ZEVENDE BOEK.HOOFDSTUK I.De geweldige aandoeningen, die in een zoo kort tijdsbestek Feodorowna's boezem geschokt hadden, moesten haar, niettegenstaande de vrome gelatenheid en zedelijke sterkte, waarmede zij zich aan haar lot onderwierp, toch eindelijk overweldigen. Zij was op het ziekbed neergezonken; eene hevige koorts gloeide in de tot het uiterste gespannen zenuwen; de geneesheer hield haren toestand voor gevaarlijk. Tot geen prijs wilde Axinia thans van de zijde der dierbare gebiedster wijken, hoewel zij met recht de bangste vrees voor haar eigen lot moest koesteren, wanneer Feodorowna bezwijken mocht, eer zij met haren Paul het land verlaten had. Te minder nog kon zij zich aan dezen plicht der dankbaarheid onttrekken, daar de kranke slechts hare nabijheid en oppassingdulddeen dadelijk in een onrustigen en dus gevaarlijken toestand verviel, wanneer iemand anders hare legerstede naderde. De tegenwoordigheid der moeder vooral scheen haar telkens sterker te ontroeren en vervulde haar eindelijk met een zoo hevigen angst, dat zij tot woeste ijlhoofdigheid oversloeg, wanneer zij deze slechts in de verte bespeurde. In kalmer oogenblikken mochtJeannettede uitgeputte Axinia vervangen; maar niet zoodra verhief zich de hitte der koorts weder, of, met de aan kranken eigen onstuimigheid, vorderde zij de zusterlijke verpleging van de vriendin harer jeugd. Bijna eene maand ging op deze treurige wijze voorbij; eindelijk begon Feodorowna langzaam te herstellen, doch was door de ziekte zoo uitgeput, dat men nog altijd voor haar leven te duchten had. Schoon toch de hevige aanvallen der koorts geweken waren, scheen het nog immer twijfelachtig, of het lichaam kracht genoeg zou hebben, om de uitterende afmatting te boven te komen.—Het zachte jaargetijde was echter van eene heilzame uitwerking; de Julimaand met haar koesterenden zonnegloed, die zelfs der noordsche aarde een groenend tapijt ontlokt, deed de kwijnende kiem des levens tot nieuwe bloesems ontspruiten. Feodorowna genas, bijna tegen haren wil, en had niet het diep verborgen lijden, dat aan haar hart knaagde, zijne sporen om wang en lip ingedrukt en den helderen gloed van haar blauw oog eenigszins verduisterd, zoo zou de schoone gestalte weder zoo liefelijk ontloken zijn als eene roos, waarin nog de droppen van een voorbijgetogen onweder glanzen. Maar zij was niet verfrischt door den dauw des hemels, zij was slechts door zijne stormen geknakt.Wie zelf lijdt, heeft een gevoelig hart voor de wenschen en het lijden van anderen. Zoo gevoelde ook Feodorowna, datthans haar eerste plicht was,het laatste dreigende wolkje van den hemel van Axinia's geluk te verdrijven en de verbintenis en afreis der gelieven te bespoedigen. Gregorius gaf het jonge paar de kerkelijke inzegening, denzelfden dag nog verliet het, rijkelijk begiftigd, het grafelijk slot, om zich midden door het gewoel van den oorlog den weg te banen tot vreedzaam geluk onder een zachteren hemel.Feodorowna stond nu geheel alleen; want niettegenstaande het onmetelijke offer, dat zij gebracht en de gewillige gehoorzaamheid, waarmede zij zich aan het gebod der ouders onderworpen had, bleef de moeder nog even koel als voorheen en scheen niet eenmaal medelijden te gevoelen met het lijden, dat Feodorowna om harentwille zoogeduldig droeg. Het is waar, zij had zich nooit anders betoond en de innigste liefde der dochter ook in vroeger jaren niet dan met eene hoofsche vriendelijkheid beantwoord; maar Feodorowna was daaraan gewoon geworden en had in deze koude vormen slechts het overwicht van het moederlijk aanzien erkend en geëerbiedigd; doch gevoelde thans, dat een beminnend, zich opofferend kind een ander moederhart eischen mag. Zoo veranderde ook hare liefde in een bangen, schuwen eerbied, en wat gedurende de ziekte zoo kenbaar gebleken was, liet ook thans nog duidelijke sporen achter; een angstige rilling greep haar aan, wanneer zij zich in de nabijheid van diegene bevond, bij wie haar gewond hart troost en verzachting had moeten vinden.Ochalskoi en Dolgorow waren bij de armee; in de eerste dagen van Augustus schreef de laatste, dat hij binnenkort op het goed zoude komen, ten einde het huwelijk tusschen zijne dochter en den vorst te voltrekken. De verhinderingen, die zulks tot hiertoe belet hadden, waren grootendeels in de familie-betrekkingen van Ochalskoi gelegen, die, ten gevolge van een verdrag, dat sinds onheuchelijke jaren in zijn geslacht bestond, de toestemming van eenige naastbestaanden noodig had, eer hij zich in den echt kon begeven. Daar het belang van sommigen hunner hierbij ten deele in het spel kwam en zij uit baatzuchtige inzichten eene vereeniging van den graaf met eene nadere verwante gewenscht hadden, had het moeite gekost hunne bezwaren uit den weg te ruimen, en was Ochalskoi niet zonder belangrijke opofferingen daarin geslaagd. Thans was hem een verlof van drie dagen toegestaan, om zijne echtverbintenis te sluiten, waarop zijne jonge gade met hare moeder terstond over Kaluga naar zijne goederen in Azië zou afreizen, om geheel uit de onrustige landstreek van het krijgstooneel verwijderd te zijn. Dit was juist op het tijdstip, dat de groote russische armee zich in allerijl naar Smolensko had teruggetrokken, ten einde niet door den franschen keizer afgesneden te worden. In den nacht na haren reeds ten deele volbrachten aftocht naar Moskou kwamen Dolgorow en Ochalskoi op het kasteel aan. Den volgenden middag zoude Gregorius het jonge paar inzegenen, de viering van den bruidsnacht moest hierop naar Dolgorows uitdrukkelijke begeerte nog op het kasteel plaats hebben, maar den morgen daarna zouden de mannen zich dadelijk weder naar het leger terugbegeven, terwijl de vrouwen over Jelnia en Kaluga hare reis naar Ochalskoi's goederen aannamen.Zoo was dan het verschrikkelijk oogenblik gekomen, dat Feodorowna den duisteren kerker zag ontsluiten, waarin zij haar leven verzuchten zoude. Zelfs de zoete troost, dat zij door dit offer den grond gelegd had tot het geluk van anderen, werd krachteloos bij de naderende werkelijkheid. Tranen had de ongelukkige niet meer te vergieten; slechts met eene koude ijzing blikte zij in de toekomst. Alles vereenigde zich, om den dag recht vreeselijk te maken. In de verte de doffe donder van het geschut uit de belegerde vesting, trad zij aan het venster van haar vertrek, nog altoos talrijke ruiterscharen, die als de laatste afdeelingen der terugtrekkende groote armee, op den, een half uur van het slot verwijderden landweg naar Moskou in woeste zwermen voorbijtogen. Het gezicht dezer horden van Tartaren, Baschkiren, Kozakken en andere barbaarsche volksstammen, in wier midden zij voortaan hare dagen zou slijten, vervulde haar met schrik en afgrijzen. „O, waarom heb ik schooner landen, zachter zeden, edeler, beschaafder menschen leeren kennen!” zuchtte zij uit eene beklemde borst. „Gelukkig gevoelde ik mij ook dáár niet; slechts korte, schoone droomen verlichtten voor oogenblikken den donkeren nacht mijns levens. Slechts éénmaal had ik eenzaligen droom! En nu! Gij zacht flonkerende leidstar op mijn donker pad, die zoo snel weder in de diepste duisternis verdwenen zijt, gij edele gestalte, die mij eens zoo liefderijk de hand bood, gij vriend in bitteren nood, wien mijn hart eeuwig zal toebehooren—o vergeef mij het verraad, waaraan ik mij thans tegen u schuldig maak!—Gij zijt de leidsman mijns levens, sprak eene heilige stem van dankbaarheid en liefde in mijne borst, u, u alleen is mijn aanzijn gewijd, riep het luid in mijn binnenste, en toch—het was eene ijdele begoocheling! De hand der Voorzienigheid, die ik vertrouwde, verscheurde den band; een woeste storm verdreef de beelden van den schoonen droom, het floers van nacht en vergetelheid omhult alles!”In droef gepeins verloren stond de rampzalige bruid aan het venster en staarde op het woeste landschap, dat door het gewoel van den krijg verlevendigd, naar den donkeren hemel, die door de wolken van den slag verduisterd werd. Eensklaps voelde zij een zachte hand op haren schouder. Het wasJeannettemet het bruidskleed over den arm. Feodorowna's knieën knikten, echter uitte zij geen luiden klaagtoon, maar liet zich geduldig optooien als een offer, dat naar het outer gevoerd wordt.Juist hadJeannettehaar den krans op de lokken gedrukt, toen Ochalskoi binnentrad, om haar te begroeten en naar de kerk te geleiden, waar Gregorius hen wachtte. Wanneer de nood daar was, vond Feodorowna heldensterkte in hare groote ziel. Ernstig, zwijgend, doch zonder te wankelen, zweefde zij aan Ochalskoi's arm de breede trappen af. In de zaal werd zij door hare ouders en de verzamelde gasten opgewacht. Het waren slechts eenige naverwante leden van beide familiën, meest bejaarde mannen van hoogen rang, en verscheidene generaals, die men op het feest genoodigd had. Met het bruidspaar aan de spits, begaf men zich in statigen optocht naar de kerk. De dorpelingen waren van alle zijden toegevloeid en vormden eene straat, door welke Feodorowna, met weemoedige vriendelijkheid groetende, voorttrad. Men had bloemen op het pad gestrooid; zij konden den donkeren afgrond niet bedekken, dien de bruid aan hare voeten geopend zag. Ook de gasten en de menigte waren ernstig, want een bruiloftsfeest, waarop de plechtige toon der kerkklokken zich met het gedonder van den naburigen slag vermengt, waarop duizende bloedige offers op den achtergrond vallen, terwijl woorden van vrede en zegening van de lippen vloeien,—zulk een bruiloftsfeest is waarlijk niet vroolijk te noemen. Gregorius sprak met ernst, aandoening en warmte; alles luisterde in ademlooze stilte. Spoedig was de kerkelijke plechtigheid geëindigd, en men begaf zich langs denzelfden weg naar het slot terug, waar het middagmaal de gasten wachtte.Gedurende den maaltijd hield het donderen der vuurmonden aan, ja werd nog heviger. De gravin werd angstig en vroeg, of het niet raadzamer zoude zijn, terstond op te breken.„Wij zijn hier volkomen in zekerheid,” antwoordde een oude generaal; „Smolensko is de sleutel van dezen weg. Zoolang die poort niet geopend is, kan de vijand niet verder voortdringen. Tegen kleine overvallen zijn wij door de kozakken gedekt, die nog in tallooze zwermen den rivieroever bewaken.”„Ik wenschte toch,” sprak Dolgorow met sombere blikken, „dat men meer ernstige aanstalten tot verdediging gemaakt had, ofschoon het met mijne familieplannen zeer goed overeenkomt, dat het niet gebeurd is, daar ik anders bezwaarlijk een dag zou gevonden hebben, waarop mij de uithuwelijking van mijne dochter mogelijk geweest was. Maar het welzijn van het vaderland acht ik hooger, en dat zou, dunkt mij,dringend gevorderd hebben, dat men hier, waar alles ons gunstig is, een slag had aangenomen. Ik kan mij, dit beken ik rondborstig, niet met de inzichten van den veldmaarschalk vereenigen, die slechts in den terugtocht zijn heil zoekt.”„En voorzeker niemand van ons,” antwoordde de generaal met nadruk. „Ware graaf Barclay de Tolly een geboren Rus, dan zou hij den smaad van ons vaderland ook niet zoo geduldig verdragen. Doch hier, waar ik slechts echte Russen bijeen zie, kan ik wel een woord in vertrouwen spreken. Ik geloof, dat het den langsten tijd zoo geduurd zal hebben; men verzekert, dat de keizer aan de dringende voorstellen van alle standen en van de hoogste staats-ambtenaren eindelijk gehoor gegeven en besloten heeft, het opperbevel aan een ander op te dragen.”„Aan vorst Bagration?” vroeg Dolgorow driftig.„Ik mag hem nog niet noemen,” was het antwoord; „doch het is een edel, waardig Rus, en men is reeds in onderhandeling met hem getreden. Voor een krijgsmakker van Suwarow zal het bewaard zijn, Ruslands ouden wapenroem te handhaven.”„Dan is het vorst Kutusow en geen ander,” riep Ochalskoi met vuur. „Den waardigen grijsaard, hij worde onze veldheer of niet, zij dit glas toegebracht!” Tegelijk stond hij op en hief den gevulden beker omhoog; alle mannen volgden zijn voorbeeld en klonken.„Wie ook onze aanvoerder zijn moge,” sprak Dolgorow met krachtige stem, „wij willen onzen dronk zoo inrichten, dat hij altijd een waardigen geldt: De zoon van Rusland, dien de smaad des vaderlands bloedig wreekt!”„Hij leve!” riepen de mannen en ledigden hunne glazen.De gravin Dolgorow stond op; in hare oogen fonkelde een ongewoon vuur; de anders zoo koude trekken verlevendigden zich. „Zoo wil ook ik aan de oud-vaderlandsche gewoonte indachtig zijn,” sprak zij, „en gij, Feodorowna, volg mijn voorbeeld.” Onder deze woorden rukte zij den sluier van haar hoofd, scheurde dien door midden en verdeelde de stukken onder de naast haar zittende mannen. Ook de bruid nam den sluier, waaronder zij tot hiertoe haar bleek gelaat had trachten te verbergen, van het hoofd. Een lichte blos kleurde hare wangen, toen zij hem in stukken scheurde en verdeelde. „Neem, mijn gemaal,” sprak zij met eene bevende stem, „dit aandenken uwer achterblijvende gade met u in den kamp, ontvangt ook gij het, waardige helden van mijn vaderland! Moge het u in het uur des gevaars herinneren, dat op uwe dapperheid de edele verplichting rust, om het heiligdom van vrouwelijke onschendbaarheid voor Ruslands dochteren te verdedigen, en dat u de vurigste dankbaarheid wacht, wanneer gij, met lauweren bekranst, ons eenmaal dit teeken der inwijding tot den kampstrijd vlekkeloos en door edel vaderlandsch bloed geheiligd terugbrengt.”Feodorowna sloeg de schoone oogen neder, toen zij deze woorden tot den grijzen krijgsman richtte, die de eereplaats aan hare rechterzijde had ingenomen. Deze greep hare hand, kuste ze vurig en antwoordde: „Met een aandenken uit zulk eene hand gaat men den slag even vroolijk als een bruiloftsfeest te gemoet. Spoedig hoop ik, schoone vorstin, dit teeken, met echt russisch bloed versierd—want daarop zoude ik trotsch zijn—te kunnen terugbrengen, om het, naar de gewoonte van ons vaderland, te zien ingelost.”Een hooger rood kleurde de wangen der jonge gade, want de vergunning om driemaal de frissche lippen der vrouw of jonkvrouw te kussen, wier veldteeken men aldus geverfd terugbracht, mocht den dapperen zoon des vaderlands door geene dochter uit Ruriks stam geweigerd worden; een gebruik, dat, schoon lang uit de zeden des tijdsverdwenen, in de geschiedkundige overlevering was bewaard gebleven en thans weder in het leven werd teruggeroepen. Bij gewichtige gelegenheden toch plegen de volken zich hunne oude gebruiken weer levendiger en dankbaarder te herinneren; dikwijls niet zonder innerlijk zelfverwijt, dat zij zoo lang, met zekere trouweloosheid jegens hunne waardige voorvaderen, de heilige overleveringen vergeten en veronachtzaamd hadden.Het was avond, toen de gasten van tafel opstonden en zich in de aangrenzende vertrekken verdeelden. Met angstige beklemdheid zag Feodorowna het uur nader en nader komen, waarin zij, alleen niet haren echtgenoot, den laatsten vreeselijken strijd met haar hart zoude te kampen hebben. Zij had zich juist in een nevenvertrek begeven, om, van het gezelschap verwijderd, eenige oogenblikken met hare sombere gedachten alleen te zijn, toenJeannettehaar kwam berichten, dat vader Gregorius op hare kamer wachtte en dringend verlangde haar te spreken. Hoe gaarne haastte zich Feodorowna, den wensch van den eerwaardigen, geliefden grijsaard te vervullen! Ach, haar gansche hart drong haar tot hem; want van hem alleen hoopte zij troost en sterkte voor de zware beproeving, die haar te wachten stond.—Zij vond hem op hare kamer; zijn gelaat was ernstiger dan gewoonlijk.„Mijne dochter,” sprak hij haar aan, „het uur is gekomen, dat ik u van hoogst gewichtige dingen spreken moet. Gij zijt onherroepelijk de gade van vorst Ochalskoi, want de plechtige inzegening heeft u voor het oog van God vereenigd. De dood alleen kan dien band verscheuren.”„O mijn goede vader,” viel Feodorowna hem in de rede, „ik weet het; maar ik zal in mijn plicht niet wankelen. Hem, aan wien mijn woord mij, hoewel met een wederstrevend hart, verbonden heeft, zal ik getrouw en onderdanig zijn tot aan het einde mijner dagen. Ach, ik hoop, het zal niet lang zijn!” Door smart overweldigd leunde zij het moede hoofd aan de borst van den grijsaard.„Het is niet dat, waarover ik u spreken wil, lieve dochter,” hernam hij; „want van de kracht uwer deugd ben ik verzekerd. Ik kwam om u een geheim te openbaren, dat uwe voedster Ruschka op haar sterfbed onder het zegel der laatste biecht in mijn oor gelegd en dat zij, mocht de dood ook mij wegnemen, aan deze papieren toevertrouwd heeft. Ik had haar bij mijn priesterlijken eed beloofd, het u eerst dan te zullen ontdekken, wanneer uw huwelijk voltrokken was. Zulks is gebeurd, ik mag dus thans mijne lippen openen. Gij zijt niet de dochter van Dolgorow, gij zijt geen Russin. Duitschland is het land uwer geboorte, maar uwe ouders rusten reeds lang onder de aarde. Graaf Dolgorow nam u als kind aan, daar zijne echtgenoote hem geen hoop gaf zelf vader te worden. Dit zijn de beeltenissen uwer ouders, mij door Ruschka ter hand gesteld.” Met deze woorden gaf hij Feodorowna een brief en eene geopende brieventasch met twee portretten, eene jonge vrouw en een officier voorstellende.Met strakke, verbaasde blikken, bevend, bijna bewegingloos stond Feodorowna voor den priester en poogde te vergeefs te spreken; half bewusteloos nam zij aan, wat hij haar toereikte en legde het voor zich op de tafel neder. Eindelijk bracht zij, de gevouwen handen krampachtig tegen de borst drukkende, met een angstigen kreet der vertwijfeling de woorden uit: „Niet hunne dochter!—En toch.... o almachtige God!”„Herstel u, mijne dochter,” sprak Gregorius, „verhef uw hart geloovig tot God, die het lot der menschen wonderbaar beschikt.—Ik heb u het gewichtigste, het noodwendigste ontdekt. Lees deze papieren door en gij zult het overige vernemen. Ik verlaat u thans. Laat eerst den hevigen storm tot bedaren komen, die nu in uwe borst woedt.Wanneer gij alleen zijt, zult gij u zelve wedervinden. Als gij mij noodig hebt, laat mij roepen.”Met deze woorden verliet de grijsaard het vertrek; Feodorowna was niet in staat hem iets te antwoorden; met moeite wankelde zij naar een zetel en leunde het zware, door den onverwachten slag bedwelmde hoofd, in de beide handen. Het duurde lang eer zij de papieren, die het geheim van haar leven ontsluieren zouden, vermocht te ontvouwen. De beeltenissen harer ouders lagen voor haar; onafgewend hield zij hare oogen daarop gevestigd, maar de stroomende tranen verduisterden haar gezicht. Eindelijk brak zij de vijf zegels van den aan haar gerichten brief open en las, wat Ruschka met eene, door ouderdom bevende hand geschreven had:„Mijn dierbaar Kind!„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong; wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten. Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich tePyrmont; hier leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield, om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heetteLouise Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten. Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren. Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie maanden later, toen wijPyrmontreeds verlaten hadden en Zwitserland en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik, dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig was, dikwijls engelsch,dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was. „Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.” Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde. Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij, mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde, het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen. Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij, als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”Feodorowna moest het blad uit de hand leggen, daar tranen haar verhinderden verder te lezen. Het ongeduld echter, om meer, en vooral ook het lot van haren broeder te vernemen, richtten haar spoedig weder uit die afmatting op.„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde, verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen, onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring. Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had, sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los, om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik, dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de lippen sluit.En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe, zeventigjarige voedsterRuschka.”HOOFDSTUK II.Feodorowna was in de hevigste gemoedsbeweging en wist in haren angst tot geen besluit te komen. Nu wilde zij Gregorius roepen, dan naar hare pleegouders snellen, dan wederom haren echtgenoot alles ontdekken. Met door tranen verduisterde oogen beschouwde zij de beeltenissen harer ouders. „O, hoe zacht, hoe teeder zijn de trekken mijner moeder, hoe edel, vurig, mannelijk die mijns vaders!” zuchtte zij, bij den aanblik der geliefde, nooit gekende dooden. „Ach, gij zoudt uwe dochter warmer bemind hebben! Thans weet ik, waarom ik geofferd werd.” Lang stond zij besluiteloos; eindelijk schelde zijJeannetteen liet door deze Gregorius roepen. Hij had in de voorzaal gewacht. „O mijn vader, mijn redder, wat heb ik te doen!” riep zij hem toe en wrong de handen; „wat moet ik rampzalige nu beginnen!” Daar voelde zij Ruschka's ring aan haren vinger. „Dit is het eenige teeken,” vervolgde zij, „waaraan ik mijn broeder weder herkennen kan. Ach, onlangs was ik op het punt van het voor altijd te verliezen! Doch God waakte over mij! Het was—o vergeef mij, ik wilde een nutteloos verhaal beginnen, nu, daar de seconden onschatbaar zijn. Wat raadt gij mij, vader? Wat moet ik doen? Ik ben niet langer graaf Dolgorows dochter, ben hem niet meer het offer mijns levens schuldig.”„Gij hebt het gebracht,” viel Gregorius haar zacht, maar ernstig in de rede, „gij zijt de gade van vorst Ochalskoi, het onverbrekelijk sakrament der kerk heeft u vereenigd, en die band kan alleen door den dood verbroken worden.”„O hemelsche barmhartigheid!” snikte Feodorowna; „ook dan niet, wanneer hij door bedrog en leugen gesloten is?”„Ook dan niet, mijne dochter!”„Zoo moge ik zijne gade heeten, maar nimmer wil ik het zijn, voor en aleer mij de broeder, die mij ontroofd werd, is teruggegeven. O, waarom drong het licht der waarheid niet één eenige dag vroeger tot het zwarte weefsel des bedrogs door! Gregorius, gij kondt mij hebben gered uit dezen afgrond des jammers, maar uw mond zweeg!”Uitgeput zonk zij op een stoel neder en liet de armen machteloos zinken. Gregorius trad op haar toe en greep hare hand in de zijne, terwijl hij de andere ten hemel hief:„Geloften zijn heilig, zijn onschendbaar, mijne dochter. De Heer zegent hen, die het Hem gegeven woord trouw gestand doen. Bedenk ook gij zulks, die heden voor Zijn heilig aangezicht eeuwige trouw, liefde en gehoorzaamheid beloofd hebt. Denk aan de beden der stervende, aan het lot harer....”„Hoe?” riep Feodorowna onstuimig, „zou de vrees voor eene nieuwe euveldaad van hem, die mij den broeder ontroofd heeft, mij beletten, mijne heiligste rechten te doen gelden? Ruschka vreest voor het lot harer broeders; moet ik daarom den mijnen voor eeuwig verliezen? Neen, den graaf Dolgorow onder de oogen treden, dat wil ik en hem vragen: Waar is mijn broeder? Hij alleen is in staat, mij hem terug te geven.”„Dierbare dochter, gij zijt buiten u zelve, gij weet niet, wat gij doen wilt,” sprak Gregorius; „maar gij moet kalmer worden en anders handelen. Hoe, wanneer graaf Dolgorow Ruschka's bekentenis voor valsch verklaarde? En kon hij anders, wanneer hij zich niet de verderfelijkste gevolgen op het hoofd wil laden? Of waant gij, dat de moed tot die leugen hem zou ontbreken, die den moed tot de daad bezat? Welkebewijzen hebt gij tegen hem? Zal zijne getuigenis niet meer gelden, dan die eener arme lijfeigene? Hebt gij den heiligen doop niet als zijne dochter ontvangen? Heb ik zelf u niet in deze kerk de slapen bevochtigd met het gewijde water des Heeren? O mijne dochter, bedwing thans uw overstelpt hart, want gij zoudt slechts ramp op rampen hoopen! Den haat des vaders, der moeder, van den echtgenoot zoudt gij op u laden, tweedracht en verwarring uitzaaien en door dat alles noch raad noch troost winnen. En kunt gij den heiligen eed vergeten, dien gij voor eenige uren hebt afgelegd? Is het uw echtgenoot, die u bedrogen heeft? Moogt gij hem trouw en gehoorzaamheid ontzeggen, wijl anderen u onrecht deden? En was dat onrecht niet met duizende weldaden verbonden? Zijt gij niet met liefde en zorgvuldigheid grootgebracht?—Neen, mijne dochter, wijk niet af van het pad der zachtmoedigheid en lijdzaamheid, dat de Heer u gebiedt te bewandelen. Blijft u nog eenige hoop, den broeder immer weder te vinden, dan is het slechts, wanneer gij nu zwijgt en het geheim in de diepte van uw hart bewaart. En weet gij dan, of gij niet misschien hem zelven ten verderve brengt, wanneer gij eischt, dat hij u worde teruggegeven? Kunt gij weten, hoe ver of hoe nabij hij zijn kan? Hoor naar de woorden van uw ouden, trouwen vader, beloof hem, dat gij zijn raad volgen wilt, dan zal hij u zoolang hij nog op aarde omwandelt met getrouwe liefde op zijde staan. En roept de Heer hem van hier weg, dan zal hij nog daar boven den zegen des hemels op uw hoofd afsmeeken.”De grijsaard hield Feodorowna's hand in de zijne geklemd. Eene krampachtige trekking beefde door haren, onder den hevigsten kamp zwoegenden boezem. „Nu welaan dan, het zij zoo,” sprak zij eindelijk. „Ook dat is overwonnen. Ik beloof u te zwijgen, Gregorius. Maar,” vervolgde zij, zich met hoogheid oprichtende en de rechterhand plechtig ten hemel heffende, „ik zweer ook.... en de Almachtige moge mijn eed vernemen!.... ik zweer ook, van dit uur af onvermoeid naar mijn broeder te vorschen, en wanneer ik hem vind, dan zal geene macht op aarde mij terughouden, hem aan het hart te sluiten en te roepen: Ik ben uwe zuster!—Ik moet mij thans weder naar het gezelschap begeven; ik kan het, ik ben bedaard. Verlaat mij, mijn vader; maar bezoek mij morgen nog eenmaal, eer ik dit slot misschien voor eeuwig vaarwel zeg.”Zij reikte hem de hand. Gregorius legde de zijne zegenend op haar gebukt hoofd en knikte haar sprakeloos vaarwel toe.Feodorowna had nog eenige oogenblikken noodig eer zij genoegzaam bedaard was, om weder in het gezelschap te kunnen verschijnen; juist wilde zij het vertrek verlaten, toen de deur geopend werd en Ochalskoi binnentrad. Verschrikt en bevende week zij onwillekeurig eene schrede terug.„Heb ik u verschrikt, lieve?” vroeg de binnentredende, haar verbleeken gewaar wordende, op vleienden toon en bracht hare hand aan zijne lippen. „O, gij zult mij vergeven, dat mijn verlangen mij dreef u op te zoeken. Bijna een uur mist men u. Ik kan u niet berispen, dat gij het gezelschap ontvlucht; maar gij zult licht begrijpen, dat mij dezelfde neiging voortdrijft, Feodorowna! Het gelukkigste uur mijns levens heeft geslagen. Ik sluit de schoonste, de beste, de beminnenswaardigste van haar geslacht in mijne armen. De scheidsmuur is nu tusschen ons gevallen; zult gij nu ook geheel met liefde de mijne zijn?”Hij had haar bij deze woorden vertrouwelijk omvat en kuste hare bleeke lippen en wangen. Sidderend vermocht zij noch weerstand te bieden, noch op zijne teedereliefdetaal te antwoorden; sprakeloos duldde zij de liefkoozingen, waartoe hij gerechtigd was.„Wanneer gij wilt, Feodorowna,” ging hij dringender voort, „is het oogenblik onzer vereeniging daar. De ras voorbijsnellende minuten van ons geluk zijn zoo spaarzaam afgemeten, dat het wreedheid ware, ze moedwillig te verkorten. Zoudt gij dat willen, geliefde? Wij zijn in het vertrouwelijke heiligdom der liefde, niemand kan ons meer storen. Uwe moeder zelve zeide mij, u op te zoeken. De gasten hebben zoo even het slot verlaten. Slechts de landlieden en bedienden vieren thans nog op hunne wijze bij dans en spel den dag van ons geluk; ookJeannetteheb ik weggezonden; of hebt gij nog iets noodig? Geliefde, de tijd is kort, dien wij het lot ontrooven, dat ons morgen reeds weder vaneen scheidt; laat ons dien dan gebruiken. Niet waar, gij laat mij niet weder gaan?”De angst roofde der ongelukkige de spraak. Ochalskoi hield haar zwijgen voor maagdelijke schaamte, haar stom lijden voor minnend, niet langer weerstrevend toegeven, het krampachtig hijgen harer borst voor de onstuimige opwelling der overstelpende liefde.Driftig drukte hij zijne gloeiende lippen op hare verbleekte wangen en sloot haar met den rechterarm aan zijne kloppende borst, terwijl hij met de linkerhand hare rijke haarvlechten losknoopte.Met reeds bezwijmende krachten trachtte Feodorowna zich uit zijne omarming los te winden. „Ik versta u, hemelsch meisje,” fluisterde hij, „uw zwijgende lip is zoet welsprekend! Slechts in een heilig duister bloeit de zachte nachtbloem der liefde.” Hier liet hij de angstig afwerende los, om de op de tafel brandende lichten uit te dooven. Zij wilde hem ontvluchten, maar wist niet meer, wat zij deed; de handen wringende, wankelde zij op de deur van het bruidsvertrek toe, opende die en zeeg met een luiden angstkreet bewusteloos op den grond neder.Ochalskoi sprong, zelf hevig verschrikt, op haar toe; want toen Feodorowna de deur had geopend, zag hij hare gestalte door een donkerrooden gloed verlicht en een breeden, bloedigen vuurschijn in het duistere vertrek vallen.„Dood en hel, wat is dat?” riep hij, toen de gloeiende weerglans hem uit het nevenvertrek in de oogen straalde.Het was het brandende Smolensko, welks hoog opflikkerende vlammen juist door het zwarte rookkleed heenbraken, dat haar zoolang omhuld had. De vesting lag juist tegenover de vensters van het bruidsvertrek, waar de gordijnen nog niet neergelaten waren.Ochalskoi hief de onmachtige Feodorowna op, sloot haar in zijne armen en trachtte haar gerust te stellen. „Wees bedaard, lieve! Het is eene vreeselijke bruidsfakkel, die ons ontstoken wordt, maar zij zal onze heilige verbintenis niet storen. De tijd zal komen, dat wij de toortsen der wraak zwaaien.”Feodorowna's oog bleef gesloten. Ochalskoi wist niet, of hij hulp vragen dan alleen beproeven zou, haar in het leven terug te roepen. De donkerroode weerschijn der vlammen speelde op de doodelijk bleeke wangen der onmachtige, zoodat zij door den zachten lichtgloed der avondschemering bestraald scheen. „Gij zult aan mijne borst ontwaken,” stamelde hij, haar met bevende armen omvattende en gloeiende kussen op haren mond drukkende; „Feodorowna, ontwaak, of neen, blijf....” In dit oogenblik vielen drie schoten in de nabijheid.„Wat was dat!” riep Ochalskoi, sprong op en rukte het venster open. Het geschreeuwvan verwarde stemmen en dadelijk daarop eene onregelmatige losbranding van geweer- en pistoolschoten, die het gevecht van een aantal strijders aanduidden, drongen door de stilte van den nacht in zijn oor.„Overrompeling! Verraad!” riep hij in dolle woede. „Dood en verderf, en in dit uur!” Met deze woorden stoof hij onstuimig op de deur toe en snelde naar buiten.In het slot heerschte reeds eene onbeschrijfelijke verwarring. De bedienden en landlieden waren het eerst door het kleppen der stormklok, die het uitbarsten van den brand verkondigde, in hunne vreugde gestoord geworden. Thans had men de krakende schoten gehoord en waande den vijand reeds binnen de muren van het slot. In gangen en zalen, op trappen en portalen verdrongen knechts en vrouwen, speellieden en landmeisjes elkander in steeds toenemend gewoel.„Sluit de poort,” riep Dolgorow. „De brug op! verzamel u op het slotplein. Geen moed verloren! Het kan een blind alarm zijn!” Terwijl hij zich te vergeefs beijverde, door deze bevelen de orde te herstellen, kwam een boer ademloos de poort binnensnellen en riep: „De vijand, de vijand! Zij overvallen ons! Vlucht allen in het bosch!”De verschrikte slotbewoners, de landlieden en alle meisjes vlogen met luid angstgeschreeuw en gejammer naar hof en tuin, deels om zich te verbergen, deels om te ontvluchten. Anderen drongen door de slotpoort, om hunne huizen in het dorp te bereiken. Het ophalen der brug en sluiten der poort werd daardoor geheel onmogelijk. Schuimbekkend van woede hieuw Dolgorow met de vlakke sabel op de vluchtenden, die hem niet gehoorzaamden in, en vermeerderde daardoor de ontsteltenis en verwarring.Thans rende een troep vluchtende kozakken de poort voorbij en huilde: „De vijand! De vijand! Vlucht, steekt aan!”„Het is te vergeefs, weerstand te beproeven,” riep Ochalskoi, die zich intusschen met sabel en pistolen gewapend had. „Laat ons slechts de vrouwen redden. Wij vluchten door den tuin en bereiken zoo het woud, waar wij volkomen in zekerheid zijn.”„Ten minste de poort moet versperd worden,” schreeuwde Dolgorow, „anders baat de schandelijke vlucht ons niets.”Thans vond zijn bevel gehoor, daar de ingang juist vrij was. Hij zelf, Ochalskoi en drie bedienden trokken ijlings de kettingen, waarmede de vleugeldeuren aan den slotmuur vasthaakten, terug, wierpen de poort toe en schoven de grendels er voor.Het was hoog tijd, want juist rende Rasinski aan de spits zijner manschappen den heuvel af, en nauwelijks was de deur gesloten, of men hoorde reeds de donderende hoeven der paarden op de ophaalbrug.Dolgorow en Ochalskoi vlogen de trappen op naar het bruidsvertrek, om Feodorowna te redden, terwijl de gravin ijlings hare kleinooden en hetgeen zij op de vlucht noodzakelijk behoefde, bijeen raapte. Het gedruisch had de onmachtige uit hare bedwelming doen ontwaken. Met kalmte—want uitwendige schrik oefende weinig geweld op haar uit, die thans niets meer vreesde—had zij hare kleeding reeds veranderd en hare belangrijkste bezitting, eenige brieven en de beeltenissen harer ouders, bij zich gestoken. Haastig wierp zij den mantel om en snelde met vasten tred aan de zijde van haren echtgenoot naar de zaal, waar de gravin wachtte. Toen men het voorplein bereikte, beukten de stormenden zoo geweldig tegen de poort, dat men elk oogenblik verwachten moest, die te zien bezwijken. Echter konden de vluchtenden niet dan langzaam doordringen, want een aantal bedienden en landlieden, thans van den eersten schrik bekomen, sleepten van alle zijden groote bundels hooi, stroo en rijshout aan,om de ruimte voor de poort daarmede op te vullen. „Wij willen hen door een vuurwal van ons scheiden,” riep Dolgorow en schoot zijn pistool in het droge stroo af, dat dadelijk vuur vatte. „Nog meer hooi, stroo en takkenbosschen; dat de rook en walm de honden verstikke, wanneer zij het slot willen indringen!” riep de verbitterde Rus, en in hun ijver verstikten de dienaars bijna in de vlammen door de menigte van ras opgeworpen brandstoffen. „Zoo, goed zoo, jongens!” riep de graaf, „steekt het slot aan de vier hoeken aan; daar wij het verlaten moeten, willen wij het ook den vijand niet gunnen.”Daar hij zag, dat zijn bevel werd opgevolgd, ijlde hij Ochalskoi en de vrouwen na, die reeds door den tuin vluchtten, om door eene achterpoort het woud te bereiken. Weldra hadden ook de teruggebleven bedienden hunne meesters achterhaald, en toen men omzag, steeg een zwarte, dichte rookzuil uit de slotmuren op.„Zij zullen niet lang in het kasteel huizen,” riep een der knechten met honende jubel; „in elken stal brandt een duchtig bos stroo. Eer tien minuten om zijn, moet de vlam boven de daken uitslaan. Zij zal ons, denk ik, nog een poosje in het bosch voorlichten. Jammer, dat wij de paarden niet konden meênemen, doch daartoe was geen tijd, laat staan tot zadelen en optoomen.”„Zwijgt thans,” gebood Dolgorow; „onze vlucht zij zoo stil mogelijk.” Zacht, maar met verhaaste schreden ijlden de vliedenden voorwaarts. Nog hadden zij den grensmuur van het park niet bereikt, toen zij de heldere vlam reeds door de groene boomen zagen blinken. Door de kleine achterpoort geraakte men op het vrije veld en snelde langs een smal voetpad op het nabijgelegen woud toe. Juist was men den zoom daarvan genaderd, toen eene talrijke ruiterbende in gestrekten galop den hoek van den tuinmuur omsloeg, om de vluchtelingen na te zetten. In vollen loop ijlden dezen op het bosch toe, maar met losse teugels renden de ruiters hen na, en eer het veilige toevluchtsoord nog bereikt was, floten de pistoolkogels door de lucht, en flikkerden dadelijk daarop de blinkende sabels boven de hoofden der vluchtenden.Inmiddels had Rasinski met twee aan den weg gevonden boomstammen de slotpoort onder den voet geloopen. Zoodra die opensprong, sloeg hem een verstikkende, gloeiende rook te gemoet, doch eensklaps gierde de stormwind door de hem geopende baan, joeg de vlam naar binnen op hof en tuin aan en werd het smeulende hooi, stroo en rijs door den hevigen luchtstroom mede voortgedreven, zoodat men geene kunstige kunstmiddelen noodig had, om zich den weg te banen. In twee minuten had de storm alle vonken uitgedoofd, en slechts een aschhoop in het voorportaal verried nog de sporen van het aangelegde vuur. Onverwijld drong Rasinski nu met zijne scharen het gebouw binnen en riep: „Bezet alle ingangen! Laat niemand ontkomen. Boleslaw, gij rijdt rechts met uw escadron den slotmuur om, Jaromir links. Alle gevangenen worden hier gebracht. Niemand wage zich in het dorp! Het slot blijft onze verzamelplaats.”Driftig sprong hij van het paard en ijlde, door de boden, Lodewijk, Bernard en eenige officieren gevolgd, de trappen op, ten einde het binnenste van het gebouw zelf te onderzoeken. Spoedig had hij de lange rij van vertrekken doorkruist, daar alle deuren openstonden, terwijl alles de overhaaste vlucht der bewoners verried; maar zijne navorschingen bleven vruchteloos en verdrietig begaf hij zich naar de groote zaal terug. „Zou het nog mislukt zijn?” riep hij mismoedig uit. „Ik vrees, dat de brand van Smolensko ons onzen buit heeft doen verliezen en de bruiloftsgasten te vroeg uiteengejaagd!”De bode haalde de schouders op en hernam: „Mijne schuld is het niet, heer overste; ik heb u goed onderricht. Was de vesting niet in brand geraakt, zoo zouden wij hier geweest zijn, eer een mensch onze tegenwoordigheid vermoed had, en de generaals en andere hooge gasten waren uwe gevangenen geweest.”„Gij hebt uw loon verdiend, neem,” antwoordde Rasinski en wierp den Rus eene beurs toe, die deze begeerig opving.„Wanneer wij thans slechts een weinig infanterie met een paar kanonnen hadden,” vervolgde de overste, tot de officieren gewend, „zou ik, zonder een oogenblik te aarzelen, daarmede de achterhoede aangrijpen en haar door een onverhoedschen aanval ten minste een duchtigen schrik aanjagen. Zooals wij hier zijn, is het echter niet raadzaam, ons dieper in het land te wagen. De infanteriepatrouilles en de bende kozakken, die wij bij het dorp aantroffen, moeten toch alarm gemaakt hebben, en licht kon een overmachtige hoop tegen ons aanrukken, die ons, bij het ééne smalle pad, dat ons tot den terugtocht blijft, hoogst verderfelijk zou zijn. Mij dunkt dus, wij laten verzameling blazen, trekken onze troepen weer bijeen en keeren even stil over den stroom terug, als wij gekomen zijn.”De officieren waren van dezelfde meening.Weldra keerde Boleslaw, zonder iets ontmoet te hebben, met zijne ruiters terug en werd spoedig daarop door Jaromir gevolgd, die eenige bedienden van den graaf als gevangenen medevoerde. „Ik stiet,” berichtte hij, „dicht bij het woud op de vluchtenden. Het waren de bewoners en bedienden van het slot met eenige vrouwen; een deel vlood, anderen boden tegenstand. Bij het licht der vlammen, die van het slotplein oversloegen, bemerkte ik een officier, die eene jonge dame op zijne armen naar de dichte struiken trachtte te dragen, waar wij met onze paarden niet voortkonden. Ik sprong uit den zadel en poogde hem in te halen; toen ik door het hout heenworstelde en hem naderde, zette hij de dame op den grond neder en wachtte mij af. Ik riep hem toe, dat hij zich gevangen zou geven, maar hij schoot op mij, doch miste. Nu gaf ik vuur; hij viel. Juist wilde ik toespringen, toen eenige Russen zich tusschen hem en mij in wierpen en mij terugdrongen, zoodat ik bijna overweldigd was geworden. Gelukkig bereikte ik nog eene vrije plaats, waar mijne lieden mij te hulp konden komen. Zij bevrijdden mij en wij maakten drie gevangenen. Volgens hun zeggen was de getroffene vorst Ochalskoi, die heden met de dochter van graaf Dolgorow, wien dit slot toebehoort, moet getrouwd zijn.”„Ware ons ten minste die ééne vangst gelukt,” riep Rasinski mistroostig; „maar dat wijt ik u niet, Jaromir, want gij hebt meer dan uw plicht gedaan,” voegde hij er vriendelijk bij. „Het geluk heeft ons niet genoeg begunstigd. Maar laat ons nu opbreken, eer het ons nog verder tegenloopt.”Nadat men zich overtuigd had, dat er onder de gevangenen niemand van beteekenis was, liet men hen vrij, met de bedreiging, van hen dadelijk te zullen neersabelen, zoodra men hen weder in handen kreeg. Op die wijze trachtte Rasinski te verhoeden, dat men zijn terugweg naspoorde, wijl hij in het oogenblik, dat hij over den Dnieper terugtrok, door een aanval in den hachelijksten toestand kon gebracht worden. Ook wilde hij de lieden in den hun opzettelijk ingeprenten waan laten, dat hij door een aanzienlijk legerkorps gedekt werd, dat in den nacht over de rivier was getrokken. Zoo begaf men zich weder op marsch en liet de brandende schuren en stallingen aan de woede der vlammen over.Eerst toen men de rivier doorwaad en den anderen oever bereikt had, bemerkte Rasinski dat de oude Petrowski en Bliski, een geoefend, dapper ruiter, vermist werden. Vol bezorgdheid zond hij Boleslaw met eenige manschappen terug, om hen op te zoeken. Twee uren wachtte hij op diens terugkeer; eindelijk kwam hij, maar zijne pogingen waren vruchteloos geweest, de beide wakkere kameraden schenen verloren.„Zouden wij deze beide dapperen ten offer moeten brengen?” riep Rasinski. „Vrienden, laat ons nog hopen, wellicht zijn zij slechts verdwaald en keeren tot ons terug. Wij moeten er nu den geheelen nacht aan wagen en willen langzaam verder trekken, om van tijd tot tijd seinen te geven. Hier zijn wij immers volkomen in veiligheid.”De trouwe krijgsmakkers gehoorzaamden gaarne, want het waarschijnlijke lot hunner kameraden ging hun allen na aan het hart. In tragen stap en onder diep stilzwijgen reed men langs den oeverkant voort.„Hoor! Wat was dat?” vroeg Rasinski den nevens hem rijdenden Boleslaw. „Ruischt het niet in het water? Het was, alsof iemand van den anderen oever neerplompte. Halt!”„Waarachtig, daar beweegt zich iets,” fluisterde Boleslaw. „Zal ik aanroepen?”„Nog niet, wij moeten eerst beter kunnen zien; men kan niet weten, wat het is, want wij zijn hier reeds dicht bij de vesting. Het zijn twee zwemmers.”„Werda? Halt! Antwoord!”„Goed vriend,” antwoordde de welbekende stem van Petrowski en eene algemeene juichtoon ging er op. Twee minuten later sprongen zij aan land.„Die mij liefheeft omarme mij niet!” riep Bliski, eenige kameraden koddig afwerende; „wij zijn van boven tot onder slijk en eendekroos; brr! het bad was frisch.”„Hoe komt gij te voet, spreekt op, vertelt!” vroeg Rasinski met belangstelling.„Bliski was mijn redder,” begon Petrowski.„Gekheid, laat mij vertellen,” viel de vroolijke ruiter hem in de rede. „Toen wij naar het slot wilden terugrijden, kwam hij te vallen; drie russische spitsboeven, die zich in de struiken verborgen hadden, kwamen voor den dag springen, om hem te plunderen. Gelukkig zag ik het en vloog er op in. Daar beukt een van de schurken mijn arm paard met een knuppel op de hersens, dat het schuw op zij springt en ik uit den zadel tuimel. Des te beter, dacht ik, en stond gauw op de voeten. Tegen ons tweeën dorsten de helden geen stand te houden; maar de paarden waren de vlakte opgeloopen. Daar wij niet weten konden, of het kreupelhout meer soortgelijke vruchten droeg, sukkelden wij te voet op het slot aan, in de hoop, dat onze arme dieren den grooten hoop wel achterna zouden draven. Maar nu sneed het uit het dorp vluchtende kanalje ons den weg af. Wij moesten het bosch in en dwaalden in het donker heen en weer, maar hielden altijd de vlammen van Smolensko in het oog. Eensklaps staan wij voor een grooten weg, dien ik dadelijk voor de baan naar Moskou herken; want ik ben lang in Rusland geweest en hier zoo redelijk goed bekend, heer overste. Juist toen wij uit de struiken wilden treden, om eens in het rond te loeren, ziet de wachtmeester gelukkig, dat er een troep ruiters aankomt; wij als de wind weer onder het hout gekropen en den mond toegehouden. Pas zijn de ruiters voorbij, of wij hooren het ratelen van kanonnen. Het waren zoo ongeveer honderd stukken en kruitkarren, ook ander voertuig in menigte; daarop kwam de infanterie in lange, dichte colonnes, dan weer cavalerie; kortom een gansch legerkorps; het duurde wel een uur eer alles voorbij was. Eindelijk werd de baan vrij, wij sprongen voor den dag en keken in het rond; een tijdlang hielden wijden grooten weg, sloegen toen linksaf en kwamen binnen vijf minuten aan de rivier.”Hoe innig het Rasinski ook verheugde, zijne brave lieden gered te zien, maakte toch Bliski's verhaal ook nog in een ander opzicht zijne belangstelling levendig gaande. Hij werd namelijk meer en meer in het vermoeden bevestigd, dat misschien de gansche, ten minste een deel der bezetting de vesting verlaten had, en besloot derhalve door de watervoorstad, welke ook voor ruiterij toegankelijk is, in de stad door te dringen, om de eerste te zijn, die van dit gewichtige, ofschoon thans weinig gevaarlijke voordeel gebruik maakte. Hij beval daarom in diepe stilte voort te rukken, en hield zich bij voortduring dicht aan den rivieroever. Zoo bereikte hij de eerste huizen, zonder op een enkele schildwacht te stooten. De dageraad begon aan te breken, toen hij de eerste straat insloeg. Geen geluid, geen spoor verried, dat nog bewoners in de half ingestorte, half smeulende steenhoopen verwijlden. Men bereikte eene dwarsstraat; met verbazing zag Rasinski ook door deze ruiters aankomen. Zij waren van het korps van vorst Poniatowski; men begroette elkander met vroolijke verrassing en zette den weg in verschillende richtingen voort. Rasinski reed de buitenstad in en zag bij de schemering eene mannelijke gedaante behoedzaam rondsluipen. Hij hield ze voor een Rus en riep dus in die taal aan; doch de persoon antwoordde niet en zocht te ontkomen. Hopende van hem met zekerheid te vernemen of de vesting geheel verlaten was, rende Rasinski den vluchteling na en had hem weldra met eenige lanciers zoozeer in het nauw gebracht, dat hem geen uitweg meer overbleef. „Vive l'Empereur!” riep de moedige soldaat en leide zijn geweer op Rasinski aan. Thans eerst herkent deze de fransche uniform en maakte zich aan den dappere, dien hij voor den vijand gehouden had, bekend. Het was een onderofficier van het korps vanDavoust, die de vermetele onderneming gewaagd had, om alleen over den muur in de vesting te dringen. Zoo werd dan de roem van de vijandelijke plaats het eerst betreden te hebben, ten derde male twijfelachtig. Intusschen was de hoofdzaak ontwijfelbaar zeker, men bevond er zich in; zeer spoedig overtuigde men zich ook, dat de Russen de stad verlaten en zich, na het vernielen der bruggen, op den anderen oever teruggetrokken hadden, waar zij de aldaar gelegen vestingwerken waarschijnlijk nog bezet hielden.De dag begon aan te breken en de eerste zonnestralen vielen op een akelig tafereel. Waar men het oog wendde, ontwaarde men rookende puinen en opeengehoopte lijken, die bloedend of half verbrand, meerendeels geheel uitgeschud, op de omgewoelde aarde lagen neergestrekt. Andere zag men verkoold, zwart van rook en brand, ten deele onder de smeulende asch bedolven liggen; enkele ledematen des lichaams waren door de vlammen verschroeid of geheel van vleesch ontbloot; slechts het naakte, uitgebrande gebeente stak nog te voorschijn. Rasinski had het regiment teruggevoerd, daar de enge, door ingestorte balken, steen en aschhoopen versperde straten den doortocht belemmerden; hij zelf reed echter, door Jaromir verzeld, weder in de vesting terug, ten einde de schouwplaats der verwoesting nauwkeuriger op te nemen. „Eene treurige overwinning!” zuchtte hij. „Het bloed, voor de verovering der russische wildernissen gestort, schijnt bijna vruchteloos verspild, daar zij ons in plaats van steden en dorpen weldra niets meer dan de aschhoopen zullen aanbieden, waaronder zij begraven liggen.”Ook den vroolijken, luchthartigen, aan de sombere tafereelen van den oorlog gewonen Jaromir liep eene ijskoude rilling over de leden, toen hij in dezen dampenden baaierd van puin en lijken rondreed. „Inderdaad,” antwoordde hij, na eenignadenken: „en nog onbegrijpelijker is het mij, hoe dit verwoeste land de tallooze volksmassa's voeden zal, die het van alle zijden overstroomen. Eer hier niet weer opnieuw gezaaid en geoogst is, zou men gelooven, dat geen menschelijk wezen in deze woesternij zijn aanzijn ook slechts voor eenige dagen verlengen kon.”„De wolf zal naar Polen en Pruisen op roof moeten uitgaan, wijl hij hier van honger zou omkomen,” sprak Rasinski, bij den half schertsenden vorm zijner woorden inwendig huiverend.—„Hoor! Muziek!”Het was de fransche garde, die met vliegende vaandels en luid klinkende tonen de stad binnentrok. Het vroolijk geschal in dit uur, in deze omgeving, scheen de vreeselijkste hoon. Rasinski trok zijn paard in eene zijstraat terug en liet de troepen voorbijtrekken. De muzikanten bliezen den marseillaanschen marsch; doch deze krachtige tonen, die anders in elk fransch hart de gloeiendste geestdrift, in elk oog den vurigsten moed deden ontvlammen, schenen ditmaal eene onverstaanbare taal tot de dappere krijgers te spreken. Diepe ernst stond op hunne trekken te lezen; somber richtten zij het oog op de verwoesting rondom en trokken de zwarte wenkbrauwen dreigend te zamen. Men ontdekte wel is waar geen spoor van vrees en moedeloosheid op het ruwe, verschroeide, met breede litteekens bedekte gelaat dezer dapperen, maar ook geene schemering van vreugde en zelfvoldoening straalde uit hunne blikken. Met stout opgericht of somber gefronst voorhoofd traden zij over lijken, puin en asch voort; zij geleken een opkomend onweder in hunne stomme ijzeren houding.Thans naderde de keizer op zijn fraaien arabischen schimmel. Hij wierp de scherpe blikken overal opmerkzaam in het rond, zonder zich daardoor in zijn levendig gesprek met den generaalLobaute laten storen.„De keizer is dezelfde als op de parade te Dresden,” fluisterde Jaromir met merkbare verwondering.„Het ligt in zijn aard,” hernam Rasinski, „zich zelf in storm en zonneschijn steeds gelijk te blijven. Doch wij willen hem volgen; ik ben verlangend zijne jongste bevelen te vernemen, en misschien geven die ons nog werk genoeg, eer het avond wordt.”Met deze woorden drong hij, door Jaromir gevolgd, over de rookende puinhoopen en nevens het gedrang der binnenrukkende troepen voort, om zich bij den staf aan te sluiten, met welken de keizer de vesting nader in oogenschouw nam.HOOFDSTUK III.„Ik begin bijna verdriet in het leven te krijgen,” zuchtte Bernard, terwijl hij een zwaren zak van den schouder liet glijden, waarbij Lodewijk hem behulpzaam was. „Voor mij zelf had ik den verren, gevaarlijken strooptocht niet ondernomen, maar mijn arme magere klepper moet toch ook iets anders te smullen hebben dan onrijpe haver en dor heigras.”„Gij zijt gelukkig geweest,” antwoordde Lodewijk, „wij hebben niet zooveel gevonden. Alles in den omtrek is woest en ledig; de dorpen zijn verlaten en verbrand. Ik weet niet, hoe dat eindigen moet!”„Het is waar, wij stevenen een woesten oceaan in, maar hebben een Columbus aanboord, wiens kompas nog lang streek houdt, wanneer ons oog geene enkele star aan den hemel meer ziet, waarop wij koers kunnen zetten.—Doch help mij de paarden voeren, ik kan de dieren niet laten wachten, totdat Rasinski's rijknecht komt; zij zullen groote oogen opzetten over het gastmaal, dat wij hun opdisschen.”„Gaarne,” hernam Lodewijk.—„Het is goed,” vervolgde Bernard, terwijl hij de haver in den voederzak schudde en den hongerigen dieren voorhing, „dat wij hier tamelijk afgezonderd liggen en ten minste nog een oude schuur tot stal hebben bij dit koude, vochtige herfstweder. Stonden wij op het vrije veld, zoodat men een uur ver zien kon, wat wij buit gemaakt hebben, wij zouden meer ongenoode gasten krijgen, dan zomers vliegen op de melk afkomen.—Zie, zie hoe de oude sukkels smullen! Ja, mijn bruintje, zulke haver is tegenwoordig geen alledaagsche kost voor u.”Terwijl beiden in deze genoegelijke bezigheid, de verzorging hunner paarden, geheel verdiept waren, trad Rasinski binnen, die van een rit naar het hoofdkwartier, waar hij op de parade geweest was, zoo even terugkeerde. „Waarachtig,” riep hij, „gij voert immers zoo rijkelijk en prachtig als in den hofstal vanSt. Cloud. Waar hebt gij dien schat opgedaan?”„Ha, goeden avond!” riepen de vrienden hem vroolijk toe. „Niet waar,” vervolgde Bernard, „dat zal den kleppers goed doen na den langenvastentijd? Ik had de dragonders beloerd; zij kwamen met eenige zakken haver daar ginds uit het bosch aanslepen. Hm, dacht ik, daar is misschien nog meer te halen, volgde als klein Duimpje het spoor der verloren korrels en breede laarzen en kwam spoedig aan een gehucht, waar voor acht dagen misschien een dozijn huizen gestaan hebben, maar dat thans nog slechts een dozijn puinhoopen vertoont. Ik klauterde over asch en balken heen, snuffelde alle gaten en spleten rond en vond eindelijk in een hoek nog dezen zak met haver, dien de dragonders òf niet gezien, òf, wijl zij hem niet konden meêdragen, daar verborgen hadden.—Maar gij hebt immers brieven? Wat nieuws?”„Voor Lodewijk; en gewichtige narichten voor ons allen. Morgen zal het eindelijk tot een slag komen.”„Werkelijk?” riep Bernard levendig.„Eindelijk!” sprak Lodewijk, maar bedoelde daarmede de aankomst der sinds verscheidene weken gewachte brieven der zijnen. Terwijl hij ze opende, tikte Rasinski Bernard heimelijk op den schouder en wees hem met een veelbeteekenenden oogwenk op Lodewijk.Bernard begreep niet, wat dit beduiden moest, maar zweeg en vestigde opmerkzame blikken op zijn vriend. Deze las met toenemende ontroering; hij verbleekte, groote tranen rolden over zijne wangen; plotseling bracht hij de rechterhand voor de oogen, liet de linker met den brief zinken en reikte dien met een smartelijken zucht aan Bernard over, als wilde hij bij dezen troost en sterkte zoeken. Deze greep driftig toe, terwijl Rasinski den geschokten vriend de hand op den schouder legde en hem met weemoedige aandoening aanzag.„Mijne moeder.... mijne moeder....! Lees zelf....” meer vermochtLodewijkniet uit te brengen.„Ik wist het reeds,” sprak Rasinski en sloot den jongeling met warmte aan zijne borst, „wist het door mijne zuster, die mij den brief in den haren toezond; maar gij moest het niet van mij vernemen. Wie kan een bitteren kelk met zachter hand toereiken dan eene zuster?”Bernard las intusschen met eene aandoening, welke zelfs zijne sterke ziel niet bedwingen kon.
De geweldige aandoeningen, die in een zoo kort tijdsbestek Feodorowna's boezem geschokt hadden, moesten haar, niettegenstaande de vrome gelatenheid en zedelijke sterkte, waarmede zij zich aan haar lot onderwierp, toch eindelijk overweldigen. Zij was op het ziekbed neergezonken; eene hevige koorts gloeide in de tot het uiterste gespannen zenuwen; de geneesheer hield haren toestand voor gevaarlijk. Tot geen prijs wilde Axinia thans van de zijde der dierbare gebiedster wijken, hoewel zij met recht de bangste vrees voor haar eigen lot moest koesteren, wanneer Feodorowna bezwijken mocht, eer zij met haren Paul het land verlaten had. Te minder nog kon zij zich aan dezen plicht der dankbaarheid onttrekken, daar de kranke slechts hare nabijheid en oppassingdulddeen dadelijk in een onrustigen en dus gevaarlijken toestand verviel, wanneer iemand anders hare legerstede naderde. De tegenwoordigheid der moeder vooral scheen haar telkens sterker te ontroeren en vervulde haar eindelijk met een zoo hevigen angst, dat zij tot woeste ijlhoofdigheid oversloeg, wanneer zij deze slechts in de verte bespeurde. In kalmer oogenblikken mochtJeannettede uitgeputte Axinia vervangen; maar niet zoodra verhief zich de hitte der koorts weder, of, met de aan kranken eigen onstuimigheid, vorderde zij de zusterlijke verpleging van de vriendin harer jeugd. Bijna eene maand ging op deze treurige wijze voorbij; eindelijk begon Feodorowna langzaam te herstellen, doch was door de ziekte zoo uitgeput, dat men nog altijd voor haar leven te duchten had. Schoon toch de hevige aanvallen der koorts geweken waren, scheen het nog immer twijfelachtig, of het lichaam kracht genoeg zou hebben, om de uitterende afmatting te boven te komen.—Het zachte jaargetijde was echter van eene heilzame uitwerking; de Julimaand met haar koesterenden zonnegloed, die zelfs der noordsche aarde een groenend tapijt ontlokt, deed de kwijnende kiem des levens tot nieuwe bloesems ontspruiten. Feodorowna genas, bijna tegen haren wil, en had niet het diep verborgen lijden, dat aan haar hart knaagde, zijne sporen om wang en lip ingedrukt en den helderen gloed van haar blauw oog eenigszins verduisterd, zoo zou de schoone gestalte weder zoo liefelijk ontloken zijn als eene roos, waarin nog de droppen van een voorbijgetogen onweder glanzen. Maar zij was niet verfrischt door den dauw des hemels, zij was slechts door zijne stormen geknakt.
Wie zelf lijdt, heeft een gevoelig hart voor de wenschen en het lijden van anderen. Zoo gevoelde ook Feodorowna, datthans haar eerste plicht was,het laatste dreigende wolkje van den hemel van Axinia's geluk te verdrijven en de verbintenis en afreis der gelieven te bespoedigen. Gregorius gaf het jonge paar de kerkelijke inzegening, denzelfden dag nog verliet het, rijkelijk begiftigd, het grafelijk slot, om zich midden door het gewoel van den oorlog den weg te banen tot vreedzaam geluk onder een zachteren hemel.
Feodorowna stond nu geheel alleen; want niettegenstaande het onmetelijke offer, dat zij gebracht en de gewillige gehoorzaamheid, waarmede zij zich aan het gebod der ouders onderworpen had, bleef de moeder nog even koel als voorheen en scheen niet eenmaal medelijden te gevoelen met het lijden, dat Feodorowna om harentwille zoogeduldig droeg. Het is waar, zij had zich nooit anders betoond en de innigste liefde der dochter ook in vroeger jaren niet dan met eene hoofsche vriendelijkheid beantwoord; maar Feodorowna was daaraan gewoon geworden en had in deze koude vormen slechts het overwicht van het moederlijk aanzien erkend en geëerbiedigd; doch gevoelde thans, dat een beminnend, zich opofferend kind een ander moederhart eischen mag. Zoo veranderde ook hare liefde in een bangen, schuwen eerbied, en wat gedurende de ziekte zoo kenbaar gebleken was, liet ook thans nog duidelijke sporen achter; een angstige rilling greep haar aan, wanneer zij zich in de nabijheid van diegene bevond, bij wie haar gewond hart troost en verzachting had moeten vinden.
Ochalskoi en Dolgorow waren bij de armee; in de eerste dagen van Augustus schreef de laatste, dat hij binnenkort op het goed zoude komen, ten einde het huwelijk tusschen zijne dochter en den vorst te voltrekken. De verhinderingen, die zulks tot hiertoe belet hadden, waren grootendeels in de familie-betrekkingen van Ochalskoi gelegen, die, ten gevolge van een verdrag, dat sinds onheuchelijke jaren in zijn geslacht bestond, de toestemming van eenige naastbestaanden noodig had, eer hij zich in den echt kon begeven. Daar het belang van sommigen hunner hierbij ten deele in het spel kwam en zij uit baatzuchtige inzichten eene vereeniging van den graaf met eene nadere verwante gewenscht hadden, had het moeite gekost hunne bezwaren uit den weg te ruimen, en was Ochalskoi niet zonder belangrijke opofferingen daarin geslaagd. Thans was hem een verlof van drie dagen toegestaan, om zijne echtverbintenis te sluiten, waarop zijne jonge gade met hare moeder terstond over Kaluga naar zijne goederen in Azië zou afreizen, om geheel uit de onrustige landstreek van het krijgstooneel verwijderd te zijn. Dit was juist op het tijdstip, dat de groote russische armee zich in allerijl naar Smolensko had teruggetrokken, ten einde niet door den franschen keizer afgesneden te worden. In den nacht na haren reeds ten deele volbrachten aftocht naar Moskou kwamen Dolgorow en Ochalskoi op het kasteel aan. Den volgenden middag zoude Gregorius het jonge paar inzegenen, de viering van den bruidsnacht moest hierop naar Dolgorows uitdrukkelijke begeerte nog op het kasteel plaats hebben, maar den morgen daarna zouden de mannen zich dadelijk weder naar het leger terugbegeven, terwijl de vrouwen over Jelnia en Kaluga hare reis naar Ochalskoi's goederen aannamen.
Zoo was dan het verschrikkelijk oogenblik gekomen, dat Feodorowna den duisteren kerker zag ontsluiten, waarin zij haar leven verzuchten zoude. Zelfs de zoete troost, dat zij door dit offer den grond gelegd had tot het geluk van anderen, werd krachteloos bij de naderende werkelijkheid. Tranen had de ongelukkige niet meer te vergieten; slechts met eene koude ijzing blikte zij in de toekomst. Alles vereenigde zich, om den dag recht vreeselijk te maken. In de verte de doffe donder van het geschut uit de belegerde vesting, trad zij aan het venster van haar vertrek, nog altoos talrijke ruiterscharen, die als de laatste afdeelingen der terugtrekkende groote armee, op den, een half uur van het slot verwijderden landweg naar Moskou in woeste zwermen voorbijtogen. Het gezicht dezer horden van Tartaren, Baschkiren, Kozakken en andere barbaarsche volksstammen, in wier midden zij voortaan hare dagen zou slijten, vervulde haar met schrik en afgrijzen. „O, waarom heb ik schooner landen, zachter zeden, edeler, beschaafder menschen leeren kennen!” zuchtte zij uit eene beklemde borst. „Gelukkig gevoelde ik mij ook dáár niet; slechts korte, schoone droomen verlichtten voor oogenblikken den donkeren nacht mijns levens. Slechts éénmaal had ik eenzaligen droom! En nu! Gij zacht flonkerende leidstar op mijn donker pad, die zoo snel weder in de diepste duisternis verdwenen zijt, gij edele gestalte, die mij eens zoo liefderijk de hand bood, gij vriend in bitteren nood, wien mijn hart eeuwig zal toebehooren—o vergeef mij het verraad, waaraan ik mij thans tegen u schuldig maak!—Gij zijt de leidsman mijns levens, sprak eene heilige stem van dankbaarheid en liefde in mijne borst, u, u alleen is mijn aanzijn gewijd, riep het luid in mijn binnenste, en toch—het was eene ijdele begoocheling! De hand der Voorzienigheid, die ik vertrouwde, verscheurde den band; een woeste storm verdreef de beelden van den schoonen droom, het floers van nacht en vergetelheid omhult alles!”
In droef gepeins verloren stond de rampzalige bruid aan het venster en staarde op het woeste landschap, dat door het gewoel van den krijg verlevendigd, naar den donkeren hemel, die door de wolken van den slag verduisterd werd. Eensklaps voelde zij een zachte hand op haren schouder. Het wasJeannettemet het bruidskleed over den arm. Feodorowna's knieën knikten, echter uitte zij geen luiden klaagtoon, maar liet zich geduldig optooien als een offer, dat naar het outer gevoerd wordt.
Juist hadJeannettehaar den krans op de lokken gedrukt, toen Ochalskoi binnentrad, om haar te begroeten en naar de kerk te geleiden, waar Gregorius hen wachtte. Wanneer de nood daar was, vond Feodorowna heldensterkte in hare groote ziel. Ernstig, zwijgend, doch zonder te wankelen, zweefde zij aan Ochalskoi's arm de breede trappen af. In de zaal werd zij door hare ouders en de verzamelde gasten opgewacht. Het waren slechts eenige naverwante leden van beide familiën, meest bejaarde mannen van hoogen rang, en verscheidene generaals, die men op het feest genoodigd had. Met het bruidspaar aan de spits, begaf men zich in statigen optocht naar de kerk. De dorpelingen waren van alle zijden toegevloeid en vormden eene straat, door welke Feodorowna, met weemoedige vriendelijkheid groetende, voorttrad. Men had bloemen op het pad gestrooid; zij konden den donkeren afgrond niet bedekken, dien de bruid aan hare voeten geopend zag. Ook de gasten en de menigte waren ernstig, want een bruiloftsfeest, waarop de plechtige toon der kerkklokken zich met het gedonder van den naburigen slag vermengt, waarop duizende bloedige offers op den achtergrond vallen, terwijl woorden van vrede en zegening van de lippen vloeien,—zulk een bruiloftsfeest is waarlijk niet vroolijk te noemen. Gregorius sprak met ernst, aandoening en warmte; alles luisterde in ademlooze stilte. Spoedig was de kerkelijke plechtigheid geëindigd, en men begaf zich langs denzelfden weg naar het slot terug, waar het middagmaal de gasten wachtte.
Gedurende den maaltijd hield het donderen der vuurmonden aan, ja werd nog heviger. De gravin werd angstig en vroeg, of het niet raadzamer zoude zijn, terstond op te breken.
„Wij zijn hier volkomen in zekerheid,” antwoordde een oude generaal; „Smolensko is de sleutel van dezen weg. Zoolang die poort niet geopend is, kan de vijand niet verder voortdringen. Tegen kleine overvallen zijn wij door de kozakken gedekt, die nog in tallooze zwermen den rivieroever bewaken.”
„Ik wenschte toch,” sprak Dolgorow met sombere blikken, „dat men meer ernstige aanstalten tot verdediging gemaakt had, ofschoon het met mijne familieplannen zeer goed overeenkomt, dat het niet gebeurd is, daar ik anders bezwaarlijk een dag zou gevonden hebben, waarop mij de uithuwelijking van mijne dochter mogelijk geweest was. Maar het welzijn van het vaderland acht ik hooger, en dat zou, dunkt mij,dringend gevorderd hebben, dat men hier, waar alles ons gunstig is, een slag had aangenomen. Ik kan mij, dit beken ik rondborstig, niet met de inzichten van den veldmaarschalk vereenigen, die slechts in den terugtocht zijn heil zoekt.”
„En voorzeker niemand van ons,” antwoordde de generaal met nadruk. „Ware graaf Barclay de Tolly een geboren Rus, dan zou hij den smaad van ons vaderland ook niet zoo geduldig verdragen. Doch hier, waar ik slechts echte Russen bijeen zie, kan ik wel een woord in vertrouwen spreken. Ik geloof, dat het den langsten tijd zoo geduurd zal hebben; men verzekert, dat de keizer aan de dringende voorstellen van alle standen en van de hoogste staats-ambtenaren eindelijk gehoor gegeven en besloten heeft, het opperbevel aan een ander op te dragen.”
„Aan vorst Bagration?” vroeg Dolgorow driftig.
„Ik mag hem nog niet noemen,” was het antwoord; „doch het is een edel, waardig Rus, en men is reeds in onderhandeling met hem getreden. Voor een krijgsmakker van Suwarow zal het bewaard zijn, Ruslands ouden wapenroem te handhaven.”
„Dan is het vorst Kutusow en geen ander,” riep Ochalskoi met vuur. „Den waardigen grijsaard, hij worde onze veldheer of niet, zij dit glas toegebracht!” Tegelijk stond hij op en hief den gevulden beker omhoog; alle mannen volgden zijn voorbeeld en klonken.
„Wie ook onze aanvoerder zijn moge,” sprak Dolgorow met krachtige stem, „wij willen onzen dronk zoo inrichten, dat hij altijd een waardigen geldt: De zoon van Rusland, dien de smaad des vaderlands bloedig wreekt!”
„Hij leve!” riepen de mannen en ledigden hunne glazen.
De gravin Dolgorow stond op; in hare oogen fonkelde een ongewoon vuur; de anders zoo koude trekken verlevendigden zich. „Zoo wil ook ik aan de oud-vaderlandsche gewoonte indachtig zijn,” sprak zij, „en gij, Feodorowna, volg mijn voorbeeld.” Onder deze woorden rukte zij den sluier van haar hoofd, scheurde dien door midden en verdeelde de stukken onder de naast haar zittende mannen. Ook de bruid nam den sluier, waaronder zij tot hiertoe haar bleek gelaat had trachten te verbergen, van het hoofd. Een lichte blos kleurde hare wangen, toen zij hem in stukken scheurde en verdeelde. „Neem, mijn gemaal,” sprak zij met eene bevende stem, „dit aandenken uwer achterblijvende gade met u in den kamp, ontvangt ook gij het, waardige helden van mijn vaderland! Moge het u in het uur des gevaars herinneren, dat op uwe dapperheid de edele verplichting rust, om het heiligdom van vrouwelijke onschendbaarheid voor Ruslands dochteren te verdedigen, en dat u de vurigste dankbaarheid wacht, wanneer gij, met lauweren bekranst, ons eenmaal dit teeken der inwijding tot den kampstrijd vlekkeloos en door edel vaderlandsch bloed geheiligd terugbrengt.”
Feodorowna sloeg de schoone oogen neder, toen zij deze woorden tot den grijzen krijgsman richtte, die de eereplaats aan hare rechterzijde had ingenomen. Deze greep hare hand, kuste ze vurig en antwoordde: „Met een aandenken uit zulk eene hand gaat men den slag even vroolijk als een bruiloftsfeest te gemoet. Spoedig hoop ik, schoone vorstin, dit teeken, met echt russisch bloed versierd—want daarop zoude ik trotsch zijn—te kunnen terugbrengen, om het, naar de gewoonte van ons vaderland, te zien ingelost.”
Een hooger rood kleurde de wangen der jonge gade, want de vergunning om driemaal de frissche lippen der vrouw of jonkvrouw te kussen, wier veldteeken men aldus geverfd terugbracht, mocht den dapperen zoon des vaderlands door geene dochter uit Ruriks stam geweigerd worden; een gebruik, dat, schoon lang uit de zeden des tijdsverdwenen, in de geschiedkundige overlevering was bewaard gebleven en thans weder in het leven werd teruggeroepen. Bij gewichtige gelegenheden toch plegen de volken zich hunne oude gebruiken weer levendiger en dankbaarder te herinneren; dikwijls niet zonder innerlijk zelfverwijt, dat zij zoo lang, met zekere trouweloosheid jegens hunne waardige voorvaderen, de heilige overleveringen vergeten en veronachtzaamd hadden.
Het was avond, toen de gasten van tafel opstonden en zich in de aangrenzende vertrekken verdeelden. Met angstige beklemdheid zag Feodorowna het uur nader en nader komen, waarin zij, alleen niet haren echtgenoot, den laatsten vreeselijken strijd met haar hart zoude te kampen hebben. Zij had zich juist in een nevenvertrek begeven, om, van het gezelschap verwijderd, eenige oogenblikken met hare sombere gedachten alleen te zijn, toenJeannettehaar kwam berichten, dat vader Gregorius op hare kamer wachtte en dringend verlangde haar te spreken. Hoe gaarne haastte zich Feodorowna, den wensch van den eerwaardigen, geliefden grijsaard te vervullen! Ach, haar gansche hart drong haar tot hem; want van hem alleen hoopte zij troost en sterkte voor de zware beproeving, die haar te wachten stond.—Zij vond hem op hare kamer; zijn gelaat was ernstiger dan gewoonlijk.
„Mijne dochter,” sprak hij haar aan, „het uur is gekomen, dat ik u van hoogst gewichtige dingen spreken moet. Gij zijt onherroepelijk de gade van vorst Ochalskoi, want de plechtige inzegening heeft u voor het oog van God vereenigd. De dood alleen kan dien band verscheuren.”
„O mijn goede vader,” viel Feodorowna hem in de rede, „ik weet het; maar ik zal in mijn plicht niet wankelen. Hem, aan wien mijn woord mij, hoewel met een wederstrevend hart, verbonden heeft, zal ik getrouw en onderdanig zijn tot aan het einde mijner dagen. Ach, ik hoop, het zal niet lang zijn!” Door smart overweldigd leunde zij het moede hoofd aan de borst van den grijsaard.
„Het is niet dat, waarover ik u spreken wil, lieve dochter,” hernam hij; „want van de kracht uwer deugd ben ik verzekerd. Ik kwam om u een geheim te openbaren, dat uwe voedster Ruschka op haar sterfbed onder het zegel der laatste biecht in mijn oor gelegd en dat zij, mocht de dood ook mij wegnemen, aan deze papieren toevertrouwd heeft. Ik had haar bij mijn priesterlijken eed beloofd, het u eerst dan te zullen ontdekken, wanneer uw huwelijk voltrokken was. Zulks is gebeurd, ik mag dus thans mijne lippen openen. Gij zijt niet de dochter van Dolgorow, gij zijt geen Russin. Duitschland is het land uwer geboorte, maar uwe ouders rusten reeds lang onder de aarde. Graaf Dolgorow nam u als kind aan, daar zijne echtgenoote hem geen hoop gaf zelf vader te worden. Dit zijn de beeltenissen uwer ouders, mij door Ruschka ter hand gesteld.” Met deze woorden gaf hij Feodorowna een brief en eene geopende brieventasch met twee portretten, eene jonge vrouw en een officier voorstellende.
Met strakke, verbaasde blikken, bevend, bijna bewegingloos stond Feodorowna voor den priester en poogde te vergeefs te spreken; half bewusteloos nam zij aan, wat hij haar toereikte en legde het voor zich op de tafel neder. Eindelijk bracht zij, de gevouwen handen krampachtig tegen de borst drukkende, met een angstigen kreet der vertwijfeling de woorden uit: „Niet hunne dochter!—En toch.... o almachtige God!”
„Herstel u, mijne dochter,” sprak Gregorius, „verhef uw hart geloovig tot God, die het lot der menschen wonderbaar beschikt.—Ik heb u het gewichtigste, het noodwendigste ontdekt. Lees deze papieren door en gij zult het overige vernemen. Ik verlaat u thans. Laat eerst den hevigen storm tot bedaren komen, die nu in uwe borst woedt.Wanneer gij alleen zijt, zult gij u zelve wedervinden. Als gij mij noodig hebt, laat mij roepen.”
Met deze woorden verliet de grijsaard het vertrek; Feodorowna was niet in staat hem iets te antwoorden; met moeite wankelde zij naar een zetel en leunde het zware, door den onverwachten slag bedwelmde hoofd, in de beide handen. Het duurde lang eer zij de papieren, die het geheim van haar leven ontsluieren zouden, vermocht te ontvouwen. De beeltenissen harer ouders lagen voor haar; onafgewend hield zij hare oogen daarop gevestigd, maar de stroomende tranen verduisterden haar gezicht. Eindelijk brak zij de vijf zegels van den aan haar gerichten brief open en las, wat Ruschka met eene, door ouderdom bevende hand geschreven had:
„Mijn dierbaar Kind!„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong; wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten. Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich tePyrmont; hier leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield, om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heetteLouise Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten. Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren. Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie maanden later, toen wijPyrmontreeds verlaten hadden en Zwitserland en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik, dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig was, dikwijls engelsch,dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was. „Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.” Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde. Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij, mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde, het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen. Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij, als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”
„Mijn dierbaar Kind!
„Zoolang ik leefde, bond een strenge, vreeselijke eed mijne tong; wanneer ik van de aarde weggenomen ben, zal mijne stem nog uit het graf oprijzen, om u de geheimen te ontdekken, die op uwe geboorte rusten. Gij zijt niet de dochter van den graaf en de gravin Dolgorow. Slechts eenige dagen waart gij oud, toen zij u in Duitschland na den dood uwer moeder als kind aannamen. De graaf was toenmaals reeds vier jaren gehuwd; hij had de hoop om vader te worden, opgegeven. De ledigheid van een kinderloozen echt, als ook zijne begeerte om vreemde landen te leeren kennen, hadden hem tot het ondernemen van groote reizen bewogen. In Mei van het jaar 1793 bevond hij zich tePyrmont; hier leerde hij uwe moeder kennen, die zich als weduwe met haar vijfjarig zoontje, Benno genaamd—gij waart nog niet geboren—daar ophield, om haar ondermijnde gezondheid te herstellen. Zij heetteLouise Waldheim; haar man was officier geweest en in een duel doodgeschoten. Daardoor plotseling in een meer bekrompen toestand geraakt, zwak en ziekelijk, de geboorte van een tweede kind te gemoet ziende, maakte zij, niettegenstaande hare afgezonderde levenswijze, toch spoedig de opmerkzaamheid van eenige rijke badgasten gaande. De gravin Dolgorow, die de eerste verdieping van het huis gehuurd had, waarin uwe moeder een klein kamertje bewoonde, deed haar het voorstel, als gezelschapsdame bij haar te komen en daarbij tevens de verplichting op zich te nemen, om den graaf en haar zelve in de duitsche taal te onderwijzen, welke zij beiden toenmaals gaarne grondig wilden leeren. Uwe moeder, door den nood gedwongen, nam dit voorstel aan; drie maanden later, toen wijPyrmontreeds verlaten hadden en Zwitserland en Italië doorreisden, werdt gij geboren. In eene afgelegen herberg in de omstreken van Freiburg, midden in Zwitserland, hebt gij het eerst het daglicht gezien. Toen de verlossing uwer moeder naderde, wilde de graaf haar eerst aan de zorg der eerlijke landlieden toevertrouwen, mij achterlaten en de reis alleen met de gravin voortzetten, tot wij ons weer bij hen zouden kunnen vervoegen: doch eene lichte ongesteldheid der gravin zelve bewoog hem in onze eenzaamheid te deelen, tot uwe moeder weer geheel hersteld zoude zijn. De arme vrouw herstelde echter niet; op den elfden dag na uwe geboorte stierf zij. Ik was hare verzorgster in de laatste dagen haars levens; stervende droeg zij mij de zorg voor hare kinderen op en stelde mij hare gansche kleine nalatenschap voor u ter hand. Daaronder waren ook de trouwringen van haar en haren echtgenoot. Terstond na de begrafenis bemerkte ik, dat de graaf zich met een gewichtig plan moest bezig houden. Hij sloot zich meermalen met de gravin op, hield lange, niet zelden zeer hevige redewisselingen met haar en sprak, wanneer ik tegenwoordig was, dikwijls engelsch,dat ik niet verstond; nochtans bemerkte ik duidelijk, dat gij het onderwerp van het gesprek zijn moest, daar zij u gedurig met eene zonderlinge opmerkzaamheid beschouwden. Eenige dagen daarna gaf de graaf, onder voorwendsel, dat hij in Italië inboorlingen in zijn dienst wilde nemen, aan zijne beide duitsche bedienden hun afscheid, schonk hun reisgeld en liet hen naar hun vaderland terugkeeren. Eindelijk riep hij mij op een morgen alleen en verklaarde mij, dat hij voornemens was, u als zijne dochter aan te nemen. Natuurlijk was ik daarover zeer verheugd, wijl het lot der beide kinderen mij reeds niet weinig verontrust had; maar spoedig veranderde mijne vreugde in diepe droefheid, toen hij mij zeide, voor den broeder op eene andere wijze te zullen zorgdragen, daar het volstrekt geheim moest blijven, dat de gravin niet de echte moeder van het kind was. „Dus moeten dan de kleinen gescheiden worden!” riep ik verschrikt en bedroefd uit.—„Het zal geen ongeluk voor hen zijn, die elkander nooit gekend hebben,” antwoordde de graaf. „Gij zijt de eenige, die van het geheim weet, en ik eisch van u, dat gij mij op de gewijde hostie zweert, het nimmer te zullen ontdekken. Breekt gij uw woord, herinner u dan, dat gij en uwe broeders lijfeigenen zijn en dat ik u door één woord weder in den staat der diepste slavernij kan terugslingeren.” Deze bedreiging was vreeselijk. Mijne broeders waren door de gunst van den ouden graaf, den vader van uw pleegvader, welgestelde kooplieden in Petersburg geworden; maar de trotschheid der russische grooten, die er roem op dragen, rijke lijfeigenen te bezitten, was oorzaak, dat hij hun de vrijbrieven steeds geweigerd had. Ik wist, welk een verschrikkelijk lot hun en mij zelve boven het hoofd hing, wanneer ik den eed weigerde. Daar bovendien het besluit van den graaf uw geluk verzekerde, daar ik bedacht, dat gij aan een broeder, dien gij nooit gekend hadt, niets verliezen kondt, daar eindelijk de graaf mij beloofde, voor den knaap grootmoedig zorg te zullen dragen, besloot ik, mij aan zijn wil te onderwerpen. Doch thans, in het uur van mijn naderenden dood, nu gij, mijn geliefd kind, verre van mij omzwerft, thans eerst bekruipt mij een zware gewetensangst en kan ik niet besluiten, dien last met mij in het graf te nemen. Ik weet, welke oorzaken den graaf bewogen, u tot zijne dochter aan te nemen. De gravin kon een aanmerkelijk deel harer goederen eerst dan erven, wanneer zij moeder was. Het was geen liefde, het was eigenbaat, die hen dit plan deed ontwerpen. Voor twee jaren eerst, kort voor uwe afreis naar Engeland, is haar die erfenis te beurt gevallen, die nauwelijks toereikend was, om des graven door zucht tot praal en verkwisting geheel versmolten vermogen eenigermate weder te herstellen. Thans hoopt hij door u, wier schoonheid en engelachtige goedheid aller harten moeten innemen, een rijken schoonzoon te winnen. Gij zijt in den stand der rijken, der voornamen opgevoed, gij hebt de voordeelen eener vrije geboorte verkregen. O lieve, zij zijn onberekenbaar! Verneemt gij het geheim uwer geboorte te vroeg, zoo kunt gij ze verliezen. Daarom zal het u eerst ontdekt worden, wanneer gij, als de gade van een vrijen Rus, voor eeuwig van de rechten van uw stand verzekerd zijt. Aan den vromen vader Gregoor heb ik gebiecht, wat mij op het hart drukte; ik vertrouw het aan dit papier toe, opdat hij het in de sakristij beware, het vernietige, wanneer gij ongehuwd sterven mocht, en het u overgeve, wanneer niemand u dat, wat gij met het verlies eens broeders gewonnen hebt, ontrooven kan.”
Feodorowna moest het blad uit de hand leggen, daar tranen haar verhinderden verder te lezen. Het ongeduld echter, om meer, en vooral ook het lot van haren broeder te vernemen, richtten haar spoedig weder uit die afmatting op.
„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde, verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen, onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring. Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had, sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los, om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik, dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de lippen sluit.En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe, zeventigjarige voedsterRuschka.”
„Nadat ik den eed had afgelegd, dien de graaf van mij vorderde, verliet ik zijne kamer. De lieve vijfjarige knaap, uw broeder, huppelde mij vroolijk te gemoet en wees mij met zijn vingertje op de wieg, om mij te doen opmerken, dat gij zoo gerust sliept. Thans dacht ik aan de beide ringen. Een donker voorgevoel, waarvan ik mij zelve geene rekenschap wist te geven, spoorde mij aan den knaap ten minste dat ééne aandenken te laten. Haastig nam ik zijn kleedje en naaide den eenen ring in den gordel daarvan vast. Wel mij, dat ik het gedaan had, want eenige minuten later trad de graaf binnen en beval mij den knaap aan te kleeden, daar hij met hem wilde uitrijden. Een veelbeteekenende blik zeide mij, wat hij voorhad. Onder snikken en tranen voldeed ik aan het bevel. De knaap begreep niet, waarom ik weende, maar verheugde zich slechts in den schoonen rit. Zijn ongeduld, ja zijne onstuimigheid—want hij was even wild en driftig als goedhartig—kon het oogenblik, dat hij met den graaf in het rijtuig zou klimmen, onmogelijk afwachten. „Mij drukt hier iets,” riep hij verdrietig, toen ik hem het kleedje toeknoopte, en hij greep naar den ingenaaiden ring. Bezorgd, dat hij zelf op die wijze mocht verraden, wat ik gedaan had, sneed ik haastig met de schaar een ingelegden naad van het rokje los, om de spanning te doen ophouden. Had de graaf mijn geheim ontdekt, het zou slecht met mij zijn afgeloopen.—Tot mijne verwondering zag ik, dat de reiswagen met postpaarden bespannen was. De graaf steeg met het kind in, en ik heb het sinds dien tijd niet weer gezien. Wat er van hem geworden is, weet ik niet, want den volgenden morgen reed ik, met de gravin en u, den, zooals het heette, vooruit gereisden graaf na, dien wij na drie dagen te Keulen weder aantroffen. Hij zweeg; ik dorst niets vragen. Vandaar vertrokken wij naar Holland en staken vervolgens naar Engeland over, daar de tijdsomstandigheden het gevaarlijk maakten naar Italië te reizen. Eerst na drie jaren keerden wij naar Rusland terug en gij gingt nu door voor de gravin Feodorowna Dolgorow en werdt als zoodanig opgevoed. De ring, dien ik u, mijn dierbaar kind, bij mijne afreis gaf en u zoo dringend bad, niet te verliezen, maar steeds uit liefde tot mij te dragen, is de trouwring uwer moeder. Door hem kunt gij wellicht nog eens uw broeder wedervinden. Meer heb ik niet te ontdekken. Ik bezweer u echter, bewaar deze geheimen in het diepste van uw hart en houd ook voor uwe pleegouders verborgen, dat gij daarmede bekend zijt, want zij zouden aan mijne nog levende broeders vreeselijk wraak nemen. Niemand weet iets van hetgeen ik u mededeelde dan gij en vader Gregorius, wien het heilige zegel der biecht voor eeuwig de lippen sluit.
En nu vaarwel, mijn geliefd kind. Vergeef mij, wat ik tegen u misdaan heb, om der liefde wil, die ik steeds voor u koesterde. Mocht gij op aarde zoo gelukkig zijn, als gij goed en schoon zijt, dan zult gij niet zooveel tranen vergieten, niet zooveel angst en kommervolle nachten doorbrengen, als ik in mijn leven geteld heb. Uwe oude, getrouwe, zeventigjarige voedster
Ruschka.”
Feodorowna was in de hevigste gemoedsbeweging en wist in haren angst tot geen besluit te komen. Nu wilde zij Gregorius roepen, dan naar hare pleegouders snellen, dan wederom haren echtgenoot alles ontdekken. Met door tranen verduisterde oogen beschouwde zij de beeltenissen harer ouders. „O, hoe zacht, hoe teeder zijn de trekken mijner moeder, hoe edel, vurig, mannelijk die mijns vaders!” zuchtte zij, bij den aanblik der geliefde, nooit gekende dooden. „Ach, gij zoudt uwe dochter warmer bemind hebben! Thans weet ik, waarom ik geofferd werd.” Lang stond zij besluiteloos; eindelijk schelde zijJeannetteen liet door deze Gregorius roepen. Hij had in de voorzaal gewacht. „O mijn vader, mijn redder, wat heb ik te doen!” riep zij hem toe en wrong de handen; „wat moet ik rampzalige nu beginnen!” Daar voelde zij Ruschka's ring aan haren vinger. „Dit is het eenige teeken,” vervolgde zij, „waaraan ik mijn broeder weder herkennen kan. Ach, onlangs was ik op het punt van het voor altijd te verliezen! Doch God waakte over mij! Het was—o vergeef mij, ik wilde een nutteloos verhaal beginnen, nu, daar de seconden onschatbaar zijn. Wat raadt gij mij, vader? Wat moet ik doen? Ik ben niet langer graaf Dolgorows dochter, ben hem niet meer het offer mijns levens schuldig.”
„Gij hebt het gebracht,” viel Gregorius haar zacht, maar ernstig in de rede, „gij zijt de gade van vorst Ochalskoi, het onverbrekelijk sakrament der kerk heeft u vereenigd, en die band kan alleen door den dood verbroken worden.”
„O hemelsche barmhartigheid!” snikte Feodorowna; „ook dan niet, wanneer hij door bedrog en leugen gesloten is?”
„Ook dan niet, mijne dochter!”
„Zoo moge ik zijne gade heeten, maar nimmer wil ik het zijn, voor en aleer mij de broeder, die mij ontroofd werd, is teruggegeven. O, waarom drong het licht der waarheid niet één eenige dag vroeger tot het zwarte weefsel des bedrogs door! Gregorius, gij kondt mij hebben gered uit dezen afgrond des jammers, maar uw mond zweeg!”
Uitgeput zonk zij op een stoel neder en liet de armen machteloos zinken. Gregorius trad op haar toe en greep hare hand in de zijne, terwijl hij de andere ten hemel hief:„Geloften zijn heilig, zijn onschendbaar, mijne dochter. De Heer zegent hen, die het Hem gegeven woord trouw gestand doen. Bedenk ook gij zulks, die heden voor Zijn heilig aangezicht eeuwige trouw, liefde en gehoorzaamheid beloofd hebt. Denk aan de beden der stervende, aan het lot harer....”
„Hoe?” riep Feodorowna onstuimig, „zou de vrees voor eene nieuwe euveldaad van hem, die mij den broeder ontroofd heeft, mij beletten, mijne heiligste rechten te doen gelden? Ruschka vreest voor het lot harer broeders; moet ik daarom den mijnen voor eeuwig verliezen? Neen, den graaf Dolgorow onder de oogen treden, dat wil ik en hem vragen: Waar is mijn broeder? Hij alleen is in staat, mij hem terug te geven.”
„Dierbare dochter, gij zijt buiten u zelve, gij weet niet, wat gij doen wilt,” sprak Gregorius; „maar gij moet kalmer worden en anders handelen. Hoe, wanneer graaf Dolgorow Ruschka's bekentenis voor valsch verklaarde? En kon hij anders, wanneer hij zich niet de verderfelijkste gevolgen op het hoofd wil laden? Of waant gij, dat de moed tot die leugen hem zou ontbreken, die den moed tot de daad bezat? Welkebewijzen hebt gij tegen hem? Zal zijne getuigenis niet meer gelden, dan die eener arme lijfeigene? Hebt gij den heiligen doop niet als zijne dochter ontvangen? Heb ik zelf u niet in deze kerk de slapen bevochtigd met het gewijde water des Heeren? O mijne dochter, bedwing thans uw overstelpt hart, want gij zoudt slechts ramp op rampen hoopen! Den haat des vaders, der moeder, van den echtgenoot zoudt gij op u laden, tweedracht en verwarring uitzaaien en door dat alles noch raad noch troost winnen. En kunt gij den heiligen eed vergeten, dien gij voor eenige uren hebt afgelegd? Is het uw echtgenoot, die u bedrogen heeft? Moogt gij hem trouw en gehoorzaamheid ontzeggen, wijl anderen u onrecht deden? En was dat onrecht niet met duizende weldaden verbonden? Zijt gij niet met liefde en zorgvuldigheid grootgebracht?—Neen, mijne dochter, wijk niet af van het pad der zachtmoedigheid en lijdzaamheid, dat de Heer u gebiedt te bewandelen. Blijft u nog eenige hoop, den broeder immer weder te vinden, dan is het slechts, wanneer gij nu zwijgt en het geheim in de diepte van uw hart bewaart. En weet gij dan, of gij niet misschien hem zelven ten verderve brengt, wanneer gij eischt, dat hij u worde teruggegeven? Kunt gij weten, hoe ver of hoe nabij hij zijn kan? Hoor naar de woorden van uw ouden, trouwen vader, beloof hem, dat gij zijn raad volgen wilt, dan zal hij u zoolang hij nog op aarde omwandelt met getrouwe liefde op zijde staan. En roept de Heer hem van hier weg, dan zal hij nog daar boven den zegen des hemels op uw hoofd afsmeeken.”
De grijsaard hield Feodorowna's hand in de zijne geklemd. Eene krampachtige trekking beefde door haren, onder den hevigsten kamp zwoegenden boezem. „Nu welaan dan, het zij zoo,” sprak zij eindelijk. „Ook dat is overwonnen. Ik beloof u te zwijgen, Gregorius. Maar,” vervolgde zij, zich met hoogheid oprichtende en de rechterhand plechtig ten hemel heffende, „ik zweer ook.... en de Almachtige moge mijn eed vernemen!.... ik zweer ook, van dit uur af onvermoeid naar mijn broeder te vorschen, en wanneer ik hem vind, dan zal geene macht op aarde mij terughouden, hem aan het hart te sluiten en te roepen: Ik ben uwe zuster!—Ik moet mij thans weder naar het gezelschap begeven; ik kan het, ik ben bedaard. Verlaat mij, mijn vader; maar bezoek mij morgen nog eenmaal, eer ik dit slot misschien voor eeuwig vaarwel zeg.”
Zij reikte hem de hand. Gregorius legde de zijne zegenend op haar gebukt hoofd en knikte haar sprakeloos vaarwel toe.
Feodorowna had nog eenige oogenblikken noodig eer zij genoegzaam bedaard was, om weder in het gezelschap te kunnen verschijnen; juist wilde zij het vertrek verlaten, toen de deur geopend werd en Ochalskoi binnentrad. Verschrikt en bevende week zij onwillekeurig eene schrede terug.
„Heb ik u verschrikt, lieve?” vroeg de binnentredende, haar verbleeken gewaar wordende, op vleienden toon en bracht hare hand aan zijne lippen. „O, gij zult mij vergeven, dat mijn verlangen mij dreef u op te zoeken. Bijna een uur mist men u. Ik kan u niet berispen, dat gij het gezelschap ontvlucht; maar gij zult licht begrijpen, dat mij dezelfde neiging voortdrijft, Feodorowna! Het gelukkigste uur mijns levens heeft geslagen. Ik sluit de schoonste, de beste, de beminnenswaardigste van haar geslacht in mijne armen. De scheidsmuur is nu tusschen ons gevallen; zult gij nu ook geheel met liefde de mijne zijn?”
Hij had haar bij deze woorden vertrouwelijk omvat en kuste hare bleeke lippen en wangen. Sidderend vermocht zij noch weerstand te bieden, noch op zijne teedereliefdetaal te antwoorden; sprakeloos duldde zij de liefkoozingen, waartoe hij gerechtigd was.
„Wanneer gij wilt, Feodorowna,” ging hij dringender voort, „is het oogenblik onzer vereeniging daar. De ras voorbijsnellende minuten van ons geluk zijn zoo spaarzaam afgemeten, dat het wreedheid ware, ze moedwillig te verkorten. Zoudt gij dat willen, geliefde? Wij zijn in het vertrouwelijke heiligdom der liefde, niemand kan ons meer storen. Uwe moeder zelve zeide mij, u op te zoeken. De gasten hebben zoo even het slot verlaten. Slechts de landlieden en bedienden vieren thans nog op hunne wijze bij dans en spel den dag van ons geluk; ookJeannetteheb ik weggezonden; of hebt gij nog iets noodig? Geliefde, de tijd is kort, dien wij het lot ontrooven, dat ons morgen reeds weder vaneen scheidt; laat ons dien dan gebruiken. Niet waar, gij laat mij niet weder gaan?”
De angst roofde der ongelukkige de spraak. Ochalskoi hield haar zwijgen voor maagdelijke schaamte, haar stom lijden voor minnend, niet langer weerstrevend toegeven, het krampachtig hijgen harer borst voor de onstuimige opwelling der overstelpende liefde.
Driftig drukte hij zijne gloeiende lippen op hare verbleekte wangen en sloot haar met den rechterarm aan zijne kloppende borst, terwijl hij met de linkerhand hare rijke haarvlechten losknoopte.
Met reeds bezwijmende krachten trachtte Feodorowna zich uit zijne omarming los te winden. „Ik versta u, hemelsch meisje,” fluisterde hij, „uw zwijgende lip is zoet welsprekend! Slechts in een heilig duister bloeit de zachte nachtbloem der liefde.” Hier liet hij de angstig afwerende los, om de op de tafel brandende lichten uit te dooven. Zij wilde hem ontvluchten, maar wist niet meer, wat zij deed; de handen wringende, wankelde zij op de deur van het bruidsvertrek toe, opende die en zeeg met een luiden angstkreet bewusteloos op den grond neder.
Ochalskoi sprong, zelf hevig verschrikt, op haar toe; want toen Feodorowna de deur had geopend, zag hij hare gestalte door een donkerrooden gloed verlicht en een breeden, bloedigen vuurschijn in het duistere vertrek vallen.
„Dood en hel, wat is dat?” riep hij, toen de gloeiende weerglans hem uit het nevenvertrek in de oogen straalde.
Het was het brandende Smolensko, welks hoog opflikkerende vlammen juist door het zwarte rookkleed heenbraken, dat haar zoolang omhuld had. De vesting lag juist tegenover de vensters van het bruidsvertrek, waar de gordijnen nog niet neergelaten waren.
Ochalskoi hief de onmachtige Feodorowna op, sloot haar in zijne armen en trachtte haar gerust te stellen. „Wees bedaard, lieve! Het is eene vreeselijke bruidsfakkel, die ons ontstoken wordt, maar zij zal onze heilige verbintenis niet storen. De tijd zal komen, dat wij de toortsen der wraak zwaaien.”
Feodorowna's oog bleef gesloten. Ochalskoi wist niet, of hij hulp vragen dan alleen beproeven zou, haar in het leven terug te roepen. De donkerroode weerschijn der vlammen speelde op de doodelijk bleeke wangen der onmachtige, zoodat zij door den zachten lichtgloed der avondschemering bestraald scheen. „Gij zult aan mijne borst ontwaken,” stamelde hij, haar met bevende armen omvattende en gloeiende kussen op haren mond drukkende; „Feodorowna, ontwaak, of neen, blijf....” In dit oogenblik vielen drie schoten in de nabijheid.
„Wat was dat!” riep Ochalskoi, sprong op en rukte het venster open. Het geschreeuwvan verwarde stemmen en dadelijk daarop eene onregelmatige losbranding van geweer- en pistoolschoten, die het gevecht van een aantal strijders aanduidden, drongen door de stilte van den nacht in zijn oor.
„Overrompeling! Verraad!” riep hij in dolle woede. „Dood en verderf, en in dit uur!” Met deze woorden stoof hij onstuimig op de deur toe en snelde naar buiten.
In het slot heerschte reeds eene onbeschrijfelijke verwarring. De bedienden en landlieden waren het eerst door het kleppen der stormklok, die het uitbarsten van den brand verkondigde, in hunne vreugde gestoord geworden. Thans had men de krakende schoten gehoord en waande den vijand reeds binnen de muren van het slot. In gangen en zalen, op trappen en portalen verdrongen knechts en vrouwen, speellieden en landmeisjes elkander in steeds toenemend gewoel.
„Sluit de poort,” riep Dolgorow. „De brug op! verzamel u op het slotplein. Geen moed verloren! Het kan een blind alarm zijn!” Terwijl hij zich te vergeefs beijverde, door deze bevelen de orde te herstellen, kwam een boer ademloos de poort binnensnellen en riep: „De vijand, de vijand! Zij overvallen ons! Vlucht allen in het bosch!”
De verschrikte slotbewoners, de landlieden en alle meisjes vlogen met luid angstgeschreeuw en gejammer naar hof en tuin, deels om zich te verbergen, deels om te ontvluchten. Anderen drongen door de slotpoort, om hunne huizen in het dorp te bereiken. Het ophalen der brug en sluiten der poort werd daardoor geheel onmogelijk. Schuimbekkend van woede hieuw Dolgorow met de vlakke sabel op de vluchtenden, die hem niet gehoorzaamden in, en vermeerderde daardoor de ontsteltenis en verwarring.
Thans rende een troep vluchtende kozakken de poort voorbij en huilde: „De vijand! De vijand! Vlucht, steekt aan!”
„Het is te vergeefs, weerstand te beproeven,” riep Ochalskoi, die zich intusschen met sabel en pistolen gewapend had. „Laat ons slechts de vrouwen redden. Wij vluchten door den tuin en bereiken zoo het woud, waar wij volkomen in zekerheid zijn.”
„Ten minste de poort moet versperd worden,” schreeuwde Dolgorow, „anders baat de schandelijke vlucht ons niets.”
Thans vond zijn bevel gehoor, daar de ingang juist vrij was. Hij zelf, Ochalskoi en drie bedienden trokken ijlings de kettingen, waarmede de vleugeldeuren aan den slotmuur vasthaakten, terug, wierpen de poort toe en schoven de grendels er voor.
Het was hoog tijd, want juist rende Rasinski aan de spits zijner manschappen den heuvel af, en nauwelijks was de deur gesloten, of men hoorde reeds de donderende hoeven der paarden op de ophaalbrug.
Dolgorow en Ochalskoi vlogen de trappen op naar het bruidsvertrek, om Feodorowna te redden, terwijl de gravin ijlings hare kleinooden en hetgeen zij op de vlucht noodzakelijk behoefde, bijeen raapte. Het gedruisch had de onmachtige uit hare bedwelming doen ontwaken. Met kalmte—want uitwendige schrik oefende weinig geweld op haar uit, die thans niets meer vreesde—had zij hare kleeding reeds veranderd en hare belangrijkste bezitting, eenige brieven en de beeltenissen harer ouders, bij zich gestoken. Haastig wierp zij den mantel om en snelde met vasten tred aan de zijde van haren echtgenoot naar de zaal, waar de gravin wachtte. Toen men het voorplein bereikte, beukten de stormenden zoo geweldig tegen de poort, dat men elk oogenblik verwachten moest, die te zien bezwijken. Echter konden de vluchtenden niet dan langzaam doordringen, want een aantal bedienden en landlieden, thans van den eersten schrik bekomen, sleepten van alle zijden groote bundels hooi, stroo en rijshout aan,om de ruimte voor de poort daarmede op te vullen. „Wij willen hen door een vuurwal van ons scheiden,” riep Dolgorow en schoot zijn pistool in het droge stroo af, dat dadelijk vuur vatte. „Nog meer hooi, stroo en takkenbosschen; dat de rook en walm de honden verstikke, wanneer zij het slot willen indringen!” riep de verbitterde Rus, en in hun ijver verstikten de dienaars bijna in de vlammen door de menigte van ras opgeworpen brandstoffen. „Zoo, goed zoo, jongens!” riep de graaf, „steekt het slot aan de vier hoeken aan; daar wij het verlaten moeten, willen wij het ook den vijand niet gunnen.”
Daar hij zag, dat zijn bevel werd opgevolgd, ijlde hij Ochalskoi en de vrouwen na, die reeds door den tuin vluchtten, om door eene achterpoort het woud te bereiken. Weldra hadden ook de teruggebleven bedienden hunne meesters achterhaald, en toen men omzag, steeg een zwarte, dichte rookzuil uit de slotmuren op.
„Zij zullen niet lang in het kasteel huizen,” riep een der knechten met honende jubel; „in elken stal brandt een duchtig bos stroo. Eer tien minuten om zijn, moet de vlam boven de daken uitslaan. Zij zal ons, denk ik, nog een poosje in het bosch voorlichten. Jammer, dat wij de paarden niet konden meênemen, doch daartoe was geen tijd, laat staan tot zadelen en optoomen.”
„Zwijgt thans,” gebood Dolgorow; „onze vlucht zij zoo stil mogelijk.” Zacht, maar met verhaaste schreden ijlden de vliedenden voorwaarts. Nog hadden zij den grensmuur van het park niet bereikt, toen zij de heldere vlam reeds door de groene boomen zagen blinken. Door de kleine achterpoort geraakte men op het vrije veld en snelde langs een smal voetpad op het nabijgelegen woud toe. Juist was men den zoom daarvan genaderd, toen eene talrijke ruiterbende in gestrekten galop den hoek van den tuinmuur omsloeg, om de vluchtelingen na te zetten. In vollen loop ijlden dezen op het bosch toe, maar met losse teugels renden de ruiters hen na, en eer het veilige toevluchtsoord nog bereikt was, floten de pistoolkogels door de lucht, en flikkerden dadelijk daarop de blinkende sabels boven de hoofden der vluchtenden.
Inmiddels had Rasinski met twee aan den weg gevonden boomstammen de slotpoort onder den voet geloopen. Zoodra die opensprong, sloeg hem een verstikkende, gloeiende rook te gemoet, doch eensklaps gierde de stormwind door de hem geopende baan, joeg de vlam naar binnen op hof en tuin aan en werd het smeulende hooi, stroo en rijs door den hevigen luchtstroom mede voortgedreven, zoodat men geene kunstige kunstmiddelen noodig had, om zich den weg te banen. In twee minuten had de storm alle vonken uitgedoofd, en slechts een aschhoop in het voorportaal verried nog de sporen van het aangelegde vuur. Onverwijld drong Rasinski nu met zijne scharen het gebouw binnen en riep: „Bezet alle ingangen! Laat niemand ontkomen. Boleslaw, gij rijdt rechts met uw escadron den slotmuur om, Jaromir links. Alle gevangenen worden hier gebracht. Niemand wage zich in het dorp! Het slot blijft onze verzamelplaats.”
Driftig sprong hij van het paard en ijlde, door de boden, Lodewijk, Bernard en eenige officieren gevolgd, de trappen op, ten einde het binnenste van het gebouw zelf te onderzoeken. Spoedig had hij de lange rij van vertrekken doorkruist, daar alle deuren openstonden, terwijl alles de overhaaste vlucht der bewoners verried; maar zijne navorschingen bleven vruchteloos en verdrietig begaf hij zich naar de groote zaal terug. „Zou het nog mislukt zijn?” riep hij mismoedig uit. „Ik vrees, dat de brand van Smolensko ons onzen buit heeft doen verliezen en de bruiloftsgasten te vroeg uiteengejaagd!”
De bode haalde de schouders op en hernam: „Mijne schuld is het niet, heer overste; ik heb u goed onderricht. Was de vesting niet in brand geraakt, zoo zouden wij hier geweest zijn, eer een mensch onze tegenwoordigheid vermoed had, en de generaals en andere hooge gasten waren uwe gevangenen geweest.”
„Gij hebt uw loon verdiend, neem,” antwoordde Rasinski en wierp den Rus eene beurs toe, die deze begeerig opving.
„Wanneer wij thans slechts een weinig infanterie met een paar kanonnen hadden,” vervolgde de overste, tot de officieren gewend, „zou ik, zonder een oogenblik te aarzelen, daarmede de achterhoede aangrijpen en haar door een onverhoedschen aanval ten minste een duchtigen schrik aanjagen. Zooals wij hier zijn, is het echter niet raadzaam, ons dieper in het land te wagen. De infanteriepatrouilles en de bende kozakken, die wij bij het dorp aantroffen, moeten toch alarm gemaakt hebben, en licht kon een overmachtige hoop tegen ons aanrukken, die ons, bij het ééne smalle pad, dat ons tot den terugtocht blijft, hoogst verderfelijk zou zijn. Mij dunkt dus, wij laten verzameling blazen, trekken onze troepen weer bijeen en keeren even stil over den stroom terug, als wij gekomen zijn.”
De officieren waren van dezelfde meening.
Weldra keerde Boleslaw, zonder iets ontmoet te hebben, met zijne ruiters terug en werd spoedig daarop door Jaromir gevolgd, die eenige bedienden van den graaf als gevangenen medevoerde. „Ik stiet,” berichtte hij, „dicht bij het woud op de vluchtenden. Het waren de bewoners en bedienden van het slot met eenige vrouwen; een deel vlood, anderen boden tegenstand. Bij het licht der vlammen, die van het slotplein oversloegen, bemerkte ik een officier, die eene jonge dame op zijne armen naar de dichte struiken trachtte te dragen, waar wij met onze paarden niet voortkonden. Ik sprong uit den zadel en poogde hem in te halen; toen ik door het hout heenworstelde en hem naderde, zette hij de dame op den grond neder en wachtte mij af. Ik riep hem toe, dat hij zich gevangen zou geven, maar hij schoot op mij, doch miste. Nu gaf ik vuur; hij viel. Juist wilde ik toespringen, toen eenige Russen zich tusschen hem en mij in wierpen en mij terugdrongen, zoodat ik bijna overweldigd was geworden. Gelukkig bereikte ik nog eene vrije plaats, waar mijne lieden mij te hulp konden komen. Zij bevrijdden mij en wij maakten drie gevangenen. Volgens hun zeggen was de getroffene vorst Ochalskoi, die heden met de dochter van graaf Dolgorow, wien dit slot toebehoort, moet getrouwd zijn.”
„Ware ons ten minste die ééne vangst gelukt,” riep Rasinski mistroostig; „maar dat wijt ik u niet, Jaromir, want gij hebt meer dan uw plicht gedaan,” voegde hij er vriendelijk bij. „Het geluk heeft ons niet genoeg begunstigd. Maar laat ons nu opbreken, eer het ons nog verder tegenloopt.”
Nadat men zich overtuigd had, dat er onder de gevangenen niemand van beteekenis was, liet men hen vrij, met de bedreiging, van hen dadelijk te zullen neersabelen, zoodra men hen weder in handen kreeg. Op die wijze trachtte Rasinski te verhoeden, dat men zijn terugweg naspoorde, wijl hij in het oogenblik, dat hij over den Dnieper terugtrok, door een aanval in den hachelijksten toestand kon gebracht worden. Ook wilde hij de lieden in den hun opzettelijk ingeprenten waan laten, dat hij door een aanzienlijk legerkorps gedekt werd, dat in den nacht over de rivier was getrokken. Zoo begaf men zich weder op marsch en liet de brandende schuren en stallingen aan de woede der vlammen over.
Eerst toen men de rivier doorwaad en den anderen oever bereikt had, bemerkte Rasinski dat de oude Petrowski en Bliski, een geoefend, dapper ruiter, vermist werden. Vol bezorgdheid zond hij Boleslaw met eenige manschappen terug, om hen op te zoeken. Twee uren wachtte hij op diens terugkeer; eindelijk kwam hij, maar zijne pogingen waren vruchteloos geweest, de beide wakkere kameraden schenen verloren.
„Zouden wij deze beide dapperen ten offer moeten brengen?” riep Rasinski. „Vrienden, laat ons nog hopen, wellicht zijn zij slechts verdwaald en keeren tot ons terug. Wij moeten er nu den geheelen nacht aan wagen en willen langzaam verder trekken, om van tijd tot tijd seinen te geven. Hier zijn wij immers volkomen in veiligheid.”
De trouwe krijgsmakkers gehoorzaamden gaarne, want het waarschijnlijke lot hunner kameraden ging hun allen na aan het hart. In tragen stap en onder diep stilzwijgen reed men langs den oeverkant voort.
„Hoor! Wat was dat?” vroeg Rasinski den nevens hem rijdenden Boleslaw. „Ruischt het niet in het water? Het was, alsof iemand van den anderen oever neerplompte. Halt!”
„Waarachtig, daar beweegt zich iets,” fluisterde Boleslaw. „Zal ik aanroepen?”
„Nog niet, wij moeten eerst beter kunnen zien; men kan niet weten, wat het is, want wij zijn hier reeds dicht bij de vesting. Het zijn twee zwemmers.”
„Werda? Halt! Antwoord!”
„Goed vriend,” antwoordde de welbekende stem van Petrowski en eene algemeene juichtoon ging er op. Twee minuten later sprongen zij aan land.
„Die mij liefheeft omarme mij niet!” riep Bliski, eenige kameraden koddig afwerende; „wij zijn van boven tot onder slijk en eendekroos; brr! het bad was frisch.”
„Hoe komt gij te voet, spreekt op, vertelt!” vroeg Rasinski met belangstelling.
„Bliski was mijn redder,” begon Petrowski.
„Gekheid, laat mij vertellen,” viel de vroolijke ruiter hem in de rede. „Toen wij naar het slot wilden terugrijden, kwam hij te vallen; drie russische spitsboeven, die zich in de struiken verborgen hadden, kwamen voor den dag springen, om hem te plunderen. Gelukkig zag ik het en vloog er op in. Daar beukt een van de schurken mijn arm paard met een knuppel op de hersens, dat het schuw op zij springt en ik uit den zadel tuimel. Des te beter, dacht ik, en stond gauw op de voeten. Tegen ons tweeën dorsten de helden geen stand te houden; maar de paarden waren de vlakte opgeloopen. Daar wij niet weten konden, of het kreupelhout meer soortgelijke vruchten droeg, sukkelden wij te voet op het slot aan, in de hoop, dat onze arme dieren den grooten hoop wel achterna zouden draven. Maar nu sneed het uit het dorp vluchtende kanalje ons den weg af. Wij moesten het bosch in en dwaalden in het donker heen en weer, maar hielden altijd de vlammen van Smolensko in het oog. Eensklaps staan wij voor een grooten weg, dien ik dadelijk voor de baan naar Moskou herken; want ik ben lang in Rusland geweest en hier zoo redelijk goed bekend, heer overste. Juist toen wij uit de struiken wilden treden, om eens in het rond te loeren, ziet de wachtmeester gelukkig, dat er een troep ruiters aankomt; wij als de wind weer onder het hout gekropen en den mond toegehouden. Pas zijn de ruiters voorbij, of wij hooren het ratelen van kanonnen. Het waren zoo ongeveer honderd stukken en kruitkarren, ook ander voertuig in menigte; daarop kwam de infanterie in lange, dichte colonnes, dan weer cavalerie; kortom een gansch legerkorps; het duurde wel een uur eer alles voorbij was. Eindelijk werd de baan vrij, wij sprongen voor den dag en keken in het rond; een tijdlang hielden wijden grooten weg, sloegen toen linksaf en kwamen binnen vijf minuten aan de rivier.”
Hoe innig het Rasinski ook verheugde, zijne brave lieden gered te zien, maakte toch Bliski's verhaal ook nog in een ander opzicht zijne belangstelling levendig gaande. Hij werd namelijk meer en meer in het vermoeden bevestigd, dat misschien de gansche, ten minste een deel der bezetting de vesting verlaten had, en besloot derhalve door de watervoorstad, welke ook voor ruiterij toegankelijk is, in de stad door te dringen, om de eerste te zijn, die van dit gewichtige, ofschoon thans weinig gevaarlijke voordeel gebruik maakte. Hij beval daarom in diepe stilte voort te rukken, en hield zich bij voortduring dicht aan den rivieroever. Zoo bereikte hij de eerste huizen, zonder op een enkele schildwacht te stooten. De dageraad begon aan te breken, toen hij de eerste straat insloeg. Geen geluid, geen spoor verried, dat nog bewoners in de half ingestorte, half smeulende steenhoopen verwijlden. Men bereikte eene dwarsstraat; met verbazing zag Rasinski ook door deze ruiters aankomen. Zij waren van het korps van vorst Poniatowski; men begroette elkander met vroolijke verrassing en zette den weg in verschillende richtingen voort. Rasinski reed de buitenstad in en zag bij de schemering eene mannelijke gedaante behoedzaam rondsluipen. Hij hield ze voor een Rus en riep dus in die taal aan; doch de persoon antwoordde niet en zocht te ontkomen. Hopende van hem met zekerheid te vernemen of de vesting geheel verlaten was, rende Rasinski den vluchteling na en had hem weldra met eenige lanciers zoozeer in het nauw gebracht, dat hem geen uitweg meer overbleef. „Vive l'Empereur!” riep de moedige soldaat en leide zijn geweer op Rasinski aan. Thans eerst herkent deze de fransche uniform en maakte zich aan den dappere, dien hij voor den vijand gehouden had, bekend. Het was een onderofficier van het korps vanDavoust, die de vermetele onderneming gewaagd had, om alleen over den muur in de vesting te dringen. Zoo werd dan de roem van de vijandelijke plaats het eerst betreden te hebben, ten derde male twijfelachtig. Intusschen was de hoofdzaak ontwijfelbaar zeker, men bevond er zich in; zeer spoedig overtuigde men zich ook, dat de Russen de stad verlaten en zich, na het vernielen der bruggen, op den anderen oever teruggetrokken hadden, waar zij de aldaar gelegen vestingwerken waarschijnlijk nog bezet hielden.
De dag begon aan te breken en de eerste zonnestralen vielen op een akelig tafereel. Waar men het oog wendde, ontwaarde men rookende puinen en opeengehoopte lijken, die bloedend of half verbrand, meerendeels geheel uitgeschud, op de omgewoelde aarde lagen neergestrekt. Andere zag men verkoold, zwart van rook en brand, ten deele onder de smeulende asch bedolven liggen; enkele ledematen des lichaams waren door de vlammen verschroeid of geheel van vleesch ontbloot; slechts het naakte, uitgebrande gebeente stak nog te voorschijn. Rasinski had het regiment teruggevoerd, daar de enge, door ingestorte balken, steen en aschhoopen versperde straten den doortocht belemmerden; hij zelf reed echter, door Jaromir verzeld, weder in de vesting terug, ten einde de schouwplaats der verwoesting nauwkeuriger op te nemen. „Eene treurige overwinning!” zuchtte hij. „Het bloed, voor de verovering der russische wildernissen gestort, schijnt bijna vruchteloos verspild, daar zij ons in plaats van steden en dorpen weldra niets meer dan de aschhoopen zullen aanbieden, waaronder zij begraven liggen.”
Ook den vroolijken, luchthartigen, aan de sombere tafereelen van den oorlog gewonen Jaromir liep eene ijskoude rilling over de leden, toen hij in dezen dampenden baaierd van puin en lijken rondreed. „Inderdaad,” antwoordde hij, na eenignadenken: „en nog onbegrijpelijker is het mij, hoe dit verwoeste land de tallooze volksmassa's voeden zal, die het van alle zijden overstroomen. Eer hier niet weer opnieuw gezaaid en geoogst is, zou men gelooven, dat geen menschelijk wezen in deze woesternij zijn aanzijn ook slechts voor eenige dagen verlengen kon.”
„De wolf zal naar Polen en Pruisen op roof moeten uitgaan, wijl hij hier van honger zou omkomen,” sprak Rasinski, bij den half schertsenden vorm zijner woorden inwendig huiverend.—„Hoor! Muziek!”
Het was de fransche garde, die met vliegende vaandels en luid klinkende tonen de stad binnentrok. Het vroolijk geschal in dit uur, in deze omgeving, scheen de vreeselijkste hoon. Rasinski trok zijn paard in eene zijstraat terug en liet de troepen voorbijtrekken. De muzikanten bliezen den marseillaanschen marsch; doch deze krachtige tonen, die anders in elk fransch hart de gloeiendste geestdrift, in elk oog den vurigsten moed deden ontvlammen, schenen ditmaal eene onverstaanbare taal tot de dappere krijgers te spreken. Diepe ernst stond op hunne trekken te lezen; somber richtten zij het oog op de verwoesting rondom en trokken de zwarte wenkbrauwen dreigend te zamen. Men ontdekte wel is waar geen spoor van vrees en moedeloosheid op het ruwe, verschroeide, met breede litteekens bedekte gelaat dezer dapperen, maar ook geene schemering van vreugde en zelfvoldoening straalde uit hunne blikken. Met stout opgericht of somber gefronst voorhoofd traden zij over lijken, puin en asch voort; zij geleken een opkomend onweder in hunne stomme ijzeren houding.
Thans naderde de keizer op zijn fraaien arabischen schimmel. Hij wierp de scherpe blikken overal opmerkzaam in het rond, zonder zich daardoor in zijn levendig gesprek met den generaalLobaute laten storen.
„De keizer is dezelfde als op de parade te Dresden,” fluisterde Jaromir met merkbare verwondering.
„Het ligt in zijn aard,” hernam Rasinski, „zich zelf in storm en zonneschijn steeds gelijk te blijven. Doch wij willen hem volgen; ik ben verlangend zijne jongste bevelen te vernemen, en misschien geven die ons nog werk genoeg, eer het avond wordt.”
Met deze woorden drong hij, door Jaromir gevolgd, over de rookende puinhoopen en nevens het gedrang der binnenrukkende troepen voort, om zich bij den staf aan te sluiten, met welken de keizer de vesting nader in oogenschouw nam.
„Ik begin bijna verdriet in het leven te krijgen,” zuchtte Bernard, terwijl hij een zwaren zak van den schouder liet glijden, waarbij Lodewijk hem behulpzaam was. „Voor mij zelf had ik den verren, gevaarlijken strooptocht niet ondernomen, maar mijn arme magere klepper moet toch ook iets anders te smullen hebben dan onrijpe haver en dor heigras.”
„Gij zijt gelukkig geweest,” antwoordde Lodewijk, „wij hebben niet zooveel gevonden. Alles in den omtrek is woest en ledig; de dorpen zijn verlaten en verbrand. Ik weet niet, hoe dat eindigen moet!”
„Het is waar, wij stevenen een woesten oceaan in, maar hebben een Columbus aanboord, wiens kompas nog lang streek houdt, wanneer ons oog geene enkele star aan den hemel meer ziet, waarop wij koers kunnen zetten.—Doch help mij de paarden voeren, ik kan de dieren niet laten wachten, totdat Rasinski's rijknecht komt; zij zullen groote oogen opzetten over het gastmaal, dat wij hun opdisschen.”
„Gaarne,” hernam Lodewijk.—„Het is goed,” vervolgde Bernard, terwijl hij de haver in den voederzak schudde en den hongerigen dieren voorhing, „dat wij hier tamelijk afgezonderd liggen en ten minste nog een oude schuur tot stal hebben bij dit koude, vochtige herfstweder. Stonden wij op het vrije veld, zoodat men een uur ver zien kon, wat wij buit gemaakt hebben, wij zouden meer ongenoode gasten krijgen, dan zomers vliegen op de melk afkomen.—Zie, zie hoe de oude sukkels smullen! Ja, mijn bruintje, zulke haver is tegenwoordig geen alledaagsche kost voor u.”
Terwijl beiden in deze genoegelijke bezigheid, de verzorging hunner paarden, geheel verdiept waren, trad Rasinski binnen, die van een rit naar het hoofdkwartier, waar hij op de parade geweest was, zoo even terugkeerde. „Waarachtig,” riep hij, „gij voert immers zoo rijkelijk en prachtig als in den hofstal vanSt. Cloud. Waar hebt gij dien schat opgedaan?”
„Ha, goeden avond!” riepen de vrienden hem vroolijk toe. „Niet waar,” vervolgde Bernard, „dat zal den kleppers goed doen na den langenvastentijd? Ik had de dragonders beloerd; zij kwamen met eenige zakken haver daar ginds uit het bosch aanslepen. Hm, dacht ik, daar is misschien nog meer te halen, volgde als klein Duimpje het spoor der verloren korrels en breede laarzen en kwam spoedig aan een gehucht, waar voor acht dagen misschien een dozijn huizen gestaan hebben, maar dat thans nog slechts een dozijn puinhoopen vertoont. Ik klauterde over asch en balken heen, snuffelde alle gaten en spleten rond en vond eindelijk in een hoek nog dezen zak met haver, dien de dragonders òf niet gezien, òf, wijl zij hem niet konden meêdragen, daar verborgen hadden.—Maar gij hebt immers brieven? Wat nieuws?”
„Voor Lodewijk; en gewichtige narichten voor ons allen. Morgen zal het eindelijk tot een slag komen.”
„Werkelijk?” riep Bernard levendig.
„Eindelijk!” sprak Lodewijk, maar bedoelde daarmede de aankomst der sinds verscheidene weken gewachte brieven der zijnen. Terwijl hij ze opende, tikte Rasinski Bernard heimelijk op den schouder en wees hem met een veelbeteekenenden oogwenk op Lodewijk.
Bernard begreep niet, wat dit beduiden moest, maar zweeg en vestigde opmerkzame blikken op zijn vriend. Deze las met toenemende ontroering; hij verbleekte, groote tranen rolden over zijne wangen; plotseling bracht hij de rechterhand voor de oogen, liet de linker met den brief zinken en reikte dien met een smartelijken zucht aan Bernard over, als wilde hij bij dezen troost en sterkte zoeken. Deze greep driftig toe, terwijl Rasinski den geschokten vriend de hand op den schouder legde en hem met weemoedige aandoening aanzag.
„Mijne moeder.... mijne moeder....! Lees zelf....” meer vermochtLodewijkniet uit te brengen.
„Ik wist het reeds,” sprak Rasinski en sloot den jongeling met warmte aan zijne borst, „wist het door mijne zuster, die mij den brief in den haren toezond; maar gij moest het niet van mij vernemen. Wie kan een bitteren kelk met zachter hand toereiken dan eene zuster?”
Bernard las intusschen met eene aandoening, welke zelfs zijne sterke ziel niet bedwingen kon.