NEGENDE BOEK.

NEGENDE BOEK.HOOFDSTUK I.De maand September was aangevangen met een onbewolkten helderen hemel; de dagen gingen stil, zonnig, zacht verwarmend voorbij. Wel is waar begon het loof reeds te verkleuren, ja zelfs af te vallen, doch de velden waren toch nog met een welig groen bekleed, dat zich met de schoonste herfstbloemen versierde. In dit opzicht hadden de gravin, Lodoiska en Maria eene allergenoeglijkste reis gehad; wat aan het landschap ontbrak, vergoedde de aangenaamheid van het seizoen, dat zich in zijne vroolijke stilte met den zachten trek van weemoedigheid, dien de aanblik der natuur in den herfst aanbiedt, als men vriendelijke deelneming aan de droevige zielsstemming, waarin vooral de jonge meisjes verkeerden, aansloot.Het paleis der gravin was, ofschoon de inrichting daarvan met eene luisterrijke levenswijze overeenkwam, toch nu een zoo stil, genoegelijk verblijf, als vrouwen, die afgezonderd begeeren te leven, met mogelijkheid konden wenschen. Zij hadden de benedenkamers van den linkerzijvleugel betrokken, die tegen den tuin aan en zelfs gedeeltelijk reeds daarin lag. De glazen deur van de gemeenschappelijke zaal opende zich onmiddellijk op een, van vlier en jasmijnstruiken omgeven, zacht glooiend grasperk. Rozeboomen, die in de lente het aangenaamste gezicht verschaffen, stonden in een halfrond er omheen geplant; hun bloesem was wel lang afgevallen, doch daarvoor schitterde in het midden van het perk een rijk medaillon van herfstbloemen, waaronder eene pracht van bonte asters zich onderscheidde, aan welke de kunst des tuiniers eene bijzondere zorg besteedde. Aan de binnenzijde des vleugels, welke naar debassecouren den tuin zag, woonden Maria en Lodoiska. Zij hadden elkander als zusters lief gekregen en zich daarom ook uiterlijk vertrouwelijk bij elkander aangesloten. Een wijngaard liep slingerend tegen de vensters van hare slaapkamer op, die dicht aan het ijzeren hek was gelegen, dat zich dwars van den eenen tot den anderen vleugel van het slot uitstrekte en den tuin van debassecourscheidde. De vruchten werden zeker slechts zelden aan dit staketsel rijp, doch de muren waren vriendelijk door het loof bedekt en de stralen der zon werden door dit bewegelijk groene scherm aangenaam gematigd, zonder geheel en al afgekeerd te worden. Van het slaapvertrek ging men door eene boekenkamer in de woonkamer, en deze paalde aan de zaal. Aan de andere zijde van den vleugel woonde de gravin in de kamers, welke met die van Maria en Lodoiska evenwijdig liepen, doch door een gang daarvan gescheiden waren. Ook deze zagen op den tuin uit, doch naar den kant van den ringmuur; ook was de tuin hier slechts omtrent dertig schreden breed en de gansche ruimte met hooge en donkere struiken bezet, die den muur bedekten, welke zich langs het zijstraatje, waarFrançoiseAlisettegewoond had, uitstrekte en, in dezelfde richting door, op een zijmuur van het hoofdgebouw uitliep. Eene rij van hooge populieren langs dezen muur benam aan de bewoners der straat elk gezicht op den tuin of de vensters der gravin. Dus lagen deze ook zeer stil en afgezonderd; ja, door de donkere, dichte struiken verkreeg de woning iets sombers, dat zeer goed met den ernst der bewoonsters overeenstemde.Op deze wijze geheel afgezonderd in het midden der groote, levendige stad leidden de drie vrouwen een stil en slechts onder vrouwelijke bezigheden voortvliedend leven. Zelden ontvingen zij bezoek; nog zeldzamer beantwoordden zij dat; hare eenzaamheid werd haar met iederen dag dierbaarder en zij genoten die meer, naarmate zij elkander langer leerden kennen en beminnen. Moeielijk zou men onder drie vrouwen een grooter verschil bij eene zoo innige overeenstemming kunnen aantreffen. De gravin, de beide meisjes in jaren aanmerkelijk vooruit, overtrof haar evenzeer door koenheid van geest, als door rankheid van leest. Zij bezat wel een fijn vrouwelijk gevoel en verstand, doch zonder de weemoedige neigingen, die aan het jonkvrouwelijk gemoed eigen plegen te zijn. Opgegroeid onder groote gebeurtenissen, was zij vroeg uit de enge beperking van den vrouwelijken levenskring in de grootere banen van den loop der wereld gevoerd geworden. Zij had het vaderland voor haar vaderlijk huis verruild; hare ziel leefde in alle openbare zaken belangstellend. Zij was met geestdrift eene dochter van haar volk. Ook op Maria hadden de machtige gebeurtenissen des tijds een vormenden invloed gehad; ook zij gloeide voor een in slavernij zuchtend vaderland, doch op eene geheel andere wijze. De gravin nam een werkdadig deel aan de algemeene aangelegenheden; haar hart sloeg daarvoor reeds uit gewoonte en ontbeerde het verlies der huiselijke, vrouwelijke rust des gemoeds niet meer. Daarom las zij ijverig de dagbladen, de staatkundige geschriften van den dag; zij was met de geschiedenis der gebeurtenissen vertrouwd, volgde die met een scherpen blik en bracht het lot van verafgelegen volken met dat haars vaderlands in verbinding. Maria beminde daarentegen slechts haar geboorteland, het volk, waartoe zij behoorde, bovenal; zij was door taal en denkwijze eene Duitsche. Haar edele haat richtte zich alleen tegen de vijanden en onderdrukkers van haar vaderland. De geschiedenis der overige wereld beschouwde zij niet onverschillig, maar op den schuwen afstand, met den vrouwelijken eerbied, die erkent, dat haar rijk hier eindigt, dat haar blik op dit gebied geen grenzen ziet en in het verwarde gevoel geen leidraad ontwaart. Daarom keerde zij gaarne in haar stil huiselijk heiligdom terug en was lijdelijk, waar zij niet handelend kon zijn. Met de bevrijding van haar vaderland zou haar aandeel aan het openlijke leven verdwenen of ten minste evenzoo op den achtergrond teruggetreden zijn, als bij de meeste vrouwen. Zij verlangde uit den strijd slechts een stil heiligdom van duitsche huiselijkheid te winnen. Geheel anders de gravin, die met hare wenschen steeds over den drempel des huizes naar buiten snelde. Maria begeerde slechts het geluk, de rust des vredes voor haar vaderland; voor de gravin was het zielsbehoefte, aan den glans, den roem en de macht er van te denken. Op de bewegelijke schilderij van den strijd der volken hield Maria slechts hare landgenooten en naaste vrienden als de vertegenwoordigers in het oog; de gravin daarentegen hield haar blik op de helden van den dag gericht en volgde met bange verwachting het lot der hoofden. Maria zag wel het slagveld op het hoofdvak der schilderij; doch op den voorgrond haar broeder, Bernard en, zooals zij zich zelve beschroomd bekende, Rasinski. De gravin stond midden in den slag; haar blik volgde de vanen, de veldheeren; zelfs in haar broeder zag zij op den dag derbeslissing slechts den aanvoerder. Lodoiska daarentegen, geheel meisje, geheel liefde, hoorde den doffen donder van den slag slechts uit de verte; maar de bloedende, verbleekte beminde zonk stervend voor haar neer. De liefde had geheel haar hart zoo vervuld, dat er voor niets anders plaats bleef. Zelfs de dweepende vroomheid, waarmee zij iederen dag de mis bezocht, was slechts een andere vorm van de angst der liefde, want haar gebed steeg slechts voor den vriend harer ziel naar boven.—Gelijk het echter bij edele zielen pleegt te zijn, hield elk der vrouwen de andere voor beter, volkomener, alleen wijl deze bezat, wat haar ontbrak. Zoo beschouwde Lodoiska hare moederlijke beschermster met den diepsten eerbied en schikte zich deemoedig onder Maria, wijl zij in beiden de kracht bewonderde van zich te beheerschen. De gravin en Maria daarentegen vereerden de heilige kracht der liefde in Lodoiska's boezem, die uit hare reine vlam al het vreemde verwierp en het gansche hart van het meisje alleen vervulde en doordrong. En Maria zag met bewondering op tot de heldin, onder wier bescherming zij zich in hare blooheid en angst had begeven.Op de tafel der gravin lag eene landkaart van Rusland uitgeslagen; zij volgde naar de courantenberichten nauwkeurig iederen marsch, iedere beweging der legers, en teekende ze met spelden aan, welker toppen zij met zinvolle kenteekenen voorzien had, om niet slechts vriend en vijand, maar ook den stand der afzonderlijke korpsen met één oogopslag te onderscheiden. Voor Rasinski's regiment had Lodoiska eene gouden naald uit hare lokken genomen; de schitterende knop van deze toonde haar oog iederen dag, waar haar hart den geliefde moest zoeken.De laatste berichten had zij na het innemen van Smolensko ontvangen. Met levendigheid sprak de gravin over deze gebeurtenis en knoopte de vroolijkste verwachtingen over den uitslag van den strijd daaraan vast.„Reeds wij,” zeide Maria, „die hier op een verren afstand zitten en na den volbrachten strijd het bericht ontvangen, dat onze dierbaarsten nog ongedeerd onder de levenden wandelen,—reeds wij volgen de tijdingen van den dag met angstig kloppende harten. Hoe zouden wij te moede zijn, wanneer het verderf ons zoo nabij was, als aan die arme bewoners van Smolensko; wanneer wij, gelijk zij, wisten, dat onze broeders, vaders, echtgenooten voor de poort waren in den strijd op leven en dood voor vrijheid, vaderland en haardstede, voor ons leven, onze eer!”„Mij zou het geprangde hart naar de muren drijven,” riep de gravin, terwijl zij, zooals zij in hare levendigheid, steeds placht te doen, snel door de kamer op en neder ging, „ik zou met mijne oogen de kansen voor den strijd moeten volgen.”„Dat zou ik niet vermogen,” hernam Maria met zachten nadruk; „doch mij dunkt,”voegde zij er met den onzekeren toon der bescheidenheid bij, „ik zou genoeg standvastigheid behouden, om de gewonden te verplegen.”„Ach, en ik,” riep Lodoiska zuchtend uit, „ik zou zeker niets kunnen doen, dan voor het beeld der heilige moeder Gods bescherming voor het dierbare hoofd des geliefden afbidden.” Ook zij stond op, doch om hare opwellende tranen te verbergen.De vrouwen hadden zich oprecht, zonder achterhoudendheid verklaard; slechts Lodoiska miskende zich zelve, want zij hield voor zwakheid wat sterkte was. In het oogenblik des gevaars zou zij met den heldenmoed eener heilige de hulpvaardige verpleging midden in den slag gedragen, den geliefde onder de dreigende bliksems des doods opgezocht en gered hebben.Om haar gejaagden boezem te doen bedaren, was zij naar buiten in den tuin getreden.De middagzon straalde helder door de hooge boomen, een lichte wind ruischte door de takken. Zachte wolken zweefden door de helder blauwe ruimte. Maria wier fijn gevoelend hart de vriendin snel begrepen had, ging haar na, om haar te doen bedaren, want bij het vertrouwelijk gesprek in het uur vóór het insluimeren had Lodoiska haar hart geopend en zich zelve wegens de overweldigende macht, die de liefde op haar uitoefende, aangeklaagd, zonder Maria's troost te willen aannemen, die in deze krachtige openbaring van den hartstocht eene zeldzame grootheid van gemoed erkende. Doch toen Lodoiska nu de fontein genaderd was, waar zij haar verbond met Jaromir had gesloten, trad Maria haastig op haar toe, legde den arm om haren hals, kuste hare wang en zeide: „O, lieve, ik wenschte, dat gij mijn naam droegt.”„Ik wenschte, dat ik uw zacht, sterk, zich zelf beheerschend hart had, mijne dierbaarste,” hernam Lodoiska en droogde hare tranen af.—„Doch waarom wenscht gij mij uw naam toe?”„Om u te kunnen zeggen: „Maria heeft het goede deel uitverkoren.””„Ja, ja, dat heeft zij,” riep Lodoiska en nieuwe tranen welden in hare donkere oogen op. „O, ik gevoel het maar al te goed, ik ben krank van liefde en mijn geluk wordt eene kwaal, eene misdaad.”„Neen, neen, waarlijk niet,” hernam Maria. „Voor het edele mag men geheel gloeien; ik bewonder u, dat gij het geheel vermoogt. Geloof mij, onze rust ligt niet in onze sterkte, doch slechts in de mindere kracht onzer liefde. In mijn hart kon ik moederliefde, broederliefde, vaderlandsliefde zuiver afwegen, totdat....”Hier zweeg zij; want van haar bestreden hartstocht voor Rasinski had zij hare vriendin nog nooit gesproken, wijl het geheim haar niet alleen toebehoorde en naardien zij gevoelde, dat zij zich op eene zedelijke overwinning niet kon beroemen zonder die te verliezen.—En was zij dan overwinnares? Vernieuwde zich de strijd niet menigmaal in de eenzame uren des nachts in haren boezem? En stroomden hare tranen niet nog steeds over het verloren geluk?„Totdat?” vroeg Lodoiska, toen Maria zweeg.„Nu ja dan,” sprak zij verward, „ook ik heb bemind. Een oogenblik!—De jonge plant werd door den ruwen storm des tijds snel ontworteld, zij kon hare bloesems niet openen, noch wortel schieten. Doch zelfs dit vluchtig oogenblik, korter dan een droom, verbrak bijna de oudere, heilige banden van liefde en plicht. En evenwel gevoelde ik mij grooter, edeler, beter door de liefde. Waarlijk, het is iets groots, wanneer men alles in haar en door haar vermag te zijn. Daarom bekommere het u niet, mijne beste, dat gij geringere krachten en plichten door deze hoogere in u opgelost en vernietigd voelt. Wanneer wij sterker wederstand bieden, wie zegt u, dat daarom grooter sterkte in ons woont? Wij wederstaan, omdat wij niet zoo heftig worden aangegrepen. Kleine zielen kunnen geen groote mate van liefde bevatten. Daarom waardeer dan ook uwe ziel naar de kracht uwer liefde.”„Gij troost zoo beminnelijk,” antwoordde Lodoiska bewogen, „gij wilt als een welriekend viooltje in de stille schaduw treden, waar gij zoudt kunnen schitteren! Mijn liefde is sterker dan ik zelve; dit is mijn vergrijp, en dikwijls heb ik een voorgevoel, dat het zich vreeselijk gestraft moet zien. Of staat de plicht niet hooger dan de liefde?”„Maar welken plicht hebt gij geschonden?”„Ik gevoel, dat ik ze alle zou schenden.”„Dat gevoel bedriegt u; slechts zou elke geringere plicht bij u voor dezen eenen, hoogeren verdwijnen.”„Neen, bij mij verdwijnt de blik, om die hoogere te onderscheiden.”„Gij zult ze gewis duidelijk voor u zien, wanneer hunne vervulling van u geëischt wordt en wanneer zich hoogere plichten voor u opdoen! De wereld zal ze misschien vorderen; maar is dit niet eigenbaat der wereld? Moet uw doen dan eene wet voor allen zijn? Bijzondere krachten geven bijzondere plichten. Ik heb steeds dien Romein moeten vereeren, die vrij uit aan de rechters bekende: „Ik zou het kapitool in brand hebben gestoken, zoo mijn vriend dit begeerd had.”—Wanneer ik zelve niet aldus zou handelen, dan is het nog de vraag, of mij dit als verdienste dan wel als schuld moest toegerekend worden. Is liefde, is vriendschap waarlijk zoo groot, wie durft haar deswege beschuldigen? De misdaad, welke zij op zich laadt, is dan geene meer. Hier, mijne lieve, heerscht geen koude, voor allen gelijke wet; doch ieder handelt naar het gevoel in zijne borst, en naar dit richt ons de Eeuwige, die alleen de maat der in ons strijdende krachten vermag te bepalen.”In haar ijver voor de vriendin had Maria het eigenaardige in deze weten te verdedigen, zonder zelve de heldere bewustheid van haar gevoel te verliezen, die haar in haar handelen en gevoelen den rechten weg aantoonde: zij had zich met levendigheid van de schoone zijde van het karakter harer vriendin doordrongen. Lodoiska was een zuiver kind der natuur, in de droomen harer jeugd opgegroeid, slechts overgegeven aan de gevoelens van haar hart, die, rein en edel op zich zelve, tot het goede en schoone haar bijna buiten haar weten heendrongen. Maria had haar gemoed door de klare wel van een meer ontwikkeld bewustzijn gelouterd; de ernst, de scherpzinnigheid van Lodewijk waren daar hij zich veel met zijne zuster bemoeide, niet zonder invloed gebleven. Zij had het ontvangen geestelijk goed in haar eigendom veranderd; op den bodem van het vrouwelijk hart groeide het edele zaad misschien niet meer zoo krachtig en hoog op, maar het bloeide des te schooner. Zij gevoelde met bewustzijn; oordeel en neiging smolten in haar te zamen, zonder dat zij het wilde of begeerde. Zoo ondervond zij ook, dat in het gemoed, waarin het zedelijk gevoel heerscht, de hartstocht niet zoo wild kan opschieten, en dat men dezen, wanneer hij het hart met eene edele vlam doordringt, tevens alle andere edele krachten, die het evenwicht verleenen moeten, toenemen.Lodoiska zou zeker, zonder het voorbeeld der vastberaden gravin, der zacht zich schikkende vrienden, zich zelve niet met zulke bezorgde blikken hebben gadegeslagen. Zij leerde zich zelve eerst beter kennen door vergelijking en tevens leerde zij de behoefte kennen eene kracht, die ontbrak en waaraan zij onder andere omstandigheden misschien nooit gebrek zou hebben gevoeld.Daarbij sluimerde eene schrikbarende gedachte in het diepst harer ziel; zij waagde niet, die voor zich zelve duidelijk te doen worden, veel minder zou zij eene vreemde tot vertrouwde daarvan hebben gemaakt. Van het oogenblik, waarop Jaromir haar dierbaar werd, beschouwde zij—en zij herinnerde zich zulks maar al te wel—de verleidelijke schoonheid vanFrançoise Alisettemet angstige blikken. Dat meisje scheen haar onwederstaanbaar; het voorval bij het afmarcheeren van het regiment, dat zij mede had aangezien, was haar, hoezeer het ook slechts eene onschuldige galanterie geleek, onvergetelijk gebleven. Het had eene vonk van jaloezie—neen, dit woord is te hard—maar toch van bezorgdheid in hare ziel geworpen, die, hoe menigmaal zij die ookdoor ernstig ongenoegen tegen zich zelve wilde verstikken, altijd opnieuw aanglom en bleef gloren in haar door sombere voorgevoelens bewogen gemoed. Somwijlen meende zij, dat ze was uitgedoofd, doch plotseling brak ze bij de eene of andere gelegenheid opnieuw uit en scheen zich slechts dieper in de schuilhoeken harer ziel verborgen te hebben. Dit was eigenlijk de oorzaak van haar bangen kommer; van hare dweepachtige droefgeestigheid. Niet dat het spook van den argwaan haar zoo vervolgde; maar zij beschouwde bij het gevoel harer onverbreekbare trouw jegens den geliefde eene verdenking tegen de zijne als de zwaarste misdaad. Zoo leed zij de dubbele kwaal van angst en van berouw tevens over hare eigene schuld; slechts in de gloeiendste liefde, in de teederste opoffering geloofde zij boete voor hare strafbare gedachte te kunnen doen, en daarom groeide haar dweepachtige ziekelijke hartstocht in dubbele verhouding tot de beangstigende kwaal aan, welke zij zwijgend in haar binnenste omdroeg. Kon zij zoo door en in hare liefde gelukkig zijn? Slechts in de bedwelming van het oogenblik, waarin zij alles vergat, was dit mogelijk, namelijk wanneer zij brieven van Jaromir ontving, wanneer zij hem schreef en onder het schrijven zich meer en meer opwond, wanneer zij van zijne nabijheid, zijne omarming droomde. Doch spoedig hingen weder zwarte wolken aan den hemel harer verwachtingen, en vergiftige planten sproten rondom den reinen bloesem harer liefde uit. Met deze knagende kwaal paarde zich de diepe aanleg tot zwaarmoedigheid, die van hare jeugd af in hare ziel woonde; deze schiep duistere, schrikkelijke beelden, welke haar, daar zij menigmaal in hare onrustige droomen terugkeerde, spoedig als gewisse voorgevoelens voorkwamen. Of sponnen de koortsachtige hartstocht, de ziekelijk opgewekte aandoening harer zenuwen misschien een onzichtbaren band tusschen haar en de toekomst? Zijn er waarschuwende, voorzeggende stemmen voor een aandachtig luisterend oor? Is het slechts het ruischende gewoel eener uiterlijke wereld, naar welke wij slechts al te zeer heenneigen, dat ons verhindert haar te hooren?Ach! Lodoiska vernam ze als het verre, akelige rollen van een naderend onweder, als bange klaagtonen in het nachtgeruisch des winds, onder het angstvolle kloppen harer borst.Dan vluchtte zij in de kapel; slechts in het gebed vond hare edele ziel de rust weder. Want daar zwegen de stemmen des levens en van den hartstocht; de opgeruide golven legden zich neder, de troebele, vreemde stoffen zonken op den bodem, en de hemel spiegelde zich helder en diep in den gestilden vloed.HOOFDSTUK II.Het was een grauwe Septemberdag, toen Lodoiska, slechts door hare kamenier begeleid, de nabijgelegen kerk bezocht. Haar weg leidde haar voorbij het hôtel van den heerDe Pradt, den franschen gezant in Warschau. Voor de deur stond het rijtuig van een koerier, en er had eene in het oog vallende beweging onder de dienstboden plaats. Er moest eene gewichtige tijding zijn aangekomen. Met een kloppend hart naderde zij. Zeker konden er koeriers uit alle oorden van Europa, uit Spanje, Parijs, Italië of Weenen aan het gezantschap aankomen; doch de groote gebeurtenissen vielen dáár voor, waar haar hart zich bevond. Eene inwendige stem zeide haar, dat erberichten van de armee moesten gekomen zijn. Zij verhaastte haren tred, en te beschroomd, om zelve er naar te vernemen, droeg zij dit aan hare kamenier op en wilde, langzaam voorbijgaande, deze aan de andere zijde van het hôtel opwachten. Doch terwijl zij de deur voorbijging, kwam een officier in groot tenue er uit; hij stond stil toen hij haar zag, scheen haar te herkennen, trad snel op haar toe, boog zich en sprak:„Ik hoop misschien te veel van de welwillendheid van uw geheugen, wanneer ik vooronderstel, dat gij mij nog zoudt kennen, genadige gravin?”De jonkvrouw stond verrast, maar herkende evenwel dadelijk den ritmeesterArnheimuitTeplitz.„O zeker herken ik u,” was haar antwoord, „ofschoon ik maar weinige dagen inTeplitzheb doorgebracht. Doch daarentegen is het ook slechts kort geleden dat wij het verlaten hebben. Maar wat voert u naar Warschau?”„Mijne herstelling is volkomen. Ik vertrek naar het leger in Volhynië.”„Het schijnt, dat er zoo even gewichtige berichten bij den franschen gezant zijn aangekomen,” zeide Lodoiska een weinig angstig, en zag rond, of hare kamenier haar niet volgde.„De gewichtigste der wereld,” hernam de ritmeester met drift; „de koerier heeft ze zoo op het oogenblik gebracht; er is een groote slag geleverd bijMosaisk, twee dagmarschen van Moskou.”„Zonder twijfel zeer bloedig?” viel Lodoiska verbleekend en sidderend in.Arnheimbemerkte onder het gaan niet, dat zij door dit bericht zoo hevig werd aangegrepen, en voer daarom onvoorzichtig voort: „Bloedig zooals er in de geschiedenis geen tweede voorbeeld te vinden is; het aantal gesneuvelden en gewonden is nog niet juist bekend, doch in het ruwe geeft de depêche dit op zestig of zeventig duizend man aan beide zijden op. De overwinning des keizers is met onmetelijke offers gekocht.”Het tooneel van het slagveld trad plotseling met zoo akelige kleuren voor de oogen van Lodoiska en vervulde hare ziel met zulk eene ontzetting, dat zij, zich zelve niet meer meester, verbleekend terugtrad en onder den uitroep: „Heilige moeder Maria!” ineenzeeg.Arnheimsprong toe en ving haar in zijne armen op. Verlegen zag hij rond om hulp, toen reeds Lodoiska's kamenier haastig toeschoot en angstig riep: „Om Godswil, wat deert mijne meesteres?”„De schrik over de tijding van den slag heeft haar zoo hevig ontroerd; wij zullen haar hier in het huis van den gezant dragen,” zeideArnheim.Doch Lodoiska opende hare oogen weder. Een donkere schaamtegloed verspreidde zich over het albast harer wangen; diep zuchtte zij; spreken vermocht zij niet, doch zij richtte zich op en bleef slechts op den arm harer kamenier leunen.„Hoe zal ik vergiffenis voor mijne onverzichtigheid kunnen hopen? Wij soldaten zijn zoo ruw, dat wij bij de tijding van een slag nooit aan de offers denken.”„Gij hebt geen schuld,” antwoordde Lodoiska; „het was mijne dwaze zwakheid.” Daar barstten hare tranen met stroomen los. „Ik moet naar huis—vergeef mij....” sprak zij met moeite.„Mag ik u mijn arm aanbieden? Of wilt gij, dat ik een rijtuig bezorg?” vroeg de ritmeester gedienstig.„Wanneer gij mij ondersteunen wilt, zal ik u zeer verplicht zijn; ik ben inderdaad ten uiterste afgemat.”Arnheimgaf haar den arm. Aan de andere zijde leunde zij op de kamenier, en liet zich zoo naar het paleis der gravin terugleiden.Gelukkig had Lodoiska's onmacht slechts eene minuut geduurd, en de opmerkzaamheid der lieden op de straat was in dat oogenblik zoozeer op de beweging in het hôtel van den gezant gericht geweest, dat het voorval geheel onbemerkt voorbijging. Men sloeg nu eene stille zijstraat in, en zoo kwam de ondersteunde gelukkig aan het paleis der gravin, zonder dat de nieuwsgierigheid van lastige kijkers haar vervolgde.Niet moeielijk viel het den ritmeester, zich de oorzaak van haar hevigen schrik in het algemeen te verklaren. Wie had niet een vriend, een broeder of vader bij het leger? Intusschen dacht hij fijn genoeg, om geen onderzoek te doen, en zocht ook den verpletterenden indruk der eerste tijding door verzachtende berichten te matigen.Toen men aan de deur des huizes stond, zeide Lodoiska: „Ik dank u van harte voor uwe deelnemende hulp; zeker moest ik u verzoeken, mij nog verder te volgen; toch....”Arnheimliet haar niet uitspreken; met warmte viel hij haar in de rede: „Deze eerste uren der ontroering behooren der eenzaamheid; de welwillendste bezoeker zou hier slechts komen storen. Doch gij verbiedt mij immers niet, op een meer gunstigen tijd te komen?”Lodoiska zag hem met een dankbaren blik aan. „Het zou mij zeer leed doen, indien wij u niet zagen; ik hoop, dat wij u dan blijder welkom zullen heeten.” Met deze woorden reikte zij hem de hand tot afscheid en trad toen, zich ras omwendend, wijl zij haar angst niet meer betoomen kon, binnen. Met moeite bereikte zij de stille tuinkamer. Maria was de eerste, die haar ontmoette. „Leen mij uwe sterkte, Maria,” riep zij haar toe en breidde hare armen uit; „leen mij uwe kracht, mijne dierbare, om den doodsangst te kunnen doorstaan, tot wij bericht hebben.”„Om Gods wil, wat is er gebeurd?” riep Maria verschrikt, terwijl zij hare vriendin, die zich buiten adem aan hare borst wierp, teeder omarmde. Lodoiska kon een geruimen tijd niet spreken; Maria hoorde slechts het luid kloppen van haar hart. Zij leidde de half bezwijmende naar de sofa. Daar eerst begon deze na eenige minuten in de hevigste aandoening: „Er is een slag geleverd. Zeventig duizend dooden en verminkten bedekken het veld. Het verschrikkelijk beeld van dezen oneindigen jammer zal mij waanzinnig maken. O, Maria! ik zie niets dan bloed en het bleeke, stomme gelaat der dooden.”De gravin trad binnen. Zij had van de kamenier reeds vernomen, wat er was voorgevallen. Bij haar zegevierde het gevoel der overwinning op den angst omtrent hare betrekkingen. Vriendelijk, maar rustig, trad zij naar de beangste Lodoiska toe en zeide: „Kom aan mijn hart, beminde dochter; ween aan de borst uwer moeder uwe smart uit. Dan zult gij rustiger worden en met gelatenheid de verdere berichten afwachten, welke wij toch spoedig moeten ontvangen.” Het voorbeeld van standvastigheid vereenigd met de zachte deelneming, welke hare moederlijke verzorgster toonde, richtte den moed der vertwijfelende verwonderlijk op. De vriendelijke liefkoozingen van Maria, die haar eigen angst over haar broeder zorgvuldig verborg en juist uit Lodoiska's zwakte de kracht daartoe putte, maakten hare geruststelling, zooverre dit thans mogelijk was, volkomen.Na eenige minuten trad een bediende binnen en berichtte, dat de ritmeesterArnheimzeer dringend verzocht, toegelaten te worden, daar hij gelukkige tijding overbracht.„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend.Thans eerst vernam Maria, aangenaam verrast, doch een weinig verlegen, de tegenwoordigheid van dezen bekende uit het vaderland, wiens groote belangstelling in haar persoon haar niet kon ontgaan zijn. Lodoiska, tot hiertoe slechts met de voor haar zoo beangstigende gebeurtenis beziggehouden, had tot nu toe nog niet weder aanhem gedacht. De gravin wist door de kamenier verder niets, dan dat een vreemd officier Lodoiska ondersteund en begeleid had. „Is welkom!” sprak zij en wenkte den bediende toe.Lodoiska was in de grootste spanning, want zonder eene dringende reden en, gelijk alles aanduidde, ook niet zonder eene verblijdende, kon de ritmeester na de wijze, waarop zij afscheid van hem had genomen, onmogelijk nu reeds een bezoek brengen. Met een kloppend hart vernam zij zijne rassche schreden in de voorzaal.„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend tegen de gravin, „maar ik kon mij onmogelijk het genoegen ontzeggen, zelf de brenger van dit blad te zijn, dat zonder twijfel uwe bekommering omtrent den slag dadelijk zal wegnemen.” Daarbij reikte hij haar een open papier over, waarop eenige met potlood geschreven woorden in de poolsche taal stonden.„Duizendmaal dank,” hernam de gravin, nadat zij een oog in het papier geslagen had. „Hier Lodoiska, lees zelve, wat mijn broeder schrijft: „Dierbare zuster! De slag is voorbij, ik leef, onze naaste vrienden zijn allen ongedeerd. Eerstdaags meer.””„Heb dank, heilige moeder Gods,” riep Lodoiska buiten zich zelve uit en wierp zich onder een vloed van tranen aan den boezem der gravin. „Hoe vol genade zijt gij voor uwe dochter!” Hare oogen richtten zich in heilige vreugde ten hemel; zij vouwde de handen over de borst samen en kon niet meer spreken.Ook Maria was hevig aangedaan. „Allen ongedeerd,” herhaalde zij, en een traan trilde aan hare wimpers, „dat is meer, dan ik zelfs waagde te hopen. O, eerst nu gevoel ik aan mijne onuitsprekelijke vreugde, hoe nameloos mijn angst geweest is! Heb dank voor deze boodschap.”Gelijk een groot geluk of ongeluk edele harten opent en de bekrompen grenzen, die men zich in de samenleving gesteld heeft, doet vergeten, zoo ging Maria open en vrij opArnheimtoe en reikte hem met warmte de hand. Deze stond ten uiterste getroffen, want Maria's tegenwoordigheid op deze plaats, welke hij niet vermoeden kon en nog niet bemerkt had, verraste hem nu zoo plotseling, dat zij hem bijna van stuk bracht. Met vroolijke verwarring greep hij de hem toegereikte hand en drukte ze aan zijne lippen. „Gij hier?” sprak hij op den toon der grootste verbazing; „dat zou ik nooit geraden hebben.”„Ik ben eene zeer vriendelijke uitnoodiging gevolgd,” antwoordde Maria; „nochtans is in het vreemde land de ontmoeting van een landsman en vooral van eenen, dien wij nader kennen, eene zeer aangename verrassing.”„O zeker, zeker!” riep de ritmeester en kuste hare hand met zulk een vuur, dat Maria ze zacht moest terugtrekken.„Wij zijn u oneindigen dank verschuldigd, heer ritmeester,” zeide de gravin; „en zij, welke hem niet eenmaal weet te uiten, wel het meest.” Zij wees daarbij op Lodoiska, die in tranen van dankbaarheid wegsmolt en nog steeds het gelaat met haren zakdoek bedekt hield. „Maar hoe komt gij aan dit papier?”„Op de eenvoudigste wijze van de wereld,” hernam de ritmeester. „Ik had mij juist aan het bureau van den gezant aangemeld, toen de depêches aankwamen. Een officier, aldaar werkzaam, zeide mij, dat de koerier, zooals gewoonlijk, eene menigte vluchtig geschreven brieven en mededeelingen, gedeeltelijk open, gedeeltelijk in te voren gereed gemaakte omslagen, gedeeltelijk slechts met potlood geschreven, had medegebracht, waardoor zij, die aan een slag hebben deelgenomen, aan de hunnen de eerste geruststelling doen toekomen in zoodanigen vorm, als de omstandigheden het veroorloven.Dit bracht mij op de gedachte, of er voor u, genadige vrouw, niets daarbij zoude zijn. Ik snelde naar het bureau terug, en inderdaad er bevond zich voor u deze open met potlood geschreven brief. Ik vroeg hem voor mij, om hem u dadelijk ter hand te stellen, wat men terstond toestond, daar men deze brieven liefst tegelijk met de tijding doet toekomen. Zoo werd ik de overbrenger.”„Van ons grootste geluk,” viel hem de gravin in de reden. „Nogmaals zijt gij als een heilverkondende bode ons hartelijk welkom.”Lodoiska gevoelde in haar vroom gemoed de behoefte, om de hemelsche beschermster van haar geluk den dank des gebeds toe te brengen. Onbemerkt sloop zij het vertrek uit en zocht de eenzaamheid van hare kamer op, waar een Mariabeeld hing, door haar zelve met herfstbloemen versierd. Hier knielde zij neder en bad in stilte. Maria had haar begrepen en volgde haar derhalve niet. In de diepte van haar boezem richtte ook zij dankgebeden tot den Almachtige, die haar broeder behouden had. Doch te gelijker tijd overviel haar een bang weemoedig gevoel over de gevolgen van deze groote gebeurtenis. Het gesprek, dat de gravin met den ritmeester aanving, gaf haar grootendeels uitsluitsel omtrent de vragen, welke zij zich zelve in haar binnenste deed.„Gij gelooft dus,” begon de gravin, „dat deze overwinning beslissend is voor den uitslag van dezen oorlog?”„Zonder den minsten twijfel. Twee kleine dagmarschen van de oude hoofdstad des rijks behaald, brengt zij deze gewis in de macht des keizers en dan kon het lot van Rusland licht opeens beslist zijn.”„Het rijk strekt zich nog ver achter Moskou uit, de bloeiendste en volkrijkste provinciën volgen langs de zuidelijke helling van het Uralgebergte op elkander. Voor geheel overwonnen zou ik Rusland nog niet willen houden, al waren ook de beide hoofdsteden in des keizers macht.”„O zeker niet,” hernamArnheim; „doch zijne zedelijke kracht is door het innemen zijner hoofdstad vernietigd. Uiterlijk is de voortzetting van den strijd zonder twijfel mogelijk, maar innerlijk zal zij onuitvoerbaar zijn. Aan de hoofdstad des rijks knoopen zich te veelvuldige en verschillende belangen; zij is het punt, waar alle wegen des rijkdoms, des handels en des vertiers zich vereenigen. En gelijk een verpletterende slag slechts één der edele deelen behoeft te kwetsen, om het leven in het geheele lichaam te verdelgen, zoo heeft in den oorlog het indringen des vijands in de hoofdstad eene doodelijke verlammende uitwerking op alle overige krachten des rijks.”„En zoo is dus de wereldheerschappij van Napoleon beslist?” vroeg Maria met eene stem, waarin men de onderdrukte, doch diepe smart hooren kon.„Voor het vasteland zonder twijfel,” hernamArnheim.De gravin, die Maria's denkwijze kende, dacht te edel, om hare vreugde over de wending eener gebeurtenis te uiten, die voor eene Duitsche zoo ter nederslaand moest zijn. Maria, van haar kant, die inzonderheid sinds haar verblijf in Polen, licht begreep hoeveel deze natie van de overwinningen des keizers te hopen had, droeg haar kommer in stilte, nauwelijks, dat een smartelijke trek van den gesloten mond dien verried.Arnheimechter scheen haar, wijl hij op dezelfde wijze dacht, te verstaan. Doch de smart over zijn vaderland tastte niet zoo diep in zijne ziel; gedeeltelijk wijl hij hoop had, Oostenrijk, zijn bijzonder vaderland, nu hooger gesteld te zullen zien, gedeeltelijk wijl hij als soldaat een diepen eerbied voor den franschen keizer als veldheer koesterde, maar voornamelijk, wijl hij zich met gelukkiger vooruitzichten voor Duitschland streelde,dan men toen gewoon was te hebben. Hij achtte het goed van deze te spreken. „Misschien,” dus uitte hij zich, „is het gevolg van dezen slag zegenrijk voor geheel Europa. Tegen wien toch wordt deze oorlog gevoerd? Naar mijne meening niet tegen Rusland, maar tegen Engeland. Door het overwinnen der russische legers is de keizer nu eindelijk heer over alle stranden van Europa, want Spanje en Portugal zullen spoedig in zijne macht zijn. Dan is hij in staat, den Engelschen zoo al niet de voorwaarden des vredes voor te schrijven, hen ten minste tot het aannemen van billijke schikkingen te bewegen. De macht van Engeland is zoo groot, dat het gansche vasteland noodig is geweest, om tegen dit kleine eiland het evenwicht te houden. Dit groote doel schijnt mij thans bereikt te zijn; ten minste zijn wij het nabij. Dan, hoop ik, zal een algemeene vrede, dien alle volken behoeven, naar welken alle volken en Frankrijk misschien het meest reikhalzen, de vreeselijke beroeringen, welke Europa sinds de laatste twintig jaren moet lijden, tot rust brengen, de verbroken banden opnieuw aanknoopen en de met geweld geknoopte voorzichtig los maken. Veel kwaad, dat de keizer thans, door den drang der gebeurtenissen genoodzaakt, den volken moet aandoen, zal ophouden. Hij gaf den overwonnen volken vreemde koningen, strenge stedehouders. Waarom? Omdat hij niet zeker van hen was en bij zijne onmetelijke krijgstochten toen geen gevaarlijke vijanden in zijn rug kon dulden. Misschien herstelt hij thans, juist om den band der gerustheid vaster te knoopen, de rechtmatige vorsten weder; want aan de personen ligt hem niets gelegen, vooral aan zijne broeders en bloedverwanten niet. Zij zijn slechts vorsten, wijl hij het zekerst is van hunne trouw, want hij is de stam, op welken zij bloeien. Is hij eenmaal diep en vast geworteld, dan kan hij de woekerende takken, die eene nadeelige schaduw op het land werpen, ontberen. Ja, ik hoop dat zijn nauwe verwantschap met ons keizerlijk huis het geluk van Europa zal zijn. Oostenrijk zal de vertegenwoordiger van het duitsche volk worden. Napoleon zal gaarne zien, dat het met hem in een vreedzaam verbond leeft; dan zal hij, daar men liever sterke dan zwakke bondgenooten heeft, ook den voorspoed van het land op alle mogelijke wijze bevorderen. Er moest veel oud, lastig puin bij ons in Duitschland worden weggeruimd, eer een nieuw gebouw vasten grond en ruimte vond. De verouderde vormen heeft de fransche keizer, als vertegenwoordiger van een grooten, jeugdigen, krachtigen, nieuw ontwakenden tijd, vernietigd; wat thans bestaat, is voorbijgaande. Hij weet het zelf, dat het niet vaststaand is; want hij zelf breekt immers dagelijks af, wat hij uit nood voor het oogenblik opbouwde, en laat vorsten en volken met gelijke snelheid hunne plichten verwisselen en veranderen. Maar wanneer eenmaal het groote doel van zijn geweldigen wil bereikt en het vastelandeen even zoo vast inwendig aaneengeschakeld geheelis, als de massa's van landen, waaruit het bestaat, dan zal de groote man een vasten, duurzamen grond leggen en op dezen een trotsch gebouw voor de toekomst grondvesten. Daartoe moest deze laatste strijd gestreden zijn. Niemand gevoelt zoo diep als ik, hoevele offers van deemoed, van verloochening, van gekrenkte trotsch Duitschland moest brengen; maar thans zullen deze een einde hebben. Zij waren eene vergelding voor oude, zware schulden; de geschiedenis bespaart geen volk de boete voor oude misstappen. Zij richt niet de daders, niet de personen, maar de daden, de zaken met onverbiddelijke gerechtigheid. En kan Duitschland de voordeelen loochenen, welke het reeds aanvankelijk door het afschaffen van zooveel ouds, gebrekkigs gewonnen heeft, ofschoon het nieuw goede nog niet in de plaats van het vernietigde getreden is? Laat ons ernstig ons zelven afvragen, of het voor twintig jarenbij ons goed was? Wij moeten antwoorden: Neen! Het stond slecht met alles, wat het geluk eens volks moet uitmaken. Sinds eeuwen heeft Duitschland slechts oorlog met zich zelf gevoerd. In ontelbare landen verdeeld, gehoorzaamde het aan velerlei willekeur. De eenheid der natie was verdwenen. Slechts de taal vormde nog den inwendigen, geestelijken band. Duizend beperkingen stelden zich tegen de vrije werkzame ontwikkeling der volkskrachten in den weg. Slechts tot zijn binnenste was de Duitscher bepaald; dat heeft hij zooveel mogelijk beschaafd, maar de nieuwe kennis kon hem in den toestand van zijn volksbestaan geene levende vrucht voortbrengen. Een door stormen opgeruide vloed bruischte over Duitschland heen, en onder zijne ruwe golfslag verdwenen de oude, diep ingevreten sporen van aangeërfde vooroordeelen, onderdrukkingen en beperkingen. Wij hadden deze kluisters reeds zoo lang gedragen, dat de gewoonte ons gevoel daarvoor verstompt had; ja, zij waren in ons vleesch ingegroeid. Doch wij mogen niet vergeten, hoe ruim wij ademhaalden, toen voor twintig jaren de ijzeren hand des tijds voor het eerst aan de staven van onzen kerker schudde. Thans knellen ons nieuwe banden, welke wij onwillig dragen. Doch zoozeer mogen wij toch in onze gerechte smart en in onzen toorn de oogen niet toedrukken, dat wij niet meer zouden zien, hoe wij, ofschoon wij nieuwe kluisters dragen, toch van de oude, waaronder wij zuchtten, bevrijd zijn. Neen, nauwelijks zuchtten wij, en dat was bijna nog erger, want wij zonken reeds in dien staat der diepste slavernij neder, die de behoefte aan vrijheid niet meer voelt. Thans voelen wij ze, en zoo mogen wij niet wanhopen een doel te bereiken, dat schitterend voor ons zweeft, het moge dan door de kracht van eigene daden, of door een gelukkigen keer der gebeurtenissen bereikt worden. Deze laatste nu kon juist thans misschien wel eens daar zijn.”Arnheimhad zich warm gesproken; hij sprak voor alle partijen, en daarom hoorden zelfs de tegenstrijdigste gaarne naar hem. Maria werd door zijne woorden in het diepst harer ziel verkwikt en hare sprekende blikken betuigden hem liefdevol dank. Bewogen richtte zich de gravin overeind.„Wanneer gij reeds zulke groote verwachtingen aan de overwinning hecht,” zeide zij,„hoe moet ons dan het hart kloppen, ons, die in dezen slag voor de vrijheid van ons vaderland streden! O, als de dag was aangebroken, de zoolang, zoo gloeiend verlangde dag, waarop het in het stof gebogen Polen den edelen nek weer trotsch kon oprichten; wanneer de witte adelaar de verlamde vleugelen kon uitbreiden en de stoute vlucht naar de zon der vrijheid en des roems ondernemen! O, dan, dan driewerf heil en zegen over deze overwinning! Het bloed der gesneuvelden ware niet vergeefs gestort.” Als eene koningin stond de fiere vrouw daar, met handen en blikken plechtig ten hemel geheven.HOOFDSTUK III.Lodoiska trad weder binnen. De afwisseling van angst en vreugde had haar teeder gestel zoo aangetast, dat het lichte rood op hare wangen eer een ziekelijk spoor van koortsachtige aandoeningen dan een teeken van gezondheid en inwendige tevredenheid geleek.De gravin wist, dat lichamelijke beweging en versche lucht haar in dien toestand het beste waren; zij zelve had eene wandeling in de open lucht noodig, om het jagenvan haar boezem te doen bedaren. Zij sloeg voor, in den tuin te gaan; de zaaldeur openende, trad zij terstond zelve naar buiten, de anderen volgden.De zon had de grauwe wolken aan den hemel een weinig verdeeld, en wierp een halflicht door de dunne witte strepen, die langs de schitterende schijf heentogen.Maria bleef een oogenblik staan en zag naar den hemel op; zij verloor zich in stille bespiegelingen.Arnheim, die steeds trachtte haar nabij te blijven, vestigde zijne blikken op haar gelaat. Er lag oneindig veel meer zachte vrouwelijkheid dan hoogheid in hare trekken, doch tevens iets zoo reins en edels, dat zich alle liefde voor deze vriendelijke gedaante met eerbied of ten minste met de teederste schroomvalligheid paarde. Misschien was de gravin, die een scherpen blik voor alle toestanden had, niet zonder oogmerk met Lodoiska vooruitgegaan, zoodat Maria zoo goed als alleen metArnheimachterbleef. Zij zelve althans had het niet bemerkt.„En wat zoekt en vraagt het oog mijner schoone vriendin daar boven?” vroeg hij eindelijk, haar zwijgend mijmeren afbrekende.„Ach! ik dacht aan ons vaderland,” zeide zij op hartelijken toon en met volkomen vrijmoedigheid. „Gij hebt zulke schoone troostwoorden voor mij gesproken, zulke dierbare verwachtingen in mij opgewekt!—Moest mij deze hemel niet als een zinnebeeld van onzen toestand voorkomen? Het licht strijdt met duistere wolken. Vóór een uur lag alles nog in een donker grauw bedolven; thans verbergen nog slechts witte, halfverlichte sluiers de zon. Zoo hebben ook uwe woorden mijne uitzichten verhelderd; zij liggen niet meer achter geheel donkere wolken.”„O, deze zullen zich spoedig geheel verdeelen,” riepArnheimmet drift uit. „Wij zijn alleen. Ik moet voorzichtig zijn; maar een hart, dat ook in den vrouwelijken boezem zoo vaderlandsch klopt als het uwe, mag ik wel een mannelijk geheim toevertrouwen, dat uwe hoop gelijk een morgendauw zal verkwikken. De gezindheid van broederlijke eendracht, waarop ik met mijne woorden doelde, is in ons vaderland geen schoone droom, geen vrome wensch meer. Met levendigheid is zij ontwaakt; de ijzeren druk der tijden heeft de kracht des wederstands te voorschijn geroepen. Gelijk het staal eerst door zijne harde aanraking de vonk uit den kouden steen lokt, zoo hebben de slagen van het noodlot in Duitschland edele vonken doen voortkomen, die eens, tot een stil aangroeienden gloed vereenigd, als eene heldere vlam zullen opflikkeren. Ja, de edelste mannen reiken elkander de hand; een voor lang gesloten verbond, dat wel voor het uiterlijk weder ontbonden werd, doch in zijn hooger doeleinde bleef voortbestaan, vereenigt hen en slingert zich als eene geheime keten door geheel ons vaderland. Nader en vertrouwelijker dan ooit zijn deze edelen nu verbonden, en in allen leeft het vaste besluit, het onwaardige niet rustig lijdend te verdragen. Doch met de sterke teugels der matiging houden zij de uitbarsting der diepste verontwaardiging terug, totdat de krachten in evenredigheid met den wil zijn aangegroeid. Het gunstig oogenblik zal worden afgewacht; het is geen traag uitzien, want dikwijls vertoont zich de gunst van het noodlot aan het opmerkzame oog. Ondertusschen worden alle krachten voorbereid en gevoed, vertrouwde vrienden aangeworven en in stilte het goede zaad gestrooid. De geheime draden tot het weefsel van groote gebeurtenissen zijn uitgespannen; één wenk, en duizend handen zijn er aan werkzaam.”Arnheimsblikken flonkerden van geestdrift, terwijl hij zoo sprak; ook in Maria's oog schitterde een straal van hoop.„O,” zeide zij, „dus zullen in dit hart toch nog vreugde en hoop terugkeeren; dat zijn gewaarwordingen, die het sinds langen tijd vreemd waren. Hoezeer dank ik u voor dit bericht! Hoe krachtig richt zich de reeds gezonken moed in mij op!—En gij behoort tot dit verbond?”vroeg zij na eenige oogenblikken.„Eerst sinds twee weken, toen waardige mannen in Pruisen mij die eer waardig rekenden,” hernamArnheim.„Neem ook mij daarin op, als een zwijgend, doch niet minder getrouw lid,” zeide Maria en reikte hem de hand. „In mijn hart behoorde ik reeds lang tot zulk een verbond.”Arnheimgreep Maria's hand. Hij kuste ze niet, maar drukte ze met warmte. Een zonderling gevoel beklemde hem de borst. Maria stond zoo beminnelijk voor hem, haar blauw oog zag hem zoo trouwhartig en open aan—o, zij was schoon en goed, en beter dan schoon!„Hoe noemt gij dat schoone verbond, waartoe ik in stilte wil behooren?” zeide zij, toen hij bevend stilzweeg; „ik heb echter slechts gevraagd, wanneer gij mij moogt antwoorden.”„Het voert een schoonen, misschien te trotschen naam. Doch deze moet slechts van den wil en niet van het volbrengen der broeders verstaan worden; het heet hetDeugdverbond.”Op dit oogenblik dreven de laatste wolken voor de zon heen en haar schitterend licht viel rein en glansrijk op de sprekers. Tegelijk verhief zich een statig ruischen in de herfstelijke toppen, alsof edele geesten op machtige vleugels voorbij zweefden. De wolkengordijn werd wijd geopend; het licht stroomde uit de blauwe ruimte neder en goot zich als eene gouden golf over het gras en de zich trotsch wiegelende kruinen der boomen uit.„Dat is de nabijheid des Almachtigen, het is Zijn heilverkondende wenk, het teeken Zijner zegenende goedkeuring,” riep Maria met geestdrift en richtte haar verheerlijkt oog naar het gewelf des hemels, wiens donker, zuiver blauw hoog boven de verstrooide wolken stond. „Welk hard lot mij ook treffe, welke beproevingen Gij mij ook toezendt, aan dit teeken wil ik mij vasthouden. Dat zal voor mij lichten in de donkere dagen, door welke Uw wil mij voert.” Zoo sprak zij in de volheid van haar geloovig vertrouwen.Arnheimstond met diepen eerbied voor haar. In zijn boezem bewogen zich hevige aandoeningen; doch een donker voorgevoel zeide hem, dat haar hart, dat zich zoo vrij, zoo onverdeeld aan haar vaderland toewijdde, slechts van deze hoogere vlam en niet van den stilleren gloed der liefde vervuld werd. Smartelijk getroffen zweeg hij. Het nabijzijnde beeld der geliefde, dat hij eerst meende te omvatten, verdween; maar eene hoogere, edeler gedaante zweefde voor hem en zag hem uit eene lichtende hoogte aan. Geen bruid waagde hij aan het hart te drukken, tot eene heilige verhief hij zijn blik. Want zóó stond zij thans voor hem. Met zijn veredeld gevoel groeide de verlangende smart in zijn boezem aan, maar ook tevens de kracht, om over deze te heerschen.„Ja,” hernam hij met mannelijke vastheid, „gij hebt recht. Deze grootsche verwachting moet ons als de vlam eener baak, als het vaste doel midden in den stormachtigen nacht dezes levens voorlichten. Ook de schipbreukeling mag nog den laatsten blik derwaarts wenden, en, wanneer hij edel weet te denken, den troost medenemen, dat anderen, door haar geleid, de haven der vrijheid en des vredes, voor welke hij strandde, zullen bereiken.”„Ik geloof, dat de gravin ons wacht,” zeide Maria, die haar ver achterblijven nueerst een weinig blozend, bemerkte. „Wij zijn inderdaad geheel achtergebleven.”Met deze woorden ging zij sneller vooruit.De gravin merkte beider ontroering dadelijk op; doch met ware fijngevoeligheid verried zij dit zelfs niet door een glimlach, niet door een oogopslag; maar scheen het achterblijven, als bloot toevallig, niet eens een opmerking waardig te achten.„De lucht is onze wandeling gunstig,” merkte zij aan, toen de zon juist door de wolken brak. „Zij gaf gedurende eenige oogenblikken de schoonste verlichting aan het park. De wolkenschaduwen vlogen er over heen en de stroom des lichts ijlde ze als vervolgend achterna.”„Die afwisselende verlichting maakte mij den herfst, ik meen de herfstlandschappen, zoo lief.”„Hij gelijkt zeker veel op een treurspel in het vierde bedrijf,” hernamArnheim, terwijl hij zijne gemoedsbeweging achter den lichten toon der samenleving trachtte te verbergen.„Waarom dat?” vroeg de gravin.„Daar immers beginnen de gelukkige betrekkingen gewoonlijk te weifelen; de heldere hemel, dien de dichter als contrast van den storm, welke hij wil oproepen, over ons uitgespreid heeft, verduistert zich langzamerhand en wij aanschouwen den strijd van het licht met den nacht van het tragische noodlot. De melodieuse tonen van gelukkiger dagen zijn nog niet geheel vervlogen, maar reeds rollen de doffe tonen des donders in de verte. Evenzoo de herfst, die misschien daarin zijne grootste bekoorlijkheid vindt, dat wij alle schoonheden der natuur gereed zien ons te ontvluchten. Zoo worden onze betrekkingen ons eerst recht dierbaar bij het afscheid; daar eerst erkennen wij weder thans waarde; ja het onverschillige stijgt hoog in prijs, wanneer wij er van moeten scheiden.”„Gij hebt gelijk, doch ik zou aan den herfst toch ook wel eenige zelfstandige waarde willen toekennen. Het bewijs schijnt mij daarin te liggen, dat ik mij in den zomer reeds in zijne verschijning verheug; wie echter hoopt op het afscheidsuur?”„Ik wil mijne vergelijking niet verdedigen. Niet eene is er onkwetsbaar; op de eene of andere plaats dringt de pijl der kritiek altijd door. Alle, voornamelijk de schertsende verliezen wanneer men ze standvastig wil volhouden. Mij schijnt het ook een zeer groot gebrek aan poëzie te verraden, dit te willen doen; slechte dichters alleen wagen het. De schoonheid der vergelijking bestaat slechts in de half uitgedrukte, maar tegelijk diep verstaanbare beteekenis der waarheid; men moet ze daaruit erkennen en gevoelen, maar niet bewijzen of verklaren.”De gravin luisterde opmerkzaam naar de woorden vanArnheim; een gesprek, dat nadenken vorderde, was haar steeds het aangenaamste. Maria had zich bij Lodoiska gevoegd, in wier vreugde zij thans met een even verblijd hart kon deelen.Opeens klonk tusschen het geruisch der boomen en het waaien des winds het plechtig gelui der klokken van de nabijgelegen Andreaskerk heen.„Op dezen ongewonen tijd? Wat mag dat beteekenen?” vroeg de gravin.Het gelui der klokken liet zich thans van verschillende kanten hooren; van nader en verder afgelegen kerken drong het gedreun door de stilte des voormiddags.„Het zal de viering der overwinning beteekenen,” merkte de ritmeester aan.„Gij hebt gelijk. Ja, en het is eene zege, voor welke wij den hemel moeten danken.Hoe mij het hart vol wordt bij deze klanken! Eene zege! Eene zege! Uit de donkereonweerswolken van den slag breekt misschien het nieuwe morgenrood voor ons vaderland aan.—Thans versta ik dien onrustigen aandrang in mijn boezem; onder het biddende, dankende volk moet ik mij mengen, de gloeiende ziel in eigen gebed ten hemel verheffen.”Haastig wendde zij zich om en ging op het paleis aan. Haar voornemen was een onweerstaanbaar gebod voor de overigen, ook zelfs indien hun eigen vreugdegevoel hen niet naar het altaar des Almachtigen gedreven had.„Geen rijtuig, geen rijtuig!” riep de gravin eenen bediende toe, die, daar hij bemerkte, dat men zich gereed maakte uit te gaan, de vraag, of hij den koetsier zou bestellen, op de tong had. „Wij gaan te voet. Gelijk het gansche volk ter kerke stroomt, zoo ook wij. Het is een dag van deemoed en niet van trotschheid. En toch, hoe fier klopt mij het hart!”Ondertusschen had zij een donkeren sjaal omgeslagen.Arnheimbood haar den arm aan. Maria en Lodoiska volgden.Op de straten was alles in beweging. Het volk stroomde over de pleinen naar de kerk. Alle klokken luidden, als op den feestdag eens heiligen. Onder het hôtel van den gezant kruisten zich twee wapperende driekleurige vanen. De in de stad aanwezige troepen vereenigden zich, om in parade naar de kerk te worden geleid. Als door een tooverslag was de werkdag in een hoogen feestdag veranderd. Het volk had zijne zondagskleederen aangetrokken; mannen, vrouwen, meisjes en kinderen, alles stroomde in bont gewoel naar het altaar des Heeren. Hoe schitterden de vurige oogen der meisjes en jongelingen. Genen golfde het lange, zwarte haar onder de sluiers weg en bedekte den blanken hals. Deze hadden de hooge, met tressen versierde mutsen, van welke rijke kwasten afhingen, trotsch in de oogen gedrukt en met mannelijke fierheid de sabel aangegord.Maria werd het bijna bang om het hart, toen zij de algemeene volksvreugde aanschouwde. Ach, in haar vaderland had zij zulk een feest nog niet beleefd. En zal men daar niet over deze overwinning treuren? Is ons hart niet aan de zijde des vijands, ofschoon ook onze landgenooten, door de macht der wereldgebeurtenissen gedwongen, tegen hem zijn uitgetrokken? En zal deze slag waarlijk zulke zegenrijke gevolgen voor ons hebben, als de verwachtingen nu gespannen zijn?Met zulke gedachten was men de St. Andreaskerk genaderd, wier wijde deuren openstonden. De tonen des orgels klonken den binnentredenden plechtig tegemoet en vermengden zich met het dreunend geluid der klokken; de kaarsen op het altaar brandden: voor alle beelden der heiligen waren zij aangestoken. Het volk vulde bijna reeds de ruime gewelven, doch nog steeds drongen nieuwe scharen binnen. Met moeite bereikte de gravin nog haar afgesloten bidstoel, door welks tralies men de gansche kerk overzag. Tegenover het koor waren de zitplaatsen van het fransche gezantschap; links zag men het groot altaar, rechts den kansel.Het traliewerk van hare plaats was Maria zeer welkom, wijl zij dezen dienst moest bijwonen zonder de uiterlijke plechtigheden mede te verrichten en derhalve slechts als toeschouwster verscheen, terwijl haar hart toch innig dankbaar voor het behoud der haren sloeg en haar vurig smeekgebed voor eene zegenrijke wending van het lot haars vaderlands tot God omhoog steeg. Zij ondervond thans, dat de ware vroomheid, het ware, vaste geloof geen secten, geen vormen des gebeds kent. Gij vindt uwen God overal, waar gij in waarheid tot Hem bidt.Terwijl de gravin en Lodoiska met den rozenkrans in de hand nederknielden, bleef Maria stil, doch aandachtig op haar afgezonderden zetel.Arnheimwas niet mede in den bidstoel der gravin getreden, wijl het gebruik de mannen en de vrouwen in de kerk scheidde.Lodoiska bad met den gloed eener dweepster; haar oog vestigde zich onafgebroken op een tegen haar over hangend Mariabeeld. Zacht bewoog zij de lippen, doch geen geluid werd hoorbaar. De gravin was ernstig; ook knielend behield zij de majesteit harer houding, want de hoogheid straalde van haar open voorhoofd. Haar groot, donker oog verhief zich van tijd tot tijd onder de lange wimpers en zag met heiligen ernst omhoog.De mis was geëindigd, de vrouwen verlieten de Kerk. Dicht bij de deuren kruisten zich de stroomen van menschen, zoodat er eene stremming ontstond. Van beide kanten kwamen zij, die op het koor gezeten hadden, de trappen af; van drie kanten drong de stroom uit het schip van de kerk voort.Arnheimhad zich niet weder bij de vrouwen kunnen aansluiten; zij waren alleen en hielden zich stijf aan elkander vast. Nu kwam ook de fransche gezant met zijn talrijk gevolg de trappen af. De stroom van menschen voerde hem dicht langs de vrouwen heen. Langzamerhand zag Maria zich geheel van uniformen omgeven; zij boog het hoofd, om de somwijlen zeer stoute blikken dezer mannen te ontwijken. Daar hoorde zij eenige fransche woorden door eene stem uitspreken, die haar bekend was. Zij keek op, doch, als had zij op een adder getrapt, deinsde zij onwillekeurig bevend achteruit en verbleekte, want zij zag, met het gelaat half naar haar toegekeerd, den gevreesden, gehatenBeaucairevoor zich en twee treden van hem af ookSt. Luces. Zij moest al hare tegenwoordigheid van geest bijeenroepen, om zich niet door een gil te verraden; hare knieën knikten, nauwelijks vermocht zij een voet te verzetten. Zij zou zekerlijk zijn neergezonken, wanneer het gedrang der naar buiten stroomende menschen haar niet met geweld had staande gehouden. Hare gewaarwording geleek die van een wandelaar, die plotseling ontdekt, dat hij zich naast eene in het gras slapende slang heeft nedergevlijd om uit te rusten; hij weet niet of vluchten dan blijven hem in het verderf zal storten. ZooalsBeaucaireenSt. Lucesop dit oogenblik stonden, was het hun onmogelijk Maria te zien. Doch of zij niet reeds lang door beiden bemerkt was, kon zij niet weten. O, hoeveel had zij er thans niet voor gegeven, zoo zij, evenals Lodoiska en de gravin, een sluier gedragen had, om haar gelaat te verbergen. Zij wendde het af, bedekte het met haren zakdoek, zocht zich te verbergen zoo goed het mogelijk was, doch de voortstuwende massa drong haar immer nader aan het gevaar en zij zag het oogenblik komen, waarop zij in de onmiddellijke nabijheid vanBeaucairezoude zijn en haar arm den zijnen moest aanraken. Zij zou de gravin een wenk gegeven hebben, doch ieder woord was gevaarlijk en kon haar verraden. In doodsangst wachtte zij stil den afloop af en gaf zich aan haar lot over. Slechts een zwijgend gebed zond zij tot den Almachtige op, dat Hij haar uit dit gevaar mocht redden. Daar keerde de stroom zich plotseling zijwaarts af, daar men eene tweede deur geopend had. De gravin volgde dezen stroom, en zoo bereikte men in weinige minuten de open lucht, waar voor het oogenblik ten minste veiligheid was. Thans eerst kon Maria harer moederlijke vriendin het gevaar ontdekken, waarin zij verkeerde. Deze sloeg dadelijk een omweg door eenige zijstraten in, om ongemerkt het paleis te bereiken. Zij zocht Maria gerust te stellen door de verzekering, dat niemand in Warschau het zou durven wagen, het heiligdom der gastvriendschapte verontrusten, ook zelfs als men haar verblijf ontdekt had. „Intusschen twijfel ik hier aan,” voer zij voort, „want had een dezer mannen ons herkend, dan zouden zij hun oogen onafgewend op ons gericht hebben, doch hiervan heb ik niets bemerkt.” Ook Lodoiska voegde zich bij deze meening.Door deze verzekering eenigermate gerustgesteld, haalde Maria weer vrijer adem. Had de gravin gelijk, dan was zij inderdaad een groot gevaar gelukkig ontkomen; want bij den toenmaligen stand van zaken had zij, in Duitschland ten minste, van de willekeur van zulk een vijand alsBeaucaireen allerdenkelijkst ookSt. Luceswas, alles te vreezen. Er was geene andere redding, dan de vlucht of deze of gene machtige bescherming. Op deze hoopte Maria door het aanzien der gravin; aan zich zelve overgelaten, ware zij verloren geweest, want het geringste vermoeden van in staatkundige bemoeiingen gewikkeld te zijn geweest was immers voldoende, om zelfs tegen vrouwen de hardste maatregelen te billijken, en Maria wist zeer goed, dat zij en hare moeder deze slechts door de ijverige en behendige tusschenkomst van Rasinski en door het gelukkig toeval vanSt. Luces'vertrek uit Dresden ontkomen waren. Wat toen de broeder voor haar gedaan had hoopte zij thans van de zuster. Om zekerheid nopens den stand van zaken te verkrijgen, begreep de gravin, dat menArnheim, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk in het geheim moest inwijden: een vertrouwen, dat Maria hem, na wat hij haar dezen morgen geopenbaard had, volkomen waardig keurde. In de kerk was men wel van hem gescheiden geraakt, doch men twijfelde geen oogenblik, of hij zou zich zeer spoedig weder in het huis der gravin laten zien. Ondertusschen werd het middag en nog verscheen hij niet. Dit verwekte bij Maria eenige bezorgdheid, ofschoon zij over haar eigen toestand reeds rustiger werd, daar zij, zooBeaucairehaar bemerkt had en vervolgen wilde, reeds nu de werking zijner booze aanslagen zou bespeurd hebben. Immers, hij kon haar niet anders dan in gezelschap van Lodoiska en de gravin gezien hebben, welke hij beiden kende, hetgeen genoeg was, hem haar verblijf te ontdekken. Eindelijk tegen den avond lietArnheimzich aandienen. Wanneer hij geweten had, hoe smartelijk men naar hem verlangde, was hij reeds lang daar geweest; doch hetzelfde gevoel, dat hem zoo machtig naar deze plaats trok, hield hem juist terug. Niet zelden toch schroomt men het meest, dáár een bezoek te maken, waar men het liefst is, wijl men eene teleurstelling in zijne poging zoozeer vreest, dat men die somtijds liever in het geheel niet onderneemt. Voor dit avondbezoek hadArnheimevenwel een geldig voorwendsel of liever eene dringende reden, want hij moest nog dezen nacht als koerier vertrekken. Te negen uur was hij bij den gezant bescheiden, om zijn depêches te ontvangen. Toen hij met deze verontschuldiging zijn bezoek inleidde, begreep men terstond, dat zijne hulp in de zaak, welke men hem wilde toevertrouwen, niet meer mogelijk was. Doch hij bracht zelf het gesprek daarop, daar hij zich spoedig liet ontvallen: „Het schijnt, dat alle badgasten uitTeplitzzich in Warschau willen verzamelen, want ik ontmoette er twee bij den gezant, de beide Franschen, die op die buitenpartij naarAussigbij ons kwamen.”„Hebt gij hen gesproken?” vroeg de gravin op een toon, die te haastig was, om niet opgemerkt te worden.„Slechts even,” antwoorddeArnheim; „doch waarom? Wenscht gij misschien.....”„O ja, wij wenschen zeker iets en zouden u een gewichtigen, dringenden dienst kunnen vergen,” viel de gravin hierop in en zag Maria aan.„Met groot genoegen stel ik mij tot uwe beschikking,” antwoorddeArnheim.„Het is de vraag, of gij het nog kunt. Ons verlangen namelijk is dit, dat de beide Franschen, zoo mogelijk ons verblijf in 't geheel niet te weten komen, want wij hebben dringende reden, om hen te mijden. Misschien hebt gij ons echter reeds genoemd en dan....”„Stellig niet,” vielArnheimhaar in de reden; „want ik herinner mij nog uitTeplitz, dat deze heeren u,” hier zag hij Maria aan, „reeds bij de toenmalige ontmoeting niet aangenaam waren; mij zijn zij het inderdaad ook niet en wij wisselden daarom slechts eenige onbeduidende woorden. Ook kunt gij geheel zonder zorg zijn, want zij reizen nog heden, op hetzelfde uur als ik, van hier.”„Goddank!” riep Maria uit, die tot hiertoe met eene angstige spanning had toegeluisterd en wie nu de aangename verrassing dezen uitroep uitlokte.Arnheimwas verbaasd over hare drift; doch zijne bescheidenheid verbood hem, navraag te doen. Maria gevoelde nochtans, dat zij zich verklaren moest, wanneer zij niet tot vreemde vermoedens aanleiding wilde geven.„Gij moet weten, heerVon Arnheim,” begon zij dus, „dat ik de oorzaak ben, waarom de gravin een bezoek dier beide heeren wenscht te ontwijken. Eene aaneenschakeling van gebeurtenissen, welke ik het recht niet heb mede te deelen, heeft bewerkt, dat ik deze beide mannen vermijden, ja ontvlieden moet. Gij kunt u dus van mijn innigsten dank verzekerd houden, wanneer gij nu noch ooit, waar gij hen ook moogt ontmoeten, iets van mijn tegenwoordig verblijf alhier laat merken. Het is een dienst, waarom uwe landgenoote u in de volste beteekenis van het woord bidden moet.”„Ik zou mij zelf voor een ellendeling houden, zoo ik ook maar met een woord, met een blik tegen uw wil handelde,” riepArnheimmet levendigheid uit.„Ik ben overtuigd, dat gij doen zult, wat gij vermoogt, om mij iets onaangenaams te besparen,” zeide Maria vriendelijk en reikte hem de hand; „neem mijn warmen dank daarvoor reeds bij voorbaat aan.”„Wanneer gij mij slechts meer, slechts iets, dat waarlijk naar eene daad, naar een dienst geleek, had opgedragen! Wenscht gij misschien iets anders van deze beide mannen te weten?”„Ik weet niet, of het mij helpen zou,” antwoordde Maria; „doch zeg ons wat gij weet; want schadelijk kan het mij nooit zijn, de betrekkingen van hen, voor wie ik mij in acht moet nemen, te kennen.”„Het is inderdaad weinig. Voor zoover ik weet, zijn zij beiden bij de burgerlijke administratie, die tot de groote armee behoort, aangesteld en in die betrekking gaan zij thans daarheen. Hun post schijnt zich bijzonder tot de hospitalen te bepalen, die in den rug van het leger aangelegd zijn en gedeeltelijk nog worden aangelegd.”„Dan zullen zij misschien niet naar de armee zelve gaan?” vroeg Maria en een zweem van hoop herleefde in haar binnenste.„Hun naaste bestemming is Wilna; verder kan ik niets zekers opgeven. Maar derwaarts zullen zij reeds binnen eenige uren op reis zijn.”„Het is ook voldoende, en genoegzame geruststelling voor ons,” zeide de gravin. „Doch uwe eigene afreize is zoo nabij, dat wij bijna vreezen moeten, u door het verzoek, om het overige van dezen avond bij ons te blijven, den tijd tot uwe toebereidselen te ontrooven.”„Indien gij mij wilt veroorlooven, deze weinige uren zoo gelukkig door te brengen, mijne bezigheden zijn afgedaan. Te negen uur ontvang ik mijne depêche, te tien uur ben ik zeker reeds een goed van Warschau verwijderd, want ik heb mijn wagen voor het hôtel van den gezant besteld. Tot negen uur dus....”„Zijt gij mij de meest welkome gast,” viel de gravin hem in de rede.Men bracht licht in de zaal en er werd thee rondgediend. Het weêr was weder ruwer geworden, de wind ruischte najaarsachtig door de boomen en sloeg tegen de vensters. Dit verhoogde slechts de gezelligheid van het vertrek; zelfsArnheimvergat, dat hij dit geluk slechts voor zulk een vluchtig oogenblik kon genieten, dat hij na weinige uren door de ruwe hand des krijgs weder van alle vertrouwelijk, gezellig bijeenzijn voor langen tijd zou gescheiden worden. Men sprak van den slag, van de offers, welke zij geëischt had, van de nog meer beklagenswaardigen, die eerst na een langdurig lijden het geruste perk des doods zouden bereiken.Arnheimschilderde met kennis van zaken den dringenden nood, die dikwijls in hospitalen heerscht, het gebrek aan werktuigen, doch vooral aan verplegende handen.„Ieder leger,” riep Lodoiska, door hare deelneming medegesleept, „moest door vrouwen en meisjes gevolgd worden, om de verzorging der gewonden op zich te nemen.”„En zoudt gij moed tot zulk eene onderneming hebben?” vroeg de gravin glimlachend, maar toch ernstig.Lodoiska, die wel gevoelde, wat haar den moed hiertoe zoude verleenen, werd hoog rood, doch antwoordde snel: „Ja, gewis, ik acht mij daartoe in staat.”„Ik weet niet,” zeide Maria op weifelenden toon, „of niet allen, die betrekkingen onder de strijders hebben, zulk eene verplichting moesten gevoelen. Wij meisjes moesten ons misschien daarvan onthouden; maar eene vrouw, die weet, dat haar gemaal in gevaar is, moest ten minste wel nabij genoeg zijn, om in de ure van den nood tot zijne hulp te kunnen toesnellen.”„Wanneer dat slechts mogelijk was en veroorloofd kon worden,” hernamArnheimniet onbewogen; „onze soldaten zou zulk eene verpleging met dubbele koenheid naar het veld drijven, waar de wonden te halen zijn, waaraan zij een zoo groot geluk zouden te danken hebben.”„De troost voor de te huis blijvende gade,” merkte de gravin aan, „ligt gewis in het gevoel, dat de man zijn edelste roeping vervult, dat hij voor den roem, de eer, de vrijheid of veiligheid van zijn vaderland strijdt. Eene waarlijk edele, den man waardige vrouw zal zoo moeten denken en daarom ook aldus leeren gevoelen. Zij mag hem het offer, dat alleen zijne persoonlijkheid zoude gelden, niet brengen, daar zij, zonder hem te beschamen, niet mag veronderstellen, dat hij het vordert. De man, die den ganschen omvang zijner plichten overziet, weet ook, dat, wanneer hij ten strijde trekt, hij aan het vaderland vrouwen en huismoeders moet achterlaten, die het opkomend geslacht voorde toekomstaankweeken; ja dat have en goed van ieder in het bijzonder, die vereenigd have en goed van het algemeen zijn, ten algemeenen nutte zorgvuldig moeten bestuurd worden. Door deze overweging schijnen de plichten eener vrouw mij voorgeschreven, en lichter gemaakt te zijn.”Niet slechtsArnheim, maar ook Maria en zelfs Lodoiska moesten bekennen, dat de gravin de plichten der vrouw op de waardigste wijze opvatte; zij luisterden met eerbied naar haar. Want wat ernstige zelfbeheersching zij ook eischte, toch verloochende zij het teeder vrouwelijk gemoed niet; zij vergunde het zijne rechten, slechts de alleenheerschappij wilde zij het niet toestaan.„In het algemeen is dat zeker het alleen ware en rechte,” zeide Maria; „doch er komen ook gewis gevallen voor, die eene uitzondering maken. Ten minste zullen wijdie, wanneer zij zich opdoen, uit de eigenaardigheid der karakters verklaren, dikwijls rechtvaardigen en somtijds ook wel bewonderen kunnen.”„Zoo is het,” riepArnheimmet levendigheid en hechtte zijn oog op het schoone, stil gelaten wezen, dat hem, hoe nader het oogenblik des afscheids kwam, nog gestadig dierbaarder werd. Doch hij besloot met mannelijke kracht zijn gevoel te beheerschen en het hart van Maria niet tot een besluit te dwingen, dat het gansche leven omvat, in een oogenblik, waarin zij nauwelijks tijd zoude hebben, haar ja of neen uit te spreken.De uren waren sneller dan minuten vervlogen. De klok van den St. Andreastoren sloeg negen uur; het strenge gebod van den plicht veroorloofde geen langer vertoeven. Hartelijke wenschen begeleidden den vertrekkende; het afscheid was voor allen roerend,Arnheimmoest het verhaasten, om zich niet te verraden.HOOFDSTUKIV.De eerstvolgende dagen gingen voor de vrouwen zoo stil als gewoonlijk voorbij. De gewonnen slag maakte voor haar, gelijk voor alle inwoners van Warschau, nog steeds den hoofdinhoud van het gesprek uit. Van tijd tot tijd werden meer juiste berichten daaromtrent bekend, daar ieder, die den zijnen, hoe vluchtig dan ook, geschreven had, toch de eene of andere omstandigheid had vermeld. De bestorming der groote redoute was door de meesten kortelijk meêgedeeld. Bijna niemand was er, die niet van het groote verlies, de hardnekkigheid van het gevecht, het ontzettend artillerievuur en de ongeloofelijke inspanningen het een of ander aanhaalde.Na drie dagen verscheen een uitvoerig officieel bericht in de couranten. De gravin las het eerst met de meest ingespannen aandacht. Trotsch klopte haar hart, zoo dikwijls de dapperheid der poolsche troepen werd vermeld, vooral echter, waar het bericht van de cavalerie sprak. Toen zij had uitgelezen, ging zij naar Lodoiska en Maria, die, met vrouwelijken arbeid bezig, op hare kamer zaten, om haar voor te lezen, wat de couranten inhielden. De belangstelling der beide meisjes was zoo groot, dat de naald haar onwillekeurig ontzonk; bij elken nieuwen strijd, die geschilderd werd, beefden zij opnieuw voor hare betrekkingen. Vooral toen het heette: „Nu kreeg de koning van Napels bevel van den keizer, om alle cavalerie, die hem ten dienste stond, bijeen te zamelen en daarmede de russische liniën overhoop te werpen, zoodat de schrikkelijke redoute in front aangevallen kon worden. Twee regimenten saksische kurassiers, drie poolsche regimenten lichte cavalerie....”Hier begon Lodoiska te beven en verbleekte; zelfs de meer bedaarde Maria verschoot van kleur, Rasinski werd niet genoemd, doch een voorgevoel zeide haar, dat hij er met zijn regiment bij tegenwoordig geweest was. Deze voorstelling werkte sterk op haar; de beschrijving van het gevecht was levendig. Zij erkende groote verliezen, doch schilderde ook de zegepraal met schitterende kleuren.De gravin was aan het einde. Als op een afgesproken teeken sprongen de meisjes, die tot dusver in bevende spanning hadden gezeten, op en zonken elkander in de armen. Het was de diepste aandoening over de redding harer geliefdsten uit het schrikkelijk onweder van dezen strijd. Zelfs de gravin werd week, sloot de meisjes aan hare borst en boog haar moederlijk hoofd tot haar neder.Eerst den vijfden dag kwam een tweede brief van Rasinski, waarin met potlood geschreven blaadjes van Lodewijk en Jaromir lagen. Rasinski schreef:„Dierbare Zuster!„Sinds vier dagen vervolgen wij den vijand zonder ophouden en dagelijks vallen er schermutselingen voor. Evenwel rukken wij langzaam voort, daar de Russen zich in goede orde terugtrekken. Het zou niet zoo zijn, als onze afmatting het mogelijk had gemaakt, hen sneller te vervolgen. De zorg voor onze gekwetsten en voor ons onderhoud neemt bijna ieder oogenblik in beslag. Daarom slechts deze weinige regels. Wij hebben vele dierbare vrienden verloren! Twee derden van mijn regiment liggen op de hoogten van Smolensko, en onder hen ook mijn trouwe Petrowski, wiens lijk ik niet eens kon opzoeken en begraven. Sinds duizenden van jaren is er zoo geen bloedige slag gestreden. Onze vermoeienissen zijn onbeschrijfelijk, doch door Gods goedheid zijn wij nog gezond en wel. Over het bloedige slagveld vanBorodinozal de vrijheidszon van Polen opgaan. Daarom, Johanna, treur niet over de dooden. Het vaderland zal hun eereteekenen stichten, die hun roem onvergankelijk doen schitteren. Vaarwel, Johanna! Hetmorgenrood breekt eindelijk aan. Verheug u!Uw Broeder.”Lodewijks blaadje luidde:„Maria! dagen had ik noodig, om mijn hart voor u uit te storten, en slechts minuten zijn mij vergund. Den avond vóór den slag vernam ik den dood onzer moeder. O, welk een lieve, vertroostende brief van u. Midden in het gewoel van den strijd was mijn hart slechts bij u, gij arme, en de dreigende gevaren verloren bijna hunne macht over mij. Bernard is de trouwste ziel op aarde; hij waande mij verloren en zocht mij onder de dooden. Doch wij vonden elkander levend terug. Vaarwel! vertwijfel niet! de dag des wederziens en des geluks komt ook voor ons. Dat deze schrikkelijke dag mij spaarde, zij u daar borg voor.”Jaromir schreef slechts:„Lodoiska, mijn eenigst leven! Beef niet meer, alle gevaren zijn voorbij! De slag was geweldig; ook ik beween vele getrouwe broeders en kameraden. Doch mij beschermde uw gebed; u dank ik alles, geluk en leven. O, kon ik slechts weder aan uw boezem zinken. Boleslaw, Lodewijk en Bernard leven.—Dierbaarste, vaarwel! en denk aan uw eeuwig getrouwenJaromir.”Deze eerste berichten van de eigen hand der beminden maakten de vrouwen onbeschrijfelijk gelukkig. Ieder spoor van twijfel was nu verdwenen, zij gaven zich geheel aan het zalig gevoel over, dat na de doorgestane bange zorgen en gevaren aan het hart de zoetste belooning schenkt.Voor en na bezocht Lodoiska dagelijks de mis. Doch hare gebeden waren nu dankgebeden geworden, en hare tranen werden niet meer door angst en verlangen afgeperst, maar vloten uit dankbare aandoening.Zoo verliep eene week.Daar kwam het bericht van het binnenrukken van het keizerlijk leger in Moskou; uit den burcht der oude czaren was het bulletin gedagteekend, waardoor de keizerdeze nieuwe, laatste overwinning aan het verbaasde Europa bekend maakte. Derhalve was nu het groote doel, de lang gewenschte vrede, bereikt. Met wien toch zoude men oorlog voeren, wanneer er geen vijanden meer te overwinnen waren? Thans herleefden weder alle verwachtingen in alle harten, nu eindelijk geloofde men den dag der rust, de vergelding voor de zoo oneindig vele offers te zien aanbreken. De Pool gevoelde zich reeds weder vrij. Hij hoopte weder een vaderland, een uit den boezem des volks te voorschijn getreden koning, eene geschiedenis te zullen bezitten. In dit gevoel was de gravin gelukkig en trotsch. Lodoiska leunde de hut van haar stil geluk tegen het koene paleis van verwachtingen aan, dat hare verzorgster opbouwde. In hare warme borst koesterde Maria de kiemen, welkeArnheimsbeschouwing der dingen troostvol in haar had opgewekt. Ofschoon niet dadelijk, zullen zij toch spoedig opschieten; gij zult nog dagen van vrijheid zien aanbreken, zult uw vervolgden broeder weder vrij en veilig aan het hart drukken, zult zijn trouwen vriend onbeschroomd de hand durven reiken. Eindelijk zullen de zwarte wolken, door dezen laatsten slag uiteengejaagd, zich verdeelen en zal de blauwe hemel weder vroolijk over uw vaderland lichten. Lang genoeg hebben de ruwe winterstormen geduurd. Er moet ook weder een dag der lente aanbreken.In deze gelukkige verwachtingen wiegden zich de zielen der vrouwen gedurende vijf dagen.Daar verspreidde zich, het eerst door Joden, die van Brzesc Litewski kwamen, het gerucht, dat Moskou door de Russen in brand was gestoken. In het geheim mompelde men het, en fluisterde het elkander zacht, half geloovig in de ooren; want men waagde niet het luid uit te spreken, om niet de blijde hoop der opgewonden menigte door een misschien blinden schrik neder te slaan. Zooals het gewoonlijk gaat, overdreef de een, terwijl de ander wilde weten, dat het geheele geval zich tot enkele, door toeval in brand geraakte gebouwen bepaalde. In het hôtel van den gezant was alles stil, niemand vernam den inhoud der depêches, welke de koeriers aanbrachten. Doch luider en steeds aangroeiend herhaalden zich de geruchten; reeds durfde niemand ze meer tegenspreken. Eindelijk was de ramp niet meer te verbergen. Openlijk bevestigden de berichten des franschen gezants, dat de Russen in hunne razende woede zelven hunne hoofdstad der vernieling gewijd hadden. Wat ook gezegd werd, om het verschrikkelijke van deze tijding te verzachten, om het vermoeden tegen te gaan, alsof deze gebeurtenis het fransche leger gevaar of zelfs verderf konde aanbrengen,—de daad scheen te verschrikkelijk, te ongehoord, wanneer zij niet den zekersten uitslag met zich voerde. Slechts om Rusland met gewisheid te redden, kon Moskou aan de vlammen zijn prijsgegeven, gelijk men, slechts om Frankrijk te redden, de brandfakkels in Parijs zoude werpen. Dat gevoelde ieder met onoverwinnelijk bewustzijn. Een stomme, kille schrik had zich van de gemoederen meester gemaakt; eene huivering sloop door de zielen der stoutmoedigsten; de tijd had de menschen aan schrikkelijke gebeurtenissen, aan daden zonder voorbeeld gewend, deze echter ging verre de maat te buiten, overschreed verre de grens van iemands verbeelding. Men herinnerde zich, dat in den schrikkelijksten tijd der fransche revolutie een der redenaars, welker woorden eene vlam, een zwaard, een bliksemschicht werden, wanneer de opbruisende hartstocht ze uit den krater der borst slingerde, om zijne tegenstanders te verschrikken op de tribune had uitgeroepen: „Dan zal de dag komen, dat men aan de Seine de woeste plek zal aantoonen, waar eens Parijs stond.” Deze gedachte reeds had in die dagen,toen men aan bloedige schrikbeelden, aan de ontzettendste heksendansen aller furiën en demonen, die het menschelijk hart kunnen innemen, gewoon was, het bloed in de aderen doen stollen. En nu zoude iets zoo schrikkelijks, ongehoords, ondenkbaars werkelijk geschied zijn? Die stad, welke sinds eeuwen allen roem, glans en rijkdom van het onmetelijk rijk der czaren in hare burchten en paleizen vereenigde; die stad, waar de weelde van Azië zich met de kunst en bedrijvigheid van Europa wedijverend verbond; de oude hoofdstad, gewijd als een zetel van den voorvaderlijken godsdienst!.... deze zoude tot den bodem geslecht, in een akeligen aschhoop verkeerd zijn! Slechts het ijselijkste kon dit ijselijke voortbrengen, het ontzettendste alleen dit ontzettende baren. Een stortvloed van golvende vermoedens kwam bruisend nader. Daarbij kwam, dat deze nauwelijks begrijpelijke gebeurtenis op de vleugels des geruchts tot in het reusachtige aangroeide; men schilderde de verwoeste stad als een aschhoop, die geen levend wezen meer eene toevlucht verschafte als een uitgebranden krater, waarin ook de laatste levensvonk uitgedoofd was. Onder de asch zou het verbrande gebeente der legers begraven, slechts enkele aanvoerders en weinige personen zouden, door een wonder gered, ontkomen zijn. Men kon zich niet verbeelden, dat zulk een worp zou gewaagd zijn, wanneer het niet buiten twijfel was, alles daardoor te winnen. Daarom verhaalde men, dat de keizer reeds op de vlucht, ja deze of gene meende reeds te weten, dat hij in Warschau was. De bedaardsten en bezadigsten geloofden ten minste niet meer aan den vrede, maar hielden deze daad voor het onbedriegelijkste bewijs, dat de strijd nu eerst recht zou beginnen. Zoo volgde de dofste verdooving en de meest moedelooze schrik op den korten roes der vreugde, die de overwinning had aangebracht.De gravin geleek een marmeren beeld, zoo bleek zag zij, sinds deze schrikkelijke tijdingen waren aangekomen. Zij sidderde niet voor het lot van haren broeder, voor dat harer naaste betrekkingen, maar voor dat van haar vaderland. Zij waande in het op den donkeren achtergrond brandende Moskou het schrikkelijke beeld der toekomst van Warschau te zien, en in de haar overstelpende droefheid riep zij angstig voorzeggend uit: „Wie weet, hoe nabij de dag is, dat de vlammen boven de tinnen mijner vaderstad opstijgen, ten zoen voor het ontzettende brandoffer, dat Rusland zijner gebracht heeft.”Lodoiska was geheel moedeloos en verslagen; slechts Maria vond in hare stille gelatene ziel de rust, deze schoone vrucht des geloofs en des bewustzijns tevens. Zij, die zich niet vrij aan de uitgelatenheid der vreugde had kunnen overgeven, maar slechts verwijderde verwachtingen aan het gebeurde knoopte, was ook nu niet zoo diep in den afgrond der moedeloosheid vervallen. De gravin, het met zich zelve volkomen eens zijnde, behoefde geen troost; zij stond ontzet, maar moedig, zonder beven, aan de geopende poorten des verderfs. Doch Lodoiska werd door denstroomder gebeurtenissen bewogen als eene slingerende wijngaardrank; zij had ondersteuning noodig. De liefdevol troostende Maria, die ieder vonkje der hoop met eene alles uitputtende liefde wist aan te wakkeren, was haar steun; want voor de koele, moedige gestalte der gravin beefde Lodoiska heimelijk terug, wijl zij in hare ernstige blikken, in de diepe trekken van hare verheven droefheid het heimelijk verwijt meende te lezen: Gij treurt om niets, dan om uwe armzalige, kleine liefde! Uwe ziel is niet groot genoeg, om het verlies van een vaderland te gevoelen. Mogen allen vrij hun ondergang gevonden hebben in de vlammen, in den aschhoop, wanneer gij slechts uw minnaar behouden hadt.—Lodoiska bedroog zich; deze strenge taal zou Johanna niet gevoerd hebben,daartoe gevoelde haar hart te menschelijk, te medelijdend het lijden in den boezem eens anderen.Doch spoedig veranderde de gestaltenis der zaken weder. In deze dagen dobberde elk levensschuitje op eene stormachtige zee. Nu zag men van den top der baar de nabijzijnde haven, de redding, de overwinning; dan weder stapelden zich de golven hoog boven het hoofd op en lieten nauwelijks eene plek van den eeuwigen hemel aanschouwen. Er kwamen latere berichten uit Moskou, die bewezen, dat het leger geen gevaar liep, dat men, ondanks de schrikkelijkste verwoesting, genoeg woningen voor winterkwartieren had overgehouden; dat de oorlog wel is waar nog voortduurde, maar dat toch de eerste stappen tot vredesonderhandelingen reeds gedaan waren. Thans verdween de verslagenheid, welke de mare des onheils had teweeggebracht, en nieuwe verwachtingen ontsproten.De vrouwen wachtten slechts op berichten van hare vrienden, om zich geheel aan hare vreugde over te geven. Daar kwamen op een avond twee brieven tegelijk aan; de eene van Jaromirs hand was aan Lodoiska, de andere van Rasinski aan zijne zuster gericht. Dit bevreemdde, daar anders alles in Rasinski's brieven ingesloten placht te zijn. Lodoiska was in de vesper; de gravin opende alleen den brief van Rasinski aan haar; hij was van den 15. September, den dag na het begin van den brand, en luidde:„Dierbare Zuster!„Wij zijn, wat ons zelven betreft, een groot gevaar op de verwonderlijkste wijze ontkomen. Moskou staat in volle vlam. Er heerscht eene verwarring zonder voorbeeld. Wij moeten uit de stad naar buiten rukken en liggen thans op bivak. Ik maak van de eerste minuut, welke ik vind, gebruik, om u te melden, dat wij allen in leven en gezond zijn. Wanneer dit briefje weggaat, weet ik niet. De oversteRegnard, dien ik zoo even sprak, bezorgt het op de veldpost.Uw Broeder.”Doch in den brief lag nog een afzonderlijk, gesloten briefje met het opschrift: „Voor u alleen.”„Wij vermissen Jaromir! Verzwijg dit voor Lodoiska. Dat hij omgekomen zou zijn, is haast niet denkbaar. Ik moest hem met een bericht naar den maarschalk Mortier zenden; zoo is hij van ons gegaan. In deze onmetelijke stad, bij deze ongehoorde verwarring is echter niets gemakkelijker dan te verdwalen. Ik hoop, dat wij allen morgen weder bijeen zijn. Ik schrijf ditalleen aan u, omdat ik u heilig beloofd heb, u nooit iets te zullen verbergen. Zoo moogt gij mij ook gelooven, als ik u verzeker, dat ik hoegenaamd niet over Jaromir bekommerd ben.”Toen de gravin het gesloten briefje gelezen had, geloofde zij natuurlijk, dat de tegelijk gekomen brief van Jaromir zijn verdwijnen zoude ophelderen. Zij hield dien met de grootste waarschijnlijkheid voor later geschreven en tot Lodoiska's geheele geruststelling nagezonden. Daarom verheugde zij zich op de terugkomst van deze, om haar met den brief te verrassen. Maria dacht ook zoo. Na een klein half uur kwam Lodoiska terug. De gravin trad haar met den brief te gemoet,hield dien half schertsend, want zij was in eene zeer vroolijke stemming, daar ook de laatste bezorgdheid van haar hart was weggekomen, omhoog en riep: „Lodoiska, wat geeft gij mij voor dezen brief?”„Van Jaromir?” riep zij met van vreugde fonkelende oogen; tegelijk trok zij verlangend de opgestoken hand der gravin met hare linkerhand naar beneden en streelde haar met de rechter. Een hartelijke kus was het loon, dat het gelukkige meisje voor den schat gaf. Daarop opende zij haastig, met wangen, die van vreugde en verwachting hoog gekleurd waren, den brief en hield hem tegen het licht, om te lezen. Doch als ware zij plotseling op den rand van een ontzettenden afgrond geraakt, beefde zij terug, werd bleek als de dood, liet de handen krachteloos zinken en het papier vallen. Een gil, dien zij wilde uitstooten, stikte in hare benauwde borst, hare stem beefde, en nog voor de gravin of Maria haar te hulp konden snellen, zonk zij bewusteloos neder.„Om 's hemels wil, wat deert u?” riep de gravin en zocht met behulp van Maria, die angstvol was toegesneld, de ongelukkige op te richten, doch met moeite slechts vermochten zij haar op de sofa te brengen. De gravin schelde om hulp. Maria, nam den gevallen brief van den grond op en zag, een vluchtigen blik daarin werpende, dat hij slechts één regel bevatte. Zij waagde niet hem te lezen, doch de gravin deed dit zonder bedenking. Hij bevatte niets dan de woorden:„Huichelaarster! Trouwelooze! wij zijn voor eeuwig gescheiden.Jaromir.”Beide vrouwen waren sprakeloos van verbazing.„Die slag moest de arme zeker verpletteren,” zeide de gravin op den toon van diepe verontwaardiging. „Op zoo iets kon zij niet bedacht zijn. Het is afschuwelijk, een gruwel zonder voorbeeld.”In hevige ontroering ging zij de kamer op en neder, Maria las tot hare eigene overtuiging het onheilbrengende blad nog eenmaal en legde het dan met bevende handen neder. „O gij rampzalige,” zeide zij, terwijl zij zich over het hoofd der onmachtige neerboog, „hoe zullen wij thans uw lijden verzachten!”De kamenier van Lodoiska was binnengetreden. Zij ontstelde bij den aanblik van hare meesteres. „De gravin is plotseling ongesteld geworden, zij moet te bed gebracht worden. Kasimir moet vliegend naar den arts. Bestel dat en kom spoedig terug.” Op deze met gedwongen bedaardheid en kalmte gesproken woorden der gravin verliet de kamenier de zaal weder. Maria had ondertusschen Lodoiska's slapen met koud water besprenkeld, om haar weder tot bewustzijn te brengen. De gravin ging nog steeds driftig op en neder. „Daaraan herken ik de mannen! Hunne eigene slechtheid opent hun hart voor ieder onwaardig vermoeden. Wie zou hebben kunnen gelooven, dat op deze engelreine ziel de zwartste verdenking zou kunnen worden geladen! Dit hart, dat zich zelf in den gloed zijner liefde verteerde, wordt van trouweloosheid beschuldigd. Afschuwelijk! Ongehoord! Grenzeloos afschuwelijk! En welke bewijzen kan de lichtzinnige knaap, die met ruwen tred de bloesems van zijn eigen onschatbaar geluk in het stof trapt, voor zijne onnoembaar zware beschuldiging hebben! Een gerucht, een lasterende brief, een boosaardig verdichtsel van den een of anderen eerloozen of tot misdadig wordens toe lichtzinnigen kameraad!”Zij ging voor Lodoiska staan, wier borst zich onder het verlichte ademhalen—Maria had haar kleed losgemaakt—nauwelijks scheen te bewegen. „Hoe zacht deze reine engel sluimert! Zelfs het ontzettende spooksel van den schrik, die haar zoo plotseling ter neder sloeg, heeft hare minzame trekken niet misvormd. Een blik op haar afbeeldsel moest het bewijs harer onschuld tegen duizend getuigen geweest zijn!Hebt gij haar vermoord, hebt gij dit teedere leven geknakt door den slag, dien uwe ruwe hand in den blinde gedaan heeft, dan moge haar beeld u als een schrikkelijk spook vervolgen!”„Neen, neen, zij leeft, zij ademt, zij zal ontwaken, wij zullen haar troosten, bemoedigen!” antwoordde Maria met eene door tranen verstikte stem. „Alles zal tot klaarheid komen, ook dit vreeselijke misverstand.”„Hier kan het weefsel niet meer ontward worden! De knoop is met het ijzeren zwaard doorgehouwen; alle teedere banden, die twee jonge harten verbonden, zijn verscheurd. Waar een zoo duistere geest des argwaans in het heiligdom der liefde en des vertrouwens eens is ingebroken, daar zijn zijne sporen nooit te verdelgen. Overtuigd kan Jaromir worden, dat Lodoiska geen zonnestofje ontrouw of valschheid in haar reinen boezem omdroeg; overtuigd, als van den glans der sterren aan den eeuwigen helderen hemel. Doch het schoone, heilige, onschendbaregeloofvan beiden aan elkander is vernietigd, voor eeuwig vernietigd. Eene begane daad, een gesproken woord zijn onherroepelijk en zoomin te achterhalen als de vervlogen minuten. Wat gij ook doet, om het verzuimde in te halen, om eene schuld te verzoenen, het is ijdel bedrog en schijn; het verzuim, het vergrijp zijn begaan, zij blijven onveranderlijk en geen godheid is in staat, de eeuwige schriftteekens in het boek van het volbrachte uit te wisschen.”De kamenier trad weder binnen; Lodoiska werd in hare kamer te bed gebracht. Maria zette zich bij haar neder en wachtte vol angst den terugkeerenden adem, het opslaan van haar oog af. De gravin stond in ernstige, diepe treurigheid zwijgend aan het voeteneinde van haar bed en hechtte de donkere oogen onafgewend op de levenlooze.Eindelijk opende Lodoiska de lieve oogen weder, zag smartelijk op, reikte toen hare lieve verzorgster de handen toe en sprak zacht, maar uit het diepste harer borst: „O, ik ben onbeschrijfelijk rampzalig!”

De maand September was aangevangen met een onbewolkten helderen hemel; de dagen gingen stil, zonnig, zacht verwarmend voorbij. Wel is waar begon het loof reeds te verkleuren, ja zelfs af te vallen, doch de velden waren toch nog met een welig groen bekleed, dat zich met de schoonste herfstbloemen versierde. In dit opzicht hadden de gravin, Lodoiska en Maria eene allergenoeglijkste reis gehad; wat aan het landschap ontbrak, vergoedde de aangenaamheid van het seizoen, dat zich in zijne vroolijke stilte met den zachten trek van weemoedigheid, dien de aanblik der natuur in den herfst aanbiedt, als men vriendelijke deelneming aan de droevige zielsstemming, waarin vooral de jonge meisjes verkeerden, aansloot.

Het paleis der gravin was, ofschoon de inrichting daarvan met eene luisterrijke levenswijze overeenkwam, toch nu een zoo stil, genoegelijk verblijf, als vrouwen, die afgezonderd begeeren te leven, met mogelijkheid konden wenschen. Zij hadden de benedenkamers van den linkerzijvleugel betrokken, die tegen den tuin aan en zelfs gedeeltelijk reeds daarin lag. De glazen deur van de gemeenschappelijke zaal opende zich onmiddellijk op een, van vlier en jasmijnstruiken omgeven, zacht glooiend grasperk. Rozeboomen, die in de lente het aangenaamste gezicht verschaffen, stonden in een halfrond er omheen geplant; hun bloesem was wel lang afgevallen, doch daarvoor schitterde in het midden van het perk een rijk medaillon van herfstbloemen, waaronder eene pracht van bonte asters zich onderscheidde, aan welke de kunst des tuiniers eene bijzondere zorg besteedde. Aan de binnenzijde des vleugels, welke naar debassecouren den tuin zag, woonden Maria en Lodoiska. Zij hadden elkander als zusters lief gekregen en zich daarom ook uiterlijk vertrouwelijk bij elkander aangesloten. Een wijngaard liep slingerend tegen de vensters van hare slaapkamer op, die dicht aan het ijzeren hek was gelegen, dat zich dwars van den eenen tot den anderen vleugel van het slot uitstrekte en den tuin van debassecourscheidde. De vruchten werden zeker slechts zelden aan dit staketsel rijp, doch de muren waren vriendelijk door het loof bedekt en de stralen der zon werden door dit bewegelijk groene scherm aangenaam gematigd, zonder geheel en al afgekeerd te worden. Van het slaapvertrek ging men door eene boekenkamer in de woonkamer, en deze paalde aan de zaal. Aan de andere zijde van den vleugel woonde de gravin in de kamers, welke met die van Maria en Lodoiska evenwijdig liepen, doch door een gang daarvan gescheiden waren. Ook deze zagen op den tuin uit, doch naar den kant van den ringmuur; ook was de tuin hier slechts omtrent dertig schreden breed en de gansche ruimte met hooge en donkere struiken bezet, die den muur bedekten, welke zich langs het zijstraatje, waarFrançoiseAlisettegewoond had, uitstrekte en, in dezelfde richting door, op een zijmuur van het hoofdgebouw uitliep. Eene rij van hooge populieren langs dezen muur benam aan de bewoners der straat elk gezicht op den tuin of de vensters der gravin. Dus lagen deze ook zeer stil en afgezonderd; ja, door de donkere, dichte struiken verkreeg de woning iets sombers, dat zeer goed met den ernst der bewoonsters overeenstemde.

Op deze wijze geheel afgezonderd in het midden der groote, levendige stad leidden de drie vrouwen een stil en slechts onder vrouwelijke bezigheden voortvliedend leven. Zelden ontvingen zij bezoek; nog zeldzamer beantwoordden zij dat; hare eenzaamheid werd haar met iederen dag dierbaarder en zij genoten die meer, naarmate zij elkander langer leerden kennen en beminnen. Moeielijk zou men onder drie vrouwen een grooter verschil bij eene zoo innige overeenstemming kunnen aantreffen. De gravin, de beide meisjes in jaren aanmerkelijk vooruit, overtrof haar evenzeer door koenheid van geest, als door rankheid van leest. Zij bezat wel een fijn vrouwelijk gevoel en verstand, doch zonder de weemoedige neigingen, die aan het jonkvrouwelijk gemoed eigen plegen te zijn. Opgegroeid onder groote gebeurtenissen, was zij vroeg uit de enge beperking van den vrouwelijken levenskring in de grootere banen van den loop der wereld gevoerd geworden. Zij had het vaderland voor haar vaderlijk huis verruild; hare ziel leefde in alle openbare zaken belangstellend. Zij was met geestdrift eene dochter van haar volk. Ook op Maria hadden de machtige gebeurtenissen des tijds een vormenden invloed gehad; ook zij gloeide voor een in slavernij zuchtend vaderland, doch op eene geheel andere wijze. De gravin nam een werkdadig deel aan de algemeene aangelegenheden; haar hart sloeg daarvoor reeds uit gewoonte en ontbeerde het verlies der huiselijke, vrouwelijke rust des gemoeds niet meer. Daarom las zij ijverig de dagbladen, de staatkundige geschriften van den dag; zij was met de geschiedenis der gebeurtenissen vertrouwd, volgde die met een scherpen blik en bracht het lot van verafgelegen volken met dat haars vaderlands in verbinding. Maria beminde daarentegen slechts haar geboorteland, het volk, waartoe zij behoorde, bovenal; zij was door taal en denkwijze eene Duitsche. Haar edele haat richtte zich alleen tegen de vijanden en onderdrukkers van haar vaderland. De geschiedenis der overige wereld beschouwde zij niet onverschillig, maar op den schuwen afstand, met den vrouwelijken eerbied, die erkent, dat haar rijk hier eindigt, dat haar blik op dit gebied geen grenzen ziet en in het verwarde gevoel geen leidraad ontwaart. Daarom keerde zij gaarne in haar stil huiselijk heiligdom terug en was lijdelijk, waar zij niet handelend kon zijn. Met de bevrijding van haar vaderland zou haar aandeel aan het openlijke leven verdwenen of ten minste evenzoo op den achtergrond teruggetreden zijn, als bij de meeste vrouwen. Zij verlangde uit den strijd slechts een stil heiligdom van duitsche huiselijkheid te winnen. Geheel anders de gravin, die met hare wenschen steeds over den drempel des huizes naar buiten snelde. Maria begeerde slechts het geluk, de rust des vredes voor haar vaderland; voor de gravin was het zielsbehoefte, aan den glans, den roem en de macht er van te denken. Op de bewegelijke schilderij van den strijd der volken hield Maria slechts hare landgenooten en naaste vrienden als de vertegenwoordigers in het oog; de gravin daarentegen hield haar blik op de helden van den dag gericht en volgde met bange verwachting het lot der hoofden. Maria zag wel het slagveld op het hoofdvak der schilderij; doch op den voorgrond haar broeder, Bernard en, zooals zij zich zelve beschroomd bekende, Rasinski. De gravin stond midden in den slag; haar blik volgde de vanen, de veldheeren; zelfs in haar broeder zag zij op den dag derbeslissing slechts den aanvoerder. Lodoiska daarentegen, geheel meisje, geheel liefde, hoorde den doffen donder van den slag slechts uit de verte; maar de bloedende, verbleekte beminde zonk stervend voor haar neer. De liefde had geheel haar hart zoo vervuld, dat er voor niets anders plaats bleef. Zelfs de dweepende vroomheid, waarmee zij iederen dag de mis bezocht, was slechts een andere vorm van de angst der liefde, want haar gebed steeg slechts voor den vriend harer ziel naar boven.—Gelijk het echter bij edele zielen pleegt te zijn, hield elk der vrouwen de andere voor beter, volkomener, alleen wijl deze bezat, wat haar ontbrak. Zoo beschouwde Lodoiska hare moederlijke beschermster met den diepsten eerbied en schikte zich deemoedig onder Maria, wijl zij in beiden de kracht bewonderde van zich te beheerschen. De gravin en Maria daarentegen vereerden de heilige kracht der liefde in Lodoiska's boezem, die uit hare reine vlam al het vreemde verwierp en het gansche hart van het meisje alleen vervulde en doordrong. En Maria zag met bewondering op tot de heldin, onder wier bescherming zij zich in hare blooheid en angst had begeven.

Op de tafel der gravin lag eene landkaart van Rusland uitgeslagen; zij volgde naar de courantenberichten nauwkeurig iederen marsch, iedere beweging der legers, en teekende ze met spelden aan, welker toppen zij met zinvolle kenteekenen voorzien had, om niet slechts vriend en vijand, maar ook den stand der afzonderlijke korpsen met één oogopslag te onderscheiden. Voor Rasinski's regiment had Lodoiska eene gouden naald uit hare lokken genomen; de schitterende knop van deze toonde haar oog iederen dag, waar haar hart den geliefde moest zoeken.

De laatste berichten had zij na het innemen van Smolensko ontvangen. Met levendigheid sprak de gravin over deze gebeurtenis en knoopte de vroolijkste verwachtingen over den uitslag van den strijd daaraan vast.

„Reeds wij,” zeide Maria, „die hier op een verren afstand zitten en na den volbrachten strijd het bericht ontvangen, dat onze dierbaarsten nog ongedeerd onder de levenden wandelen,—reeds wij volgen de tijdingen van den dag met angstig kloppende harten. Hoe zouden wij te moede zijn, wanneer het verderf ons zoo nabij was, als aan die arme bewoners van Smolensko; wanneer wij, gelijk zij, wisten, dat onze broeders, vaders, echtgenooten voor de poort waren in den strijd op leven en dood voor vrijheid, vaderland en haardstede, voor ons leven, onze eer!”

„Mij zou het geprangde hart naar de muren drijven,” riep de gravin, terwijl zij, zooals zij in hare levendigheid, steeds placht te doen, snel door de kamer op en neder ging, „ik zou met mijne oogen de kansen voor den strijd moeten volgen.”

„Dat zou ik niet vermogen,” hernam Maria met zachten nadruk; „doch mij dunkt,”voegde zij er met den onzekeren toon der bescheidenheid bij, „ik zou genoeg standvastigheid behouden, om de gewonden te verplegen.”

„Ach, en ik,” riep Lodoiska zuchtend uit, „ik zou zeker niets kunnen doen, dan voor het beeld der heilige moeder Gods bescherming voor het dierbare hoofd des geliefden afbidden.” Ook zij stond op, doch om hare opwellende tranen te verbergen.

De vrouwen hadden zich oprecht, zonder achterhoudendheid verklaard; slechts Lodoiska miskende zich zelve, want zij hield voor zwakheid wat sterkte was. In het oogenblik des gevaars zou zij met den heldenmoed eener heilige de hulpvaardige verpleging midden in den slag gedragen, den geliefde onder de dreigende bliksems des doods opgezocht en gered hebben.

Om haar gejaagden boezem te doen bedaren, was zij naar buiten in den tuin getreden.De middagzon straalde helder door de hooge boomen, een lichte wind ruischte door de takken. Zachte wolken zweefden door de helder blauwe ruimte. Maria wier fijn gevoelend hart de vriendin snel begrepen had, ging haar na, om haar te doen bedaren, want bij het vertrouwelijk gesprek in het uur vóór het insluimeren had Lodoiska haar hart geopend en zich zelve wegens de overweldigende macht, die de liefde op haar uitoefende, aangeklaagd, zonder Maria's troost te willen aannemen, die in deze krachtige openbaring van den hartstocht eene zeldzame grootheid van gemoed erkende. Doch toen Lodoiska nu de fontein genaderd was, waar zij haar verbond met Jaromir had gesloten, trad Maria haastig op haar toe, legde den arm om haren hals, kuste hare wang en zeide: „O, lieve, ik wenschte, dat gij mijn naam droegt.”

„Ik wenschte, dat ik uw zacht, sterk, zich zelf beheerschend hart had, mijne dierbaarste,” hernam Lodoiska en droogde hare tranen af.—„Doch waarom wenscht gij mij uw naam toe?”

„Om u te kunnen zeggen: „Maria heeft het goede deel uitverkoren.””

„Ja, ja, dat heeft zij,” riep Lodoiska en nieuwe tranen welden in hare donkere oogen op. „O, ik gevoel het maar al te goed, ik ben krank van liefde en mijn geluk wordt eene kwaal, eene misdaad.”

„Neen, neen, waarlijk niet,” hernam Maria. „Voor het edele mag men geheel gloeien; ik bewonder u, dat gij het geheel vermoogt. Geloof mij, onze rust ligt niet in onze sterkte, doch slechts in de mindere kracht onzer liefde. In mijn hart kon ik moederliefde, broederliefde, vaderlandsliefde zuiver afwegen, totdat....”

Hier zweeg zij; want van haar bestreden hartstocht voor Rasinski had zij hare vriendin nog nooit gesproken, wijl het geheim haar niet alleen toebehoorde en naardien zij gevoelde, dat zij zich op eene zedelijke overwinning niet kon beroemen zonder die te verliezen.—En was zij dan overwinnares? Vernieuwde zich de strijd niet menigmaal in de eenzame uren des nachts in haren boezem? En stroomden hare tranen niet nog steeds over het verloren geluk?

„Totdat?” vroeg Lodoiska, toen Maria zweeg.

„Nu ja dan,” sprak zij verward, „ook ik heb bemind. Een oogenblik!—De jonge plant werd door den ruwen storm des tijds snel ontworteld, zij kon hare bloesems niet openen, noch wortel schieten. Doch zelfs dit vluchtig oogenblik, korter dan een droom, verbrak bijna de oudere, heilige banden van liefde en plicht. En evenwel gevoelde ik mij grooter, edeler, beter door de liefde. Waarlijk, het is iets groots, wanneer men alles in haar en door haar vermag te zijn. Daarom bekommere het u niet, mijne beste, dat gij geringere krachten en plichten door deze hoogere in u opgelost en vernietigd voelt. Wanneer wij sterker wederstand bieden, wie zegt u, dat daarom grooter sterkte in ons woont? Wij wederstaan, omdat wij niet zoo heftig worden aangegrepen. Kleine zielen kunnen geen groote mate van liefde bevatten. Daarom waardeer dan ook uwe ziel naar de kracht uwer liefde.”

„Gij troost zoo beminnelijk,” antwoordde Lodoiska bewogen, „gij wilt als een welriekend viooltje in de stille schaduw treden, waar gij zoudt kunnen schitteren! Mijn liefde is sterker dan ik zelve; dit is mijn vergrijp, en dikwijls heb ik een voorgevoel, dat het zich vreeselijk gestraft moet zien. Of staat de plicht niet hooger dan de liefde?”

„Maar welken plicht hebt gij geschonden?”

„Ik gevoel, dat ik ze alle zou schenden.”

„Dat gevoel bedriegt u; slechts zou elke geringere plicht bij u voor dezen eenen, hoogeren verdwijnen.”

„Neen, bij mij verdwijnt de blik, om die hoogere te onderscheiden.”

„Gij zult ze gewis duidelijk voor u zien, wanneer hunne vervulling van u geëischt wordt en wanneer zich hoogere plichten voor u opdoen! De wereld zal ze misschien vorderen; maar is dit niet eigenbaat der wereld? Moet uw doen dan eene wet voor allen zijn? Bijzondere krachten geven bijzondere plichten. Ik heb steeds dien Romein moeten vereeren, die vrij uit aan de rechters bekende: „Ik zou het kapitool in brand hebben gestoken, zoo mijn vriend dit begeerd had.”—Wanneer ik zelve niet aldus zou handelen, dan is het nog de vraag, of mij dit als verdienste dan wel als schuld moest toegerekend worden. Is liefde, is vriendschap waarlijk zoo groot, wie durft haar deswege beschuldigen? De misdaad, welke zij op zich laadt, is dan geene meer. Hier, mijne lieve, heerscht geen koude, voor allen gelijke wet; doch ieder handelt naar het gevoel in zijne borst, en naar dit richt ons de Eeuwige, die alleen de maat der in ons strijdende krachten vermag te bepalen.”

In haar ijver voor de vriendin had Maria het eigenaardige in deze weten te verdedigen, zonder zelve de heldere bewustheid van haar gevoel te verliezen, die haar in haar handelen en gevoelen den rechten weg aantoonde: zij had zich met levendigheid van de schoone zijde van het karakter harer vriendin doordrongen. Lodoiska was een zuiver kind der natuur, in de droomen harer jeugd opgegroeid, slechts overgegeven aan de gevoelens van haar hart, die, rein en edel op zich zelve, tot het goede en schoone haar bijna buiten haar weten heendrongen. Maria had haar gemoed door de klare wel van een meer ontwikkeld bewustzijn gelouterd; de ernst, de scherpzinnigheid van Lodewijk waren daar hij zich veel met zijne zuster bemoeide, niet zonder invloed gebleven. Zij had het ontvangen geestelijk goed in haar eigendom veranderd; op den bodem van het vrouwelijk hart groeide het edele zaad misschien niet meer zoo krachtig en hoog op, maar het bloeide des te schooner. Zij gevoelde met bewustzijn; oordeel en neiging smolten in haar te zamen, zonder dat zij het wilde of begeerde. Zoo ondervond zij ook, dat in het gemoed, waarin het zedelijk gevoel heerscht, de hartstocht niet zoo wild kan opschieten, en dat men dezen, wanneer hij het hart met eene edele vlam doordringt, tevens alle andere edele krachten, die het evenwicht verleenen moeten, toenemen.

Lodoiska zou zeker, zonder het voorbeeld der vastberaden gravin, der zacht zich schikkende vrienden, zich zelve niet met zulke bezorgde blikken hebben gadegeslagen. Zij leerde zich zelve eerst beter kennen door vergelijking en tevens leerde zij de behoefte kennen eene kracht, die ontbrak en waaraan zij onder andere omstandigheden misschien nooit gebrek zou hebben gevoeld.

Daarbij sluimerde eene schrikbarende gedachte in het diepst harer ziel; zij waagde niet, die voor zich zelve duidelijk te doen worden, veel minder zou zij eene vreemde tot vertrouwde daarvan hebben gemaakt. Van het oogenblik, waarop Jaromir haar dierbaar werd, beschouwde zij—en zij herinnerde zich zulks maar al te wel—de verleidelijke schoonheid vanFrançoise Alisettemet angstige blikken. Dat meisje scheen haar onwederstaanbaar; het voorval bij het afmarcheeren van het regiment, dat zij mede had aangezien, was haar, hoezeer het ook slechts eene onschuldige galanterie geleek, onvergetelijk gebleven. Het had eene vonk van jaloezie—neen, dit woord is te hard—maar toch van bezorgdheid in hare ziel geworpen, die, hoe menigmaal zij die ookdoor ernstig ongenoegen tegen zich zelve wilde verstikken, altijd opnieuw aanglom en bleef gloren in haar door sombere voorgevoelens bewogen gemoed. Somwijlen meende zij, dat ze was uitgedoofd, doch plotseling brak ze bij de eene of andere gelegenheid opnieuw uit en scheen zich slechts dieper in de schuilhoeken harer ziel verborgen te hebben. Dit was eigenlijk de oorzaak van haar bangen kommer; van hare dweepachtige droefgeestigheid. Niet dat het spook van den argwaan haar zoo vervolgde; maar zij beschouwde bij het gevoel harer onverbreekbare trouw jegens den geliefde eene verdenking tegen de zijne als de zwaarste misdaad. Zoo leed zij de dubbele kwaal van angst en van berouw tevens over hare eigene schuld; slechts in de gloeiendste liefde, in de teederste opoffering geloofde zij boete voor hare strafbare gedachte te kunnen doen, en daarom groeide haar dweepachtige ziekelijke hartstocht in dubbele verhouding tot de beangstigende kwaal aan, welke zij zwijgend in haar binnenste omdroeg. Kon zij zoo door en in hare liefde gelukkig zijn? Slechts in de bedwelming van het oogenblik, waarin zij alles vergat, was dit mogelijk, namelijk wanneer zij brieven van Jaromir ontving, wanneer zij hem schreef en onder het schrijven zich meer en meer opwond, wanneer zij van zijne nabijheid, zijne omarming droomde. Doch spoedig hingen weder zwarte wolken aan den hemel harer verwachtingen, en vergiftige planten sproten rondom den reinen bloesem harer liefde uit. Met deze knagende kwaal paarde zich de diepe aanleg tot zwaarmoedigheid, die van hare jeugd af in hare ziel woonde; deze schiep duistere, schrikkelijke beelden, welke haar, daar zij menigmaal in hare onrustige droomen terugkeerde, spoedig als gewisse voorgevoelens voorkwamen. Of sponnen de koortsachtige hartstocht, de ziekelijk opgewekte aandoening harer zenuwen misschien een onzichtbaren band tusschen haar en de toekomst? Zijn er waarschuwende, voorzeggende stemmen voor een aandachtig luisterend oor? Is het slechts het ruischende gewoel eener uiterlijke wereld, naar welke wij slechts al te zeer heenneigen, dat ons verhindert haar te hooren?

Ach! Lodoiska vernam ze als het verre, akelige rollen van een naderend onweder, als bange klaagtonen in het nachtgeruisch des winds, onder het angstvolle kloppen harer borst.

Dan vluchtte zij in de kapel; slechts in het gebed vond hare edele ziel de rust weder. Want daar zwegen de stemmen des levens en van den hartstocht; de opgeruide golven legden zich neder, de troebele, vreemde stoffen zonken op den bodem, en de hemel spiegelde zich helder en diep in den gestilden vloed.

Het was een grauwe Septemberdag, toen Lodoiska, slechts door hare kamenier begeleid, de nabijgelegen kerk bezocht. Haar weg leidde haar voorbij het hôtel van den heerDe Pradt, den franschen gezant in Warschau. Voor de deur stond het rijtuig van een koerier, en er had eene in het oog vallende beweging onder de dienstboden plaats. Er moest eene gewichtige tijding zijn aangekomen. Met een kloppend hart naderde zij. Zeker konden er koeriers uit alle oorden van Europa, uit Spanje, Parijs, Italië of Weenen aan het gezantschap aankomen; doch de groote gebeurtenissen vielen dáár voor, waar haar hart zich bevond. Eene inwendige stem zeide haar, dat erberichten van de armee moesten gekomen zijn. Zij verhaastte haren tred, en te beschroomd, om zelve er naar te vernemen, droeg zij dit aan hare kamenier op en wilde, langzaam voorbijgaande, deze aan de andere zijde van het hôtel opwachten. Doch terwijl zij de deur voorbijging, kwam een officier in groot tenue er uit; hij stond stil toen hij haar zag, scheen haar te herkennen, trad snel op haar toe, boog zich en sprak:

„Ik hoop misschien te veel van de welwillendheid van uw geheugen, wanneer ik vooronderstel, dat gij mij nog zoudt kennen, genadige gravin?”

De jonkvrouw stond verrast, maar herkende evenwel dadelijk den ritmeesterArnheimuitTeplitz.

„O zeker herken ik u,” was haar antwoord, „ofschoon ik maar weinige dagen inTeplitzheb doorgebracht. Doch daarentegen is het ook slechts kort geleden dat wij het verlaten hebben. Maar wat voert u naar Warschau?”

„Mijne herstelling is volkomen. Ik vertrek naar het leger in Volhynië.”

„Het schijnt, dat er zoo even gewichtige berichten bij den franschen gezant zijn aangekomen,” zeide Lodoiska een weinig angstig, en zag rond, of hare kamenier haar niet volgde.

„De gewichtigste der wereld,” hernam de ritmeester met drift; „de koerier heeft ze zoo op het oogenblik gebracht; er is een groote slag geleverd bijMosaisk, twee dagmarschen van Moskou.”

„Zonder twijfel zeer bloedig?” viel Lodoiska verbleekend en sidderend in.

Arnheimbemerkte onder het gaan niet, dat zij door dit bericht zoo hevig werd aangegrepen, en voer daarom onvoorzichtig voort: „Bloedig zooals er in de geschiedenis geen tweede voorbeeld te vinden is; het aantal gesneuvelden en gewonden is nog niet juist bekend, doch in het ruwe geeft de depêche dit op zestig of zeventig duizend man aan beide zijden op. De overwinning des keizers is met onmetelijke offers gekocht.”

Het tooneel van het slagveld trad plotseling met zoo akelige kleuren voor de oogen van Lodoiska en vervulde hare ziel met zulk eene ontzetting, dat zij, zich zelve niet meer meester, verbleekend terugtrad en onder den uitroep: „Heilige moeder Maria!” ineenzeeg.

Arnheimsprong toe en ving haar in zijne armen op. Verlegen zag hij rond om hulp, toen reeds Lodoiska's kamenier haastig toeschoot en angstig riep: „Om Godswil, wat deert mijne meesteres?”

„De schrik over de tijding van den slag heeft haar zoo hevig ontroerd; wij zullen haar hier in het huis van den gezant dragen,” zeideArnheim.

Doch Lodoiska opende hare oogen weder. Een donkere schaamtegloed verspreidde zich over het albast harer wangen; diep zuchtte zij; spreken vermocht zij niet, doch zij richtte zich op en bleef slechts op den arm harer kamenier leunen.

„Hoe zal ik vergiffenis voor mijne onverzichtigheid kunnen hopen? Wij soldaten zijn zoo ruw, dat wij bij de tijding van een slag nooit aan de offers denken.”

„Gij hebt geen schuld,” antwoordde Lodoiska; „het was mijne dwaze zwakheid.” Daar barstten hare tranen met stroomen los. „Ik moet naar huis—vergeef mij....” sprak zij met moeite.

„Mag ik u mijn arm aanbieden? Of wilt gij, dat ik een rijtuig bezorg?” vroeg de ritmeester gedienstig.

„Wanneer gij mij ondersteunen wilt, zal ik u zeer verplicht zijn; ik ben inderdaad ten uiterste afgemat.”Arnheimgaf haar den arm. Aan de andere zijde leunde zij op de kamenier, en liet zich zoo naar het paleis der gravin terugleiden.

Gelukkig had Lodoiska's onmacht slechts eene minuut geduurd, en de opmerkzaamheid der lieden op de straat was in dat oogenblik zoozeer op de beweging in het hôtel van den gezant gericht geweest, dat het voorval geheel onbemerkt voorbijging. Men sloeg nu eene stille zijstraat in, en zoo kwam de ondersteunde gelukkig aan het paleis der gravin, zonder dat de nieuwsgierigheid van lastige kijkers haar vervolgde.

Niet moeielijk viel het den ritmeester, zich de oorzaak van haar hevigen schrik in het algemeen te verklaren. Wie had niet een vriend, een broeder of vader bij het leger? Intusschen dacht hij fijn genoeg, om geen onderzoek te doen, en zocht ook den verpletterenden indruk der eerste tijding door verzachtende berichten te matigen.

Toen men aan de deur des huizes stond, zeide Lodoiska: „Ik dank u van harte voor uwe deelnemende hulp; zeker moest ik u verzoeken, mij nog verder te volgen; toch....”Arnheimliet haar niet uitspreken; met warmte viel hij haar in de rede: „Deze eerste uren der ontroering behooren der eenzaamheid; de welwillendste bezoeker zou hier slechts komen storen. Doch gij verbiedt mij immers niet, op een meer gunstigen tijd te komen?”

Lodoiska zag hem met een dankbaren blik aan. „Het zou mij zeer leed doen, indien wij u niet zagen; ik hoop, dat wij u dan blijder welkom zullen heeten.” Met deze woorden reikte zij hem de hand tot afscheid en trad toen, zich ras omwendend, wijl zij haar angst niet meer betoomen kon, binnen. Met moeite bereikte zij de stille tuinkamer. Maria was de eerste, die haar ontmoette. „Leen mij uwe sterkte, Maria,” riep zij haar toe en breidde hare armen uit; „leen mij uwe kracht, mijne dierbare, om den doodsangst te kunnen doorstaan, tot wij bericht hebben.”

„Om Gods wil, wat is er gebeurd?” riep Maria verschrikt, terwijl zij hare vriendin, die zich buiten adem aan hare borst wierp, teeder omarmde. Lodoiska kon een geruimen tijd niet spreken; Maria hoorde slechts het luid kloppen van haar hart. Zij leidde de half bezwijmende naar de sofa. Daar eerst begon deze na eenige minuten in de hevigste aandoening: „Er is een slag geleverd. Zeventig duizend dooden en verminkten bedekken het veld. Het verschrikkelijk beeld van dezen oneindigen jammer zal mij waanzinnig maken. O, Maria! ik zie niets dan bloed en het bleeke, stomme gelaat der dooden.”

De gravin trad binnen. Zij had van de kamenier reeds vernomen, wat er was voorgevallen. Bij haar zegevierde het gevoel der overwinning op den angst omtrent hare betrekkingen. Vriendelijk, maar rustig, trad zij naar de beangste Lodoiska toe en zeide: „Kom aan mijn hart, beminde dochter; ween aan de borst uwer moeder uwe smart uit. Dan zult gij rustiger worden en met gelatenheid de verdere berichten afwachten, welke wij toch spoedig moeten ontvangen.” Het voorbeeld van standvastigheid vereenigd met de zachte deelneming, welke hare moederlijke verzorgster toonde, richtte den moed der vertwijfelende verwonderlijk op. De vriendelijke liefkoozingen van Maria, die haar eigen angst over haar broeder zorgvuldig verborg en juist uit Lodoiska's zwakte de kracht daartoe putte, maakten hare geruststelling, zooverre dit thans mogelijk was, volkomen.

Na eenige minuten trad een bediende binnen en berichtte, dat de ritmeesterArnheimzeer dringend verzocht, toegelaten te worden, daar hij gelukkige tijding overbracht.

„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend.

„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend.

„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend.

Thans eerst vernam Maria, aangenaam verrast, doch een weinig verlegen, de tegenwoordigheid van dezen bekende uit het vaderland, wiens groote belangstelling in haar persoon haar niet kon ontgaan zijn. Lodoiska, tot hiertoe slechts met de voor haar zoo beangstigende gebeurtenis beziggehouden, had tot nu toe nog niet weder aanhem gedacht. De gravin wist door de kamenier verder niets, dan dat een vreemd officier Lodoiska ondersteund en begeleid had. „Is welkom!” sprak zij en wenkte den bediende toe.

Lodoiska was in de grootste spanning, want zonder eene dringende reden en, gelijk alles aanduidde, ook niet zonder eene verblijdende, kon de ritmeester na de wijze, waarop zij afscheid van hem had genomen, onmogelijk nu reeds een bezoek brengen. Met een kloppend hart vernam zij zijne rassche schreden in de voorzaal.

„Vergeef mij slechts mijne haastigheid,” sprak hij binnenkomend tegen de gravin, „maar ik kon mij onmogelijk het genoegen ontzeggen, zelf de brenger van dit blad te zijn, dat zonder twijfel uwe bekommering omtrent den slag dadelijk zal wegnemen.” Daarbij reikte hij haar een open papier over, waarop eenige met potlood geschreven woorden in de poolsche taal stonden.

„Duizendmaal dank,” hernam de gravin, nadat zij een oog in het papier geslagen had. „Hier Lodoiska, lees zelve, wat mijn broeder schrijft: „Dierbare zuster! De slag is voorbij, ik leef, onze naaste vrienden zijn allen ongedeerd. Eerstdaags meer.””

„Heb dank, heilige moeder Gods,” riep Lodoiska buiten zich zelve uit en wierp zich onder een vloed van tranen aan den boezem der gravin. „Hoe vol genade zijt gij voor uwe dochter!” Hare oogen richtten zich in heilige vreugde ten hemel; zij vouwde de handen over de borst samen en kon niet meer spreken.

Ook Maria was hevig aangedaan. „Allen ongedeerd,” herhaalde zij, en een traan trilde aan hare wimpers, „dat is meer, dan ik zelfs waagde te hopen. O, eerst nu gevoel ik aan mijne onuitsprekelijke vreugde, hoe nameloos mijn angst geweest is! Heb dank voor deze boodschap.”

Gelijk een groot geluk of ongeluk edele harten opent en de bekrompen grenzen, die men zich in de samenleving gesteld heeft, doet vergeten, zoo ging Maria open en vrij opArnheimtoe en reikte hem met warmte de hand. Deze stond ten uiterste getroffen, want Maria's tegenwoordigheid op deze plaats, welke hij niet vermoeden kon en nog niet bemerkt had, verraste hem nu zoo plotseling, dat zij hem bijna van stuk bracht. Met vroolijke verwarring greep hij de hem toegereikte hand en drukte ze aan zijne lippen. „Gij hier?” sprak hij op den toon der grootste verbazing; „dat zou ik nooit geraden hebben.”

„Ik ben eene zeer vriendelijke uitnoodiging gevolgd,” antwoordde Maria; „nochtans is in het vreemde land de ontmoeting van een landsman en vooral van eenen, dien wij nader kennen, eene zeer aangename verrassing.”

„O zeker, zeker!” riep de ritmeester en kuste hare hand met zulk een vuur, dat Maria ze zacht moest terugtrekken.

„Wij zijn u oneindigen dank verschuldigd, heer ritmeester,” zeide de gravin; „en zij, welke hem niet eenmaal weet te uiten, wel het meest.” Zij wees daarbij op Lodoiska, die in tranen van dankbaarheid wegsmolt en nog steeds het gelaat met haren zakdoek bedekt hield. „Maar hoe komt gij aan dit papier?”

„Op de eenvoudigste wijze van de wereld,” hernam de ritmeester. „Ik had mij juist aan het bureau van den gezant aangemeld, toen de depêches aankwamen. Een officier, aldaar werkzaam, zeide mij, dat de koerier, zooals gewoonlijk, eene menigte vluchtig geschreven brieven en mededeelingen, gedeeltelijk open, gedeeltelijk in te voren gereed gemaakte omslagen, gedeeltelijk slechts met potlood geschreven, had medegebracht, waardoor zij, die aan een slag hebben deelgenomen, aan de hunnen de eerste geruststelling doen toekomen in zoodanigen vorm, als de omstandigheden het veroorloven.Dit bracht mij op de gedachte, of er voor u, genadige vrouw, niets daarbij zoude zijn. Ik snelde naar het bureau terug, en inderdaad er bevond zich voor u deze open met potlood geschreven brief. Ik vroeg hem voor mij, om hem u dadelijk ter hand te stellen, wat men terstond toestond, daar men deze brieven liefst tegelijk met de tijding doet toekomen. Zoo werd ik de overbrenger.”

„Van ons grootste geluk,” viel hem de gravin in de reden. „Nogmaals zijt gij als een heilverkondende bode ons hartelijk welkom.”

Lodoiska gevoelde in haar vroom gemoed de behoefte, om de hemelsche beschermster van haar geluk den dank des gebeds toe te brengen. Onbemerkt sloop zij het vertrek uit en zocht de eenzaamheid van hare kamer op, waar een Mariabeeld hing, door haar zelve met herfstbloemen versierd. Hier knielde zij neder en bad in stilte. Maria had haar begrepen en volgde haar derhalve niet. In de diepte van haar boezem richtte ook zij dankgebeden tot den Almachtige, die haar broeder behouden had. Doch te gelijker tijd overviel haar een bang weemoedig gevoel over de gevolgen van deze groote gebeurtenis. Het gesprek, dat de gravin met den ritmeester aanving, gaf haar grootendeels uitsluitsel omtrent de vragen, welke zij zich zelve in haar binnenste deed.

„Gij gelooft dus,” begon de gravin, „dat deze overwinning beslissend is voor den uitslag van dezen oorlog?”

„Zonder den minsten twijfel. Twee kleine dagmarschen van de oude hoofdstad des rijks behaald, brengt zij deze gewis in de macht des keizers en dan kon het lot van Rusland licht opeens beslist zijn.”

„Het rijk strekt zich nog ver achter Moskou uit, de bloeiendste en volkrijkste provinciën volgen langs de zuidelijke helling van het Uralgebergte op elkander. Voor geheel overwonnen zou ik Rusland nog niet willen houden, al waren ook de beide hoofdsteden in des keizers macht.”

„O zeker niet,” hernamArnheim; „doch zijne zedelijke kracht is door het innemen zijner hoofdstad vernietigd. Uiterlijk is de voortzetting van den strijd zonder twijfel mogelijk, maar innerlijk zal zij onuitvoerbaar zijn. Aan de hoofdstad des rijks knoopen zich te veelvuldige en verschillende belangen; zij is het punt, waar alle wegen des rijkdoms, des handels en des vertiers zich vereenigen. En gelijk een verpletterende slag slechts één der edele deelen behoeft te kwetsen, om het leven in het geheele lichaam te verdelgen, zoo heeft in den oorlog het indringen des vijands in de hoofdstad eene doodelijke verlammende uitwerking op alle overige krachten des rijks.”

„En zoo is dus de wereldheerschappij van Napoleon beslist?” vroeg Maria met eene stem, waarin men de onderdrukte, doch diepe smart hooren kon.

„Voor het vasteland zonder twijfel,” hernamArnheim.

De gravin, die Maria's denkwijze kende, dacht te edel, om hare vreugde over de wending eener gebeurtenis te uiten, die voor eene Duitsche zoo ter nederslaand moest zijn. Maria, van haar kant, die inzonderheid sinds haar verblijf in Polen, licht begreep hoeveel deze natie van de overwinningen des keizers te hopen had, droeg haar kommer in stilte, nauwelijks, dat een smartelijke trek van den gesloten mond dien verried.Arnheimechter scheen haar, wijl hij op dezelfde wijze dacht, te verstaan. Doch de smart over zijn vaderland tastte niet zoo diep in zijne ziel; gedeeltelijk wijl hij hoop had, Oostenrijk, zijn bijzonder vaderland, nu hooger gesteld te zullen zien, gedeeltelijk wijl hij als soldaat een diepen eerbied voor den franschen keizer als veldheer koesterde, maar voornamelijk, wijl hij zich met gelukkiger vooruitzichten voor Duitschland streelde,dan men toen gewoon was te hebben. Hij achtte het goed van deze te spreken. „Misschien,” dus uitte hij zich, „is het gevolg van dezen slag zegenrijk voor geheel Europa. Tegen wien toch wordt deze oorlog gevoerd? Naar mijne meening niet tegen Rusland, maar tegen Engeland. Door het overwinnen der russische legers is de keizer nu eindelijk heer over alle stranden van Europa, want Spanje en Portugal zullen spoedig in zijne macht zijn. Dan is hij in staat, den Engelschen zoo al niet de voorwaarden des vredes voor te schrijven, hen ten minste tot het aannemen van billijke schikkingen te bewegen. De macht van Engeland is zoo groot, dat het gansche vasteland noodig is geweest, om tegen dit kleine eiland het evenwicht te houden. Dit groote doel schijnt mij thans bereikt te zijn; ten minste zijn wij het nabij. Dan, hoop ik, zal een algemeene vrede, dien alle volken behoeven, naar welken alle volken en Frankrijk misschien het meest reikhalzen, de vreeselijke beroeringen, welke Europa sinds de laatste twintig jaren moet lijden, tot rust brengen, de verbroken banden opnieuw aanknoopen en de met geweld geknoopte voorzichtig los maken. Veel kwaad, dat de keizer thans, door den drang der gebeurtenissen genoodzaakt, den volken moet aandoen, zal ophouden. Hij gaf den overwonnen volken vreemde koningen, strenge stedehouders. Waarom? Omdat hij niet zeker van hen was en bij zijne onmetelijke krijgstochten toen geen gevaarlijke vijanden in zijn rug kon dulden. Misschien herstelt hij thans, juist om den band der gerustheid vaster te knoopen, de rechtmatige vorsten weder; want aan de personen ligt hem niets gelegen, vooral aan zijne broeders en bloedverwanten niet. Zij zijn slechts vorsten, wijl hij het zekerst is van hunne trouw, want hij is de stam, op welken zij bloeien. Is hij eenmaal diep en vast geworteld, dan kan hij de woekerende takken, die eene nadeelige schaduw op het land werpen, ontberen. Ja, ik hoop dat zijn nauwe verwantschap met ons keizerlijk huis het geluk van Europa zal zijn. Oostenrijk zal de vertegenwoordiger van het duitsche volk worden. Napoleon zal gaarne zien, dat het met hem in een vreedzaam verbond leeft; dan zal hij, daar men liever sterke dan zwakke bondgenooten heeft, ook den voorspoed van het land op alle mogelijke wijze bevorderen. Er moest veel oud, lastig puin bij ons in Duitschland worden weggeruimd, eer een nieuw gebouw vasten grond en ruimte vond. De verouderde vormen heeft de fransche keizer, als vertegenwoordiger van een grooten, jeugdigen, krachtigen, nieuw ontwakenden tijd, vernietigd; wat thans bestaat, is voorbijgaande. Hij weet het zelf, dat het niet vaststaand is; want hij zelf breekt immers dagelijks af, wat hij uit nood voor het oogenblik opbouwde, en laat vorsten en volken met gelijke snelheid hunne plichten verwisselen en veranderen. Maar wanneer eenmaal het groote doel van zijn geweldigen wil bereikt en het vastelandeen even zoo vast inwendig aaneengeschakeld geheelis, als de massa's van landen, waaruit het bestaat, dan zal de groote man een vasten, duurzamen grond leggen en op dezen een trotsch gebouw voor de toekomst grondvesten. Daartoe moest deze laatste strijd gestreden zijn. Niemand gevoelt zoo diep als ik, hoevele offers van deemoed, van verloochening, van gekrenkte trotsch Duitschland moest brengen; maar thans zullen deze een einde hebben. Zij waren eene vergelding voor oude, zware schulden; de geschiedenis bespaart geen volk de boete voor oude misstappen. Zij richt niet de daders, niet de personen, maar de daden, de zaken met onverbiddelijke gerechtigheid. En kan Duitschland de voordeelen loochenen, welke het reeds aanvankelijk door het afschaffen van zooveel ouds, gebrekkigs gewonnen heeft, ofschoon het nieuw goede nog niet in de plaats van het vernietigde getreden is? Laat ons ernstig ons zelven afvragen, of het voor twintig jarenbij ons goed was? Wij moeten antwoorden: Neen! Het stond slecht met alles, wat het geluk eens volks moet uitmaken. Sinds eeuwen heeft Duitschland slechts oorlog met zich zelf gevoerd. In ontelbare landen verdeeld, gehoorzaamde het aan velerlei willekeur. De eenheid der natie was verdwenen. Slechts de taal vormde nog den inwendigen, geestelijken band. Duizend beperkingen stelden zich tegen de vrije werkzame ontwikkeling der volkskrachten in den weg. Slechts tot zijn binnenste was de Duitscher bepaald; dat heeft hij zooveel mogelijk beschaafd, maar de nieuwe kennis kon hem in den toestand van zijn volksbestaan geene levende vrucht voortbrengen. Een door stormen opgeruide vloed bruischte over Duitschland heen, en onder zijne ruwe golfslag verdwenen de oude, diep ingevreten sporen van aangeërfde vooroordeelen, onderdrukkingen en beperkingen. Wij hadden deze kluisters reeds zoo lang gedragen, dat de gewoonte ons gevoel daarvoor verstompt had; ja, zij waren in ons vleesch ingegroeid. Doch wij mogen niet vergeten, hoe ruim wij ademhaalden, toen voor twintig jaren de ijzeren hand des tijds voor het eerst aan de staven van onzen kerker schudde. Thans knellen ons nieuwe banden, welke wij onwillig dragen. Doch zoozeer mogen wij toch in onze gerechte smart en in onzen toorn de oogen niet toedrukken, dat wij niet meer zouden zien, hoe wij, ofschoon wij nieuwe kluisters dragen, toch van de oude, waaronder wij zuchtten, bevrijd zijn. Neen, nauwelijks zuchtten wij, en dat was bijna nog erger, want wij zonken reeds in dien staat der diepste slavernij neder, die de behoefte aan vrijheid niet meer voelt. Thans voelen wij ze, en zoo mogen wij niet wanhopen een doel te bereiken, dat schitterend voor ons zweeft, het moge dan door de kracht van eigene daden, of door een gelukkigen keer der gebeurtenissen bereikt worden. Deze laatste nu kon juist thans misschien wel eens daar zijn.”

Arnheimhad zich warm gesproken; hij sprak voor alle partijen, en daarom hoorden zelfs de tegenstrijdigste gaarne naar hem. Maria werd door zijne woorden in het diepst harer ziel verkwikt en hare sprekende blikken betuigden hem liefdevol dank. Bewogen richtte zich de gravin overeind.

„Wanneer gij reeds zulke groote verwachtingen aan de overwinning hecht,” zeide zij,„hoe moet ons dan het hart kloppen, ons, die in dezen slag voor de vrijheid van ons vaderland streden! O, als de dag was aangebroken, de zoolang, zoo gloeiend verlangde dag, waarop het in het stof gebogen Polen den edelen nek weer trotsch kon oprichten; wanneer de witte adelaar de verlamde vleugelen kon uitbreiden en de stoute vlucht naar de zon der vrijheid en des roems ondernemen! O, dan, dan driewerf heil en zegen over deze overwinning! Het bloed der gesneuvelden ware niet vergeefs gestort.” Als eene koningin stond de fiere vrouw daar, met handen en blikken plechtig ten hemel geheven.

Lodoiska trad weder binnen. De afwisseling van angst en vreugde had haar teeder gestel zoo aangetast, dat het lichte rood op hare wangen eer een ziekelijk spoor van koortsachtige aandoeningen dan een teeken van gezondheid en inwendige tevredenheid geleek.

De gravin wist, dat lichamelijke beweging en versche lucht haar in dien toestand het beste waren; zij zelve had eene wandeling in de open lucht noodig, om het jagenvan haar boezem te doen bedaren. Zij sloeg voor, in den tuin te gaan; de zaaldeur openende, trad zij terstond zelve naar buiten, de anderen volgden.

De zon had de grauwe wolken aan den hemel een weinig verdeeld, en wierp een halflicht door de dunne witte strepen, die langs de schitterende schijf heentogen.

Maria bleef een oogenblik staan en zag naar den hemel op; zij verloor zich in stille bespiegelingen.

Arnheim, die steeds trachtte haar nabij te blijven, vestigde zijne blikken op haar gelaat. Er lag oneindig veel meer zachte vrouwelijkheid dan hoogheid in hare trekken, doch tevens iets zoo reins en edels, dat zich alle liefde voor deze vriendelijke gedaante met eerbied of ten minste met de teederste schroomvalligheid paarde. Misschien was de gravin, die een scherpen blik voor alle toestanden had, niet zonder oogmerk met Lodoiska vooruitgegaan, zoodat Maria zoo goed als alleen metArnheimachterbleef. Zij zelve althans had het niet bemerkt.

„En wat zoekt en vraagt het oog mijner schoone vriendin daar boven?” vroeg hij eindelijk, haar zwijgend mijmeren afbrekende.

„Ach! ik dacht aan ons vaderland,” zeide zij op hartelijken toon en met volkomen vrijmoedigheid. „Gij hebt zulke schoone troostwoorden voor mij gesproken, zulke dierbare verwachtingen in mij opgewekt!—Moest mij deze hemel niet als een zinnebeeld van onzen toestand voorkomen? Het licht strijdt met duistere wolken. Vóór een uur lag alles nog in een donker grauw bedolven; thans verbergen nog slechts witte, halfverlichte sluiers de zon. Zoo hebben ook uwe woorden mijne uitzichten verhelderd; zij liggen niet meer achter geheel donkere wolken.”

„O, deze zullen zich spoedig geheel verdeelen,” riepArnheimmet drift uit. „Wij zijn alleen. Ik moet voorzichtig zijn; maar een hart, dat ook in den vrouwelijken boezem zoo vaderlandsch klopt als het uwe, mag ik wel een mannelijk geheim toevertrouwen, dat uwe hoop gelijk een morgendauw zal verkwikken. De gezindheid van broederlijke eendracht, waarop ik met mijne woorden doelde, is in ons vaderland geen schoone droom, geen vrome wensch meer. Met levendigheid is zij ontwaakt; de ijzeren druk der tijden heeft de kracht des wederstands te voorschijn geroepen. Gelijk het staal eerst door zijne harde aanraking de vonk uit den kouden steen lokt, zoo hebben de slagen van het noodlot in Duitschland edele vonken doen voortkomen, die eens, tot een stil aangroeienden gloed vereenigd, als eene heldere vlam zullen opflikkeren. Ja, de edelste mannen reiken elkander de hand; een voor lang gesloten verbond, dat wel voor het uiterlijk weder ontbonden werd, doch in zijn hooger doeleinde bleef voortbestaan, vereenigt hen en slingert zich als eene geheime keten door geheel ons vaderland. Nader en vertrouwelijker dan ooit zijn deze edelen nu verbonden, en in allen leeft het vaste besluit, het onwaardige niet rustig lijdend te verdragen. Doch met de sterke teugels der matiging houden zij de uitbarsting der diepste verontwaardiging terug, totdat de krachten in evenredigheid met den wil zijn aangegroeid. Het gunstig oogenblik zal worden afgewacht; het is geen traag uitzien, want dikwijls vertoont zich de gunst van het noodlot aan het opmerkzame oog. Ondertusschen worden alle krachten voorbereid en gevoed, vertrouwde vrienden aangeworven en in stilte het goede zaad gestrooid. De geheime draden tot het weefsel van groote gebeurtenissen zijn uitgespannen; één wenk, en duizend handen zijn er aan werkzaam.”Arnheimsblikken flonkerden van geestdrift, terwijl hij zoo sprak; ook in Maria's oog schitterde een straal van hoop.

„O,” zeide zij, „dus zullen in dit hart toch nog vreugde en hoop terugkeeren; dat zijn gewaarwordingen, die het sinds langen tijd vreemd waren. Hoezeer dank ik u voor dit bericht! Hoe krachtig richt zich de reeds gezonken moed in mij op!—En gij behoort tot dit verbond?”vroeg zij na eenige oogenblikken.

„Eerst sinds twee weken, toen waardige mannen in Pruisen mij die eer waardig rekenden,” hernamArnheim.

„Neem ook mij daarin op, als een zwijgend, doch niet minder getrouw lid,” zeide Maria en reikte hem de hand. „In mijn hart behoorde ik reeds lang tot zulk een verbond.”

Arnheimgreep Maria's hand. Hij kuste ze niet, maar drukte ze met warmte. Een zonderling gevoel beklemde hem de borst. Maria stond zoo beminnelijk voor hem, haar blauw oog zag hem zoo trouwhartig en open aan—o, zij was schoon en goed, en beter dan schoon!

„Hoe noemt gij dat schoone verbond, waartoe ik in stilte wil behooren?” zeide zij, toen hij bevend stilzweeg; „ik heb echter slechts gevraagd, wanneer gij mij moogt antwoorden.”

„Het voert een schoonen, misschien te trotschen naam. Doch deze moet slechts van den wil en niet van het volbrengen der broeders verstaan worden; het heet hetDeugdverbond.”

Op dit oogenblik dreven de laatste wolken voor de zon heen en haar schitterend licht viel rein en glansrijk op de sprekers. Tegelijk verhief zich een statig ruischen in de herfstelijke toppen, alsof edele geesten op machtige vleugels voorbij zweefden. De wolkengordijn werd wijd geopend; het licht stroomde uit de blauwe ruimte neder en goot zich als eene gouden golf over het gras en de zich trotsch wiegelende kruinen der boomen uit.

„Dat is de nabijheid des Almachtigen, het is Zijn heilverkondende wenk, het teeken Zijner zegenende goedkeuring,” riep Maria met geestdrift en richtte haar verheerlijkt oog naar het gewelf des hemels, wiens donker, zuiver blauw hoog boven de verstrooide wolken stond. „Welk hard lot mij ook treffe, welke beproevingen Gij mij ook toezendt, aan dit teeken wil ik mij vasthouden. Dat zal voor mij lichten in de donkere dagen, door welke Uw wil mij voert.” Zoo sprak zij in de volheid van haar geloovig vertrouwen.

Arnheimstond met diepen eerbied voor haar. In zijn boezem bewogen zich hevige aandoeningen; doch een donker voorgevoel zeide hem, dat haar hart, dat zich zoo vrij, zoo onverdeeld aan haar vaderland toewijdde, slechts van deze hoogere vlam en niet van den stilleren gloed der liefde vervuld werd. Smartelijk getroffen zweeg hij. Het nabijzijnde beeld der geliefde, dat hij eerst meende te omvatten, verdween; maar eene hoogere, edeler gedaante zweefde voor hem en zag hem uit eene lichtende hoogte aan. Geen bruid waagde hij aan het hart te drukken, tot eene heilige verhief hij zijn blik. Want zóó stond zij thans voor hem. Met zijn veredeld gevoel groeide de verlangende smart in zijn boezem aan, maar ook tevens de kracht, om over deze te heerschen.

„Ja,” hernam hij met mannelijke vastheid, „gij hebt recht. Deze grootsche verwachting moet ons als de vlam eener baak, als het vaste doel midden in den stormachtigen nacht dezes levens voorlichten. Ook de schipbreukeling mag nog den laatsten blik derwaarts wenden, en, wanneer hij edel weet te denken, den troost medenemen, dat anderen, door haar geleid, de haven der vrijheid en des vredes, voor welke hij strandde, zullen bereiken.”

„Ik geloof, dat de gravin ons wacht,” zeide Maria, die haar ver achterblijven nueerst een weinig blozend, bemerkte. „Wij zijn inderdaad geheel achtergebleven.”

Met deze woorden ging zij sneller vooruit.

De gravin merkte beider ontroering dadelijk op; doch met ware fijngevoeligheid verried zij dit zelfs niet door een glimlach, niet door een oogopslag; maar scheen het achterblijven, als bloot toevallig, niet eens een opmerking waardig te achten.

„De lucht is onze wandeling gunstig,” merkte zij aan, toen de zon juist door de wolken brak. „Zij gaf gedurende eenige oogenblikken de schoonste verlichting aan het park. De wolkenschaduwen vlogen er over heen en de stroom des lichts ijlde ze als vervolgend achterna.”

„Die afwisselende verlichting maakte mij den herfst, ik meen de herfstlandschappen, zoo lief.”

„Hij gelijkt zeker veel op een treurspel in het vierde bedrijf,” hernamArnheim, terwijl hij zijne gemoedsbeweging achter den lichten toon der samenleving trachtte te verbergen.

„Waarom dat?” vroeg de gravin.

„Daar immers beginnen de gelukkige betrekkingen gewoonlijk te weifelen; de heldere hemel, dien de dichter als contrast van den storm, welke hij wil oproepen, over ons uitgespreid heeft, verduistert zich langzamerhand en wij aanschouwen den strijd van het licht met den nacht van het tragische noodlot. De melodieuse tonen van gelukkiger dagen zijn nog niet geheel vervlogen, maar reeds rollen de doffe tonen des donders in de verte. Evenzoo de herfst, die misschien daarin zijne grootste bekoorlijkheid vindt, dat wij alle schoonheden der natuur gereed zien ons te ontvluchten. Zoo worden onze betrekkingen ons eerst recht dierbaar bij het afscheid; daar eerst erkennen wij weder thans waarde; ja het onverschillige stijgt hoog in prijs, wanneer wij er van moeten scheiden.”

„Gij hebt gelijk, doch ik zou aan den herfst toch ook wel eenige zelfstandige waarde willen toekennen. Het bewijs schijnt mij daarin te liggen, dat ik mij in den zomer reeds in zijne verschijning verheug; wie echter hoopt op het afscheidsuur?”

„Ik wil mijne vergelijking niet verdedigen. Niet eene is er onkwetsbaar; op de eene of andere plaats dringt de pijl der kritiek altijd door. Alle, voornamelijk de schertsende verliezen wanneer men ze standvastig wil volhouden. Mij schijnt het ook een zeer groot gebrek aan poëzie te verraden, dit te willen doen; slechte dichters alleen wagen het. De schoonheid der vergelijking bestaat slechts in de half uitgedrukte, maar tegelijk diep verstaanbare beteekenis der waarheid; men moet ze daaruit erkennen en gevoelen, maar niet bewijzen of verklaren.”

De gravin luisterde opmerkzaam naar de woorden vanArnheim; een gesprek, dat nadenken vorderde, was haar steeds het aangenaamste. Maria had zich bij Lodoiska gevoegd, in wier vreugde zij thans met een even verblijd hart kon deelen.

Opeens klonk tusschen het geruisch der boomen en het waaien des winds het plechtig gelui der klokken van de nabijgelegen Andreaskerk heen.

„Op dezen ongewonen tijd? Wat mag dat beteekenen?” vroeg de gravin.

Het gelui der klokken liet zich thans van verschillende kanten hooren; van nader en verder afgelegen kerken drong het gedreun door de stilte des voormiddags.

„Het zal de viering der overwinning beteekenen,” merkte de ritmeester aan.

„Gij hebt gelijk. Ja, en het is eene zege, voor welke wij den hemel moeten danken.Hoe mij het hart vol wordt bij deze klanken! Eene zege! Eene zege! Uit de donkereonweerswolken van den slag breekt misschien het nieuwe morgenrood voor ons vaderland aan.—Thans versta ik dien onrustigen aandrang in mijn boezem; onder het biddende, dankende volk moet ik mij mengen, de gloeiende ziel in eigen gebed ten hemel verheffen.”

Haastig wendde zij zich om en ging op het paleis aan. Haar voornemen was een onweerstaanbaar gebod voor de overigen, ook zelfs indien hun eigen vreugdegevoel hen niet naar het altaar des Almachtigen gedreven had.

„Geen rijtuig, geen rijtuig!” riep de gravin eenen bediende toe, die, daar hij bemerkte, dat men zich gereed maakte uit te gaan, de vraag, of hij den koetsier zou bestellen, op de tong had. „Wij gaan te voet. Gelijk het gansche volk ter kerke stroomt, zoo ook wij. Het is een dag van deemoed en niet van trotschheid. En toch, hoe fier klopt mij het hart!”

Ondertusschen had zij een donkeren sjaal omgeslagen.Arnheimbood haar den arm aan. Maria en Lodoiska volgden.

Op de straten was alles in beweging. Het volk stroomde over de pleinen naar de kerk. Alle klokken luidden, als op den feestdag eens heiligen. Onder het hôtel van den gezant kruisten zich twee wapperende driekleurige vanen. De in de stad aanwezige troepen vereenigden zich, om in parade naar de kerk te worden geleid. Als door een tooverslag was de werkdag in een hoogen feestdag veranderd. Het volk had zijne zondagskleederen aangetrokken; mannen, vrouwen, meisjes en kinderen, alles stroomde in bont gewoel naar het altaar des Heeren. Hoe schitterden de vurige oogen der meisjes en jongelingen. Genen golfde het lange, zwarte haar onder de sluiers weg en bedekte den blanken hals. Deze hadden de hooge, met tressen versierde mutsen, van welke rijke kwasten afhingen, trotsch in de oogen gedrukt en met mannelijke fierheid de sabel aangegord.

Maria werd het bijna bang om het hart, toen zij de algemeene volksvreugde aanschouwde. Ach, in haar vaderland had zij zulk een feest nog niet beleefd. En zal men daar niet over deze overwinning treuren? Is ons hart niet aan de zijde des vijands, ofschoon ook onze landgenooten, door de macht der wereldgebeurtenissen gedwongen, tegen hem zijn uitgetrokken? En zal deze slag waarlijk zulke zegenrijke gevolgen voor ons hebben, als de verwachtingen nu gespannen zijn?

Met zulke gedachten was men de St. Andreaskerk genaderd, wier wijde deuren openstonden. De tonen des orgels klonken den binnentredenden plechtig tegemoet en vermengden zich met het dreunend geluid der klokken; de kaarsen op het altaar brandden: voor alle beelden der heiligen waren zij aangestoken. Het volk vulde bijna reeds de ruime gewelven, doch nog steeds drongen nieuwe scharen binnen. Met moeite bereikte de gravin nog haar afgesloten bidstoel, door welks tralies men de gansche kerk overzag. Tegenover het koor waren de zitplaatsen van het fransche gezantschap; links zag men het groot altaar, rechts den kansel.

Het traliewerk van hare plaats was Maria zeer welkom, wijl zij dezen dienst moest bijwonen zonder de uiterlijke plechtigheden mede te verrichten en derhalve slechts als toeschouwster verscheen, terwijl haar hart toch innig dankbaar voor het behoud der haren sloeg en haar vurig smeekgebed voor eene zegenrijke wending van het lot haars vaderlands tot God omhoog steeg. Zij ondervond thans, dat de ware vroomheid, het ware, vaste geloof geen secten, geen vormen des gebeds kent. Gij vindt uwen God overal, waar gij in waarheid tot Hem bidt.

Terwijl de gravin en Lodoiska met den rozenkrans in de hand nederknielden, bleef Maria stil, doch aandachtig op haar afgezonderden zetel.Arnheimwas niet mede in den bidstoel der gravin getreden, wijl het gebruik de mannen en de vrouwen in de kerk scheidde.

Lodoiska bad met den gloed eener dweepster; haar oog vestigde zich onafgebroken op een tegen haar over hangend Mariabeeld. Zacht bewoog zij de lippen, doch geen geluid werd hoorbaar. De gravin was ernstig; ook knielend behield zij de majesteit harer houding, want de hoogheid straalde van haar open voorhoofd. Haar groot, donker oog verhief zich van tijd tot tijd onder de lange wimpers en zag met heiligen ernst omhoog.

De mis was geëindigd, de vrouwen verlieten de Kerk. Dicht bij de deuren kruisten zich de stroomen van menschen, zoodat er eene stremming ontstond. Van beide kanten kwamen zij, die op het koor gezeten hadden, de trappen af; van drie kanten drong de stroom uit het schip van de kerk voort.Arnheimhad zich niet weder bij de vrouwen kunnen aansluiten; zij waren alleen en hielden zich stijf aan elkander vast. Nu kwam ook de fransche gezant met zijn talrijk gevolg de trappen af. De stroom van menschen voerde hem dicht langs de vrouwen heen. Langzamerhand zag Maria zich geheel van uniformen omgeven; zij boog het hoofd, om de somwijlen zeer stoute blikken dezer mannen te ontwijken. Daar hoorde zij eenige fransche woorden door eene stem uitspreken, die haar bekend was. Zij keek op, doch, als had zij op een adder getrapt, deinsde zij onwillekeurig bevend achteruit en verbleekte, want zij zag, met het gelaat half naar haar toegekeerd, den gevreesden, gehatenBeaucairevoor zich en twee treden van hem af ookSt. Luces. Zij moest al hare tegenwoordigheid van geest bijeenroepen, om zich niet door een gil te verraden; hare knieën knikten, nauwelijks vermocht zij een voet te verzetten. Zij zou zekerlijk zijn neergezonken, wanneer het gedrang der naar buiten stroomende menschen haar niet met geweld had staande gehouden. Hare gewaarwording geleek die van een wandelaar, die plotseling ontdekt, dat hij zich naast eene in het gras slapende slang heeft nedergevlijd om uit te rusten; hij weet niet of vluchten dan blijven hem in het verderf zal storten. ZooalsBeaucaireenSt. Lucesop dit oogenblik stonden, was het hun onmogelijk Maria te zien. Doch of zij niet reeds lang door beiden bemerkt was, kon zij niet weten. O, hoeveel had zij er thans niet voor gegeven, zoo zij, evenals Lodoiska en de gravin, een sluier gedragen had, om haar gelaat te verbergen. Zij wendde het af, bedekte het met haren zakdoek, zocht zich te verbergen zoo goed het mogelijk was, doch de voortstuwende massa drong haar immer nader aan het gevaar en zij zag het oogenblik komen, waarop zij in de onmiddellijke nabijheid vanBeaucairezoude zijn en haar arm den zijnen moest aanraken. Zij zou de gravin een wenk gegeven hebben, doch ieder woord was gevaarlijk en kon haar verraden. In doodsangst wachtte zij stil den afloop af en gaf zich aan haar lot over. Slechts een zwijgend gebed zond zij tot den Almachtige op, dat Hij haar uit dit gevaar mocht redden. Daar keerde de stroom zich plotseling zijwaarts af, daar men eene tweede deur geopend had. De gravin volgde dezen stroom, en zoo bereikte men in weinige minuten de open lucht, waar voor het oogenblik ten minste veiligheid was. Thans eerst kon Maria harer moederlijke vriendin het gevaar ontdekken, waarin zij verkeerde. Deze sloeg dadelijk een omweg door eenige zijstraten in, om ongemerkt het paleis te bereiken. Zij zocht Maria gerust te stellen door de verzekering, dat niemand in Warschau het zou durven wagen, het heiligdom der gastvriendschapte verontrusten, ook zelfs als men haar verblijf ontdekt had. „Intusschen twijfel ik hier aan,” voer zij voort, „want had een dezer mannen ons herkend, dan zouden zij hun oogen onafgewend op ons gericht hebben, doch hiervan heb ik niets bemerkt.” Ook Lodoiska voegde zich bij deze meening.

Door deze verzekering eenigermate gerustgesteld, haalde Maria weer vrijer adem. Had de gravin gelijk, dan was zij inderdaad een groot gevaar gelukkig ontkomen; want bij den toenmaligen stand van zaken had zij, in Duitschland ten minste, van de willekeur van zulk een vijand alsBeaucaireen allerdenkelijkst ookSt. Luceswas, alles te vreezen. Er was geene andere redding, dan de vlucht of deze of gene machtige bescherming. Op deze hoopte Maria door het aanzien der gravin; aan zich zelve overgelaten, ware zij verloren geweest, want het geringste vermoeden van in staatkundige bemoeiingen gewikkeld te zijn geweest was immers voldoende, om zelfs tegen vrouwen de hardste maatregelen te billijken, en Maria wist zeer goed, dat zij en hare moeder deze slechts door de ijverige en behendige tusschenkomst van Rasinski en door het gelukkig toeval vanSt. Luces'vertrek uit Dresden ontkomen waren. Wat toen de broeder voor haar gedaan had hoopte zij thans van de zuster. Om zekerheid nopens den stand van zaken te verkrijgen, begreep de gravin, dat menArnheim, zoo al niet geheel, dan toch gedeeltelijk in het geheim moest inwijden: een vertrouwen, dat Maria hem, na wat hij haar dezen morgen geopenbaard had, volkomen waardig keurde. In de kerk was men wel van hem gescheiden geraakt, doch men twijfelde geen oogenblik, of hij zou zich zeer spoedig weder in het huis der gravin laten zien. Ondertusschen werd het middag en nog verscheen hij niet. Dit verwekte bij Maria eenige bezorgdheid, ofschoon zij over haar eigen toestand reeds rustiger werd, daar zij, zooBeaucairehaar bemerkt had en vervolgen wilde, reeds nu de werking zijner booze aanslagen zou bespeurd hebben. Immers, hij kon haar niet anders dan in gezelschap van Lodoiska en de gravin gezien hebben, welke hij beiden kende, hetgeen genoeg was, hem haar verblijf te ontdekken. Eindelijk tegen den avond lietArnheimzich aandienen. Wanneer hij geweten had, hoe smartelijk men naar hem verlangde, was hij reeds lang daar geweest; doch hetzelfde gevoel, dat hem zoo machtig naar deze plaats trok, hield hem juist terug. Niet zelden toch schroomt men het meest, dáár een bezoek te maken, waar men het liefst is, wijl men eene teleurstelling in zijne poging zoozeer vreest, dat men die somtijds liever in het geheel niet onderneemt. Voor dit avondbezoek hadArnheimevenwel een geldig voorwendsel of liever eene dringende reden, want hij moest nog dezen nacht als koerier vertrekken. Te negen uur was hij bij den gezant bescheiden, om zijn depêches te ontvangen. Toen hij met deze verontschuldiging zijn bezoek inleidde, begreep men terstond, dat zijne hulp in de zaak, welke men hem wilde toevertrouwen, niet meer mogelijk was. Doch hij bracht zelf het gesprek daarop, daar hij zich spoedig liet ontvallen: „Het schijnt, dat alle badgasten uitTeplitzzich in Warschau willen verzamelen, want ik ontmoette er twee bij den gezant, de beide Franschen, die op die buitenpartij naarAussigbij ons kwamen.”

„Hebt gij hen gesproken?” vroeg de gravin op een toon, die te haastig was, om niet opgemerkt te worden.

„Slechts even,” antwoorddeArnheim; „doch waarom? Wenscht gij misschien.....”

„O ja, wij wenschen zeker iets en zouden u een gewichtigen, dringenden dienst kunnen vergen,” viel de gravin hierop in en zag Maria aan.

„Met groot genoegen stel ik mij tot uwe beschikking,” antwoorddeArnheim.

„Het is de vraag, of gij het nog kunt. Ons verlangen namelijk is dit, dat de beide Franschen, zoo mogelijk ons verblijf in 't geheel niet te weten komen, want wij hebben dringende reden, om hen te mijden. Misschien hebt gij ons echter reeds genoemd en dan....”

„Stellig niet,” vielArnheimhaar in de reden; „want ik herinner mij nog uitTeplitz, dat deze heeren u,” hier zag hij Maria aan, „reeds bij de toenmalige ontmoeting niet aangenaam waren; mij zijn zij het inderdaad ook niet en wij wisselden daarom slechts eenige onbeduidende woorden. Ook kunt gij geheel zonder zorg zijn, want zij reizen nog heden, op hetzelfde uur als ik, van hier.”

„Goddank!” riep Maria uit, die tot hiertoe met eene angstige spanning had toegeluisterd en wie nu de aangename verrassing dezen uitroep uitlokte.

Arnheimwas verbaasd over hare drift; doch zijne bescheidenheid verbood hem, navraag te doen. Maria gevoelde nochtans, dat zij zich verklaren moest, wanneer zij niet tot vreemde vermoedens aanleiding wilde geven.

„Gij moet weten, heerVon Arnheim,” begon zij dus, „dat ik de oorzaak ben, waarom de gravin een bezoek dier beide heeren wenscht te ontwijken. Eene aaneenschakeling van gebeurtenissen, welke ik het recht niet heb mede te deelen, heeft bewerkt, dat ik deze beide mannen vermijden, ja ontvlieden moet. Gij kunt u dus van mijn innigsten dank verzekerd houden, wanneer gij nu noch ooit, waar gij hen ook moogt ontmoeten, iets van mijn tegenwoordig verblijf alhier laat merken. Het is een dienst, waarom uwe landgenoote u in de volste beteekenis van het woord bidden moet.”

„Ik zou mij zelf voor een ellendeling houden, zoo ik ook maar met een woord, met een blik tegen uw wil handelde,” riepArnheimmet levendigheid uit.

„Ik ben overtuigd, dat gij doen zult, wat gij vermoogt, om mij iets onaangenaams te besparen,” zeide Maria vriendelijk en reikte hem de hand; „neem mijn warmen dank daarvoor reeds bij voorbaat aan.”

„Wanneer gij mij slechts meer, slechts iets, dat waarlijk naar eene daad, naar een dienst geleek, had opgedragen! Wenscht gij misschien iets anders van deze beide mannen te weten?”

„Ik weet niet, of het mij helpen zou,” antwoordde Maria; „doch zeg ons wat gij weet; want schadelijk kan het mij nooit zijn, de betrekkingen van hen, voor wie ik mij in acht moet nemen, te kennen.”

„Het is inderdaad weinig. Voor zoover ik weet, zijn zij beiden bij de burgerlijke administratie, die tot de groote armee behoort, aangesteld en in die betrekking gaan zij thans daarheen. Hun post schijnt zich bijzonder tot de hospitalen te bepalen, die in den rug van het leger aangelegd zijn en gedeeltelijk nog worden aangelegd.”

„Dan zullen zij misschien niet naar de armee zelve gaan?” vroeg Maria en een zweem van hoop herleefde in haar binnenste.

„Hun naaste bestemming is Wilna; verder kan ik niets zekers opgeven. Maar derwaarts zullen zij reeds binnen eenige uren op reis zijn.”

„Het is ook voldoende, en genoegzame geruststelling voor ons,” zeide de gravin. „Doch uwe eigene afreize is zoo nabij, dat wij bijna vreezen moeten, u door het verzoek, om het overige van dezen avond bij ons te blijven, den tijd tot uwe toebereidselen te ontrooven.”

„Indien gij mij wilt veroorlooven, deze weinige uren zoo gelukkig door te brengen, mijne bezigheden zijn afgedaan. Te negen uur ontvang ik mijne depêche, te tien uur ben ik zeker reeds een goed van Warschau verwijderd, want ik heb mijn wagen voor het hôtel van den gezant besteld. Tot negen uur dus....”

„Zijt gij mij de meest welkome gast,” viel de gravin hem in de rede.

Men bracht licht in de zaal en er werd thee rondgediend. Het weêr was weder ruwer geworden, de wind ruischte najaarsachtig door de boomen en sloeg tegen de vensters. Dit verhoogde slechts de gezelligheid van het vertrek; zelfsArnheimvergat, dat hij dit geluk slechts voor zulk een vluchtig oogenblik kon genieten, dat hij na weinige uren door de ruwe hand des krijgs weder van alle vertrouwelijk, gezellig bijeenzijn voor langen tijd zou gescheiden worden. Men sprak van den slag, van de offers, welke zij geëischt had, van de nog meer beklagenswaardigen, die eerst na een langdurig lijden het geruste perk des doods zouden bereiken.Arnheimschilderde met kennis van zaken den dringenden nood, die dikwijls in hospitalen heerscht, het gebrek aan werktuigen, doch vooral aan verplegende handen.

„Ieder leger,” riep Lodoiska, door hare deelneming medegesleept, „moest door vrouwen en meisjes gevolgd worden, om de verzorging der gewonden op zich te nemen.”

„En zoudt gij moed tot zulk eene onderneming hebben?” vroeg de gravin glimlachend, maar toch ernstig.

Lodoiska, die wel gevoelde, wat haar den moed hiertoe zoude verleenen, werd hoog rood, doch antwoordde snel: „Ja, gewis, ik acht mij daartoe in staat.”

„Ik weet niet,” zeide Maria op weifelenden toon, „of niet allen, die betrekkingen onder de strijders hebben, zulk eene verplichting moesten gevoelen. Wij meisjes moesten ons misschien daarvan onthouden; maar eene vrouw, die weet, dat haar gemaal in gevaar is, moest ten minste wel nabij genoeg zijn, om in de ure van den nood tot zijne hulp te kunnen toesnellen.”

„Wanneer dat slechts mogelijk was en veroorloofd kon worden,” hernamArnheimniet onbewogen; „onze soldaten zou zulk eene verpleging met dubbele koenheid naar het veld drijven, waar de wonden te halen zijn, waaraan zij een zoo groot geluk zouden te danken hebben.”

„De troost voor de te huis blijvende gade,” merkte de gravin aan, „ligt gewis in het gevoel, dat de man zijn edelste roeping vervult, dat hij voor den roem, de eer, de vrijheid of veiligheid van zijn vaderland strijdt. Eene waarlijk edele, den man waardige vrouw zal zoo moeten denken en daarom ook aldus leeren gevoelen. Zij mag hem het offer, dat alleen zijne persoonlijkheid zoude gelden, niet brengen, daar zij, zonder hem te beschamen, niet mag veronderstellen, dat hij het vordert. De man, die den ganschen omvang zijner plichten overziet, weet ook, dat, wanneer hij ten strijde trekt, hij aan het vaderland vrouwen en huismoeders moet achterlaten, die het opkomend geslacht voorde toekomstaankweeken; ja dat have en goed van ieder in het bijzonder, die vereenigd have en goed van het algemeen zijn, ten algemeenen nutte zorgvuldig moeten bestuurd worden. Door deze overweging schijnen de plichten eener vrouw mij voorgeschreven, en lichter gemaakt te zijn.”

Niet slechtsArnheim, maar ook Maria en zelfs Lodoiska moesten bekennen, dat de gravin de plichten der vrouw op de waardigste wijze opvatte; zij luisterden met eerbied naar haar. Want wat ernstige zelfbeheersching zij ook eischte, toch verloochende zij het teeder vrouwelijk gemoed niet; zij vergunde het zijne rechten, slechts de alleenheerschappij wilde zij het niet toestaan.

„In het algemeen is dat zeker het alleen ware en rechte,” zeide Maria; „doch er komen ook gewis gevallen voor, die eene uitzondering maken. Ten minste zullen wijdie, wanneer zij zich opdoen, uit de eigenaardigheid der karakters verklaren, dikwijls rechtvaardigen en somtijds ook wel bewonderen kunnen.”

„Zoo is het,” riepArnheimmet levendigheid en hechtte zijn oog op het schoone, stil gelaten wezen, dat hem, hoe nader het oogenblik des afscheids kwam, nog gestadig dierbaarder werd. Doch hij besloot met mannelijke kracht zijn gevoel te beheerschen en het hart van Maria niet tot een besluit te dwingen, dat het gansche leven omvat, in een oogenblik, waarin zij nauwelijks tijd zoude hebben, haar ja of neen uit te spreken.

De uren waren sneller dan minuten vervlogen. De klok van den St. Andreastoren sloeg negen uur; het strenge gebod van den plicht veroorloofde geen langer vertoeven. Hartelijke wenschen begeleidden den vertrekkende; het afscheid was voor allen roerend,Arnheimmoest het verhaasten, om zich niet te verraden.

De eerstvolgende dagen gingen voor de vrouwen zoo stil als gewoonlijk voorbij. De gewonnen slag maakte voor haar, gelijk voor alle inwoners van Warschau, nog steeds den hoofdinhoud van het gesprek uit. Van tijd tot tijd werden meer juiste berichten daaromtrent bekend, daar ieder, die den zijnen, hoe vluchtig dan ook, geschreven had, toch de eene of andere omstandigheid had vermeld. De bestorming der groote redoute was door de meesten kortelijk meêgedeeld. Bijna niemand was er, die niet van het groote verlies, de hardnekkigheid van het gevecht, het ontzettend artillerievuur en de ongeloofelijke inspanningen het een of ander aanhaalde.

Na drie dagen verscheen een uitvoerig officieel bericht in de couranten. De gravin las het eerst met de meest ingespannen aandacht. Trotsch klopte haar hart, zoo dikwijls de dapperheid der poolsche troepen werd vermeld, vooral echter, waar het bericht van de cavalerie sprak. Toen zij had uitgelezen, ging zij naar Lodoiska en Maria, die, met vrouwelijken arbeid bezig, op hare kamer zaten, om haar voor te lezen, wat de couranten inhielden. De belangstelling der beide meisjes was zoo groot, dat de naald haar onwillekeurig ontzonk; bij elken nieuwen strijd, die geschilderd werd, beefden zij opnieuw voor hare betrekkingen. Vooral toen het heette: „Nu kreeg de koning van Napels bevel van den keizer, om alle cavalerie, die hem ten dienste stond, bijeen te zamelen en daarmede de russische liniën overhoop te werpen, zoodat de schrikkelijke redoute in front aangevallen kon worden. Twee regimenten saksische kurassiers, drie poolsche regimenten lichte cavalerie....”

Hier begon Lodoiska te beven en verbleekte; zelfs de meer bedaarde Maria verschoot van kleur, Rasinski werd niet genoemd, doch een voorgevoel zeide haar, dat hij er met zijn regiment bij tegenwoordig geweest was. Deze voorstelling werkte sterk op haar; de beschrijving van het gevecht was levendig. Zij erkende groote verliezen, doch schilderde ook de zegepraal met schitterende kleuren.

De gravin was aan het einde. Als op een afgesproken teeken sprongen de meisjes, die tot dusver in bevende spanning hadden gezeten, op en zonken elkander in de armen. Het was de diepste aandoening over de redding harer geliefdsten uit het schrikkelijk onweder van dezen strijd. Zelfs de gravin werd week, sloot de meisjes aan hare borst en boog haar moederlijk hoofd tot haar neder.

Eerst den vijfden dag kwam een tweede brief van Rasinski, waarin met potlood geschreven blaadjes van Lodewijk en Jaromir lagen. Rasinski schreef:

„Dierbare Zuster!„Sinds vier dagen vervolgen wij den vijand zonder ophouden en dagelijks vallen er schermutselingen voor. Evenwel rukken wij langzaam voort, daar de Russen zich in goede orde terugtrekken. Het zou niet zoo zijn, als onze afmatting het mogelijk had gemaakt, hen sneller te vervolgen. De zorg voor onze gekwetsten en voor ons onderhoud neemt bijna ieder oogenblik in beslag. Daarom slechts deze weinige regels. Wij hebben vele dierbare vrienden verloren! Twee derden van mijn regiment liggen op de hoogten van Smolensko, en onder hen ook mijn trouwe Petrowski, wiens lijk ik niet eens kon opzoeken en begraven. Sinds duizenden van jaren is er zoo geen bloedige slag gestreden. Onze vermoeienissen zijn onbeschrijfelijk, doch door Gods goedheid zijn wij nog gezond en wel. Over het bloedige slagveld vanBorodinozal de vrijheidszon van Polen opgaan. Daarom, Johanna, treur niet over de dooden. Het vaderland zal hun eereteekenen stichten, die hun roem onvergankelijk doen schitteren. Vaarwel, Johanna! Hetmorgenrood breekt eindelijk aan. Verheug u!Uw Broeder.”

„Dierbare Zuster!

„Sinds vier dagen vervolgen wij den vijand zonder ophouden en dagelijks vallen er schermutselingen voor. Evenwel rukken wij langzaam voort, daar de Russen zich in goede orde terugtrekken. Het zou niet zoo zijn, als onze afmatting het mogelijk had gemaakt, hen sneller te vervolgen. De zorg voor onze gekwetsten en voor ons onderhoud neemt bijna ieder oogenblik in beslag. Daarom slechts deze weinige regels. Wij hebben vele dierbare vrienden verloren! Twee derden van mijn regiment liggen op de hoogten van Smolensko, en onder hen ook mijn trouwe Petrowski, wiens lijk ik niet eens kon opzoeken en begraven. Sinds duizenden van jaren is er zoo geen bloedige slag gestreden. Onze vermoeienissen zijn onbeschrijfelijk, doch door Gods goedheid zijn wij nog gezond en wel. Over het bloedige slagveld vanBorodinozal de vrijheidszon van Polen opgaan. Daarom, Johanna, treur niet over de dooden. Het vaderland zal hun eereteekenen stichten, die hun roem onvergankelijk doen schitteren. Vaarwel, Johanna! Hetmorgenrood breekt eindelijk aan. Verheug u!

Uw Broeder.”

Lodewijks blaadje luidde:

„Maria! dagen had ik noodig, om mijn hart voor u uit te storten, en slechts minuten zijn mij vergund. Den avond vóór den slag vernam ik den dood onzer moeder. O, welk een lieve, vertroostende brief van u. Midden in het gewoel van den strijd was mijn hart slechts bij u, gij arme, en de dreigende gevaren verloren bijna hunne macht over mij. Bernard is de trouwste ziel op aarde; hij waande mij verloren en zocht mij onder de dooden. Doch wij vonden elkander levend terug. Vaarwel! vertwijfel niet! de dag des wederziens en des geluks komt ook voor ons. Dat deze schrikkelijke dag mij spaarde, zij u daar borg voor.”

„Maria! dagen had ik noodig, om mijn hart voor u uit te storten, en slechts minuten zijn mij vergund. Den avond vóór den slag vernam ik den dood onzer moeder. O, welk een lieve, vertroostende brief van u. Midden in het gewoel van den strijd was mijn hart slechts bij u, gij arme, en de dreigende gevaren verloren bijna hunne macht over mij. Bernard is de trouwste ziel op aarde; hij waande mij verloren en zocht mij onder de dooden. Doch wij vonden elkander levend terug. Vaarwel! vertwijfel niet! de dag des wederziens en des geluks komt ook voor ons. Dat deze schrikkelijke dag mij spaarde, zij u daar borg voor.”

Jaromir schreef slechts:

„Lodoiska, mijn eenigst leven! Beef niet meer, alle gevaren zijn voorbij! De slag was geweldig; ook ik beween vele getrouwe broeders en kameraden. Doch mij beschermde uw gebed; u dank ik alles, geluk en leven. O, kon ik slechts weder aan uw boezem zinken. Boleslaw, Lodewijk en Bernard leven.—Dierbaarste, vaarwel! en denk aan uw eeuwig getrouwenJaromir.”

„Lodoiska, mijn eenigst leven! Beef niet meer, alle gevaren zijn voorbij! De slag was geweldig; ook ik beween vele getrouwe broeders en kameraden. Doch mij beschermde uw gebed; u dank ik alles, geluk en leven. O, kon ik slechts weder aan uw boezem zinken. Boleslaw, Lodewijk en Bernard leven.—Dierbaarste, vaarwel! en denk aan uw eeuwig getrouwen

Jaromir.”

Deze eerste berichten van de eigen hand der beminden maakten de vrouwen onbeschrijfelijk gelukkig. Ieder spoor van twijfel was nu verdwenen, zij gaven zich geheel aan het zalig gevoel over, dat na de doorgestane bange zorgen en gevaren aan het hart de zoetste belooning schenkt.

Voor en na bezocht Lodoiska dagelijks de mis. Doch hare gebeden waren nu dankgebeden geworden, en hare tranen werden niet meer door angst en verlangen afgeperst, maar vloten uit dankbare aandoening.

Zoo verliep eene week.

Daar kwam het bericht van het binnenrukken van het keizerlijk leger in Moskou; uit den burcht der oude czaren was het bulletin gedagteekend, waardoor de keizerdeze nieuwe, laatste overwinning aan het verbaasde Europa bekend maakte. Derhalve was nu het groote doel, de lang gewenschte vrede, bereikt. Met wien toch zoude men oorlog voeren, wanneer er geen vijanden meer te overwinnen waren? Thans herleefden weder alle verwachtingen in alle harten, nu eindelijk geloofde men den dag der rust, de vergelding voor de zoo oneindig vele offers te zien aanbreken. De Pool gevoelde zich reeds weder vrij. Hij hoopte weder een vaderland, een uit den boezem des volks te voorschijn getreden koning, eene geschiedenis te zullen bezitten. In dit gevoel was de gravin gelukkig en trotsch. Lodoiska leunde de hut van haar stil geluk tegen het koene paleis van verwachtingen aan, dat hare verzorgster opbouwde. In hare warme borst koesterde Maria de kiemen, welkeArnheimsbeschouwing der dingen troostvol in haar had opgewekt. Ofschoon niet dadelijk, zullen zij toch spoedig opschieten; gij zult nog dagen van vrijheid zien aanbreken, zult uw vervolgden broeder weder vrij en veilig aan het hart drukken, zult zijn trouwen vriend onbeschroomd de hand durven reiken. Eindelijk zullen de zwarte wolken, door dezen laatsten slag uiteengejaagd, zich verdeelen en zal de blauwe hemel weder vroolijk over uw vaderland lichten. Lang genoeg hebben de ruwe winterstormen geduurd. Er moet ook weder een dag der lente aanbreken.

In deze gelukkige verwachtingen wiegden zich de zielen der vrouwen gedurende vijf dagen.

Daar verspreidde zich, het eerst door Joden, die van Brzesc Litewski kwamen, het gerucht, dat Moskou door de Russen in brand was gestoken. In het geheim mompelde men het, en fluisterde het elkander zacht, half geloovig in de ooren; want men waagde niet het luid uit te spreken, om niet de blijde hoop der opgewonden menigte door een misschien blinden schrik neder te slaan. Zooals het gewoonlijk gaat, overdreef de een, terwijl de ander wilde weten, dat het geheele geval zich tot enkele, door toeval in brand geraakte gebouwen bepaalde. In het hôtel van den gezant was alles stil, niemand vernam den inhoud der depêches, welke de koeriers aanbrachten. Doch luider en steeds aangroeiend herhaalden zich de geruchten; reeds durfde niemand ze meer tegenspreken. Eindelijk was de ramp niet meer te verbergen. Openlijk bevestigden de berichten des franschen gezants, dat de Russen in hunne razende woede zelven hunne hoofdstad der vernieling gewijd hadden. Wat ook gezegd werd, om het verschrikkelijke van deze tijding te verzachten, om het vermoeden tegen te gaan, alsof deze gebeurtenis het fransche leger gevaar of zelfs verderf konde aanbrengen,—de daad scheen te verschrikkelijk, te ongehoord, wanneer zij niet den zekersten uitslag met zich voerde. Slechts om Rusland met gewisheid te redden, kon Moskou aan de vlammen zijn prijsgegeven, gelijk men, slechts om Frankrijk te redden, de brandfakkels in Parijs zoude werpen. Dat gevoelde ieder met onoverwinnelijk bewustzijn. Een stomme, kille schrik had zich van de gemoederen meester gemaakt; eene huivering sloop door de zielen der stoutmoedigsten; de tijd had de menschen aan schrikkelijke gebeurtenissen, aan daden zonder voorbeeld gewend, deze echter ging verre de maat te buiten, overschreed verre de grens van iemands verbeelding. Men herinnerde zich, dat in den schrikkelijksten tijd der fransche revolutie een der redenaars, welker woorden eene vlam, een zwaard, een bliksemschicht werden, wanneer de opbruisende hartstocht ze uit den krater der borst slingerde, om zijne tegenstanders te verschrikken op de tribune had uitgeroepen: „Dan zal de dag komen, dat men aan de Seine de woeste plek zal aantoonen, waar eens Parijs stond.” Deze gedachte reeds had in die dagen,toen men aan bloedige schrikbeelden, aan de ontzettendste heksendansen aller furiën en demonen, die het menschelijk hart kunnen innemen, gewoon was, het bloed in de aderen doen stollen. En nu zoude iets zoo schrikkelijks, ongehoords, ondenkbaars werkelijk geschied zijn? Die stad, welke sinds eeuwen allen roem, glans en rijkdom van het onmetelijk rijk der czaren in hare burchten en paleizen vereenigde; die stad, waar de weelde van Azië zich met de kunst en bedrijvigheid van Europa wedijverend verbond; de oude hoofdstad, gewijd als een zetel van den voorvaderlijken godsdienst!.... deze zoude tot den bodem geslecht, in een akeligen aschhoop verkeerd zijn! Slechts het ijselijkste kon dit ijselijke voortbrengen, het ontzettendste alleen dit ontzettende baren. Een stortvloed van golvende vermoedens kwam bruisend nader. Daarbij kwam, dat deze nauwelijks begrijpelijke gebeurtenis op de vleugels des geruchts tot in het reusachtige aangroeide; men schilderde de verwoeste stad als een aschhoop, die geen levend wezen meer eene toevlucht verschafte als een uitgebranden krater, waarin ook de laatste levensvonk uitgedoofd was. Onder de asch zou het verbrande gebeente der legers begraven, slechts enkele aanvoerders en weinige personen zouden, door een wonder gered, ontkomen zijn. Men kon zich niet verbeelden, dat zulk een worp zou gewaagd zijn, wanneer het niet buiten twijfel was, alles daardoor te winnen. Daarom verhaalde men, dat de keizer reeds op de vlucht, ja deze of gene meende reeds te weten, dat hij in Warschau was. De bedaardsten en bezadigsten geloofden ten minste niet meer aan den vrede, maar hielden deze daad voor het onbedriegelijkste bewijs, dat de strijd nu eerst recht zou beginnen. Zoo volgde de dofste verdooving en de meest moedelooze schrik op den korten roes der vreugde, die de overwinning had aangebracht.

De gravin geleek een marmeren beeld, zoo bleek zag zij, sinds deze schrikkelijke tijdingen waren aangekomen. Zij sidderde niet voor het lot van haren broeder, voor dat harer naaste betrekkingen, maar voor dat van haar vaderland. Zij waande in het op den donkeren achtergrond brandende Moskou het schrikkelijke beeld der toekomst van Warschau te zien, en in de haar overstelpende droefheid riep zij angstig voorzeggend uit: „Wie weet, hoe nabij de dag is, dat de vlammen boven de tinnen mijner vaderstad opstijgen, ten zoen voor het ontzettende brandoffer, dat Rusland zijner gebracht heeft.”

Lodoiska was geheel moedeloos en verslagen; slechts Maria vond in hare stille gelatene ziel de rust, deze schoone vrucht des geloofs en des bewustzijns tevens. Zij, die zich niet vrij aan de uitgelatenheid der vreugde had kunnen overgeven, maar slechts verwijderde verwachtingen aan het gebeurde knoopte, was ook nu niet zoo diep in den afgrond der moedeloosheid vervallen. De gravin, het met zich zelve volkomen eens zijnde, behoefde geen troost; zij stond ontzet, maar moedig, zonder beven, aan de geopende poorten des verderfs. Doch Lodoiska werd door denstroomder gebeurtenissen bewogen als eene slingerende wijngaardrank; zij had ondersteuning noodig. De liefdevol troostende Maria, die ieder vonkje der hoop met eene alles uitputtende liefde wist aan te wakkeren, was haar steun; want voor de koele, moedige gestalte der gravin beefde Lodoiska heimelijk terug, wijl zij in hare ernstige blikken, in de diepe trekken van hare verheven droefheid het heimelijk verwijt meende te lezen: Gij treurt om niets, dan om uwe armzalige, kleine liefde! Uwe ziel is niet groot genoeg, om het verlies van een vaderland te gevoelen. Mogen allen vrij hun ondergang gevonden hebben in de vlammen, in den aschhoop, wanneer gij slechts uw minnaar behouden hadt.—Lodoiska bedroog zich; deze strenge taal zou Johanna niet gevoerd hebben,daartoe gevoelde haar hart te menschelijk, te medelijdend het lijden in den boezem eens anderen.

Doch spoedig veranderde de gestaltenis der zaken weder. In deze dagen dobberde elk levensschuitje op eene stormachtige zee. Nu zag men van den top der baar de nabijzijnde haven, de redding, de overwinning; dan weder stapelden zich de golven hoog boven het hoofd op en lieten nauwelijks eene plek van den eeuwigen hemel aanschouwen. Er kwamen latere berichten uit Moskou, die bewezen, dat het leger geen gevaar liep, dat men, ondanks de schrikkelijkste verwoesting, genoeg woningen voor winterkwartieren had overgehouden; dat de oorlog wel is waar nog voortduurde, maar dat toch de eerste stappen tot vredesonderhandelingen reeds gedaan waren. Thans verdween de verslagenheid, welke de mare des onheils had teweeggebracht, en nieuwe verwachtingen ontsproten.

De vrouwen wachtten slechts op berichten van hare vrienden, om zich geheel aan hare vreugde over te geven. Daar kwamen op een avond twee brieven tegelijk aan; de eene van Jaromirs hand was aan Lodoiska, de andere van Rasinski aan zijne zuster gericht. Dit bevreemdde, daar anders alles in Rasinski's brieven ingesloten placht te zijn. Lodoiska was in de vesper; de gravin opende alleen den brief van Rasinski aan haar; hij was van den 15. September, den dag na het begin van den brand, en luidde:

„Dierbare Zuster!„Wij zijn, wat ons zelven betreft, een groot gevaar op de verwonderlijkste wijze ontkomen. Moskou staat in volle vlam. Er heerscht eene verwarring zonder voorbeeld. Wij moeten uit de stad naar buiten rukken en liggen thans op bivak. Ik maak van de eerste minuut, welke ik vind, gebruik, om u te melden, dat wij allen in leven en gezond zijn. Wanneer dit briefje weggaat, weet ik niet. De oversteRegnard, dien ik zoo even sprak, bezorgt het op de veldpost.Uw Broeder.”

„Dierbare Zuster!

„Wij zijn, wat ons zelven betreft, een groot gevaar op de verwonderlijkste wijze ontkomen. Moskou staat in volle vlam. Er heerscht eene verwarring zonder voorbeeld. Wij moeten uit de stad naar buiten rukken en liggen thans op bivak. Ik maak van de eerste minuut, welke ik vind, gebruik, om u te melden, dat wij allen in leven en gezond zijn. Wanneer dit briefje weggaat, weet ik niet. De oversteRegnard, dien ik zoo even sprak, bezorgt het op de veldpost.

Uw Broeder.”

Doch in den brief lag nog een afzonderlijk, gesloten briefje met het opschrift: „Voor u alleen.”

„Wij vermissen Jaromir! Verzwijg dit voor Lodoiska. Dat hij omgekomen zou zijn, is haast niet denkbaar. Ik moest hem met een bericht naar den maarschalk Mortier zenden; zoo is hij van ons gegaan. In deze onmetelijke stad, bij deze ongehoorde verwarring is echter niets gemakkelijker dan te verdwalen. Ik hoop, dat wij allen morgen weder bijeen zijn. Ik schrijf ditalleen aan u, omdat ik u heilig beloofd heb, u nooit iets te zullen verbergen. Zoo moogt gij mij ook gelooven, als ik u verzeker, dat ik hoegenaamd niet over Jaromir bekommerd ben.”

„Wij vermissen Jaromir! Verzwijg dit voor Lodoiska. Dat hij omgekomen zou zijn, is haast niet denkbaar. Ik moest hem met een bericht naar den maarschalk Mortier zenden; zoo is hij van ons gegaan. In deze onmetelijke stad, bij deze ongehoorde verwarring is echter niets gemakkelijker dan te verdwalen. Ik hoop, dat wij allen morgen weder bijeen zijn. Ik schrijf ditalleen aan u, omdat ik u heilig beloofd heb, u nooit iets te zullen verbergen. Zoo moogt gij mij ook gelooven, als ik u verzeker, dat ik hoegenaamd niet over Jaromir bekommerd ben.”

Toen de gravin het gesloten briefje gelezen had, geloofde zij natuurlijk, dat de tegelijk gekomen brief van Jaromir zijn verdwijnen zoude ophelderen. Zij hield dien met de grootste waarschijnlijkheid voor later geschreven en tot Lodoiska's geheele geruststelling nagezonden. Daarom verheugde zij zich op de terugkomst van deze, om haar met den brief te verrassen. Maria dacht ook zoo. Na een klein half uur kwam Lodoiska terug. De gravin trad haar met den brief te gemoet,hield dien half schertsend, want zij was in eene zeer vroolijke stemming, daar ook de laatste bezorgdheid van haar hart was weggekomen, omhoog en riep: „Lodoiska, wat geeft gij mij voor dezen brief?”

„Van Jaromir?” riep zij met van vreugde fonkelende oogen; tegelijk trok zij verlangend de opgestoken hand der gravin met hare linkerhand naar beneden en streelde haar met de rechter. Een hartelijke kus was het loon, dat het gelukkige meisje voor den schat gaf. Daarop opende zij haastig, met wangen, die van vreugde en verwachting hoog gekleurd waren, den brief en hield hem tegen het licht, om te lezen. Doch als ware zij plotseling op den rand van een ontzettenden afgrond geraakt, beefde zij terug, werd bleek als de dood, liet de handen krachteloos zinken en het papier vallen. Een gil, dien zij wilde uitstooten, stikte in hare benauwde borst, hare stem beefde, en nog voor de gravin of Maria haar te hulp konden snellen, zonk zij bewusteloos neder.

„Om 's hemels wil, wat deert u?” riep de gravin en zocht met behulp van Maria, die angstvol was toegesneld, de ongelukkige op te richten, doch met moeite slechts vermochten zij haar op de sofa te brengen. De gravin schelde om hulp. Maria, nam den gevallen brief van den grond op en zag, een vluchtigen blik daarin werpende, dat hij slechts één regel bevatte. Zij waagde niet hem te lezen, doch de gravin deed dit zonder bedenking. Hij bevatte niets dan de woorden:

„Huichelaarster! Trouwelooze! wij zijn voor eeuwig gescheiden.Jaromir.”

„Huichelaarster! Trouwelooze! wij zijn voor eeuwig gescheiden.

Jaromir.”

Beide vrouwen waren sprakeloos van verbazing.

„Die slag moest de arme zeker verpletteren,” zeide de gravin op den toon van diepe verontwaardiging. „Op zoo iets kon zij niet bedacht zijn. Het is afschuwelijk, een gruwel zonder voorbeeld.”In hevige ontroering ging zij de kamer op en neder, Maria las tot hare eigene overtuiging het onheilbrengende blad nog eenmaal en legde het dan met bevende handen neder. „O gij rampzalige,” zeide zij, terwijl zij zich over het hoofd der onmachtige neerboog, „hoe zullen wij thans uw lijden verzachten!”

De kamenier van Lodoiska was binnengetreden. Zij ontstelde bij den aanblik van hare meesteres. „De gravin is plotseling ongesteld geworden, zij moet te bed gebracht worden. Kasimir moet vliegend naar den arts. Bestel dat en kom spoedig terug.” Op deze met gedwongen bedaardheid en kalmte gesproken woorden der gravin verliet de kamenier de zaal weder. Maria had ondertusschen Lodoiska's slapen met koud water besprenkeld, om haar weder tot bewustzijn te brengen. De gravin ging nog steeds driftig op en neder. „Daaraan herken ik de mannen! Hunne eigene slechtheid opent hun hart voor ieder onwaardig vermoeden. Wie zou hebben kunnen gelooven, dat op deze engelreine ziel de zwartste verdenking zou kunnen worden geladen! Dit hart, dat zich zelf in den gloed zijner liefde verteerde, wordt van trouweloosheid beschuldigd. Afschuwelijk! Ongehoord! Grenzeloos afschuwelijk! En welke bewijzen kan de lichtzinnige knaap, die met ruwen tred de bloesems van zijn eigen onschatbaar geluk in het stof trapt, voor zijne onnoembaar zware beschuldiging hebben! Een gerucht, een lasterende brief, een boosaardig verdichtsel van den een of anderen eerloozen of tot misdadig wordens toe lichtzinnigen kameraad!”

Zij ging voor Lodoiska staan, wier borst zich onder het verlichte ademhalen—Maria had haar kleed losgemaakt—nauwelijks scheen te bewegen. „Hoe zacht deze reine engel sluimert! Zelfs het ontzettende spooksel van den schrik, die haar zoo plotseling ter neder sloeg, heeft hare minzame trekken niet misvormd. Een blik op haar afbeeldsel moest het bewijs harer onschuld tegen duizend getuigen geweest zijn!Hebt gij haar vermoord, hebt gij dit teedere leven geknakt door den slag, dien uwe ruwe hand in den blinde gedaan heeft, dan moge haar beeld u als een schrikkelijk spook vervolgen!”

„Neen, neen, zij leeft, zij ademt, zij zal ontwaken, wij zullen haar troosten, bemoedigen!” antwoordde Maria met eene door tranen verstikte stem. „Alles zal tot klaarheid komen, ook dit vreeselijke misverstand.”

„Hier kan het weefsel niet meer ontward worden! De knoop is met het ijzeren zwaard doorgehouwen; alle teedere banden, die twee jonge harten verbonden, zijn verscheurd. Waar een zoo duistere geest des argwaans in het heiligdom der liefde en des vertrouwens eens is ingebroken, daar zijn zijne sporen nooit te verdelgen. Overtuigd kan Jaromir worden, dat Lodoiska geen zonnestofje ontrouw of valschheid in haar reinen boezem omdroeg; overtuigd, als van den glans der sterren aan den eeuwigen helderen hemel. Doch het schoone, heilige, onschendbaregeloofvan beiden aan elkander is vernietigd, voor eeuwig vernietigd. Eene begane daad, een gesproken woord zijn onherroepelijk en zoomin te achterhalen als de vervlogen minuten. Wat gij ook doet, om het verzuimde in te halen, om eene schuld te verzoenen, het is ijdel bedrog en schijn; het verzuim, het vergrijp zijn begaan, zij blijven onveranderlijk en geen godheid is in staat, de eeuwige schriftteekens in het boek van het volbrachte uit te wisschen.”

De kamenier trad weder binnen; Lodoiska werd in hare kamer te bed gebracht. Maria zette zich bij haar neder en wachtte vol angst den terugkeerenden adem, het opslaan van haar oog af. De gravin stond in ernstige, diepe treurigheid zwijgend aan het voeteneinde van haar bed en hechtte de donkere oogen onafgewend op de levenlooze.

Eindelijk opende Lodoiska de lieve oogen weder, zag smartelijk op, reikte toen hare lieve verzorgster de handen toe en sprak zacht, maar uit het diepste harer borst: „O, ik ben onbeschrijfelijk rampzalig!”


Back to IndexNext