TWAALFDE BOEK.HOOFDSTUK I.De dag was nog niet aangebroken, toen Rasinski aan de spits zijner weinige getrouwen en te midden der kleine, door het aftrekkende korps vanNeygevormde legerafdeeling de ringmuren van Smolensko verliet. De hemel was somber betrokken, geen star drong door den donkeren wolkensluier; slechts de matte schemering van het sneeuwdek, dat zich over de velden uitbreidde, wierp eenig licht in het diepe duister. In het rond alles stom en zwijgend; alleen het ratelen der weinige kanonnen, die nog te vervoeren waren, en het kletteren der wapenen deden zich door de akelige stilte hooren; de soldaat zelf gaf taal noch teeken van zich, maar waadde stom en in sombere mijmeringen verdiept door de sneeuwwoestijn voort.Na verloop van een uur had de schaar dezer krijgers, de laatste troepen, die uit het onherbergzame Rusland terugtrokken, een dichtmastboschbereikt. Plotseling deed zich een dof gekraak uit de verte hooren en tegelijk flikkerde een lichtschijnsel op de toppen der steile dennen. Alles luisterde, want in het eerste oogenblik waande men het gedonder van vijandelijke kanonnen te vernemen.„Het is niets,” sprak Rasinski tot Jaromir, die naast hem reed; „men laat de torens en muren der vesting in de lucht springen. Het is het oude krijgsrecht, ook den vijand niet te gunnen, wat men zelf niet behouden kan.”Het akelig dof gedreun hield een tijdlang aan. Thans begon ook de dag aan te breken en de lange trein van krijgers en voertuigen werd langzamerhand zichtbaar. „Houd gij een oog op de manschappen, Jaromir,” sprak Rasinski; „ik ga zien, hoe het met onze arme gekwetsten gesteld is.” Met deze woorden reed hij, de gelederen door, op de wagens toe, waarop men de gewonden, die nog hoop op leven en herstel gaven, medevoerde; de overigen had men aan de menschelijkheid van den vijand moeten overlaten.Boleslaw, die door een niet gevaarlijk schot in de zijde getroffen was, bevond zich, benevens eenige andere kameraden van het regiment, op een wagen, dien Rasinski's onvermoeidevoorzorghem had weten te verschaffen.„Nu, hoe gaat het, vrienden?” sprak deze de zijnen aan en drukte Boleslaw de hand.„Zoo goed het kan,” antwoordde de jongeling, zich met een bleek gelaat en het hoofd tegen de snerpende koude met een zwarten doek omwonden, van zijne plaats oprichtende.—„Hebt gij nog niets van hen vernomen?”„Alle moeite was vruchteloos,” luidde het somber antwoord; „het onverzadelijke oorlogsmonster, dat reeds zooveel goeden en dapperen verslonden heeft, verlangde ook dezen buit. Waren zij van de onzen geweest, ik zou niet klagen! Zij zijn voor de schoone zaak van het vaderland gevallen, zou ik mij troosten; de krijg was hunne roeping, zij moesten goed en bloed daarbij op het spel zetten, even goed als wij overigen zulks doen. De een valt het donkere lot des doods, den andere het lichte des levens ten deel—wij zijn op beide voorbereid, weten wat ons te wachten staat en mogen niet klagen. Maar onze vrienden! Niet hun hart voerde hen derwaarts. De oorlog, die boven elk ander hoofd een vernielend zwaard zwaait, zou boven het hunne een schild tegen vijandelijke pijlen houden. Ik was het, die hun de gevaarlijke schuilplaats heb aangeboden; doch deze alles verzwelgende draaikolk van ellende en verschrikking heeft nu ook hen naar den afgrond gesleept.—Wij moeten het dragen, Boleslaw; daartoe zijn wij mannen. Al breekt ons het hart, ons stervend oog mag geen versagend hart verraden!”„Wie weet,” hernam Boleslaw zwaarmoedig, „hoe spoedig wij weder met hen vereenigd zijn.”„Ik hoop niets meer!” antwoordde Rasinski, die zijne bedoeling niet vatte.„De dood scheidt vrienden hier niet langen tijd vaneen, wil ik zeggen,” sprak de jongeling en schudde langzaam het hoofd, terwijl hij uit de groote, zwarte oogen een blik, eerst op de jammergestalten om hem heen en vervolgens op den verren gezichteinder wierp, als wilde hij de bezwijkende krachten dezer lijdenden met de onmetelijke afstanden vergelijken, welke zij, eer men de vaderlandsche haardsteden bereikte, nog hadden af te leggen.„Bedoelt gij het zoo? Ja, dan hebt gij gelijk;—maar zijt gij zoodanig door uwe wonden verzwakt, dat zij u reeds aan den dood doen denken?”„Neen dat niet; ik voel mij beter. Misschien kan ik binnen eenige dagen wel weder te paard zitten. Nu reeds zou ik in staat zijn, een eindweegs te rijden of te wandelen.”„Nu, houdt u verder goed!” riep Rasinski, bevreesd dat zijn gevoel hem overmeesteren zoude, en wendde driftig den teugel. „Kinderen, ik zal verder het oog op u houden,”sprak hij, terwijl hij zich tot de overigen wendde, gaf zijn paard de sporen en keerde naar Jaromir terug.Boleslaw, die bij zijn ernstig, weinig mededeelzaam karakter alles dieper gevoelde, dan hij het uiterlijk placht te kennen te geven, was ook door het verlies van Bernard en Lodewijk ten diepste getroffen geworden. En het was bijna onmogelijk, iets anders dan hun dood te vermoeden; want daar zij moesten vernomen hebben, dat Rasinski eensklaps bevel had ontvangen, om met zijn regiment naar het korps vanNeyterug te trekken, hadden zij hem voorzeker òf zoeken in te halen, òf hem ten minste in Smolensko opgewacht. Velen waren nog in die stad aanwezig, die hen op het spoor hadden kunnen brengen, onder anderen de oversteRegnard, die met den onderkoning van Italië de vesting eerst verliet, toen Rasinski ze met de zijnen reeds weder was ingerukt. Doch tot niemand hadden zij zich gewend, niemand had het geringste spoor van hen kunnen ontdekken. Waren zij daarentegen voorwaarts getrokken, hadden zij eene gelegenheid gevonden, om langs veiliger wegen hun vaderland te bereiken, dan voorzeker zouden zij gezorgd hebben, datRegnarden door hem Rasinski daarvan naricht bekomen had. Met zekerheid echter wist niemand iets van hun lot op te geven, en zij werden dus onder het gestadig toenemende getal van dezulken gerangschikt, die dagelijks, zonder eenig spoor na te laten, uit de gelederen hunner kameraden verdwenen.Rasinski droeg dit verlies met die mannelijke kracht, waardoor hij steeds gewoon was, zich boven de gevoeligste slagen van het lot te verheffen; Jaromir benijdde in zijne innerlijke verbrijzeling hen, die van den last des levens bevrijd waren; Boleslaw gevoelde de diepste smart van broederlijke vriendschap, maar was aan het knagen van verborgen wonden reeds gewoon geworden; zijn kalm gelaat verried weinig.Zoo gaf hij zich dan ook thans aan stille mijmeringen over en liet zijne blikken over den trein zweven, die zich voor hem in den grauwen morgennevel verloor; de wagens der gekwetsten vormden de achterhoede. Een bijna onmerkbaar opstijgende bergrug doorsneed den weg, maar was op zijne helling met sneeuwijs bedekt, zoodat de vermoeide paarden, niettegenstaande de vloeken en zweepslagen der voerlieden, de onbeduidende hoogte niet konden beklimmen. Zoo moesten de wagens en kanonnen halt houden, en terwijl ruiters en voetvolk voorbijtrokken, bleven zij terug. Intusschen waren de meeste voertuigen toch gelukkig genoeg, dezen hinderpaal te boven te komen en, daar het ijs brak, kostte dit ook minder moeite aan de later nakomenden. Reeds waren de laatste wagens, waartoe Boleslaw mede behoorde, aan de beurt gekomen, toen een van deze, die met vrouwen en pakgoederen beladen was, trots alle inspanning van paarden en geleider in zijn voortgang gestuit werd. De wachtenden vloekten en tierden en drongen er op aan, dat men dit voertuig, dat alle andere ophield, zoude achterlaten. Men zoude het van ter zijde zijn voorbijgereden, doch reeds had men de minst steile punten van den weg uitgezocht, en uit dien hoofde zoude elke poging, om de hoogte op eene andere plaats te bestijgen, oneindig bezwaarlijker geweest zijn. Zoo martelden de twee ellendige paarden zich dan te vergeefs af, om de gladde helling te beklimmen; menschenhanden konden hier ook niet van dienst zijn, want op de wagens bevonden zich slechts krachtelooze zieken en gekwetsten en zelfs de voerlieden behoorden onder dit getal. Eindelijk, ter halver hoogte van den heuvel, zonken de gekwelde rossen uitgeput neder, en daar zij den wagen niet meer konden houden, rolde deze terug en sleepte de paarden mede naar beneden. Een luide angstkreet werd aangeheven,zoowel door hen, die zich op de wagen zelve bevonden, als door de personen, die volgden en door het omlaag rollend voertuig vreesden verpletterd te worden. Echter werden slechts de eersten in gevaar gebracht; want hun span gleed zijdelings af, geraakte met het eene wiel in eene diepe groeve, stiet met het andere op een ijsblok en sloeg krakend om.Reeds hadden eigen nood en zucht naar zelfbehoud het menschelijk gevoel zoo verstompt, dat de overigen meer vreugde over het uit den weg ruimen van dien hinderpaal voor hun verder voortkomen gevoelden, dan zij medelijden met het lot hunner kameraden en der hulpelooze vrouwen, die op den verbrijzelden wagen gezeten hadden, aan den dag legden. Deze echter hadden zich spoedig van den eersten schrik hersteld en ijlden, hun eigen voertuig onbruikbaar ziende, op de naaste wagens toe, ten einde daarop eene plaats te vinden. Doch zij werden met geweld teruggewezen, daar er werkelijk geen mogelijkheid bestond om hen op te nemen.Toen Boleslaw gewonde krijgers met verbittering afgewezen en kermende vrouwen met zweepslagen verdreven zag, ging hem die jammer met gloeiende priemen door het hart. „Vrienden,” riep hij, zich oprichtende, „laat uwe kameraden niet in den steek! Oude, kom hier, wij willen u opnemen,” dus wendde hij zich tot een grijzen, zwaar gekwetsten grenadier; „een van ons allen kan van tijd tot tijd te voet gaan.—Ik wil de eerste zijn, die het beproeft.” Met deze woorden reikte hij den ouden krijgsman de hand en hielp hem, terwijl hij zelf afklom, op den wagen.Dit voorstel werkte; men besloot op elken wagen één gekwetste op te nemen. Echter was het getal der hulpbehoevenden grooter dan dat der wagens, en eene jonge, zorgvuldig in een pelsmantel gewikkelde vrouw, met een ongeveer driejarig kind op den arm, werd overal teruggewezen, terwijl haar beide gezellinnen reeds plaats gevonden hadden.Zal de moeder om haar kindswil in deze wildernis versmachten? dacht Boleslaw en een koude rilling liep hem over de leden. Doch nog grooter afgrijzen beving hem, toen hij zag, hoe de rampzalige haar kind in de sneeuw slingerde en, van dien last bevrijd, alléén op den wagen vóór hem toesnelde. „Zoo neemt dan mij alleen op,” riep zij op een doordringenden toon van angst; „dan redt gij ten minste nog één leven!”Deze onnatuurlijke daad eener moeder vervulde echter zelfs de harten der ruwste mannen met schrik en afgrijzen. Boleslaw sprong op het weenende kind toe, dat reeds half in de sneeuw verzonken was, en hief het driftig omhoog. Doch welk een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel verscheurde hem de borst, toen hij in het kleine wezenAlisette'spleegdochter en in de in radelooze vertwijfeling om redding smeekende deze zelve herkende. „Almachtige God!” riep hij geheel verpletterd;„dat is Uwe straffende vergelding!”Door deze daad der ongelukkige was het gevoel des medelijdens in de borst der krijgslieden geheel uitgedoofd. In plaats daarvan verstrekte het hun tot een gruwzame voldoening, deze hemeltergende wandaad op staanden voet te kunnen wreken.„Breng ons het kind, het arme kind, dat zullen wij redden!” riep een jager van den wagen, dienAlisettevruchteloos trachtte te beklimmen, terwijl hij de rampzalige moeder met harde vuistslagen terug dreef. Boleslaw gaf aan deze uitnoodiging gehoor, bijna zonder te weten, wat hij deed. De jager strekte de armen naar hem uit, hij reikte het kleine wezen over, en de ruwe baardige soldaat nam het op zijnschoot en kuste en troetelde het vriendelijk.Alisettewas inmiddels in waanzinnigen angst op den volgenden wagen toegevlogen en zocht daar door kermen en handenwringen het medelijden op te wekken. Maar een diep afgrijzen had zich van alle harten meester gemaakt en een oude grenadier duwde haar ook hier met een donderende stem de woorden toe: „Weg, ravenaas! Loop te voet door de sneeuw!”„O, heb medelijden met mijne jeugd!” jammerde de verstootene en wierp zich op de knieën in de sneeuw neder.Thans trad Boleslaw op haar toe, legde de hand op haar schouder en sprak ernstig, maar vriendelijk: „Bedaar,Alisette, draag uw lot met geduld en onderwerping. Gij zijt niet verloren; ik zal u leiden en ondersteunen, zooveel ik kan.”De ongelukkige, die nog immer op de knieën lag, had hem gedurende deze woorden sprakeloos en met smeekende blikken aangestaard; eerst toen hij uitgesproken had, scheen zij hem te herkennen.„Hoe?” riep zij met verwrongen wezenstrekken. „O, gij kondt zoo deemoedig om een lied smeeken in mijne goede dagen! En nu wilt gij mij aan een nameloos lijden prijsgeven! Ik zou in deze wildernis omkomen!”Driftig sprong zij op, stortte wederom op den wagen toe, waar het kind zich sidderend aan de borst des jagers vastklemde, en eer men haar voornemen nog zelfs vermoeden kon, had zij het onschuldige wezen opnieuw aangegrepen, slingerde het andermaal op den grond en riep: „Laat het hier, het weet nog niet hoe schoon het leven, hoe vreeselijk de dood is; redt mij, mij moet gij redden, ik weet, hoe schoon de wereld is, ik heb betere dagen gekend!” Met krampachtige inspanning wilde zij zich nu aan den wagen vastklemmen en scheen zelfs de stooten en slagen niet te achten, waardoor de ruwe vuist des jagers haar trachtte terug te houden. „Weg, weg, giftige adder!” riep deze, in woede ontbrand; „weg slang! wie u opneemt, laadt zich Gods toorn op den hals. De wolven mogen u hier vaneenscheuren, gij, erger dan eene wolvin.”Tegelijk brak hij met alle inspanning van krachten en door zijne buurman ondersteund de vastgeklemde handen met geweld open en wierp haar van zich, zoodat zij bedwelmd op den harden grond nedertuimelde.Boleslaw had intusschen het weenende, thans ook door den ruwen val bloedende kind ten tweede male in de armen genomen en gaf het opnieuw aan den ouden soldaat over. Toen hijAlisetteals verpletterd, met loshangende haren, ruggelings op den grond zag uitgestrekt, kwam hem hare ellende toch nog grooter voor dan hare waanzinnige misdaad. Hij naderde haar en richtte haar op. Toen zij van hare bedwelming bijkwam en gewaar werd, dat het andermaal Boleslaw was, die haar met mannelijken ernst moed insprak, wierp zij zich buiten zich zelve van angst voor hem neder, omklemde zijn knieën en kermde: „Gijmoetmij redden! Gij kunt mij niet aan mijn lot overlaten! Ik laat u niet los, eer gij zweert, mij te redden!”Zij hield zijne voeten zoo vast omstrikt, dat hij, door zijne wonden verzwakt, niet bij machte was zich los te rukken. Vergeefs riep hij haar toe, dat zij bedaard blijven en opstaan zou: in hare verbijstering hoorde zij niets meer. Intusschen waren de wagens langzamerhand vooruit geraakt; twee hadden de hoogte reeds bestegen, die, waarop Boleslaw zijn plaats had, was alle zwarigheden ook reeds te boven; vier slechts waren nog achter en hielden eenige oogenblikken rust. Het werd hoog tijd, dat zij, die zich uit medelijden hadden aangeboden, om beurtelings een eindweegs tevoet te gaan, hun weg voortzetten. Deels om zich bij den officier aan te sluiten, wiens hoogere rang hun onwillekeurig vertrouwen inboezemde, deels ook om van het schrikwekkende tooneel getuigen te zijn, waren vijf of zes dezer krijgslieden Boleslaw genaderd. Daar deze thans door de wanhopige zoo vast omklemd werd, dat hij niet in staat was zich los te scheuren, grepen zij toe, trokken de ongelukkige met geweld van hem af en slingerden haar in de sneeuw terug. „Voorwaarts, heer officier,” riep een jong soldaat, „voorwaarts, anders halen wij de wagens niet meer in. Het vrouwspersoon heeft immers gezonde voeten, zij kan beter voortkomen dan wij; kom, kom!” Dit zeggende greep de jongeling hem bij den arm, terwijl een dragonder hem van achteren voortduwde en zoo sleepte men hem mede. Bij zijne verzwakte krachten had dit akelige tooneel hem zoo hevig geschokt, dat hij zich nauwelijks kon staande houden. Echter wendde hij zich nog eenmaal om en riep aan de radelooze, die in vertwijfeling op de aarde rondkroop, de woorden toe: „Verlies den moed niet, ongelukkige, en draag, wat het lot over u beschikt heeft.”Doch zij was doof voor deze bemoedigende woorden, die van hare, slechts voor zinnelijke aandoeningen vatbare ziel matigden, geduld en beradenheid vorderden. Wel is waar met innerlijk afgrijzen, maar toch in de waanzinnige verblinding, die de oogen met geweld voor de mogelijkheid van een dreigend onheil toesluit, had zij de jammeren van dezen oorlog van dag tot dag om zich heen zien aangroeien. Dat ze eindelijk ook haar zouden bereiken, deze akelige gedachte had zij altijd zoo verre van zich verwijderd gehouden, dat zij thans nu dat oogenblik daar was, alle kracht miste, om wederstand te bieden. Niets ware nog verloren geweest, wanneer zij in de wezenlijk harde noodzakelijkheid, om zich aan drukkende bezwaren te onderwerpen, niet reeds een onvermijdelijken ondergang gezien had. Zoo richtte zij zich zelve te gronde; de vreeselijke Nemesis eener onzedelijke gezindheid, die van het leven slechts genot verlangde en ook dat alleen met alle krachten en alle middelen had nagejaagd, trof thans haar hoofd met verpletterende zwaarte. Op dagen van lijden en tegenspoed was zij niet voorbereid; hier ontzonken haar de krachten, zij had slechts tranen en klaagtonen, die door het hart sneden. „Hulp, erbarmen, redding!” kermde zij en wrong de handen, doch zij miste de kracht, om tot het besluit te komen zelve iets tot die redding bij te dragen. Eerst toen de laatste wagen zich nu ook in beweging zette, de paarden onder wild geroep en klemmende zweepslagen de hoogte naderden en het denkbeeld, dat zij nu geheel verlaten was, haar met helschen angst vervulde, toen eerst richtte zij zich op en ijlde radeloos, met loshangende haren de van daar trekkenden na. In hare razernij wilde zij zich aan den laatsten wagen vastklemmen; maar de soldaten, die reeds vreesden, dat hunne paarden bezwijken zouden, dreven haar met sabels en bajonetten terug en brachten haar diepe, bloedige wonden toe. Door doodsangst gedreven, omvatte zij thans een der, door de koude en op de gladde ijsbaan vastgeraakte achterraderen en liet zich mede voortslepen; doch daar deze last de reeds uitgeputte dieren nog meer vermoeide, kreeg een kurassier zijn pistool te voorschijn en dreigde vuur te geven, wanneer zij niet losliet. Door den onverhoedschen schrik verlamd, zonken hare handen machteloos neder en kermende en krimpende bleef zij op de plaats liggen. Zoo zag haar Boleslaw, toen hij den laatsten blik terugwierp; hij was met zich in tweestrijd, of hij nog eenmaal zoude omkeeren, doch zijne kameraden trokken hem met geweld voort en zijn jonge geleider riep uit: „Laat haar, laat haar! De moeder die haar kind wilde ombrengen, mag men niet aanraken,anders laadt men den vloek des hemels op zich. Laat haar, het is de welverdiende straf, die haar treft.”Weldra vernam Boleslaw nog slechts eenige hartverscheurende jammerkreten; doch ook deze werden allengs flauwer en flauwer en stierven eindelijk geheel weg in het gebulder van den storm, die zich met onstuimige woede over de vlakte verhief en de glinsterende sneeuw in dichte dwarrelingen deed opstuiven.HOOFDSTUK II.Bij Korithnia werd het leger door den nacht overvallen; men betrok het bivak of zocht tusschen de bouwvallen van het ellendige dorpje eene plaats te vinden. Rasinski had, als gewoonlijk, door zijne onvermoeide zorg, door zijn aanzien en zijne behendigheid nog zooveel voor de zijnen gewonnen, dat zij in vergelijking met anderen een gelukkig lot troffen. Maar nauwelijks hadden zij de vermoeide leden om de legervuren uitgestrekt, of een donderend gekraak deed zich in de nabijheid hooren en eene hagelbui van kogels suisde boven hunne hoofden door de lucht.„Wij worden aangevallen,” riep Rasinski en sprong haastig op; „te wapen, spoedig te paard!”In hetzelfde oogenblik zat hij zelf in den zadel en begon zijne manschappen reeds te ordenen, toen de maarschalkNeyin vollen galop kwam aanrennen en hem toeriep:„Overste, verken met uw volk de linkerflank des legers en breng mij dadelijk bericht, wanneer gij op den vijand stoot.”De maarschalk rende verder de legerplaats op en ordende en regelde de verschrikte soldaten. Rasinski, aan de spits zijner kleine, doch moedige schaar, trok in de duisternis voort, ten einde den vijand op te zoeken, die zich zoo vreeselijk had aangekondigd. Het bevreemdde hem wel eenigszins, dat diens artillerie slechts één salvo had gegeven en nu zoo plotseling zweeg, doch de gevechten op dezen terugtocht, die meestal bij nacht, in bosschen en op ongebaande sneeuwvelden geleverd werden, waren zoo rijk aan zeldzame voorvallen en ontmoetingen, dat men bijna elken dag iets zag gebeuren, dat tot hiertoe in de geschiedenis der krijgvoering ongehoord was.Eene dicht aan de legerplaats grenzende hoogte bereikende, meende Rasinski op den witten sneeuwgrond eenige zwarte massa's gewaar te worden. „Is dat struikgewas of zijn het troepen?” vroeg hij Jaromir.„Nog laat zich niets onderscheiden,” antwoordde deze.„Er op los dan, in Gods naam,” beval Rasinski en reed vooruit. Spoedig echter helde de grond naar eene diepte af, langs welker steilen rand men niet kon afdalen; men moest dus den loop van dezen volgen. Daar stoven plotseling vijftien tot twintig kozakken als opgejaagde vogels uit eene kromming der kloof te voorschijn en beklauterden met hunne kleine vlugge paarden de minder steile hoogte aan de overzijde. Meer om hen te verschrikken, dan wijl men hun schade kon toebrengen, liet Rasinski vuur geven; vliegend renden zij over de vlakte voort en verdwenen in het duister. Eenige minuten later geraakten ook de zwarte massa's op het sneeuwveld in beweging en men vermoedde hieruit, dat het eene grootere afdeeling der kozakkenwas, die op het bericht, dat de kleine verstrooide bende van de aannadering des vijands overbracht, terugtrok.Met behoedzaamheid deed Rasinski de zijnen thans op eene minder steile plaats afdalen. Hier ontdekte men spoedig de oorzaak van het gedruisch, dat men voor een aanval der artillerie had gehouden. Men vond namelijk een aantal kanonnen en veldstukken, die vernageld en bij gebrek van middelen tot vervoer hier achtergelaten waren. Een weinig verder werd men de overblijfsels van verbrijzelde proviandwagens en kruitkarren gewaar. Waarschijnlijk hadden de zoo even gevluchte kozakken verscheidene dezer voertuigen in de lucht doen springen en waren ze in hun voornemen, om ook de overige te vernielen, slechts door Rasinski's komst gestoord geworden.Deze laatste was verheugd, de ware oorzaak van het alarm te hebben opgespoord, en wilde derhalve in allerijl met zijne manschappen terugkeeren, ten einde den maarschalk hiervan bericht te brengen. Toen hij echter door den hollen weg voortreed, zag hij boven op de hoogte, ongeveer dertig schreden voor zich uit, een man in vollen loop voortijlen. Vermoedende, dat het een Rus zijn zou, riep hij hem in de volkstaal aan en beval hem, te staan. De vluchteling scheen eene poos besluiteloos, doch vervolgde weldra zijn loop met verdubbelde snelheid. Daar echter de hoogte hier niet steil was, hadden Rasinski en Jaromir die spoedig beklauterd, en twee ruiters volgden hen, ten einde den Rus, die wellicht van de nabijheid des vijands belangrijke narichten kon geven, het ontkomen onmogelijk te maken. Deze liep wat hij kon, doch na weinige schreden zonk hij uitgeput in de diepe sneeuw neder en werd door zijne vervolgers gegrepen. Tot Rasinski's niet geringe verwondering riep de gevangene, terwijl hij zich overgaf, in het fransch uit: „Is er iemand onder u, die fransch spreekt?”„Bij den hemel, die stem heb ik meer gehoord,” antwoordde Rasinski in dezelfde taal; „wie zijt gij?”„Rasinski, gij zelf? Is het mogelijk?” riep de gevangene en strekte jubelend de armen naar hem uit. „Ik benRegnard, herkent gij mij niet?”„Regnard! In 's hemels naam, hoe komt gij hier?” vroeg Rasinski met verbazing.„De historie is kort en bondig, maar stichtelijk is zij niet,” hervatteRegnard; „gij zult ze uitvoeriger vernemen, dan u lief is; doch ik raad u, hier niet te vertoeven, maar eene veiliger plaats op te zoeken. In vertrouwen gezegd, er zijn meer Russen hier in de nabijheid, dan boomen in deze dennenbosschen. Maar hoe komt gij hier?”„Met MaarschalkNeyuit Smolensko; ons nachtkwartier is nauwelijks vijfhonderd schreden van hier.”„Laten wij het dan zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken. Onder het gaan zal ik u alles vertellen.”Jaromir bood den overste zijn paard aan, doch deze wees het van de hand en stapte tusschen hem en Rasinski driftig voort.„Gij weet,” dus begon hij,„dat ik met den onderkoning van Italië Smolensko uittrok. Gisteren werden wij drie uren van hier door de Russen aangegrepen en ik geraakte gevangen. De kozakken zweepten mij met den knoet voor zich uit, tot ik een russischen generaal aantrof, dien ik in het Fransch toeriep, dat hij mij van deze schandelijke mishandeling bevrijden zoude. De hond lachte mij in mijn gezicht uit en was van oordeel, dat de knoet der kozakken naar stand of rang van een soldaat niet behoefde te vragen; ik moest mij maar geduldig in mijn lot schikken.”Rasinski knarste van woede op de tanden. „Die beulshonden!” riep hij grimmiguit; „doch ja, zij, die zelven met zweepslagen en voetschoppen moeten geregeerd worden, kunnen ook de eer van een dapper vijand niet ontzien. Verder, verder!”„Men zou mij wel gaarne uit den weg geruimd hebben, naar Tobolsk of Irkutsk, maar gelukkig of ongelukkig had men te weinig gevangenen gemaakt, om een transport aan te vullen, en ik werd dus door de kozakken meê rondgesleept. Voor tien minuten heeft een dozijn dier kerels hier eene, door ons in den steek gelaten batterij in de lucht doen springen; zij moeten echter door u of anderen zijn gestoord geworden, althans de helden kwamen, wat hunne kleine katten door de sneeuw loopen konden, bij de pulk, dat daar in het bosch gelegerd is, terug, en meldden, dat de vijand in vollen aantocht was. De kozak is echter slechts dapper tegen een vluchtenden, vermoeiden, weerloozen vijand. Laat men hem de tanden zien, dan zet hij het op een loopen. Dat deden ook de schurken daarboven, en zoo maakte ik van het oogenblik van verwarring gebruik, om een heenkomen te zoeken. Daar viel ik in uwe handen! Nu, uw gevangene blijf ik, Rasinski; gij behoeft niet te vreezen, dat ik u ontsnappen zal.”„Maar gij spreekt daar van een gevecht, dat de onderkoning heeft moeten leveren. Hoe is het daarmede toegegaan?” vroeg Rasinski bekommerd.„Ik reed,” vervolgdeRegnardmeer ernstig, „aan de zijde van den prins; wij gaven ons aan onze sombere gedachten over, die door de akelige wildernis om ons heen gedurig nieuw voedsel bekwamen. Ongeveer twee uren van Krasnoe kwam er eensklaps eene ongewone beweging onder de verstrooide, maar talrijke soldaten, die buiten rij en gelid, aan hunne eigene willekeur overgelaten, om ons heen marcheerden. Zij pakten zich opeen, vormden een klomp. Thans werden wij opmerkzaam. Daar zijn de hoogten voor ons plotseling met zwarte massa's gekroond en met schrik zien wij overmachtige strijdkrachten tusschen ons en het vaderland oprijzen, die ons den uitweg uit de sneeuwwoestijnen van Rusland met ijzeren deuren dreigen te versperren. Doch wat elk soldatenhart nog heviger ontroeren moest, deze onbeklimbare muur stapelt zich tusschen ons en onzen grooten keizer, voor den vice-koning tusschen vader en zoon op. Thans eerst ontwaren wij, dat de sneller tred onzer paarden ons korps wel omstreeks een uur achter ons heeft doen blijven, dat de weg slechts van uitgeteerde, krachtelooze, ongewapende vluchtelingen wemelt. Op hetzelfde oogenblik komt een russisch officier aanrennen en eischt, dat wij ons overgeven. Twintig duizend Russen sluiten u den weg, roept hij, vijftig kanonnen staan gereed u te verpletteren; de keizer met zijne garde is volkomen geslagen en wellicht op dit oogenblik reeds in onze handen.—Ik bespeur, dat gramschap en woede den onderkoning in zijne spraak belemmeren en hem beletten, dadelijk te antwoorden. Driftig neem ik voor hem het woord op: „Weg met u! Hebt gij twintig duizend man, wij hebben er tachtig duizend. Een fransch veldheer geeft zich niet vóór den slag over.” De Rus rijdt terug. Binnen twee minuten zijn de heuvels voor en ter zijde met batterijen beplant. Het bliksemt en eene dichte rookwolk stijgt boven de witte sneeuw op, alsof de muilen van den ijzigen Hekla om ons gaapten; een hagel van kartetsen en granaten klettert op ons neder. De ongewapende vluchtelingen pakten zich opeen, als eene schuwe kudde, die door den wolf bedreigd wordt. De onderkoning is buiten zich zelf over de verwijdering van zijn korps; hij beseft, dat hij zich aan de spits moet stellen, en toch kan hij niet besluiten, de hulpelooze schaar aan haar lot over te laten.„De chef van zijn staf, generaalGuilleminot, drong er echter op aan dat hij zou terugkeeren, terwijl wij de onthutste manschappen bijeenverzamelden en tot tegenstandaanmoedigden. Onder de verstrooiden waren eene menigte officieren, oversten, ja zelfs generaals, die allen te voet gingen. Dezen nemen het commando over de in een oogenblik tijds gevormde compagnieën op zich. De generaal wordt kapitein, de overste luitenant, deze laatste treedt als soldaat in het gelid. Ieder behelpt zich met het wapen, dat hij bewaard heeft; slechts weinigen hebben geweren, de meesten alleen de sabel, die zij op het bivak tot houtkloven gebruikten, velen enkel den knuppel, waarop zij nog voor eenige minuten hun afgemarteld lichaam moesten voortsleepen. Maar de moed en het ontvlamde gevoel van eer vergoedden alles. Zoo rukten wij, terwijl de onderkoning terugsnelt, onverschrokken tegen den vijand op.„Een uur lang staan wij het vuur zijner kartetsen kloekmoedig door; te vergeefs wachten wij op den onderkoning, die zich tot ons doorslaan en tot Krasnoe baan breken zoude. Hij moest eveneens door een machtigen vijand zijn aangegrepen, want wij hoorden achter en in de verte vóór ons het gedonder der kanonnen. Van Smolensko tot Krasnoe scheen de weg één slagveld te zijn. Eindelijk, daar wij voor ons uit geen redding meer zien, besluiten wij, om te keeren en tot den onderkoning door te breken, van wien dichte colonnes ons reeds begonnen af te snijden. Wij rotten in massa samen en dringen terug, weder dieper de wildernis van oud-Rusland in. De tot dicht aan den grooten weg opgerukte vijand schijnt aanvankelijk onze bedoeling niet te begrijpen; hij deinst en laat ons een eindweegs voortrukken; daar wij zijne linie voorbijsnellen, eischt hij, dat wij ons aan hem overgeven. Wij hooren niet; zij, die ons naderen, ontvangen slechts geweerschoten en sabelhouwen ten antwoord. Nu breekt zijne woede in dolle onstuimigheid los. Op hetzelfde oogenblik geven tienduizend geweren en dertig mortieren vuur op ons, en de helft onzer dapperen ligt verpletterd op de bloedige sneeuw neergestrekt. De overigen echter rukken onophoudelijk, gesloten voorwaarts; geen blik wenkt den gevallenen kameraden vaarwel toe. De vuurmonden des vijands spelen rusteloos achter ons voort; zijne kogels maaien gansche gelederen weg. Echter is een kleine schaar eindelijk gelukkig genoeg de vrienden te bereiken, die hen met open armen ontvangen. Ook ik meende het gevaar reeds ontworsteld te zijn, toen de duivel ons een pak kozakken op het lijf zendt, die thans eerst wagen nader te komen, om de verstrooide achterblijvers gevangen te nemen. Zoo geraakte ook ik in hunne klauwen—het overige weet gij.”„Wij verheugen ons, het van u zelf gehoord te hebben,” sprak Rasinski en reikte hem de hand. „Maar de onderkoning? Weet gij iets van zijn lot?”„Zeker, zeker, Rasinski; ware hij verongelukt, ik zou niet van mij zelf het eerst gesproken hebben. Hij vocht den ganschen dag als een leeuw—nu, gij zult er wellicht de sporen van zien. Eindelijk nam hem de duisternis in hare bescherming. Hetzij dat de Russen hem heden ontzien wilden, want, bij God! wij verkochten ons leven duur genoeg, hetzij dat zij hunne overwinning volkomen zeker achtten, althans zij deden geen beslissenden aanval, om de zaak ten einde te brengen, maar zorgden slechts, alle stellingen en uitgangen bezet te houden. Maar tegen den morgen was het nest toch ledig en de zon ging juist tijdig genoeg op, om den Russen te toonen, hoe de dappere schaar, reeds buiten de mogelijkheid van achterhaald te worden, op Krasnoe aantrok. Ik zelf zag hunne bajonetten in de morgenzon flikkeren en—spot er mede, zooveel gij wilt—maar waarachtig, ik deed een dankgebed, zooals ik er sinds mijne kinderjaren geen gedaan heb.”„Doch hoe was die marsch mogelijk?” vroegen Rasinski en Jaromir als uit één mond.„Ditmaal zijn wij aan u, brave Polen, onze redding verschuldigd,” antwoorddeRegnardmet aandoening; „en als Frankrijk een goed geheugen heeft, dan zal het zich zoolang er Franschen en Polen bestaan, met dankbaarheid herinneren, dat het aan u het behoud van een gansch armeekorps te danken heeft en bovendien het leven van den dappersten en menschelijksten veldheer, die immer fransche soldaten heeft aangevoerd.”Rasinski was tot het uiterste gespannen.„Zoo luistert! En het is de waarheid, want een stervende landsman, die helaas slechts den halven weg ter redding kon afleggen, heeft het mij verhaald. Het was nacht geworden. De onderkoning achtte zich verloren. Echter wilde hij nog eene wanhopige poging wagen, om aan den vijand te ontsnappen. Daar deze, door des prinsen bewegingen daartoe genoopt, zijn grootste macht op de linkerzijde van den weg had bijeengetrokken, besloot de veldheer hem op zijn linkervleugel, rechts van den weg namelijk, voorbij te sluipen. Met de grootste behoedzaamheid breekt hij midden in den nacht op, doch laat zijne vuren branden. Met ingehouden adem en bedachtzamen tred trekt hij midden over de sneeuwvelden langs de lange russische linie voort. Daar komt de maan, alsof alle krachten der natuur ons in dit land vijandig gezind waren, geheel onverhoeds van achter dichte, zwarte wolken te voorschijn en werpt een helder licht op de breede vlakte. De onzen zien de Russen zoo duidelijk voor zich, dat ook deze hen zoo klaar als op helder lichten dag bemerken moeten. Den dappersten zelfs ontzinkt hier den moed. Een russische schildwacht bespeurt onraad en roept aan. En thans was Frankrijks edelste veldheer, thans waren de dapperste soldaten onherroepelijk verloren geweest, wanneer niet een Pool hen gered had. Overste Kliski....”„Ha, wakkere landsman!” viel Rasinski, die den samenhang reeds vermoedde, den verhaler met fonkelende oogen in de rede.„Overste Kliski springt, zonder zich een oogenblik te bezinnen, uit de gelederen te voorschijn en roept den rus met eene gesmoorde stem toe: „Waanzinnige! Zult gij zwijgen! Ziet gij dan niet, dat wij van Ouwarows korps zijn en den vijand in den rug willen vallen?”„De soldaat, in zijne volkstaal aangesproken, staat aan den grond genageld. Verscheidenen zijner kameraden, ook eenige officieren, die deze woorden mede hadden aangehoord, treden nader en wenschen een goeden avond. Kliski houdt stil, spreekt hen vriendschappelijk toe, verzoekt hun de kozakken tegen te houden, wijl hij vreest, dat deze voorbarigheid nadeelig zou kunnen worden, en wacht zoo, midden onder zijne vijanden, tot hij ziet, dat de onzen op den goeden weg zijn. Thans rent hij zijne makkers na, en binnen het uur zijn allen in veiligheid.”In Rasinski's oogen parelden mannelijke vreugdetranen, toen hem de daad van zijn landsman verhaald werd. „Brave Kliski,” herhaalde hij nogmaals, „Polen moge altijd trotsch op u zijn. Uw naam zal onder ons in gezegend aandenken blijven!”„Ja, Frankrijk is u oneindig veel verschuldigd, u Polen,” vervolgdeRegnard; „en het ware diep verachtelijk, indien het zulks niet eeuwig erkennen en u vergelden wilde, wanneer zich de gelegenheid daartoe aanbiedt.”„Van wien hebt gij uw bericht?” vroeg Rasinski.„Van kapiteinLebrunvan het veertigste regiment; een brave jongen, wien ik een beter lot had toegewenscht.”„Ik ken hem,” sprak Jaromir niet zonder aandoening, „in Moskou hadden wij hetzelfdekwartier en deden den eersten avond nog te zamen eene wandeling.—En hij is gevallen?”„Des morgens reeds had hij eene wonde bekomen,” hernamRegnardmet merkbare ontroering; „maar hij spande nog alle krachten in, om het op den reddingsmarsch uit te houden. Het leger was reeds in zekerheid, toen zijne krachten hem begaven; hij bleef achter en werd door de rondzwervende kozakken gevangen genomen. Het toeval deed ons elkander ontmoeten; hij verhaalde mij, wat er gebeurd was. De beestachtige behandeling, die hij ondergaan moest—want te eten gegeven heeft men ons ook niet—het bloedverlies—kortom, het werd hem te zwaar. Nu ligt hij gerust op de koude sneeuw, en duizenden met hem. Eén meer of minder—wien raakt dat! Maar—het was toch een brave jongen!”HoezeerRegnardook moeite deed, den drogen, korten toon zijner gewone wijze van spreken te behouden, zoo konden toch zij, die hem meer van nabij kenden, uit het beven zijner stem de ontroering opmaken, door welke hij tot diep in zijn binnenste geschokt werd. De laatste dagen trouwens waren dan ook bij uitnemendheid geschikt, om den ruwsten man het hart week te maken, den ongevoeligsten soldaat het vocht in de oogen te drijven.Inmiddels had men het bivak weder bereikt; Jaromir was in somber gepeins verdiept, want de herinnering aanLebrunriep hem alle voorvallen van den dag, die zoo noodlottig voor hem werd, met vernieuwde levendigheid voor den geest terug. Zelfs de afgrijselijke tooneelen van jammer en ellende, door welke hij zich dagelijks omringd zag, hadden slechts bleeke verven tegen die beelden der gloeiende herinnering. Zoo is elk lijden en elk geluk van den mensch in het diepste zijner ziel gegrond, en geen uiterlijk voorval prent zich zoo diep in zijne borst, als de smart en vreugde, waarvan hij zelf de oorzaak is.—VanAlisette's lot was hem intusschen nog niets bekend, daar Boleslaw, die vermoeden kon, hoe hevig het bericht daarvan hem schokken moest, het gebeurde zorgvuldig had verzwegen.Rasinski enRegnardbegaven zich naar den maarschalkNey, die met de uiterste belangstelling de berichten aanhoorde, welke de laatste hem aangaande de gebeurtenissen van den vorigen dag kon mededeelen. Hij deed nauwkeurig onderzoek naar de sterkte en het vermoedelijk opzet van den vijand; de antwoorden konden niet geruststellend uitvallen.„Ik zie een heeten dag tegemoet, maar hij zal een dag der eere zijn,” sprak hij op een bedaarden, vasten toon; „doch laat ons den soldaat heden nog rust gunnen; morgen zal hij tijdig genoeg gewaar worden, dat wij niet slechts alle verschrikkingen der natuur, maar ook een overmachtigen vijand te bestrijden hebben. Ik hoop, dat wij over beide zullen zegepralen. Twee uren na middernacht breken wij op.”De beide oversten verwijderden zich; aan het wachtvuur vonden zij Boleslaw en Jaromir, de eenige officieren, die van het regiment nog in leven waren.Regnardvroeg naar Lodewijk en Bernard. Een sombere blik van Rasinski liet hem niet aan hun lot twijfelen. „Dus ook dood!” zuchtte hij en schudde het hoofd. „Deze met ijs ompantserde grond is bloeddorstiger dan een vampyr!”Den overste berichtende, wat van het lot der beide verlorenen was bekend geworden, trachtte Jaromir hun behoud nog als niet geheel onmogelijk te doen voorkomen; doch Rasinski, vroeger nog altijd vol moed en vertrouwen, waar anderen ze reeds lang verloren hadden, schudde ongeloovig het hoofd. „Hier hoop ik niets meer,”sprak hij; „daarom vrees ik ook dáár,”—hij wees met de hand de richting aan, welke het leger nemen moest,—„wat mij zelf betreft, het ergste niet. Zoo komt alles weder te recht.”„Mij ligt nog eene andere zorg op het hart,” dus namRegnardna eenig zwijgen het woord op. „Mijn jonge vriend dáár zal mij vergeven, zoo ik hierdoor wellicht oude, verdrietelijke herinneringen bij hem opwek; maar de ijzeren tijd dien wij thans beleven, heeft immers de lichte sporen van vorige, achteloos doorleefde dagen genoegzaam uitgewischt, om alles, wat vandaar komt, in de zee der vergetelheid te doen verzinken. Weet niemand uwer, wat vanAlisettegeworden is?”Jaromir staarde somber voor zich uit en wikkelde zich dieper in zijn mantel. Boleslaw scheen in tweestrijd, wat te antwoorden.„Ik had mij,” vervolgdeRegnard, die in dit opzicht met de, den meeste mannen eigene lichtzinnigheid over het onzedelijke zijner betrekking tot het meisje dacht en dus niet schroomde, rondborstig voor alles uit te komen, „ik had mij sinds dat voorval te Moskou van haar gescheiden. Dat zij lichtzinnig was, wist ik vroeger reeds, doch op zulk eene wijze kon ik niet vermoeden. Het ontbinden van onze betrekking zal waarschijnlijk ook haar zelve niet onaangenaam geweest zijn. Thans echter stel ik toch belang in haar lot en nog meer in dat van ons kind. Immers, waarom zou ik ontkennen, dat ik de vader ben? Ik zal het nimmer loochenen. Nu reeds zou ikAlisettevan de zorg voor dat kind ontheven hebben—want het arme wicht moet eene andere opvoeding ontvangen, dan de moeder het geven kan—wanneer het niet, zoolang de veldtocht duurt, bij haar het veiligst geweest was. Een vrouwelijke verzorgster had het toch noodig, en zoo was de moeder immers de naaste. Ik voorzag haar dus in Moskou van wagen en paarden en gaf haar overvloedig reisgeld. Thans echter wordt dit alles geheel ontoereikend; sedert de eerste dagen van onzen afmarsch heb ik niet het geringste van haar vernomen; hoe licht kan haar eenig ongeluk zijn overkomen. In mijne gevangenschap daar ginder had ik zoo mijne eigene gedachten, die men, helaas! vóór het mes op de keel staat, vooraf hier in dit krijgsgewoel, maar al te licht van zich afzet. Thans zal het mijne eerste zorg zijn, naar haar en het kind onderzoek te doen; want ik ben daarvoor verantwoordelijk, daar het op mijn aanhouden was, dat zij mij naar Rusland volgde; gij, mijne vrienden, zult mij voorzeker daarin behulpzaam zijn.”Boleslaw zweeg in pijnlijke verlegenheid, want hij gevoelde diep, hoe hevig het vernemen der waarheid Jaromir ontroeren moest; doch het kind leefde, was zelfs in de nabijheid, en dit mocht voor den vader, die de zorg voor het schepseltje op zich wilde nemen, geen oogenblik verzwegen worden. Het was hem derhalve hoogst welkom, dat Jaromir, dien het gehoorde en de daardoor opgewekte herinneringen de tranen in de oogen joegen, opstond en met haastige schreden de plaats verliet.„Hm! dat doet mij leed,” sprakRegnard, die de oorzaak giste; „ik kan evenwel niet begrijpen, hoe een man zoo weekhartig kan zijn.”„Laten wij ons verheugen, overste,” hiermeê nam Boleslaw het woord op, „dat wij alleen zijn. Ik kan u helaas! met het lot der ongelukkige bekend maken.”Hij verhaalde hierop het voorval, waarvan hij dezen morgen getuige geweest was, en dat hem thans eerst, nu hij vernomen had, datAlisettewerkelijk de moeder van het schuldelooze wezen was, met het diepste afgrijzen van deze aan waanzin grenzende ontaarding vervulde. Slechts de bedwelming, waarin de vreeselijkste ellende een gemoedmoest doen wegzinken, dat nooit gewoon was, zich tot iets hoogers dan het aardsche te verheffen, gaf hem eenige verklaring en verontschuldiging van deze wandaad.„Het monster!” riepRegnardmet gloeiende verontwaardiging. „Maar waar is het kind; is het gered? Zeg mij alles!”„Wij zullen het weinige schreden van hier in een gerusten slaap vinden,” antwoordde Boleslaw; „ik wil u derwaarts brengen.”Hij geleidde hem naar het bivak, waar de gewonde jager, die de zorg voor het kind met de zieke weduwe eens tamboers deelde, gelegerd was. De oude soldaat stond eerbiedig op, toen hij de overste zag naderen.„Kameraad,” stamelde deze in de hevigste gemoedsbeweging,„meer dan mijn leven ben ik u schuldig, want gij hebt mijn kind gered.”„Zooveel had de moeder er niet voor gegeven!” antwoordde de jager. „Maar nu is het kostelijk verzorgd, heer overste! Zie hier slechts, het ligt daar en slaapt als eene kleine prinses.”Zorgvuldig in hooi en mos gepakt, lag het in eene soort van mand, die met een lichten doek overdekt was; de weduwe van den bij Wiasma gesneuvelden tamboer zat er naast. Met diepe ontroering staardeRegnardde kleine aan en kuste haar behoedzaam op het heldere voorhoofd. Hierop wendde hij zich tot de vrouw en den jager. „Vrienden, voert God ons naar Frankrijk terug, dan kunt gij op mijne warmste dankbaarheid staat maken; ik zal vergelden, wat in mijn vermogen is. Thans ben ik arm en bloot als gij, want de Russen hebben mij uitgeplunderd. Maar houdt u aan mij; gezamenlijk zullen wij de zorg voor den kleinen engel op ons nemen. Voor het oogenblik kan ik u echter niets anders aanbieden, dan dezen dankbaren handslag.”„Waarachtig, dat is ook het beste, heer overste,” riep de jager en sloeg duchtig toe. „Zulk eene hand, waarop men zich verlaten kan, is thans meer waard dan bergen gouds. Niet waar, gij trekt mij toch uit de sneeuw, als ik ergens blijf steken? In de laatste dagen heb ik menigeen gekend, die nog leven zou, zoo zijn kameraad niet te moe en te vertwijfeld geweest ware, om drie minuten bij hem achter te blijven en hem uit een sneeuwkuil te trekken, waarin men zich als kind honderdmaal op een dag zou hebben laten neertuimelen, om er even spoedig weer uit te springen. Op zulk eene hand, heer overste, daar rekenen wij op.—Maar goud? dat is hier niet bijster in trek. Toen wij voor vier dagen Smolensko binnentrokken, zat een kanonnier voor de poort met een klomp klinkklaar zilver, zoo groot als een kinderhoofd, en denkt gij, dat iemand er hem een brood en een flesch brandewijn voor geven wilde? Hij was blij genoeg, toen een Italiaan er hem een brokje brood zoo groot als mijne hand, en een kleinen slok uit zijne veldflesch voor aanbood, dingen met elkaar nog geensouwaard. Ja, zoo veranderen de tijden, mijn kolonel; maar een fransch soldatenhart verandert nooit. Zoo denk ik er over, heer overste! Top ik sla toe! Hand tegen hand! Met mijne wonden, hoop ik, zal het dra beter gaan, en dan kunnen wij elkander wellicht nog uit den nood helpen.”De oude zou misschien nog een uur hebben voortgesnapt, wareRegnardhem niet in de rede gevallen met de vraag, hoe hij heette en bij welk regiment hij stond; iets dat zich onmogelijk liet gissen, daar de uniformteekens bijna geheel onkenbaar waren geworden en menig vreemd kleedingstuk de soldatendracht avontuurlijk genoeg veranderd had.„En gij blijft met de goede vrouw daar op één wagen?” vroegRegnardverder.„Ja zeker; zoo lang onze paarden loopen willen. Is echter het voeder nergens beter dan hier, zoo zal dat niet lang meer wezen.”„En gij heet?”„Jacques Desiré Pallier, heer overste! en zij is de weduweRené.”„Goed,Pallier! Goed,madame René! Wij vinden elkander weder.—Voor heden goeden nacht, en zorgt toch, dat onze kleine warm blijft.”Zij keerden naar het bivak terug, waar hunne vermoeidheid hen spoedig den slaap deed vinden.HOOFDSTUK III.Een bleek maanlicht viel door grijze wolken, de wind streek met dof gesuis over de woudtoppen en sneeuwsteppen heen, toen de krijgslieden opnieuw opbraken. Geen trom of horen verried den afmarsch. In diepe stilte, zoo luidde het bevel, maakte men zich tot den moeielijken tocht gereed.Regnardhad van den maarschalk een paard ontvangen en bleef als adjudant in zijne nabijheid. Daar men een aanval te gemoet zag, marcheerde Rasinski met de zijnen aan de spits en nam de grootste behoedzaamheid in acht.De maarschalk was in den beginne overal tegenwoordig, waar het oogenblik zijn bijzijn vereischte; nadat de trein door zijn ontzag zooveel mogelijk geordend was, geloofde hij zich naar die plaats te moeten begeven, waar men den aanval des vijands het eerst verwachten moest.Intusschen legde men verscheiden uren door de diepe sneeuw af, zonder op eenige wijze verontrust te worden. De koude was in de laatste dagen eenigszins minder geworden, zoodat men door haar niet meer zooveel te lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweder verwachten kon.—De hemel, hier en daar met dunne wolken bezet, voorspelde voor het oogenblik geen nieuwe sneeuwvlagen.—Thans begon de zon in den rug van het leger de lucht te kleuren en eene matte schemering breidde zich over het doode landschap uit. Men was er reeds aan gewoon geworden, in elke diepte, in elke maar eenigszins steile kloof weggeworpen wapens, ransels, helmen, geweren, dikwijls ook kanonnen en proviandwagens te vinden, en niet zelden lagen enkele, door verzwakking of honger ontzielde soldaten daarnaast uitgestrekt. Hier echter hoopten zich deze teekenen eener vreeselijke vernieling en verstrooiing der geregelde legermassa's op eene ontzettende wijze opeen. Hoe akelig de nacht met zijn alles omhullenden sluier ook mocht geweest zijn, de dag, die aanbrak, dreigde nog schrikverwekkender te zullen worden.Eensklaps werd de oostelijke hemel geheel ontwolkt en de juist boven den gezichteinder oprijzende zon stond donkerrood achter het leger en wierp hare stralen als een langen bloedigen stroom over de besneeuwde vlakte. De schaduwen van menschen en paarden rekten zich als zwarte reuzenbeelden tot eene onmetelijke lengte uit en kruisten elkander in duizendvoudige verwarring. Zonderling verrast wierp elk een blik terug. Sedert langer dan een week had men het gelaat der zon niet gezien, heden vertoonde het zich weder voor het eerst; maar het liefelijk beeld, dat anders veerkracht en vreugde zelfs in de borst der versaagdsten uitstort, verwekte thans slechts schrik en huivering.Als een gloeiend oog toch stond het daar, onder de wenkbrauw van dreigend saamgepakte wolken, en het scheen zijn zwarten sluier slechts te hebben weggeschoven, om met een vreeselijker blik op het tooneel van dood en verderf, hetwelk de aarde aanbood, neder te zien.„Zoo ging de zon bijMosaiskop,” fluisterde Jaromir Rasinski in het oor; „de keizer noemde haar die vanAusterlitz.”Rasinski wilde deze toespeling opzettelijk niet opmerken. „Ik geloof, dat wij een helderen dag zullen hebben,” hervatte hij daarom; „zoo de wind niet omslaat...”Een doffe kreet van angst en verbazing, die zich voor en om hem verhief, deed hem in het midden zijner rede afbreken. Verwonderd sloeg hij het oog op en overzag nu met een enkelen blik de oorzaak der ontzetting, die de soldaten had aangegrepen. Men had juist een kleinen heuvel bestegen en zag thans de gansche vlakte voor zich uitgebreid. Daar lagen, zoover het oog reikte, de lijken van menschen en paarden, de overblijfsels van verbrijzelde veldstukken, wagens en wapenen in een zwarten mengelklomp op het witte sneeuwveld uitgestrekt.Het was het slagveld, waar de onderkoning twee dagen vroeger van alle zijden was aangegrepen en zich zoo moedig verdedigd had.Eene diepe stilte heerschte in de gelederen der soldaten; het vreeselijk gezicht had zich geheel onverhoeds als een reusachtig spooksel aan hunne blikken vertoond en drong, alle warme levenskracht versteenend, tot diep in hun boezem door. Zelfs geen ademtocht liet zich hooren; het was alsof niemand het wagen durfde, het plechtige zwijgen van dit lijkenveld, waar de dood zelf in de armen des winters verstijfd was, door een menschelijk geluid af te breken. Ook de maarschalk toonde eene hevige ontroering; doch slechts een oogenblik. In het volgende liet hij reeds de arendsblikken des veldheers over het landschap rondzweven en zocht den vijand in de stelling, waar hij hem met het meeste voordeel kon afwachten.„Soldaten,” dus sprak hij de scharen aan, die dichter en dichter de hoogte opdrongen, „soldaten, hier hebben onze kameraden een dag des roems gevierd en zich midden door den vijand den weg gebaand. Hun voorbeeld strekke u ter navolging! Wellicht doet het geluk ons heden denzelfden roem verwerven.”Ook Rasinski bleef in zijne gelaatstrekken de mannelijke vastheid behouden, die hem, uiterlijk ten minste, nimmer verliet. „Vrienden,” sprak hij tot de zijnen, „die hier neerliggen stierven een roemrijken dood. Deze sneeuw is met edel bloed gekleurd. Het moet uwe woede ontvlammen, u tot wraak aansporen. Denkt daaraan, wanneer ik u den vijand toonen kan.” Terwijl hij sprak flikkerde de heldenmoed uit zijne donkere oogen. Fier verhief hij het hoofd en onwillekeurig sloeg hij de hand aan het gevest van zijne sabel. Als een bliksemstraal schoot het vuur uit zijne oogen in het hart der krijgslieden; onder zulk een aanvoerder kon de moed niet bezwijken. De koude keten van den schrik, die een blik op dat zwijgend veld des doods om het hart had geslagen, was door dien eenen heldenblik als versmolten, en met nieuwe veerkracht repten zich de wieken van den moed.De trein zette zich in beweging. Den zacht hellenden heuvel langzaam afdalende, kwam men het slagveld, dat men van de hoogte slechts in zijn geheel had kunnen overzien, allengs nader en bevond zich eindelijk te midden van de teekenen der verwoesting. De maarschalk reed aan de spits en overzag ernstig, maar kalm het veld des roems en des doods. Het begon thans kenbaarder te worden en liet de stellingen,welke de troepen gedurende den slag hadden ingenomen, duidelijk onderscheiden.Regnardreed naast Rasinski en wees hier en daar de dooden aan, uit welke men kon opmaken, welke regimenten hier gevochten hadden. „Daar stond de veertiende divisie,” riep hij en wees op eene plaats aan den weg, waar de blinkende platen van verbrijzelde chakots het regimentsnommer lieten onderkennen.„Daar moet de garde van Italië hebben gevochten,” hervatte Rasinski, „want daar liggen vele dooden. Waar mogen de levenden zich thans wel bevinden?”Deze laatste woorden sprak hij met eene gesmoorde stem, daar hij zijne bekommering niet verraden wilde; maar een blik, dien hij opRegnardwierp, gaf duidelijk genoeg te kennen, wat hij dacht.„Hm!” mompelde deze; „Krasnoe hebben zij zekerlijk gelukkig bereikt; wat echter tusschen de morgenzon van gisteren en die van heden ligt, kan ik evenmin weten, als ik verzekeren durf, datwijmorgen nog op russische sneeuw zullen wandelen. Evenwel, zoo wij binnen het uur niet aangegrepen worden, zou ik het bijna gelooven. Maar zie eens, bid ik u, hier links van den weg.”„Daar hebben mannen gevochten!” riep Rasinski uit; „een ellendeling, die het durft loochenen.”Zij hadden thans, naar het scheen, dat gedeelte van het slagveld bereikt, waar het vijandelijk vuur de grootste verwoesting had aangericht. Lange rijen van dooden lagen op de sneeuw neergestrekt en tot in de verte bespeurde men roode schemering der bloedstroomen, die hier tot ijs gestold waren. Nimmer leverde eenig slagveld zulk een afgrijselijk schouwspel des doods op; de gesneuvelden schenen in de houding, waarin hun de laatste adem ontvloden was, tot roerlooze beelden versteend, om zoo, tot eene herinnering voor den versten nakomeling, als koude gedenkzuilen van den slag bewaard te blijven. Wie hunne gelaatstrekken gekend had, zou zijn vrienden spoedig hebben wedergevonden, zoo geheel onveranderd waren zij gebleven. Op bijna elk gelaat echter bespeurde men de krampachtige sporen van den doodstrijd, en de verstijvende adem des winters had wezenstrekken verhinderd, weder den stillen, vriendelijken glimlach aan te nemen, dien de scheidende ziel gewoonlijk op het aangezicht achterlaat, nadat zij den kamp met de machtige boeien des levens volstreden heeft en zich nu omhoog heft naar de gewesten des lichts. Hier was het niet zoo; het scheen of de ruwe hand des winters nog vroeger dan die des doods op de warme vormen des levens haar kouden, onuitwisbaren stempel had ingedrukt. Daarom zag men op geen verhelderd voorhoofd, op geen vriendelijk glimlachenden mond de uitdrukking der bevrijding van kwalen des levens; alle trekken waren in de diep ingesneden vouwen van de smart, van den angst der vertwijfeling en der woede blijven staan. Hoewel hij zijne aandoening uiterlijk wist te verbergen, moest de maarschalk toch waarschijnlijk aan zich zelf gevoelen, dat deze stomme wandeling door de woestenijen des doods weinig geschikt was, om den moed zijner dapperen te doen ontvonken. Elk toch zag in deze onbegraven, op het koude ijs achtergelaten krijgers, als in een profetischen spiegel, het beeld zijner eigen toekomst. Wel is waar hadden de met wonden bedekte helden den dood op honderd slagvelden in menigerlei vreeselijke gestalte onder de oogen gezien, en niet als nieuwelingen ontvingen zij den ernstigen groet, welken hij hun ook hier weder aanbood, maar vroeger rustten de gevallenen op velden der overwinning, groenden lauweren om hunne slapen, reikte de godin des roems aan levenden en dooden den krans toe en was de val ook tevens een triomf. Doch hier?—Watvalt den overblijvenden ten deel, anders dan nieuwe kwalen en worstelingen? En wat den dooden, die op den vijandelijken grond achterblijven, die geen vriendenhand met aarde bedekt, wier graf geen gedenkteeken voor de nakomelingschap versiert, die spoorloos wegzinken in het diepe rijk der vergetelheid, in het onmetelijke niets? De koele aarde neemt hunne lijken niet eenmaal in haren schoot op, maar de roofvogels des hemels, de hongerige wolven der vlakte verslinden den aanzienlijkste met den geringste, en de lentezon, die de sneeuw doet smelten, zal slechts afgeknaagde beenderen te voorschijn brengen.Het korps was in gestadig versnelden marsch een diep dal genaderd, waarin de weg afdaalt, om van daar weder tot aan de breede vlakte van Katowa op te stijgen.„Herkent gij dit terrein?” dus wendde Rasinski zich tot Jaromir.Deze zag opmerkzaam in het rond en antwoordde: „Wanneer de sneeuw mij niet bedriegt, is dit de plaats, waar wij voor drie maanden Newerowskoi sloegen en den keizer op zijn geboortedag met de veroverde kanonnen een eeresalvo brachten.”„Zeer juist,” hernamRegnard, die vraag en antwoord gehoord had; „gij hebt een goeden militairen blik, jonge vriend. Wat dunkt u, zullen wij ook nu nog victorie roepen?”Jaromir wilde juist antwoorden, toen een dof, schoon niet ver verwijderd kanonschot de diepe stilte afbrak. Dit teeken, dat de vijand in de nabijheid was, drong als een electrieke schok in de gemoederen. Het geoefende oor der soldaten schatte dadelijk den afstand, waarop het schot gevallen was, terwijl het oog zich naar de richting wendde, in welke men het gehoord had. De gespannen verwachting, of het herhaald zoude worden, of het een aanstaand gevecht, dan slechts enkel een signaal aanduidde, was op aller gelaat te lezen. De maarschalk liet halt houden en achtte het niet raadzaam zijne manschappen juist in dit oogenblik in de diepte te doen afdalen, daar het beklimmen der steile hoogten aan de overzijde bij de uitgeputte krachten van paarden en menschen, vooral voor de artillerie, de grootste inspanning vereischen zou. Rasinski alleen kreeg bevel, met zijn weinige ruiters vooruit te rukken, ten einde op de hoogten van Katowa uit te vorschen, of de vijand zich werkelijk in de nabijheid bevond; de overige troepen legerden zich intusschen, om hunne krachten voor het op handen zijnde gevecht te verzamelen.Rasinski had de vlakte van Katowa spoedig bereikt, maar te vergeefs zocht zijn oog den vijand. Hij ontdekte niets dan de lange, eenvormige liniën van donkere pijnbosschen, die zich in eene onafzienbare reeks langs den gezichteinder uitstrekten. Met de uiterste behoedzaamheid reed hij den grooten weg een half uur op, verdeelde vervolgens zijne manschappen en beval Jaromir de rechterzijde van den weg tot op een kanonschot te verkennen, terwijl hij zelf de linker doorzoeken wilde. Op dezen rit naderde hij den zoom van het woud. Hier bespeurde hij sporen van paarden op de sneeuw, die, hoe verder hij voortreed, gedurig talrijker werden. Dit bewees hem, dat de vijand zich in den omtrek moest ophouden, want ten deele was de hoefslag nog geheel versch. In de uiterste spanning hield hij het oog op den zoom van het woud gevestigd, dat het verderf met een diep zwijgen scheen te omhullen. Van tijd tot tijd liet hij halt houden en luisterde, of zich nergens eenig gedruisch liet vernemen; maar alles bleef stil als in de woning des doods. Plotseling fladderde een troep raven met heesch gekrijsch uit het hout op en verspreidde zich naar alle windstreken. „Die vogels zijn opgejaagd,” sprak Rasinski tot de naast hem rijdenden; „ik ben verzekerd, dat hier troepen verborgen zijn.”„Zie, zie, overste!” riep de vlugge Bliski, terwijl hij zich bukte, om onder de takken der boomen door te zien; „waarachtig hier marcheert een troep.”Inderdaad was men juist aan eene plaats gekomen, die een vrij uitzicht tot in het binnenste des wouds vergunde, en toen Rasinski zich tot onder den zadel nederboog, zag hij eene zwarte colonne, die zich vermoedelijk op een breeden weg midden in het bosch bevond, in de verte voorbijtrekken. In allerijl sprong hij van het paard en liet zijne geleiders vooruitrijden, opdat deze niet uit de woudopening zouden bemerkt worden. Hij zelf, op de sneeuw neergebukt, bespiedde de colonne.Haar marsch hield een geruimen tijd aan; het was infanterie. Daar hij de diepte niet kon overzien, was het hem onmogelijk hare sterkte te schatten. Thans echter kwam ook de artillerie, en Rasinski kon zonder eenige moeite de stukken tellen. Toen hij tot dertig gekomen was, wist hij genoegzaam, dat de strijdkrachten van den vijand die des maarschalks verre overtroffen. Hij wierp zich dus weder in den zadel en haastte zich, den veldheer van het een en ander te verwittigen.Jaromir was reeds weder bij het korps teruggekeerd, zonder een spoor van den vijand ontdekt te hebben. Daar zich een mastbosch in de nabijheid bevond, hadden de soldaten inmiddels hout gekapt en vuren ontstoken, en de maarschalk gebood hun, zich te verwarmen en te verkwikken, opdat zij te beter in staat zouden zijn den aanval des vijands te weerstaan.Toen Rasinski thans zijne berichten overbracht, liet zich de wanhopige toestand, waarin zich het korps bevond, geen oogenblik langer betwijfelen. „Voorzeker,” sprak de maarschalk, „houden de Russen de bosschen op de hoogte van Katowa bezet en wachten slechts, dat wij ons daarboven vertoonen, om ons van alle zijden aan te tasten en, door het bezetten van dat dal hier voor ons, elken uitweg af te snijden. Doch ik hoop, dat wij er ons gelukkig zullen doorslaan. Echter moeten wij het gevecht nog eenige uren trachten te verschuiven, totdat de duisternis ons te hulp komt. Hoe laat is het?”„Half twee,” antwoordde Rasinski.„Goed; te vier uren is het volkomen donker. Dan willen wij opbreken. Tot zoolang kunnen wij nog uitrusten.”Rasinski keerde tot de zijnen terug. Daar men nog een kleinen voorraad hooi en haver bezat, had Jaromir de paarden reeds laten voederen, en ook de manschappen waren bezig hun armoedigen maaltijd gereed te maken. Zoo ging een uur in bange verwachting voorbij.HOOFDSTUK IV.„Rasinski!” riep Jaromir en sprong driftig op; „ziet gij het, daarboven op de hoogte?”„Kozakken! Waarachtig! Maar mijn hoofd verpand ik, dat zij niet alleen zijn!”Op den heuveltop vertoonden zich drie ruiters, die echter slechts om te verspieden schenen vooruitgezonden. Spoedig werden zij door allen bemerkt en de troepen geraakten in die onrustige beweging, men hoorde dat doffe gemompel door de gelederen loopen, waardoor zich het op handen zijn van een beslissend oogenblik gewoonlijk pleegt aan te kondigen.„Werp u te paard, Jaromir,” gelastte Rasinski, „en rijd daar tot den woudzoom op, dan hebt gij een ruim gezicht over de landstreek.”De jongeling, die het beste paard van allen bezat, vloog als een pijl over de sneeuwvlakte, om den last te volvoeren. Bijna nog sneller keerde hij terug en meldde, dat de gansche hoogte met kozakken bezet was, terwijl ook infanterie-colonnes uit de diepte van het bosch kwamen opdagen.Juist reed ookRegnardvoorbij, die op bevel van den maarschalk eveneens eene verkenning gedaan had.„Wij zullen het warm krijgen, Rasinski,” riep hij; „het bosch wemelt van Russen.”De trommen roffelden; de troepen traden onder het geweer. De ongeregelde massa's dermarketentsters, der zieken en der ongewapenden rotteden zich tot een dichten hoop samen.„Voor ons kan de slag eene vreugde zijn,” sprak Rasinski; „maar Boleslaw en de andere gekwetsten hebben een hard lot. Wij moeten het van hen zoeken af te wenden. Doch wie komt daar?”Een russisch officier kwam de hoogte afjagen en wuifde reeds in de verte met een witten doek.„Wat gij verlangt, mijnheer,” mompelde Rasinski trotsch en verdrietig, „is vergeefsche moeite. Zoolang wij wapens hebben, onderhandelen wij niet.”De maarschalk hield zich met het regelen en in slagorde stellen der troepen bezig, vloog door de gelederen, was overal zelf tegenwoordig, ordende, bemoedigde, gaf bevelen. Rasinski zond dadelijk een ruiter naar hem af, ten einde hem van het naderen van een parlementair te verwittigen. Doch nog eer de maarschalk terugkeerde, had de Rus de voorposten reeds bereikt, en daar hij Rasinski's ruiters aan hunne uniform voor Polen herkende, riep hij hun in het poolsch toe, dat zij zich aan de overmacht zouden overgeven. Maar als een grimmige leeuw sprong Rasinski op hem toe en riep: „Gij stookt onze manschappen op, gij poogt hen tot verraad over te halen! Dat is niet de rol van een parlementair, mijnheer. Gij zijt mijn gevangene!”Verschrikt wilde de officier zijn paard omwerpen, doch reeds had Rasinski de teugels aangegrepen, en zijne toesnellende ruiters hadden den Rus zoo spoedig van alle zijden omringd, dat aan vlucht of tegenweer niet te denken was.„Gij zoudt u aan den onschendbaren persoon eens parlementairs willen vergrijpen!” riep de Rus.„Om onschendbaar te zijn, hadt gij op een behoorlijken afstand moeten afwachten, of het ons goeddunken zou, u als parlementair te ontvangen,” was het antwoord. „Op deze wijze mag niemand een leger in slagorde naderen, dat is tegen het krijgsgebruik.”„Laat mij naar uw bevelhebber geleiden,” sprak de Rus; „hij zal mijne welgemeende voorslagen op prijs weten te stellen. Het onmogelijke is zelfs den dappersten onmogelijk; u blijft geen andere weg open, dan die van onderhandeling.”„Wij zullen zien, wij zullen zien,” hernam Rasinski, die van de standvastigheid des maarschalks verzekerd was. „Daar komt de opperbevelhebber. Gij staat voor den maarschalkNey; dit zij u genoeg, om te weten, dat uwe woorden vruchteloos zullen zijn.”De maarschalk kwam, Rasinski reed hem te gemoet en meldde, wat hij gedaan had. „Gij hebt als man van eer gehandeld,” ontving hij ten antwoord; „ik zou mij schamen, minder hooghartig te denken dan gij.—Doch ik wil den officier spreken.” Hij reed op dezen toe en vroeg hem wat hij wilde.„De maarschalk Kutusow zendt mij,” begon de Rus; „hij zou zulk een beroemden krijgsman en veldheer den voorslag niet doen, de wapens neer te leggen, wanneer er nog een andere uitweg overbleef. Op deze omliggende hoogten staan tachtig duizend man en honderd vuurmonden. Wanneer gij twijfelt, zal het u vrijstaan, een officier te zenden, dien ik door de gelederen der onzen wil rondleiden.”„Ik hoop uwe manschappen zelf zoo nabij te komen, dat ik hen tellen kan,” gaf de maarschalk met flonkerende oogen ten antwoord. „Zeg den vorst, dat de maarschalkNeynog nooit de wapens heeft nedergelegd, en dat de geschiedenis nimmer eene dergelijke handelwijze van hem melden zal. Daar ligt het doel, mij door plicht en eer aangewezen; ik zal mij midden door uwe gelederen den weg banen, al werden ook deze bosschen in legers herschapen!”„Zij zullen het,” antwoordde de parlementair; maar nog eer hij ten volle had uitgesproken, deed een vreeselijk gekraak de nabijgelegen heuvels sidderen en een hagel van kartetsen kletterde op den ijsspiegel der omliggende velden neder.„Dat is verraad!” riep de maarschalk driftig, terwijl hij het oog opsloeg en de hoogten van alle zijden met zwarte troepenmassa's en veldgeschut bekroond zag. „Onder het vuur onderhandelt men niet! Gij zijt mijn gevangene!”De onthutste officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze wijze werd prijsgegeven, gaf zijn degen gewillig over.„Breng hem naar de achterhoede!” beval de maarschalk.—„GeneraalRicard, voorwaarts! Gij tast den vijand met de bajonet aan. U zij de eer gelaten van ons de baan te breken.”De generaal met ongeveer vijftienhonderd man rukte onverschrokken voorwaarts. De kleine schaar smolt bijna weg in de onbegrensde ruimte, die voor haar lag; de onderneming, om tegen de dichte massa's van den vijand op te rukken, die als dreigende onweerswolken zich gestadig zwarter en zwarter op de hoogten samenpakten, scheen aan waanzinnigheid te grenzen. Doch de maarschalk had het bevolen, en het vertrouwen, dat de krijgslieden in hem stelden, was onbegrensd; op zijn gebod, zoo waanden zij, kon de overwinning niet achterblijven. Zonder bedenking stortten zij zich dus langs den steilen weg in de diepte neder, om aan gene zijde de hoogte te bestormen.Inmiddels vliegt de veldheer door de gelederen der overigen en ordent hen tot den kamp.Regnardkomt op Rasinski toeijlen en gelast hem met zijn, tot op zestig man gesmolten regiment, den linkervleugel tegen de aanvallen der kozakken te dekken. De artillerie maakt front tegen den vijand en hare kleine kanonnen ondernemen het, zich tegen de vreeselijke overmacht der russische vuurmonden te verdedigen.Op de besneeuwde heuvelkruinen, welke de vijand bezet, heerscht sinds dat eerste salvo, waarmede de aanval begonnen is, eene akelige doodsche stilte. Maar alsof de scharen, gelijk de geharnaste mannen van Cadmus, uit de aarde oprezen, werd het zwart gewemel van paarden en menschen op den witten grond gestadig dichter en dichter.
De dag was nog niet aangebroken, toen Rasinski aan de spits zijner weinige getrouwen en te midden der kleine, door het aftrekkende korps vanNeygevormde legerafdeeling de ringmuren van Smolensko verliet. De hemel was somber betrokken, geen star drong door den donkeren wolkensluier; slechts de matte schemering van het sneeuwdek, dat zich over de velden uitbreidde, wierp eenig licht in het diepe duister. In het rond alles stom en zwijgend; alleen het ratelen der weinige kanonnen, die nog te vervoeren waren, en het kletteren der wapenen deden zich door de akelige stilte hooren; de soldaat zelf gaf taal noch teeken van zich, maar waadde stom en in sombere mijmeringen verdiept door de sneeuwwoestijn voort.
Na verloop van een uur had de schaar dezer krijgers, de laatste troepen, die uit het onherbergzame Rusland terugtrokken, een dichtmastboschbereikt. Plotseling deed zich een dof gekraak uit de verte hooren en tegelijk flikkerde een lichtschijnsel op de toppen der steile dennen. Alles luisterde, want in het eerste oogenblik waande men het gedonder van vijandelijke kanonnen te vernemen.
„Het is niets,” sprak Rasinski tot Jaromir, die naast hem reed; „men laat de torens en muren der vesting in de lucht springen. Het is het oude krijgsrecht, ook den vijand niet te gunnen, wat men zelf niet behouden kan.”
Het akelig dof gedreun hield een tijdlang aan. Thans begon ook de dag aan te breken en de lange trein van krijgers en voertuigen werd langzamerhand zichtbaar. „Houd gij een oog op de manschappen, Jaromir,” sprak Rasinski; „ik ga zien, hoe het met onze arme gekwetsten gesteld is.” Met deze woorden reed hij, de gelederen door, op de wagens toe, waarop men de gewonden, die nog hoop op leven en herstel gaven, medevoerde; de overigen had men aan de menschelijkheid van den vijand moeten overlaten.
Boleslaw, die door een niet gevaarlijk schot in de zijde getroffen was, bevond zich, benevens eenige andere kameraden van het regiment, op een wagen, dien Rasinski's onvermoeidevoorzorghem had weten te verschaffen.
„Nu, hoe gaat het, vrienden?” sprak deze de zijnen aan en drukte Boleslaw de hand.
„Zoo goed het kan,” antwoordde de jongeling, zich met een bleek gelaat en het hoofd tegen de snerpende koude met een zwarten doek omwonden, van zijne plaats oprichtende.—„Hebt gij nog niets van hen vernomen?”
„Alle moeite was vruchteloos,” luidde het somber antwoord; „het onverzadelijke oorlogsmonster, dat reeds zooveel goeden en dapperen verslonden heeft, verlangde ook dezen buit. Waren zij van de onzen geweest, ik zou niet klagen! Zij zijn voor de schoone zaak van het vaderland gevallen, zou ik mij troosten; de krijg was hunne roeping, zij moesten goed en bloed daarbij op het spel zetten, even goed als wij overigen zulks doen. De een valt het donkere lot des doods, den andere het lichte des levens ten deel—wij zijn op beide voorbereid, weten wat ons te wachten staat en mogen niet klagen. Maar onze vrienden! Niet hun hart voerde hen derwaarts. De oorlog, die boven elk ander hoofd een vernielend zwaard zwaait, zou boven het hunne een schild tegen vijandelijke pijlen houden. Ik was het, die hun de gevaarlijke schuilplaats heb aangeboden; doch deze alles verzwelgende draaikolk van ellende en verschrikking heeft nu ook hen naar den afgrond gesleept.—Wij moeten het dragen, Boleslaw; daartoe zijn wij mannen. Al breekt ons het hart, ons stervend oog mag geen versagend hart verraden!”
„Wie weet,” hernam Boleslaw zwaarmoedig, „hoe spoedig wij weder met hen vereenigd zijn.”
„Ik hoop niets meer!” antwoordde Rasinski, die zijne bedoeling niet vatte.
„De dood scheidt vrienden hier niet langen tijd vaneen, wil ik zeggen,” sprak de jongeling en schudde langzaam het hoofd, terwijl hij uit de groote, zwarte oogen een blik, eerst op de jammergestalten om hem heen en vervolgens op den verren gezichteinder wierp, als wilde hij de bezwijkende krachten dezer lijdenden met de onmetelijke afstanden vergelijken, welke zij, eer men de vaderlandsche haardsteden bereikte, nog hadden af te leggen.
„Bedoelt gij het zoo? Ja, dan hebt gij gelijk;—maar zijt gij zoodanig door uwe wonden verzwakt, dat zij u reeds aan den dood doen denken?”
„Neen dat niet; ik voel mij beter. Misschien kan ik binnen eenige dagen wel weder te paard zitten. Nu reeds zou ik in staat zijn, een eindweegs te rijden of te wandelen.”
„Nu, houdt u verder goed!” riep Rasinski, bevreesd dat zijn gevoel hem overmeesteren zoude, en wendde driftig den teugel. „Kinderen, ik zal verder het oog op u houden,”sprak hij, terwijl hij zich tot de overigen wendde, gaf zijn paard de sporen en keerde naar Jaromir terug.
Boleslaw, die bij zijn ernstig, weinig mededeelzaam karakter alles dieper gevoelde, dan hij het uiterlijk placht te kennen te geven, was ook door het verlies van Bernard en Lodewijk ten diepste getroffen geworden. En het was bijna onmogelijk, iets anders dan hun dood te vermoeden; want daar zij moesten vernomen hebben, dat Rasinski eensklaps bevel had ontvangen, om met zijn regiment naar het korps vanNeyterug te trekken, hadden zij hem voorzeker òf zoeken in te halen, òf hem ten minste in Smolensko opgewacht. Velen waren nog in die stad aanwezig, die hen op het spoor hadden kunnen brengen, onder anderen de oversteRegnard, die met den onderkoning van Italië de vesting eerst verliet, toen Rasinski ze met de zijnen reeds weder was ingerukt. Doch tot niemand hadden zij zich gewend, niemand had het geringste spoor van hen kunnen ontdekken. Waren zij daarentegen voorwaarts getrokken, hadden zij eene gelegenheid gevonden, om langs veiliger wegen hun vaderland te bereiken, dan voorzeker zouden zij gezorgd hebben, datRegnarden door hem Rasinski daarvan naricht bekomen had. Met zekerheid echter wist niemand iets van hun lot op te geven, en zij werden dus onder het gestadig toenemende getal van dezulken gerangschikt, die dagelijks, zonder eenig spoor na te laten, uit de gelederen hunner kameraden verdwenen.
Rasinski droeg dit verlies met die mannelijke kracht, waardoor hij steeds gewoon was, zich boven de gevoeligste slagen van het lot te verheffen; Jaromir benijdde in zijne innerlijke verbrijzeling hen, die van den last des levens bevrijd waren; Boleslaw gevoelde de diepste smart van broederlijke vriendschap, maar was aan het knagen van verborgen wonden reeds gewoon geworden; zijn kalm gelaat verried weinig.
Zoo gaf hij zich dan ook thans aan stille mijmeringen over en liet zijne blikken over den trein zweven, die zich voor hem in den grauwen morgennevel verloor; de wagens der gekwetsten vormden de achterhoede. Een bijna onmerkbaar opstijgende bergrug doorsneed den weg, maar was op zijne helling met sneeuwijs bedekt, zoodat de vermoeide paarden, niettegenstaande de vloeken en zweepslagen der voerlieden, de onbeduidende hoogte niet konden beklimmen. Zoo moesten de wagens en kanonnen halt houden, en terwijl ruiters en voetvolk voorbijtrokken, bleven zij terug. Intusschen waren de meeste voertuigen toch gelukkig genoeg, dezen hinderpaal te boven te komen en, daar het ijs brak, kostte dit ook minder moeite aan de later nakomenden. Reeds waren de laatste wagens, waartoe Boleslaw mede behoorde, aan de beurt gekomen, toen een van deze, die met vrouwen en pakgoederen beladen was, trots alle inspanning van paarden en geleider in zijn voortgang gestuit werd. De wachtenden vloekten en tierden en drongen er op aan, dat men dit voertuig, dat alle andere ophield, zoude achterlaten. Men zoude het van ter zijde zijn voorbijgereden, doch reeds had men de minst steile punten van den weg uitgezocht, en uit dien hoofde zoude elke poging, om de hoogte op eene andere plaats te bestijgen, oneindig bezwaarlijker geweest zijn. Zoo martelden de twee ellendige paarden zich dan te vergeefs af, om de gladde helling te beklimmen; menschenhanden konden hier ook niet van dienst zijn, want op de wagens bevonden zich slechts krachtelooze zieken en gekwetsten en zelfs de voerlieden behoorden onder dit getal. Eindelijk, ter halver hoogte van den heuvel, zonken de gekwelde rossen uitgeput neder, en daar zij den wagen niet meer konden houden, rolde deze terug en sleepte de paarden mede naar beneden. Een luide angstkreet werd aangeheven,zoowel door hen, die zich op de wagen zelve bevonden, als door de personen, die volgden en door het omlaag rollend voertuig vreesden verpletterd te worden. Echter werden slechts de eersten in gevaar gebracht; want hun span gleed zijdelings af, geraakte met het eene wiel in eene diepe groeve, stiet met het andere op een ijsblok en sloeg krakend om.
Reeds hadden eigen nood en zucht naar zelfbehoud het menschelijk gevoel zoo verstompt, dat de overigen meer vreugde over het uit den weg ruimen van dien hinderpaal voor hun verder voortkomen gevoelden, dan zij medelijden met het lot hunner kameraden en der hulpelooze vrouwen, die op den verbrijzelden wagen gezeten hadden, aan den dag legden. Deze echter hadden zich spoedig van den eersten schrik hersteld en ijlden, hun eigen voertuig onbruikbaar ziende, op de naaste wagens toe, ten einde daarop eene plaats te vinden. Doch zij werden met geweld teruggewezen, daar er werkelijk geen mogelijkheid bestond om hen op te nemen.
Toen Boleslaw gewonde krijgers met verbittering afgewezen en kermende vrouwen met zweepslagen verdreven zag, ging hem die jammer met gloeiende priemen door het hart. „Vrienden,” riep hij, zich oprichtende, „laat uwe kameraden niet in den steek! Oude, kom hier, wij willen u opnemen,” dus wendde hij zich tot een grijzen, zwaar gekwetsten grenadier; „een van ons allen kan van tijd tot tijd te voet gaan.—Ik wil de eerste zijn, die het beproeft.” Met deze woorden reikte hij den ouden krijgsman de hand en hielp hem, terwijl hij zelf afklom, op den wagen.
Dit voorstel werkte; men besloot op elken wagen één gekwetste op te nemen. Echter was het getal der hulpbehoevenden grooter dan dat der wagens, en eene jonge, zorgvuldig in een pelsmantel gewikkelde vrouw, met een ongeveer driejarig kind op den arm, werd overal teruggewezen, terwijl haar beide gezellinnen reeds plaats gevonden hadden.
Zal de moeder om haar kindswil in deze wildernis versmachten? dacht Boleslaw en een koude rilling liep hem over de leden. Doch nog grooter afgrijzen beving hem, toen hij zag, hoe de rampzalige haar kind in de sneeuw slingerde en, van dien last bevrijd, alléén op den wagen vóór hem toesnelde. „Zoo neemt dan mij alleen op,” riep zij op een doordringenden toon van angst; „dan redt gij ten minste nog één leven!”
Deze onnatuurlijke daad eener moeder vervulde echter zelfs de harten der ruwste mannen met schrik en afgrijzen. Boleslaw sprong op het weenende kind toe, dat reeds half in de sneeuw verzonken was, en hief het driftig omhoog. Doch welk een onbeschrijfelijk smartelijk gevoel verscheurde hem de borst, toen hij in het kleine wezenAlisette'spleegdochter en in de in radelooze vertwijfeling om redding smeekende deze zelve herkende. „Almachtige God!” riep hij geheel verpletterd;„dat is Uwe straffende vergelding!”
Door deze daad der ongelukkige was het gevoel des medelijdens in de borst der krijgslieden geheel uitgedoofd. In plaats daarvan verstrekte het hun tot een gruwzame voldoening, deze hemeltergende wandaad op staanden voet te kunnen wreken.
„Breng ons het kind, het arme kind, dat zullen wij redden!” riep een jager van den wagen, dienAlisettevruchteloos trachtte te beklimmen, terwijl hij de rampzalige moeder met harde vuistslagen terug dreef. Boleslaw gaf aan deze uitnoodiging gehoor, bijna zonder te weten, wat hij deed. De jager strekte de armen naar hem uit, hij reikte het kleine wezen over, en de ruwe baardige soldaat nam het op zijnschoot en kuste en troetelde het vriendelijk.Alisettewas inmiddels in waanzinnigen angst op den volgenden wagen toegevlogen en zocht daar door kermen en handenwringen het medelijden op te wekken. Maar een diep afgrijzen had zich van alle harten meester gemaakt en een oude grenadier duwde haar ook hier met een donderende stem de woorden toe: „Weg, ravenaas! Loop te voet door de sneeuw!”
„O, heb medelijden met mijne jeugd!” jammerde de verstootene en wierp zich op de knieën in de sneeuw neder.
Thans trad Boleslaw op haar toe, legde de hand op haar schouder en sprak ernstig, maar vriendelijk: „Bedaar,Alisette, draag uw lot met geduld en onderwerping. Gij zijt niet verloren; ik zal u leiden en ondersteunen, zooveel ik kan.”
De ongelukkige, die nog immer op de knieën lag, had hem gedurende deze woorden sprakeloos en met smeekende blikken aangestaard; eerst toen hij uitgesproken had, scheen zij hem te herkennen.
„Hoe?” riep zij met verwrongen wezenstrekken. „O, gij kondt zoo deemoedig om een lied smeeken in mijne goede dagen! En nu wilt gij mij aan een nameloos lijden prijsgeven! Ik zou in deze wildernis omkomen!”
Driftig sprong zij op, stortte wederom op den wagen toe, waar het kind zich sidderend aan de borst des jagers vastklemde, en eer men haar voornemen nog zelfs vermoeden kon, had zij het onschuldige wezen opnieuw aangegrepen, slingerde het andermaal op den grond en riep: „Laat het hier, het weet nog niet hoe schoon het leven, hoe vreeselijk de dood is; redt mij, mij moet gij redden, ik weet, hoe schoon de wereld is, ik heb betere dagen gekend!” Met krampachtige inspanning wilde zij zich nu aan den wagen vastklemmen en scheen zelfs de stooten en slagen niet te achten, waardoor de ruwe vuist des jagers haar trachtte terug te houden. „Weg, weg, giftige adder!” riep deze, in woede ontbrand; „weg slang! wie u opneemt, laadt zich Gods toorn op den hals. De wolven mogen u hier vaneenscheuren, gij, erger dan eene wolvin.”
Tegelijk brak hij met alle inspanning van krachten en door zijne buurman ondersteund de vastgeklemde handen met geweld open en wierp haar van zich, zoodat zij bedwelmd op den harden grond nedertuimelde.
Boleslaw had intusschen het weenende, thans ook door den ruwen val bloedende kind ten tweede male in de armen genomen en gaf het opnieuw aan den ouden soldaat over. Toen hijAlisetteals verpletterd, met loshangende haren, ruggelings op den grond zag uitgestrekt, kwam hem hare ellende toch nog grooter voor dan hare waanzinnige misdaad. Hij naderde haar en richtte haar op. Toen zij van hare bedwelming bijkwam en gewaar werd, dat het andermaal Boleslaw was, die haar met mannelijken ernst moed insprak, wierp zij zich buiten zich zelve van angst voor hem neder, omklemde zijn knieën en kermde: „Gijmoetmij redden! Gij kunt mij niet aan mijn lot overlaten! Ik laat u niet los, eer gij zweert, mij te redden!”
Zij hield zijne voeten zoo vast omstrikt, dat hij, door zijne wonden verzwakt, niet bij machte was zich los te rukken. Vergeefs riep hij haar toe, dat zij bedaard blijven en opstaan zou: in hare verbijstering hoorde zij niets meer. Intusschen waren de wagens langzamerhand vooruit geraakt; twee hadden de hoogte reeds bestegen, die, waarop Boleslaw zijn plaats had, was alle zwarigheden ook reeds te boven; vier slechts waren nog achter en hielden eenige oogenblikken rust. Het werd hoog tijd, dat zij, die zich uit medelijden hadden aangeboden, om beurtelings een eindweegs tevoet te gaan, hun weg voortzetten. Deels om zich bij den officier aan te sluiten, wiens hoogere rang hun onwillekeurig vertrouwen inboezemde, deels ook om van het schrikwekkende tooneel getuigen te zijn, waren vijf of zes dezer krijgslieden Boleslaw genaderd. Daar deze thans door de wanhopige zoo vast omklemd werd, dat hij niet in staat was zich los te scheuren, grepen zij toe, trokken de ongelukkige met geweld van hem af en slingerden haar in de sneeuw terug. „Voorwaarts, heer officier,” riep een jong soldaat, „voorwaarts, anders halen wij de wagens niet meer in. Het vrouwspersoon heeft immers gezonde voeten, zij kan beter voortkomen dan wij; kom, kom!” Dit zeggende greep de jongeling hem bij den arm, terwijl een dragonder hem van achteren voortduwde en zoo sleepte men hem mede. Bij zijne verzwakte krachten had dit akelige tooneel hem zoo hevig geschokt, dat hij zich nauwelijks kon staande houden. Echter wendde hij zich nog eenmaal om en riep aan de radelooze, die in vertwijfeling op de aarde rondkroop, de woorden toe: „Verlies den moed niet, ongelukkige, en draag, wat het lot over u beschikt heeft.”
Doch zij was doof voor deze bemoedigende woorden, die van hare, slechts voor zinnelijke aandoeningen vatbare ziel matigden, geduld en beradenheid vorderden. Wel is waar met innerlijk afgrijzen, maar toch in de waanzinnige verblinding, die de oogen met geweld voor de mogelijkheid van een dreigend onheil toesluit, had zij de jammeren van dezen oorlog van dag tot dag om zich heen zien aangroeien. Dat ze eindelijk ook haar zouden bereiken, deze akelige gedachte had zij altijd zoo verre van zich verwijderd gehouden, dat zij thans nu dat oogenblik daar was, alle kracht miste, om wederstand te bieden. Niets ware nog verloren geweest, wanneer zij in de wezenlijk harde noodzakelijkheid, om zich aan drukkende bezwaren te onderwerpen, niet reeds een onvermijdelijken ondergang gezien had. Zoo richtte zij zich zelve te gronde; de vreeselijke Nemesis eener onzedelijke gezindheid, die van het leven slechts genot verlangde en ook dat alleen met alle krachten en alle middelen had nagejaagd, trof thans haar hoofd met verpletterende zwaarte. Op dagen van lijden en tegenspoed was zij niet voorbereid; hier ontzonken haar de krachten, zij had slechts tranen en klaagtonen, die door het hart sneden. „Hulp, erbarmen, redding!” kermde zij en wrong de handen, doch zij miste de kracht, om tot het besluit te komen zelve iets tot die redding bij te dragen. Eerst toen de laatste wagen zich nu ook in beweging zette, de paarden onder wild geroep en klemmende zweepslagen de hoogte naderden en het denkbeeld, dat zij nu geheel verlaten was, haar met helschen angst vervulde, toen eerst richtte zij zich op en ijlde radeloos, met loshangende haren de van daar trekkenden na. In hare razernij wilde zij zich aan den laatsten wagen vastklemmen; maar de soldaten, die reeds vreesden, dat hunne paarden bezwijken zouden, dreven haar met sabels en bajonetten terug en brachten haar diepe, bloedige wonden toe. Door doodsangst gedreven, omvatte zij thans een der, door de koude en op de gladde ijsbaan vastgeraakte achterraderen en liet zich mede voortslepen; doch daar deze last de reeds uitgeputte dieren nog meer vermoeide, kreeg een kurassier zijn pistool te voorschijn en dreigde vuur te geven, wanneer zij niet losliet. Door den onverhoedschen schrik verlamd, zonken hare handen machteloos neder en kermende en krimpende bleef zij op de plaats liggen. Zoo zag haar Boleslaw, toen hij den laatsten blik terugwierp; hij was met zich in tweestrijd, of hij nog eenmaal zoude omkeeren, doch zijne kameraden trokken hem met geweld voort en zijn jonge geleider riep uit: „Laat haar, laat haar! De moeder die haar kind wilde ombrengen, mag men niet aanraken,anders laadt men den vloek des hemels op zich. Laat haar, het is de welverdiende straf, die haar treft.”
Weldra vernam Boleslaw nog slechts eenige hartverscheurende jammerkreten; doch ook deze werden allengs flauwer en flauwer en stierven eindelijk geheel weg in het gebulder van den storm, die zich met onstuimige woede over de vlakte verhief en de glinsterende sneeuw in dichte dwarrelingen deed opstuiven.
Bij Korithnia werd het leger door den nacht overvallen; men betrok het bivak of zocht tusschen de bouwvallen van het ellendige dorpje eene plaats te vinden. Rasinski had, als gewoonlijk, door zijne onvermoeide zorg, door zijn aanzien en zijne behendigheid nog zooveel voor de zijnen gewonnen, dat zij in vergelijking met anderen een gelukkig lot troffen. Maar nauwelijks hadden zij de vermoeide leden om de legervuren uitgestrekt, of een donderend gekraak deed zich in de nabijheid hooren en eene hagelbui van kogels suisde boven hunne hoofden door de lucht.
„Wij worden aangevallen,” riep Rasinski en sprong haastig op; „te wapen, spoedig te paard!”
In hetzelfde oogenblik zat hij zelf in den zadel en begon zijne manschappen reeds te ordenen, toen de maarschalkNeyin vollen galop kwam aanrennen en hem toeriep:
„Overste, verken met uw volk de linkerflank des legers en breng mij dadelijk bericht, wanneer gij op den vijand stoot.”
De maarschalk rende verder de legerplaats op en ordende en regelde de verschrikte soldaten. Rasinski, aan de spits zijner kleine, doch moedige schaar, trok in de duisternis voort, ten einde den vijand op te zoeken, die zich zoo vreeselijk had aangekondigd. Het bevreemdde hem wel eenigszins, dat diens artillerie slechts één salvo had gegeven en nu zoo plotseling zweeg, doch de gevechten op dezen terugtocht, die meestal bij nacht, in bosschen en op ongebaande sneeuwvelden geleverd werden, waren zoo rijk aan zeldzame voorvallen en ontmoetingen, dat men bijna elken dag iets zag gebeuren, dat tot hiertoe in de geschiedenis der krijgvoering ongehoord was.
Eene dicht aan de legerplaats grenzende hoogte bereikende, meende Rasinski op den witten sneeuwgrond eenige zwarte massa's gewaar te worden. „Is dat struikgewas of zijn het troepen?” vroeg hij Jaromir.
„Nog laat zich niets onderscheiden,” antwoordde deze.
„Er op los dan, in Gods naam,” beval Rasinski en reed vooruit. Spoedig echter helde de grond naar eene diepte af, langs welker steilen rand men niet kon afdalen; men moest dus den loop van dezen volgen. Daar stoven plotseling vijftien tot twintig kozakken als opgejaagde vogels uit eene kromming der kloof te voorschijn en beklauterden met hunne kleine vlugge paarden de minder steile hoogte aan de overzijde. Meer om hen te verschrikken, dan wijl men hun schade kon toebrengen, liet Rasinski vuur geven; vliegend renden zij over de vlakte voort en verdwenen in het duister. Eenige minuten later geraakten ook de zwarte massa's op het sneeuwveld in beweging en men vermoedde hieruit, dat het eene grootere afdeeling der kozakkenwas, die op het bericht, dat de kleine verstrooide bende van de aannadering des vijands overbracht, terugtrok.
Met behoedzaamheid deed Rasinski de zijnen thans op eene minder steile plaats afdalen. Hier ontdekte men spoedig de oorzaak van het gedruisch, dat men voor een aanval der artillerie had gehouden. Men vond namelijk een aantal kanonnen en veldstukken, die vernageld en bij gebrek van middelen tot vervoer hier achtergelaten waren. Een weinig verder werd men de overblijfsels van verbrijzelde proviandwagens en kruitkarren gewaar. Waarschijnlijk hadden de zoo even gevluchte kozakken verscheidene dezer voertuigen in de lucht doen springen en waren ze in hun voornemen, om ook de overige te vernielen, slechts door Rasinski's komst gestoord geworden.
Deze laatste was verheugd, de ware oorzaak van het alarm te hebben opgespoord, en wilde derhalve in allerijl met zijne manschappen terugkeeren, ten einde den maarschalk hiervan bericht te brengen. Toen hij echter door den hollen weg voortreed, zag hij boven op de hoogte, ongeveer dertig schreden voor zich uit, een man in vollen loop voortijlen. Vermoedende, dat het een Rus zijn zou, riep hij hem in de volkstaal aan en beval hem, te staan. De vluchteling scheen eene poos besluiteloos, doch vervolgde weldra zijn loop met verdubbelde snelheid. Daar echter de hoogte hier niet steil was, hadden Rasinski en Jaromir die spoedig beklauterd, en twee ruiters volgden hen, ten einde den Rus, die wellicht van de nabijheid des vijands belangrijke narichten kon geven, het ontkomen onmogelijk te maken. Deze liep wat hij kon, doch na weinige schreden zonk hij uitgeput in de diepe sneeuw neder en werd door zijne vervolgers gegrepen. Tot Rasinski's niet geringe verwondering riep de gevangene, terwijl hij zich overgaf, in het fransch uit: „Is er iemand onder u, die fransch spreekt?”
„Bij den hemel, die stem heb ik meer gehoord,” antwoordde Rasinski in dezelfde taal; „wie zijt gij?”
„Rasinski, gij zelf? Is het mogelijk?” riep de gevangene en strekte jubelend de armen naar hem uit. „Ik benRegnard, herkent gij mij niet?”
„Regnard! In 's hemels naam, hoe komt gij hier?” vroeg Rasinski met verbazing.
„De historie is kort en bondig, maar stichtelijk is zij niet,” hervatteRegnard; „gij zult ze uitvoeriger vernemen, dan u lief is; doch ik raad u, hier niet te vertoeven, maar eene veiliger plaats op te zoeken. In vertrouwen gezegd, er zijn meer Russen hier in de nabijheid, dan boomen in deze dennenbosschen. Maar hoe komt gij hier?”
„Met MaarschalkNeyuit Smolensko; ons nachtkwartier is nauwelijks vijfhonderd schreden van hier.”
„Laten wij het dan zoo spoedig mogelijk trachten te bereiken. Onder het gaan zal ik u alles vertellen.”
Jaromir bood den overste zijn paard aan, doch deze wees het van de hand en stapte tusschen hem en Rasinski driftig voort.
„Gij weet,” dus begon hij,„dat ik met den onderkoning van Italië Smolensko uittrok. Gisteren werden wij drie uren van hier door de Russen aangegrepen en ik geraakte gevangen. De kozakken zweepten mij met den knoet voor zich uit, tot ik een russischen generaal aantrof, dien ik in het Fransch toeriep, dat hij mij van deze schandelijke mishandeling bevrijden zoude. De hond lachte mij in mijn gezicht uit en was van oordeel, dat de knoet der kozakken naar stand of rang van een soldaat niet behoefde te vragen; ik moest mij maar geduldig in mijn lot schikken.”
Rasinski knarste van woede op de tanden. „Die beulshonden!” riep hij grimmiguit; „doch ja, zij, die zelven met zweepslagen en voetschoppen moeten geregeerd worden, kunnen ook de eer van een dapper vijand niet ontzien. Verder, verder!”
„Men zou mij wel gaarne uit den weg geruimd hebben, naar Tobolsk of Irkutsk, maar gelukkig of ongelukkig had men te weinig gevangenen gemaakt, om een transport aan te vullen, en ik werd dus door de kozakken meê rondgesleept. Voor tien minuten heeft een dozijn dier kerels hier eene, door ons in den steek gelaten batterij in de lucht doen springen; zij moeten echter door u of anderen zijn gestoord geworden, althans de helden kwamen, wat hunne kleine katten door de sneeuw loopen konden, bij de pulk, dat daar in het bosch gelegerd is, terug, en meldden, dat de vijand in vollen aantocht was. De kozak is echter slechts dapper tegen een vluchtenden, vermoeiden, weerloozen vijand. Laat men hem de tanden zien, dan zet hij het op een loopen. Dat deden ook de schurken daarboven, en zoo maakte ik van het oogenblik van verwarring gebruik, om een heenkomen te zoeken. Daar viel ik in uwe handen! Nu, uw gevangene blijf ik, Rasinski; gij behoeft niet te vreezen, dat ik u ontsnappen zal.”
„Maar gij spreekt daar van een gevecht, dat de onderkoning heeft moeten leveren. Hoe is het daarmede toegegaan?” vroeg Rasinski bekommerd.
„Ik reed,” vervolgdeRegnardmeer ernstig, „aan de zijde van den prins; wij gaven ons aan onze sombere gedachten over, die door de akelige wildernis om ons heen gedurig nieuw voedsel bekwamen. Ongeveer twee uren van Krasnoe kwam er eensklaps eene ongewone beweging onder de verstrooide, maar talrijke soldaten, die buiten rij en gelid, aan hunne eigene willekeur overgelaten, om ons heen marcheerden. Zij pakten zich opeen, vormden een klomp. Thans werden wij opmerkzaam. Daar zijn de hoogten voor ons plotseling met zwarte massa's gekroond en met schrik zien wij overmachtige strijdkrachten tusschen ons en het vaderland oprijzen, die ons den uitweg uit de sneeuwwoestijnen van Rusland met ijzeren deuren dreigen te versperren. Doch wat elk soldatenhart nog heviger ontroeren moest, deze onbeklimbare muur stapelt zich tusschen ons en onzen grooten keizer, voor den vice-koning tusschen vader en zoon op. Thans eerst ontwaren wij, dat de sneller tred onzer paarden ons korps wel omstreeks een uur achter ons heeft doen blijven, dat de weg slechts van uitgeteerde, krachtelooze, ongewapende vluchtelingen wemelt. Op hetzelfde oogenblik komt een russisch officier aanrennen en eischt, dat wij ons overgeven. Twintig duizend Russen sluiten u den weg, roept hij, vijftig kanonnen staan gereed u te verpletteren; de keizer met zijne garde is volkomen geslagen en wellicht op dit oogenblik reeds in onze handen.—Ik bespeur, dat gramschap en woede den onderkoning in zijne spraak belemmeren en hem beletten, dadelijk te antwoorden. Driftig neem ik voor hem het woord op: „Weg met u! Hebt gij twintig duizend man, wij hebben er tachtig duizend. Een fransch veldheer geeft zich niet vóór den slag over.” De Rus rijdt terug. Binnen twee minuten zijn de heuvels voor en ter zijde met batterijen beplant. Het bliksemt en eene dichte rookwolk stijgt boven de witte sneeuw op, alsof de muilen van den ijzigen Hekla om ons gaapten; een hagel van kartetsen en granaten klettert op ons neder. De ongewapende vluchtelingen pakten zich opeen, als eene schuwe kudde, die door den wolf bedreigd wordt. De onderkoning is buiten zich zelf over de verwijdering van zijn korps; hij beseft, dat hij zich aan de spits moet stellen, en toch kan hij niet besluiten, de hulpelooze schaar aan haar lot over te laten.
„De chef van zijn staf, generaalGuilleminot, drong er echter op aan dat hij zou terugkeeren, terwijl wij de onthutste manschappen bijeenverzamelden en tot tegenstandaanmoedigden. Onder de verstrooiden waren eene menigte officieren, oversten, ja zelfs generaals, die allen te voet gingen. Dezen nemen het commando over de in een oogenblik tijds gevormde compagnieën op zich. De generaal wordt kapitein, de overste luitenant, deze laatste treedt als soldaat in het gelid. Ieder behelpt zich met het wapen, dat hij bewaard heeft; slechts weinigen hebben geweren, de meesten alleen de sabel, die zij op het bivak tot houtkloven gebruikten, velen enkel den knuppel, waarop zij nog voor eenige minuten hun afgemarteld lichaam moesten voortsleepen. Maar de moed en het ontvlamde gevoel van eer vergoedden alles. Zoo rukten wij, terwijl de onderkoning terugsnelt, onverschrokken tegen den vijand op.
„Een uur lang staan wij het vuur zijner kartetsen kloekmoedig door; te vergeefs wachten wij op den onderkoning, die zich tot ons doorslaan en tot Krasnoe baan breken zoude. Hij moest eveneens door een machtigen vijand zijn aangegrepen, want wij hoorden achter en in de verte vóór ons het gedonder der kanonnen. Van Smolensko tot Krasnoe scheen de weg één slagveld te zijn. Eindelijk, daar wij voor ons uit geen redding meer zien, besluiten wij, om te keeren en tot den onderkoning door te breken, van wien dichte colonnes ons reeds begonnen af te snijden. Wij rotten in massa samen en dringen terug, weder dieper de wildernis van oud-Rusland in. De tot dicht aan den grooten weg opgerukte vijand schijnt aanvankelijk onze bedoeling niet te begrijpen; hij deinst en laat ons een eindweegs voortrukken; daar wij zijne linie voorbijsnellen, eischt hij, dat wij ons aan hem overgeven. Wij hooren niet; zij, die ons naderen, ontvangen slechts geweerschoten en sabelhouwen ten antwoord. Nu breekt zijne woede in dolle onstuimigheid los. Op hetzelfde oogenblik geven tienduizend geweren en dertig mortieren vuur op ons, en de helft onzer dapperen ligt verpletterd op de bloedige sneeuw neergestrekt. De overigen echter rukken onophoudelijk, gesloten voorwaarts; geen blik wenkt den gevallenen kameraden vaarwel toe. De vuurmonden des vijands spelen rusteloos achter ons voort; zijne kogels maaien gansche gelederen weg. Echter is een kleine schaar eindelijk gelukkig genoeg de vrienden te bereiken, die hen met open armen ontvangen. Ook ik meende het gevaar reeds ontworsteld te zijn, toen de duivel ons een pak kozakken op het lijf zendt, die thans eerst wagen nader te komen, om de verstrooide achterblijvers gevangen te nemen. Zoo geraakte ook ik in hunne klauwen—het overige weet gij.”
„Wij verheugen ons, het van u zelf gehoord te hebben,” sprak Rasinski en reikte hem de hand. „Maar de onderkoning? Weet gij iets van zijn lot?”
„Zeker, zeker, Rasinski; ware hij verongelukt, ik zou niet van mij zelf het eerst gesproken hebben. Hij vocht den ganschen dag als een leeuw—nu, gij zult er wellicht de sporen van zien. Eindelijk nam hem de duisternis in hare bescherming. Hetzij dat de Russen hem heden ontzien wilden, want, bij God! wij verkochten ons leven duur genoeg, hetzij dat zij hunne overwinning volkomen zeker achtten, althans zij deden geen beslissenden aanval, om de zaak ten einde te brengen, maar zorgden slechts, alle stellingen en uitgangen bezet te houden. Maar tegen den morgen was het nest toch ledig en de zon ging juist tijdig genoeg op, om den Russen te toonen, hoe de dappere schaar, reeds buiten de mogelijkheid van achterhaald te worden, op Krasnoe aantrok. Ik zelf zag hunne bajonetten in de morgenzon flikkeren en—spot er mede, zooveel gij wilt—maar waarachtig, ik deed een dankgebed, zooals ik er sinds mijne kinderjaren geen gedaan heb.”
„Doch hoe was die marsch mogelijk?” vroegen Rasinski en Jaromir als uit één mond.
„Ditmaal zijn wij aan u, brave Polen, onze redding verschuldigd,” antwoorddeRegnardmet aandoening; „en als Frankrijk een goed geheugen heeft, dan zal het zich zoolang er Franschen en Polen bestaan, met dankbaarheid herinneren, dat het aan u het behoud van een gansch armeekorps te danken heeft en bovendien het leven van den dappersten en menschelijksten veldheer, die immer fransche soldaten heeft aangevoerd.”
Rasinski was tot het uiterste gespannen.
„Zoo luistert! En het is de waarheid, want een stervende landsman, die helaas slechts den halven weg ter redding kon afleggen, heeft het mij verhaald. Het was nacht geworden. De onderkoning achtte zich verloren. Echter wilde hij nog eene wanhopige poging wagen, om aan den vijand te ontsnappen. Daar deze, door des prinsen bewegingen daartoe genoopt, zijn grootste macht op de linkerzijde van den weg had bijeengetrokken, besloot de veldheer hem op zijn linkervleugel, rechts van den weg namelijk, voorbij te sluipen. Met de grootste behoedzaamheid breekt hij midden in den nacht op, doch laat zijne vuren branden. Met ingehouden adem en bedachtzamen tred trekt hij midden over de sneeuwvelden langs de lange russische linie voort. Daar komt de maan, alsof alle krachten der natuur ons in dit land vijandig gezind waren, geheel onverhoeds van achter dichte, zwarte wolken te voorschijn en werpt een helder licht op de breede vlakte. De onzen zien de Russen zoo duidelijk voor zich, dat ook deze hen zoo klaar als op helder lichten dag bemerken moeten. Den dappersten zelfs ontzinkt hier den moed. Een russische schildwacht bespeurt onraad en roept aan. En thans was Frankrijks edelste veldheer, thans waren de dapperste soldaten onherroepelijk verloren geweest, wanneer niet een Pool hen gered had. Overste Kliski....”
„Ha, wakkere landsman!” viel Rasinski, die den samenhang reeds vermoedde, den verhaler met fonkelende oogen in de rede.
„Overste Kliski springt, zonder zich een oogenblik te bezinnen, uit de gelederen te voorschijn en roept den rus met eene gesmoorde stem toe: „Waanzinnige! Zult gij zwijgen! Ziet gij dan niet, dat wij van Ouwarows korps zijn en den vijand in den rug willen vallen?”
„De soldaat, in zijne volkstaal aangesproken, staat aan den grond genageld. Verscheidenen zijner kameraden, ook eenige officieren, die deze woorden mede hadden aangehoord, treden nader en wenschen een goeden avond. Kliski houdt stil, spreekt hen vriendschappelijk toe, verzoekt hun de kozakken tegen te houden, wijl hij vreest, dat deze voorbarigheid nadeelig zou kunnen worden, en wacht zoo, midden onder zijne vijanden, tot hij ziet, dat de onzen op den goeden weg zijn. Thans rent hij zijne makkers na, en binnen het uur zijn allen in veiligheid.”
In Rasinski's oogen parelden mannelijke vreugdetranen, toen hem de daad van zijn landsman verhaald werd. „Brave Kliski,” herhaalde hij nogmaals, „Polen moge altijd trotsch op u zijn. Uw naam zal onder ons in gezegend aandenken blijven!”
„Ja, Frankrijk is u oneindig veel verschuldigd, u Polen,” vervolgdeRegnard; „en het ware diep verachtelijk, indien het zulks niet eeuwig erkennen en u vergelden wilde, wanneer zich de gelegenheid daartoe aanbiedt.”
„Van wien hebt gij uw bericht?” vroeg Rasinski.
„Van kapiteinLebrunvan het veertigste regiment; een brave jongen, wien ik een beter lot had toegewenscht.”
„Ik ken hem,” sprak Jaromir niet zonder aandoening, „in Moskou hadden wij hetzelfdekwartier en deden den eersten avond nog te zamen eene wandeling.—En hij is gevallen?”
„Des morgens reeds had hij eene wonde bekomen,” hernamRegnardmet merkbare ontroering; „maar hij spande nog alle krachten in, om het op den reddingsmarsch uit te houden. Het leger was reeds in zekerheid, toen zijne krachten hem begaven; hij bleef achter en werd door de rondzwervende kozakken gevangen genomen. Het toeval deed ons elkander ontmoeten; hij verhaalde mij, wat er gebeurd was. De beestachtige behandeling, die hij ondergaan moest—want te eten gegeven heeft men ons ook niet—het bloedverlies—kortom, het werd hem te zwaar. Nu ligt hij gerust op de koude sneeuw, en duizenden met hem. Eén meer of minder—wien raakt dat! Maar—het was toch een brave jongen!”
HoezeerRegnardook moeite deed, den drogen, korten toon zijner gewone wijze van spreken te behouden, zoo konden toch zij, die hem meer van nabij kenden, uit het beven zijner stem de ontroering opmaken, door welke hij tot diep in zijn binnenste geschokt werd. De laatste dagen trouwens waren dan ook bij uitnemendheid geschikt, om den ruwsten man het hart week te maken, den ongevoeligsten soldaat het vocht in de oogen te drijven.
Inmiddels had men het bivak weder bereikt; Jaromir was in somber gepeins verdiept, want de herinnering aanLebrunriep hem alle voorvallen van den dag, die zoo noodlottig voor hem werd, met vernieuwde levendigheid voor den geest terug. Zelfs de afgrijselijke tooneelen van jammer en ellende, door welke hij zich dagelijks omringd zag, hadden slechts bleeke verven tegen die beelden der gloeiende herinnering. Zoo is elk lijden en elk geluk van den mensch in het diepste zijner ziel gegrond, en geen uiterlijk voorval prent zich zoo diep in zijne borst, als de smart en vreugde, waarvan hij zelf de oorzaak is.—VanAlisette's lot was hem intusschen nog niets bekend, daar Boleslaw, die vermoeden kon, hoe hevig het bericht daarvan hem schokken moest, het gebeurde zorgvuldig had verzwegen.
Rasinski enRegnardbegaven zich naar den maarschalkNey, die met de uiterste belangstelling de berichten aanhoorde, welke de laatste hem aangaande de gebeurtenissen van den vorigen dag kon mededeelen. Hij deed nauwkeurig onderzoek naar de sterkte en het vermoedelijk opzet van den vijand; de antwoorden konden niet geruststellend uitvallen.
„Ik zie een heeten dag tegemoet, maar hij zal een dag der eere zijn,” sprak hij op een bedaarden, vasten toon; „doch laat ons den soldaat heden nog rust gunnen; morgen zal hij tijdig genoeg gewaar worden, dat wij niet slechts alle verschrikkingen der natuur, maar ook een overmachtigen vijand te bestrijden hebben. Ik hoop, dat wij over beide zullen zegepralen. Twee uren na middernacht breken wij op.”
De beide oversten verwijderden zich; aan het wachtvuur vonden zij Boleslaw en Jaromir, de eenige officieren, die van het regiment nog in leven waren.Regnardvroeg naar Lodewijk en Bernard. Een sombere blik van Rasinski liet hem niet aan hun lot twijfelen. „Dus ook dood!” zuchtte hij en schudde het hoofd. „Deze met ijs ompantserde grond is bloeddorstiger dan een vampyr!”
Den overste berichtende, wat van het lot der beide verlorenen was bekend geworden, trachtte Jaromir hun behoud nog als niet geheel onmogelijk te doen voorkomen; doch Rasinski, vroeger nog altijd vol moed en vertrouwen, waar anderen ze reeds lang verloren hadden, schudde ongeloovig het hoofd. „Hier hoop ik niets meer,”sprak hij; „daarom vrees ik ook dáár,”—hij wees met de hand de richting aan, welke het leger nemen moest,—„wat mij zelf betreft, het ergste niet. Zoo komt alles weder te recht.”
„Mij ligt nog eene andere zorg op het hart,” dus namRegnardna eenig zwijgen het woord op. „Mijn jonge vriend dáár zal mij vergeven, zoo ik hierdoor wellicht oude, verdrietelijke herinneringen bij hem opwek; maar de ijzeren tijd dien wij thans beleven, heeft immers de lichte sporen van vorige, achteloos doorleefde dagen genoegzaam uitgewischt, om alles, wat vandaar komt, in de zee der vergetelheid te doen verzinken. Weet niemand uwer, wat vanAlisettegeworden is?”
Jaromir staarde somber voor zich uit en wikkelde zich dieper in zijn mantel. Boleslaw scheen in tweestrijd, wat te antwoorden.
„Ik had mij,” vervolgdeRegnard, die in dit opzicht met de, den meeste mannen eigene lichtzinnigheid over het onzedelijke zijner betrekking tot het meisje dacht en dus niet schroomde, rondborstig voor alles uit te komen, „ik had mij sinds dat voorval te Moskou van haar gescheiden. Dat zij lichtzinnig was, wist ik vroeger reeds, doch op zulk eene wijze kon ik niet vermoeden. Het ontbinden van onze betrekking zal waarschijnlijk ook haar zelve niet onaangenaam geweest zijn. Thans echter stel ik toch belang in haar lot en nog meer in dat van ons kind. Immers, waarom zou ik ontkennen, dat ik de vader ben? Ik zal het nimmer loochenen. Nu reeds zou ikAlisettevan de zorg voor dat kind ontheven hebben—want het arme wicht moet eene andere opvoeding ontvangen, dan de moeder het geven kan—wanneer het niet, zoolang de veldtocht duurt, bij haar het veiligst geweest was. Een vrouwelijke verzorgster had het toch noodig, en zoo was de moeder immers de naaste. Ik voorzag haar dus in Moskou van wagen en paarden en gaf haar overvloedig reisgeld. Thans echter wordt dit alles geheel ontoereikend; sedert de eerste dagen van onzen afmarsch heb ik niet het geringste van haar vernomen; hoe licht kan haar eenig ongeluk zijn overkomen. In mijne gevangenschap daar ginder had ik zoo mijne eigene gedachten, die men, helaas! vóór het mes op de keel staat, vooraf hier in dit krijgsgewoel, maar al te licht van zich afzet. Thans zal het mijne eerste zorg zijn, naar haar en het kind onderzoek te doen; want ik ben daarvoor verantwoordelijk, daar het op mijn aanhouden was, dat zij mij naar Rusland volgde; gij, mijne vrienden, zult mij voorzeker daarin behulpzaam zijn.”
Boleslaw zweeg in pijnlijke verlegenheid, want hij gevoelde diep, hoe hevig het vernemen der waarheid Jaromir ontroeren moest; doch het kind leefde, was zelfs in de nabijheid, en dit mocht voor den vader, die de zorg voor het schepseltje op zich wilde nemen, geen oogenblik verzwegen worden. Het was hem derhalve hoogst welkom, dat Jaromir, dien het gehoorde en de daardoor opgewekte herinneringen de tranen in de oogen joegen, opstond en met haastige schreden de plaats verliet.
„Hm! dat doet mij leed,” sprakRegnard, die de oorzaak giste; „ik kan evenwel niet begrijpen, hoe een man zoo weekhartig kan zijn.”
„Laten wij ons verheugen, overste,” hiermeê nam Boleslaw het woord op, „dat wij alleen zijn. Ik kan u helaas! met het lot der ongelukkige bekend maken.”
Hij verhaalde hierop het voorval, waarvan hij dezen morgen getuige geweest was, en dat hem thans eerst, nu hij vernomen had, datAlisettewerkelijk de moeder van het schuldelooze wezen was, met het diepste afgrijzen van deze aan waanzin grenzende ontaarding vervulde. Slechts de bedwelming, waarin de vreeselijkste ellende een gemoedmoest doen wegzinken, dat nooit gewoon was, zich tot iets hoogers dan het aardsche te verheffen, gaf hem eenige verklaring en verontschuldiging van deze wandaad.
„Het monster!” riepRegnardmet gloeiende verontwaardiging. „Maar waar is het kind; is het gered? Zeg mij alles!”
„Wij zullen het weinige schreden van hier in een gerusten slaap vinden,” antwoordde Boleslaw; „ik wil u derwaarts brengen.”
Hij geleidde hem naar het bivak, waar de gewonde jager, die de zorg voor het kind met de zieke weduwe eens tamboers deelde, gelegerd was. De oude soldaat stond eerbiedig op, toen hij de overste zag naderen.
„Kameraad,” stamelde deze in de hevigste gemoedsbeweging,„meer dan mijn leven ben ik u schuldig, want gij hebt mijn kind gered.”
„Zooveel had de moeder er niet voor gegeven!” antwoordde de jager. „Maar nu is het kostelijk verzorgd, heer overste! Zie hier slechts, het ligt daar en slaapt als eene kleine prinses.”
Zorgvuldig in hooi en mos gepakt, lag het in eene soort van mand, die met een lichten doek overdekt was; de weduwe van den bij Wiasma gesneuvelden tamboer zat er naast. Met diepe ontroering staardeRegnardde kleine aan en kuste haar behoedzaam op het heldere voorhoofd. Hierop wendde hij zich tot de vrouw en den jager. „Vrienden, voert God ons naar Frankrijk terug, dan kunt gij op mijne warmste dankbaarheid staat maken; ik zal vergelden, wat in mijn vermogen is. Thans ben ik arm en bloot als gij, want de Russen hebben mij uitgeplunderd. Maar houdt u aan mij; gezamenlijk zullen wij de zorg voor den kleinen engel op ons nemen. Voor het oogenblik kan ik u echter niets anders aanbieden, dan dezen dankbaren handslag.”
„Waarachtig, dat is ook het beste, heer overste,” riep de jager en sloeg duchtig toe. „Zulk eene hand, waarop men zich verlaten kan, is thans meer waard dan bergen gouds. Niet waar, gij trekt mij toch uit de sneeuw, als ik ergens blijf steken? In de laatste dagen heb ik menigeen gekend, die nog leven zou, zoo zijn kameraad niet te moe en te vertwijfeld geweest ware, om drie minuten bij hem achter te blijven en hem uit een sneeuwkuil te trekken, waarin men zich als kind honderdmaal op een dag zou hebben laten neertuimelen, om er even spoedig weer uit te springen. Op zulk eene hand, heer overste, daar rekenen wij op.—Maar goud? dat is hier niet bijster in trek. Toen wij voor vier dagen Smolensko binnentrokken, zat een kanonnier voor de poort met een klomp klinkklaar zilver, zoo groot als een kinderhoofd, en denkt gij, dat iemand er hem een brood en een flesch brandewijn voor geven wilde? Hij was blij genoeg, toen een Italiaan er hem een brokje brood zoo groot als mijne hand, en een kleinen slok uit zijne veldflesch voor aanbood, dingen met elkaar nog geensouwaard. Ja, zoo veranderen de tijden, mijn kolonel; maar een fransch soldatenhart verandert nooit. Zoo denk ik er over, heer overste! Top ik sla toe! Hand tegen hand! Met mijne wonden, hoop ik, zal het dra beter gaan, en dan kunnen wij elkander wellicht nog uit den nood helpen.”
De oude zou misschien nog een uur hebben voortgesnapt, wareRegnardhem niet in de rede gevallen met de vraag, hoe hij heette en bij welk regiment hij stond; iets dat zich onmogelijk liet gissen, daar de uniformteekens bijna geheel onkenbaar waren geworden en menig vreemd kleedingstuk de soldatendracht avontuurlijk genoeg veranderd had.
„En gij blijft met de goede vrouw daar op één wagen?” vroegRegnardverder.
„Ja zeker; zoo lang onze paarden loopen willen. Is echter het voeder nergens beter dan hier, zoo zal dat niet lang meer wezen.”
„En gij heet?”
„Jacques Desiré Pallier, heer overste! en zij is de weduweRené.”
„Goed,Pallier! Goed,madame René! Wij vinden elkander weder.—Voor heden goeden nacht, en zorgt toch, dat onze kleine warm blijft.”
Zij keerden naar het bivak terug, waar hunne vermoeidheid hen spoedig den slaap deed vinden.
Een bleek maanlicht viel door grijze wolken, de wind streek met dof gesuis over de woudtoppen en sneeuwsteppen heen, toen de krijgslieden opnieuw opbraken. Geen trom of horen verried den afmarsch. In diepe stilte, zoo luidde het bevel, maakte men zich tot den moeielijken tocht gereed.Regnardhad van den maarschalk een paard ontvangen en bleef als adjudant in zijne nabijheid. Daar men een aanval te gemoet zag, marcheerde Rasinski met de zijnen aan de spits en nam de grootste behoedzaamheid in acht.
De maarschalk was in den beginne overal tegenwoordig, waar het oogenblik zijn bijzijn vereischte; nadat de trein door zijn ontzag zooveel mogelijk geordend was, geloofde hij zich naar die plaats te moeten begeven, waar men den aanval des vijands het eerst verwachten moest.
Intusschen legde men verscheiden uren door de diepe sneeuw af, zonder op eenige wijze verontrust te worden. De koude was in de laatste dagen eenigszins minder geworden, zoodat men door haar niet meer zooveel te lijden had; het scheen zelfs, dat men dooiweder verwachten kon.—De hemel, hier en daar met dunne wolken bezet, voorspelde voor het oogenblik geen nieuwe sneeuwvlagen.—Thans begon de zon in den rug van het leger de lucht te kleuren en eene matte schemering breidde zich over het doode landschap uit. Men was er reeds aan gewoon geworden, in elke diepte, in elke maar eenigszins steile kloof weggeworpen wapens, ransels, helmen, geweren, dikwijls ook kanonnen en proviandwagens te vinden, en niet zelden lagen enkele, door verzwakking of honger ontzielde soldaten daarnaast uitgestrekt. Hier echter hoopten zich deze teekenen eener vreeselijke vernieling en verstrooiing der geregelde legermassa's op eene ontzettende wijze opeen. Hoe akelig de nacht met zijn alles omhullenden sluier ook mocht geweest zijn, de dag, die aanbrak, dreigde nog schrikverwekkender te zullen worden.
Eensklaps werd de oostelijke hemel geheel ontwolkt en de juist boven den gezichteinder oprijzende zon stond donkerrood achter het leger en wierp hare stralen als een langen bloedigen stroom over de besneeuwde vlakte. De schaduwen van menschen en paarden rekten zich als zwarte reuzenbeelden tot eene onmetelijke lengte uit en kruisten elkander in duizendvoudige verwarring. Zonderling verrast wierp elk een blik terug. Sedert langer dan een week had men het gelaat der zon niet gezien, heden vertoonde het zich weder voor het eerst; maar het liefelijk beeld, dat anders veerkracht en vreugde zelfs in de borst der versaagdsten uitstort, verwekte thans slechts schrik en huivering.
Als een gloeiend oog toch stond het daar, onder de wenkbrauw van dreigend saamgepakte wolken, en het scheen zijn zwarten sluier slechts te hebben weggeschoven, om met een vreeselijker blik op het tooneel van dood en verderf, hetwelk de aarde aanbood, neder te zien.
„Zoo ging de zon bijMosaiskop,” fluisterde Jaromir Rasinski in het oor; „de keizer noemde haar die vanAusterlitz.”
Rasinski wilde deze toespeling opzettelijk niet opmerken. „Ik geloof, dat wij een helderen dag zullen hebben,” hervatte hij daarom; „zoo de wind niet omslaat...”
Een doffe kreet van angst en verbazing, die zich voor en om hem verhief, deed hem in het midden zijner rede afbreken. Verwonderd sloeg hij het oog op en overzag nu met een enkelen blik de oorzaak der ontzetting, die de soldaten had aangegrepen. Men had juist een kleinen heuvel bestegen en zag thans de gansche vlakte voor zich uitgebreid. Daar lagen, zoover het oog reikte, de lijken van menschen en paarden, de overblijfsels van verbrijzelde veldstukken, wagens en wapenen in een zwarten mengelklomp op het witte sneeuwveld uitgestrekt.
Het was het slagveld, waar de onderkoning twee dagen vroeger van alle zijden was aangegrepen en zich zoo moedig verdedigd had.
Eene diepe stilte heerschte in de gelederen der soldaten; het vreeselijk gezicht had zich geheel onverhoeds als een reusachtig spooksel aan hunne blikken vertoond en drong, alle warme levenskracht versteenend, tot diep in hun boezem door. Zelfs geen ademtocht liet zich hooren; het was alsof niemand het wagen durfde, het plechtige zwijgen van dit lijkenveld, waar de dood zelf in de armen des winters verstijfd was, door een menschelijk geluid af te breken. Ook de maarschalk toonde eene hevige ontroering; doch slechts een oogenblik. In het volgende liet hij reeds de arendsblikken des veldheers over het landschap rondzweven en zocht den vijand in de stelling, waar hij hem met het meeste voordeel kon afwachten.
„Soldaten,” dus sprak hij de scharen aan, die dichter en dichter de hoogte opdrongen, „soldaten, hier hebben onze kameraden een dag des roems gevierd en zich midden door den vijand den weg gebaand. Hun voorbeeld strekke u ter navolging! Wellicht doet het geluk ons heden denzelfden roem verwerven.”
Ook Rasinski bleef in zijne gelaatstrekken de mannelijke vastheid behouden, die hem, uiterlijk ten minste, nimmer verliet. „Vrienden,” sprak hij tot de zijnen, „die hier neerliggen stierven een roemrijken dood. Deze sneeuw is met edel bloed gekleurd. Het moet uwe woede ontvlammen, u tot wraak aansporen. Denkt daaraan, wanneer ik u den vijand toonen kan.” Terwijl hij sprak flikkerde de heldenmoed uit zijne donkere oogen. Fier verhief hij het hoofd en onwillekeurig sloeg hij de hand aan het gevest van zijne sabel. Als een bliksemstraal schoot het vuur uit zijne oogen in het hart der krijgslieden; onder zulk een aanvoerder kon de moed niet bezwijken. De koude keten van den schrik, die een blik op dat zwijgend veld des doods om het hart had geslagen, was door dien eenen heldenblik als versmolten, en met nieuwe veerkracht repten zich de wieken van den moed.
De trein zette zich in beweging. Den zacht hellenden heuvel langzaam afdalende, kwam men het slagveld, dat men van de hoogte slechts in zijn geheel had kunnen overzien, allengs nader en bevond zich eindelijk te midden van de teekenen der verwoesting. De maarschalk reed aan de spits en overzag ernstig, maar kalm het veld des roems en des doods. Het begon thans kenbaarder te worden en liet de stellingen,welke de troepen gedurende den slag hadden ingenomen, duidelijk onderscheiden.Regnardreed naast Rasinski en wees hier en daar de dooden aan, uit welke men kon opmaken, welke regimenten hier gevochten hadden. „Daar stond de veertiende divisie,” riep hij en wees op eene plaats aan den weg, waar de blinkende platen van verbrijzelde chakots het regimentsnommer lieten onderkennen.
„Daar moet de garde van Italië hebben gevochten,” hervatte Rasinski, „want daar liggen vele dooden. Waar mogen de levenden zich thans wel bevinden?”
Deze laatste woorden sprak hij met eene gesmoorde stem, daar hij zijne bekommering niet verraden wilde; maar een blik, dien hij opRegnardwierp, gaf duidelijk genoeg te kennen, wat hij dacht.
„Hm!” mompelde deze; „Krasnoe hebben zij zekerlijk gelukkig bereikt; wat echter tusschen de morgenzon van gisteren en die van heden ligt, kan ik evenmin weten, als ik verzekeren durf, datwijmorgen nog op russische sneeuw zullen wandelen. Evenwel, zoo wij binnen het uur niet aangegrepen worden, zou ik het bijna gelooven. Maar zie eens, bid ik u, hier links van den weg.”
„Daar hebben mannen gevochten!” riep Rasinski uit; „een ellendeling, die het durft loochenen.”
Zij hadden thans, naar het scheen, dat gedeelte van het slagveld bereikt, waar het vijandelijk vuur de grootste verwoesting had aangericht. Lange rijen van dooden lagen op de sneeuw neergestrekt en tot in de verte bespeurde men roode schemering der bloedstroomen, die hier tot ijs gestold waren. Nimmer leverde eenig slagveld zulk een afgrijselijk schouwspel des doods op; de gesneuvelden schenen in de houding, waarin hun de laatste adem ontvloden was, tot roerlooze beelden versteend, om zoo, tot eene herinnering voor den versten nakomeling, als koude gedenkzuilen van den slag bewaard te blijven. Wie hunne gelaatstrekken gekend had, zou zijn vrienden spoedig hebben wedergevonden, zoo geheel onveranderd waren zij gebleven. Op bijna elk gelaat echter bespeurde men de krampachtige sporen van den doodstrijd, en de verstijvende adem des winters had wezenstrekken verhinderd, weder den stillen, vriendelijken glimlach aan te nemen, dien de scheidende ziel gewoonlijk op het aangezicht achterlaat, nadat zij den kamp met de machtige boeien des levens volstreden heeft en zich nu omhoog heft naar de gewesten des lichts. Hier was het niet zoo; het scheen of de ruwe hand des winters nog vroeger dan die des doods op de warme vormen des levens haar kouden, onuitwisbaren stempel had ingedrukt. Daarom zag men op geen verhelderd voorhoofd, op geen vriendelijk glimlachenden mond de uitdrukking der bevrijding van kwalen des levens; alle trekken waren in de diep ingesneden vouwen van de smart, van den angst der vertwijfeling en der woede blijven staan. Hoewel hij zijne aandoening uiterlijk wist te verbergen, moest de maarschalk toch waarschijnlijk aan zich zelf gevoelen, dat deze stomme wandeling door de woestenijen des doods weinig geschikt was, om den moed zijner dapperen te doen ontvonken. Elk toch zag in deze onbegraven, op het koude ijs achtergelaten krijgers, als in een profetischen spiegel, het beeld zijner eigen toekomst. Wel is waar hadden de met wonden bedekte helden den dood op honderd slagvelden in menigerlei vreeselijke gestalte onder de oogen gezien, en niet als nieuwelingen ontvingen zij den ernstigen groet, welken hij hun ook hier weder aanbood, maar vroeger rustten de gevallenen op velden der overwinning, groenden lauweren om hunne slapen, reikte de godin des roems aan levenden en dooden den krans toe en was de val ook tevens een triomf. Doch hier?—Watvalt den overblijvenden ten deel, anders dan nieuwe kwalen en worstelingen? En wat den dooden, die op den vijandelijken grond achterblijven, die geen vriendenhand met aarde bedekt, wier graf geen gedenkteeken voor de nakomelingschap versiert, die spoorloos wegzinken in het diepe rijk der vergetelheid, in het onmetelijke niets? De koele aarde neemt hunne lijken niet eenmaal in haren schoot op, maar de roofvogels des hemels, de hongerige wolven der vlakte verslinden den aanzienlijkste met den geringste, en de lentezon, die de sneeuw doet smelten, zal slechts afgeknaagde beenderen te voorschijn brengen.
Het korps was in gestadig versnelden marsch een diep dal genaderd, waarin de weg afdaalt, om van daar weder tot aan de breede vlakte van Katowa op te stijgen.
„Herkent gij dit terrein?” dus wendde Rasinski zich tot Jaromir.
Deze zag opmerkzaam in het rond en antwoordde: „Wanneer de sneeuw mij niet bedriegt, is dit de plaats, waar wij voor drie maanden Newerowskoi sloegen en den keizer op zijn geboortedag met de veroverde kanonnen een eeresalvo brachten.”
„Zeer juist,” hernamRegnard, die vraag en antwoord gehoord had; „gij hebt een goeden militairen blik, jonge vriend. Wat dunkt u, zullen wij ook nu nog victorie roepen?”
Jaromir wilde juist antwoorden, toen een dof, schoon niet ver verwijderd kanonschot de diepe stilte afbrak. Dit teeken, dat de vijand in de nabijheid was, drong als een electrieke schok in de gemoederen. Het geoefende oor der soldaten schatte dadelijk den afstand, waarop het schot gevallen was, terwijl het oog zich naar de richting wendde, in welke men het gehoord had. De gespannen verwachting, of het herhaald zoude worden, of het een aanstaand gevecht, dan slechts enkel een signaal aanduidde, was op aller gelaat te lezen. De maarschalk liet halt houden en achtte het niet raadzaam zijne manschappen juist in dit oogenblik in de diepte te doen afdalen, daar het beklimmen der steile hoogten aan de overzijde bij de uitgeputte krachten van paarden en menschen, vooral voor de artillerie, de grootste inspanning vereischen zou. Rasinski alleen kreeg bevel, met zijn weinige ruiters vooruit te rukken, ten einde op de hoogten van Katowa uit te vorschen, of de vijand zich werkelijk in de nabijheid bevond; de overige troepen legerden zich intusschen, om hunne krachten voor het op handen zijnde gevecht te verzamelen.
Rasinski had de vlakte van Katowa spoedig bereikt, maar te vergeefs zocht zijn oog den vijand. Hij ontdekte niets dan de lange, eenvormige liniën van donkere pijnbosschen, die zich in eene onafzienbare reeks langs den gezichteinder uitstrekten. Met de uiterste behoedzaamheid reed hij den grooten weg een half uur op, verdeelde vervolgens zijne manschappen en beval Jaromir de rechterzijde van den weg tot op een kanonschot te verkennen, terwijl hij zelf de linker doorzoeken wilde. Op dezen rit naderde hij den zoom van het woud. Hier bespeurde hij sporen van paarden op de sneeuw, die, hoe verder hij voortreed, gedurig talrijker werden. Dit bewees hem, dat de vijand zich in den omtrek moest ophouden, want ten deele was de hoefslag nog geheel versch. In de uiterste spanning hield hij het oog op den zoom van het woud gevestigd, dat het verderf met een diep zwijgen scheen te omhullen. Van tijd tot tijd liet hij halt houden en luisterde, of zich nergens eenig gedruisch liet vernemen; maar alles bleef stil als in de woning des doods. Plotseling fladderde een troep raven met heesch gekrijsch uit het hout op en verspreidde zich naar alle windstreken. „Die vogels zijn opgejaagd,” sprak Rasinski tot de naast hem rijdenden; „ik ben verzekerd, dat hier troepen verborgen zijn.”
„Zie, zie, overste!” riep de vlugge Bliski, terwijl hij zich bukte, om onder de takken der boomen door te zien; „waarachtig hier marcheert een troep.”
Inderdaad was men juist aan eene plaats gekomen, die een vrij uitzicht tot in het binnenste des wouds vergunde, en toen Rasinski zich tot onder den zadel nederboog, zag hij eene zwarte colonne, die zich vermoedelijk op een breeden weg midden in het bosch bevond, in de verte voorbijtrekken. In allerijl sprong hij van het paard en liet zijne geleiders vooruitrijden, opdat deze niet uit de woudopening zouden bemerkt worden. Hij zelf, op de sneeuw neergebukt, bespiedde de colonne.
Haar marsch hield een geruimen tijd aan; het was infanterie. Daar hij de diepte niet kon overzien, was het hem onmogelijk hare sterkte te schatten. Thans echter kwam ook de artillerie, en Rasinski kon zonder eenige moeite de stukken tellen. Toen hij tot dertig gekomen was, wist hij genoegzaam, dat de strijdkrachten van den vijand die des maarschalks verre overtroffen. Hij wierp zich dus weder in den zadel en haastte zich, den veldheer van het een en ander te verwittigen.
Jaromir was reeds weder bij het korps teruggekeerd, zonder een spoor van den vijand ontdekt te hebben. Daar zich een mastbosch in de nabijheid bevond, hadden de soldaten inmiddels hout gekapt en vuren ontstoken, en de maarschalk gebood hun, zich te verwarmen en te verkwikken, opdat zij te beter in staat zouden zijn den aanval des vijands te weerstaan.
Toen Rasinski thans zijne berichten overbracht, liet zich de wanhopige toestand, waarin zich het korps bevond, geen oogenblik langer betwijfelen. „Voorzeker,” sprak de maarschalk, „houden de Russen de bosschen op de hoogte van Katowa bezet en wachten slechts, dat wij ons daarboven vertoonen, om ons van alle zijden aan te tasten en, door het bezetten van dat dal hier voor ons, elken uitweg af te snijden. Doch ik hoop, dat wij er ons gelukkig zullen doorslaan. Echter moeten wij het gevecht nog eenige uren trachten te verschuiven, totdat de duisternis ons te hulp komt. Hoe laat is het?”
„Half twee,” antwoordde Rasinski.
„Goed; te vier uren is het volkomen donker. Dan willen wij opbreken. Tot zoolang kunnen wij nog uitrusten.”
Rasinski keerde tot de zijnen terug. Daar men nog een kleinen voorraad hooi en haver bezat, had Jaromir de paarden reeds laten voederen, en ook de manschappen waren bezig hun armoedigen maaltijd gereed te maken. Zoo ging een uur in bange verwachting voorbij.
„Rasinski!” riep Jaromir en sprong driftig op; „ziet gij het, daarboven op de hoogte?”
„Kozakken! Waarachtig! Maar mijn hoofd verpand ik, dat zij niet alleen zijn!”
Op den heuveltop vertoonden zich drie ruiters, die echter slechts om te verspieden schenen vooruitgezonden. Spoedig werden zij door allen bemerkt en de troepen geraakten in die onrustige beweging, men hoorde dat doffe gemompel door de gelederen loopen, waardoor zich het op handen zijn van een beslissend oogenblik gewoonlijk pleegt aan te kondigen.
„Werp u te paard, Jaromir,” gelastte Rasinski, „en rijd daar tot den woudzoom op, dan hebt gij een ruim gezicht over de landstreek.”
De jongeling, die het beste paard van allen bezat, vloog als een pijl over de sneeuwvlakte, om den last te volvoeren. Bijna nog sneller keerde hij terug en meldde, dat de gansche hoogte met kozakken bezet was, terwijl ook infanterie-colonnes uit de diepte van het bosch kwamen opdagen.
Juist reed ookRegnardvoorbij, die op bevel van den maarschalk eveneens eene verkenning gedaan had.„Wij zullen het warm krijgen, Rasinski,” riep hij; „het bosch wemelt van Russen.”
De trommen roffelden; de troepen traden onder het geweer. De ongeregelde massa's dermarketentsters, der zieken en der ongewapenden rotteden zich tot een dichten hoop samen.
„Voor ons kan de slag eene vreugde zijn,” sprak Rasinski; „maar Boleslaw en de andere gekwetsten hebben een hard lot. Wij moeten het van hen zoeken af te wenden. Doch wie komt daar?”
Een russisch officier kwam de hoogte afjagen en wuifde reeds in de verte met een witten doek.
„Wat gij verlangt, mijnheer,” mompelde Rasinski trotsch en verdrietig, „is vergeefsche moeite. Zoolang wij wapens hebben, onderhandelen wij niet.”
De maarschalk hield zich met het regelen en in slagorde stellen der troepen bezig, vloog door de gelederen, was overal zelf tegenwoordig, ordende, bemoedigde, gaf bevelen. Rasinski zond dadelijk een ruiter naar hem af, ten einde hem van het naderen van een parlementair te verwittigen. Doch nog eer de maarschalk terugkeerde, had de Rus de voorposten reeds bereikt, en daar hij Rasinski's ruiters aan hunne uniform voor Polen herkende, riep hij hun in het poolsch toe, dat zij zich aan de overmacht zouden overgeven. Maar als een grimmige leeuw sprong Rasinski op hem toe en riep: „Gij stookt onze manschappen op, gij poogt hen tot verraad over te halen! Dat is niet de rol van een parlementair, mijnheer. Gij zijt mijn gevangene!”
Verschrikt wilde de officier zijn paard omwerpen, doch reeds had Rasinski de teugels aangegrepen, en zijne toesnellende ruiters hadden den Rus zoo spoedig van alle zijden omringd, dat aan vlucht of tegenweer niet te denken was.
„Gij zoudt u aan den onschendbaren persoon eens parlementairs willen vergrijpen!” riep de Rus.
„Om onschendbaar te zijn, hadt gij op een behoorlijken afstand moeten afwachten, of het ons goeddunken zou, u als parlementair te ontvangen,” was het antwoord. „Op deze wijze mag niemand een leger in slagorde naderen, dat is tegen het krijgsgebruik.”
„Laat mij naar uw bevelhebber geleiden,” sprak de Rus; „hij zal mijne welgemeende voorslagen op prijs weten te stellen. Het onmogelijke is zelfs den dappersten onmogelijk; u blijft geen andere weg open, dan die van onderhandeling.”
„Wij zullen zien, wij zullen zien,” hernam Rasinski, die van de standvastigheid des maarschalks verzekerd was. „Daar komt de opperbevelhebber. Gij staat voor den maarschalkNey; dit zij u genoeg, om te weten, dat uwe woorden vruchteloos zullen zijn.”
De maarschalk kwam, Rasinski reed hem te gemoet en meldde, wat hij gedaan had. „Gij hebt als man van eer gehandeld,” ontving hij ten antwoord; „ik zou mij schamen, minder hooghartig te denken dan gij.—Doch ik wil den officier spreken.” Hij reed op dezen toe en vroeg hem wat hij wilde.
„De maarschalk Kutusow zendt mij,” begon de Rus; „hij zou zulk een beroemden krijgsman en veldheer den voorslag niet doen, de wapens neer te leggen, wanneer er nog een andere uitweg overbleef. Op deze omliggende hoogten staan tachtig duizend man en honderd vuurmonden. Wanneer gij twijfelt, zal het u vrijstaan, een officier te zenden, dien ik door de gelederen der onzen wil rondleiden.”
„Ik hoop uwe manschappen zelf zoo nabij te komen, dat ik hen tellen kan,” gaf de maarschalk met flonkerende oogen ten antwoord. „Zeg den vorst, dat de maarschalkNeynog nooit de wapens heeft nedergelegd, en dat de geschiedenis nimmer eene dergelijke handelwijze van hem melden zal. Daar ligt het doel, mij door plicht en eer aangewezen; ik zal mij midden door uwe gelederen den weg banen, al werden ook deze bosschen in legers herschapen!”
„Zij zullen het,” antwoordde de parlementair; maar nog eer hij ten volle had uitgesproken, deed een vreeselijk gekraak de nabijgelegen heuvels sidderen en een hagel van kartetsen kletterde op den ijsspiegel der omliggende velden neder.
„Dat is verraad!” riep de maarschalk driftig, terwijl hij het oog opsloeg en de hoogten van alle zijden met zwarte troepenmassa's en veldgeschut bekroond zag. „Onder het vuur onderhandelt men niet! Gij zijt mijn gevangene!”
De onthutste officier, die door de onvoorzichtigheid der zijnen op deze wijze werd prijsgegeven, gaf zijn degen gewillig over.
„Breng hem naar de achterhoede!” beval de maarschalk.—„GeneraalRicard, voorwaarts! Gij tast den vijand met de bajonet aan. U zij de eer gelaten van ons de baan te breken.”
De generaal met ongeveer vijftienhonderd man rukte onverschrokken voorwaarts. De kleine schaar smolt bijna weg in de onbegrensde ruimte, die voor haar lag; de onderneming, om tegen de dichte massa's van den vijand op te rukken, die als dreigende onweerswolken zich gestadig zwarter en zwarter op de hoogten samenpakten, scheen aan waanzinnigheid te grenzen. Doch de maarschalk had het bevolen, en het vertrouwen, dat de krijgslieden in hem stelden, was onbegrensd; op zijn gebod, zoo waanden zij, kon de overwinning niet achterblijven. Zonder bedenking stortten zij zich dus langs den steilen weg in de diepte neder, om aan gene zijde de hoogte te bestormen.
Inmiddels vliegt de veldheer door de gelederen der overigen en ordent hen tot den kamp.Regnardkomt op Rasinski toeijlen en gelast hem met zijn, tot op zestig man gesmolten regiment, den linkervleugel tegen de aanvallen der kozakken te dekken. De artillerie maakt front tegen den vijand en hare kleine kanonnen ondernemen het, zich tegen de vreeselijke overmacht der russische vuurmonden te verdedigen.
Op de besneeuwde heuvelkruinen, welke de vijand bezet, heerscht sinds dat eerste salvo, waarmede de aanval begonnen is, eene akelige doodsche stilte. Maar alsof de scharen, gelijk de geharnaste mannen van Cadmus, uit de aarde oprezen, werd het zwart gewemel van paarden en menschen op den witten grond gestadig dichter en dichter.