! Daar sprong Lodewijk met bliksemsnelheid den vriend te hulp, greep den woedende van achteren aan en sleurde hem terug, zoodat beiden ter aarde stortten. Rasinski raapte de gevallen sabel op, rukte den op den grond liggende met de linkerhand de berenmuts van het hoofd en bracht hem met de rechter een houw langs de slapen toe, die hem den schedel door midden kloofde. Fier en gebiedend als een koning, richtte hij zich thans op en trad met majesteit in den kring der verschrikte soldaten. „Werpt het lijk in de sneeuw,” beval hij; „gaat weer liggen en slaapt.”Alsof hij dat wapen ontberen en de menigte door zijn verheven geest alleen beheerschen kon, wierp hij het verachtelijk van zich. Niemand verstoutte zich, een woord te reppen; een tweetal nam het bebloede lichaam op, droeg het eenige schreden buiten den kring en wierp het op de overige lijken.Daar de gramschap nog bij hem navolgde, gelijk de zee na een hevigen storm, ging Rasinski eenige oogenblikken op en neder, zonder zelfs naar zijne vrienden om te zien. Weldra echter had hij zijne bedaardheid herkregen, reikte den met bloed bespatten vriend, die Bianca teeder in zijne armen omvangen hield, de hand en sprak: „Gij zijt mijn redder! Ziet gij, dat heeft de woelige krijg zelfs in dezen jammervollen tijd nog boven het alledaagsche leven vooruit, dat hij ons in een enkel uur meer gelegenheid om den vriend van dienst te zijn aan de hand geeft, dan een gansche menschenleeftijd van den slaperigen vrede in staat is op te leveren. Ik dank u!—Maar gaat nu weder rusten, mijne vrienden; het is niets dan één doode meer onder delegioenen, die om ons heen versteend zijn. Eene kleine kramersnegotie tegen den wereldhandel van het lot!”Zijn oog vestigde zich weder op Jaromir: deze scheen in slaap gezonken en had het blonde hoofd tegen Bernards borst gedrukt. In de stille, bleeke trekken lag een nameloos lijden, dat geen vriendelijk oog met een zachten sluier bedekte.„Laten wij hem in ons midden nemen, Bernard,” sprak Rasinski. „Wat kunnen wij anders, dan hem aan de genade des hemels aanbevelen? Wellicht brengt de slaap hem weder tot kalmte.”Hij had zich wederom neergevlijd, nam Jaromir in zijne armen en drukte hem liefderijk aan zijn hart. „Rust hier uit; de verschrikkingen des winters zullen u in mijne armen niet vinden. En kunt gij, ontwaak dan tot een beteren morgen!” Dit zeggende zonk hij achterover, bedekte het hoofd en rustte hart aan hart met den lijdenden vriend. Spoedig, zoo onweerstaanbaar deed de albedwingende natuur haar rechten gelden, viel hij opnieuw in vasten slaap. De krijgslieden om hem heen waren reeds lang weer ingesluimerd en zoo was de vreeselijke ontmoeting schielijker vergeten, dan een vluchtig oprijzend droombeeld van den nacht.Bernard en Lodewijk waakten gezamenlijk, daar één alleen zich misschien door den slaap had kunnen laten overrompelen, en deelden de zorg voor het vuur, waarmede het leven van allen tot een eeuwigen nacht zou zijn uitgebluscht.—Een scherpe nachtwind verhief zich, streek ijskoud langs hunne wangen en deed de sneeuw in lichte vlokken van de toppen der dennen neerdwarrelen.„Brr! hoe grimmig blaast die winter ons in den rug!” mompelde Bernard; „ik verbeeld mij de ijzeren klauwen, waarmede hij zijne slachtoffers worgt, reeds in den nek te voelen. Weg, monster! Hier neemt uw rijk een einde! Hier brandt de vlam des heils, die wij getrouwer onderhouden zullen dan de Vestalen de hare.”„Hoe eng,” merkte Lodewijk, „is de ring des levens, die om deze zon loopt. Wij liggen op de bijna ondeelbare grenslinie tusschen den vuurdood en dien der verstijving.”
De koude schijf der zon begon reeds weder roodachtig te gloeien en naar de sneeuwzee af te dalen, toen de vermoeiden Malodeczno op den afstand van een uur voor zich zagen. Het uitzicht op een dragelijk nachtverblijf deed den bezweken moed opnieuw herleven; maar alsof het lot elke geringe schemering van geluk slechts liet aanlichten, om de krachten tot het verduren van een nieuw, grooter onheil op te winden, werd de kortstondige vreugde ook hier door verdubbelden schrik op den voet gevolgd. Plotseling toch werden de hoogten met zwarte massa's gekroond; de vijand, langs andere wegen voortgedrongen, verscheen, om het toevluchtsoord tegen den kouden winternacht aan de ongelukkige vluchtelingen te betwisten. Bij den eersten aanblik dezer donkere liniën, die den horizon begonnen te omzoomen, pakte de schaar der ongewapenden zich opeen, als eene kudde, die door een gevreesd roofdier bedreigd wordt. Met luider stem riep de maarschalkNeyden weerbaren toe, zich om hem te verzamelen. Nog bestonden eenige overblijfsels van het oude heldenleger, nog klopten harten, die zelfs nu nog de voorschriften van plicht en eer niet vergeten hadden. De gelederen ordenden zich, de weinige ruiters, schoon ook uit alle regimenten bijeengeraapt, sloten opeen en plaatsten zich aan de vleugels, de artillerie, zoo men het kleine aantal stukken dien naam geven mocht, koos eene stelling.
„Kameraden,” riep de maarschalk, „heden moeten wij dak en huisvesting bevechten; want de winternacht is moorddadiger dan 's vijands wapenen. Ook hij wordt door den nood gedreven; gij verdelgt hem, zoo gij standhoudt. Denkt aan uwe redding, aan Frankrijks roem, aan uwen keizer!”
„Leve de keizer!” klonk de doffe kreet der heldenschaar, die slechts den verren donder van het geschut behoefde te hooren, om te midden der zwaarste rampen de stoute geestdrift te herwinnen, waarmede zij alle landen van Europa doorkruist had.
„Wij hebben geen paarden,” riep Rasinski zijnen ruiters toe; „laat ons het geschut bedienen, want hier zijn handen te kort.”
Een dof gedonder rolde langs de heuvels; de eerste kogels werden door den vijandafgezonden en vlogen, op den versteenden grond afstuitend, in wijde boogsgewijze sprongen over de ten slag geordende schaar heen.
„Gij schiet te hoog, wij willen beter treffen,” sprak Rasinski en boog zich voor het stuk neder, om het te richten. „Zóó! Thans vuur!” Jaromir vuurde af.
„Ziet gij, hoe de kogel ruimte maakt?” riep Rasinski, toen de zwarte linie op de hoogte scheurde, zoodat de hemel daarachter zichtbaar week. „Stonden zij zoo diep als breed, dan zou dit schot hun dertig koppen gekost hebben.”
Het gevecht was begonnen; de artillerie des vijands daverde thans van drie zijden tegelijk en de kogels kletterden zoowel in den zwerm weerlooze, in blinde drift naar het vlek Malodeczno voortspoedende vluchtelingen, als in de geordende gelederen der dapperen neder, die hun leven voor dat hunner makkers stoutmoedig in de bres stelden.
„Wij moeten langzaam terugtrekken,” beval de maarschalk, „anders snijden zij ons van het vlek af en wij worden allen een buit van den winter.”
De artillerie gaf nog eene laag en nam daarop ettelijke honderden schreden verder achterwaarts eene nieuwe stelling aan. De troepen volgden gesloten. Voet voor voet wijkende trok men zich, een ernstig gevecht vermijdende, van lieverlede tot nabij de eerste hutten van Malodeczno terug; doch deze korte beweging had de krachten der artilleriepaarden zoodanig uitgeput, dat zij elk oogenblik struikelden, neervielen en ten laatste niet meer waren op te krijgen. Wat handen had, moest derhalve aangrijpen, om de stukken bij eene hoogte op te trekken, vanwaar zich de toegang tot het vlek verdedigen liet.
„Onze kanonnen te redden is onmogelijk, kameraden,” riepNey, de vermoeiden aanmoedigende; „maar wij zullen ze althans duur genoeg zien te verkoopen.”
De Russen waren langzaam, vurend nader gerukt; thans schenen zij hunne krachten te verzamelen, om stormenderhand een aanval te beproeven. Nauwelijks echter hadden zij zich in volle colonnes vertoond, of de artillerie der Franschen gaf een vreeselijk salvo, dat eene moorddadige verwoesting in hunne gelederen aanrichtte. De aarde sidderde, de lucht dreunde, rook en damp spreidden een zwarten sluier over het leger uit. De vijand vulde zijne openingen en drong kloekmoedig voorwaarts, zijn aanval door de artillerie ondersteunende. Eene tweede laag deed hem andermaal uiteenstuiven. Doch gestadig nieuwe scharen kwamen opdagen, de Rus kon troepen opofferen, want hij vocht met duizenden tegen honderden en scheen het bezit van het vlek tot elken prijs te willen koopen.
Rasinski, Boleslaw, Jaromir, Bernard en Lodewijk bedienden een stuk geschut, want ook de beide laatsten achtten het een plicht, hun door de eer voorgeschreven, een werkzaam aandeel in het gevecht te nemen en, hoewel zij niet meer de uniform van het regiment droegen, hunne vrienden niet te verlaten, nu koelbloedige mannen eene tienvoudige waardij hadden. Ook was het denkbeeld, van met de vrienden vereenigd te blijven, de eenige troost, de eenige bron van hoop en bemoediging, welke hun in dezen akeligen tijd nog overig was. Voor Bianca hadden zij eene plaats opgespoord, waar deze, zoo veilig als eenigszins mogelijk was, in hunne nabijheid blijven kon. Aan de zijde van Malodeczno, dicht achter de stelling, welke de artillerie handhaafde, helde de heuvel tot ongeveer manshoogte genoegzaam loodrecht af en vormde dusdoende eene natuurlijke borstwering. Daar toefde Bianca met het kind, terwijl de slag boven haar hoofd woedde; eenige schreden van haar af stonden de kruitwagens, waaruit de batterijen op de hoogte van het noodige voorzien werden.
Alhoewel de arme voor zich zelve niets te vreezen had, klopte toch haar hart met krampachtigen angst, nu zij de geliefden op weinige schreden afstands aan al de verschrikkingen des doods wist prijsgegeven. Hoe plechtig zij Bernard ook mocht beloofd hebben, de veilige schuilplaats niet te zullen verlaten, kon zij toch, daar het kraken der kanonnen tot eene verdoovende sterkte toenam, haren zielsangst niet langer bedwingen. Zij moest den heuvel op, om te zien, of de haren nog verschoond waren van het lot, dat zijn ijzeren doodsstroom met donderende golven over de vlakte wentelde. Maar ach! te vergeefs zwierven hare blikken in het rond, want de rook hing in dichte wolken op de vuurmonden en men zag slechts zwarte gestalten, die zich schemerachtig en onkenbaar daarin bewogen.
Buiten de mogelijkheid van zich aangaande het lot der dierbaren zekerheid te verschaffen, wankelde zij naar de plaats, waar zij beloofd had te zullen blijven, terug. Doodsangst joeg haar het klamme zweet op het voorhoofd; elke donderslag der mortieren trof haar eigen hart. Zulk verpletterend zielelijden had zij nog nooit gekend.
Nadinewerd angstig door het aanhoudende slaggewoel en begon bitter te schreien. Bianca legde haar handjes gevouwen ineen en sprak: „Bid, schuldelooze engel, bid tot den Hemelschen vader, uw kinderlijk smeeken zal Hij verhooren: o laat dit akelige uur ons voorbijgaan!” De kleine gehoorzaamde bijna bewusteloos, knielde neder en hief de betraande oogen smeekend ten hemel. Ook Bianca wierp zich op de knieën; woorden ontbraken haar, zij vermocht slechts de handen sidderend omhoog te heffen; doch de Almachtige hoorde ook hare stomme verzuchtingen. Een geloovig, kinderlijk vertrouwen keerde allengs in haar hart terug en verdreef de zwarte twijfelingen der wanhoop. Zij ademde vrijer, drukte het kind aan haren boezem en zachte tranen rolden in verlichtende stroomen langs hare bleeke wangen.
Weldra werd de donder van het geschut flauwer en zwakker, plotseling zweeg het geheel. Bianca sprong op; nu moest zij tot de haren, nu was het beslist, of het zwarte lot des doods ook hun was ten deel gevallen. Driftig spoedde zij, het kind aan de hand houdende, de hoogte op. Daar klonk haar eene stem uit rook en schemering te gemoet. „Zuster, lieve zuster, waar zijt gij?” Het was Bernard. „Hier, hier, gij leeft, beiden, allen?” riep zij en zeeg in hetzelfde oogenblik haren broeder in de armen. Eene minuut van onuitsprekelijk zoet geluk was Bianca gegeven, doch ook niet meer dan eene minuut.
„Verheug u niet te vroeg,” sprak Bernard en wond zich uit hare sidderende armen los; „wij moesten een offer brengen! Boleslaw....”
„Genadige hemel! hij is....”
„Wij vreezen het; daar komen de vrienden hem herwaarts dragen,” vervolgde de broeder, wees op eenige gestalten, die langzaam naderden, en liet tot schreiens toe bewogen, het hoofd op Bianca's schouder rusten. Door het verlies van den vriend was zijne sterke ziel hevig geschokt, zijne vaste kracht gebogen. „Het moet worden doorstaan,” zuchtte hij, zich oprichtend, „hoe diep de dolk ook in de borst dringe!—Laat ons hun te gemoet gaan.”
Met onzekeren gang traden beiden op de komenden toe, die in hunne armen den verbleekten jongeling droegen. Een kartetskogel had hem het dijbeen verbrijzeld, de vreeselijke schok de levenskiemen van het geheele lichaam verwoest.
„Legt mij neder, ik bid u,” sprak hij doodelijk afgemat.
„Geef hem zijn wil,” fluisterde Rasinski en schudde weemoedig het hoofd, alsof hij zeggen wilde: onze zorg redt hem toch niet meer.
Zij legden den gewonde behoedzaam op den grond neder. Rasinski knielde aan zijn hoofd en nam hem half opgericht in zijne armen. Jaromir hield de rechterhand van den stervende in de zijne geklemd. Lodewijk wendde hevig ontroerd het hoofd af. Bianca trad vol mededoogen op hem toe en snikte: „Ook dat nog, geliefde!” Hij drukte haar stom aan zijn hart: te spreken vermocht hij niet. Dat kon niemand. Met het heilige zwijgen van de diepste bekommering vestigden allen den blik op den gekwetste, die, den doodstrijd in de wezenstrekken, met gesloten oogen daar nederzat. Thans sloeg hij ze op, zag verwonderd om zich heen en zocht zich te bezinnen.
„Gij zijt allen bij mij?” sprak hij vriendelijk, toen hij zijne vrienden herkende, en een vriendelijk lachje van dankbaarheid speelde om zijne lippen. „Ik sterf een schoonen dood,” vervolgde hij en richtte zich op; „gij moogt niet om mij treuren. Ik sterf den eeredood in vriendenarmen!” Een edele trots kleurde des jongelings verbleekte wangen met een vluchtigen blos en nog eenmaal ontvlamde de moed in zijn brekend oog. „Ik sterf gaarne,” vervolgde hij meer weemoedig. „Jaromir! mijn vriend, mijn broeder!” Hij drukte de hand des naast hem knielenden met warme liefde en diepe aandoening, want zijne gedachten verwijlden bij het beeld der verwijderde geliefde, dat hij stom, maar met standvastige trouw in zijn hart had omgedragen.
„O, waarom lig ik niet op uw plaats!” riep Jaromir met onstuimige droefheid en drukte zijn gelaat op de hand des stervenden; „waarom heeft de dood mij niet verlost!”
„Neen, neen—gij zult nog gelukkige dagen zien,” vervolgde Boleslaw met aandoening, „gelukkige dagen in hare armen.—Breng Lodoiska mijn laatsten groet; u bekent het mijn stervende mond... ik heb haar bemind... zwijgend, maar uit het diepst mijner ziel!”
„O God, o mijn broeder!” snikte Jaromir. „Gij, gij—gij waart getrouw gebleven! O, ik rampzalige!”
„Gij hebt zwaar geboet, alles is verzoend, mijn broeder,” sprak Boleslaw. „Weest gelukkig met elkander.... om der smarten wille, die ik droeg.... het is mijne laatste bede aan u, aan haar.... dat zij mijne vreugde daarboven!”
Hij liet het matte hoofd zinken. Jaromir boog zich onstuimig over hem neder. „Blijf nog bij ons—o broeder, sterf nu nog niet,” riep hij onder krampachtig snikken en drukte zijn gloeiend voorhoofd op de verstijvende hand des dierbaren. Nog eenmaal sloeg Boleslaw het brekend oog op.—„Rasinski.... gij, mijne vrienden!” sprak hij met zwakke stem. Zij drukten zijne handen, zijn blik zweefde weemoedig over allen heen en wenkte elk een vriendelijken groet toe. Op Jaromir verwijlde hij het langst; hierop zuchtte hij nog eens: „Lodoiska!” sloot het moede oog, legde het hoofd op Rasinski's borst ter ruste—en ontwaakte niet meer.
De dood gaf hem zijne edele, mannelijke schoonheid geheel terug; als een marmerbeeld zat hij daar; de zwarte lokken golfden vrij en onbedwongen van zijn hoog voorhoofd, dat ook nu nog den onmiskenbaren adel van moed en stoutheid droeg; om de lippen speelde een zacht, half smartelijk lachje; maar heilige rust woonde op de verstijvende wezenstrekken; heilige, zachte rust; want zijn met kommer beladen hart sloeg niet meer.—Jaromir drukte zijn weenend gelaat op de borst van het lijk en hield het in onstuimige omarming vastgeklemd.
„De Heer zij zijner ziel genadig!” sprak Rasinski ernstig, maar bedaard, en legde de handen zegenend op het hoofd des ontslapenen. „Wèl ons,” wendde hij zich hierop tot de vrienden, „dat wij althans dit dierbare lijk niet aan de wolven behoeven te laten.—De duisternis begint te vallen. Wij moeten het duur gekochte nachtlegerzien te bereiken; en daar zal hij begraven worden.”—Hij wees met den vinger op Malodeczno, werwaarts de troepen zich thans terugtrokken, nu de vijand, door hunne standvastige volharding afgeschrikt, het eindelijk had opgegeven, hun dit toevluchtsoord te betwisten.
Jaromir alleen was doof voor Rasinski's stem; het verlies van den vriend had hem te hevig geschokt, hij lag nog altijd bewusteloos aan de borst van den doode.
„Herstel u, Jaromir,” dus sprak Rasinski hem toe en trachtte hem op te richten; „toon een mannenhart. Gij verloort uw trouwen makker, vereer zijne nagedachtenis door u krachtig boven uwe groote smart te verheffen. Ontviel u een broeder, ik verlies een zoon; verman u, en neemt gij de plaats des verlorenen in.”
Deze zachte, ernstige troost vond ingang in het hart van den ongelukkige; zwijgend, schoon met geweldige inspanning, richtte hij zich op en Rasinski sloot hem met vaderlijke liefde in zijne armen. „Help ons, onzen gevallene den laatsten liefdedienst te bewijzen,” sprak deze en boog zich tot Boleslaw neder, om diens hoofd op te richten. De vier vrienden namen den ontzielde in hunne armen en sloegen zwijgend en langzaam den weg naar het vlek in.
Maar de grimmige natuur was met hare verschrikkingen sterker, dan zelfs de edelste, diepste smart.
Met de dalende zon steeg de koude al hooger en hooger. Hoe kort de weg ook zijn mocht, voelden de dragenden toch het bloed in hunne armen verstijven. Slechts de heiligste, onverbrekelijkste vriendschap vermocht deze laatste liefdedienst te volvoeren; voor elken anderen ware zij onvoltooid gebleven. In hunne innige liefde echter vonden de getrouwen de kracht.
Na onuitsprekelijke inspanning bereikten zij een klein huis, dat ter zijde van den hoofdweg, waarop de massa's in woest gedrang naar den ingang van het vlek voortwentelden, gelegen was. Tegen alle verwachting was het nog bewoond; een grijsaard opende de deur en trad de komenden met smeekende gebaren te gemoet. „Is er plaats in uwe hut?” riep Rasinski hem toe.
„Genoeg, genoeg!” hernam de oude, verheugd, de taal van zijn land te hooren; „ik wil u gaarne huisvesten. Doch ik smeek u, drijf mij zelf niet naar buiten in dezen kouden winternacht. Gun aan mijn grijs hoofd een klein plaatsje!”
„Houdt gij ons voor ontmenschte barbaren?” vroeg Rasinski met onwillekeurige huivering; „gij hebt niets te vreezen!”
„Dan moge de Heere u zegenen,” sprak de grijsaard; „maar gisteren hebben zij mijn zoon en mijne beide kleindochtertjes naar buiten gejaagd, en die zijn bevroren voor mijne gesloten deur. Gij kunt ze zien, ik heb de lijken nog hier in de hut.”
„Barmhartige God!” riep Bianca vol afschuw en medelijden uit; „was het mogelijk!”
„Ook wij brengen u een doode,” sprak Rasinski; „zijn lijk zelfs is ons nog dierbaar. Wilt gij bij de Moeder Maria zweren, hem vroom en christelijk ter aarde te bestellen, wanneer wij daarin mochten verhinderd worden, dan beloof ik u en uw huis zekerheid, zoolang wij er ons in ophouden.”
„Bij de heilige Moeder zweer ik het; hij zal naast mijn eigen zoon rusten,” riep de grijsaard en hief de hand plechtig omhoog.
Zoo traden zij de hut binnen.
„Breng het lijk hier, lieve heeren,” sprak de oude en opende de deur van een kleinzijvertrek.
„O, mijn God,” riep Bianca, toen zij een blik naar binnen wierp.—Op een, met wit linnen lakens bedekt strooleger lag in een doodshemd een man van nog jeugdigen leeftijd, schoon van een ziekelijk voorkomen. Naast hem zag men twee kleine meisjes van uiterlijk zeven tot acht jaren oud.
Lodewijk en Rasinski droegen Boleslaws lijk naar binnen enlegdenhet aan de zijde der beide schuldelooze kleinen neder.
„Ziet gij, heeren, dat zijn zij,” sprak de grijsaard en tranen verstikten zijne stem. „Gisteren waren de kinderen nog frisch en gezond, als bloeiende rozen—de vader sukkelde sinds het voorjaar—toen zijne vrouw,—neen, laat mij daarvan liever zwijgen.—Gisteren drongen er zooveel soldaten in mijn huis, dat het aan plaats ontbrak; zij joegen ons de deur uit. Wij brachten den nacht onder den blooten hemel door; mijn zoon, dien de ziekte verzwakt had, was tegen de felle koude niet bestand; de kleinen kon ik niet uit den slaap houden—zij bevroren in mijne armen. Ik alleen bleef over. Gaarne had ik mij bij de doode, op de sneeuw nedergelegd, maar ik heb nog eene dochter—om harentwille leef ik. Zij is echter thans in Wilna.”
Terwijl de oude zijn overkropt hart uitstortte, hadden de mannen Boleslaws kleederen en haar in orde gebracht en hem met den wijden mantel bedekt, zoodat de sporen der wonde en van het reeds geronnen bloed niet meer zichtbaar waren. Thans scheen hij te sluimeren, zoo kalm en edel waren zijne trekken.
„Laat hem hier rusten,” sprak Rasinski weemoedig. „Zijn beeld staat levend, waardig, vriendelijk in onze harten geprent, laat ons het zoo bewaren; het is niet goed, bij het koude hulsel te vertoeven.”
Aan zijn wensch voldoende, keerden allen naar het eerste vertrek terug, welks weldadige warmte hen verkwikkend aandeed.
Sedert langen tijd was dit het eerste veilige dak, dat hen gastvrij opnam. Een helder brandend vuur vlamde op den breeden haard en verbreidde een gematigde warmte door de gansche binnenste ruimte van het kleine woonhuis. De zeeman, die na een gevaarlijken tocht de gewenschte haven binnenloopt, wordt niet zoo levendig door het gevoel van erkentenis jegens den almachtigen Redder doordrongen, als het gezicht van dit toevluchtsoord tegen de grimmigheid der natuur en van den vijand het hart der naar lichaam en ziel lijdenden met innige dankbaarheid vervulde.
„De God der genade is met ons,” sprak Lodewijk, zich tot Bianca wendende, die hij, als hem uit den drang van nooden en gevaren opnieuw hergeven, aan het hart sloot. „Hoe zwaar wij ook beproefd worden, wij zijn steeds onder de hoede des Almachtigen.”
„Zijn vriendelijke engel wandelt immers midden onder ons,” sprak Rasinski en drukte een zachten kus op Bianca's gebogen voorhoofd; „dit schuldelooze hoofd keert ook van ons het verderf af. Wees getroost gij schoone ziel—wie aan eene voorzienigheid gelooft, mag in uwe nabijheid niet vreezen.”
Bianca bloosde en sloeg beschaamd de oogen neder. „Het is medelijden met de hulpelooze, dat u zoo spreken doet,” hernam zij; „ik weet te wel, dat de arm desHeeren hier beteren beschermt en vernietigt dan ik ben. Laat mij in het gevoel mijner minderheid gelooven, dat uw machtige geest ons allen beschermt.”
Rasinski was nog nooit zoo week gestemd geweest. De dood van den geliefden vriend had zijn krachtigen geest geweldig aangedaan. Zwijgend zette hij zich neder en verzonk weldra in diep gepeins.—Eene diepe stilte heerschte in den kleinen kring, die door het flikkeren der vlam spaarzaam verlicht werd. Jaromir zat voor den haard en staarde met strakke, wezenlooze blikken in den gloed. Met inwendige huivering bemerkte Bernard, hoe de smart het gevoel van den armen jongeling verstompte, en opnieuw rezen de bange zorgen en bekommeringen in hem op, die reeds gedeeltelijk verdwenen waren, daar de teekenen van zinsverbijstering, welke de ongelukkige vroeger had gegeven, zich misschien wel door de macht der te hevige uitwendige aandoeningen teruggedrongen, in de laatste dagen minder kennelijk vertoond hadden.
„Wat is geluk?” dus brak Rasinski het algemeene stilzwijgen af. „Voelen wij ons niet gelukkig, nu wij ons hier te zamen in eene armzalige hut bevinden, die ons nauwelijks eene schuilplaats tegen de koude aanbiedt? Ja, zoo de liefste vriend niet in onzen kleinen kring ontbrak, ik zou zeggen, wijzijngelukkig! Ware hij bij ons—ja waarlijk, wij zouden in dit uur gelukkig zijn!”
„De wenschen wassen aan met de vervulling,” hernam Lodewijk; „hij, wien het lot toont, wat het dreigen, wat het rooven kan, stelt zich tevreden en acht zich gelukkig, zoo hij slechts het kleinste deel zijner verwachtingen uit het onmetelijk rijk van onvervulde wenschen redden mag. Welk eene mengeling van gewaarwordingen in de menschelijke ziel! Tegelijk met de diepste smart kan zij het hoogste geluk gevoelen—ja, soms voelt zij het eene slechts door het andere.”
Een blik op Bianca en een druk harer in de zijne rustende hand zeiden der geliefde, hoe hij deze woorden verstond en de waarheid daarvan aan zich zelve ondervonden had.
„Het geluk geeft ons een te zachte huid,” merkte Bernard op; „een gekreukeld rozeblad drukt ons als den Sybaritischen Alcibiades. Het ongeluk smeedt ons een schubbig harnas om de borst, waarop de scherpste pijlen ten laatste mat en krachteloos afstuiten.—Trouwens, er klopt dan ook weinig hart meer achter een zoodanig pantser, maar de versteening dringt tot midden in de kern door, en de wonden houden om geen andere reden op met bloeden, dan wijl zij reeds hebben uitgebloed.”
Hij hield, dit zeggende, zijn oog onafgewend op Jaromir gevestigd, die nog gestadig met de tang in het vuur speelde.
„Eene mooie, heldere vlam, niet waar, Rasinski?” sprak deze, daar allen zwegen, op een doffen toon, terwijl hij met een zonderlingen glimlach in het rond zag.
„Ja, ja,” hernam de gevraagde half verstrooid; „de mensch wordt verootmoedigd en leert, dat hij uit aarde, uit stof en asch bestaat.”
„Ongetwijfeld,” viel Bernard hem in de rede, „ik weet, wat gij eigenlijk wilt zeggen. Men kan hem het hart met een gloeiend zwaard doorboren en het tot kool en asch uitbranden; zoo zijne maag slechts onbeschadigd is gebleven, zal een duchtige eetlust daarom toch niet uitblijven.—Op mijn woord, ik krijg honger.—En ik wenschte,” voegde hij er fluisterend bij, „dat Jaromir gegeten en gedronken had en slapen ging, zoodat zijne afgestompte zenuwen uitrusten en weer nieuw gevoel bekomen konden.”
Nu eerst wierp Rasinski een vorschenden blik op den ongelukkige en verbleekte, toen hij diens koude, wezenlooze trekken aandachtiger gadesloeg. „Gij hebt gelijk,” sprak hij tot Bernard; „wij moeten hem tot rust zien te krijgen.”
Dadelijk sprong hij op, om den huiswaard te zoeken, die zich voor eenige oogenblikken verwijderd had. De grijsaard was gewillig, om alles te geven, wat men noodig had, te meer daar Rasinski hem de verzekering gaf, dat hij heden de laatste Franschen huisvestte en van nu af slechts Russen zou te zien krijgen, die van alles zóó rijkelijk voorzien waren, dat zij de uitgeplunderde, verarmde inwoners nog konden ondersteunen.
„Veel hebben wij niet overgehouden,” vervolgde de oude; „evenwel is er nog brood, een weinig honig en ook nog een vaatje brandewijn.—Een warme soep kan ik gereed maken.”
„Breng ons, wat gij hebt—wij zullen u helpen.”
„Heilige moeder Maria!” riep de oude vol angst en kruiste de armen, „daar wordt aan de deur geklopt. Zoo er nog anderen hier indringen, zijn wij verloren!”
„Laat mij openen,” sprak Rasinski; „zoolang er plaats is, zou het onmenschelijk zijn, onze kameraden aan den kouden nacht prijs te geven.” Hij trad op de zorgvuldig toegegrendelde deur toe en vroeg in het fransch: „Wie is daar buiten? Wat wilt gij?”
„Er zijn van onze manschappen bij, ik heb ze herkend,” riep Bernard.
Zij openden. Vijf half verkleumde ruiters van Rasinski's regiment omringden de deur. In de verwarring van het gevecht hadden zij hun geliefden overste uit het oog verloren en nu huisvesting in het vlek gezocht. Alle huizen echter waren gevuld, wijl de maarschalkVictorde plaats reeds bezet had, hetgeen trouwens in andere opzichten een geluk mocht genoemd worden, daar zijne troepen de van de westzijde indringende Russen hadden teruggeslagen. Van huis tot huis ronddwalende en overal afgewezen, wees een officier hun eindelijk het spoor van Rasinski, dien hij met Jaromir en de overigen, toen zij het lijk van Boleslaw droegen, over het veld had zien gaan. Deze aanwijzing volgende, bereikten zij gelukkig het kleine huis, dat, gelijk meermalen gebeurde, daar elk slechts den hoofdstroom der massa volgde, geheel onopgemerkt was gebleven.
De vreugde der redding straalde den ongelukkigen uit de oogen, toen zij het warme vertrek binnentraden en vooral, toen zij hun aanvoerder en hunne geliefde officieren, want ook Lodewijk en Bernard beschouwden zij als zoodanig, behouden voor zich zagen. Deze verheugden zich even hartelijk, nu zij eenigen der verloren geachten opnieuw begroeten en aan het verderf ontrukken mochten.
Met een diep smartelijke gewaarwording overzag Rasinski de weinige getrouwen, die hem nog omgaven; dat was alles, wat hem van zijn statig regiment overbleef! En toch moest hij het lot danken, dat hem de dierbaarste vrienden had doen behouden. Slechts een was heden als het eerste offer gevallen. Hij smeekte vurig tot den Almachtige, dat dit het laatste mocht zijn!
Een voedzame maaltijd had de vermoeiden verkwikt; thans overweldigde de ontspanning van het lichaam zelfs de diepste smart der ziel. Allen zonken spoedig in een lang ontbeerden, zoeten slaap, die hun het lijden en de bekommernissen voor een korten tijd geheel deed vergeten.
De koude nam intusschen in hevigheid niet af, maar deed integendeel hare verschrikkingenin steeds toenemende mate op de velden nederdalen. Een geluk was met dit onheil verbonden: de felle vorst, die de voeten der vluchtelingen als in ijzeren boeien sloot, belemmerde ook de schreden der vervolgers. De woede der natuur was zooveel machtiger dan die van den krijg, dat zij als vanzelve een wapenstilstand deed geboren worden.
Een driftig kloppen aan de deur en een woest gedruisch daar buiten deden Rasinski ontwaken. Hij sprong dadelijk op en luisterde, eer hij op het roepen en spreken antwoordde, aandachtig toe, ten einde zich te overtuigen, of het vrienden of vijanden waren, die deze stoornis veroorzaakten. Weldra ontdekte hij, dat het Russen waren, die aan de deur klopten. Hij zag naar den tijd; het was zes uren. Buiten moest het nog volkomen duister zijn. Zijne vrienden lagen in vasten slaap, alleen de huiswaard begon te ontwaken en vroeg nog half slaapdronken: „Wie is daar?”
Rasinski sprong op hem toe, schudde hem geheel wakker en beet hem in het oor: „Gij zijt verloren, zoo gij ons door een enkel woord verraadt; laat mij alleen begaan.” De verschrikte oude gaf door teekens te kennen dat hij gehoorzamen wilde. Rasinski ging hierop naar de deur en vroeg in het russisch: „Wie is daar?”
„Wij zijn Russen, vriend,” luidde het antwoord. „De koude brengt ons om, wij hebben een nachtmarsch gemaakt, open terstond, wij zijn slechts weinigen!”
„Bij de heilige moeder Maria,” antwoordde Rasinski, „gij zijt verloren, als ik opendoe, want mijn huis is vol Franschen. Rijdt toch spoedig verder.”
„Duivel!” riep de stem. „Hoe sterk zijn zij?”
„O, er zijn er meer dan mijn huis bevatten kan. Over de vijftig, heer, en vele officieren!”
„Zwijg dan, zoo gij uw leven liefhebt. Binnen een half uur moeten mijne manschappen hier zijn; ik ga hun tegemoet. De vijanden, die in dit huis zijn, moeten in onze handen vallen.—Is de plaats ook nog bezet?”
„Ik weet het niet, heer! Misschien zijn zij reeds opgebroken.”
„Dan moeten wij ons haasten! Binnen een half uur zijn wij terug, zoek hen zoolang op te houden.”
De ruiters verwijderden zich. Rasinski bleef luisteren, tot de hoefslag der paarden zich in de verte verloor, en schudde hierop dadelijk zijne vrienden uit den slaap wakker.
„Wat is er gaande?” vroeg Bernard.
„De vijand zit ons op de hielen,” antwoordde Rasinski. „Haast u, wij moeten oogenblikkelijk weg en in het vlak alles oproepen, wat nog niet op de been is. Binnen een half uur hebben wij de kozakken te wachten.”
Deze woorden brachten de slaapdronken manschappen geheel tot zich zelve. Eer er drie minuten verloopen waren, stonden allen gereed, den bezwaarlijken marsch door den ruwen winternacht te ondernemen. De grijsaard moest overgeven, wat hij van levensmiddelen en brandewijn bezat, ten einde het te verdeelen en mede te nemen. Sidderend greep hij Rasinski's hand en sprak: „O, heer, wat zal nu mijn lot worden! Zal men mij niet voor een verrader houden en wraak aan mij nemen?”
„Neen, oude, zeker niet,” hernam Rasinski; „spreek de zuivere waarheid, die zal u het best beschermen. Doch wacht—ik zal u nog meer zekerheid geven.”
Hij nam een blad papier uit zijne brieventasch en schreef in het russisch:
„Heer kameraad! Het lag slechts aan ons, u, door verraderlijk te openen, tot onzen gevangene te maken. Wij verlangen echter alleen onze eigene redding, want de slachtoffersvan dezen oorlog noodeloos te vermeerderen, schijnt ons een gruwel. Houd den ouden bewoner van dezen hut niet van verraad verdacht, want niet hij, maar een fransch officier, die uwe taal machtig is en dit schrijft, sprak met u, terwijl alle overigen in diepen slaap lagen.”
Hij vouwde het papier toe en gaf het den oude over.„Dit briefje stelt u volkomen in zekerheid,” sprak hij. „Vergeet uw eed niet! Bestel het lijk, dat wij u achterlaten, eerlijk ter aarde of laat het in het gewelf uwer kerk bijzetten. Neem deze beurs, zij bevat de middelen daartoe en bovendien eene rijkelijke belooning. Wellicht wordt het vrede en kan ik spoedig terugkeeren. Kunt gij mij dan de kist met het dierbare lijk toonen, dan zult gij tienmaal zooveel goud ontvangen. Thans vaarwel, oude! De hemel zegene u, zoo gij uwe belofte eerlijk nakomt.”
Allen waren marschvaardig; men brak op, Rasinski ging vooraan.
Zwarte duisternis bedekte de aarde; eene doodelijke stilte heerschte in het rond, het kraken der sneeuw onder de voeten der wandelaars was het eenig geluid, dat zich hooren liet. Niemand sprak, want de snijdende koude maakte elken ademtocht pijnlijk. Het gezicht zoo zorgvuldig mogelijk bedekt, trad men zwijgend in de voetstappen van den voorman en hield zich slechts met zijne eigene gedachten bezig.
Toen de kleine bende de eerste hutten van het vlek bereikte, vond zij de deuren open, de huizen ledig. Men was reeds opgebroken.
„Het schijnt, dat wij alleen zijn achtergebleven,” sprak Rasinski tot Bernard. „Wij moeten onze krachten inspannen en het woud trachten te bereiken, waar wij, ook wanneer de dag aanbreekt, vooreerst in veiligheid zullen zijn.”—Deze eene rustig doorgebrachte nacht had aller krachten zoodanig gesterkt, dat zij tegen nieuwe vermoeienissen bestand en tot een versnelden marsch zouden in staat geweest zijn, had niet de vreeselijke koude diegenen, welker kleeding niet dicht genoeg was, met een zoo moorddadig geweld aangegrepen; hetgeen vooral het geval was, toen zij aan gene zijde van het vlek eene niet onaanzienlijke hoogte bestijgen moesten. Hier ontdekten zij ook sporen van het leger, want in het duister stiet de voet van tijd tot tijd op lijken, die, tot steen verhard, midden op den weg lagen. Met huivering gingen zij deze stomme wegwijzers voorbij en niemand waagde het, zijne gewaarwordingen aan zijn nevenman mede te deelen. Echter werden allen door hetzelfde gevoel van angst beklemd, bij het denkbeeld, dat ook zij zelven op dezen harden grond nederzinken en in de ijzige armen van den winter versteenen konden.
Rasinski, die met de landstreek bekend was, sloeg ter zijde van den grooten weg af, ten einde Smorgoni langs een nader en veiliger pad te bereiken. Tegelijk onttrok het woud hen aan het gezicht des vijands, die hen misschien vervolgen kon. De koude dreef hen tot den hoogst mogelijken spoed, zoodat men, toen de donkerroode schijf der zon boven den gezichteinder oprees en hare eerste stralen door de dichtste takken der dennen wierp, reeds een aanmerkelijken afstand had afgelegd.
Bianca droeg alle vermoeienissen en bezwaren met eene verwonderlijke bedaardheid; geen klaagtoon, geen zucht kwam over hare lippen, hoewel haar teedere lichaamsbouw onder zulke inspanningen scheen te moeten bezwijken. Ja zelfs haar blik werd niet treurig of bezorgd, en daar zij het spreken vermijden moest, zag zij Lodewijk en Bernard toch dikwijls met vriendelijke oogen aan, alsof zij zeggen wilde: verontrust u niet over mij; ik ben wèl.
Eindelijk gebood de uitputting eenige oogenblikken rust, hoe gevaarlijk deze bij dekoude ook wezen mocht. Niet zoodra toch had de slaap het vermoeide lichaam overmand, of ook de dood loerde reeds achter den zachteren broeder, om het ooglid, dat deze zacht had toegedrukt, met zijne ijzeren hand voor eeuwig te sluiten. Rasinski deed de vrienden op een sterken boomstam, die aan den weg lag, nederzitten; hij zelf wandelde op en neder en droeg zorg, dat geen der hem toevertrouwden zich door den slaap liet overrompelen. Dezen dienst bewezen allen elkander wederkeerig, en zoo brachten zij de twee middaguren meest zittend en dus rustend door. Eindelijk begaven zij zich weder op weg en bereikten tegen den laten avond Smorgoni. De stad was vol troepen, doch Rasinski was gelukkig genoeg, den MaarschalkNeyaan te treffen, die hem een nachtverblijf voor de zijnen liet aanwijzen en hem vervolgens bij zich ontbood.
Na verloop van een uur keerde Rasinski van den maarschalk terug.
„In 's Hemels naam, wat deert u?” vroeg Bernard, die hem nog nooit zoo ontroerd gezien had.
„Gij zult het tijdig genoeg vernemen,” antwoordde Rasinski; „voor het tegenwoordige is het nog een geheim.”
Zwijgend zette hij zich neder en leunde het hoofd in de hand. Allen hielden zich stil, niemand waagde het, hem meer te vragen.
Bernard sloeg hem ongemerkt gade. Zijn donker oog hechtte zich op geen bepaald voorwerp; hij staarde slechts strak voor zich uit en scheen de voorwerpen, waarop het viel, niet te bemerken. Van tijd tot tijd hief hij den blik ten hemel en een heldere traan rolde over zijne bleeke wangen. Eindelijk stond hij op. Hij scheen in de worsteling met zijne smart meester te zijn gebleven.
„En wat zou het dan nog?—Het moest zoo zijn!—Hij had gelijk!”—mompelde hij half verstaanbaar. Hierop wendde hij zich tot de vrienden en sprak vriendelijk: „Ach, mijne besten, stoort u niet aan mij—ik ben verstrooid. Er is iets, dat mij op het hart drukt. De slaap zal mij opbeuren.”
Met deze woorden wikkelde hij zich in zijn mantel en legde zich op den grond neder, waar zijne ruiters reeds sinds een uur gerust sliepen. Jaromir lag in een anderen hoek van het vertrek; zonder een enkel woord te spreken, had hij zich dadelijk bij zijne aankomst ter rust begeven.
Lodewijk, Bianca en Bernard waren alleen nog wakker gebleven en zagen elkander weemoedig aan, zonder dat zij het wagen durfden, voor hunne bezorgdheid uit te komen. Eene drukkende beklemdheid benauwde hunne borst; de onuitsprekelijke liefde, die zij elkander toedroegen, was de eenige lichtstar, die in dezen donkeren nacht voor hen schemerde en troost uitstortte in hun versagend hart.
Zoo verstreek andermaal een lange nacht, tot de schemering hen tot nieuwe zorgen en gevaren deed ontwaken. Toen zij op het punt stonden, de hut te verlaten, hield Rasinski hen tegen en zeide: „Eerst moet ik u ontdekken, wat mij gisteren bijna verpletterde.De keizer heeft het leger verlaten!”
Allen staarden hem vragend en met angstige blikken aan.
„En hij had gelijk!” vervolgde hij. „Gisteren was ik even ontroerd als gij thans, want ik weet, dat het onwrikbare vertrouwen op zijn reuzengeest de eenige band was, die de armzalige overblijfsels van het groote leger nog te zamen hield. Maar het moest zoo zijn. Wij kunnen niets meer redden dan ons zelven; de keizer heeft eene meer gewichtige taak te volbrengen. Parijs is thans het slagveld, waar hij handelen moet.Hier is alles verloren, daar alles te redden. Wij blijven aan ons zelven overgelaten en willen voor ons zelven zorgen.”
Zij braken op.
De zon neigde achter grauwe nevelachtige wolken ter kimme; troepsgewijze, langzaam, doodelijk afgemat sleepte eene schaar van bleeke schaduwbeelden zich door de diepe sneeuw voort. Zij geleken wezens uit eene andere wereld, tot welke nooit eene vriendelijke zonnestraal was doorgedrongen. In de holle, bloedende oogen woonden jammer en ellende; het spooksel van den honger grijnsde uit de ingevallen wangen en bleeke lippen. De koude deed de tanden knarsend en klapperend op elkander slaan, en op het loodvervige voorhoofd, in den strakken blik lieten zich de voorteekenen van razernij en vertwijfeling bespeuren. Zoo strompelden de schrikgestalten als bedwelmd en wezenloos naast elkander voort, en waar nog een voelend wezen onder hen wandelde, werd dit door de zich opeenhoopende verschrikkingen gemarteld en gepijnigd, totdat het afgrijzen elke zenuw had afgestompt of het vloekgedrocht der krankzinnigheid eindelijk toch de overmacht bekwam en den te vergeefs wederstrevenden geest met zijne vreeselijke kluisters omknelde.
Bianca had den sluier voor het gelaat getrokken, om zoodoende het tafereel van den haar omringenden jammer niet te zien. Bernard en Lodewijk liepen naast haar en namen, daar hunne verstijfde armen niet meer in staat waren dien last te torschen, het in een paardedeken gewikkelde kind beurtelings op den rug. Dat kleine wezen alleen bleef kalm en rustig te midden der gestadig toenemende ellende; door de koude vermoeid, was het in diepen slaap gezonken, doch het liep geen gevaar van te verkleumen, daar Bianca haar pleegkind zorgvuldig tegen de koude gedekt had.
Rasinski ging vooruit met Jaromir, die, zwak enkrachteloos, zonder de hulp en ondersteuning van den vaderlijken vriend reeds lang zou bezweken zijn en wiens toestand, zelfs te midden dezer algemeene ellende, een diep mededoogen inboezemde. Zijne innerlijke zielesmart deed hem zoo vreeselijk lijden, dat hij alle lichamelijke pijnen en kwellingen bijna zonder bewustzijn verdroeg. Hij sprak niet; slechts een bange, diepe zucht kwam van tijd tot tijd over zijne lippen.
Zoolang het licht, dit onderpand der eeuwige genade, nog in den dampkring trilde, had de hoop zich nog staande gehouden, maar nu de duisternis allengs toenam en zich zwarter en zwarter op de versteende aarde nederliet, werd de laatste glimmende vonk van moed en vertrouwen in de versagende borst uitgedoofd en achtten de sterksten zich zelfs verloren.
Nu was de zon verdwenen; de weg verloor zich in de donkere diepte van een onbegrensd mastbosch; het laatste uitzicht op een dragelijk nachtverblijf was den ongelukkigen benomen. Als dreigende reuzen rezen de steile dennen aan weerszijden van den weg op en strekten hunne zwarte armen over het besneeuwde wagenspoor uit. Het dichte weefsel hunner takken sloot elke schemering des hemels buiten en scheen een onmetelijk grafgewelf te vormen, dat plaats voor vele duizenden aanbood. Vruchteloostrachtte het oog de lengte van dit woud te meten, en te ontdekken, of zich achter deze onherbergzame wildernis niet nog eenige gastvrije woningen van menschen zouden bevinden, waar men de afgemartelde leden voor eene poos slechts veilig kon te rusten leggen. Met dit langzaam wegstervend schijnsel van hoop in de borst, sleepten de uitgeputte strijders zich voort, tot eindelijk de laatste krachten bezweken. Dan struikelden zij, de voet gleed uit op den gladden spiegel der ijskorst, zij sloegen voorover of zonken machteloos op de knieën. Vruchteloos strekten zij de armen nog eenmaal naar de hen voorbij waggelende lotgenooten uit; doch geen oor luisterde meer naar de stem der smeekende ellende. De winter omvatte zijne offers met koude armen en vermoordde hen door zijne ijzige aanblazing; het bloed stolde in de aderen, langzaam drong de versteenende dood tot in het hart door; nu had hij het bereikt, het hield op te slaan, de marteling was geëindigd, het hoofd zonk voorover, een donkere bloedstroom gulpte uit de borst op en met dezen was het laatste spoor van leven verdwenen.
De hoop op een toevluchtsoord tegen den nacht werd eindelijk door allen opgegeven; er bleef geene keus meer, men moest zich zonder schut of scherm aan het hongerige roofdier der koude prijsgeven. Vele troepen hielden op het voorbeeld der voorgangers halt en maakten zich gereed, hun bivak op te slaan.
Bernard gaf dezelfde begeerte te kennen, doch Rasinski sprak hem moed in en drong er op aan, dat men den marsch nog een eindweegs zoude voortzetten. Gewoon, op den aanvoerder te vertrouwen, volgden allen zijn raad. Plotseling stond Rasinski stil. „Hier willen wij vuur aanleggen, mijne vrienden,” sprak hij, „en beproeven, of wij den vreeselijken nacht kunnen doorworstelen.”
„Welaan dan,” hernam Bernard; „wellicht gelukt het ons, het grimmig ondier te verjagen, dat ons de koude tanden reeds op de borst zet. Wolven vluchten immers voor het vuur; laat ons zien, of ook dit monster niet tot wijken is te brengen.”
Rasinski had zelfs in dezen bijna hopeloozen toestand noch den scherpzienden blik, wien in den drang der gevaren geen reddingsweg ontgaat, noch de stout beradene kracht verloren, die het hollende span des verderfs met vaste hand in de teugels grijpt en het dan ook nog zoekt te leiden en te betoomen, wanneer het reeds met ons in den afgrond dreigt neer te storten.
Uit dien hoofde had hij, hoewel zelf op het punt van te bezwijken, zich tot hiertoe voortgesleept en gestadig naar eene plaats omgezien, waar het aanleggen van vuur mogelijk was. Overal vond hij slechts breedstammig, hoog opgeschoten of nog geheel groen hout. Hoe zou men dat vellen of in brand krijgen? Wie bezat nog kracht genoeg, om een steilen den te beklimmen en met de stompe sabel of bijl in den top takken af te houwen? Daarenboven was de grond overal hoog met sneeuw bedekt, zoodat, wanneer men de vuren daarop aanlegde, alles in den omtrek zou smelten, waardoor het legeren onmogelijk zou worden gemaakt. Hier echter had zijn onvermoeid rondvorschend oog twee verdorde stammen ontdekt, waarvan de eene half omver was gevallen en tegen een nabijstaanden boom leunde. Dezen kon men omhakken, genen in brand steken en alsdan in de hoog opslaande vlammen ook van groen hout gebruik maken. Tevens had hij eenige schreden verder een steilen, eenige voeten hoogen aardwal bemerkt, waarvoor geen sneeuw lag, daar de wind die in het vallen onderschept en over de schuine helling voortgejaagd had. Was het mogelijk den nacht ergens door te brengen, dan kon zulks het veiligst hier geschieden.
Onverwijld liet hij dus zijne manschappen van de plaats en de boomen bezitnemen en was hij de eerste, die zelf de handen aan het werk sloeg.
Bernard, die sedert zijne ontmoeting met den ongelukkigen sergeant weder wapens droeg, ging met zijn breeden hartsvanger aan het hout vellen. Lodewijk beijverde zich de sneeuw nog verder uit den weg te ruimen, zoodat men eene vrije legerplaats bekwam. Rasinski brak met Jaromir, die uit eigen beweging maar zwijgend alles mededeed, het dunne rijshout van de stammen. Door deze vereende werkzaamheid was in weinige minuten het noodige verricht. Eene heldere vlam steeg op, de grond werd met frissche dennetakken belegd, die men dicht onder de wal uitspreidde, om tegen den storm gedekt te zijn; men maakte aanstalten tot het toebereiden der zorgvuldig bespaarde levensmiddelen.
De koesterende vuurgloed gaf nieuw leven aan de verstijfde ledematen; de uitgeputte kracht keerde na het genot van eenige spijzen terug. Met dankbare verwondering ondervond men, dat alle levensgloed nog niet was uitgebluscht en eene nieuwe schemering van hoop en vertrouwen brak voor de ongelukkigen aan.
Het vlammend vuur had spoedig ook vreemde, afzonderlijk voorbijtrekkende krijgslieden gelokt; in een dichten kring legerden zij zich in het rond en schenen zich na de lange ontbering in het gevoel der levenwekkende warmte niet te kunnen verzadigen. Maar de aandrang der opdagende ongelukkigen werd gestadig sterker. Reeds ontbrak het aan ruimte, en wilde men een nieuwen lotgezel opnemen, dan moest een reeds gelegerde zich op zijne reeds vrij beperkte plaats nog nauwer inkrimpen. Doch de tijd was voorbij, dat de een voor den ander met menschelijke bereidwilligheid een deel zijner voordeelen opgaf, om hem aan het verderf te ontrukken. De nood was te dringend, de grens tusschen leven en dood te smal geworden. De geringste inschikkelijkheid kon den toegevende zoover van het vuur verwijderen, dat hij door de koude klauwen van het in de duisternis loerende monster der koude in den rug werd aangegrepen. Daarom was er slechts plaats voor een enkele; wie haar afstond was zelf verloren. Het was een schrikwekkend spel van het toeval om redding of vernietiging. Bleeke schaduwbeelden waggelden uit het duister, 't welk het vuur omgaf, te voorschijn en vertoonden zich als afgrijselijke nachtspoken in den donkerrooden gloed der vlammen; door eene bewustelooze drift tot zelfbehoud aangespoord, wilden zij in den kring der gelegerden doordringen, doch werden gruwzaam, onverbiddelijk afgewezen. De angst baarde eene machtelooze woede; zij poogde hunne kameraden bij de schouders, bij de haren terug te trekken, doch dezensteldenzich met wanhopige grimmigheid te weer en dreven de rampzaligen met scherpe wapenen terug.
Deze laatste inspanning van den doodsangst heeft de krachten der hulpeloozen ten eenenmale uitgeput; jammerend werpen zij zich op de knieën en smeeken hunnen broeders om mededoogen, om erbarmen. Te vergeefs! Aarde en hemel blijven doof voor de hartverscheurende weeklachten. In wanhopigen doodsstrijd storten de verstootelingen ter aarde en wentelen zich in de koude sneeuw rond, hun luid jammergeschrei wordt flauwer en flauwer, sterft weg in een zacht kreunen en nokken, en weldra kan men uit het verstommen hunner laatste zuchten opmaken, dat de versteenende dood hun lijden voor altijd geëindigd heeft. Zoo hoopt zich een akelige dam van lijken om den kleinen kring van levenden op.
Bianca's gevoelig hart ware tegen deze folteringen niet bestand geweest; zij zou zich voor anderen hebben opgeofferd, tot eindelijk het verderf haar achterhaald had. Dochde hemel nam haar in zijne genadige bescherming; nog eer deze jammertooneelen plaats grepen, had een diepe, geruste slaap een sluier voor hare oogen gelegd, zoodat zij het afgrijselijke schouwspel niet kon zien; het schemerachtig weefsel der vergetelheid omhulde hare ziel met ondoordringbare sluiers. Het was de zoetste lafenis, welke de hand der genade op deze schrikwekkende plaats kon aanbieden.
Lodewijk en Bernard rustten aan de zijde der sluimerende en beschermden haar door hunne nabijheid. Angstig en huiverend had Jaromir zich tegen Bernards borst aangedrukt; eene inwendige koude scheen hem koortsachtig aan te doen, want tegen het geweld des winters was hij tot hiertoe beter bestand geweest, dan een zijner makkers, ook brak hij thans zijn diep, beangstigend stilzwijgen af en begon, wat niet in zijn aard lag, bitterlijk te klagen. „Ik ben koud, Bernard; het is of mij het hart bevriest. Ach, laat mij aan uwe borst rusten!—En hier, hier gloeit het als vuur!” Hij streek hierbij met de hand over het voorhoofd, als wilde hij de brandende pijn verzachten.
Met innig medelijden zag Bernard hem aan, want het oog des jongelings dwaalde verwilderd in het rond en verried de verwarring van zijn eens zoo helderen geest. De doffe bedwelming, welke de vrienden tot dusverre met bange bezorgdheid hadden waargenomen, ging nu in eene woeste, beangstigende opgewondenheid over, welker doodelijk gif de kiemen des levens weldra moest vernietigen. Slaap, geruste, verkwikkende slaap, zou nog van eene heilrijke uitwerking kunnen zijn; doch het scheen, dat zijne stillende olie tegen de opgeruide baren der geschokte ziel niets meer vermocht. De vriendelijke broeder van den dood, die na deze ongehoorde vermoeienissen elk hoofd met looden last ter aarde drukte, zoodra de inspanning van den wil slechts een oogenblik afliet, fladderde om het hoofd des armen jongelings als een schuwe nachtvlinder heen en weder en scheen zich daarop niet te willen nederlaten.
„Kom, kom,” sprak Bernard op den overredenden toon van broederlijke liefde, „laat uw gloeiend hoofd hier aan mijne borst rusten, de slaap zal het spoedig afkoelen. Drink met ons uit dezen Lethe, opdat wij vergeten, wat om ons heen voorvalt. Alles vergeten, is immers het beste, wat wij hier van den hemel kunnen afsmeeken! Kom, kom, slaap mijn broeder!”
„Ja, vergeten!” zuchtte Jaromir, terwijl hij zich rillend aan den vriend vastklemde en hem met beide armen omsloot. Bernard voelde, hoe de ongelukkige koortsachtig sidderde en drukte hem dicht aan het hart. „Slechts dit ééne leven,” bad hij vurig, „laat het ons behouden, Almachtige; de smart over dit verlies zou het ruwste hart gruwzaam verscheuren.”
Doch de uitputting liet Bernard niet lang wakend blijven; nog eenige oogenblikken en hij lag vast omstrikt door de armen des slaaps en wist niet meer, dat een vriend aan zijne borst, eene zuster aan zijne zijde rustte.
Rasinski alleen zat wakend in den kring, waarin thans eene diepe, akelige stilte heerschte. Roerloos, als had de koude dood hem aangegrepen, lagen zijne lotgenooten om hem heen; de heldere gloed van het vuur wierp een vreemd schijnsel op de in zonderlinge, avontuurlijke dracht gehulde gestalten. Altijd eerst voor anderen zorgende, was Rasinski ook thans de eerste geweest, die zich met de zorg voor het vuur belastte. Hij rakelde het hout op, dat de vonken in dichte lichtwolken uiteenstoven, en wierp nieuwe, groene dennetakken in den gloed, waarvan eene zwarte rookzuil dwarlend opsteeg en over de hoofden der sluimerenden wegtrok. Met starend oog, den arm opde hand steunende, waakte de edele Pool, en sombere mijmeringen vervulden zijne heldenziel. Hij overdacht zijn levensloop. Wat was zijn leven geweest? Smart en lijden, vurig verlangen, rusteloos streven, moeite en gevaren—en geen ander loon, dan het innerlijk bewustzijn van eer en trouw. Van kindsbeen af ten prooi aan kommer en verbittering over het in schande en smaad gedompelde vaderland; sedert den jongelingsleeftijd medegevoerd in den woesten draaikolk der wereldwisselingen; voortgedreven op den stroom des levens, de groene oevers voorbij, zonder tijd tot landen of verwijlen, schaars door den verren groet eener vriendelijk wenkende en lokkende gestalte verkwikt; elk betooverend beeld van het lachende geluk door ruwe stormen ras weggevaagd—wat had deze borst niet geleden en gedragen!
„Hm, hm,” mompelde hij, „wat verlangt gij dan? Heeft niet de glansrijke zon der eer uw levenspad van der jeugd af bestraald?—Ach, zij is geene zon, zij is slechts eene star, die aan den donkeren, nachtelijken hemel glanst, maar deze vriendelijke woonstede der aarde niet verlicht, niet verwarmt! Op dan, voorwaarts! omhoog het hoofd! Heeft mijn lot mijne borst met zijn stalen harnas omgeven en haar aan de zachte omarming der liefde en des vredes ontrukt, zoo zij ze althans tegen den kamp gewapend, en de scherpe pijl stuite even machteloos weder af. Ik tart u uit; hoop uwe verschrikkingen, uwe rampen opeen! De tijd zal komen, dat gij mij verplettert, maar nimmer, nimmer die, dat ik mijn hoofd angstvallig voor uw dreigenden arm verberg.”
Hij richtte zich op; zelfs toen de moed der sterksten bezweek, ontwaakte in hem het bewustzijn van edele kracht en bood hij het noodlot fier het hoofd.
Zwijgend, luisterend, waakzaam zat hij voor de vlam; zijn machtige wil verbande den slaap, want hem was het leven der dierbaarste vrienden toevertrouwd.
Het uur was verstreken, toen schudde hij Jaromir wakker. „Nu is het uwe beurt te waken; maar voelt gij u daartoe wel in staat? Gij schijnt ziek en gij laagt slechts in onrustige sluimering, terwijl de anderen vast doorsliepen.”
Zijn plichtbesef als soldaat had Jaromir nog niet verloren; nu dit hem riep, wist hij, door gewoonte en eergevoel geoefend, zich te vermannen en antwoordde snel:„Ik ben wakker, leg gij u thans neder, geen slaap zal in mijne oogen komen.”
Rasinski was gerustgesteld, toen hij de kalme beradenheid van Jaromir zag, waarop hij zich altijd onvoorwaardelijk had kunnen verlaten. Hij wikkelde zich dus dieper in zijn mantel, leunde het hoofd achterover en sliep in.
Jaromir nam een langen dennetak en stookte het vuur op. Alles in het rond was doodstil, geen voet verroerde zich, geen geluid liet zich hooren.
„Het is koud,” mompelde de eenzame en staarde in den gloed. Eene rilling greep hem aan. In den nek voelde hij de ijzige hand des winters, terwijl zijn gelaat door de vlam verschroeid werd. Maar nog meer, dan deze tweevoudige pijniging, folterden hem de giftige adders in zijne borst. Nog was de helderheid van zijn geest niet geheel geweken, want nog voelde hij met angstvolle huivering, dat donkere wolken der zinneloosheid bij tusschenpoozen voorbij de heldere zon van zijn bewustzijn heentogen en deze verduisterden. „Hoe is het,” dacht hij, „droom ik meer onder hetwaken, of waak ik meer onder het droomen? Nauwelijks voel ik eenig verschil tusschen slapen en waken; als een langzaam dalende nevel komt het op mij neerwentelen.—Hoe rustig slapen die allen!”
Zijne blikken hechtten zich op het gelaat der vrienden. „Ja, zij slapen vast, zij droomen zoet en genoegelijk! Ach, of ik al mijn lijden zoo in den slaap vergeten kon! Dat ik nimmer weder ontwaakte!” Eene machtige duizeling greep hem aan; hij moest al de kracht van zijn wil, al zijn eergevoel te hulp roepen, om niet bedwelmd achterover te zinken.
Eensklaps vernam hij op geringen afstand, maar uit de diepste duisternis, een schaterend gelach.
Als door den bliksem getroffen, kromp hij bij dit geluid ineen, dat hem op deze akelige plaats als eene helsche godslastering in de ooren klonk.
„Wie daar?” wilde hij uitroepen, maar de stem bestierf op zijne lippen en zijn oog staarde woest in het rond, om den geest des afgronds, die hier loeren moest, te ontdekken.
Daar trad uit het duistere rijk van den nacht eene afgrijselijke gestalte in den lichtkring van het vuur. Het was een rijzige kurassier, in een verscheurden mantel gehuld, het hoofd onder den helm met een bloedigen doek omwonden, een jongen taxisboom als langen wandelstaf in de hand.
„Goeden avond,” riep hij Jaromir met holle stem toe, „goeden avond, kameraad!Heisa, hier is 't lustig en goed!”
„Wat wilt gij?” riep deze ontzet;„maak u weg, satan!”
De kurassier staarde hem uit holle oogen aan, vertrok den mond tot een vreeselijk grijnzen en knarste als een verwoed roofdier op de tanden.
„Ha, ha, ha!” gierde hij schaterend uit. „Slaapt gij zóó vast, gij luiaards!” Hier stampte hij met den voet op het lijk eens bevrorenen. „Wordt wakker! kom met mij!”
Een oogenblik stond hij stil en scheen naar iets te luisteren; vervolgens kwam hij met wankelende schreden nader en tuimelde op het vuur toe.
„Terug,” riep Jaromir. „Terug, of ik schiet u neder!” Hij greep naar zijn pistool, maar zijne sidderende hand was niet bij machte het op te heffen.
De krankzinnige staarde hem met doffe onverschilligheid aan; nu vertoonde zich een woeste grijnslach, dan de uitdrukking der diepste ellende op zijne ingevallen trekken, Jaromir, wien schrik en ontzetting elke zenuw verlamd hadden, hing sprakeloos, bleek, met onafgewende blikken aan de dreigende gestalte, die zich hoog oprichtte, de magere armen van onder den mantel te voorschijn stak en allerlei zonderlinge bewegingen maakte.
„Wat wilt gij, akelig monster?” vroeg hij eindelijk, zelf reeds bewusteloos en verbijsterd, met bevende stem.
„Brr, ik ben koud!” huilde de razende, greep als een spelend kind naar de vlam en trad nader en nader, tot hij dicht aan den kring der slapenden stond, over welken hij de beide armen ver uitstrekte. Thans eerst scheen hij de warmte van den gloed te bemerken. Een zacht gekreun en gereutel steeg uit zijne borst op; vervolgens riep hij half lachend, half jammerend: „In 't bed, in 't warme bed!” slingerde zijn taxis ver van zich af, tuimelde voorwaarts over de gelegerden heen en stortte zich in razende verblinding midden in de vlammen.
„Hulp! hulp!” schreeuwde Jaromir, wien de haren te berge rezen, en schudde Rasinski met krampachtige hevigheid bij den arm.
Deze sprong op. „Wat is er?”
„Daar! Daar!” stamelde de jongeling en wees op de vlammen, waar de ongelukkige zich huilend en stuiptrekkend rondwentelde.
Rasinski giste eer wat er voorviel, dan dat hij het begreep; snel beraden sprong hij toe, om den rampzalige te redden. Doch het was te laat. Reeds had de hitte hem verstikt; hij lag roerloos, de vlam sloeg over zijn verschroeid lijf samen, en een dichte, verpeste walm dampte in zwarte wolken omhoog.
Rillend trad Rasinski terug en wendde het gelaat af, om zijne ontroering te verbergen; nu zag hij, dat allen in den kring nog in diepen slaap lagen. Niemand was ontwaakt door het vreeselijke voorval, hetwelk te midden van zoovele levenden plaats greep!
Eene gestalte echter bewoog zich; het was Bianca. Het afgrijselijk gehuil van den verbrande had in den slaap haar oor getroffen en hare ziel met onwillekeurigen angst vervuld. Vermoedende, dat er iets ontzettends voorviel, rukte zij zich met moeite uit de zware kluisters van den slaap los, richtte zich op en zag angstvallig in het rond. Haar oog viel op Jaromir, die nog altijd bleek, sidderend en bedwelmd in de vlam staarde. Met diep medelijden beschouwde zij den armen jongeling, want, den samenhang niet vermoedende, moest zij gelooven, dat de krankzinnigheid, welker verontrustende voorteekenen zich in de laatste dagen reeds meermalen bij hem vertoond hadden, zich nu geheel van hem had meester gemaakt.
„Lieve Jaromir!” sprak zij hem op den innigsten toon der liefde aan en legde de hand op zijn schouder.
Hij staroogde haar met blijkbare bevreemding aan en scheen uit een zwaren droom te ontwaken. „Ach,” zuchtte hij uit het diepste der borst en een zonderling weemoedig lachje zweefde om zijne lippen.
„Het is niets, Bianca,” sprak Rasinski, die ras toetrad, om te verhinderen, dat zij van het gebeurde onderricht werd. „Leg u gerust weer te slapen, wij zullen voor u waken.”
„Ach, Lodoiska! Hebt gij mij eindelijk vergeven....?” riep Jaromir plotseling, en zijne stem ging in een luid weenen over; hij drukte het hoofd op Bianca's hand en bevochtigde ze met een stroom van tranen.
„Heilige God, wat is dit!” riep deze verschrikt en waagde niet, de hand terug te trekken.
„Bezin u, Jaromir,” sprak Rasinski hem ernstig aan en wilde hem oprichten.„Bezin u, zamel uwe kracht bijeen en bedenk waar gij zijt.”
„Ach, Rasinski, zij vergeeft mij!” riep de jongeling uit, terwijl hij den vaderlijken vriend aan het hart viel; „zij is eene heilige, zij is niet langer vertoornd! Om mijns stervenden Boleslaws wille heeft zij mij vergeven! Niet waar? O gij neemt het niet terug! Ik ben uwer niet meer waardig—maar ik kan immers niet uitstaan, zonder u te leven. Kom nu weder aan mijn hart!” Hij vouwde de handen en zag Bianca met smeekende oogen aan; groote tranen biggelden langs zijne bleeke wangen en toch blonk eene zachte, vluchtige schemering van vreugde op zijn gelaat.
„Ik ben immers Lodoiska niet,” hernam Bianca met vruchteloos bekampte ontroering, en zocht hare hand uit die van den jongeling los te maken.
„Gij zijt het niet?” riep hij eensklaps met toenemende hevigheid; „gij wilt het niet zijn—gij haat mij, gij veracht mij!—Ach, dan is alles voorbij!”
Radeloos wierp hij zich weder aan Rasinski's borst en wilde de armen om zijn hals slaan; doch de kracht ontbrak hem, hij zonk bewusteloos neder.
„Ook dát moet nog gedragen worden!” riep Rasinski uit en knielde voor den bleekenjongeling neder. Bianca wilde in haren angst Bernard en Lodewijk wekken, doch Rasinski verhinderde dit. „Hoe kunnen zij ons helpen?” sprak hij; „waarom zouden nog anderen met ons dit lijden verduren? Het is wellicht spoedig beslist!”
„O, welk een vreeselijke troost,” snikte Bianca en wrong de handen. „Neen, neen, dat zal de Algoede ons niet opleggen. De maat is gevuld, het kan niet zijn, het kan niet!”
„Bid gij tot Hem uit den grond van uw schuldeloos hart,” sprak Rasinski somber; „ik kan slechts handelen, maar uw bidden is meer dan mijn doen!”
Bianca deed het. Met diepen ootmoed knielde zij neder en smeekte uit een geloovig, kinderlijk hart om redding voor den ongelukkige. Doch hare beklemde borst werd niet verruimd, de angst bleef op hare ziel drukken.
Rasinski had den onmachtige de slapen met sneeuw ingewreven. Deze sloeg eindelijk de oogen op en blikte verwilderd om zich heen. „Waarom neemt gij mij uit het graf?” mompelde hij;„het was zoo stil en koel daar beneden.—Ach, ik zie het, de zon gaat prachtig op en schijnt in het graf. Zij is schoon!”
Hij staroogde onbewegelijk in de vlammen. Plotseling rukte hij zich met ongeloofelijke spierkracht uit Rasinski's armen los, sprong op en met den kreet: „Dat is de brandende hel! Daar storten zij mij in neder! Spoedig, spoedig!” wilde hij zich in denlaaiendengloed werpen. Rasinski greep hem aan met de kracht van den angst. Bianca wierp zich aan zijne voeten en klemde zich aan zijne knieën vast. „Help help, mijn broeder, Lodewijk!” gilde zij, op doordringenden toon, daar beider vereende krachten niet meer in staat waren, de razende tegen te houden. Door deze stem op eenmaal uit den vasten slaap gewekt, sprong Lodewijk op.
„Hemel, wat is er?” riep hij uit, toen hij Jaromir met Rasinski en Bianca zag worstelen; tegelijk ontwaakte Bernard enrichttezich mede op. Het was meer dan tijd, want Rasinski met zijne volle mannenkracht vermocht den rampzalige, die zich met geweld in de vlammen wilde werpen, niet meer te houden. „Helpt, vrienden,” riep hij, „helpt mij, anders is hij verloren.”
Zonder te weten, wat er voorviel, snelden Bernard en Lodewijk den roepende te hulp; doch Jaromirs verwilderde trekken ziende, behoefden zij geen oogenblik langer aan 's jongelings volslagen zinneloosheid te twijfelen.
„Ach, ik hebhet lang gevreesd,” zuchtte Bernard; „hem lag te veel op de ziel, hij kon den last niet dragen.”
Na de bovenmatige overspanning van zijne krachten volgde even spoedig eene geheele verslapping. De armen zonken machteloos neder, de knieën knikten, het gansche lichaam zakte ineen. Nu scheen het, alsof de folterendste smarten zijn binnenste doorgriefden; want hij brak in een luid, hartverscheurend jammeren en weeklagen uit. Deze tonen die door merg en been drongen, gelijk ook de onrust van het vroeger voorgevallene, hadden eindelijk alle slapenden doen ontwaken. Zij richtten zich op, blikten in den beginne verwonderd, maar daarna vertoornd over deze stoornis in het rond. Er ontstond een dof gemompel, dat van minuut tot minuut levendiger werd. Men begon op den ongelukkige te wijzen, en het noodlottige denkbeeld, dat deze hen in gevaar en ten verderve zou kunnen brengen, maakte zich van de gemoederen meester.
„Wie is de razende, wat wil hij?” riep eindelijk een baardig grenadier met onstuimige drift. „Wat rooft hij ons de kostbare minuten des slaaps? Werpt hem uit den kring en laat hem doodvriezen, dan hebben wij rust!”
„Weg met hem, weg met hem!” riepen verscheidene stemmen, en eenigen sprongen op, om het gruwzame vonnis onverwijld te voltrekken.
Bianca gaf een luiden gil van angst; Lodewijk ving haar, daar zij dreigde neder te zinken, in zijn rechterarm op en trachtte met den linker een woest toedringende af te weren.
Rasinski, den omvang van het gevaar terstond overziende, liet Jaromir in Bernards armen en sprong met flonkerende oogen midden in den kring. Snel beraden rukte hij een smeulenden boomtak uit het vuur, hief dien hoog op en donderde met zijne leeuwenstem: „Terug, rampzaligen! Wie één tred voorwaarts doet, sla ik met deze knods de hersens in!”
De verbitterden weken verschrikt terug en waagden niet te naderen; de zedelijke overmacht van Rasinski boezemde hun ontzag in. De grenadier nochtans trok de sabel en schreeuwde: „Hoe, lafaards! zijt gij allen bevreesd voor een enkele! Voorwaarts! Neer met den poolschen hond!”
„Ellendeling!” donderde Rasinski en sprong als een getergde leeuw op den razende toe. „Uit den weg met u, ontmenscht ondier!” Tegelijk greep hij hem met kracht en behendigheid in het gewricht der opgeheven vuist, zoodat hij zijn wapen niet kon gebruiken, en bracht hem met den brandenden tak zulk een hevigen slag op het hoofd toe, dat deze in splinters vloog en kolen en vonken in het rond stoven. Doch de slag was door de dichte berenmuts gebroken en had slechts den toorn van den verbitterde tot ziedende woede doen stijgen. Een Hercules in lichaamsbouw, in lengte een half hoofd boven zijne tegenpartij uitstekende, liet hij de sabel vallen en wierp zich op Rasinski, om hem al worstelende in de vlammen te werpen. Deze bood slechts een oogenblik tegenstand, toen gleed hij uit, struikelde; viel op de knieën. Hij was verloren! Een roekeloos monster dreigde de edelste heldenborst met ruwe overmacht te verpletten! Daar sprong Lodewijk met bliksemsnelheid den vriend te hulp, greep den woedende van achteren aan en sleurde hem terug, zoodat beiden ter aarde stortten. Rasinski raapte de gevallen sabel op, rukte den op den grond liggende met de linkerhand de berenmuts van het hoofd en bracht hem met de rechter een houw langs de slapen toe, die hem den schedel door midden kloofde. Fier en gebiedend als een koning, richtte hij zich thans op en trad met majesteit in den kring der verschrikte soldaten. „Werpt het lijk in de sneeuw,” beval hij; „gaat weer liggen en slaapt.”
Alsof hij dat wapen ontberen en de menigte door zijn verheven geest alleen beheerschen kon, wierp hij het verachtelijk van zich. Niemand verstoutte zich, een woord te reppen; een tweetal nam het bebloede lichaam op, droeg het eenige schreden buiten den kring en wierp het op de overige lijken.
Daar de gramschap nog bij hem navolgde, gelijk de zee na een hevigen storm, ging Rasinski eenige oogenblikken op en neder, zonder zelfs naar zijne vrienden om te zien. Weldra echter had hij zijne bedaardheid herkregen, reikte den met bloed bespatten vriend, die Bianca teeder in zijne armen omvangen hield, de hand en sprak: „Gij zijt mijn redder! Ziet gij, dat heeft de woelige krijg zelfs in dezen jammervollen tijd nog boven het alledaagsche leven vooruit, dat hij ons in een enkel uur meer gelegenheid om den vriend van dienst te zijn aan de hand geeft, dan een gansche menschenleeftijd van den slaperigen vrede in staat is op te leveren. Ik dank u!—Maar gaat nu weder rusten, mijne vrienden; het is niets dan één doode meer onder delegioenen, die om ons heen versteend zijn. Eene kleine kramersnegotie tegen den wereldhandel van het lot!”
Zijn oog vestigde zich weder op Jaromir: deze scheen in slaap gezonken en had het blonde hoofd tegen Bernards borst gedrukt. In de stille, bleeke trekken lag een nameloos lijden, dat geen vriendelijk oog met een zachten sluier bedekte.
„Laten wij hem in ons midden nemen, Bernard,” sprak Rasinski. „Wat kunnen wij anders, dan hem aan de genade des hemels aanbevelen? Wellicht brengt de slaap hem weder tot kalmte.”
Hij had zich wederom neergevlijd, nam Jaromir in zijne armen en drukte hem liefderijk aan zijn hart. „Rust hier uit; de verschrikkingen des winters zullen u in mijne armen niet vinden. En kunt gij, ontwaak dan tot een beteren morgen!” Dit zeggende zonk hij achterover, bedekte het hoofd en rustte hart aan hart met den lijdenden vriend. Spoedig, zoo onweerstaanbaar deed de albedwingende natuur haar rechten gelden, viel hij opnieuw in vasten slaap. De krijgslieden om hem heen waren reeds lang weer ingesluimerd en zoo was de vreeselijke ontmoeting schielijker vergeten, dan een vluchtig oprijzend droombeeld van den nacht.
Bernard en Lodewijk waakten gezamenlijk, daar één alleen zich misschien door den slaap had kunnen laten overrompelen, en deelden de zorg voor het vuur, waarmede het leven van allen tot een eeuwigen nacht zou zijn uitgebluscht.—Een scherpe nachtwind verhief zich, streek ijskoud langs hunne wangen en deed de sneeuw in lichte vlokken van de toppen der dennen neerdwarrelen.
„Brr! hoe grimmig blaast die winter ons in den rug!” mompelde Bernard; „ik verbeeld mij de ijzeren klauwen, waarmede hij zijne slachtoffers worgt, reeds in den nek te voelen. Weg, monster! Hier neemt uw rijk een einde! Hier brandt de vlam des heils, die wij getrouwer onderhouden zullen dan de Vestalen de hare.”
„Hoe eng,” merkte Lodewijk, „is de ring des levens, die om deze zon loopt. Wij liggen op de bijna ondeelbare grenslinie tusschen den vuurdood en dien der verstijving.”