TIENDE BOEK.

TIENDE BOEK.HOOFDSTUK I.De avond was reeds gevallen. Een ruwe storm loeide over de vlakte en ruischte hol in de toppen der hooge dennen toen Rasinski met de kleine schaar zijner getrouwen, die hij niet meer zijn regiment durfde noemen, het bivak bereikte. Men was moe en uitgeput; de ledematen verstijfden in den killen wind.„Hier, op de helling van dezen heuvel, willen wij ons nederslaan,” beval Rasinski. „Wij hebben hier ten minste beschutting tegen den wind.” De ruiters zwenkten linksom.Het was een, in twee heuveltoppen vooruitspringende hoek van een oud, donker pijnbosch, dien Rasinski tot zijne legerplaats had uitgekozen. Hooge boomen stonden op de vrij steile ofschoon niet zeer hooge heuvels, die eene bijna ringvormige kloof met haar bochtigen rand omvatten. De toppen der aloude stammen kruisten zich, zoo smal was de laatste boven haar; laag, zwaar kreupelhout klom tegen de helling op.Tegen den herfstwind verschafte de plaats wel eenige bedekking, doch zij was vochtig en koud, daar de zon nauwelijks in het midden van den zomer door de somberekronen der reusachtige dennen vermocht te dringen, veel minder nu, in het najaar. Slechts eenige berken met hun witten stam en bleekgeel, verdord loof stonden als spoken op den donkeren achtergrond.„Eene goede hinderlaag,” zeide Bernard, bij het binnenrijden door de enge opening van de kloof.„Ja, voor eene rooversbende mocht zij goed zijn,” hernam Rasinski.„Waarlijk,” antwoordde Bernard, „als wij nog allen bijeen waren, zou de legerstede wat klein uitvallen, doch voor honderd is in allen gevalle plaats genoeg hier.”„Halt! Front! Afzitten!” kommandeerde Rasinski. „Hier langs den rand des heuvels naar omlaag de piketpalen gestoken en de stallijnen gespannen. Wij legeren ons dadelijk daarachter. Twaalf man tot fourageeren, twaalf tot houthakken, twaalf tot waterhalen. De anderen verzorgen intusschen de paarden.”Nadat deze bevelen gegeven waren, zette Rasinski zich mistroostig en vermoeid op een dicht met mos begroeiden boomstam, die op den grond lag. Hij legde zijne handen op de tusschen zijne knieën staande sabel en keek somber voor zich neer.„Waar zal ik ons vuur doen aanmaken?” vroeg Bernard.„Waar gij wilt.—Daar onder dien grooten den.” Rasinski bleef, in gedachten verzonken, onbewegelijk zitten, terwijl Bernard met eenige manschappen toebereidselen tot de legering van het korps maakte.—Zware, donkere voorgevoelens beroerden de ziel van den dapperen strijder. Hij zag donker als de nacht en het woud om hem heen. Spoedig joeg de onrust hem op. Hij ging met groote schreden op en neder. Nu en dan gaf hij in korte, afgemeten woorden een bevel; want hoe onrustig het ook in zijn binnenste golfde, bemerkte zijn aandachtig oog toch alles, wat rondom hem voorviel.„Wilt gij niet komen, om u bij het vuur te legeren?” dus stoorde Bernard hem na eenige minuten. „Zie, het brandt al vroolijk en verlicht de oude boomstammen en de lang uitgestrekte reuzenarmen der takken op grillige wijze. Wanneer wij door dien ijskouden wind niet zoo verkleumd en huiverig waren, zou ik lust hebben, deze boomgroepen af te teekenen.”„Of Boleslaw en Lodewijk heden niet eindelijk eens terug zullen komen? Ik verlang met ongeduld naar berichten van Jaromir,” antwoordde Rasinski, alsof hij de woorden van Bernard in het geheel niet verstaan had.„Zet u dat uit het hoofd, Rasinski,” zeide Bernard op een biddenden toon; „het is een koortsachtige droom, verder niets! Zulk een helsche nacht, als Jaromir in Moskou doorbracht, moest wel waanzinnige inbeeldingen in de hersenen voortbrengen. Dan nog zijn liggen in het hospitaal, van alle vrienden verlaten, onder het gejammer der doodelijk gewonden—geloof mij, zoodra hij hersteld is, zoodra zijne zinnen weder helder zijn, houdt de gansche akelige droom op.”„Ik heb den brief niet verzonden,” zeide Rasinski na een pauze.„Ik kon hem niet afzenden!”„En gij hebt wel gedaan!”„Om te handelen,” hernam Rasinski, „moest ik zekerheid hebben; om de bezorgdheid in mijne borst op te wekken ware de helft der kenteekenen reeds genoegzaam geweest. Ja, ik geloof, Jaromir heeft zich aan eenig vergrijp tegen Lodoiska schuldig gemaakt en het is geen koortsachtige droom alleen, die hem op dit denkbeeld brengt. Thans eerst valt mij in, wat hij met Lodewijk den avond vóór den brand gesproken heeft. Toen was hij nog niet ongesteld. Geene brandwond folterde hem toen nog,geen bovenmatige vermoeienis had hem doodelijk uitgeput, de akelige beelden van dien nacht vervulden zijne ziel toen nog niet met schrik, en evenwel....”„Voor zoover ik het verhaal van Lodewijk begrepen heb,” meende Bernard, „twijfelde hij toen aan Lodoiska's liefde. Dat kan een kwaad vermoeden zijn, gelijk een toeval dat op het een of ander oogenblik in zijn jong, vurig beminnend gemoed lichtelijk kon doen oprijzen. In het naastvolgende oogenblik schaamde hij er zich over en klaagde zich zelf aan. In die stemming van zijn gemoed vielen de verschrikkelijke gebeurtenissen van den nacht voor. Deze herinneringen vervolgden hem in zijn koortsachtige droomen en in zijne ontstelde verbeelding rekende hij zich zijn wantrouwen als eene zwarte, onverzoenbare misdaad aan. Zoo schreef hij haar den brief, die u zoo ongerust maakt. Wanneer Lodewijk en Boleslaw terugkeeren, zullen zij ons gewis ophelderingen geven, want met hen heeft Jaromir ongetwijfeld daarover gesproken.”„Ik ben koud. Wij willen bij het vuur gaan. Ook ben ik moê. Verdrietige oorlog! men hangt den geheelen dag op het paard, ziet den vijand aan en vecht toch niet. Het is eene groote gebeurtenis, wanneer een kozak een pistoolschot afwacht. Ja, als onze paarden nog zoo frisch waren, als op den dag, toen wij over deWeichselbrug reden, dan zouden die plagerijen spoedig ophouden. Weet gij, dat men mompelt, alsof de vredesonderhandelingen zouden zijn afgesprongen? Mij dunkt, Kutusow wist dat lang! Het is niet zonder reden, dat men haar rekt, tot de winter ons hier overvalt. Ook in dit opzicht zie ik Boleslaws terugkomst van Moskou met verlangen te gemoet. Ik wil hopen, dat het hem gelukt zal zijn, ten minste iets van wat wij zoo dringend noodig hebben, aan te schaffen.”„Als Lodewijk een paar nieuwe laarzen meêbracht,” schertste Bernard, „zou hij mij zeker geen kleinen dienst doen, en een pels in plaats van dezen gescheurden, half verbranden mantel, kon ik ook kostelijk gebruiken.”„Spreek zoo lichtzinnig niet, Bernard,” hernam Rasinski ernstig; „gij hebt nog niet ondervonden, hoe grimmig de scherpe tand van het gebrek iemand kan aangrijpen. Ik, die menigmaal gezien heb, hoe moeilijk beter uitgerusten dan wij zich daartegen verdedigen, ik moet ernstig zorg dragen, dat wij aan zijne duizend kwetsende wapenen niet te veel onbedekte punten bloot geven. Thans reeds maakt de nachtvorst onze lieden ziek, thans, daar wij nog overvloed van hout hebben. Doch als de winter inviel, als....”„Welnu, mij dunkt, dat wij dan naar Moskou moesten terugtrekken. Vijftien wersten zullen wij toch nog wel marcheeren kunnen.”„Dunkt u?”Een uitgezette post riep:„Werda!”„Goed vriend van Moskou,” luidde het antwoord.„Dat is Boleslaw!” riep Rasinski driftig en sprong op.Een oogenblik later sprong Boleslaw van het paard en groette de vrienden.„En waar is Lodewijk, en wat brengt gij voor goed nieuws van Jaromir?” vroegen Bernard en Rasinski bijna te gelijker tijd.„Eerst de dienstzaken,”antwoordde Boleslaw. „Ik ben gelukkig geweest. Hoe groot de nood en de toeloop ook zijn mochten, heb ik toch eenigszins voor de nooddruft onzer manschappen kunnen zorgen. Uwe mildheid, Rasinski, stelde mij in staat, de hoogste prijzen te betalen.”„Laat dat daar!” viel hem deze in de reden.„Ik werd den koop met twee Joden eens. Zij hebben mij tachtig paar laarzenzolenen dertig paar nieuwe laarzen bezorgd. Doch ik kon slechts zestig mantels bijeenkrijgen en meest oude, maar toch bruikbare, voor een gedeelte goed gevoerd. Ook kocht ik drie schapevachten, die 't is waar, misschien reeds jaren lang op het lijf van russische boeren gezeten hebben, maar die ik, hoe duur ik ze ook moest betalen, niet kon laten gaan. De winter komt en wij Polen kennen dien ten minste zoo half. De Franschen, schijnt het, willen maar niet gelooven, dat het heldere herfstweder, dat wij tot nu toe hadden, een einde zal nemen. Ik zeide hun, dat zij maar eens drie nachten hier bivakeeren moesten.”„Nu, en waar zijn uwe schatten?”„Lodewijk escorteert met de manschappen het transport. Zij komen op een wagen, dien ik in beslag genomen heb.Ik ben vooruit gereden. 't Is te hopen, dat zij ons maar spoedig vinden in dezen schuilhoek.”„De wind heeft ons hierheen gedreven,” antwoordde Rasinski. „Wij willen den wagen eenige lieden te gemoet zenden. Bernard, kies eenige manschappen uit, die tot den grooten weg gaan en daar post vatten.”Bernard ging.„Goed! dat hebt gij uitmuntend bezorgd,” ging Rasinski thans tegen Boleslaw voort. „Het was waarlijk hoog noodig! Hebt gij al het geld uitgegeven?”„Niet alles; ik kon zoo verkwistend met het uwe niet omgaan. Gij offert u voor allen op! Ik heb nog veertig dukaten over.”„Foei, Boleslaw! Hier alleen hadt gij niet spaarzaam moeten zijn. Als gij wollen kousen gekocht had!”„Die waren niet te krijgen. Daarvoor zou ik het laatste geld hebben uitgegeven. Maar de andere dingen zijn ook waarlijk nog zoo broodnoodig niet. Gij moest toch iets voor u zelf behouden! Het is moeielijk, hier weder aan geld te komen.”„Als ik het voor mijne kameraden besteed, brengt het mij de beste renten op, Boleslaw. Ik weet, zij zullen mij in den nood niet verlaten, en de mantel dien ik heden voor den soldaat koop, dekt morgen mij zelf, als de nacht guur is en de trouwe kameraad ziet, dat zijn aanvoerder dien noodig heeft. Maar zou een volle beurs mij verwarmen?”„Gij geeft in uwe grootmoedigheid alles weg!” riep Boleslaw uit. „Werkelijk, het zou tegen mijne eer en mijn geweten zijn, als ik zulk een misbruik van uwe goedheid maakte. Ook wij overige officieren moeten immers een klein deel dragen in hetgeen voor de manschappen geschiedt. Ik breng u slechts terug, wat wij ons verplicht achten, aan te vullen.”„Dus gij, die weinig bezit, wilt u opofferen!”„Vertel ons nu van Jaromir,” brak Bernard, die juist weer nader trad, het halfluid gevoerde gesprek tusschen Rasinski en Boleslaw af.„Straks; eerst nog iets zeer gewichtigs. De onderhandelingen zijn afgebroken.”„Heb ik het niet gedacht,” riep Rasinski met levendigheid.„Kutusow heeft den koning van Napels aangetast en teruggeslagen. De keizer ontving de tijding juist toen hij in het Kremlin de troepen van het leger vanNeyinspecteerde. Dadelijk riep hij: „Oorlog dus! Welnu, het zij zoo.” Er volgde order op order. Morgenavond breekt het leger op, naar den kant van Kaluga heen. Wij en alle troepen, die in het noordoosten staan, rukken morgen weder voor Moskou en sluiten ons dan bij het groote leger aan. Ik breng u de order daartoe.”„Dus wordt de strijd hernieuwd. Ik dacht het wel,” zeide Rasinski. „Nu moeten wij ons een weg naar de zuidelijke provinciën banen. Daar is hoop, dat wij nog vóór den winter vasten voet winnen of ten minste Kiew bereiken, om daar te kantonneeren. Het was hoog tijd! Goddank dus, dat het eindelijk bepaald is. Wanneer de krijg zich daarheen wendt dan heb ik nog hoop. De winter begint in die streken ten minste eene maand later, en is oneindig minder streng. Ook is het land rijk en zal ons beter voeden dan de woestenij, die wij tot nog toe zijn doorgetogen. Deze tijding is van eenige waarde.—Maar nu spreek op van Jaromir. Is hij hersteld?”Boleslaw zweeg een oogenblik. „Ja,” zeide hij daarop met een donker gelaat, „als wij dat hersteld willen noemen! Zijne brandwonden zijn geheeld, zijne heete koorts is verdwenen, ja hij voelt zich zelfs sterk genoeg om met ons te marcheeren. Hij wil niet bij de achterhoede van het leger blijven; ook geloof ik, dat hij lichaamskrachten genoeg herkregen heeft. Maar....”„Welnu?”„Zijne ziel is duister, de heldere glans zijner oogen verdoofd, zijn open voorhoofd bewolkt. Het is onze frissche, vroolijke Jaromir niet meer. Ik vrees....” hier hield Boleslaw plotseling op. „De keizer heeft hem,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „het kruis van het legioen van eer gezonden. Hij heeft het afgeslagen met de woorden: „Het toeval alleen heeft mij geleid; ik mag dit teeken niet aannemen. De keizer beware het voor mij, tot ik eene wezenlijke daad verricht heb.”—Geen redeneeringen hadden eenigen invloed op hem; hij bleef onbewegelijk. En gij weet, met wat brandende begeerte hij nu al verscheiden jaren naar dat kruis haakte en hoe hij het mij benijdde.”„O, ik weet alles,”zeide Rasinski. „Er heerscht eene duisternis in zijne ziel, die al de vlammen van het brandende Moskou niet in staat zijn te verlichten. Heeft hij u van zijn brief aan mij gesproken?”„Geen woord.”„Hij moet hem evenwel juist den dag voor uwe aankomst geschreven hebben.”„Wat behelsde die brief?” vroeg Boleslaw.„Luister!” Rasinski nam den dichtgevouwen brief uit zijn portefeuille en las:„Rasinski!„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap, bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.Jaromir.”„En wat schrijft hij aan Lodoiska? Ik bid u, verberg mij dit niet,” vroeg Boleslaw haastig, terwijl hij scheen te beven.Rasinski sloeg een anderen brief open en las:„Lodoiska!„Wij zijn voor eeuwig, doch doormijne schuldgescheiden; werp uw ring in de rivier, den uwen wierp ik in een dieperen afgrond. Antwoord mij niet, want gij zoudt in de overmaat uwer hemelsche goedheid mij kunnen willen vergeven; ik mag geene vergiffenis aannemen. Uw eeuwigdurend stilzwijgen zij dan ook mijne straf, gelijk ik mij voor eeuwig uit uw gezicht verban.Jaromir.”Boleslaw stond sprakeloos, de donkere blikken naar den grond geslagen; eene vreeselijke storm van tegenstrijdige gewaarwordingen verhief zich in zijn boezem. Jaromir verbrak den band, die hem aan Lodoiska verbond. Een straal van hoop lichtte tusschen de donkere onweerswolken door en wierp een zacht schijnsel in het hart van Boleslaw. Zult gij uit denzelfden beker, die uw vriend vergiftigt, de zaligste vreugde drinken? Terwijl uwe lippen zijn rand met huiverende zaligheid aanraken, verbleeken die uws vriends en sluiten zij zich voor eeuwig!—Neen, Boleslaw!—Moge het de zwarte slang der schuld zijn, die hare kronkels om zijn hart slaat; mogen het enkel donkere droomen zijn, die zijne ziel in hun verward weefsel verstrikken, voor u mag geen bloesem uit dit noodlottig zaad opschieten. Wees een man. Wend uw laatsten blik af van de deur des hemels, die zich voor u schijnt te openen. Het is een drogbeeld; gij moogt daar niet binnentreden; de rozekleurige uchtendschemering, waarin gij uwe brandende borst verkoelend meent te baden, is slechts de weerglans van verborgen vlammen des afgronds. Volgt gij de verleiding, treedt gij over de geheiligde grens, dan stort gij tot uw eeuwig verderf naar beneden. Hier bestaat geene twijfeling voor u. De bruid, van wie uw vriend afstand doet, zij u nog heiliger dan die hij in zijne armen, aan zijn hart drukt. Iedere andere gedachte, iedere andere hoop is verraad tegen de heilige wetten der vriendschap.In de vuurproef dezer gevoelens, die Boleslaws borst doorstroomden, hardde zich zijn edel hart tot de sterke wilskracht der zelfverloochening.„Nu,” vroeg Rasinski na eene lange, ernstige pauze, „wat denkt gij van dezen brief? Is hij een voortbrengsel van zijn koortsachtig ijlen? Of drukt waarlijk eene misdaad tegen zijne liefde op Jaromirs hart?”Het antwoord van Boleslaw werd door een luid „Werda!” dat Lodewijks aankomst aankondigde, afgesneden. De vrienden verwelkomden hem hartelijk. Doch nu dreef de dienstplicht boven; de kleedingstukken, welke Lodewijk bracht, moesten ontvangen en verdeeld worden; dit veroorzaakte eene drukte, die langer dan een uur duurde. Ondertusschen was het nanacht geworden en de vermoeide strijders hadden rust noodig. Bernard ondervroeg Lodewijk wel naar Jaromirs toestand; doch deze wist niet meer dan de anderen. Met ijzeren dichtheid hield de jongeling het geheim in zijne borst; want hij wilde slechts de straf zijner misdaad, niet de goedwillige verontschuldiging, niet het medelijden, niet de vergiffenis.HOOFDSTUK II.Het was tegen den avond van den 18 October toen het fransche leger de hoofdstad der czaren, waarin het veel te lang of veel te kort vertoefd had, begon te verlaten.De keizer had evenwel de gedachte nog niet kunnen verdragen, dat hij terugtrekken moest voor de overmacht der natuur en der onuitputtelijke middelen, welke zij den vijand aanbood, terwijl zij hem niets dan onoverkomelijke hinderpalen in den weg wierp; hij dacht er veeleer nog aan, het leger van Kutusow, dat bij Kaluga stond, aan te tasten, het te verslaan, zich een weg naar de zuidelijke provinciën te banen, zijne reserves aan zich te trekken, zijne communicatiën met Polen te vermenigvuldigen en te verzekeren, zich op den rechtervleugel der armee te leunen, en zich zoo tot het voorjaar in het hart van 's vijands land staande te houden. Menige stem had zich zekerlijk reeds voor den terugtocht doen hooren en in angstig voorgevoel, dat het bleeke spook van den winter onverwacht zou tegenwoordig zijn, op zijne verhaasting aangedrongen; doch de raad, die het meest met den koenen geest des keizers overeenstemde, ofschoon dan ook de stoutste, geenszins de verstandigste, behield de overhand.In den vroegen morgen van den 19 October, een vroolijken herfstmorgen verliet Napoleon zelf Moskou. Ofschoon de uittocht des legers reeds den geheelen nacht geduurd had, drongen de dichte drommen echter nog steeds de poorten der half in puin liggende stad uit. In onafzienbare rijen trokken zij langs den breeden weg voort. Niet zoozeer het getal der strijders maakte den onmetelijken trein uit, als wel de ontelbare wagens met buit beladen, de menigte kanonnen en ammunitiewagens, welke men niet mocht achterlaten. Aan beide zijden braken derhalve de colonnes van infanterie en cavalerie uit den trein en trokken, waar het terrein het slechts eenigszins vergunde, over de landen naast den grooten weg heen, om den meer gebaanden weg voor de voertuigen vrij te laten. Evenwel kwam er spoedig stremming in den onmetelijken trein. Zelfs de keizer en zijn staf konden geen doortocht vinden, zoo hadden de wagens alle doorgangen versperd. Op dit oogenblik kwam Rasinski, die des nachts voor de poorten van Moskou op bivak had gelegen, met zijne kleine bende door eene zijstraat der voorstad, om zich bij de hoofdmacht aan te sluiten. Hij moest stilhouden en zag den keizer dicht voor zich; zijne trekken drukten verstoordheid uit over het oponthoud dat hem overkwam, en met misnoegen zag hij naar dat bovenmatig getal wagens. Hij wierp een scherpen blik op Rasinski, die hem met eerbied groette. Echter sprak hij niet, maar scheen alleen het geringe aantal ruiters, dat nog van het regiment overig was, met bekommering na te tellen. Eindelijk werd er een doortocht geopend en hij rende met zijn volk voort.Rasinski kon evenwel met zijne manschappen nog niet in het gelid inrukken, maar moest op een gunstiger oogenblik wachten, om door dezen wagenbrug heen te breken. Dit was hem lief, daar hij Jaromir nog verwachtte, dien Lodewijk uit het hospitaal, waarin hij als zieke gelegen had, afhaalde, daar het bevel tot oprukken zoo onverhoeds gekomen was, dat men Jaromir daarvan niet verwittigen kon, maar Boleslaw voor zijne bagage en paarden had moeten zorgen. Zij werden hem door zijn stalknecht voorgebracht, en hij had niets verder te doen dan op te stijgen. Daarom was Lodewijk door Rasinski mede tot hem gezonden, om hem met ernstige woorden tot het besluit te brengen, den geheimvollen sluier, waarmede hij het gebeurde bedekte, ten minste voor een vriend op te lichten. Bij het waarlijk vaderlijk belang, dat Rasinski in Lodoiska zoowel als in Jaromir stelde, ging hem de zorg voor deze twee zoo ter harte, dat deze zelfs door de zoo plotseling ontstane oorlogsgebeurtenissen niet kon verdrongen worden.Daar zag hij de aankomenden reeds van verre; zij reden snel op de wachtenden aan. Jaromir reed volgens het gewone dienstgebruik op Rasinski toe en meldde zich aan als hersteld, terwijl hij weder in de gelederen der strijders trad. Hij zag er nog bleek uit, ja hij scheen zich slechts met moeite recht en kloek in den zadel te houden; zijne stem had iets hols, het vuur zijner oogen was uitgebluscht.Rasinski nam geene diensthouding aan, maar reikte hem met vaderlijke deelneming de hand, zeggende: „Wees ons welkom, Jaromir; wij zijn uwentwege bezorgd geweest; wees hartelijk gegroet.”Bij deze, op den toon van innerlijke ontroering uitgesproken woorden verloor Jaromir de vaste houding, welke hij met geweld had trachten aan te nemen. Hij zag zijn welwillenden vriend wel ernstig aan, doch kon een traan, die in het matte oog opwelde, niet weerhouden. Bevend reikte hij hem de hand, doch waagde niet den hartelijken druk van Rasinski te beantwoorden. „Wees streng, wees hard tegen mij; ik ben geen goedheid meer waard,” zeide hij met eene gesmoorde stem.Het geoefend oog van Rasinski zag tot in het diepst van des jongelings ziel; thans was hij er ten volle van verzekerd, dat niet een verwarrend schrikverschijnsel zijn brein benevelde. Het oogenblik was gunstig; hij zag hem aangedaan, thans kon hij zijn vertrouwen winnen. Doch hij moest zich haasten, eer het voornemen om hardnekkig te zwijgen weder de overhand in hem verkreeg.„Boleslaw,” zeide hij daarom tegen dezen, „breng de manschappen daar de tweede straat door en zie naar de vlakte te komen. Dan houd u rechts van den weg. Hier kunnen wij nog een halven dag wachten, voor wij ons baan gemaakt hebben. Ik zelf zal met Jaromir achter de tuinen omrijden en vindt u dan op den heuvelrand voor de stad weder.” Hij wenkte Jaromir, rende met dezen de straat af en reed eerst weer langzamer, toen zij nabij de vlakte tusschen de tuinmuren geheel alleen waren.„Heeft Lodewijk niets op u kunnen uitwerken, Jaromir?” aldus sprak hij hem ernstig, maar zacht aan. „Wilt gij geen uwer vrienden, ook mij niet, die u zoon kan noemen, uw vertrouwen schenken? Welke schuld bezwaart u? Is zij de inbeelding van door koorts ontstelde hersenen, of is zij werkelijk bestaande? Ofschoongijook van het laatste overtuigd zijt, moetiktoch het eerste gelooven; want heeft de man gestruikeld, dan bekent hij het vrij en openhartig.”„Wil ik het u dan verbergen?” riep Jaromir uit. „Zou ik beter willen schijnen, dan ik ben? Neen, ik wil mij slechts de boete opleggen, mijn berouw en mijne schaamte alleen te dragen; ik wil niet, dat het uwer medelijdende goedheid op het laatst zou gelukken, mij te overreden, dat er vergiffenis voor mij mogelijk zoude zijn.O, misken mij niet, Rasinski! Zie geen lafheid in het besluit, om alleen en stom te boeten, wat ik zonder medeplichtige misdreef.”Rasinski trok den brief aan Lodoiska uit zijne brieventasch. „Dan neem dezen brief terug; ik mag hem niet verzenden.”„Hoe? Gij hebt het niet gedaan?” riep Jaromir verschrikt uit.„Zend hem zelf!”„Ach, Rasinski, gijmoethet doen; want zij zal geen brief meer openen, dien ik haar zend.”„Hoe? waarom niet!”„Wanneer gij mij beloven wilt, dezen brief, van uwe vaderlijke, vertroostende woorden begeleid, zoo spoedig mogelijk aan haar af te zenden, dan wil ik mijnelippen voor u openen. Maar geef mij daarop uwe rechterhand, dat gij mij niet weder aan het wankelen zult zoeken te brengen in mijn besluit.”Rasinskibeloofde het; Jaromir beleed nu, hoe hij doorFrançoise Alisettebedrogen, verstrikt, gevallen was. Een donker schaamrood kleurde zijne bleeke wangen bij het verhaal.„Arme vriend!” zeide Rasinski, „gij werdt alzoo het offer eener sluwe boeleerster! Gij hebt misdaan, zwaar misdaan; maar niet onvergefelijk! Lodoiska zal u vergeven, gelijk ik het doe.Ikzal haar schrijven.”„Dat zult gij niet,” riep Jaromir heftig. „Gij hebt mij beloofd, naar mijn wil te handelen.Mijnbrief verzendt gij; dochgijmoet uwe hand daartoe leenen, anders wijst zij hem ongeopend terug.”„Waaruit vermoedt gij dit?”„Wijl hare beleedigde waarde niet anders mag. Ach! ik heb u nog niet alles gezegd. Na dien rampzaligen stond, toen ik in gelijke verblinding van smart en van geluk door de zwarte, nog niet door mij herkende furiën gegeeseld, rusteloos omdwaalde, ontving ik Lodoiska's laatsten brief. De reine glans der heilige straalt uit dien brief; doch mijn waanzin zag slechts het verblindend, verraderlijk schijnsel der hel. Ik antwoordde op staanden voet, noemde haar eene onwaardige huichelares, en verscheurde onze verbintenis. Met eigen hand deed ik den brief nog des avonds laat, nadat Lodewijk mij verlaten had, op de veldpost. Gelooft gij nu, dat Lodoiska na dezen brief er nog een van mij zoude openen?”„Heeft zij u sedert geschreven?”„Ik ontving geen enkel woord, doch ik verwachtte er ook geen.”Rasinski had in dezen geheelen tijd mede geene brieven ontvangen; doch bij de onregelmatigheid van de veldpost verklaarde hij zich zulks daardoor, dat zij vermist of verloren gegaan konden zijn. Evenwel geloofde hij thans, dat Lodoiska, vooral door de edele groothartigheid der gravin zoodanig bewogen, eene aanklacht met stilzwijgende verachting zoude hebben afgewezen.„Ik zal,” antwoordde hij na eenig nadenken, „uw brief verzenden, ik wil hem aan mijne zuster richten en haar schrijven, dat uw lot in de grootmoedigheid van Lodoiska berust.”„Neen, dat zult gij niet, dat is tegen uwe belofte. Wanneer ik hare engelachtige goedheid inroep, dan wordt mijn berouw huichelarij en ik verlies het laatste, wat ik nog in mij zelf kan achten: het voornemen en de kracht om boetetedoen. Zoo gij niet wilt, dat ik in rechtmatige verachting van mij zelf mijn nietswaardig leven eindige, vervul dan, wat gij beloofdet. Gij zelf moet zeggen, dat ons verbond onherroepelijk verbroken is; weigert gij mij dit, dan—doch neen, gij doet het niet! Ik zou dan een weg moeten gaan—ik ijs er aan te denken—doch ik zou moeten!”Rasinski schudde ernstig het hoofd en zuchtte. „Nu, het zij zoo, ik wil doen, wat gij verlangt, gij zult den brief aan mijne zuster Johanna zelf lezen; doch gij zult het hart van Lodoiska breken!”„Dat heb ik reeds lang gedaan!” riep Jaromir vol vertwijfeling en legde zijne rechterhand over zijne oogen en aan het gloeiend voorhoofd.Zwijgend reden zij nu naast elkander voort. Thans bereikten zij de hoogten. Goede God! Welk een schouwspel! In drie breede stroomen golfde de onmetelijke rij van soldaten en wagens door het veld. Nimmer eindigend schenen zij uit de ruïnen van Moskou voort te stroomen; in den blauwen nevel van de gezichteinder verloren zich hunne uiterste spitsen. Daarenboven was het veld nog aan weerszijden met verstrooideruiters en voetgangers bedekt, welke rondom den opééngepakten hoofdstroom zwierven.Rasinski bleef op de hoogte staan. Niettegenstaande zijn omweg, was hij toch sneller vooruit gekomen dan de keizer zelf; want hij herkende aan de witte pluimen dezen en zijn gevolg nog ver onder aan den heuvel, midden in het gedrang der wagens. Ook Boleslaw zag hij in de verte; hij marcheerde reeds op het vrije veld, aan de rechterzijde van den weg, alwaar men, om den ongebaanden weg, de een achter den ander moest rijden.„Waar moet dat heen!” zeide Rasinski, toen hij den trein overzag. „Hoe zal een leger met zulk eene bagage zich bewegen? Mijn beste troost is, dat de eerste aanval der kozakken ons ten minste van de helft van dien lastigen overvloed zal bevrijden. Wat de hebzucht al niet in het blinde bijeengesleept heeft! Hoe zich de begeerlijkheid met een noodeloozen last bezwaart, waaronder zij bezwijken moet!”„Het zou mij verwonderen, zoo de keizer niet, zoodra wij het vrije veld bereikt hebben, den geheelen boel deed verbranden,” zeide Jaromir, die met onverschillige blikken het gewoel overzag.„Dat zal hij niet,” antwoordde Rasinski. „Want hij mag den soldaat, die met zooveel moeite twee derden van Europa doormarcheerde, het loon van den meermaals beloofden buit niet ontnemen. Doch geloof mij, nog eer de dag voorbij is, zullen de onzen zelven hun ballast beginnen weg te werpen. Zie maar eens naar die lieden daar! Het schijnen mij officiersoppassers te zijn. Hebben zij zich niet voor eene handslede gespannen en trekken zij niet hun vracht als stomme lastdieren voort? Geen zes uren ver zijn hunne krachten toereikend; maar door de hebzucht verblind, vergeten zij, dat de weg van Moskou naar Parijs acht honderd uren lang is! En deze massa's van hoog bepakte wagens, waar zullen zij tijd en plaats vinden, om voort te komen? Hoelang zullen hunne assen het uithouden? en wanneer er eene breekt, wie zal een andere bezorgen? Nauwelijks kan de artillerie dit volhouden. De keizer ziet dezen tros met verdriet aan; maar hij laat het aan den tijd over, den hebzuchtigen de onuitvoerbaarheid hunner onderneming te leeren. Daar valt een wagen om. Ziet gij? Let op, deze laat hier, een half uur van Moskou, reeds alles achter, wat hij misschien naar Parijs had hopen te brengen.”De wagen, dien Rasinski zag vallen, was met buitgemaakte voorwerpen overladen geweest; er brak eene as, en nu lag hij op den weg omver. Dadelijk ontstond er stilstand; de achtersten schreeuwden driftig „voorwaarts!” want ieder besefte, dat men in dezeverwarringalles moest aanwenden om vooruit te komen. De menigte belemmerde zich zelve in hare bewegingen; de enkele persoon was daarom blijde, wanneer een toeval het aantal der voertuigen verminderde. Toen de omgevallen wagen niet dadelijk kon geholpen worden en er ook geen ruimte bleef om te wijken, riep een der volgende wagenmenners: „Smijt den rommel uit den weg! Hier moet ieder zien, hoe hij vooruit komt. Wij kunnen geen halven dag op dien eenen wachten. Komaan, kameraden, spant de paarden uit en werpt de geheele kraam in het veld.” Dadelijk waren er twintig, dertig, vijftig lieden gereed om de uitnoodiging te volgen. Te vergeefs raasde en tierde de eigenaar van den wagen en zocht hij zijn buit te verdedigen. In twee minuten was hij van alle kanten omringd en de wagen niet alleen ledig geplunderd, maar ook de paarden uitgespannen, de raderen uitgelicht, en het onderstel in brokken uiteengenomen en op zijde geworpen, zoodat de baan voor de nakomenden vrij werd. De waanzinnige woede, waarin de beroofde uitbrak werd door het honend gelach deroverigen verdoofd; niemand bekommerde zich om het geheele geval of hield het der moeite waard, den gewelddadig geplunderde in bescherming te nemen, die op het laatst blij moest zijn, althans nog zijne paarden behouden te hebben.„Wanneer dat op den eersten dag van den marsch en voor de poorten van Moskou geschiedt,” merkte Rasinski aan, „wat moeten wij dan verwachten, wanneer de vijand eens deze onbeholpen massa bedreigt? Die moradeur heeft niets gered dan een paar vermagerde paarden. De anderen mogen blij zijn, wanneer dit hun bij den eersten aanval van slechts vijftig kozakken ook gelukt. De kerel, die huilt en vloekt, is de gelukkigste van allen, want hij is het onnut tuig het eerst kwijt geraakt. Hij zal gelegenheid genoeg hebben, misschien van daag reeds, om zich schadeloos te stellen door met het verdriet van anderen, wellicht van dezelfden die hem verongelijkt hebben, te spotten. En eer acht dagen voorbij zijn, prijst hij zijn lot, zeg ik u, dat hem de vergeefsche moeite, om zijn last voort te sleepen, ontnomen heeft. Het onderscheid is maar, dat hij vandaag verliest, wat de overigen morgen en overmorgen moeten prijsgeven; van duizend komt er niet een zoover, dat hij genot van zijn buit zal hebben.”Boleslaw had thans met de ruiters de hoogte bereikt; hij verkreeg ruimte om hen in sectiën te doen opmarcheeren en rukte zoo op het punt aan, waar Rasinski wachtte. Deze stelde zich aan het hoofd der zijnen en reed, zijne vrienden dicht om zich hebbend, weder nevens den weg voort. De weg over de hoogte, dien zij genomen hadden, vergunde hun voortdurend het overzicht over den geheelen trein.„Het is mij lief,” zeide Bernard, „dat wij bijna de laatsten zijn; want ik geloof niet, dat de vooruitmarcheerende regimenten er zich een denkbeeld van kunnen maken, welk een drakenstaart zij achter aansleepen, en het gezicht is toch aardig genoeg. De heksenprocessie op denBloksbergkan er niet wonderlijker uitzien, dan de maskerade hier onder en nevens ons. Bij den torenbouw van Babel heeft men niet in zoovele talen gevloekt als hier, en een inventaris van alle dingen, die in een rond jaar in Londen gestolen zijn, zoude een prul zijn tegen die van dit landloopersameublement. Ik geloof, dat in Moskou geen koperen ketel, geen braadpan, geen oude drievoet, geen tang of bezemsteel meer te vinden is, zulk een rommelzoô ligt er op deze wagens gepakt! Zie maar eens,” zoo wendde hij zich tot Jaromir, om diens donker gelaat wat op te helderen, „zie maar die rij van wagens eens, waarbij de keizer zoo zal aankomen. Het schijnt mij wel een amazonentroep, want ik zie bijna enkel vrouwen, en zij zijn toegetakeld, als wilden zij zoo terstond een oostersch stuk met groot spectakel opvoeren, deTurandotof zoo iets.”„Het zullen denkelijk de acteurs zijn, die in Moskou waren,” merkte Lodewijk aan.Bij het woord acteurs schrikte Jaromir hevig en wierp snel een blik op den troep; eene woeste, koude grimmigheid vervulde zijne borst.Alisettekon er bij zijn. Hij moest het vermoeden.Sedert dien verschrikkelijken nacht had hij niets verder van haar vernomen.Regnardhad, het valt moeilijk te beslissen, of het uit grootmoedigheid, uit gevoel van zijn onrecht of uit medelijden met Jaromir geschiedde, de zaak niet weder aangeroerd, ofschoon hij tweemaal in het hospitaal was gekomen, om kranke officieren van zijn regiment, die daar ziek lagen, te bezoeken, bij welke gelegenheid hij Jaromir natuurlijk ook had moeten zien.Regnardwas anders in zaken van eer meer dan nauwgezet; doch de vreeselijke keer, dien het gebeurde, waarover hij zich eerst beleedigd had gevoeld, voor Jaromir zoowel als voorAlisettegenomen had, maakte dit opzettelijk vergetenzeer natuurlijk. Jaromir van zijn kant wist niet, of des oversten betrekking met haar (want hij was het, die haar onderhield en bewerkt had, dat zij naar Moskou was gekomen) nog voortduurde, dan of hij de trouwelooze thans aan haar lot overliet; ja hij zou niet eenmaal vernomen hebben, of zij zich in dien nacht gered had, wanneer niet eene toevallige vermelding van het meisje door een officier vanRegnards regiment hem bewezen had, dat zij nog leefde. Thans was zij misschien geen honderd schreden van hem verwijderd. Daar de weg zich deelde en Rasinski slechts een gunstig oogenblik afwachtte om dien te bereiken, kon het gebeuren, dat hij haar weder van aangezicht tot aangezicht zou moeten zien. Die gedachte joeg zijn boezem weder in wilde golven op. Hij gevoelde, dat, zoo hij de verraderes plotseling ontmoet had, hij de heerschappij over zich zelf zoude verloren hebben. Nu, door Bernards wenk voorbereid, had hij tijd zijne gedachten te verzamelen. Hij besloot haar met de koelste minachting met blik noch woord te verwaardigen, wanneer het toeval hem in hare nabijheid mocht brengen.Bernard en Lodewijk reden naast den somber zwijgende voort. Rasinski had hun en Boleslaw slechts met een vluchtig woord toegefluisterd, dat hij thans Jaromirs geheim wist. Hij scheen eene nadere mededeeling tot gelegener tijd te willen besparen. De deelneming zijner vrienden in het lot van hun trouwen makker was even warm gebleven als te voren, daar zij hem van geen schuld konden verdacht houden, doch slechts het ergste onheil voor hem vreesden. Bernard, wiens scherpen blik zelden eene gelaatsuitdrukking ontging, merkte de verandering in Jaromirs wezen, toen hij van de acteurs sprak, oogenblikkelijk op. Hij had echter geen vermoeden, datAlisettete Moskou was; want na den brand had hij, alles saamgenomen, geen twee dagen in Moskou doorgebracht, daar het regiment dadelijk een bivak voor de stad betrok en vijf dagen later in de noordelijke voorpostenlinie rukte. Doch zijn scherpzinnig verstand, zoo bijzonder geschikt tot het ontdekken van intriges, gaf hem dadelijk duistere vermoedens der waarheid. Echter verried hij deze ook zelfs door het geringste teeken niet, maar zette zijne opmerkingen over het hem omringend schouwspel voort.„Wat mag het zijn, dat daar beneden zoo schittert?” vroeg hij plotseling. „Ik geloof, dat het de gouden tooverspiegel uit de „Duizend en Een Nacht” is, die daar op den wagen met acht paarden ligt, of een bundel bliksems, of een hoop vuur als staaltje van den brand.”Ook Lodewijk en Rasinski zagen daarheen; want inderdaad flikkerde tusschen de zwarte gedaanten, die in de laagte voorttrokken, iets als een schitterende zon door. De menigte der voorbijtrekkende ruiters en wagens verhinderde nochtans, het voorwerp te onderkennen. Toen er evenwel gedurende een oogenblik eene opening ontstond, bemerkte men, dat het een vervaarlijk groot gouden kruis was.„Het is,” zeide Jaromir op een ernstigen toon, „het kruis van den heiligen Iwan, dat op den toren van het Kremlin heeft gestaan. De Russen vereeren het als hun grootste heiligdom, als het palladium hunner stad. Uit mijn venster heb ik het zien afnemen. Het was een donkere dag; de avondschemering was reeds ingevallen. Ontelbare raven doorkruisten de lucht en fladderden krassend rondom den glanzenden, hoogen top. Men had eene stellage gebouwd, ladders aangebracht, windassen geplaatst, strikken omgeslagen, en de arbeiders waren zonder ophouden bezig, doch de zwermen van raven weken niet, maar klapwiekten met heesch geschrei nu in wijder, dan in enger kringen om het schitterende kruis heen. Onder mijne venstersstond eenhoop Russen;er waren ook vele vrouwen bij. Zij kruisten hunne armen over de borst, bogen zich vol eerbied en mompelden zacht gebeden. Eene der vrouwen, avontuurlijk gekleed, een rooden doek als tulband om het grijze haar gebonden, stond midden onder hen, hief de handen omhoog, maakte allerlei wonderlijke gebaren en sprak op een bezwerenden toon in onverstaanbare woorden. Het gezicht had iets angstverwekkends. Toen nu de windassen werkten en het kruis zich begon te bewegen, verhief de schare een luid geschreeuw, sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit het hoofd en stoof als ontzet uit elkander. Het scheen, dat zij geloofd hadden, door hunne bezweringen en gebeden het heiligdom te zullen redden, en nu waren zij buiten zich zelven van schrik, daar zij het onder de schennende handen gevallen en hunne goden overwonnen zagen. Ondertusschen klonk een rauw gekras en geruisch door de lucht; het gansche heer van raven stoof verschrikt uiteen, daar hun oude toevluchtsoord, het kruis, waaronder zij eeuwen lang hunne nesten gebouwd hadden, plotseling begon te wankelen, en trok in eene zwarte wemelende schaar onder de grauwe wolken voort.”„Een nachtstuk!” merkte Bernard aan. „Mij dunkt, ik heb de vrouw, die gij schildert, ook dadelijk den eersten dag in Moskou op de muren van het Kremlin gezien. Zij zag er waarlijk als eene priesteres der Druïden of als de tooveres van Endor uit.”De anderen zwegen; doch ieder voelde zijne borst door eene vreemde beangstheid benepen, te meer daar Jaromir op zulk een ernstigen toon sprak, als hij hem nooit te voren eigen was, en zijne bleeke lippen en wangen, de matte blik zijner oogen het hart der vrienden met meewarige droefheid vervulden.Bernard hing met onafgewende blikken aan zijn gelaat. Wat was er van dien nog onlangs zoo bloeienden jongeling geworden! Het krullende blonde haar zelfs hing sluik langs zijn schedel neder. Gelijkt hij dan nog op zich zelf? dacht Bernard. Wanneer gij hem nevens het portret steldet, dat gij in Warschau van hem geschetst hebt, zoudt gij het dan nog herkennen?—Hij legde den jongeling de hand trouwhartig op den schouder. „Richt u op, mijn vriend, verzamel uwe krachten, denk aan geen treurige voorteekens meer. Vóór ons ligt de krijg, daar heeft men moed en kracht noodig. Wat waart gij een soldaat! Ik kreeg moed, wanneer ik u zag; thans zoudt gij mij tot een lafaard kunnen maken. Komaan, broeder mijns harten, schud alles, wat u den nek nederbuigt, van u af en richt uw edel hoofd weer fier omhoog.”Juist wilde Jaromir antwoorden, toen het trekken van den trein rondom een heuvel, die den grooten weg eenige oogenblikken geheel aan hun gezicht onttrokken had, de ruiters recht daarop aanvoerde. Daar Rasinski juist een opening bemerkte, waardoor hij tusschen de rij wagens konde indringen, beval hij, in galop te rijden en rende zelf vooraan.Op deze wijze werd het gesprek, dat Bernard begonnen had, afgebroken. Rasinski's voornemen gelukte; hij rukte onvoorziens de opening in en was spoedig met zijne manschappen op den grooten weg, zoodat hij den wagentrein nu vaneen scheidde. „Zoo,” sprak hij tevreden; „nu kunnen wij ten minste op den weg blijven, zoolang het ons bevalt, en verlaten, wanneer wij willen.”Doch zooals het bij zulke marschen gewoonlijk gaat, werd de voortgang telkens gestremd; nu en dan moest men verscheidene minuten stil houden en dan weder met verdubbelden spoed oprijden. Dit maakte den marsch zeer onaangenaam; ook had deze zijn vorige aantrekkelijkheid verloren, daar men den trein van wagens niet meer tot in de verte overzag, maar alleen de naaste voorwerpen kon waarnemen. De keizerwas nog achter Rasinski's manschappen. Vlak voor hen reed eene rij wagens, met buitgemaakte vaandels bedekt; turksche, tartaarsche, russische zegeteekenen lagen in bonte verwarring opeengehoopt.„Plaats, plaats voor den keizer!” werd van achteren geroepen, en Rasinski liet zijne manschappen bij rotten afbreken, om de halve breedte van den weg vrij te maken. De keizer kwam van verre aangerend; doch opeens reed hij stapvoets en scheen zich met eenige lieden, die zich nevens hem op een wagen bevonden, te onderhouden. Hun voerman zette zijne paarden aan, om den snelleren pas van het ros, dat de keizer bereed, bij te houden. Zoo kwam de wagen langzamerhand nader en reed de poolsche ruiters voorbij, zoodat deze links bleven, terwijl Napoleon rechts van den wagen reed, waarop drie bevallige vrouwen en een kind zaten. Toen de keizer de plaats naderde, waar Jaromir te paard zat, zag deze slechts schroomvallig naar hem op; want half zou hij verheugd zijn geweest, half zoude het hem gehinderd hebben, zoo Napoleon hem herkend had. Doch de keizer was juist druk in gesprek met eene dame, die, dicht in een fraaien pels gewikkeld, naar hare kleeding te oordeelen de vrouw van een hoofdofficier moest zijn.„Gij moet den moed niet verliezen,” zeide hij: „wij kunnen den volgenden winter te Petersburg inhalen, wat wij in Moskou verzuimd hebben. Gelukkige reis!” Met deze woorden galoppeerde hij vooruit, zonder Jaromir te bemerken. Doch de jonge dame wendde zich thans links. Almachtige hemel! Het wasAlisette! Zij ontstelde, verbleekte en sloeg haar blik neer. In Jaromirs ziel bruiste en kookte het geweldig. Toorn en afschuw wisselden als ijs en vuur op hetzelfde oogenblik in zijn boezem af; doch hij bedwong zich met geweld; slechts een verachtelijken, vernietigenden blik wierp hij haar toe, daar zij heimelijk het oog naar hem opsloeg, en keerde toen zijn paard af.Alisettetrok den sluier over haar gelaat en trachtte den gloed van toorn en van schaamte, die hare wangen kleurde, onder zijne plooien te verbergen. Nog had niemand anders haar herkend; thans wilde zij ook van niemand meer herkend zijn. Zij nam daarom haar zusters dochtertje, dat zij bij zich had, op haar schoot en hield zich daarmede bezig, tot Rasinski en zijne manschappen den nu weder langzaam rijdenden wagen opnieuw een eind weegs waren vooruitgekomen. Daar zich spoedig daarna een gelijke grond naast den weg opdeed, waarop men sneller voort konde komen, brak Rasinski wederom naar rechts uit en zocht de voorhoede der colonne te bereiken, daar het zijn voorname doel was, de regelmatige troepen weder in te halen en zich bij zijn korps aan te sluiten, achter hetwelk hij sinds gisteren avond door den te grooten marsch was teruggebleven.HOOFDSTUK III.Zeven dagen waren er verloopen sinds de keizer Moskou verlaten had. Het leger stond bij Malo-Jaroslawez, dat den dag te voren stormenderhand was veroverd geworden. Men zag verlangend het bevel om voort te rukken te gemoet en hoopte, zich nog vóór Kaluga met de gansche macht van Kutusow te zullen meten. In eene kleine ellendige hut, welke Rasinski tot zijne woning had gekozen, wachtten Lodewijk,Bernard, Jaromir en Boleslaw op zijne terugkomst uit het hoofdkwartier, waarheen hij nog laat op den avond was uitgereden.Jaromirs droefgeestigheid en hare oorzaak waren voor de vrienden thans geen raadsel meer, evenmin als de aanwezigheid vanAlisettebij het leger. Dikwijls hadden zij getracht, hem te troosten en gerust te stellen, doch te vergeefs. Diep in zijn boezem was de reine bron des levens vergiftigd; de kwaal knaagde aan zijn hart en dreigde den jongeling te doen wegkwijnen. Boleslaw gevoelde in zijne reine, edele ziel de smarten van Jaromir bijna zoo diep als deze zelf. Aan den mannelijken strijd der zelfbeheersching gewoon, had hij de laatste beslissende overwinning op zich zelf behaald, en daardoor was hem, te midden van zijne droefheid en zijne ernstige bekommering, een vroolijke kracht in de ziel gedrongen, die steeds het loon is eener zedelijke overwinning. Het was zijn waarachtig streven, Jaromir weder met zijne geliefde te vereenigen, den verbroken band weder aan te knoopen. Zorgvuldig verborg hij, welke vlam voor Lodoiska in zijn hart gloeide; met belangelooze vriendschap zocht hij de verdorde kiemen van hoop in den boezem zijns vriends opnieuw te doen herleven, de afgevallen bloesems zijns geluks met den zachten dauw van troost en opbeuring te verfrisschen. Ook Lodewijk en Bernard namen met liefde deel in Jaromirs toestand en hadden hem zijne schuld in hun liefderijk hart lang vergeven; doch beiden waren nog door wat zij in Moskou beleefd hadden zoowel als door de beschouwing van hun eigen, zonderling ingewikkeld noodlot te zeer geschokt, om zich geheel in den toestand huns vriends te kunnen verdiepen. Boleslaw daarentegen werd juist door den band der gelijke liefde machtig tot Jaromir aangetrokken; hij voelde denzelfden kommer als deze, en daarom verbonden zich de zielen van beiden te inniger aan elkander. Hij beminde edel, zonder eigenbelang, maar de vreemde smart in hare verschrikkelijke grootte het naast voor hem. Hij dacht aan de eenzaam verlatene, door Jaromirs zelfveroordeeling ganschelijk verpletterde Lodoiska. Daar hij haar met heiligen gloed in het verborgen beminde, scheen het hem plicht en roeping te zijn, haar geluk, wanneer hij het vermocht, weder op te bouwen; want hij was vast overtuigd, dat de liefde alles verzoenen kan, wanneer zij aan het berouw de hand van vergiffenis reikt. Daarom liet hij niet na, verzachtende woorden van troost in het hart zijns vriends uit te storten. Gelijk de gestadige waterdroppel de rots uitholt, zoo, hoopte hij, zou het hem eindelijk gelukken, de ijzeren onverbiddelijkheid van Jaromir tegen zijne schuld te overwinnen en de ijskorst, waarmede deze zelf zijne borst omschorst had, te doen wegsmelten.Boleslaw trad met Jaromir naar buiten uit de hut, die op eene kleine hoogte lag. Men overzag bij het zwakke licht van de reeds ondergaande maan een uitgestrekt, vlak veld, met gelegerde soldaten en ontelbare wagens overdekt; de Louja met haar kronkelenden stroom omsloot deze vlakte. Daarachter verhieven zich steile, met dennenbosschen bezette hoogten. In die bosschen lag Kutusow in eene sterke, onaantastbare stelling. Vóór de hoogten lagen de rookende puinhoopen van Malo-Jaroslawez, gisteren het tooneel van een bloedig gevecht, dat echter slechts het voorspel van een grooteren slag scheen te zijn.„O, dat wij aan dien strijd geen deel konden nemen!” zuchtte Jaromir. „Er liggen daar zekerlijk zoovelen, die de zon van heden nog gaarne weder begroet hadden.”Boleslaw verstond zijn vriend.„Is dat nu wel recht en billijk Jaromir?” sprak hij vriendelijk, maar ernstig.„Denkt gij niet meer aan hen, die met bittere tranen om u zouden weenen?”„Hebt gij u nooit den roemvollen dood op het slagveld toegewenscht?” riep Jaromir heftig uit.Boleslaw zweeg een oogenblik; hij voelde zich getroffen, want in zijn somberen, stillen kommer had hij dezen wensch zekerlijk dikwerf in zijne borst rondgedragen. Doch het was er een van de velen, die slechts uit de verte opstijgen en die een heilige schroom voor het onredelijke er van ons niet veroorlooft, in vollen ernst op te vatten.—„Ik heb hem dikwijls in mij bedwongen, en dat vorder ik ook van u.”„Ach, Boleslaw,” zuchtte Jaromir, „gij kondt dit misschien lichter dan ik.”Deze woorden drongen diep in Boleslaws ziel; een namelooze pijn griefde zijn boezem. Hij kon niet antwoorden zonder zich zelf te verraden.—„En wanneer gij ook gelijk hadt, Jaromir, verandert dit toch niets voor u. Wees een man, leef en handel. Niet het berouw, de daad verzoent.”„Beiden,” antwoordde Jaromir somber.„Wanneer thans Lodoiska voor u trad en zachtmoedig, gelijk zij is, zeide: Ik heb u vergeven; want de liefde vergeeft duizend en duizendmaal—maar kom weder aan mijn hart, vertreed niet alle bloesems van mijn geluk!”Jaromir zag hem strak aan; eene beving greep hem aan; plotseling riep hij in wilde droefheid en hoon tegelijk: „Zon, schijn zacht als de maan,—stroom, neem uw loop het gebergte op,—pijl, keer in uwe vaart terug,—minuut, kom weder uit de oneindige ruimte van het verleden! O, Boleslaw, gevoelt gij dan niet, dat gij het onmogelijke denkt?Hebik dan de bloesem van haar geluk niet vertreden? Is de daad dan nietgeschied? Ik klaagde de reine, schuldelooze heilige van eene misdaad aan, die ik in hetzelfde oogenblik zelf beging! Mijne trouweloosheid mag zij mij vergeven, maar nooit mag zij vergeten, dat ik het geloof aan haar verloor—nooit mag ik vergiffenis aannemen.”„O, gij moogt beide, geloof mij—mij!”„Gij hebt nooit bemind, Boleslaw,” riep Jaromir uit. „Gij weet niet, hoe zwaar de misdaad is, tegen de geliefde gepleegd.”„Jaromir, ik weet, hoe onuitputtelijk de vergevende kracht van een minnend hart is.”„Liefde kan zich niet met verachting paren.” Hij stiet deze woorden wild uit, staarde naar den grond en maakte met zijne rechterhand eene afwendende beweging, als wilde hij zeggen: Verzoeker, wijk van mij!„Lodoiska heeft u geen oogenblik veracht; zij heeft slechts bittere tranen om u geweend,” antwoordde Boleslaw ernstig, „en in plaats van hare tranen te drogen, verscheurt gij nu koelbloedig hare borst.”„Ik trok den pijl slechts ras uit de wonde en bespaarde haar het langer lijden. Heb ik haar doodelijk gewond, dan zal zij spoedig bezwijken en—haar bloed komt dan over mij! Was genezing mogelijk, dan was zij het slechts op die wijze. Met den pijl in den boezem ademt gij nog eenige pijnlijke uren, maar leven kunt gij toch niet lang meer. Beslissing is beter.”„De droefheid benevelt uw blik. Vertrouw het oog van uw vriend.”„Boleslaw, ik moet het u herhalen: hier beslist slechts een minnend hart.”„En wie zegt u,” riep thans de vriend, door zijn gevoel medegesleept, „wie zegt u, dat ik..... nooit bemind heb?” voegde hij er met eene gesmoorde stem bij.„Alzoo ook gij? En zonder geluk, zonder den schoonen tak van den bloeiendenboom te plukken?” hernam Jaromir en legde hem zachtkens de hand op den schouder. „Laat ons dan lotgenooten in het ongeluk zijn!—Waarom hebt gij Lodoiska niet bemind! Met u ware zij gelukkig geweest, gij zijt veel beter dan ik,—ja, gij zijt goed, gij zoudt de heilige nooit gelasterd hebben.”De opwellende smart dreigde Boleslaws boezem te verscheuren, en toch kon hij zijn hart niet uitstorten voor den vriend, zonder het geheim zijner liefde voor Lodoiska te openbaren. Beiden hielden elkaar innig omarmd.„Maar toch hebt gij gelijk, geliefde broeder,” brak Jaromir eindelijk de stilte af: „de wensch naar den dood is misdadig, want hij is de wensch eener lafhartige ziel. Een zware schuld rust op mij, maar ik wil die door een werkzaam leven goed maken. Het vaderland wil ik vergelden, wat ik tegen zijne reinste, schoonste dochter misdeed. Sta gij mij bij; richt mij op door uwe edele kracht, wanneer ik in mijne zwakheid vertwijfel en neerzink; wees mijn voorbeeld, mijn leidsman! Gij zijt het immers reeds sinds lange jaren geweest, want u streefde ik steeds na. Hoe benijdde ik u dat kruis op uwe borst, hoe beijverde ik mij, het gelijk gij te verdienen! En zoo moet het weder worden. Gij zult mij niet meer krachteloos in tragen kommer verzonken zien. De jeugdige levenslust kleurt mijne wangen wel niet meer, want hare vleugels zijn gebroken; ik toon u geen helder voorhoofd meer; doch ik wil dat ook niet. Weg daarmede! Litteekenen en groeven van ernstige mannelijkheid zullen het versieren, mijne wangen zullen bruin worden in den gloed der zon, in den ruwen stroom der lucht. Dat wil ik, Boleslaw! Daartoe voel ik eene nieuwe kracht door mijne aderen stroomen—maar wat gij vordert, wat gij hoopt—daarvan nooit iets meer!”De galop en het brieschen van een paard braken de stilte van den nacht af. Het was Rasinski, die den heuvel oprende. Jaromir en Boleslaw traden hem te gemoet; hij begroette hen, sprong van het paard en gaf het dier haastig over. „Voer het af,” riep hij den stalknecht toe; „wij zullen spoedig opbreken.”„Gaat het voorwaarts?” vroeg Jaromir, toen zij in de hut waren getreden, met een gevoel van vreugde; want hij geloofde er een gunstig teeken van het toeval in te zien wanneer de gelegenheid zich spoedig aanbood, om zijn ras genomen besluit door de daad te bekrachtigen.„Voorwaarts! Dat woord zullen wij voor dezen veldtocht moeten verleeren,” hernam Rasinski somber. „Iets ontbrak den keizer nog aan zijn roem van een groot veldheer te zijn. Hij kon nog geen beroemden terugtocht aanwijzen; van heden af zal hij ook daarvan kunnen spreken.”De diepe rimpels op zijn voorhoofd, de donkere blik, waarmede Rasinski deze woorden sprak, wekten een bang voorgevoel op in de harten van die hem omringden.„Terug moeten wij? Naar Moskou, of waarheen?” vroeg Boleslaw verwonderd.„Naar Moskou? Om op de puinhoopen van het Kremlin onze vanen te planten?” hernam Rasinski. „Hebt gij den doffen slag, de bevende schudding van den grond van eergisteren reeds vergeten? Het was Mortier, die het oude kasteel der czaren in de lucht deed vliegen. Gisteren middag ontving de keizer het bericht, dat de kozakken nu reeds weder onder de puinen van Moskou rondzwerven en de nalezing van den buit houden. Mortier is naar Werreja opgebroken, hij heeft den generaal Winzingerode gevangen genomen. Ziedaar de nieuwste berichten van ginds; de nieuwste van hier zijn, dat wij binnen een uur insgelijks opbreken, om naar Smolensko te trekken.”„Onmogelijk!” riep Jaromir uit.„De krijgsraad heeft tot middernacht geduurd, de terugtocht is besloten. Het is onstuimig toegegaan. De koning van Napels wilde Kutusow aantasten;Bessières, die zijne positie had opgenomen, verklaarde ze voor onneembaar. De keizer zeide: Wij hebben genoeg voor den roem gedaan, het is tijd, ook iets voor onze zekerheid te doen.Davoustverlangde, dat wij ons ten minste op Platof en zijne kozakken zouden werpen en ons den weg naarMedynbanen. De keizer verklaarde zich voor den terugtocht overMosaisk. Wij zullen alzoo denzelfden treurigen weg teruggaan, dien wij voor twee maanden reeds langs getrokken zijn.”„De keizer op den terugtocht!” riep Jaromir en zag Rasinski vol verwondering aan, als kon hij het nog niet gelooven.„En zoo is dan de bloedige zege van gisteren eene vergeefsche geweest?” vroeg Boleslaw en schudde bedenkelijk het hoofd.„Zij zal ten minste een eeuwig gedenkwaardigen grenspaal voor de daden des keizers hebben opgericht,” hernam Rasinski. „Ik heb het slagveld gezien. Het levert eene verschrikkelijke vertooning op. Bloedenden, verminkten kruipen nu nog van onder de brandende puinhoopen te voorschijn. In Rusland bestaat er geene overwinning, waarvoor de menschheid niet terugbeeft. Hier is de vlam steeds de woedende strijdgenoot van het zwaard. Zoo voerde ook de Scyth, die voor duizende jaren deze steppen doorkruiste, den oorlog.—Doch welke daden zijn hier weder geschied! De moedige Delzons tast aan de spits zijner soldaten de Russen aan, een kogel werpt hem neder. De soldaat, die zijn aanvoerder ziet vallen, stokt, geraakt in verwarring, vlucht; de Russen dringen voort.Delzons'broeder werpt zich alleen in de dampwolken der vijandelijke vuurmonden, om ten minste het lijk te redden. Hij omvat het met zijne armen, neemt het op; daar treft ook hem het doodend lood, hij zinkt met zijn dierbaren last ter aarde, en de laatste slag van zijn hart klopt tegen de koude borst zijns broeders.—De italiaansche rekruten hebben voor de eerste maal gestreden als jonge leeuwen, die hun eersten roof najagen. Geen volk is dapper;allenzijn het, wanneer dapperen hen aanvoeren.”„En de koenste voert ons thans op den terugweg!” riep Jaromir met onwil uit.„Wie weet,” hernam Rasinski ernstig, „of niet juist hiertoe de dapperste ook noodig is. Tot roem, ter overwinning lieten zich de volken gemakkelijk van den Ebro tot de Moskowa leiden, zonder dat het vuur van hun moed verflauwde. Maar zal de gloed niet verdooven, wanneer alleen de roem van den heldhaftig lijdenden martelaar te verwerven is? Zal hij voedsel genoeg hebben voor de onmetelijke tijds- en afstandslengte? Zal hij blijven leven onder de wintersneeuw, die spoedig deze vlakten zal bedekken, op de ijsvelden, die ons tot leger zullen verstrekken? Thans roep ik u op, u, die mannen zijt en met bewustzijn handelt, thans roep ik u op, om met trotsch opgeheven hoofd en moedig voorhoofd uwe kameraden voor te gaan; want hoe zwaar ook het werk was, dat wij volbracht hebben, het zwaarste begint eerst van dezen dag.”Hij sprak met hoogen ernst; men hoorde het aan ieder woord, dat zijne vrees haar grond had in zijne innigste overtuiging. Met bezorgdheid richtten zich dus hunne blikken op de toekomst.—Lodewijk wierp de zijne nog verder voorwaarts dan Rasinski, want hij vroeg zich zelf af: En wat zal van u en Bernard worden? Wanneer wij al den vaderlijken grond weder betreden, wat zal dan ons lot zijn?Rasinski had hem dadelijk na den slag bij Mosaisk gezegd, dat nu het gunstige oogenblik daar was, waarop hij iets zekers in zijne en Bernards belangen hoopte tekunnen doen. Na eene overwinning was de keizer het meest tot zachtheid geneigd; het regiment had zijne erkentelijkheid verworven, en men mocht derhalve, zonder iets op het spel te zetten, van het verwonderlijke toeval gewag maken, dat Lodewijk en Bernard in de rijen der dappere Polen had gebracht. Ondertusschen had Rasinski sedert niet weder over dit onderwerp gesproken, ja, gelijk het scheen, iedere herinnering daaraan vermeden. Lodewijk, die van hem kon vertrouwen, dat hij uit eigen beweging alles zou doen, wat men van zulk een vriend mocht verwachten, had hem daarom aan deze zaak niet willen herinneren. Thans evenwel geloofde hij, daarvan te mogen spreken, zonder Rasinski te beleedigen. Hij vroeg hem derhalve rechtuit, of hij dan eindelijk eens hoop had van onder zijn waren naam te kunnen optreden, te meer, daar hij dien toch, bij een mogelijken terugmarsch naar Duitschland, niet meer zou kunnen verbergen. Rasinski zag zijn vriend weemoedig en ernstig aan.„Ik weet, wat gij denkt, Lodewijk,” zeide hij. „Gij gelooft, dat ik u en Bernard vergeten heb, maar waarlijk, dit is zoo niet. Ik kan u thans den geheelen stand van zaken blootleggen; doch hoort mij rustig aan, laat mij geheel uitspreken, en oordeelt dan beiden, of ik voor u gehandeld heb, zooals ik kon en moest. Vóór de overwinning op Kutusow was de keizer zoo moeilijk te naderen en hield hij zich zoo geheel met ernstige plannen bezig, dat ik niet waagde hem aan te spreken. Ik moest bedenken, hoeveel op het spel stond, hoezeer ik u en mij in gevaar bracht, wanneer ik den stand der zaken openbaarde. Ik had immers geen genade, maar het onderdrukken eener aanklacht tegen twee beschuldigden, welke men nog niet had kunnen opsporen, te verzoeken. Na den slag bij Borodino, gij weet het immers zelf, waren wij dag en nacht te paard, zoodat zich geen enkele gelegenheid opdeed. Ook hadden de onmetelijke offers, welke de overwinning had gekost, en hare geringe gevolgen den keizer alles behalve gunstig gestemd. In Moskou hoopte ik alles ten einde te brengen—daar kwam de brand, die ons niet alleen verdreef, maar ook de mogelijkheid om den keizer met zulke zaken te naderen, nog oneindig moeilijker maakte. Bovendien stonden wij op de voorposten; het was slechts zelden mogelijk naar Moskou te komen. Evenwel liet ik niets onbeproefd, om iets voor u te doen; doch ik moest voorzichtig te werk gaan. Alle berichten toch, welke ik inwon, waren ongunstig. Men had den keizer omtrent u, Lodewijk, hoogst nadeelige en verkeerde berichten geleverd, ja, het vermoeden, dat gij in het leger waart, was geuit geworden en het lasterlijke bijvoegsel er bij verdicht, dat gij hier uwe rol als spion der russische regeering voortzettet. Ik verzweeg dit voor u, om u noodeloozen kommer te besparen, want ik kan u de verzekering geven, dat men tot heden van uw plaats in het leger onkundig is. En daarvan kunt gij overtuigd zijn, dat, komt het gevreesde ongeluk der ontdekking, ik met mijne eer als aanvoerder voor u beiden borg zal staan, en ik hoop, dat het mij gelukken zal, u daardoor te beschermen. Maar laten wij nu nog in de gerustheid blijven, welke de verborgenheid ons verschaft. De tijd om voor u te spreken, is zoo ongunstig mogelijk; want door den half raadselachtigen, half verklaarden brand van Moskou is het mistrouwen tegen vreemden nog slechts aangegroeid, en wij mogen niet vergeten, dat in het paleis, waar ik mijn kwartier had opgeslagen, de brand het eerst uitbrak. Ook deze omstandigheid zou u ongunstig zijn. Bij dit alles komt, dat de keizer, zooals ik uit goede bronnen weet, brieven op brieven uit Duitschland ontvangt, die hem de oprechtheid zijner duitsche bondgenooten steeds twijfelachtiger maken. MaarschalkMacdonaldmeldt, dat de pruisische korpsen wel dapper in het gevecht zijn, maar met onwil tegen de Russenstrijden, ofschoon het tegendeel in zijne rapporten staat. Met de werkloosheid des legers onder den vorstVonSchwarzenbergis de keizer insgelijks niet tevreden; het bewijst hem ten minste, dat Oostenrijk, niettegenstaande de banden van verwantschap, die het thans aan Frankrijk binden, geen oprecht bondgenoot is. De agenten uit het binnenste van Duitschland schrijven van geheime vereenigingen van duitsche patriotten tegen Frankrijk en alle fransche regeeringen, van hier en daar openbaar geworden onvoorzichtige uitlatingen omtrent eene gemeenschap, tot in het leger der vijanden zelfs onderhouden. Oordeel zelf, zijn zulke berichten geschikt, om iemand van uwe onschuld te overtuigen?—En nu nog iets. Wanneer de keizer de aanklacht tegen u onderdrukte en daardoor uwe betrekking tot het leger ophield, wat zoudt gijlieden dan doen? Sinds heden, daar tot den terugtocht besloten is, bleef u niets over, dan in het lot des legers te deelen; en waar zoudt gij zulks beter kunnen dan bij mij, daar ik steeds uwe bijzondere belangen voor oogen houd en niet eenmaal een dienstplicht van u vorderen zou, wanneer gij dien niet zelven vrijwillig op u naamt, of als de uitzonderingen zich altijd zoo lieten maken, dat zij niet al te zeer de aandacht tot zich moesten trekken?—Want alleen, op uwe eigene gelegenheid, de schrikkelijk lange terugreis te ondernemen, dat zou thans niet geraden zijn. Gij weet, hoe het land gezind is, aan welke gevaren een enkel persoon zich blootstelt. Gij hebt nog niet kunnen vergeten, hoevelen, die, afgezonderd overvallen, in de handen der fanatieke Mugiks vielen, onder de schrikkelijkste folteringen zijn opgeofferd. En het gevaar zelfs daargelaten, waar zult gij middelen vinden, om op zulk eene reis te bestaan? Het vereenigde geweld van zoovelen vermag zich de noodwendigste behoeften aan te schaffen; doch de enkele kan niets. Hoe zult gij op den verwoesten weg, langs welken wij hier gekomen zijn, waar wij in plaats van dorpen en steden slechts de puinhoopen zullen vinden, die hunne voormalige ligging aanwijzen,—hoe zult gij daar huisvesting, levensmiddelen, paarden vinden, wanneer de uwe, door moeite en slecht voedsel uitgeput, niet meer te gebruiken zullen zijn of sterven? Ik heb noch den lust, noch den moed verloren, om u met vollen vriendschapsplicht te dienen, maar zeg zelf, weet gij thans een zekere uitkomst? Mijne eigene verantwoordelijkheid zou ik het minst ontzien. Geef mij een goeden, uitvoerbaren raad, ik zal hem volgen; gij zelven; Boleslaw en Jaromir, moet beslissen, wat er gedaan moet worden.”De vrienden zagen elkander aan; zij zochten te vergeefs naar eene wederlegging van Rasinski's gronden, en toch werd Lodewijks ziel diep bedroefd door het besef dezer dreigende toekomst, waarin hij zijne vrienden en zijne hulpelooze zuster gewikkeld zag.„En al waren wij ieder zevenmaal zoo wijs, als de zeven wijzen van Griekenland te zamen genomen,” aldus verbrak Bernard de ingevallen stilte, „wij zouden geen beteren raad vinden. Het recht van Rasinski is zoo klaar als de hemel daarbuiten, wiens sterren ons recht gunstig op onzen terugtocht schijnen te lichten. Troost u, vriend Lodewijk; ons omgeven niet meer doodsgevaren dan anderen; misschien houdt, wel bezien, de draad van ons leven zich nog te lang goed en spint zich vervelender en treuriger ten einde dan wij dachten. De schaar der schikgodin gaat in eene minuut meermalen toe en open en zal menigeen het voorzichtig gesponnen garen eer afsnijden, dan het zekerlijk vrij dunne haar, waaraan ons het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Zooveel weet ik evenwel, dat wij, blijven wij hier, onder goede vrienden leven en sterven, waarop het mijns bedunkens meer aankomt, dan of wij eenige meerdere waarschijnlijkheid voor de apotheek en eenige mindere voor de zandhoopkonden aantoonen. Maar gij, Rasinski, bekommer u deswege niet; gij hebt meer voor ons gedaan, dan wij u ooit kunnen vergelden. De dankbaarste mensch toch blijft een ondankbare ezel, ik vooral.—Geeft mij de handen, vrienden, wij willen blijde zijn, wanneer de zon ons morgen nog beschijnt en het woud eenige bleekgroene bladeren onder de gele en roode toont, die de wind als een eeuwigdurenden regen van herfstbloesems afschudt. Mij dunkt, de wereld is nog recht aardig, en die haar nog een poosje bezien mag, kan van geluk spreken, in vergelijking met de zes duizend, die daar boven met verbrande kneukels in de asch en het puin van Malo-Jaroslawez liggen.”Daarmede schudde de wakkere, krachtige vriend Rasinski en Lodewijk de hand, en stak ze dan ook Jaromir en Boleslaw toe. Zijn stoute, vroolijke aard, waarmede hij de hardste slagen des noodlots bespotte, gaf dikwijls aan al zijne vrienden een gevoel van de krachtige zelfstandigheid, welke zich onder geen juk des levens kromt.Een ordonnans trad binnen; hij bracht het bevel om op te breken, dat Rasinski verwachtte. „Om drie uur!” zeide deze. „Stil dus en in het diepste en holste van den nacht!” Twee malen ging hij met over elkander geslagen armen en ter aarde gerichten blik in het nauwe vertrek op en neder.„Laat thans opzadelen! Het zal spoedig tijd zijn.”Jaromir en Boleslaw gingen, om het noodige bij hunne lieden te bevelen. Lodewijk en Bernard hadden tenminste voor zich zelven schikkingen te maken. Zoo scheidden de vrienden. Doch nauwelijks was er een half uur verloopen, of zij bevonden zich weder bijeen, doch te paard en op den terugmarsch. Op Rasinski's voorhoofd lagen donkere wolken; hij sprak niet, doch zag meermalen zwijgend naar de streek om, waar de schouwplaats der laatste overwinning, welke het leger bevochten had, in den sluier van den nacht gehuld lag. Toen de weg om een eenzamen, steilen heuvel heenliep, reed hij dien alleen op. Toen hij boven op den, door winden omruischten top stil stond, richtte hij zijne blikken naar de woeste, door rook omringde stede des doods, die thans het uiterste doel van den ongehoorden krijgstocht was geworden. De rook der puinen vermengde zich met dien der nachtvuren, welke de achterhoede helder liet branden, die, onder de bevelen van den maarschalkDavoust, den vijand omtrent den terugtocht van het groote leger zoude misleiden. Aan de overzijde langs het woud kon men aan tallooze, in donkerrooden gloed schitterende vlammensterren de plaats van het russische leger onderkennen. Langzaam togen de zwarte dampwolken onder den, in het twijfelachtig schijnsel der ondergaande maan, flauw lichtenden hemel heen; zij schenen zich tot een zwaar onweder te verzamelen.„Daar dan!” zeide Rasinski tot zich zelf, „daar zal de wandelaar in volgende eeuwen de plaats opzoeken, waar den onmetelijken geest, die de koningen der aarde stormend uit hunne oude rust opjoeg, de grenspaal zijner krachten werd geplaatst! Mag dan geen sterveling een groot werk ten einde brengen? Kan dan de geest des menschen niet eens deze kleine, armzalige aarde omvatten, welke hem ter woonplaats is aangewezen, zoolang hij in de boeien van zijn aardsch omhulsel smacht? Zijn wij dan zoo gering, dat dit punt, dit zonnestofje in het heelal eene onmetelijke ruimte voor onze krachten is? Cyrus viel aan de grenzen van het wilde noordsche rijk der Scythen, Cambyses moest terugkeeren aan de gloeiende poorten van Ethiopië, Alexander bij het fabelachtige rijk der Indianen.—En hier zal dan het nageslacht de grenssteenenzijnerdaden oprichten? Hier! Wie houdt dit staande? Waarom niet reeds bij depiramiden? Wat daar geschiedde herhaalt zich hier. Is dan de cirkelloop der tijden reeds voleindigd? Dwaasheid, aan de grenzen van het ruim te blijven hangen! Alsof de wereld daarheen niet even wijd ware als hierheen!—En evenwel!”

De avond was reeds gevallen. Een ruwe storm loeide over de vlakte en ruischte hol in de toppen der hooge dennen toen Rasinski met de kleine schaar zijner getrouwen, die hij niet meer zijn regiment durfde noemen, het bivak bereikte. Men was moe en uitgeput; de ledematen verstijfden in den killen wind.

„Hier, op de helling van dezen heuvel, willen wij ons nederslaan,” beval Rasinski. „Wij hebben hier ten minste beschutting tegen den wind.” De ruiters zwenkten linksom.

Het was een, in twee heuveltoppen vooruitspringende hoek van een oud, donker pijnbosch, dien Rasinski tot zijne legerplaats had uitgekozen. Hooge boomen stonden op de vrij steile ofschoon niet zeer hooge heuvels, die eene bijna ringvormige kloof met haar bochtigen rand omvatten. De toppen der aloude stammen kruisten zich, zoo smal was de laatste boven haar; laag, zwaar kreupelhout klom tegen de helling op.

Tegen den herfstwind verschafte de plaats wel eenige bedekking, doch zij was vochtig en koud, daar de zon nauwelijks in het midden van den zomer door de somberekronen der reusachtige dennen vermocht te dringen, veel minder nu, in het najaar. Slechts eenige berken met hun witten stam en bleekgeel, verdord loof stonden als spoken op den donkeren achtergrond.

„Eene goede hinderlaag,” zeide Bernard, bij het binnenrijden door de enge opening van de kloof.

„Ja, voor eene rooversbende mocht zij goed zijn,” hernam Rasinski.

„Waarlijk,” antwoordde Bernard, „als wij nog allen bijeen waren, zou de legerstede wat klein uitvallen, doch voor honderd is in allen gevalle plaats genoeg hier.”

„Halt! Front! Afzitten!” kommandeerde Rasinski. „Hier langs den rand des heuvels naar omlaag de piketpalen gestoken en de stallijnen gespannen. Wij legeren ons dadelijk daarachter. Twaalf man tot fourageeren, twaalf tot houthakken, twaalf tot waterhalen. De anderen verzorgen intusschen de paarden.”

Nadat deze bevelen gegeven waren, zette Rasinski zich mistroostig en vermoeid op een dicht met mos begroeiden boomstam, die op den grond lag. Hij legde zijne handen op de tusschen zijne knieën staande sabel en keek somber voor zich neer.

„Waar zal ik ons vuur doen aanmaken?” vroeg Bernard.

„Waar gij wilt.—Daar onder dien grooten den.” Rasinski bleef, in gedachten verzonken, onbewegelijk zitten, terwijl Bernard met eenige manschappen toebereidselen tot de legering van het korps maakte.—Zware, donkere voorgevoelens beroerden de ziel van den dapperen strijder. Hij zag donker als de nacht en het woud om hem heen. Spoedig joeg de onrust hem op. Hij ging met groote schreden op en neder. Nu en dan gaf hij in korte, afgemeten woorden een bevel; want hoe onrustig het ook in zijn binnenste golfde, bemerkte zijn aandachtig oog toch alles, wat rondom hem voorviel.

„Wilt gij niet komen, om u bij het vuur te legeren?” dus stoorde Bernard hem na eenige minuten. „Zie, het brandt al vroolijk en verlicht de oude boomstammen en de lang uitgestrekte reuzenarmen der takken op grillige wijze. Wanneer wij door dien ijskouden wind niet zoo verkleumd en huiverig waren, zou ik lust hebben, deze boomgroepen af te teekenen.”

„Of Boleslaw en Lodewijk heden niet eindelijk eens terug zullen komen? Ik verlang met ongeduld naar berichten van Jaromir,” antwoordde Rasinski, alsof hij de woorden van Bernard in het geheel niet verstaan had.

„Zet u dat uit het hoofd, Rasinski,” zeide Bernard op een biddenden toon; „het is een koortsachtige droom, verder niets! Zulk een helsche nacht, als Jaromir in Moskou doorbracht, moest wel waanzinnige inbeeldingen in de hersenen voortbrengen. Dan nog zijn liggen in het hospitaal, van alle vrienden verlaten, onder het gejammer der doodelijk gewonden—geloof mij, zoodra hij hersteld is, zoodra zijne zinnen weder helder zijn, houdt de gansche akelige droom op.”

„Ik heb den brief niet verzonden,” zeide Rasinski na een pauze.„Ik kon hem niet afzenden!”

„En gij hebt wel gedaan!”

„Om te handelen,” hernam Rasinski, „moest ik zekerheid hebben; om de bezorgdheid in mijne borst op te wekken ware de helft der kenteekenen reeds genoegzaam geweest. Ja, ik geloof, Jaromir heeft zich aan eenig vergrijp tegen Lodoiska schuldig gemaakt en het is geen koortsachtige droom alleen, die hem op dit denkbeeld brengt. Thans eerst valt mij in, wat hij met Lodewijk den avond vóór den brand gesproken heeft. Toen was hij nog niet ongesteld. Geene brandwond folterde hem toen nog,geen bovenmatige vermoeienis had hem doodelijk uitgeput, de akelige beelden van dien nacht vervulden zijne ziel toen nog niet met schrik, en evenwel....”

„Voor zoover ik het verhaal van Lodewijk begrepen heb,” meende Bernard, „twijfelde hij toen aan Lodoiska's liefde. Dat kan een kwaad vermoeden zijn, gelijk een toeval dat op het een of ander oogenblik in zijn jong, vurig beminnend gemoed lichtelijk kon doen oprijzen. In het naastvolgende oogenblik schaamde hij er zich over en klaagde zich zelf aan. In die stemming van zijn gemoed vielen de verschrikkelijke gebeurtenissen van den nacht voor. Deze herinneringen vervolgden hem in zijn koortsachtige droomen en in zijne ontstelde verbeelding rekende hij zich zijn wantrouwen als eene zwarte, onverzoenbare misdaad aan. Zoo schreef hij haar den brief, die u zoo ongerust maakt. Wanneer Lodewijk en Boleslaw terugkeeren, zullen zij ons gewis ophelderingen geven, want met hen heeft Jaromir ongetwijfeld daarover gesproken.”

„Ik ben koud. Wij willen bij het vuur gaan. Ook ben ik moê. Verdrietige oorlog! men hangt den geheelen dag op het paard, ziet den vijand aan en vecht toch niet. Het is eene groote gebeurtenis, wanneer een kozak een pistoolschot afwacht. Ja, als onze paarden nog zoo frisch waren, als op den dag, toen wij over deWeichselbrug reden, dan zouden die plagerijen spoedig ophouden. Weet gij, dat men mompelt, alsof de vredesonderhandelingen zouden zijn afgesprongen? Mij dunkt, Kutusow wist dat lang! Het is niet zonder reden, dat men haar rekt, tot de winter ons hier overvalt. Ook in dit opzicht zie ik Boleslaws terugkomst van Moskou met verlangen te gemoet. Ik wil hopen, dat het hem gelukt zal zijn, ten minste iets van wat wij zoo dringend noodig hebben, aan te schaffen.”

„Als Lodewijk een paar nieuwe laarzen meêbracht,” schertste Bernard, „zou hij mij zeker geen kleinen dienst doen, en een pels in plaats van dezen gescheurden, half verbranden mantel, kon ik ook kostelijk gebruiken.”

„Spreek zoo lichtzinnig niet, Bernard,” hernam Rasinski ernstig; „gij hebt nog niet ondervonden, hoe grimmig de scherpe tand van het gebrek iemand kan aangrijpen. Ik, die menigmaal gezien heb, hoe moeilijk beter uitgerusten dan wij zich daartegen verdedigen, ik moet ernstig zorg dragen, dat wij aan zijne duizend kwetsende wapenen niet te veel onbedekte punten bloot geven. Thans reeds maakt de nachtvorst onze lieden ziek, thans, daar wij nog overvloed van hout hebben. Doch als de winter inviel, als....”

„Welnu, mij dunkt, dat wij dan naar Moskou moesten terugtrekken. Vijftien wersten zullen wij toch nog wel marcheeren kunnen.”

„Dunkt u?”

Een uitgezette post riep:„Werda!”

„Goed vriend van Moskou,” luidde het antwoord.

„Dat is Boleslaw!” riep Rasinski driftig en sprong op.

Een oogenblik later sprong Boleslaw van het paard en groette de vrienden.

„En waar is Lodewijk, en wat brengt gij voor goed nieuws van Jaromir?” vroegen Bernard en Rasinski bijna te gelijker tijd.

„Eerst de dienstzaken,”antwoordde Boleslaw. „Ik ben gelukkig geweest. Hoe groot de nood en de toeloop ook zijn mochten, heb ik toch eenigszins voor de nooddruft onzer manschappen kunnen zorgen. Uwe mildheid, Rasinski, stelde mij in staat, de hoogste prijzen te betalen.”

„Laat dat daar!” viel hem deze in de reden.

„Ik werd den koop met twee Joden eens. Zij hebben mij tachtig paar laarzenzolenen dertig paar nieuwe laarzen bezorgd. Doch ik kon slechts zestig mantels bijeenkrijgen en meest oude, maar toch bruikbare, voor een gedeelte goed gevoerd. Ook kocht ik drie schapevachten, die 't is waar, misschien reeds jaren lang op het lijf van russische boeren gezeten hebben, maar die ik, hoe duur ik ze ook moest betalen, niet kon laten gaan. De winter komt en wij Polen kennen dien ten minste zoo half. De Franschen, schijnt het, willen maar niet gelooven, dat het heldere herfstweder, dat wij tot nu toe hadden, een einde zal nemen. Ik zeide hun, dat zij maar eens drie nachten hier bivakeeren moesten.”

„Nu, en waar zijn uwe schatten?”

„Lodewijk escorteert met de manschappen het transport. Zij komen op een wagen, dien ik in beslag genomen heb.Ik ben vooruit gereden. 't Is te hopen, dat zij ons maar spoedig vinden in dezen schuilhoek.”

„De wind heeft ons hierheen gedreven,” antwoordde Rasinski. „Wij willen den wagen eenige lieden te gemoet zenden. Bernard, kies eenige manschappen uit, die tot den grooten weg gaan en daar post vatten.”

Bernard ging.

„Goed! dat hebt gij uitmuntend bezorgd,” ging Rasinski thans tegen Boleslaw voort. „Het was waarlijk hoog noodig! Hebt gij al het geld uitgegeven?”

„Niet alles; ik kon zoo verkwistend met het uwe niet omgaan. Gij offert u voor allen op! Ik heb nog veertig dukaten over.”

„Foei, Boleslaw! Hier alleen hadt gij niet spaarzaam moeten zijn. Als gij wollen kousen gekocht had!”

„Die waren niet te krijgen. Daarvoor zou ik het laatste geld hebben uitgegeven. Maar de andere dingen zijn ook waarlijk nog zoo broodnoodig niet. Gij moest toch iets voor u zelf behouden! Het is moeielijk, hier weder aan geld te komen.”

„Als ik het voor mijne kameraden besteed, brengt het mij de beste renten op, Boleslaw. Ik weet, zij zullen mij in den nood niet verlaten, en de mantel dien ik heden voor den soldaat koop, dekt morgen mij zelf, als de nacht guur is en de trouwe kameraad ziet, dat zijn aanvoerder dien noodig heeft. Maar zou een volle beurs mij verwarmen?”

„Gij geeft in uwe grootmoedigheid alles weg!” riep Boleslaw uit. „Werkelijk, het zou tegen mijne eer en mijn geweten zijn, als ik zulk een misbruik van uwe goedheid maakte. Ook wij overige officieren moeten immers een klein deel dragen in hetgeen voor de manschappen geschiedt. Ik breng u slechts terug, wat wij ons verplicht achten, aan te vullen.”

„Dus gij, die weinig bezit, wilt u opofferen!”

„Vertel ons nu van Jaromir,” brak Bernard, die juist weer nader trad, het halfluid gevoerde gesprek tusschen Rasinski en Boleslaw af.

„Straks; eerst nog iets zeer gewichtigs. De onderhandelingen zijn afgebroken.”

„Heb ik het niet gedacht,” riep Rasinski met levendigheid.

„Kutusow heeft den koning van Napels aangetast en teruggeslagen. De keizer ontving de tijding juist toen hij in het Kremlin de troepen van het leger vanNeyinspecteerde. Dadelijk riep hij: „Oorlog dus! Welnu, het zij zoo.” Er volgde order op order. Morgenavond breekt het leger op, naar den kant van Kaluga heen. Wij en alle troepen, die in het noordoosten staan, rukken morgen weder voor Moskou en sluiten ons dan bij het groote leger aan. Ik breng u de order daartoe.”

„Dus wordt de strijd hernieuwd. Ik dacht het wel,” zeide Rasinski. „Nu moeten wij ons een weg naar de zuidelijke provinciën banen. Daar is hoop, dat wij nog vóór den winter vasten voet winnen of ten minste Kiew bereiken, om daar te kantonneeren. Het was hoog tijd! Goddank dus, dat het eindelijk bepaald is. Wanneer de krijg zich daarheen wendt dan heb ik nog hoop. De winter begint in die streken ten minste eene maand later, en is oneindig minder streng. Ook is het land rijk en zal ons beter voeden dan de woestenij, die wij tot nog toe zijn doorgetogen. Deze tijding is van eenige waarde.—Maar nu spreek op van Jaromir. Is hij hersteld?”

Boleslaw zweeg een oogenblik. „Ja,” zeide hij daarop met een donker gelaat, „als wij dat hersteld willen noemen! Zijne brandwonden zijn geheeld, zijne heete koorts is verdwenen, ja hij voelt zich zelfs sterk genoeg om met ons te marcheeren. Hij wil niet bij de achterhoede van het leger blijven; ook geloof ik, dat hij lichaamskrachten genoeg herkregen heeft. Maar....”

„Welnu?”

„Zijne ziel is duister, de heldere glans zijner oogen verdoofd, zijn open voorhoofd bewolkt. Het is onze frissche, vroolijke Jaromir niet meer. Ik vrees....” hier hield Boleslaw plotseling op. „De keizer heeft hem,” voer hij na eenige oogenblikken voort, „het kruis van het legioen van eer gezonden. Hij heeft het afgeslagen met de woorden: „Het toeval alleen heeft mij geleid; ik mag dit teeken niet aannemen. De keizer beware het voor mij, tot ik eene wezenlijke daad verricht heb.”—Geen redeneeringen hadden eenigen invloed op hem; hij bleef onbewegelijk. En gij weet, met wat brandende begeerte hij nu al verscheiden jaren naar dat kruis haakte en hoe hij het mij benijdde.”

„O, ik weet alles,”zeide Rasinski. „Er heerscht eene duisternis in zijne ziel, die al de vlammen van het brandende Moskou niet in staat zijn te verlichten. Heeft hij u van zijn brief aan mij gesproken?”

„Geen woord.”

„Hij moet hem evenwel juist den dag voor uwe aankomst geschreven hebben.”

„Wat behelsde die brief?” vroeg Boleslaw.

„Luister!” Rasinski nam den dichtgevouwen brief uit zijn portefeuille en las:

„Rasinski!„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap, bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.Jaromir.”

„Rasinski!

„Gij waart mijn tweede vader,—heden noem ik u voor het laatst bij dezen dierbaren naam; want van heden af zult gij slechts mijn bevelhebber zijn. Gij moogt dit zijn, want de soldateneer heb ik niet verloren. Om één dienst, den laatsten uwe oude, vaderlijke vriendschap, bid ik u echter nog; zend dezen brief aan Lodoiska. Driemaal heb ik vol innig berouw aan haar geschreven en hare vergiffenis afgesmeekt; het geschiedde nog in de verwarde droomen der ziekte; doch ik vernietigde de brieven weder en heb er niet een van verzonden. De ziekte is geweken; thans weet ik, wat ik doe, en handel gelijk ik moet.

Jaromir.”

„En wat schrijft hij aan Lodoiska? Ik bid u, verberg mij dit niet,” vroeg Boleslaw haastig, terwijl hij scheen te beven.

Rasinski sloeg een anderen brief open en las:

„Lodoiska!„Wij zijn voor eeuwig, doch doormijne schuldgescheiden; werp uw ring in de rivier, den uwen wierp ik in een dieperen afgrond. Antwoord mij niet, want gij zoudt in de overmaat uwer hemelsche goedheid mij kunnen willen vergeven; ik mag geene vergiffenis aannemen. Uw eeuwigdurend stilzwijgen zij dan ook mijne straf, gelijk ik mij voor eeuwig uit uw gezicht verban.Jaromir.”

„Lodoiska!

„Wij zijn voor eeuwig, doch doormijne schuldgescheiden; werp uw ring in de rivier, den uwen wierp ik in een dieperen afgrond. Antwoord mij niet, want gij zoudt in de overmaat uwer hemelsche goedheid mij kunnen willen vergeven; ik mag geene vergiffenis aannemen. Uw eeuwigdurend stilzwijgen zij dan ook mijne straf, gelijk ik mij voor eeuwig uit uw gezicht verban.

Jaromir.”

Boleslaw stond sprakeloos, de donkere blikken naar den grond geslagen; eene vreeselijke storm van tegenstrijdige gewaarwordingen verhief zich in zijn boezem. Jaromir verbrak den band, die hem aan Lodoiska verbond. Een straal van hoop lichtte tusschen de donkere onweerswolken door en wierp een zacht schijnsel in het hart van Boleslaw. Zult gij uit denzelfden beker, die uw vriend vergiftigt, de zaligste vreugde drinken? Terwijl uwe lippen zijn rand met huiverende zaligheid aanraken, verbleeken die uws vriends en sluiten zij zich voor eeuwig!—Neen, Boleslaw!—Moge het de zwarte slang der schuld zijn, die hare kronkels om zijn hart slaat; mogen het enkel donkere droomen zijn, die zijne ziel in hun verward weefsel verstrikken, voor u mag geen bloesem uit dit noodlottig zaad opschieten. Wees een man. Wend uw laatsten blik af van de deur des hemels, die zich voor u schijnt te openen. Het is een drogbeeld; gij moogt daar niet binnentreden; de rozekleurige uchtendschemering, waarin gij uwe brandende borst verkoelend meent te baden, is slechts de weerglans van verborgen vlammen des afgronds. Volgt gij de verleiding, treedt gij over de geheiligde grens, dan stort gij tot uw eeuwig verderf naar beneden. Hier bestaat geene twijfeling voor u. De bruid, van wie uw vriend afstand doet, zij u nog heiliger dan die hij in zijne armen, aan zijn hart drukt. Iedere andere gedachte, iedere andere hoop is verraad tegen de heilige wetten der vriendschap.

In de vuurproef dezer gevoelens, die Boleslaws borst doorstroomden, hardde zich zijn edel hart tot de sterke wilskracht der zelfverloochening.

„Nu,” vroeg Rasinski na eene lange, ernstige pauze, „wat denkt gij van dezen brief? Is hij een voortbrengsel van zijn koortsachtig ijlen? Of drukt waarlijk eene misdaad tegen zijne liefde op Jaromirs hart?”

Het antwoord van Boleslaw werd door een luid „Werda!” dat Lodewijks aankomst aankondigde, afgesneden. De vrienden verwelkomden hem hartelijk. Doch nu dreef de dienstplicht boven; de kleedingstukken, welke Lodewijk bracht, moesten ontvangen en verdeeld worden; dit veroorzaakte eene drukte, die langer dan een uur duurde. Ondertusschen was het nanacht geworden en de vermoeide strijders hadden rust noodig. Bernard ondervroeg Lodewijk wel naar Jaromirs toestand; doch deze wist niet meer dan de anderen. Met ijzeren dichtheid hield de jongeling het geheim in zijne borst; want hij wilde slechts de straf zijner misdaad, niet de goedwillige verontschuldiging, niet het medelijden, niet de vergiffenis.

Het was tegen den avond van den 18 October toen het fransche leger de hoofdstad der czaren, waarin het veel te lang of veel te kort vertoefd had, begon te verlaten.De keizer had evenwel de gedachte nog niet kunnen verdragen, dat hij terugtrekken moest voor de overmacht der natuur en der onuitputtelijke middelen, welke zij den vijand aanbood, terwijl zij hem niets dan onoverkomelijke hinderpalen in den weg wierp; hij dacht er veeleer nog aan, het leger van Kutusow, dat bij Kaluga stond, aan te tasten, het te verslaan, zich een weg naar de zuidelijke provinciën te banen, zijne reserves aan zich te trekken, zijne communicatiën met Polen te vermenigvuldigen en te verzekeren, zich op den rechtervleugel der armee te leunen, en zich zoo tot het voorjaar in het hart van 's vijands land staande te houden. Menige stem had zich zekerlijk reeds voor den terugtocht doen hooren en in angstig voorgevoel, dat het bleeke spook van den winter onverwacht zou tegenwoordig zijn, op zijne verhaasting aangedrongen; doch de raad, die het meest met den koenen geest des keizers overeenstemde, ofschoon dan ook de stoutste, geenszins de verstandigste, behield de overhand.

In den vroegen morgen van den 19 October, een vroolijken herfstmorgen verliet Napoleon zelf Moskou. Ofschoon de uittocht des legers reeds den geheelen nacht geduurd had, drongen de dichte drommen echter nog steeds de poorten der half in puin liggende stad uit. In onafzienbare rijen trokken zij langs den breeden weg voort. Niet zoozeer het getal der strijders maakte den onmetelijken trein uit, als wel de ontelbare wagens met buit beladen, de menigte kanonnen en ammunitiewagens, welke men niet mocht achterlaten. Aan beide zijden braken derhalve de colonnes van infanterie en cavalerie uit den trein en trokken, waar het terrein het slechts eenigszins vergunde, over de landen naast den grooten weg heen, om den meer gebaanden weg voor de voertuigen vrij te laten. Evenwel kwam er spoedig stremming in den onmetelijken trein. Zelfs de keizer en zijn staf konden geen doortocht vinden, zoo hadden de wagens alle doorgangen versperd. Op dit oogenblik kwam Rasinski, die des nachts voor de poorten van Moskou op bivak had gelegen, met zijne kleine bende door eene zijstraat der voorstad, om zich bij de hoofdmacht aan te sluiten. Hij moest stilhouden en zag den keizer dicht voor zich; zijne trekken drukten verstoordheid uit over het oponthoud dat hem overkwam, en met misnoegen zag hij naar dat bovenmatig getal wagens. Hij wierp een scherpen blik op Rasinski, die hem met eerbied groette. Echter sprak hij niet, maar scheen alleen het geringe aantal ruiters, dat nog van het regiment overig was, met bekommering na te tellen. Eindelijk werd er een doortocht geopend en hij rende met zijn volk voort.

Rasinski kon evenwel met zijne manschappen nog niet in het gelid inrukken, maar moest op een gunstiger oogenblik wachten, om door dezen wagenbrug heen te breken. Dit was hem lief, daar hij Jaromir nog verwachtte, dien Lodewijk uit het hospitaal, waarin hij als zieke gelegen had, afhaalde, daar het bevel tot oprukken zoo onverhoeds gekomen was, dat men Jaromir daarvan niet verwittigen kon, maar Boleslaw voor zijne bagage en paarden had moeten zorgen. Zij werden hem door zijn stalknecht voorgebracht, en hij had niets verder te doen dan op te stijgen. Daarom was Lodewijk door Rasinski mede tot hem gezonden, om hem met ernstige woorden tot het besluit te brengen, den geheimvollen sluier, waarmede hij het gebeurde bedekte, ten minste voor een vriend op te lichten. Bij het waarlijk vaderlijk belang, dat Rasinski in Lodoiska zoowel als in Jaromir stelde, ging hem de zorg voor deze twee zoo ter harte, dat deze zelfs door de zoo plotseling ontstane oorlogsgebeurtenissen niet kon verdrongen worden.

Daar zag hij de aankomenden reeds van verre; zij reden snel op de wachtenden aan. Jaromir reed volgens het gewone dienstgebruik op Rasinski toe en meldde zich aan als hersteld, terwijl hij weder in de gelederen der strijders trad. Hij zag er nog bleek uit, ja hij scheen zich slechts met moeite recht en kloek in den zadel te houden; zijne stem had iets hols, het vuur zijner oogen was uitgebluscht.

Rasinski nam geene diensthouding aan, maar reikte hem met vaderlijke deelneming de hand, zeggende: „Wees ons welkom, Jaromir; wij zijn uwentwege bezorgd geweest; wees hartelijk gegroet.”

Bij deze, op den toon van innerlijke ontroering uitgesproken woorden verloor Jaromir de vaste houding, welke hij met geweld had trachten aan te nemen. Hij zag zijn welwillenden vriend wel ernstig aan, doch kon een traan, die in het matte oog opwelde, niet weerhouden. Bevend reikte hij hem de hand, doch waagde niet den hartelijken druk van Rasinski te beantwoorden. „Wees streng, wees hard tegen mij; ik ben geen goedheid meer waard,” zeide hij met eene gesmoorde stem.

Het geoefend oog van Rasinski zag tot in het diepst van des jongelings ziel; thans was hij er ten volle van verzekerd, dat niet een verwarrend schrikverschijnsel zijn brein benevelde. Het oogenblik was gunstig; hij zag hem aangedaan, thans kon hij zijn vertrouwen winnen. Doch hij moest zich haasten, eer het voornemen om hardnekkig te zwijgen weder de overhand in hem verkreeg.

„Boleslaw,” zeide hij daarom tegen dezen, „breng de manschappen daar de tweede straat door en zie naar de vlakte te komen. Dan houd u rechts van den weg. Hier kunnen wij nog een halven dag wachten, voor wij ons baan gemaakt hebben. Ik zelf zal met Jaromir achter de tuinen omrijden en vindt u dan op den heuvelrand voor de stad weder.” Hij wenkte Jaromir, rende met dezen de straat af en reed eerst weer langzamer, toen zij nabij de vlakte tusschen de tuinmuren geheel alleen waren.

„Heeft Lodewijk niets op u kunnen uitwerken, Jaromir?” aldus sprak hij hem ernstig, maar zacht aan. „Wilt gij geen uwer vrienden, ook mij niet, die u zoon kan noemen, uw vertrouwen schenken? Welke schuld bezwaart u? Is zij de inbeelding van door koorts ontstelde hersenen, of is zij werkelijk bestaande? Ofschoongijook van het laatste overtuigd zijt, moetiktoch het eerste gelooven; want heeft de man gestruikeld, dan bekent hij het vrij en openhartig.”

„Wil ik het u dan verbergen?” riep Jaromir uit. „Zou ik beter willen schijnen, dan ik ben? Neen, ik wil mij slechts de boete opleggen, mijn berouw en mijne schaamte alleen te dragen; ik wil niet, dat het uwer medelijdende goedheid op het laatst zou gelukken, mij te overreden, dat er vergiffenis voor mij mogelijk zoude zijn.O, misken mij niet, Rasinski! Zie geen lafheid in het besluit, om alleen en stom te boeten, wat ik zonder medeplichtige misdreef.”

Rasinski trok den brief aan Lodoiska uit zijne brieventasch. „Dan neem dezen brief terug; ik mag hem niet verzenden.”

„Hoe? Gij hebt het niet gedaan?” riep Jaromir verschrikt uit.

„Zend hem zelf!”

„Ach, Rasinski, gijmoethet doen; want zij zal geen brief meer openen, dien ik haar zend.”

„Hoe? waarom niet!”

„Wanneer gij mij beloven wilt, dezen brief, van uwe vaderlijke, vertroostende woorden begeleid, zoo spoedig mogelijk aan haar af te zenden, dan wil ik mijnelippen voor u openen. Maar geef mij daarop uwe rechterhand, dat gij mij niet weder aan het wankelen zult zoeken te brengen in mijn besluit.”

Rasinskibeloofde het; Jaromir beleed nu, hoe hij doorFrançoise Alisettebedrogen, verstrikt, gevallen was. Een donker schaamrood kleurde zijne bleeke wangen bij het verhaal.

„Arme vriend!” zeide Rasinski, „gij werdt alzoo het offer eener sluwe boeleerster! Gij hebt misdaan, zwaar misdaan; maar niet onvergefelijk! Lodoiska zal u vergeven, gelijk ik het doe.Ikzal haar schrijven.”

„Dat zult gij niet,” riep Jaromir heftig. „Gij hebt mij beloofd, naar mijn wil te handelen.Mijnbrief verzendt gij; dochgijmoet uwe hand daartoe leenen, anders wijst zij hem ongeopend terug.”

„Waaruit vermoedt gij dit?”

„Wijl hare beleedigde waarde niet anders mag. Ach! ik heb u nog niet alles gezegd. Na dien rampzaligen stond, toen ik in gelijke verblinding van smart en van geluk door de zwarte, nog niet door mij herkende furiën gegeeseld, rusteloos omdwaalde, ontving ik Lodoiska's laatsten brief. De reine glans der heilige straalt uit dien brief; doch mijn waanzin zag slechts het verblindend, verraderlijk schijnsel der hel. Ik antwoordde op staanden voet, noemde haar eene onwaardige huichelares, en verscheurde onze verbintenis. Met eigen hand deed ik den brief nog des avonds laat, nadat Lodewijk mij verlaten had, op de veldpost. Gelooft gij nu, dat Lodoiska na dezen brief er nog een van mij zoude openen?”

„Heeft zij u sedert geschreven?”

„Ik ontving geen enkel woord, doch ik verwachtte er ook geen.”

Rasinski had in dezen geheelen tijd mede geene brieven ontvangen; doch bij de onregelmatigheid van de veldpost verklaarde hij zich zulks daardoor, dat zij vermist of verloren gegaan konden zijn. Evenwel geloofde hij thans, dat Lodoiska, vooral door de edele groothartigheid der gravin zoodanig bewogen, eene aanklacht met stilzwijgende verachting zoude hebben afgewezen.

„Ik zal,” antwoordde hij na eenig nadenken, „uw brief verzenden, ik wil hem aan mijne zuster richten en haar schrijven, dat uw lot in de grootmoedigheid van Lodoiska berust.”

„Neen, dat zult gij niet, dat is tegen uwe belofte. Wanneer ik hare engelachtige goedheid inroep, dan wordt mijn berouw huichelarij en ik verlies het laatste, wat ik nog in mij zelf kan achten: het voornemen en de kracht om boetetedoen. Zoo gij niet wilt, dat ik in rechtmatige verachting van mij zelf mijn nietswaardig leven eindige, vervul dan, wat gij beloofdet. Gij zelf moet zeggen, dat ons verbond onherroepelijk verbroken is; weigert gij mij dit, dan—doch neen, gij doet het niet! Ik zou dan een weg moeten gaan—ik ijs er aan te denken—doch ik zou moeten!”

Rasinski schudde ernstig het hoofd en zuchtte. „Nu, het zij zoo, ik wil doen, wat gij verlangt, gij zult den brief aan mijne zuster Johanna zelf lezen; doch gij zult het hart van Lodoiska breken!”

„Dat heb ik reeds lang gedaan!” riep Jaromir vol vertwijfeling en legde zijne rechterhand over zijne oogen en aan het gloeiend voorhoofd.

Zwijgend reden zij nu naast elkander voort. Thans bereikten zij de hoogten. Goede God! Welk een schouwspel! In drie breede stroomen golfde de onmetelijke rij van soldaten en wagens door het veld. Nimmer eindigend schenen zij uit de ruïnen van Moskou voort te stroomen; in den blauwen nevel van de gezichteinder verloren zich hunne uiterste spitsen. Daarenboven was het veld nog aan weerszijden met verstrooideruiters en voetgangers bedekt, welke rondom den opééngepakten hoofdstroom zwierven.

Rasinski bleef op de hoogte staan. Niettegenstaande zijn omweg, was hij toch sneller vooruit gekomen dan de keizer zelf; want hij herkende aan de witte pluimen dezen en zijn gevolg nog ver onder aan den heuvel, midden in het gedrang der wagens. Ook Boleslaw zag hij in de verte; hij marcheerde reeds op het vrije veld, aan de rechterzijde van den weg, alwaar men, om den ongebaanden weg, de een achter den ander moest rijden.

„Waar moet dat heen!” zeide Rasinski, toen hij den trein overzag. „Hoe zal een leger met zulk eene bagage zich bewegen? Mijn beste troost is, dat de eerste aanval der kozakken ons ten minste van de helft van dien lastigen overvloed zal bevrijden. Wat de hebzucht al niet in het blinde bijeengesleept heeft! Hoe zich de begeerlijkheid met een noodeloozen last bezwaart, waaronder zij bezwijken moet!”

„Het zou mij verwonderen, zoo de keizer niet, zoodra wij het vrije veld bereikt hebben, den geheelen boel deed verbranden,” zeide Jaromir, die met onverschillige blikken het gewoel overzag.

„Dat zal hij niet,” antwoordde Rasinski. „Want hij mag den soldaat, die met zooveel moeite twee derden van Europa doormarcheerde, het loon van den meermaals beloofden buit niet ontnemen. Doch geloof mij, nog eer de dag voorbij is, zullen de onzen zelven hun ballast beginnen weg te werpen. Zie maar eens naar die lieden daar! Het schijnen mij officiersoppassers te zijn. Hebben zij zich niet voor eene handslede gespannen en trekken zij niet hun vracht als stomme lastdieren voort? Geen zes uren ver zijn hunne krachten toereikend; maar door de hebzucht verblind, vergeten zij, dat de weg van Moskou naar Parijs acht honderd uren lang is! En deze massa's van hoog bepakte wagens, waar zullen zij tijd en plaats vinden, om voort te komen? Hoelang zullen hunne assen het uithouden? en wanneer er eene breekt, wie zal een andere bezorgen? Nauwelijks kan de artillerie dit volhouden. De keizer ziet dezen tros met verdriet aan; maar hij laat het aan den tijd over, den hebzuchtigen de onuitvoerbaarheid hunner onderneming te leeren. Daar valt een wagen om. Ziet gij? Let op, deze laat hier, een half uur van Moskou, reeds alles achter, wat hij misschien naar Parijs had hopen te brengen.”

De wagen, dien Rasinski zag vallen, was met buitgemaakte voorwerpen overladen geweest; er brak eene as, en nu lag hij op den weg omver. Dadelijk ontstond er stilstand; de achtersten schreeuwden driftig „voorwaarts!” want ieder besefte, dat men in dezeverwarringalles moest aanwenden om vooruit te komen. De menigte belemmerde zich zelve in hare bewegingen; de enkele persoon was daarom blijde, wanneer een toeval het aantal der voertuigen verminderde. Toen de omgevallen wagen niet dadelijk kon geholpen worden en er ook geen ruimte bleef om te wijken, riep een der volgende wagenmenners: „Smijt den rommel uit den weg! Hier moet ieder zien, hoe hij vooruit komt. Wij kunnen geen halven dag op dien eenen wachten. Komaan, kameraden, spant de paarden uit en werpt de geheele kraam in het veld.” Dadelijk waren er twintig, dertig, vijftig lieden gereed om de uitnoodiging te volgen. Te vergeefs raasde en tierde de eigenaar van den wagen en zocht hij zijn buit te verdedigen. In twee minuten was hij van alle kanten omringd en de wagen niet alleen ledig geplunderd, maar ook de paarden uitgespannen, de raderen uitgelicht, en het onderstel in brokken uiteengenomen en op zijde geworpen, zoodat de baan voor de nakomenden vrij werd. De waanzinnige woede, waarin de beroofde uitbrak werd door het honend gelach deroverigen verdoofd; niemand bekommerde zich om het geheele geval of hield het der moeite waard, den gewelddadig geplunderde in bescherming te nemen, die op het laatst blij moest zijn, althans nog zijne paarden behouden te hebben.

„Wanneer dat op den eersten dag van den marsch en voor de poorten van Moskou geschiedt,” merkte Rasinski aan, „wat moeten wij dan verwachten, wanneer de vijand eens deze onbeholpen massa bedreigt? Die moradeur heeft niets gered dan een paar vermagerde paarden. De anderen mogen blij zijn, wanneer dit hun bij den eersten aanval van slechts vijftig kozakken ook gelukt. De kerel, die huilt en vloekt, is de gelukkigste van allen, want hij is het onnut tuig het eerst kwijt geraakt. Hij zal gelegenheid genoeg hebben, misschien van daag reeds, om zich schadeloos te stellen door met het verdriet van anderen, wellicht van dezelfden die hem verongelijkt hebben, te spotten. En eer acht dagen voorbij zijn, prijst hij zijn lot, zeg ik u, dat hem de vergeefsche moeite, om zijn last voort te sleepen, ontnomen heeft. Het onderscheid is maar, dat hij vandaag verliest, wat de overigen morgen en overmorgen moeten prijsgeven; van duizend komt er niet een zoover, dat hij genot van zijn buit zal hebben.”

Boleslaw had thans met de ruiters de hoogte bereikt; hij verkreeg ruimte om hen in sectiën te doen opmarcheeren en rukte zoo op het punt aan, waar Rasinski wachtte. Deze stelde zich aan het hoofd der zijnen en reed, zijne vrienden dicht om zich hebbend, weder nevens den weg voort. De weg over de hoogte, dien zij genomen hadden, vergunde hun voortdurend het overzicht over den geheelen trein.

„Het is mij lief,” zeide Bernard, „dat wij bijna de laatsten zijn; want ik geloof niet, dat de vooruitmarcheerende regimenten er zich een denkbeeld van kunnen maken, welk een drakenstaart zij achter aansleepen, en het gezicht is toch aardig genoeg. De heksenprocessie op denBloksbergkan er niet wonderlijker uitzien, dan de maskerade hier onder en nevens ons. Bij den torenbouw van Babel heeft men niet in zoovele talen gevloekt als hier, en een inventaris van alle dingen, die in een rond jaar in Londen gestolen zijn, zoude een prul zijn tegen die van dit landloopersameublement. Ik geloof, dat in Moskou geen koperen ketel, geen braadpan, geen oude drievoet, geen tang of bezemsteel meer te vinden is, zulk een rommelzoô ligt er op deze wagens gepakt! Zie maar eens,” zoo wendde hij zich tot Jaromir, om diens donker gelaat wat op te helderen, „zie maar die rij van wagens eens, waarbij de keizer zoo zal aankomen. Het schijnt mij wel een amazonentroep, want ik zie bijna enkel vrouwen, en zij zijn toegetakeld, als wilden zij zoo terstond een oostersch stuk met groot spectakel opvoeren, deTurandotof zoo iets.”

„Het zullen denkelijk de acteurs zijn, die in Moskou waren,” merkte Lodewijk aan.

Bij het woord acteurs schrikte Jaromir hevig en wierp snel een blik op den troep; eene woeste, koude grimmigheid vervulde zijne borst.Alisettekon er bij zijn. Hij moest het vermoeden.

Sedert dien verschrikkelijken nacht had hij niets verder van haar vernomen.Regnardhad, het valt moeilijk te beslissen, of het uit grootmoedigheid, uit gevoel van zijn onrecht of uit medelijden met Jaromir geschiedde, de zaak niet weder aangeroerd, ofschoon hij tweemaal in het hospitaal was gekomen, om kranke officieren van zijn regiment, die daar ziek lagen, te bezoeken, bij welke gelegenheid hij Jaromir natuurlijk ook had moeten zien.Regnardwas anders in zaken van eer meer dan nauwgezet; doch de vreeselijke keer, dien het gebeurde, waarover hij zich eerst beleedigd had gevoeld, voor Jaromir zoowel als voorAlisettegenomen had, maakte dit opzettelijk vergetenzeer natuurlijk. Jaromir van zijn kant wist niet, of des oversten betrekking met haar (want hij was het, die haar onderhield en bewerkt had, dat zij naar Moskou was gekomen) nog voortduurde, dan of hij de trouwelooze thans aan haar lot overliet; ja hij zou niet eenmaal vernomen hebben, of zij zich in dien nacht gered had, wanneer niet eene toevallige vermelding van het meisje door een officier vanRegnards regiment hem bewezen had, dat zij nog leefde. Thans was zij misschien geen honderd schreden van hem verwijderd. Daar de weg zich deelde en Rasinski slechts een gunstig oogenblik afwachtte om dien te bereiken, kon het gebeuren, dat hij haar weder van aangezicht tot aangezicht zou moeten zien. Die gedachte joeg zijn boezem weder in wilde golven op. Hij gevoelde, dat, zoo hij de verraderes plotseling ontmoet had, hij de heerschappij over zich zelf zoude verloren hebben. Nu, door Bernards wenk voorbereid, had hij tijd zijne gedachten te verzamelen. Hij besloot haar met de koelste minachting met blik noch woord te verwaardigen, wanneer het toeval hem in hare nabijheid mocht brengen.

Bernard en Lodewijk reden naast den somber zwijgende voort. Rasinski had hun en Boleslaw slechts met een vluchtig woord toegefluisterd, dat hij thans Jaromirs geheim wist. Hij scheen eene nadere mededeeling tot gelegener tijd te willen besparen. De deelneming zijner vrienden in het lot van hun trouwen makker was even warm gebleven als te voren, daar zij hem van geen schuld konden verdacht houden, doch slechts het ergste onheil voor hem vreesden. Bernard, wiens scherpen blik zelden eene gelaatsuitdrukking ontging, merkte de verandering in Jaromirs wezen, toen hij van de acteurs sprak, oogenblikkelijk op. Hij had echter geen vermoeden, datAlisettete Moskou was; want na den brand had hij, alles saamgenomen, geen twee dagen in Moskou doorgebracht, daar het regiment dadelijk een bivak voor de stad betrok en vijf dagen later in de noordelijke voorpostenlinie rukte. Doch zijn scherpzinnig verstand, zoo bijzonder geschikt tot het ontdekken van intriges, gaf hem dadelijk duistere vermoedens der waarheid. Echter verried hij deze ook zelfs door het geringste teeken niet, maar zette zijne opmerkingen over het hem omringend schouwspel voort.

„Wat mag het zijn, dat daar beneden zoo schittert?” vroeg hij plotseling. „Ik geloof, dat het de gouden tooverspiegel uit de „Duizend en Een Nacht” is, die daar op den wagen met acht paarden ligt, of een bundel bliksems, of een hoop vuur als staaltje van den brand.”

Ook Lodewijk en Rasinski zagen daarheen; want inderdaad flikkerde tusschen de zwarte gedaanten, die in de laagte voorttrokken, iets als een schitterende zon door. De menigte der voorbijtrekkende ruiters en wagens verhinderde nochtans, het voorwerp te onderkennen. Toen er evenwel gedurende een oogenblik eene opening ontstond, bemerkte men, dat het een vervaarlijk groot gouden kruis was.

„Het is,” zeide Jaromir op een ernstigen toon, „het kruis van den heiligen Iwan, dat op den toren van het Kremlin heeft gestaan. De Russen vereeren het als hun grootste heiligdom, als het palladium hunner stad. Uit mijn venster heb ik het zien afnemen. Het was een donkere dag; de avondschemering was reeds ingevallen. Ontelbare raven doorkruisten de lucht en fladderden krassend rondom den glanzenden, hoogen top. Men had eene stellage gebouwd, ladders aangebracht, windassen geplaatst, strikken omgeslagen, en de arbeiders waren zonder ophouden bezig, doch de zwermen van raven weken niet, maar klapwiekten met heesch geschrei nu in wijder, dan in enger kringen om het schitterende kruis heen. Onder mijne venstersstond eenhoop Russen;er waren ook vele vrouwen bij. Zij kruisten hunne armen over de borst, bogen zich vol eerbied en mompelden zacht gebeden. Eene der vrouwen, avontuurlijk gekleed, een rooden doek als tulband om het grijze haar gebonden, stond midden onder hen, hief de handen omhoog, maakte allerlei wonderlijke gebaren en sprak op een bezwerenden toon in onverstaanbare woorden. Het gezicht had iets angstverwekkends. Toen nu de windassen werkten en het kruis zich begon te bewegen, verhief de schare een luid geschreeuw, sloeg zich op de borst, rukte zich de haren uit het hoofd en stoof als ontzet uit elkander. Het scheen, dat zij geloofd hadden, door hunne bezweringen en gebeden het heiligdom te zullen redden, en nu waren zij buiten zich zelven van schrik, daar zij het onder de schennende handen gevallen en hunne goden overwonnen zagen. Ondertusschen klonk een rauw gekras en geruisch door de lucht; het gansche heer van raven stoof verschrikt uiteen, daar hun oude toevluchtsoord, het kruis, waaronder zij eeuwen lang hunne nesten gebouwd hadden, plotseling begon te wankelen, en trok in eene zwarte wemelende schaar onder de grauwe wolken voort.”

„Een nachtstuk!” merkte Bernard aan. „Mij dunkt, ik heb de vrouw, die gij schildert, ook dadelijk den eersten dag in Moskou op de muren van het Kremlin gezien. Zij zag er waarlijk als eene priesteres der Druïden of als de tooveres van Endor uit.”

De anderen zwegen; doch ieder voelde zijne borst door eene vreemde beangstheid benepen, te meer daar Jaromir op zulk een ernstigen toon sprak, als hij hem nooit te voren eigen was, en zijne bleeke lippen en wangen, de matte blik zijner oogen het hart der vrienden met meewarige droefheid vervulden.

Bernard hing met onafgewende blikken aan zijn gelaat. Wat was er van dien nog onlangs zoo bloeienden jongeling geworden! Het krullende blonde haar zelfs hing sluik langs zijn schedel neder. Gelijkt hij dan nog op zich zelf? dacht Bernard. Wanneer gij hem nevens het portret steldet, dat gij in Warschau van hem geschetst hebt, zoudt gij het dan nog herkennen?—Hij legde den jongeling de hand trouwhartig op den schouder. „Richt u op, mijn vriend, verzamel uwe krachten, denk aan geen treurige voorteekens meer. Vóór ons ligt de krijg, daar heeft men moed en kracht noodig. Wat waart gij een soldaat! Ik kreeg moed, wanneer ik u zag; thans zoudt gij mij tot een lafaard kunnen maken. Komaan, broeder mijns harten, schud alles, wat u den nek nederbuigt, van u af en richt uw edel hoofd weer fier omhoog.”

Juist wilde Jaromir antwoorden, toen het trekken van den trein rondom een heuvel, die den grooten weg eenige oogenblikken geheel aan hun gezicht onttrokken had, de ruiters recht daarop aanvoerde. Daar Rasinski juist een opening bemerkte, waardoor hij tusschen de rij wagens konde indringen, beval hij, in galop te rijden en rende zelf vooraan.

Op deze wijze werd het gesprek, dat Bernard begonnen had, afgebroken. Rasinski's voornemen gelukte; hij rukte onvoorziens de opening in en was spoedig met zijne manschappen op den grooten weg, zoodat hij den wagentrein nu vaneen scheidde. „Zoo,” sprak hij tevreden; „nu kunnen wij ten minste op den weg blijven, zoolang het ons bevalt, en verlaten, wanneer wij willen.”

Doch zooals het bij zulke marschen gewoonlijk gaat, werd de voortgang telkens gestremd; nu en dan moest men verscheidene minuten stil houden en dan weder met verdubbelden spoed oprijden. Dit maakte den marsch zeer onaangenaam; ook had deze zijn vorige aantrekkelijkheid verloren, daar men den trein van wagens niet meer tot in de verte overzag, maar alleen de naaste voorwerpen kon waarnemen. De keizerwas nog achter Rasinski's manschappen. Vlak voor hen reed eene rij wagens, met buitgemaakte vaandels bedekt; turksche, tartaarsche, russische zegeteekenen lagen in bonte verwarring opeengehoopt.

„Plaats, plaats voor den keizer!” werd van achteren geroepen, en Rasinski liet zijne manschappen bij rotten afbreken, om de halve breedte van den weg vrij te maken. De keizer kwam van verre aangerend; doch opeens reed hij stapvoets en scheen zich met eenige lieden, die zich nevens hem op een wagen bevonden, te onderhouden. Hun voerman zette zijne paarden aan, om den snelleren pas van het ros, dat de keizer bereed, bij te houden. Zoo kwam de wagen langzamerhand nader en reed de poolsche ruiters voorbij, zoodat deze links bleven, terwijl Napoleon rechts van den wagen reed, waarop drie bevallige vrouwen en een kind zaten. Toen de keizer de plaats naderde, waar Jaromir te paard zat, zag deze slechts schroomvallig naar hem op; want half zou hij verheugd zijn geweest, half zoude het hem gehinderd hebben, zoo Napoleon hem herkend had. Doch de keizer was juist druk in gesprek met eene dame, die, dicht in een fraaien pels gewikkeld, naar hare kleeding te oordeelen de vrouw van een hoofdofficier moest zijn.

„Gij moet den moed niet verliezen,” zeide hij: „wij kunnen den volgenden winter te Petersburg inhalen, wat wij in Moskou verzuimd hebben. Gelukkige reis!” Met deze woorden galoppeerde hij vooruit, zonder Jaromir te bemerken. Doch de jonge dame wendde zich thans links. Almachtige hemel! Het wasAlisette! Zij ontstelde, verbleekte en sloeg haar blik neer. In Jaromirs ziel bruiste en kookte het geweldig. Toorn en afschuw wisselden als ijs en vuur op hetzelfde oogenblik in zijn boezem af; doch hij bedwong zich met geweld; slechts een verachtelijken, vernietigenden blik wierp hij haar toe, daar zij heimelijk het oog naar hem opsloeg, en keerde toen zijn paard af.Alisettetrok den sluier over haar gelaat en trachtte den gloed van toorn en van schaamte, die hare wangen kleurde, onder zijne plooien te verbergen. Nog had niemand anders haar herkend; thans wilde zij ook van niemand meer herkend zijn. Zij nam daarom haar zusters dochtertje, dat zij bij zich had, op haar schoot en hield zich daarmede bezig, tot Rasinski en zijne manschappen den nu weder langzaam rijdenden wagen opnieuw een eind weegs waren vooruitgekomen. Daar zich spoedig daarna een gelijke grond naast den weg opdeed, waarop men sneller voort konde komen, brak Rasinski wederom naar rechts uit en zocht de voorhoede der colonne te bereiken, daar het zijn voorname doel was, de regelmatige troepen weder in te halen en zich bij zijn korps aan te sluiten, achter hetwelk hij sinds gisteren avond door den te grooten marsch was teruggebleven.

Zeven dagen waren er verloopen sinds de keizer Moskou verlaten had. Het leger stond bij Malo-Jaroslawez, dat den dag te voren stormenderhand was veroverd geworden. Men zag verlangend het bevel om voort te rukken te gemoet en hoopte, zich nog vóór Kaluga met de gansche macht van Kutusow te zullen meten. In eene kleine ellendige hut, welke Rasinski tot zijne woning had gekozen, wachtten Lodewijk,Bernard, Jaromir en Boleslaw op zijne terugkomst uit het hoofdkwartier, waarheen hij nog laat op den avond was uitgereden.

Jaromirs droefgeestigheid en hare oorzaak waren voor de vrienden thans geen raadsel meer, evenmin als de aanwezigheid vanAlisettebij het leger. Dikwijls hadden zij getracht, hem te troosten en gerust te stellen, doch te vergeefs. Diep in zijn boezem was de reine bron des levens vergiftigd; de kwaal knaagde aan zijn hart en dreigde den jongeling te doen wegkwijnen. Boleslaw gevoelde in zijne reine, edele ziel de smarten van Jaromir bijna zoo diep als deze zelf. Aan den mannelijken strijd der zelfbeheersching gewoon, had hij de laatste beslissende overwinning op zich zelf behaald, en daardoor was hem, te midden van zijne droefheid en zijne ernstige bekommering, een vroolijke kracht in de ziel gedrongen, die steeds het loon is eener zedelijke overwinning. Het was zijn waarachtig streven, Jaromir weder met zijne geliefde te vereenigen, den verbroken band weder aan te knoopen. Zorgvuldig verborg hij, welke vlam voor Lodoiska in zijn hart gloeide; met belangelooze vriendschap zocht hij de verdorde kiemen van hoop in den boezem zijns vriends opnieuw te doen herleven, de afgevallen bloesems zijns geluks met den zachten dauw van troost en opbeuring te verfrisschen. Ook Lodewijk en Bernard namen met liefde deel in Jaromirs toestand en hadden hem zijne schuld in hun liefderijk hart lang vergeven; doch beiden waren nog door wat zij in Moskou beleefd hadden zoowel als door de beschouwing van hun eigen, zonderling ingewikkeld noodlot te zeer geschokt, om zich geheel in den toestand huns vriends te kunnen verdiepen. Boleslaw daarentegen werd juist door den band der gelijke liefde machtig tot Jaromir aangetrokken; hij voelde denzelfden kommer als deze, en daarom verbonden zich de zielen van beiden te inniger aan elkander. Hij beminde edel, zonder eigenbelang, maar de vreemde smart in hare verschrikkelijke grootte het naast voor hem. Hij dacht aan de eenzaam verlatene, door Jaromirs zelfveroordeeling ganschelijk verpletterde Lodoiska. Daar hij haar met heiligen gloed in het verborgen beminde, scheen het hem plicht en roeping te zijn, haar geluk, wanneer hij het vermocht, weder op te bouwen; want hij was vast overtuigd, dat de liefde alles verzoenen kan, wanneer zij aan het berouw de hand van vergiffenis reikt. Daarom liet hij niet na, verzachtende woorden van troost in het hart zijns vriends uit te storten. Gelijk de gestadige waterdroppel de rots uitholt, zoo, hoopte hij, zou het hem eindelijk gelukken, de ijzeren onverbiddelijkheid van Jaromir tegen zijne schuld te overwinnen en de ijskorst, waarmede deze zelf zijne borst omschorst had, te doen wegsmelten.

Boleslaw trad met Jaromir naar buiten uit de hut, die op eene kleine hoogte lag. Men overzag bij het zwakke licht van de reeds ondergaande maan een uitgestrekt, vlak veld, met gelegerde soldaten en ontelbare wagens overdekt; de Louja met haar kronkelenden stroom omsloot deze vlakte. Daarachter verhieven zich steile, met dennenbosschen bezette hoogten. In die bosschen lag Kutusow in eene sterke, onaantastbare stelling. Vóór de hoogten lagen de rookende puinhoopen van Malo-Jaroslawez, gisteren het tooneel van een bloedig gevecht, dat echter slechts het voorspel van een grooteren slag scheen te zijn.

„O, dat wij aan dien strijd geen deel konden nemen!” zuchtte Jaromir. „Er liggen daar zekerlijk zoovelen, die de zon van heden nog gaarne weder begroet hadden.”

Boleslaw verstond zijn vriend.

„Is dat nu wel recht en billijk Jaromir?” sprak hij vriendelijk, maar ernstig.„Denkt gij niet meer aan hen, die met bittere tranen om u zouden weenen?”

„Hebt gij u nooit den roemvollen dood op het slagveld toegewenscht?” riep Jaromir heftig uit.

Boleslaw zweeg een oogenblik; hij voelde zich getroffen, want in zijn somberen, stillen kommer had hij dezen wensch zekerlijk dikwerf in zijne borst rondgedragen. Doch het was er een van de velen, die slechts uit de verte opstijgen en die een heilige schroom voor het onredelijke er van ons niet veroorlooft, in vollen ernst op te vatten.—„Ik heb hem dikwijls in mij bedwongen, en dat vorder ik ook van u.”

„Ach, Boleslaw,” zuchtte Jaromir, „gij kondt dit misschien lichter dan ik.”

Deze woorden drongen diep in Boleslaws ziel; een namelooze pijn griefde zijn boezem. Hij kon niet antwoorden zonder zich zelf te verraden.—„En wanneer gij ook gelijk hadt, Jaromir, verandert dit toch niets voor u. Wees een man, leef en handel. Niet het berouw, de daad verzoent.”

„Beiden,” antwoordde Jaromir somber.

„Wanneer thans Lodoiska voor u trad en zachtmoedig, gelijk zij is, zeide: Ik heb u vergeven; want de liefde vergeeft duizend en duizendmaal—maar kom weder aan mijn hart, vertreed niet alle bloesems van mijn geluk!”

Jaromir zag hem strak aan; eene beving greep hem aan; plotseling riep hij in wilde droefheid en hoon tegelijk: „Zon, schijn zacht als de maan,—stroom, neem uw loop het gebergte op,—pijl, keer in uwe vaart terug,—minuut, kom weder uit de oneindige ruimte van het verleden! O, Boleslaw, gevoelt gij dan niet, dat gij het onmogelijke denkt?Hebik dan de bloesem van haar geluk niet vertreden? Is de daad dan nietgeschied? Ik klaagde de reine, schuldelooze heilige van eene misdaad aan, die ik in hetzelfde oogenblik zelf beging! Mijne trouweloosheid mag zij mij vergeven, maar nooit mag zij vergeten, dat ik het geloof aan haar verloor—nooit mag ik vergiffenis aannemen.”

„O, gij moogt beide, geloof mij—mij!”

„Gij hebt nooit bemind, Boleslaw,” riep Jaromir uit. „Gij weet niet, hoe zwaar de misdaad is, tegen de geliefde gepleegd.”

„Jaromir, ik weet, hoe onuitputtelijk de vergevende kracht van een minnend hart is.”

„Liefde kan zich niet met verachting paren.” Hij stiet deze woorden wild uit, staarde naar den grond en maakte met zijne rechterhand eene afwendende beweging, als wilde hij zeggen: Verzoeker, wijk van mij!

„Lodoiska heeft u geen oogenblik veracht; zij heeft slechts bittere tranen om u geweend,” antwoordde Boleslaw ernstig, „en in plaats van hare tranen te drogen, verscheurt gij nu koelbloedig hare borst.”

„Ik trok den pijl slechts ras uit de wonde en bespaarde haar het langer lijden. Heb ik haar doodelijk gewond, dan zal zij spoedig bezwijken en—haar bloed komt dan over mij! Was genezing mogelijk, dan was zij het slechts op die wijze. Met den pijl in den boezem ademt gij nog eenige pijnlijke uren, maar leven kunt gij toch niet lang meer. Beslissing is beter.”

„De droefheid benevelt uw blik. Vertrouw het oog van uw vriend.”

„Boleslaw, ik moet het u herhalen: hier beslist slechts een minnend hart.”

„En wie zegt u,” riep thans de vriend, door zijn gevoel medegesleept, „wie zegt u, dat ik..... nooit bemind heb?” voegde hij er met eene gesmoorde stem bij.

„Alzoo ook gij? En zonder geluk, zonder den schoonen tak van den bloeiendenboom te plukken?” hernam Jaromir en legde hem zachtkens de hand op den schouder. „Laat ons dan lotgenooten in het ongeluk zijn!—Waarom hebt gij Lodoiska niet bemind! Met u ware zij gelukkig geweest, gij zijt veel beter dan ik,—ja, gij zijt goed, gij zoudt de heilige nooit gelasterd hebben.”

De opwellende smart dreigde Boleslaws boezem te verscheuren, en toch kon hij zijn hart niet uitstorten voor den vriend, zonder het geheim zijner liefde voor Lodoiska te openbaren. Beiden hielden elkaar innig omarmd.

„Maar toch hebt gij gelijk, geliefde broeder,” brak Jaromir eindelijk de stilte af: „de wensch naar den dood is misdadig, want hij is de wensch eener lafhartige ziel. Een zware schuld rust op mij, maar ik wil die door een werkzaam leven goed maken. Het vaderland wil ik vergelden, wat ik tegen zijne reinste, schoonste dochter misdeed. Sta gij mij bij; richt mij op door uwe edele kracht, wanneer ik in mijne zwakheid vertwijfel en neerzink; wees mijn voorbeeld, mijn leidsman! Gij zijt het immers reeds sinds lange jaren geweest, want u streefde ik steeds na. Hoe benijdde ik u dat kruis op uwe borst, hoe beijverde ik mij, het gelijk gij te verdienen! En zoo moet het weder worden. Gij zult mij niet meer krachteloos in tragen kommer verzonken zien. De jeugdige levenslust kleurt mijne wangen wel niet meer, want hare vleugels zijn gebroken; ik toon u geen helder voorhoofd meer; doch ik wil dat ook niet. Weg daarmede! Litteekenen en groeven van ernstige mannelijkheid zullen het versieren, mijne wangen zullen bruin worden in den gloed der zon, in den ruwen stroom der lucht. Dat wil ik, Boleslaw! Daartoe voel ik eene nieuwe kracht door mijne aderen stroomen—maar wat gij vordert, wat gij hoopt—daarvan nooit iets meer!”

De galop en het brieschen van een paard braken de stilte van den nacht af. Het was Rasinski, die den heuvel oprende. Jaromir en Boleslaw traden hem te gemoet; hij begroette hen, sprong van het paard en gaf het dier haastig over. „Voer het af,” riep hij den stalknecht toe; „wij zullen spoedig opbreken.”

„Gaat het voorwaarts?” vroeg Jaromir, toen zij in de hut waren getreden, met een gevoel van vreugde; want hij geloofde er een gunstig teeken van het toeval in te zien wanneer de gelegenheid zich spoedig aanbood, om zijn ras genomen besluit door de daad te bekrachtigen.

„Voorwaarts! Dat woord zullen wij voor dezen veldtocht moeten verleeren,” hernam Rasinski somber. „Iets ontbrak den keizer nog aan zijn roem van een groot veldheer te zijn. Hij kon nog geen beroemden terugtocht aanwijzen; van heden af zal hij ook daarvan kunnen spreken.”

De diepe rimpels op zijn voorhoofd, de donkere blik, waarmede Rasinski deze woorden sprak, wekten een bang voorgevoel op in de harten van die hem omringden.

„Terug moeten wij? Naar Moskou, of waarheen?” vroeg Boleslaw verwonderd.

„Naar Moskou? Om op de puinhoopen van het Kremlin onze vanen te planten?” hernam Rasinski. „Hebt gij den doffen slag, de bevende schudding van den grond van eergisteren reeds vergeten? Het was Mortier, die het oude kasteel der czaren in de lucht deed vliegen. Gisteren middag ontving de keizer het bericht, dat de kozakken nu reeds weder onder de puinen van Moskou rondzwerven en de nalezing van den buit houden. Mortier is naar Werreja opgebroken, hij heeft den generaal Winzingerode gevangen genomen. Ziedaar de nieuwste berichten van ginds; de nieuwste van hier zijn, dat wij binnen een uur insgelijks opbreken, om naar Smolensko te trekken.”

„Onmogelijk!” riep Jaromir uit.

„De krijgsraad heeft tot middernacht geduurd, de terugtocht is besloten. Het is onstuimig toegegaan. De koning van Napels wilde Kutusow aantasten;Bessières, die zijne positie had opgenomen, verklaarde ze voor onneembaar. De keizer zeide: Wij hebben genoeg voor den roem gedaan, het is tijd, ook iets voor onze zekerheid te doen.Davoustverlangde, dat wij ons ten minste op Platof en zijne kozakken zouden werpen en ons den weg naarMedynbanen. De keizer verklaarde zich voor den terugtocht overMosaisk. Wij zullen alzoo denzelfden treurigen weg teruggaan, dien wij voor twee maanden reeds langs getrokken zijn.”

„De keizer op den terugtocht!” riep Jaromir en zag Rasinski vol verwondering aan, als kon hij het nog niet gelooven.

„En zoo is dan de bloedige zege van gisteren eene vergeefsche geweest?” vroeg Boleslaw en schudde bedenkelijk het hoofd.

„Zij zal ten minste een eeuwig gedenkwaardigen grenspaal voor de daden des keizers hebben opgericht,” hernam Rasinski. „Ik heb het slagveld gezien. Het levert eene verschrikkelijke vertooning op. Bloedenden, verminkten kruipen nu nog van onder de brandende puinhoopen te voorschijn. In Rusland bestaat er geene overwinning, waarvoor de menschheid niet terugbeeft. Hier is de vlam steeds de woedende strijdgenoot van het zwaard. Zoo voerde ook de Scyth, die voor duizende jaren deze steppen doorkruiste, den oorlog.—Doch welke daden zijn hier weder geschied! De moedige Delzons tast aan de spits zijner soldaten de Russen aan, een kogel werpt hem neder. De soldaat, die zijn aanvoerder ziet vallen, stokt, geraakt in verwarring, vlucht; de Russen dringen voort.Delzons'broeder werpt zich alleen in de dampwolken der vijandelijke vuurmonden, om ten minste het lijk te redden. Hij omvat het met zijne armen, neemt het op; daar treft ook hem het doodend lood, hij zinkt met zijn dierbaren last ter aarde, en de laatste slag van zijn hart klopt tegen de koude borst zijns broeders.—De italiaansche rekruten hebben voor de eerste maal gestreden als jonge leeuwen, die hun eersten roof najagen. Geen volk is dapper;allenzijn het, wanneer dapperen hen aanvoeren.”

„En de koenste voert ons thans op den terugweg!” riep Jaromir met onwil uit.

„Wie weet,” hernam Rasinski ernstig, „of niet juist hiertoe de dapperste ook noodig is. Tot roem, ter overwinning lieten zich de volken gemakkelijk van den Ebro tot de Moskowa leiden, zonder dat het vuur van hun moed verflauwde. Maar zal de gloed niet verdooven, wanneer alleen de roem van den heldhaftig lijdenden martelaar te verwerven is? Zal hij voedsel genoeg hebben voor de onmetelijke tijds- en afstandslengte? Zal hij blijven leven onder de wintersneeuw, die spoedig deze vlakten zal bedekken, op de ijsvelden, die ons tot leger zullen verstrekken? Thans roep ik u op, u, die mannen zijt en met bewustzijn handelt, thans roep ik u op, om met trotsch opgeheven hoofd en moedig voorhoofd uwe kameraden voor te gaan; want hoe zwaar ook het werk was, dat wij volbracht hebben, het zwaarste begint eerst van dezen dag.”

Hij sprak met hoogen ernst; men hoorde het aan ieder woord, dat zijne vrees haar grond had in zijne innigste overtuiging. Met bezorgdheid richtten zich dus hunne blikken op de toekomst.—Lodewijk wierp de zijne nog verder voorwaarts dan Rasinski, want hij vroeg zich zelf af: En wat zal van u en Bernard worden? Wanneer wij al den vaderlijken grond weder betreden, wat zal dan ons lot zijn?

Rasinski had hem dadelijk na den slag bij Mosaisk gezegd, dat nu het gunstige oogenblik daar was, waarop hij iets zekers in zijne en Bernards belangen hoopte tekunnen doen. Na eene overwinning was de keizer het meest tot zachtheid geneigd; het regiment had zijne erkentelijkheid verworven, en men mocht derhalve, zonder iets op het spel te zetten, van het verwonderlijke toeval gewag maken, dat Lodewijk en Bernard in de rijen der dappere Polen had gebracht. Ondertusschen had Rasinski sedert niet weder over dit onderwerp gesproken, ja, gelijk het scheen, iedere herinnering daaraan vermeden. Lodewijk, die van hem kon vertrouwen, dat hij uit eigen beweging alles zou doen, wat men van zulk een vriend mocht verwachten, had hem daarom aan deze zaak niet willen herinneren. Thans evenwel geloofde hij, daarvan te mogen spreken, zonder Rasinski te beleedigen. Hij vroeg hem derhalve rechtuit, of hij dan eindelijk eens hoop had van onder zijn waren naam te kunnen optreden, te meer, daar hij dien toch, bij een mogelijken terugmarsch naar Duitschland, niet meer zou kunnen verbergen. Rasinski zag zijn vriend weemoedig en ernstig aan.

„Ik weet, wat gij denkt, Lodewijk,” zeide hij. „Gij gelooft, dat ik u en Bernard vergeten heb, maar waarlijk, dit is zoo niet. Ik kan u thans den geheelen stand van zaken blootleggen; doch hoort mij rustig aan, laat mij geheel uitspreken, en oordeelt dan beiden, of ik voor u gehandeld heb, zooals ik kon en moest. Vóór de overwinning op Kutusow was de keizer zoo moeilijk te naderen en hield hij zich zoo geheel met ernstige plannen bezig, dat ik niet waagde hem aan te spreken. Ik moest bedenken, hoeveel op het spel stond, hoezeer ik u en mij in gevaar bracht, wanneer ik den stand der zaken openbaarde. Ik had immers geen genade, maar het onderdrukken eener aanklacht tegen twee beschuldigden, welke men nog niet had kunnen opsporen, te verzoeken. Na den slag bij Borodino, gij weet het immers zelf, waren wij dag en nacht te paard, zoodat zich geen enkele gelegenheid opdeed. Ook hadden de onmetelijke offers, welke de overwinning had gekost, en hare geringe gevolgen den keizer alles behalve gunstig gestemd. In Moskou hoopte ik alles ten einde te brengen—daar kwam de brand, die ons niet alleen verdreef, maar ook de mogelijkheid om den keizer met zulke zaken te naderen, nog oneindig moeilijker maakte. Bovendien stonden wij op de voorposten; het was slechts zelden mogelijk naar Moskou te komen. Evenwel liet ik niets onbeproefd, om iets voor u te doen; doch ik moest voorzichtig te werk gaan. Alle berichten toch, welke ik inwon, waren ongunstig. Men had den keizer omtrent u, Lodewijk, hoogst nadeelige en verkeerde berichten geleverd, ja, het vermoeden, dat gij in het leger waart, was geuit geworden en het lasterlijke bijvoegsel er bij verdicht, dat gij hier uwe rol als spion der russische regeering voortzettet. Ik verzweeg dit voor u, om u noodeloozen kommer te besparen, want ik kan u de verzekering geven, dat men tot heden van uw plaats in het leger onkundig is. En daarvan kunt gij overtuigd zijn, dat, komt het gevreesde ongeluk der ontdekking, ik met mijne eer als aanvoerder voor u beiden borg zal staan, en ik hoop, dat het mij gelukken zal, u daardoor te beschermen. Maar laten wij nu nog in de gerustheid blijven, welke de verborgenheid ons verschaft. De tijd om voor u te spreken, is zoo ongunstig mogelijk; want door den half raadselachtigen, half verklaarden brand van Moskou is het mistrouwen tegen vreemden nog slechts aangegroeid, en wij mogen niet vergeten, dat in het paleis, waar ik mijn kwartier had opgeslagen, de brand het eerst uitbrak. Ook deze omstandigheid zou u ongunstig zijn. Bij dit alles komt, dat de keizer, zooals ik uit goede bronnen weet, brieven op brieven uit Duitschland ontvangt, die hem de oprechtheid zijner duitsche bondgenooten steeds twijfelachtiger maken. MaarschalkMacdonaldmeldt, dat de pruisische korpsen wel dapper in het gevecht zijn, maar met onwil tegen de Russenstrijden, ofschoon het tegendeel in zijne rapporten staat. Met de werkloosheid des legers onder den vorstVonSchwarzenbergis de keizer insgelijks niet tevreden; het bewijst hem ten minste, dat Oostenrijk, niettegenstaande de banden van verwantschap, die het thans aan Frankrijk binden, geen oprecht bondgenoot is. De agenten uit het binnenste van Duitschland schrijven van geheime vereenigingen van duitsche patriotten tegen Frankrijk en alle fransche regeeringen, van hier en daar openbaar geworden onvoorzichtige uitlatingen omtrent eene gemeenschap, tot in het leger der vijanden zelfs onderhouden. Oordeel zelf, zijn zulke berichten geschikt, om iemand van uwe onschuld te overtuigen?—En nu nog iets. Wanneer de keizer de aanklacht tegen u onderdrukte en daardoor uwe betrekking tot het leger ophield, wat zoudt gijlieden dan doen? Sinds heden, daar tot den terugtocht besloten is, bleef u niets over, dan in het lot des legers te deelen; en waar zoudt gij zulks beter kunnen dan bij mij, daar ik steeds uwe bijzondere belangen voor oogen houd en niet eenmaal een dienstplicht van u vorderen zou, wanneer gij dien niet zelven vrijwillig op u naamt, of als de uitzonderingen zich altijd zoo lieten maken, dat zij niet al te zeer de aandacht tot zich moesten trekken?—Want alleen, op uwe eigene gelegenheid, de schrikkelijk lange terugreis te ondernemen, dat zou thans niet geraden zijn. Gij weet, hoe het land gezind is, aan welke gevaren een enkel persoon zich blootstelt. Gij hebt nog niet kunnen vergeten, hoevelen, die, afgezonderd overvallen, in de handen der fanatieke Mugiks vielen, onder de schrikkelijkste folteringen zijn opgeofferd. En het gevaar zelfs daargelaten, waar zult gij middelen vinden, om op zulk eene reis te bestaan? Het vereenigde geweld van zoovelen vermag zich de noodwendigste behoeften aan te schaffen; doch de enkele kan niets. Hoe zult gij op den verwoesten weg, langs welken wij hier gekomen zijn, waar wij in plaats van dorpen en steden slechts de puinhoopen zullen vinden, die hunne voormalige ligging aanwijzen,—hoe zult gij daar huisvesting, levensmiddelen, paarden vinden, wanneer de uwe, door moeite en slecht voedsel uitgeput, niet meer te gebruiken zullen zijn of sterven? Ik heb noch den lust, noch den moed verloren, om u met vollen vriendschapsplicht te dienen, maar zeg zelf, weet gij thans een zekere uitkomst? Mijne eigene verantwoordelijkheid zou ik het minst ontzien. Geef mij een goeden, uitvoerbaren raad, ik zal hem volgen; gij zelven; Boleslaw en Jaromir, moet beslissen, wat er gedaan moet worden.”

De vrienden zagen elkander aan; zij zochten te vergeefs naar eene wederlegging van Rasinski's gronden, en toch werd Lodewijks ziel diep bedroefd door het besef dezer dreigende toekomst, waarin hij zijne vrienden en zijne hulpelooze zuster gewikkeld zag.

„En al waren wij ieder zevenmaal zoo wijs, als de zeven wijzen van Griekenland te zamen genomen,” aldus verbrak Bernard de ingevallen stilte, „wij zouden geen beteren raad vinden. Het recht van Rasinski is zoo klaar als de hemel daarbuiten, wiens sterren ons recht gunstig op onzen terugtocht schijnen te lichten. Troost u, vriend Lodewijk; ons omgeven niet meer doodsgevaren dan anderen; misschien houdt, wel bezien, de draad van ons leven zich nog te lang goed en spint zich vervelender en treuriger ten einde dan wij dachten. De schaar der schikgodin gaat in eene minuut meermalen toe en open en zal menigeen het voorzichtig gesponnen garen eer afsnijden, dan het zekerlijk vrij dunne haar, waaraan ons het zwaard van Damocles boven het hoofd hangt. Zooveel weet ik evenwel, dat wij, blijven wij hier, onder goede vrienden leven en sterven, waarop het mijns bedunkens meer aankomt, dan of wij eenige meerdere waarschijnlijkheid voor de apotheek en eenige mindere voor de zandhoopkonden aantoonen. Maar gij, Rasinski, bekommer u deswege niet; gij hebt meer voor ons gedaan, dan wij u ooit kunnen vergelden. De dankbaarste mensch toch blijft een ondankbare ezel, ik vooral.—Geeft mij de handen, vrienden, wij willen blijde zijn, wanneer de zon ons morgen nog beschijnt en het woud eenige bleekgroene bladeren onder de gele en roode toont, die de wind als een eeuwigdurenden regen van herfstbloesems afschudt. Mij dunkt, de wereld is nog recht aardig, en die haar nog een poosje bezien mag, kan van geluk spreken, in vergelijking met de zes duizend, die daar boven met verbrande kneukels in de asch en het puin van Malo-Jaroslawez liggen.”

Daarmede schudde de wakkere, krachtige vriend Rasinski en Lodewijk de hand, en stak ze dan ook Jaromir en Boleslaw toe. Zijn stoute, vroolijke aard, waarmede hij de hardste slagen des noodlots bespotte, gaf dikwijls aan al zijne vrienden een gevoel van de krachtige zelfstandigheid, welke zich onder geen juk des levens kromt.

Een ordonnans trad binnen; hij bracht het bevel om op te breken, dat Rasinski verwachtte. „Om drie uur!” zeide deze. „Stil dus en in het diepste en holste van den nacht!” Twee malen ging hij met over elkander geslagen armen en ter aarde gerichten blik in het nauwe vertrek op en neder.

„Laat thans opzadelen! Het zal spoedig tijd zijn.”

Jaromir en Boleslaw gingen, om het noodige bij hunne lieden te bevelen. Lodewijk en Bernard hadden tenminste voor zich zelven schikkingen te maken. Zoo scheidden de vrienden. Doch nauwelijks was er een half uur verloopen, of zij bevonden zich weder bijeen, doch te paard en op den terugmarsch. Op Rasinski's voorhoofd lagen donkere wolken; hij sprak niet, doch zag meermalen zwijgend naar de streek om, waar de schouwplaats der laatste overwinning, welke het leger bevochten had, in den sluier van den nacht gehuld lag. Toen de weg om een eenzamen, steilen heuvel heenliep, reed hij dien alleen op. Toen hij boven op den, door winden omruischten top stil stond, richtte hij zijne blikken naar de woeste, door rook omringde stede des doods, die thans het uiterste doel van den ongehoorden krijgstocht was geworden. De rook der puinen vermengde zich met dien der nachtvuren, welke de achterhoede helder liet branden, die, onder de bevelen van den maarschalkDavoust, den vijand omtrent den terugtocht van het groote leger zoude misleiden. Aan de overzijde langs het woud kon men aan tallooze, in donkerrooden gloed schitterende vlammensterren de plaats van het russische leger onderkennen. Langzaam togen de zwarte dampwolken onder den, in het twijfelachtig schijnsel der ondergaande maan, flauw lichtenden hemel heen; zij schenen zich tot een zwaar onweder te verzamelen.

„Daar dan!” zeide Rasinski tot zich zelf, „daar zal de wandelaar in volgende eeuwen de plaats opzoeken, waar den onmetelijken geest, die de koningen der aarde stormend uit hunne oude rust opjoeg, de grenspaal zijner krachten werd geplaatst! Mag dan geen sterveling een groot werk ten einde brengen? Kan dan de geest des menschen niet eens deze kleine, armzalige aarde omvatten, welke hem ter woonplaats is aangewezen, zoolang hij in de boeien van zijn aardsch omhulsel smacht? Zijn wij dan zoo gering, dat dit punt, dit zonnestofje in het heelal eene onmetelijke ruimte voor onze krachten is? Cyrus viel aan de grenzen van het wilde noordsche rijk der Scythen, Cambyses moest terugkeeren aan de gloeiende poorten van Ethiopië, Alexander bij het fabelachtige rijk der Indianen.—En hier zal dan het nageslacht de grenssteenenzijnerdaden oprichten? Hier! Wie houdt dit staande? Waarom niet reeds bij depiramiden? Wat daar geschiedde herhaalt zich hier. Is dan de cirkelloop der tijden reeds voleindigd? Dwaasheid, aan de grenzen van het ruim te blijven hangen! Alsof de wereld daarheen niet even wijd ware als hierheen!—En evenwel!”


Back to IndexNext