VIJFDE BOEK.

VIJFDE BOEK.HOOFDSTUK I.Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten. Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte,welwillendevrouw onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging. Maria echter kende haar en vreesde het ergste.Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen, zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare sombere mijmeringen af te trekken.Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naarTeplitzte ondernemen, welke badplaats zij jaarlijksgewoon was te bezoeken. De Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg vanPeterswaldgelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier zichtbaar waren. Zoo bereikten zij denNollendofferberg, dien zij langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare voeten uitgestrekt.Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel, in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beideMilischauers, die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den schrijnwerkerHolderen zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van denSchlossbergverlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de verte zag oprijzen.De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te bouwen, bezat Maria in eene hoogemate; het was haar een tweede natuur geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden, weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger, tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten. Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men, door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en denSchlossbergmet zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had; de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang tezitten, met eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk, toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier ben ik!”Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos is.Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden. Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven, Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde, toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist, nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer, aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde, wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere bekenden in de schoone omstreken vanTeplitzaan te treffen. Dan echter koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere badgasten zoobekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven. Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester,Arnheim, die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bijWagramzwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die zult afslaan.”„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap iets gelegen kan zijn?”„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne beden met die van den ritmeester.„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernamArnheimlevendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige oogenblikken.„Wij hebben voorgenomen,” antwoorddeArnheim, „eene kleine uitvlucht in het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken als mogelijk is. Vervolgens willen wij naarAussigrijden en van daar, de Elbe op, naar denSchreckensteinroeien. Het overige zullen wij aan de gunst van het weder overlaten.”„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten, was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht van de partij te zijn.„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede toestemming.HOOFDSTUK II.De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde, om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen. Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen, golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken, die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel, dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester, die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen. „Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde. „Voorzeker,” antwoorddeArnheim, die aan hare zijde naast het portier reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden, en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn, alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd, elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden, doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat, wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijkvergroot! Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.” Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden, drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht, konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers, waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog rustte, drongen dichter en dichter opéén envormdenweldra een rijke, veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg, dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschenTeplitzenAussiggelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden, die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadjeAussig, waar hij bij den Mariënberg verdween.Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout, scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring der verzamelden rondzwevenen beschouwde de menigvuldige gestalten, van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester, die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren. „Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd. Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag teAussigmoeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u een oogenblik alleen te laten, om bij den baronErlhofennaar de namen onderzoek te doen.”Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de oudachtiger trekken, inzonderheid deminderefrischheid der wangen, nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te begroeten.Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn poolsche dames, de oudste is eene gravin JohannaMicielska, de jongere hare pleegdochter Lodoiska.”Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer, daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en metzijn zegel insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar, dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en daar dit meerendeels huurrijtuigen uitTeplitzwaren, konden slechts weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden, te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baronErlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijkecoronaom hem verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint, van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding, waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren beploegde, opschoten,versloegen elkander om den steen, dien de roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om deTeplitzerhuurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris, als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is, dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en mij, die alsdux gregis, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze volgt.”Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij, die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen Lycurgus te onderwerpen.Erlhofenvoerde de rij eenige malen het groen rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam. Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden, datErlhofenen de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen.Zulks gebeurde ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks hadErlhofenMaria's naam genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel inTeplitz, maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf niet kan opgeven.”De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te ontmoeten, daar zij zich eene maand inTeplitzdacht op te houden. „Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn. Voorzeker kent gij hen: graafLomonden de heerVon Soren.”Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk, zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was. Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken; echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”HOOFDSTUK III.Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadjeAussig, dat zich schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde, mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd, kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”„Wij zullen zien,” sprak de baronHeilborn, een der bestuurders, „en willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk bekranst?”„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen. Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte, plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken, kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden, behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden. De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden,en schaarden zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden. Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen; eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maarHeilbornbelette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard; zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje; alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op, toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riepHeilborn, „en welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria, de ritmeester enErlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar zijn wij,” riepErlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen staande, met den statigen uitroep: „Panem et circenses!” onder de kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en snelde de reeds in huis getreden dames na.Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken wasErlhofen, ondersteund doorArnheim, Heilbornen de overige aanleggers van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden, die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was, rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest.Erlhofenscheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal nietde officesofde amicitia, dan tochde deliclisvoor te dragen, toen de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig. Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten uitvoer te brengen. Iksla dus voor een koning en eene koningin te kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”Het voorstel werd met eenparigen bijval begroet, en men ging onverwijld tot de verkiezing van een monarch over, wiens benoeming bij voorkeur aan de dames werd opgedragen.Erlhofenwas de gelukkige, die met algemeene stemmen verkozen werd, en men liet aan hem over, welke schoone hij als koningin naast zich op den troon wilde plaatsen. De gekroonde ging in eene fiere houding den kring rond, en wierp genadige, doch tevens vorschende blikken op de zwakkere helft zijner onderdanen; vervolgens trad hij met statigen ernst op de gravin Micielska toe, boog eene knie voor haar en sprak: „Die mij door het lot is toegevoegd, zij mijne gebiedster; zij deele den schoonsten troon van Europa, want hij is het minst door zorgen verontrust, met haren koninklijken gemaal.”Glimlachend reikte de gravin hem de hand, stond op, deed hem oprijzen en sprak met bevalligheid: „Ik zal heerschen, maar zooals het der vrouw betaamt, door overreding en ik eerbiedig den wil van mijn vorstelijken heer.” Een luid gejubel begroette het doorluchtige paar, dat dadelijk tot den eersten plicht der nieuwe waardigheid, het benoemen van een ministerie, overging. „De justitie,” sprakErlhofen, „houden wij aan ons. Een minister van oorlog zullen wij, hoop ik, niet van doen hebben, het finantie-wezen komt niet voor van avond in aanmerking; wel beschouwd, kunnen wij ons met huisminister en een voor de openbare vermaken tevreden stellen. Daar intusschen beider werkzaamheden zeer menigvuldig kunnen worden en het ons, naardien wij er geene betalen, op de bezoldiging niet aankomt, zoo bezetten wij deze posten twee-, drie-, viervoudig, door alle bestuurders van het feest daartoe te benoemen, terwijl wij aan ons zelven voorbehouden, hun nadere bevelen te geven.”Men was met deze schikking der nieuwe monarchen volkomen tevreden en scheen over het geheel zeer geneigd, zich aan het goeddunken van het vorstelijk paar willig te onderwerpen. Het eerste bevel luidde, dat men eene wandeling naar den Mariënberg ondernemen zoude, die, niet ver van het stadje gelegen, een verrukkelijk uitzicht op het Elbedal aanbiedt en niet moeilijk te beklimmen is. Daar gekomen, zou men het verdere bespreken. Het was een vroolijke optocht, die zich eerst langs de straten van het stadje door de gapende inwoners een weg baande en vervolgens over de lachende velden onder het lommer der boomen voorttrok. Doeken, linten en strikken wapperden lustig in het frissche koeltje, de bonte, lichte zonneschermen schemerden helder door het groene loof der struiken. De krommingen van het bergpad volgende, begon men tusschen de wijnperken en moestuinen, die de helling bekleedden, rustig opwaarts te stijgen.Erlhofentrad, de gravin aan den arm houdend, aan de spits van zijn volk vooruit; van tijd tot tijd stond hij stil, deels om te laten rusten, deels om op de schilderachtige gezichtspunten, die het dal aanbood, opmerkzaam te maken. De kruin was spoedig bereikt en vergunde, schoon geen ruim, een uiterst bevallig uitzicht op de gansche landouw. Als van een hoogen toren zag men in de straten van het stadje neder. „Wij kunnen ons rijk duidelijk overzien,” sprak de baron, met den vinger op de herberg wijzende;„ook onze gansche legermacht kunnen wij tellen, die zich daar in den vorm van een wagenbrug in de schaduw van het raadhuis op de markt heeft neergeslagen. Ik begrijp echter niet, waarom ik slechts onze naaste bezittingen tot ons gebied rekenen zou! Wat heet bezitten? Naar mijn oordeel bezit men dat alles watmen geniet, ten minste zoolang men het geniet. Derhalve strekken de grenzen van ons gebied zich tot in het onmetelijke uit; het Elbe-dal, welks schoone natuur ons heden verkwikken zal, is ontegenzeggelijk ons eigendom; en dat men tegen ons nog over de zon, die ons verwarmen, over de maan, die ons heden avond naar huis lichten moet, iets zou inbrengen kan ik mij bezwaarlijk voorstellen.”„De schoonere helft onzer bezitting,” hernam de gravin, terwijl zij vriendelijk omzag, „schijnt mij het bezielde deel onzer onderdanen te zijn; ik zal mij, als eene ware landmoeder, vooral in het welzijn van mijn volk gelukkig gevoelen.”„Inderdaad,” riepErlhofen, „uwe Majesteit heeft gelijk! Wanneer ik onze onderhoorigen beschouw, zou ik bijna durven beweren, dat geen monarch in Europa eene zoo beschaafde, rijke en zoo gehoorzame bevolking regeert. Wij hebben in onzen staat wel is waar gebrek aan de noodzakelijkste inrichtingen, maar uit zeer goede gronden. Eene politie kennen wij niet, wijl wij geen vagebonden hebben; van een gerechtshof willen wij niets weten, daar het ons aan misdadigers ontbreekt, en een advocaat zou onder ons honger lijden, want, zoolang onze troon staat, is nog geen enkel proces gevoerd. Armbesturen zijn geheel onnoodig, daar niemand bedelen wil, of het mocht om een kus zijn, en in dat geval zal men, vertrouw ik, ruime liefdadigheid uitoefenen.”„Niet te voorbarig, lieve Sire,” hervatte de gravin glimlachend, „niet te vroeg mogen wij ons over den bloeienden staat van ons rijk verheugen. Wie weet of niet spoedig tweespalt en oproer daarin losbarsten; uwe laatste vooronderstelling tenminste kon een gerechtshof, een minnehof natuurlijk, dringend noodzakelijk maken.”„Dan bekleeden wij den voorzittersstoel,” riep de baron levendig, „ik wenschte slechts, dat wij reeds een klagend liefdepaar voor ons zagen.”Onder deze gesprekken had men eene bevallige plek gevonden, die met zacht mos begroeid en door groene struiken overschaduwd eene bekoorlijke rustplaats aanbood. De koning verordende, dat men zich paar aan paar legeren zoude, en de gehoorzame onderdanen volgden dit bevel gewillig op. „Wij regelen ons, dunkt mij,” dus verhief de heerscher zijne stem, „in onze genietingen deels naar onze krachten, deels naar de wenken, die ons door de natuur zelve gegeven worden. In deze stille voormiddaguren, nu de zon hooger en hooger stijgt en de warmte allengs toeneemt, moeten wij rustend het schoone genieten. Eerst de namiddag, als met elke minuut een koeler adem de lucht verfrischt, is tot lichamelijke uitspanningen geschikt. Thans mogen kout en scherts ons bezighouden, die ons niet verhinderen, naar het zachte gegons en gezwerm der insekten te luisteren of den blik opwaarts naar de groene looverkruinen te richten, die fluisteren en suizen en zonnestraal en hemelsblauw tusschen hare kleine traliereten laten doorgluren. Een luchtig spel laat ik mij welgevallen, slechts geen dier vermoeiende, waarbij men zich buiten adem loopt en die voor een koninklijken hofstoet zoo weinig voegen.”Men was van zijne meening en de gravin, door de dames tot een voorslag uitgenoodigd bracht een pandspel tot stand. Dit gaf aanleiding tot allerlei vroolijke scherts, daar de koning die niet alleen toeliet, maar zelfs menig koene vrijheid bij de inlossing uitdrukkelijk gebood. Toen deze was afgeloopen, gelastte hij op te breken en eene nieuwe legerplaats te zoeken, waar men tegen de stralen der zon, die het dunne loofdak, waaronder men nu zat, niet meer buitensloot, geheel beschut was. Daar hij zijne ministers in verschillende richtingen als boden had uitgezonden, keerde de ritmeester na eenige minuten met de verzekering terug, dat hij een plekje had opgespoord, datalle vereischten van een aangenaam toevluchtsoord in zich vereenigde. Men volgde hem; hij ging het gezelschap op de kruin des bergs dalwaarts voor, en sloeg vervolgens een voetpad in, dat, een weinig van de hoogte afdalende, zich in eene donkere woudstreek verloor, waar steile beuken de koelste schaduw aanboden. Eene heldere bron welde uit eene rotskloof op en verzamelde zich in een door haar zelve uitgehold bekken, om vervolgens, over den rand heenstroomende, lustig in het dal neder te dartelen. De helling van den berg vormde de gemakkelijkste zitplaatsen; de met mos bekleede tronk van een ontwortelden beuk bood eene verhevenheid aan, die het koninklijk paar tot troonzetel kon dienen. Tevens was men, niettegenstaande den donkeren woudnacht, niet zonder een schoon uitzicht, daar een hooge, boogvormige opening in het boomgewelf een blik op de Elbe vergunde, aan wier anderen oever, juist te midden der door de groene takken begrensde ruimte, het slotSchreckensteinop zijne zwarte grondvesten omhoog rees. Daarenboven kon men ook recht voor zich uit in het dal nederzien, waar de golven der breede rivier als zilver door het loof heenblonken. De plaats verraste zoozeer door hare natuurlijke, schilderachtige schoonheid, dat zij door het gezelschap met een luiden kreet van bewondering begroet werd. De monarch nam op den zachten troonzetel plaats, de koningin zette zich aan zijne zijde neder, paar bij paar legerden zich de overigen in het groen en sloten eenen breeden, trapsgewijze bij de helling afdalenden cirkel om het vorstelijk paar.„Hier is het ook voor spel te schoon,” begon de koningin; „het oord is bijna te eerwaardig, om door luchtige scherts te worden ontwijd. Met genoegen zou men hier naar een verhaler of zanger luisteren, die ons van de romantische wonderen van dit dal wist kond te doen. Heeft niemand onzer onderdanen den oude dezer rots gesproken? Verscheen niemand de berggeest of de liefelijke nimf van den stroom? Heeft zij geen onzer ridders, die op de jacht van het spoor dwaalden, in het geheimzinnige duister van het woud aangesproken, den dorstende een verkoelenden laafdronk gereikt, den vermoeiden den helm ontgespt en hem met zoet gevlei uitgenoodigd, het hoofd in haren schoot te leggen? Heeft zij hem toen niet verhaald van hare sloten in de diepe rotskloof of onder de koele zilveren spiegelvlakte van het water? Heeft zij niet zoete liederen met het suizen en lispelen der bergvlieten en boomen gepaard, om hem in haren arm in slaap te wiegen? Voerde zij niemand in hare paleizen binnen; liet zij niemand den dans aanschouwen van de nimfen, hare zusters? Of is er wellicht een gelukkige onder ons, dien zij vleiend met zich lokte naar de schemerdonkere grot, om in vertrouwelijke eenzaamheid met hem te koozen? Ach ik vrees, de schoone tijd der wonderen is voorbij; nauw geeft de dichter ons nog bericht van die gulden dagen, toen goden de sterfelijken bezochten! Ware hier echter iemand, die het zelf ervaren heeft, dat de oude, schoone droomen nog immer voortduren, dat de goedige wezens, met wie onze stamvaders bevriend waren, nog altijd omwandelen, schoon ook het onheilige gedruisch en gewoel der wereld in de diepste eenzaamheid ontweken: dat hij optrede en ons verhale, wat hij gezien heeft.”Alles bleef stil; men glimlachte slechts over de bevallige wijze, waarop de gravin de feestgenooten tot het verhalen eener sage of overlevering had aangemoedigd. Eindelijk stond een jongeling op, die nauwelijks twintig jaren oud scheen, maar door zijn zacht, bescheiden en bijna vrouwelijk voorkomen, zijne schoone, blonde haarlokken en frissche, bloeiende gelaatskleur reeds vroeger de aandacht geboeid had, en sprak: „Ik ben wellicht de jongste uit dit gezelschap en durf niet hopen door mijne voordrachtbelangstelling te wekken; echter ben ik in deze bergen opgevoed en ken menig schoone sage, die hier onder het volk in aandenken is gebleven. Wanneer ik....”„O vertel, wij bidden u, vertel,” riepen vele stemmen en braken zoo de inleiding af, die hij schuw en blozend begonnen had. Ook de gravin stond op en zeide: „Dat is prijselijk, dat gij uwe gebiedster gehoorzaam zijt; maar de verhaler moet eene plaats hebben, waar ieder hem zien en hooren kan; zet u dus, zoolang de sage duurt op mijn troon neder.”De gravin had hare woorden niet kunnen voleinden, toenErlhofenreeds opsprong en uitriep:„Dat verhoede de hemel, dat mijne koningin haren troon zoude verlaten! Maar de dichter en zanger is de ware koning, want hij beheerscht de harten, vooral die der vrouwen. Hij neme dus mijn zetel in en zitte aan de zijde der koningin, wier nabijheid zijn geestdrift ontvlammen moge.”Een vroolijk handgeklap getuigde van de goedkeuring der onderdanen, en Benno, zoo heette de jongeling, nam met eene bedeesdheid en schroomvalligheid, die zijn jeugdig gelaat ongemeen goed stonden, aan de zijde der gravin plaats. Na eenig nadenken droeg hij eene, door hem zelven naar eene der volksoverlevering van het gebergte vervaardigde legende voor. Zij behelsde de geschiedenis van een door de bewoners der bergen en stroomen begunstigden jongeling, die de liefde eener in de diepte van het meer wonende jonkvrouw wint, en haar eeuwige trouw zweert. Doch hij moet zware beproevingen doorstaan; geheime krachten en machten omgeven hem van alle zijden. Schoon de geliefde hem door geheimzinnige, wondervolle geschenken en gaven tegen de betooverende werkingen in zekerheid stelt, wordt hij verblind, wordt hij ontrouw, ziet zich eensklaps door alle drogbeelden van zijn waan verlaten en in diepe ellende gedompeld. Vol vertwijfeling beneemt hij zich het leven door in dat meer te springen, op welks bodem het kristallen paleis zijner geliefde verborgen is. Sinds dien tijd zijn de blauwe baren donker en troebel geworden; en zelfs bij den heldersten hemel spiegelt de zwarte watervlakte geen enkelen zonnestraal terug.HOOFDSTUK IV.Toen Benno zijn verhaal geëindigd had, verkeerden alle gemoederen in eene zekere angstige spanning, en een diep stilzwijgen heerschte in den breeden kring. Hij had de gebeurtenis zoo levendig voorgesteld en zijne toehoorders zoo volkomen van de nabijheid der schouwplaats, waar die moest zijn voorgevallen, overtuigd, dat zij het omliggende landschap met bijna dezelfde gewaarwordingen beschouwden, die het bezoeken van de eene of andere geschiedkundig gedenkwaardige plek te weeg brengt, waar men als het ware nog de voetstappen der daar plaats gehad hebbende belangrijke voorvallen op den heiligen bodem vindt ingeprent en ze met eerbied en aandoening gadeslaat.„Bevindt zich werkelijk zoodanig meer in dezen omtrek?” Met deze vraag brak de gravin het algemeene stilzwijgen af.„Het is weinig bekend,” hervatte Benno, „en inderdaad, de plaats verdient ook nauwelijks bezocht te worden, zoo het niet om de overlevering was. Intusschen heb ik meermalenmeenen op te merken, dat onze voorouders, in weerwil van hun romantischen aanleg tot poëzie, ten opzichte der landschappen, waaraan zij hunne sagen verbonden, niet zooveel gevoel voor natuurlijk schoon ontwikkeld hebben, als men van zulke dichterlijke gemoederen wel verwachten zoude.”„Die aanklacht schijnt mij een weinig onbillijk,” merkte Maria op;„vooreerst toch vinden wij vele sporen, dat onze vaders het schoone, stoute en verhevene in de natuur wel degelijk en met bewustzijn gevoeld hebben, zooals dit ook reeds uit de namen van enkele bekende bergen, rotsen en holen genoegzaam blijkt; maar ten anderen was de overlevering toch zeker niets louter willekeurigs, en wanneer zij ook al ten deele uit de plaatselijkheid zelve geboren werd, zoo vereischte zij toch evenzeer eene gebeurtenis, eene handeling, weshalve men haar in zeker opzicht als eene geheimzinnige dochter der daad en der plaats beschouwen kan. En hoe dikwijls ziet men, dat ook de schouwplaats der gebeurtenissen ten nauwste met deze in verbinding staat.”„Gij hebt voorzeker gelijk,” antwoordde Benno een weinig blozend; „intusschen vindt men ook meermalen, dat de schoonste sprookjes aan een weinig beteekenende plaatselijkheid verbonden zijn, en dat is ook met mijne overlevering het geval. Echter beken ik gaarne, dat mijne algemeene gevolgtrekking uit deze voorbeelden eenigszins te gewaagd was.”„Dat mag zijn, hoe het wil,” sprak de gravin, „uw verhaal heeft ons een aangenaam uur verschaft. Ik, als koningin, ben verplicht den dichter van mijn minnehof te beloonen, en ik vertrouw, dat zulks op eene waarlijk vorstelijke wijze zal geschieden. Uwe overlevering is uit den zuiveren schoot der natuur ontsproten; met hare zuivere, oorspronkelijke gaven zal zij ook beloond worden. Zij verheft op eene treffende wijze de trouw, als de waarachtige ziel der liefde, en trekt zich dus inzonderheid ons geslacht aan, dat van de trouweloosheid der mannen zooveel te lijden heeft; het is dan ook billijk, dat eene vrouwelijke hand den zinrijken dichter, want als zoodanig moeten wij den verhaler beschouwen, de belooning toereike. Ik beveel dus aan al de schoone maagden van ons hof, dat zij zich opmaken, om de schoonste veldbloemen op te garen. Bij den terugkeer onzer edele jonkvrouwen zal ik zelve drie van haar uitkiezen, om een eerekrans uit de bloemen te vlechten, en vervolgens zal het lot beslissen, welke dezer drie den dichter kronen en, zoolang ons rijk duurt, zijne dame zal zijn.”Een luid gejuich van goedkeuring deed zich hooren, toen de vorstin dit besluit bekend maakte. De mannen klapten in de handen en prezen de schoone koningin, die een minnehof zoo treffelijk wist te regeeren.Erlhofengreep met kluchtige geestdrift een groenen tak als scepter, hield dien met statigen ernst omhoog en riep: „Gij, mijne volkeren! hoort! Ik hecht bij dezen aan de uitspraak mijner koninklijke gemalin het zegel mijner allerhoogste goedkeuring. Gaat dus henen, gij jonkvrouwen, en keert niet terug, eer gij ons vorstelijk rijksgebied van zijne schoonste bloemen beroofd hebt.”Na deze rede stonden de meisjes op en trokken met hare golvende schitterende kleeding het groene woud in, om op zonnige plaatsen de bloemlezing te beginnen. Vele mannen hadden grooten lust de vrouwen te geleiden, doch de vorstin verbood zulks met ernst, want op dezen tocht mochten de jonkvrouwen in haren ijver niet gestoord worden. Men kon dus slechts uit de verte zien, hoe de bevallige gestalten luchtig over het groen zweefden, nu in de struiken verdwenen, dan weder te voorschijnkwamen, zich bukten, om de geplukte bloemen in mandjes en doeken bijeen te zamelen, bij eene gelijktijdig ontdekte schoone bloem wedijverend daar op toesnelden, in één woord, al die behendigheid en vlugheid ten toon spreidden, welke der vrouwelijke jeugd in het oog van den jongeling zooveel bevalligheid verleenen.„Ziet het bosch er niet uit, alsof het door nimfen bevolkt was?” vroeg de gravin, met welgevallen het landelijk tooneel gadeslaande.„Het zijn de liefelijkste Oreaden, Dryaden, Hamadryaden, Sylfen, Elfen, Feeën en Peri's, die ik van mijn leven gezien heb,” riepErlhofenuit.Terwijl de gesprekken nog lustig voortliepen over het gelukkig lot van den dichter, over den ijver der vrouwen om hem te beloonen, over het twijfelachtige geluk van zijne gezellin te worden, hadden de nimfen korfjes en doeken gevuld en keerden tot het gezelschap terug, waar zij haren geurigen roof voor den troon uitschudden.„Zeer schoon,” sprak de gravin, met vorschende blikken den voorraad monsterende; „thans zal ik mijne kransvlechtsters benoemen.” Hare keus viel op Maria, Lodoiska enLouise, de zeer bevallige dochter van een welgesteld inwoner vanTeplitz, die door de brongasten, die in haar huis inwoonden, tot het feest genoodigd was. De drie meisjes zetten zich dadelijk in het gras neder en begonnen den krans te winden, die onder hare vlugge handen spoedig gereed was. De gravin koos hierop drie bloemen, eene wilde roos, eene korenbloem en een viooltje uit, waarvan zij, nadat de dichter geblinddoekt was, aan elk der meisjes eene ter hand stelde. Nu moest Benno kiezen; hij noemde de roos, en Lodoiska werd zijne gezellin. Deze moest dus ook den vollen, geurigen krans op des jongelings blonde lokken drukken. Maagdelijk schuw en met een lichten blos op de wangen, nam zij dien uit de hand der gravin aan; Benno boog de knie voor zijne gebiedster neder en ontving met een kloppend hart het loon voor zijne dichterlijke gave. „Moge deze krans u zoo gelukkig maken,” sprak het meisje, „als uw schoon verhaal ons hart geroerd heeft.” De bekroonde stond op, greep hare hand; drukte die met vuur aan zijne lippen en antwoordde met de een weinig veranderde woorden des dichters:„Dat slechts mijn loon u niet tot straf moog wezen!”Hij bood haar hierop den arm en geleidde haar naar hare plaats in het groen, waar hij zich aan hare zijde nederzette.Inmiddels was de zon de middaglijn genaderd en slechts de hooge gewelven der takken deden het aangenaam koel blijven. Nu werd het tijd naar het stadje terug te keeren, wilde men het middagmaal niet laten wachten.Erlhofenverklaarde dit voor de gewichtigste aangelegenheid van den dag en dreigde ieder met de gruwzaamste straffen, die hierin weerspannigheid of onwil mocht doen blijken. Deemoedig nam de gravin dus zijn arm aan, en de trein zette zich paarsgewijze, zooals hij gekomen was, in beweging, om weder in de diepte neder te dalen.De maaltijd was gereed, en in bonte rij zette men zich om den langen eikenhouten disch.Erlhofenen de gravin zaten natuurlijk voor; de eerste liet het niet aan menigvuldige toespraken ontbreken, waartoe de tafel hem genoegzame gelegenheid aanbood, en stelde ook verschillende toasten in, die algemeene toejuiching verwekten. Zulks bracht te weeg, dat de wijn, hoe spaarzaam hij ook hare schoone lippen bevochtigde, de vrouwen toch ongemerkt met zijne macht bekroop en haar tot de levendigheid en den moedwil aanzette, die, wanneer een beschaafd zedelijk gevoel ze binnen de grenzen van het schoone doet blijven, haar zoo ongemeen bekoorlijk staan. Zij verliezen danonwillekeurig slechts het te veel der bedeesdheid en zelfbeheersching, verkrijgen het open vertrouwen, dat haar den moed inboezemt, om zich ook eenmaal van ganscher harte vroolijk te toonen; en, gelijk zij zelve geheel argloos zijn, worden zij meer en meer in het geloof versterkt, dat in geen boezem op den wijden aardbodem iets onreins of misdadigs kan oprijzen of huisvesten. Dan treedt de schoone vrouwelijke natuur geheel ontslagen van die boeien te voorschijn, die toch slechts door het in onze zeden en gezindheden diep ingedrongen bederf aan hare sekse zijn opgelegd en die zij zich gedurende haar ganschen leeftijd getroosten moeten. De knellende band, waaraan zij angstvallig langs den grond plegen te fladderen, wordt verbroken, en ook zij zweven eenmaal op de vrije vlerken der vreugde in het verwijde gebied rond en wagen zich in tot hiertoe ongekende hoogten en ruimten. Eerbaarheid en deugd blijven haar als schoone, vriendelijke gezellinnen op zijde, maar beheerschen haar niet meer als vreemde, strenge gebiedsters.De warmte der zaal, hoewel door open vensters en den frisschen geur der kransen en bloemen gematigd, begon na eenigen tijd toch drukkend te worden, en weldra kostte het vooral der jeugd moeite, zich langer op de bestemde plaats te houden, hoe aangenaam die overigens ook door het gezelschap zijn mocht. Met algemeene vreugde werd dus het doorHeilbornenArnheimmedegedeelde bericht ontvangen, dat twee gondels op de Elbe gereed lagen, om de feestgenooten naar denSchreckensteinte voeren, waar men den namiddag wilde doorbrengen.Erlhofenzou wel gaarne nog eenigen tijd aan tafel vertoefd hebben, daar de voorraad champagne nog op verre na niet was uitgeput, doch het ongeduld der jongelieden was niet meer te beteugelen en zelfs zijn koninklijk gezag schoot daartoe te kort. Men brak dus op, de paren bleven geordend, gelijk zij tot hiertoe geweest waren, en de trein sloeg het pad naar den stroomoever in.De met lustig wapperende wimpels en kransen versierde gondels leverden zulk een schilderachtige vertooning op, dat men daardoor reeds de schoonste verwachting van de voorgenomen vaart opvatte. Een zachte muziek van blaasinstrumenten, door boheemsche bergwerkers uitgevoerd, liet zich uit een opzettelijk daartoe ingericht vaartuigje vernemen. De zindelijk gekleede bootslieden, wier hoeden met linten en strikken prijkte, begroetten het gezelschap met een juichend vivat; de planken werden uitgelegd, de dames wipten luchtig aan boord, de paren namen, naarmate zij elkander opvolgden, op de banken plaats; spoedig waren de gondels gevuld, de muziek gaf een luiden toon aan, onder het gejubel der verzamelde toeschouwers stiet men van wal en, met krachtige roeislagen voortgedreven, doorkliefden de ranke booten de breede watervlakte. Thans eerst, nu men het midden bereikt had, kon men recht diep in het prachtvolle wouddal nederzien, waaruit de Elbe te voorschijn bruischt. Op den achtergrond rees het stadje aan den groenen oever vriendelijk omhoog en spiegelde zich in de golven; vóór zich ontdekte men slechts donkere woudterrassen, die naar den stroom afdaalden en hun duister beeld in de diepte wierpen; ter linkerzijde werd het uitzicht door de zwarte rotsen van denSchreckensteinbegrensd, die, in schuinsche richting uit het gebergte oprijzende, zijn kruin ver over de golven neigt en de muurkroon van vervallen torens over den afgrond laat neerhangen. Eene frissche, uit het dal opkomende koelte maakte het roeien onnoodig; men kon de zeilen ontspannen en zich door hen tegen den ruischenden stroom laten opvoeren. Vliegensvlug scheen de oever de varenden voorbij te zweven en vertoonde eene lange reeks van afwisselende beelden. Nu eens gleedmen onder een hoogen bergkegel door, die zijn breede schaduwen schuins over den stroom wierp, dan weder dansten de gondels op zilveren, in helderen zonneschijn flikkerende golven, terwijl de oever, met dichte pijnen en lommerrijke eiken omzoomd, in nachtelijk duister gehuld scheen. Nu vernauwde zich de bedding, en de stroom schoot bruisend tusschen en over rotsen daarheen, dan verwijdde hij zich tot een kalm en helder meer, in welks diepte de wolken rustig voorttrokken. Na een uur had men het doel, denSchreckensteinen zijn rotsburg, bereikt.„Ik had mij de rots toch hooger voorgesteld,” sprak Lodoiska tot Benno, terwijl zij, aan den oever staande, een blik naar de torenspitsen omhoog wierp; „van verre kwam zij mij veel verhevener voor. Het is de eerste steile rots, die ik ooit gezien heb; want bij ons in Polen is het land vlak en met bosch of kreupelhout doorsneden.”„Laat ons maar eerst den top beklimmen,” hernam Benno,„en gij zult spoedig bemerken, dat de rots niet onbeduidend is. Thans, het is waar, verdwijnt zij tegen de veel hooger gebergten, die achter haar opstijgen.”Lodoiska hield nog gestadig hare oogen op de stout voorover hangende kruinspits gevestigd. „Berglanden zijn toch zeer schoon!” sprak zij na eenig zwijgen, „Polen heeft ook bergen, maar enkel in het zuidelijke deel, waar zich eenige takken van de Karpathen verheffen. Ik ben daar nooit geweest.”Een deel van het gezelschap was, terwijl beiden spraken, den weg, de hoogte op, reeds ingeslagen; ook Benno reikte dus aan zijne schoone den arm en voerde haar behoedzaam het steile bergpad op. Toen zij de rots half bestegen hadden, wilde Lodoiska zich omwenden om naar beneden te zien, doch Benno verzocht haar zulks niet te doen. „Gun mij de vreugde u boven op het schoonste punt met het overzicht van het geheel te verrassen. Ik zou u smeeken de oogen geheel te sluiten, wanneer het pad niet zoo was, dat zelfs de opmerkzaamste geleider niet voor kleine ongevallen behoeden kan. De grond is te ruw en oneffen, er liggen te veel puntige steenen in den weg, de richting verandert zich vaak te onverhoeds, om met gesloten oogen vasten voet te kunnen houden. Maar vestig uwe oogen slechts stijf op het pad voor u, tracht van u zelve te verkrijgen, dat gij noch rechts noch links uitziet, en ik durf u eene rijke vergoeding voor uwe zelfbeheersching voorspellen.”Lodoiska beloofde dit gewillig en liet zich geheel aan de leiding van den jongeling over. De overige leden van het gezelschap schertsten wel over hare gehoorzaamheid, doch daaraan stoorde zij zich niet, maar glimlachte stil voor zich heen en zeide: „Ik vertrouw mijn gids, want hij kent dit gebergte nauwkeurig en weet de schoonheden daarvan te gevoelen.” Tevergeefs zochten eenige moedwillige jongelieden hare nieuwsgierigheid gaande te maken, en roemden nu dezen blik in de diepte, dan dat uitzicht op het dal; zij bleef standvastig. Na eene kleine wandeling stond zij op de kruin en Benno geleidde haar door vervallen muurpuinen naar een hoektoren, dien men langs eenig half ingestorte trappen beklimmen moest, waarop men zich in een klein vertrek met breede venstergaten bevindt, dat zoo dicht aan den uitersten rand der rots is gebouwd, dat men geen grond onder zich gewaar wordt, maar vrij over den Elbespiegel schijnt te zweven. Eer het meisje hier intrad, had zij het oog, op Benno's raad, geheel gesloten en liet zich zoo door dezen aan het hoofdvenster plaatsen.

Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten. Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte,welwillendevrouw onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging. Maria echter kende haar en vreesde het ergste.

Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen, zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare sombere mijmeringen af te trekken.

Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naarTeplitzte ondernemen, welke badplaats zij jaarlijksgewoon was te bezoeken. De Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg vanPeterswaldgelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier zichtbaar waren. Zoo bereikten zij denNollendofferberg, dien zij langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare voeten uitgestrekt.

Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel, in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beideMilischauers, die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.

Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den schrijnwerkerHolderen zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van denSchlossbergverlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de verte zag oprijzen.

De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te bouwen, bezat Maria in eene hoogemate; het was haar een tweede natuur geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!

Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden, weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger, tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.

Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten. Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men, door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en denSchlossbergmet zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had; de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang tezitten, met eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk, toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier ben ik!”

Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos is.

Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden. Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven, Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde, toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist, nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer, aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde, wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere bekenden in de schoone omstreken vanTeplitzaan te treffen. Dan echter koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere badgasten zoobekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven. Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester,Arnheim, die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bijWagramzwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die zult afslaan.”

„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap iets gelegen kan zijn?”

„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”

Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne beden met die van den ritmeester.

„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”

„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernamArnheimlevendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.

„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige oogenblikken.

„Wij hebben voorgenomen,” antwoorddeArnheim, „eene kleine uitvlucht in het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken als mogelijk is. Vervolgens willen wij naarAussigrijden en van daar, de Elbe op, naar denSchreckensteinroeien. Het overige zullen wij aan de gunst van het weder overlaten.”

„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten, was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht van de partij te zijn.

„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”

Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede toestemming.

De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde, om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen. Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen, golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken, die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel, dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester, die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen. „Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde. „Voorzeker,” antwoorddeArnheim, die aan hare zijde naast het portier reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden, en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn, alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd, elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden, doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat, wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijkvergroot! Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.” Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden, drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht, konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers, waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog rustte, drongen dichter en dichter opéén envormdenweldra een rijke, veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg, dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.

Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschenTeplitzenAussiggelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden, die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadjeAussig, waar hij bij den Mariënberg verdween.

Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout, scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring der verzamelden rondzwevenen beschouwde de menigvuldige gestalten, van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester, die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren. „Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd. Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag teAussigmoeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u een oogenblik alleen te laten, om bij den baronErlhofennaar de namen onderzoek te doen.”

Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de oudachtiger trekken, inzonderheid deminderefrischheid der wangen, nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te begroeten.

Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn poolsche dames, de oudste is eene gravin JohannaMicielska, de jongere hare pleegdochter Lodoiska.”

Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer, daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en metzijn zegel insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar, dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en daar dit meerendeels huurrijtuigen uitTeplitzwaren, konden slechts weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden, te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baronErlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijkecoronaom hem verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint, van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding, waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren beploegde, opschoten,versloegen elkander om den steen, dien de roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om deTeplitzerhuurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris, als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is, dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en mij, die alsdux gregis, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze volgt.”

Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij, die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen Lycurgus te onderwerpen.Erlhofenvoerde de rij eenige malen het groen rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam. Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden, datErlhofenen de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen.Zulks gebeurde ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks hadErlhofenMaria's naam genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.

Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.

„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel inTeplitz, maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf niet kan opgeven.”

De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te ontmoeten, daar zij zich eene maand inTeplitzdacht op te houden. „Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn. Voorzeker kent gij hen: graafLomonden de heerVon Soren.”

Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk, zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was. Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken; echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”

Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadjeAussig, dat zich schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde, mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd, kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”

„Wij zullen zien,” sprak de baronHeilborn, een der bestuurders, „en willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk bekranst?”

„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen. Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte, plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken, kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden, behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden. De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden,en schaarden zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden. Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen; eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maarHeilbornbelette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard; zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”

Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje; alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op, toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riepHeilborn, „en welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria, de ritmeester enErlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar zijn wij,” riepErlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen staande, met den statigen uitroep: „Panem et circenses!” onder de kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en snelde de reeds in huis getreden dames na.

Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken wasErlhofen, ondersteund doorArnheim, Heilbornen de overige aanleggers van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden, die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was, rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest.Erlhofenscheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal nietde officesofde amicitia, dan tochde deliclisvoor te dragen, toen de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig. Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten uitvoer te brengen. Iksla dus voor een koning en eene koningin te kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”

Het voorstel werd met eenparigen bijval begroet, en men ging onverwijld tot de verkiezing van een monarch over, wiens benoeming bij voorkeur aan de dames werd opgedragen.Erlhofenwas de gelukkige, die met algemeene stemmen verkozen werd, en men liet aan hem over, welke schoone hij als koningin naast zich op den troon wilde plaatsen. De gekroonde ging in eene fiere houding den kring rond, en wierp genadige, doch tevens vorschende blikken op de zwakkere helft zijner onderdanen; vervolgens trad hij met statigen ernst op de gravin Micielska toe, boog eene knie voor haar en sprak: „Die mij door het lot is toegevoegd, zij mijne gebiedster; zij deele den schoonsten troon van Europa, want hij is het minst door zorgen verontrust, met haren koninklijken gemaal.”

Glimlachend reikte de gravin hem de hand, stond op, deed hem oprijzen en sprak met bevalligheid: „Ik zal heerschen, maar zooals het der vrouw betaamt, door overreding en ik eerbiedig den wil van mijn vorstelijken heer.” Een luid gejubel begroette het doorluchtige paar, dat dadelijk tot den eersten plicht der nieuwe waardigheid, het benoemen van een ministerie, overging. „De justitie,” sprakErlhofen, „houden wij aan ons. Een minister van oorlog zullen wij, hoop ik, niet van doen hebben, het finantie-wezen komt niet voor van avond in aanmerking; wel beschouwd, kunnen wij ons met huisminister en een voor de openbare vermaken tevreden stellen. Daar intusschen beider werkzaamheden zeer menigvuldig kunnen worden en het ons, naardien wij er geene betalen, op de bezoldiging niet aankomt, zoo bezetten wij deze posten twee-, drie-, viervoudig, door alle bestuurders van het feest daartoe te benoemen, terwijl wij aan ons zelven voorbehouden, hun nadere bevelen te geven.”

Men was met deze schikking der nieuwe monarchen volkomen tevreden en scheen over het geheel zeer geneigd, zich aan het goeddunken van het vorstelijk paar willig te onderwerpen. Het eerste bevel luidde, dat men eene wandeling naar den Mariënberg ondernemen zoude, die, niet ver van het stadje gelegen, een verrukkelijk uitzicht op het Elbedal aanbiedt en niet moeilijk te beklimmen is. Daar gekomen, zou men het verdere bespreken. Het was een vroolijke optocht, die zich eerst langs de straten van het stadje door de gapende inwoners een weg baande en vervolgens over de lachende velden onder het lommer der boomen voorttrok. Doeken, linten en strikken wapperden lustig in het frissche koeltje, de bonte, lichte zonneschermen schemerden helder door het groene loof der struiken. De krommingen van het bergpad volgende, begon men tusschen de wijnperken en moestuinen, die de helling bekleedden, rustig opwaarts te stijgen.Erlhofentrad, de gravin aan den arm houdend, aan de spits van zijn volk vooruit; van tijd tot tijd stond hij stil, deels om te laten rusten, deels om op de schilderachtige gezichtspunten, die het dal aanbood, opmerkzaam te maken. De kruin was spoedig bereikt en vergunde, schoon geen ruim, een uiterst bevallig uitzicht op de gansche landouw. Als van een hoogen toren zag men in de straten van het stadje neder. „Wij kunnen ons rijk duidelijk overzien,” sprak de baron, met den vinger op de herberg wijzende;„ook onze gansche legermacht kunnen wij tellen, die zich daar in den vorm van een wagenbrug in de schaduw van het raadhuis op de markt heeft neergeslagen. Ik begrijp echter niet, waarom ik slechts onze naaste bezittingen tot ons gebied rekenen zou! Wat heet bezitten? Naar mijn oordeel bezit men dat alles watmen geniet, ten minste zoolang men het geniet. Derhalve strekken de grenzen van ons gebied zich tot in het onmetelijke uit; het Elbe-dal, welks schoone natuur ons heden verkwikken zal, is ontegenzeggelijk ons eigendom; en dat men tegen ons nog over de zon, die ons verwarmen, over de maan, die ons heden avond naar huis lichten moet, iets zou inbrengen kan ik mij bezwaarlijk voorstellen.”

„De schoonere helft onzer bezitting,” hernam de gravin, terwijl zij vriendelijk omzag, „schijnt mij het bezielde deel onzer onderdanen te zijn; ik zal mij, als eene ware landmoeder, vooral in het welzijn van mijn volk gelukkig gevoelen.”

„Inderdaad,” riepErlhofen, „uwe Majesteit heeft gelijk! Wanneer ik onze onderhoorigen beschouw, zou ik bijna durven beweren, dat geen monarch in Europa eene zoo beschaafde, rijke en zoo gehoorzame bevolking regeert. Wij hebben in onzen staat wel is waar gebrek aan de noodzakelijkste inrichtingen, maar uit zeer goede gronden. Eene politie kennen wij niet, wijl wij geen vagebonden hebben; van een gerechtshof willen wij niets weten, daar het ons aan misdadigers ontbreekt, en een advocaat zou onder ons honger lijden, want, zoolang onze troon staat, is nog geen enkel proces gevoerd. Armbesturen zijn geheel onnoodig, daar niemand bedelen wil, of het mocht om een kus zijn, en in dat geval zal men, vertrouw ik, ruime liefdadigheid uitoefenen.”

„Niet te voorbarig, lieve Sire,” hervatte de gravin glimlachend, „niet te vroeg mogen wij ons over den bloeienden staat van ons rijk verheugen. Wie weet of niet spoedig tweespalt en oproer daarin losbarsten; uwe laatste vooronderstelling tenminste kon een gerechtshof, een minnehof natuurlijk, dringend noodzakelijk maken.”

„Dan bekleeden wij den voorzittersstoel,” riep de baron levendig, „ik wenschte slechts, dat wij reeds een klagend liefdepaar voor ons zagen.”

Onder deze gesprekken had men eene bevallige plek gevonden, die met zacht mos begroeid en door groene struiken overschaduwd eene bekoorlijke rustplaats aanbood. De koning verordende, dat men zich paar aan paar legeren zoude, en de gehoorzame onderdanen volgden dit bevel gewillig op. „Wij regelen ons, dunkt mij,” dus verhief de heerscher zijne stem, „in onze genietingen deels naar onze krachten, deels naar de wenken, die ons door de natuur zelve gegeven worden. In deze stille voormiddaguren, nu de zon hooger en hooger stijgt en de warmte allengs toeneemt, moeten wij rustend het schoone genieten. Eerst de namiddag, als met elke minuut een koeler adem de lucht verfrischt, is tot lichamelijke uitspanningen geschikt. Thans mogen kout en scherts ons bezighouden, die ons niet verhinderen, naar het zachte gegons en gezwerm der insekten te luisteren of den blik opwaarts naar de groene looverkruinen te richten, die fluisteren en suizen en zonnestraal en hemelsblauw tusschen hare kleine traliereten laten doorgluren. Een luchtig spel laat ik mij welgevallen, slechts geen dier vermoeiende, waarbij men zich buiten adem loopt en die voor een koninklijken hofstoet zoo weinig voegen.”

Men was van zijne meening en de gravin, door de dames tot een voorslag uitgenoodigd bracht een pandspel tot stand. Dit gaf aanleiding tot allerlei vroolijke scherts, daar de koning die niet alleen toeliet, maar zelfs menig koene vrijheid bij de inlossing uitdrukkelijk gebood. Toen deze was afgeloopen, gelastte hij op te breken en eene nieuwe legerplaats te zoeken, waar men tegen de stralen der zon, die het dunne loofdak, waaronder men nu zat, niet meer buitensloot, geheel beschut was. Daar hij zijne ministers in verschillende richtingen als boden had uitgezonden, keerde de ritmeester na eenige minuten met de verzekering terug, dat hij een plekje had opgespoord, datalle vereischten van een aangenaam toevluchtsoord in zich vereenigde. Men volgde hem; hij ging het gezelschap op de kruin des bergs dalwaarts voor, en sloeg vervolgens een voetpad in, dat, een weinig van de hoogte afdalende, zich in eene donkere woudstreek verloor, waar steile beuken de koelste schaduw aanboden. Eene heldere bron welde uit eene rotskloof op en verzamelde zich in een door haar zelve uitgehold bekken, om vervolgens, over den rand heenstroomende, lustig in het dal neder te dartelen. De helling van den berg vormde de gemakkelijkste zitplaatsen; de met mos bekleede tronk van een ontwortelden beuk bood eene verhevenheid aan, die het koninklijk paar tot troonzetel kon dienen. Tevens was men, niettegenstaande den donkeren woudnacht, niet zonder een schoon uitzicht, daar een hooge, boogvormige opening in het boomgewelf een blik op de Elbe vergunde, aan wier anderen oever, juist te midden der door de groene takken begrensde ruimte, het slotSchreckensteinop zijne zwarte grondvesten omhoog rees. Daarenboven kon men ook recht voor zich uit in het dal nederzien, waar de golven der breede rivier als zilver door het loof heenblonken. De plaats verraste zoozeer door hare natuurlijke, schilderachtige schoonheid, dat zij door het gezelschap met een luiden kreet van bewondering begroet werd. De monarch nam op den zachten troonzetel plaats, de koningin zette zich aan zijne zijde neder, paar bij paar legerden zich de overigen in het groen en sloten eenen breeden, trapsgewijze bij de helling afdalenden cirkel om het vorstelijk paar.

„Hier is het ook voor spel te schoon,” begon de koningin; „het oord is bijna te eerwaardig, om door luchtige scherts te worden ontwijd. Met genoegen zou men hier naar een verhaler of zanger luisteren, die ons van de romantische wonderen van dit dal wist kond te doen. Heeft niemand onzer onderdanen den oude dezer rots gesproken? Verscheen niemand de berggeest of de liefelijke nimf van den stroom? Heeft zij geen onzer ridders, die op de jacht van het spoor dwaalden, in het geheimzinnige duister van het woud aangesproken, den dorstende een verkoelenden laafdronk gereikt, den vermoeiden den helm ontgespt en hem met zoet gevlei uitgenoodigd, het hoofd in haren schoot te leggen? Heeft zij hem toen niet verhaald van hare sloten in de diepe rotskloof of onder de koele zilveren spiegelvlakte van het water? Heeft zij niet zoete liederen met het suizen en lispelen der bergvlieten en boomen gepaard, om hem in haren arm in slaap te wiegen? Voerde zij niemand in hare paleizen binnen; liet zij niemand den dans aanschouwen van de nimfen, hare zusters? Of is er wellicht een gelukkige onder ons, dien zij vleiend met zich lokte naar de schemerdonkere grot, om in vertrouwelijke eenzaamheid met hem te koozen? Ach ik vrees, de schoone tijd der wonderen is voorbij; nauw geeft de dichter ons nog bericht van die gulden dagen, toen goden de sterfelijken bezochten! Ware hier echter iemand, die het zelf ervaren heeft, dat de oude, schoone droomen nog immer voortduren, dat de goedige wezens, met wie onze stamvaders bevriend waren, nog altijd omwandelen, schoon ook het onheilige gedruisch en gewoel der wereld in de diepste eenzaamheid ontweken: dat hij optrede en ons verhale, wat hij gezien heeft.”

Alles bleef stil; men glimlachte slechts over de bevallige wijze, waarop de gravin de feestgenooten tot het verhalen eener sage of overlevering had aangemoedigd. Eindelijk stond een jongeling op, die nauwelijks twintig jaren oud scheen, maar door zijn zacht, bescheiden en bijna vrouwelijk voorkomen, zijne schoone, blonde haarlokken en frissche, bloeiende gelaatskleur reeds vroeger de aandacht geboeid had, en sprak: „Ik ben wellicht de jongste uit dit gezelschap en durf niet hopen door mijne voordrachtbelangstelling te wekken; echter ben ik in deze bergen opgevoed en ken menig schoone sage, die hier onder het volk in aandenken is gebleven. Wanneer ik....”

„O vertel, wij bidden u, vertel,” riepen vele stemmen en braken zoo de inleiding af, die hij schuw en blozend begonnen had. Ook de gravin stond op en zeide: „Dat is prijselijk, dat gij uwe gebiedster gehoorzaam zijt; maar de verhaler moet eene plaats hebben, waar ieder hem zien en hooren kan; zet u dus, zoolang de sage duurt op mijn troon neder.”

De gravin had hare woorden niet kunnen voleinden, toenErlhofenreeds opsprong en uitriep:

„Dat verhoede de hemel, dat mijne koningin haren troon zoude verlaten! Maar de dichter en zanger is de ware koning, want hij beheerscht de harten, vooral die der vrouwen. Hij neme dus mijn zetel in en zitte aan de zijde der koningin, wier nabijheid zijn geestdrift ontvlammen moge.”

Een vroolijk handgeklap getuigde van de goedkeuring der onderdanen, en Benno, zoo heette de jongeling, nam met eene bedeesdheid en schroomvalligheid, die zijn jeugdig gelaat ongemeen goed stonden, aan de zijde der gravin plaats. Na eenig nadenken droeg hij eene, door hem zelven naar eene der volksoverlevering van het gebergte vervaardigde legende voor. Zij behelsde de geschiedenis van een door de bewoners der bergen en stroomen begunstigden jongeling, die de liefde eener in de diepte van het meer wonende jonkvrouw wint, en haar eeuwige trouw zweert. Doch hij moet zware beproevingen doorstaan; geheime krachten en machten omgeven hem van alle zijden. Schoon de geliefde hem door geheimzinnige, wondervolle geschenken en gaven tegen de betooverende werkingen in zekerheid stelt, wordt hij verblind, wordt hij ontrouw, ziet zich eensklaps door alle drogbeelden van zijn waan verlaten en in diepe ellende gedompeld. Vol vertwijfeling beneemt hij zich het leven door in dat meer te springen, op welks bodem het kristallen paleis zijner geliefde verborgen is. Sinds dien tijd zijn de blauwe baren donker en troebel geworden; en zelfs bij den heldersten hemel spiegelt de zwarte watervlakte geen enkelen zonnestraal terug.

Toen Benno zijn verhaal geëindigd had, verkeerden alle gemoederen in eene zekere angstige spanning, en een diep stilzwijgen heerschte in den breeden kring. Hij had de gebeurtenis zoo levendig voorgesteld en zijne toehoorders zoo volkomen van de nabijheid der schouwplaats, waar die moest zijn voorgevallen, overtuigd, dat zij het omliggende landschap met bijna dezelfde gewaarwordingen beschouwden, die het bezoeken van de eene of andere geschiedkundig gedenkwaardige plek te weeg brengt, waar men als het ware nog de voetstappen der daar plaats gehad hebbende belangrijke voorvallen op den heiligen bodem vindt ingeprent en ze met eerbied en aandoening gadeslaat.

„Bevindt zich werkelijk zoodanig meer in dezen omtrek?” Met deze vraag brak de gravin het algemeene stilzwijgen af.

„Het is weinig bekend,” hervatte Benno, „en inderdaad, de plaats verdient ook nauwelijks bezocht te worden, zoo het niet om de overlevering was. Intusschen heb ik meermalenmeenen op te merken, dat onze voorouders, in weerwil van hun romantischen aanleg tot poëzie, ten opzichte der landschappen, waaraan zij hunne sagen verbonden, niet zooveel gevoel voor natuurlijk schoon ontwikkeld hebben, als men van zulke dichterlijke gemoederen wel verwachten zoude.”

„Die aanklacht schijnt mij een weinig onbillijk,” merkte Maria op;„vooreerst toch vinden wij vele sporen, dat onze vaders het schoone, stoute en verhevene in de natuur wel degelijk en met bewustzijn gevoeld hebben, zooals dit ook reeds uit de namen van enkele bekende bergen, rotsen en holen genoegzaam blijkt; maar ten anderen was de overlevering toch zeker niets louter willekeurigs, en wanneer zij ook al ten deele uit de plaatselijkheid zelve geboren werd, zoo vereischte zij toch evenzeer eene gebeurtenis, eene handeling, weshalve men haar in zeker opzicht als eene geheimzinnige dochter der daad en der plaats beschouwen kan. En hoe dikwijls ziet men, dat ook de schouwplaats der gebeurtenissen ten nauwste met deze in verbinding staat.”

„Gij hebt voorzeker gelijk,” antwoordde Benno een weinig blozend; „intusschen vindt men ook meermalen, dat de schoonste sprookjes aan een weinig beteekenende plaatselijkheid verbonden zijn, en dat is ook met mijne overlevering het geval. Echter beken ik gaarne, dat mijne algemeene gevolgtrekking uit deze voorbeelden eenigszins te gewaagd was.”

„Dat mag zijn, hoe het wil,” sprak de gravin, „uw verhaal heeft ons een aangenaam uur verschaft. Ik, als koningin, ben verplicht den dichter van mijn minnehof te beloonen, en ik vertrouw, dat zulks op eene waarlijk vorstelijke wijze zal geschieden. Uwe overlevering is uit den zuiveren schoot der natuur ontsproten; met hare zuivere, oorspronkelijke gaven zal zij ook beloond worden. Zij verheft op eene treffende wijze de trouw, als de waarachtige ziel der liefde, en trekt zich dus inzonderheid ons geslacht aan, dat van de trouweloosheid der mannen zooveel te lijden heeft; het is dan ook billijk, dat eene vrouwelijke hand den zinrijken dichter, want als zoodanig moeten wij den verhaler beschouwen, de belooning toereike. Ik beveel dus aan al de schoone maagden van ons hof, dat zij zich opmaken, om de schoonste veldbloemen op te garen. Bij den terugkeer onzer edele jonkvrouwen zal ik zelve drie van haar uitkiezen, om een eerekrans uit de bloemen te vlechten, en vervolgens zal het lot beslissen, welke dezer drie den dichter kronen en, zoolang ons rijk duurt, zijne dame zal zijn.”

Een luid gejuich van goedkeuring deed zich hooren, toen de vorstin dit besluit bekend maakte. De mannen klapten in de handen en prezen de schoone koningin, die een minnehof zoo treffelijk wist te regeeren.Erlhofengreep met kluchtige geestdrift een groenen tak als scepter, hield dien met statigen ernst omhoog en riep: „Gij, mijne volkeren! hoort! Ik hecht bij dezen aan de uitspraak mijner koninklijke gemalin het zegel mijner allerhoogste goedkeuring. Gaat dus henen, gij jonkvrouwen, en keert niet terug, eer gij ons vorstelijk rijksgebied van zijne schoonste bloemen beroofd hebt.”

Na deze rede stonden de meisjes op en trokken met hare golvende schitterende kleeding het groene woud in, om op zonnige plaatsen de bloemlezing te beginnen. Vele mannen hadden grooten lust de vrouwen te geleiden, doch de vorstin verbood zulks met ernst, want op dezen tocht mochten de jonkvrouwen in haren ijver niet gestoord worden. Men kon dus slechts uit de verte zien, hoe de bevallige gestalten luchtig over het groen zweefden, nu in de struiken verdwenen, dan weder te voorschijnkwamen, zich bukten, om de geplukte bloemen in mandjes en doeken bijeen te zamelen, bij eene gelijktijdig ontdekte schoone bloem wedijverend daar op toesnelden, in één woord, al die behendigheid en vlugheid ten toon spreidden, welke der vrouwelijke jeugd in het oog van den jongeling zooveel bevalligheid verleenen.

„Ziet het bosch er niet uit, alsof het door nimfen bevolkt was?” vroeg de gravin, met welgevallen het landelijk tooneel gadeslaande.

„Het zijn de liefelijkste Oreaden, Dryaden, Hamadryaden, Sylfen, Elfen, Feeën en Peri's, die ik van mijn leven gezien heb,” riepErlhofenuit.

Terwijl de gesprekken nog lustig voortliepen over het gelukkig lot van den dichter, over den ijver der vrouwen om hem te beloonen, over het twijfelachtige geluk van zijne gezellin te worden, hadden de nimfen korfjes en doeken gevuld en keerden tot het gezelschap terug, waar zij haren geurigen roof voor den troon uitschudden.

„Zeer schoon,” sprak de gravin, met vorschende blikken den voorraad monsterende; „thans zal ik mijne kransvlechtsters benoemen.” Hare keus viel op Maria, Lodoiska enLouise, de zeer bevallige dochter van een welgesteld inwoner vanTeplitz, die door de brongasten, die in haar huis inwoonden, tot het feest genoodigd was. De drie meisjes zetten zich dadelijk in het gras neder en begonnen den krans te winden, die onder hare vlugge handen spoedig gereed was. De gravin koos hierop drie bloemen, eene wilde roos, eene korenbloem en een viooltje uit, waarvan zij, nadat de dichter geblinddoekt was, aan elk der meisjes eene ter hand stelde. Nu moest Benno kiezen; hij noemde de roos, en Lodoiska werd zijne gezellin. Deze moest dus ook den vollen, geurigen krans op des jongelings blonde lokken drukken. Maagdelijk schuw en met een lichten blos op de wangen, nam zij dien uit de hand der gravin aan; Benno boog de knie voor zijne gebiedster neder en ontving met een kloppend hart het loon voor zijne dichterlijke gave. „Moge deze krans u zoo gelukkig maken,” sprak het meisje, „als uw schoon verhaal ons hart geroerd heeft.” De bekroonde stond op, greep hare hand; drukte die met vuur aan zijne lippen en antwoordde met de een weinig veranderde woorden des dichters:

„Dat slechts mijn loon u niet tot straf moog wezen!”

Hij bood haar hierop den arm en geleidde haar naar hare plaats in het groen, waar hij zich aan hare zijde nederzette.

Inmiddels was de zon de middaglijn genaderd en slechts de hooge gewelven der takken deden het aangenaam koel blijven. Nu werd het tijd naar het stadje terug te keeren, wilde men het middagmaal niet laten wachten.Erlhofenverklaarde dit voor de gewichtigste aangelegenheid van den dag en dreigde ieder met de gruwzaamste straffen, die hierin weerspannigheid of onwil mocht doen blijken. Deemoedig nam de gravin dus zijn arm aan, en de trein zette zich paarsgewijze, zooals hij gekomen was, in beweging, om weder in de diepte neder te dalen.

De maaltijd was gereed, en in bonte rij zette men zich om den langen eikenhouten disch.Erlhofenen de gravin zaten natuurlijk voor; de eerste liet het niet aan menigvuldige toespraken ontbreken, waartoe de tafel hem genoegzame gelegenheid aanbood, en stelde ook verschillende toasten in, die algemeene toejuiching verwekten. Zulks bracht te weeg, dat de wijn, hoe spaarzaam hij ook hare schoone lippen bevochtigde, de vrouwen toch ongemerkt met zijne macht bekroop en haar tot de levendigheid en den moedwil aanzette, die, wanneer een beschaafd zedelijk gevoel ze binnen de grenzen van het schoone doet blijven, haar zoo ongemeen bekoorlijk staan. Zij verliezen danonwillekeurig slechts het te veel der bedeesdheid en zelfbeheersching, verkrijgen het open vertrouwen, dat haar den moed inboezemt, om zich ook eenmaal van ganscher harte vroolijk te toonen; en, gelijk zij zelve geheel argloos zijn, worden zij meer en meer in het geloof versterkt, dat in geen boezem op den wijden aardbodem iets onreins of misdadigs kan oprijzen of huisvesten. Dan treedt de schoone vrouwelijke natuur geheel ontslagen van die boeien te voorschijn, die toch slechts door het in onze zeden en gezindheden diep ingedrongen bederf aan hare sekse zijn opgelegd en die zij zich gedurende haar ganschen leeftijd getroosten moeten. De knellende band, waaraan zij angstvallig langs den grond plegen te fladderen, wordt verbroken, en ook zij zweven eenmaal op de vrije vlerken der vreugde in het verwijde gebied rond en wagen zich in tot hiertoe ongekende hoogten en ruimten. Eerbaarheid en deugd blijven haar als schoone, vriendelijke gezellinnen op zijde, maar beheerschen haar niet meer als vreemde, strenge gebiedsters.

De warmte der zaal, hoewel door open vensters en den frisschen geur der kransen en bloemen gematigd, begon na eenigen tijd toch drukkend te worden, en weldra kostte het vooral der jeugd moeite, zich langer op de bestemde plaats te houden, hoe aangenaam die overigens ook door het gezelschap zijn mocht. Met algemeene vreugde werd dus het doorHeilbornenArnheimmedegedeelde bericht ontvangen, dat twee gondels op de Elbe gereed lagen, om de feestgenooten naar denSchreckensteinte voeren, waar men den namiddag wilde doorbrengen.Erlhofenzou wel gaarne nog eenigen tijd aan tafel vertoefd hebben, daar de voorraad champagne nog op verre na niet was uitgeput, doch het ongeduld der jongelieden was niet meer te beteugelen en zelfs zijn koninklijk gezag schoot daartoe te kort. Men brak dus op, de paren bleven geordend, gelijk zij tot hiertoe geweest waren, en de trein sloeg het pad naar den stroomoever in.

De met lustig wapperende wimpels en kransen versierde gondels leverden zulk een schilderachtige vertooning op, dat men daardoor reeds de schoonste verwachting van de voorgenomen vaart opvatte. Een zachte muziek van blaasinstrumenten, door boheemsche bergwerkers uitgevoerd, liet zich uit een opzettelijk daartoe ingericht vaartuigje vernemen. De zindelijk gekleede bootslieden, wier hoeden met linten en strikken prijkte, begroetten het gezelschap met een juichend vivat; de planken werden uitgelegd, de dames wipten luchtig aan boord, de paren namen, naarmate zij elkander opvolgden, op de banken plaats; spoedig waren de gondels gevuld, de muziek gaf een luiden toon aan, onder het gejubel der verzamelde toeschouwers stiet men van wal en, met krachtige roeislagen voortgedreven, doorkliefden de ranke booten de breede watervlakte. Thans eerst, nu men het midden bereikt had, kon men recht diep in het prachtvolle wouddal nederzien, waaruit de Elbe te voorschijn bruischt. Op den achtergrond rees het stadje aan den groenen oever vriendelijk omhoog en spiegelde zich in de golven; vóór zich ontdekte men slechts donkere woudterrassen, die naar den stroom afdaalden en hun duister beeld in de diepte wierpen; ter linkerzijde werd het uitzicht door de zwarte rotsen van denSchreckensteinbegrensd, die, in schuinsche richting uit het gebergte oprijzende, zijn kruin ver over de golven neigt en de muurkroon van vervallen torens over den afgrond laat neerhangen. Eene frissche, uit het dal opkomende koelte maakte het roeien onnoodig; men kon de zeilen ontspannen en zich door hen tegen den ruischenden stroom laten opvoeren. Vliegensvlug scheen de oever de varenden voorbij te zweven en vertoonde eene lange reeks van afwisselende beelden. Nu eens gleedmen onder een hoogen bergkegel door, die zijn breede schaduwen schuins over den stroom wierp, dan weder dansten de gondels op zilveren, in helderen zonneschijn flikkerende golven, terwijl de oever, met dichte pijnen en lommerrijke eiken omzoomd, in nachtelijk duister gehuld scheen. Nu vernauwde zich de bedding, en de stroom schoot bruisend tusschen en over rotsen daarheen, dan verwijdde hij zich tot een kalm en helder meer, in welks diepte de wolken rustig voorttrokken. Na een uur had men het doel, denSchreckensteinen zijn rotsburg, bereikt.

„Ik had mij de rots toch hooger voorgesteld,” sprak Lodoiska tot Benno, terwijl zij, aan den oever staande, een blik naar de torenspitsen omhoog wierp; „van verre kwam zij mij veel verhevener voor. Het is de eerste steile rots, die ik ooit gezien heb; want bij ons in Polen is het land vlak en met bosch of kreupelhout doorsneden.”

„Laat ons maar eerst den top beklimmen,” hernam Benno,„en gij zult spoedig bemerken, dat de rots niet onbeduidend is. Thans, het is waar, verdwijnt zij tegen de veel hooger gebergten, die achter haar opstijgen.”

Lodoiska hield nog gestadig hare oogen op de stout voorover hangende kruinspits gevestigd. „Berglanden zijn toch zeer schoon!” sprak zij na eenig zwijgen, „Polen heeft ook bergen, maar enkel in het zuidelijke deel, waar zich eenige takken van de Karpathen verheffen. Ik ben daar nooit geweest.”

Een deel van het gezelschap was, terwijl beiden spraken, den weg, de hoogte op, reeds ingeslagen; ook Benno reikte dus aan zijne schoone den arm en voerde haar behoedzaam het steile bergpad op. Toen zij de rots half bestegen hadden, wilde Lodoiska zich omwenden om naar beneden te zien, doch Benno verzocht haar zulks niet te doen. „Gun mij de vreugde u boven op het schoonste punt met het overzicht van het geheel te verrassen. Ik zou u smeeken de oogen geheel te sluiten, wanneer het pad niet zoo was, dat zelfs de opmerkzaamste geleider niet voor kleine ongevallen behoeden kan. De grond is te ruw en oneffen, er liggen te veel puntige steenen in den weg, de richting verandert zich vaak te onverhoeds, om met gesloten oogen vasten voet te kunnen houden. Maar vestig uwe oogen slechts stijf op het pad voor u, tracht van u zelve te verkrijgen, dat gij noch rechts noch links uitziet, en ik durf u eene rijke vergoeding voor uwe zelfbeheersching voorspellen.”

Lodoiska beloofde dit gewillig en liet zich geheel aan de leiding van den jongeling over. De overige leden van het gezelschap schertsten wel over hare gehoorzaamheid, doch daaraan stoorde zij zich niet, maar glimlachte stil voor zich heen en zeide: „Ik vertrouw mijn gids, want hij kent dit gebergte nauwkeurig en weet de schoonheden daarvan te gevoelen.” Tevergeefs zochten eenige moedwillige jongelieden hare nieuwsgierigheid gaande te maken, en roemden nu dezen blik in de diepte, dan dat uitzicht op het dal; zij bleef standvastig. Na eene kleine wandeling stond zij op de kruin en Benno geleidde haar door vervallen muurpuinen naar een hoektoren, dien men langs eenig half ingestorte trappen beklimmen moest, waarop men zich in een klein vertrek met breede venstergaten bevindt, dat zoo dicht aan den uitersten rand der rots is gebouwd, dat men geen grond onder zich gewaar wordt, maar vrij over den Elbespiegel schijnt te zweven. Eer het meisje hier intrad, had zij het oog, op Benno's raad, geheel gesloten en liet zich zoo door dezen aan het hoofdvenster plaatsen.


Back to IndexNext