De Nautilus.Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken; zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars, welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven, waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.“Kapitein Nemo,” zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast mij plaats nam, “dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren.”“Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?” antwoordde de kapitein. “Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?”“Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000 deelen....”“12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt er vrij gebruik van maken.”Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken, in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen wat hem in de hand kwam.Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek, van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault, Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages, Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865 verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus daarvoor niet ophouden.“Ik dank u, mijnheer,” zeide ik tot den kapitein, “dat gij deze bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken.”Het was eene bibliotheek.Het was eene bibliotheek.“Deze zaal dient niet alléen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,” zeide de kapitein.“Eene rookkamer!” riep ik uit, “wordt er dan aan boord gerookt?”“Zonder twijfel.”“Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt, kapitein.”“Geenszins,” antwoordde Nemo; “neem een van deze sigaren, mijnheer Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken als gij een kenner zijt.”Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad; ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet, en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber, die in geen twee dagen gerookt heeft.“Zij is voortreffelijk,” zeide ik, “maar het is toch geen tabak?”“Neen,” antwoordde de kapitein, “die tabak komt niet uit Havana of uit Oost-Indië; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras, dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana’s nog, mijnheer?”“Ik laat die van nu af staan, kapitein.”“Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof ik niet minder goed.”“Integendeel.”Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze, welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt; daartusschen hingen schitterendewapentropheeën. Ik zag daaronder schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door eene madonna van Rafaël, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter, zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer, Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonstemodellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.“Mijnheer de professor”, zeide die vreemde man, “gij zult de weinige complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht, wel willen verontschuldigen.”“Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer,” antwoordde ik, “zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?”“Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben geen leeftijd.”“En, die componisten?” vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber, Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber, Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model, welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.“Die componisten,” antwoordde mij de kapitein, “zijn voor mij tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor, even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den grond liggen.”Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare met mozaïek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eensnatuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes, waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei, welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven, en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden uit mijne mijmering werd opgewekt:Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb.”“Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt, om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen, wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!”“Mijnheer Aronnax,” antwoordde de kapitein, “ik heb u gezegd dat gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw gids te zijn.”“Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze natuurkundige werktuigen voor dienen?”“Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn.”Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte, en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer,met bed, toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer slechts danken.Het ruime, schitterend verlichte salon.Het ruime, schitterend verlichte salon.“Uwe kamer is naast de mijne,” zeide hij, eene deur opendoende,“en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben.”Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams, slechts het strikt noodige.KapiteinNemo wees mij een stoel, ik ging zitten en daarop begon hij aldus:Alles door electriciteit.“Mijnheer,” zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan den wand wees, “dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen; zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in ’t midden van den Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer, die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas, waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt, het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte der zee drijft.”“Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten,” antwoordde ik; “ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?”“Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig zich beweegt.”“En die dieplooden van nieuwe soort?”“Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van de verschillende diepten der zee doen kennen.”“En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?”“Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor,” zeide kapitein Nemo; “hoor mij dus aan.”Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak daarop het volgende:“Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en methet grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit.”“De electriciteit!” riep ik, ten hoogste verbaasd.“Ja, mijnheer.”“Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts weinig kunnen uitwerken!”“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “mijne electriciteit is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van kan zeggen.”“Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt, moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink, omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?”“Uwe vraag zal beantwoord worden,” antwoordde kapitein Nemo; “ik zal beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-, zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit voort te brengen.”“Aan de zee?”“Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven aan een meer practisch middel.”“En welk is dat?”“Gij kent de samenstelling van het zeewater; op éen kilogram vindt men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk, zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen.”“Uit sodium.”“Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen,dat de sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink.”“Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed; maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg, dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte hoeveelheid verre overtreffen.”“Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik daarvoor zeer eenvoudig steenkolen.”“Die gij in den grond vindt?” vroeg ik.“Neen, in zee,” antwoordde kapitein Nemo.“Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?”“Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben; de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus warmte, licht, beweging, kortom het leven.”“Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?”“O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil, mijn verblijf in de diepte kan verlengen.”“Kapitein,” antwoordde ik, “ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen zonder twijfel later zullen vinden.”“Ik weet niet of zij die wel zullen vinden,” antwoordde de kapitein koel. “Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk, het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers; ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld, want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen.”“Juist.”“Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien kilometer in ’t uur.”De kamer van kapitein Nemo.De kamer van kapitein Nemo.“Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt.”“Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax,” zeide kapitein Nemo, terwijl hij opstond; “als gij mij wilt volgen, zullen wij den achtersteven bezoeken.”Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig, hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in ’t geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten, waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was, voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam.Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor die trap diende.“Daarlangs bereikt men de sloep,” zeide hij.“Hoe hebt gij dan eene sloep?” vroeg ik, vrij verwonderd.Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan, en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt.”“Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte der zee stijgen?”“Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar.”“Maar hoe komt gij aan boord terug?”“Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe.”“Op uw bevel?”“Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig; ik telegrapheer en dat is genoeg.”“Inderdaad niets is eenvoudiger,” zeide ik, duizelend van het hooren van al die wonderen.Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen.In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage; maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man er voor het besturen van de Nautilus noodig waren.Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen voor de beweegkracht had geplaatst.Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de schroef mededeelden.Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht, welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: “het zijn eenige gasachtige producten,” zeide hij, “welke het gevolg zijn van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen.”Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines van de Nautilus.“Gij ziet,” zeide kapitein Nemo, “dat ik de elementen van Bunsen en niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal, maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt, kan 120 omwentelingen in de seconde doen.”“En gij verkrijgt aldus?”“Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur.”Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon doentoenemen? Dit kon ik niet begrijpen.Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.“Kapitein Nemo,” zeide ik, “ik zie de resultaten, en ik tracht niet ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte, waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden, die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij weder naar boven? In één woord, hoe blijft gij op de diepte, welke gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?”“Geenszins, mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, na eenige aarzeling, “omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen, wat gij omtrent de Nautilus weten moet.”Eenige cijfers.Een oogenblik daarna zaten wij in het salon met eene sigaar in den mond. De kapitein legde mij eene teekening voor, waarop het plan van de Nautilus in opstand en doorsnede was uitgewerkt; toen begon hij zijn verhaal in deze woorden:“Hier hebt gij de verschillende afmetingen, mijnheer, van het vaartuig, waarop gij u bevindt; het is een lange cylinder met kegelvormige uiteinden; het ziet er zoo ongeveer uit als eene sigaar, een vorm, welken men te Londen reeds bij verscheidene gelijksoortige constructiën gebruikt heeft. De lengte van den cylinder, van de eene punt tot de andere, bedraagt juist 70 meter; de middellijn is op de grootste breedte acht meter. In mijn vaartuig staat dus niet, zooals in uwe groote stoomschepen, de breedte tot de lengte als éentot tien, maar de zijden en de ronding zijn lang genoeg, om de verplaatste watermassa geene enkele verhindering in zijne vaart te doen ondervinden.De helder verlichte machinekamer.De helder verlichte machinekamer.“Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de oppervlakte en den inhoud van de Nautilus doen vinden; de oppervlakte bedraagt 1011.45vierkantemeter, de inhoud 1500.2 kubieke meter, dat wil zeggen, dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is, er eene watermassa verplaatst wordt, die ongeveer 1500 ton weegt.“Toen ik mijne plannen maakte voor dit onderzeesche vaartuig, wilde ik, dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negen tienden daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom moest het slechts negen tienden van zijn volumen verplaatsen, derhalve 1350.18 kub. meter, dat is te zeggen een gewicht van een gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijne constructie dit gewicht niet te boven gaan.“De Nautilus heeft een dubbelen romp, welks platen door dwarsijzers verbonden zijn, welke daaraan eene buitengewone sterkte geven; door deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen, alsof ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt; de ijzeren pantserplaten zitten vast tegen elkander gedrukt, en door zulk een bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeën te trotseeren.“Die beide omkleedsels zijn van stalen platen vervaardigd, welker dichtheid, in vergelijking met die van het water, 7,8 bedraagt. De huid is niet minder dan vijf centimeter dik en weegt 364.56 ton; de kiel, welke slechts 50 centimeter hoog en 25 breed is, weegt alléen 62 ton; de machine, de ballast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de tusschenwanden en de binnenste stutten, hebben te zamen een gewicht van 923.62 ton, hetwelk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd, een totaal oplevert van 1350.18 ton. Begrepen?”“Begrepen,” antwoordde ik.“Als dus de Nautilus drijft,” vervolgde de kapitein, “dan steekt zij voor een tiende deel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende gedeelte, dat is van 150.02 ton, en als ik die met water vul, dan zal het vaartuig geheel onder water zijn; dit gebeurt, mijnheer de professor; die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de Nautilus; ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld, en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters.”“Goed kapitein, maar nu stuiten wij juist op de grootste moeielijkheid; dat gij juist onder het wateroppervlak drijven kunt, begrijp ik; maar als gij lager wilt zakken, ontmoet uw vaartuig dan geen drukking van beneden naar boven van een kilogram op den vierkanten centimeter?”“Juist, mijnheer.”“Dan begrijp ik niet hoe gij de Nautilus zoo diep kunt doen indompelen of gij moest haar geheel laten volloopen.”“Gij moet de statica niet met de dynamica verwarren, professor,”antwoordde kapitein Nemo; “want dan begaat gij grove dwalingen. Er is slechts weinig arbeidsvermogen noodig om de grootste diepten van den Oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben eene neiging tot zinken. Volg slechts mijne redeneering.”“Ik ben geheel gehoor, kapitein.”“Toen ik het toenemend gewicht wilde berekenen, dat ik aan de Nautilus geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht te geven op de vermindering in volumen, welke het zeewater ondergaat, naarmate men dieper in zee daalt.”“Dit is duidelijk,” antwoordde ik.“Welnu, als het water al eenigszins kan worden samengedrukt, dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate; en inderdaad volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts 436/10000000 per atmosfeer, of op elke tien meter diepte. Wil ik dus 1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volumen inkrimpt onder een druk van eene kolom water van 1000 meter hoog, dat is onder dien van honderd atmosferen. Die vermindering zal dan 436/100000 zijn; ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermeerderen, dat het vaartuig 1506.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton, het is dus slechts eene vermeerdering van 6.54 ton.”“Slechts?”“Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit.”Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in te brengen.“Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein,” gaf ik ten antwoord, “en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten, omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid.”“Welke, mijnheer?”“Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen; als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij hebt dus eene kracht noodig....”“Welke de electriciteit alléen mij kon geven,” viel kapitein Nemo mij haastig in de rede. “Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunktmij reeds moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van 1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare bewegingen noodig.”“Welke dan, kapitein?” vroeg ik.“Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd wordt.”“Ik brand van ongeduld om het te vernemen.”“Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen, daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging wordt gebracht; maar ik kan deNautilusook van boven naar beneden, en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft.”“Bravo, kapitein!” riep ik uit. “Maar hoe kan de stuurman den weg volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?”“De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien.”“Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te bieden?”“Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt, heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke men in 1864 in de Poolzeeën nam om bij electriek licht te visschen, merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal zooveel.”“Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het mogelijk is om onder in zee....”De kapitein legde mij eene teekening voor.De kapitein legde mij eene teekening voor.“Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst, welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten.”“Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigeneenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus en de Scotia, waarover zóoveel gepraat is, door eene toevallige ontmoeting werd veroorzaakt of niet?”“Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige gevolgen heeft gehad.”“Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln aangaat?...”“Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen; het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen doen herstellen.”“O kapitein,” riep ik geheel overtuigd uit, “uw Nautilus is waarlijk een wonder!”“Ja, mijnheer,” antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening, “en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen, welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken, omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid, mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein, de ingenieur en de bouwmeester van ben.”De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die ook niet terughouden.“Zijt gij dan ingenieur, kapitein?” vroeg ik.“Ja, professor,” antwoordde hij, “Ik heb te Londen, te Parijs en te New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde.”“Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen bouwen?”“Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool, de schroef bij Scott teGlasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien.”“Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in elkander zetten?”“Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht en gevormd heb, hebben dáar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd, en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen.”“Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus buitensporig groot zijn geweest.”“Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton; de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.7251franken, dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten, welke zij bevat.”“Eene laatste vraag, kapitein.”“Vraag, mijnheer.”“Zijt gij dan zóo rijk?”“Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!”Ik keek den zonderlingen man, die zóo sprak, strak aan; maakte hij ook misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen.1Dus eene som van ƒ 797.396.90.De zwarte stroom.Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat van 3.751.322.76vierkantemyriameter of meer dan 37½ millioenhectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee; toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen; eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen, kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen, zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377vierkantekilometer of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het water in vijf groote wereldzeeën verdeelen: de Noordelijke IJszee, de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het oosten tusschen Azië en Amerika uit, over eene lengte van 145°. Het is de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden zou doen doorreizen.Visschen van den zwarten stroom.Visschen van den zwarten stroom.“Mijnheer de professor,” zeide kapitein Nemo, “als gij wilt, zullen wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder naar de oppervlakte stijgen.”De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat allesstilstond.“Wij zijn er,” zeide de kapitein.Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor- en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers, altijd voor een zeemonster gehouden werd.In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke licht, dat het schip op zijn weg verlichtte.De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voeldenauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels en liet dus de beste opmetingen toe. Er was nietsin het gezicht; geen klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl hij zijne observatiën deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet onbeweeglijker hebben kunnen zijn.“Middag,” zeide hij.Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder naar het salon.Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: “Mijnheer Aronnax, wij zijn op 137° 15′ westerlengte....”“Van welken meridiaan?” vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land hij afkomstig was.“Mijnheer,” antwoordde hij; “ik heb verschillende chronometers, die geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington; maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen.”Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde:“137° 15′ westerlengte van Parijs, 30° 7′ noorderbreedte, dat is te zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8 November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint.”“God beware ons,” zeide ik.“En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studiën; ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de vergunning verzoek om mij te verwijderen.”De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alléén; ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde, die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking van Koenraad “verdriet had aangedaan,” een nieuwerwetsche Galilei, of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury, wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch gastvrij; hij had evenwel nimmermijne hem toegestoken hand aangevat, of mij de zijne toegestoken.Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden elkander kruisten.De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, één in het noorden en één in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk, dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft, toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden.Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde zich één van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat van Malakka en langs de kust van Azië stroomt, en dan in de Stille Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen, als hier opeen gestapeld lagen.“Waar zijn wij?”riep Ned uit; “in het museum te Quebec?”“Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de Galeries de Zoölogie was,” zeide Koenraad.“Vrienden,” antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen, “gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee.”“Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert,” zeide Koenraad; “maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming als mij verbaast.”“Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft als gij, is hier werk in overvloed....”Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boogzich over de glazen kasten en mompeldeallerleiwoorden en namen uit de taal der natuurkenners: “weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis,” enz., alles door elkander.Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad, mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien of gehoord had.“Niets gehoord of gezien,” antwoordde hij: “ik heb zelfs niemand van de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?”“Electriek!”“Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer Aronnax,” vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld van overrompeling bleef, “zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?”“Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil, en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt.”“Zien!” riep de harpoenier, “maar men ziet niets, en zal nooit iets zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde....”Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt.Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden van de Nautilus in beweging kwamen.“Dat is nu het einde van alles!”, zeide Ned.“Orde van deHydromedusen!”, mompelde Koen.Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee; eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken, maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een bijna onbeperkt weerstandsvermogen.Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus duidelijkzichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvanin de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien, en zelfs schijnen dezonnestralennog tot op eene diepte van 300 meter door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht.Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft; ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoorzochte afgronden; de duisternis van de zaal deed het licht buiten des te beter uitkomen, en wij keken door de ramen alsof het de wanden van een zeer groot aquarium waren.De Nautilus scheen zich niet te bewegen; het was omdat wij vaste punten voor ons oog misten. Somwijlen echter vlogen strepen waters met buitengewone snelheid ons voorbij, waardoor wij konden zien, dat wij inderdaad zeer snel vooruitgingen.Verbaasd leunden wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een onzer de stilte nog had afgebroken, toen Koenraad zeide:“Gij wildet zien, vriend Ned, welnu, zie!”“Prachtig!” zeide Ned, die zijn toorn en zijne ontvluchtingsplannen vergetende, zich onwillekeurig aangetrokken gevoelde; “men zou er zelfs ver om willen reizen, om zulk een schouwspel te bewonderen.”“O!” riep ik uit, “nu begrijp ik het leven van dien man; hij heeft zich een wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem hare grootste wonderen bewaart!”“Maar waar zijn de visschen?” merkte de harpoenier op, “ik zie er geen.”“Wat gaat u dat aan, vriend Ned,” antwoordde Koenraad, “omdat gij ze toch niet kent.”“Ik, een visscher!” zeide Ned Land.En daarop ontstond een soort van twistgesprek tusschen de beide vrienden, want beiden kenden visschen, maar ieder op verschillende wijze; Ned Land kende er wel onderscheid tusschen, doch Koenraad wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij; daarom zeide hij: “Gij zijt een visschendooder, mijnvriend, een zeer handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen verdeelt.”“Welzeker,” antwoordde de harpoenier ernstig, “in visschen die men eet, en die men niet eet!”“Dat is de onderscheiding van een vraat,” antwoordde Koenraad; “maar zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en kraakbeenachtige visschen?”“Misschien wel, Koen.”“En de onderverdeeling van die beide groote klassen?”“Ik heb er nooit van gehoord,” antwoordde Ned.“Welnu, hoor mij aan en onthoud het,” en daarop begon hij eene geleerde verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: “Ziet gij, mijn beste Ned, als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets, want de familiën worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten, verscheidenheden ....”“Welnu, vriend Koen,” viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij tegen het raam leunde, “daar heb je verscheidenheid genoeg.”“Ja, allerlei visschen,” zeide Koenraad, “men zou denken dat men voor een aquarium zat.”“Neen,” voegde ik hem toe, “want een aquarium is een kooi en hier zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht.”“Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt,” vroeg Ned Land.“Ik?” antwoordde Koenraad, “daar ben ik niet toe in staat; dat is de zaak van mijn meester.”En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben gevormd.Het zeewater was helder verlicht.Het zeewater was helder verlicht.Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid; ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige exemplaren. Onze verbazing was voortdurendten hoogste gespannen; onze uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne bewegingen en de schoonheidhunner vormen. Nooit was mij het geluk te beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element te aanschouwen.De zee werd vlammend rood gekleurd.De zee werd vlammend rood gekleurd.Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onzeverbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en Chineesche zeeën slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door het schitterende electrieke licht.Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan; de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien kilometer in het uur maakten.Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer; mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde, en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak lekkerder was dan van zalm.Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus den snellen Zwarten stroom volgde.
De Nautilus.Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken; zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars, welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven, waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.“Kapitein Nemo,” zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast mij plaats nam, “dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren.”“Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?” antwoordde de kapitein. “Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?”“Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000 deelen....”“12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt er vrij gebruik van maken.”Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken, in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen wat hem in de hand kwam.Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek, van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault, Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages, Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865 verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus daarvoor niet ophouden.“Ik dank u, mijnheer,” zeide ik tot den kapitein, “dat gij deze bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken.”Het was eene bibliotheek.Het was eene bibliotheek.“Deze zaal dient niet alléen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,” zeide de kapitein.“Eene rookkamer!” riep ik uit, “wordt er dan aan boord gerookt?”“Zonder twijfel.”“Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt, kapitein.”“Geenszins,” antwoordde Nemo; “neem een van deze sigaren, mijnheer Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken als gij een kenner zijt.”Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad; ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet, en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber, die in geen twee dagen gerookt heeft.“Zij is voortreffelijk,” zeide ik, “maar het is toch geen tabak?”“Neen,” antwoordde de kapitein, “die tabak komt niet uit Havana of uit Oost-Indië; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras, dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana’s nog, mijnheer?”“Ik laat die van nu af staan, kapitein.”“Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof ik niet minder goed.”“Integendeel.”Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze, welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt; daartusschen hingen schitterendewapentropheeën. Ik zag daaronder schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door eene madonna van Rafaël, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter, zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer, Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonstemodellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.“Mijnheer de professor”, zeide die vreemde man, “gij zult de weinige complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht, wel willen verontschuldigen.”“Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer,” antwoordde ik, “zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?”“Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben geen leeftijd.”“En, die componisten?” vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber, Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber, Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model, welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.“Die componisten,” antwoordde mij de kapitein, “zijn voor mij tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor, even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den grond liggen.”Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare met mozaïek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eensnatuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes, waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei, welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven, en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden uit mijne mijmering werd opgewekt:Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb.”“Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt, om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen, wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!”“Mijnheer Aronnax,” antwoordde de kapitein, “ik heb u gezegd dat gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw gids te zijn.”“Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze natuurkundige werktuigen voor dienen?”“Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn.”Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte, en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer,met bed, toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer slechts danken.Het ruime, schitterend verlichte salon.Het ruime, schitterend verlichte salon.“Uwe kamer is naast de mijne,” zeide hij, eene deur opendoende,“en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben.”Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams, slechts het strikt noodige.KapiteinNemo wees mij een stoel, ik ging zitten en daarop begon hij aldus:
Kapitein Nemo stond op; ik volgde hem. Eene dubbele deur achter in de zaal opende zich, en ik betrad eene kamer, welke van gelijke afmetingen was als die, welke wij pas verlaten hadden. Het was eene bibliotheek. Hooge palissanderhouten kasten met koper ingelegd bevatten op breede planken een groot aantal gelijk ingebonden boeken; zij stonden rondom in de zaal en daaronder stonden gemakkelijke met bruin leder overtrokken rustbanken. Lichte beweegbare lessenaars, welke men naar willekeur naar zich toe kon draaien of wegschuiven, waren daarin bevestigd om er de boeken, waarin men las, op neder te leggen. In het midden stond een groote tafel, met brochures en eenige oude nieuwsbladen bedekt. Het electrische licht scheen over het schoone geheel, en viel door drie matte glazen bollen van het plafond naar beneden. Ik beschouwde deze vernuftig ingerichte zaal met bewondering, en kon mijne oogen nauwelijks gelooven.
“Kapitein Nemo,” zeide ik tot mijn gastheer, die op eene rustbank naast mij plaats nam, “dit is eene boekerij, welke meer dan éen paleis op het platteland tot eer zou strekken, en ik ben inderdaad verbaasd dat gij zulk een boekenschat tot in de diepten der zee met u kunt voeren.”
“Waar kan ik beter de eenzaamheid en meer stilte vinden?” antwoordde de kapitein. “Is uw studeervertrek in het museum zoo rustig?”
“Neen mijnheer, en ik mag er nog wel bijvoegen, dat het in vergelijking met het uwe er zeer armoedig uitziet. Gij hebt hier zeker 6 of 7000 deelen....”
“12000, mijnheer Aronnax; het is de eenige band, welke mij nog aan de aarde hecht; de aarde bestaat voor mij niet meer van den dag af dat ik met mijn Nautilus voor het eerst in zee dook. Dien dag heb ik de laatste boeken, brochures en dagbladen gekocht; en van dien tijd is het mij alsof de menschen niet meer gedacht of geschreven hebben. Die boeken, mijnheer de professor, zijn overigens tot uw dienst; gij kunt er vrij gebruik van maken.”
Ik bedankte kapitein Nemo, en bekeek de bibliotheek eens wat nauwkeuriger; zij telde overvloed van werken over allerlei wetenschappen zoowel van zede- als letterkundigen aard, in allerlei talen; maar ik zag geen enkel werk over staathuishoudkunde; die schenen streng verbannen te zijn. Zonderling was het, dat al die boeken, in welke taal ook geschreven, door elkander stonden, en die wanorde bewees dat de kapitein van de Nautilus alles vlug moest kunnen lezen wat hem in de hand kwam.
Onder die werken zag ik de meeste stukken van oude en nieuwe schrijvers, dat is te zeggen, al wat de mensch het schoonst heeft voortgebracht op het gebied van geschiedenis, dichtkunst en romantiek, van Homerus tot Victor Hugo, van Xenophon tot Michelet, van Rabelais tot Dickens. Het grootste deel der boekerij was echter aan allerlei takken van wetenschap gewijd; het waren werken over werktuig- en natuurkunde, waterbouw- en weerkunde, aardrijkskunde en natuurlijke geschiedenis: en ik begreep dat dit de voornaamste studie van den kapitein was. Ik zag er al de werken van Von Humbolt, Arago, Foucault, Henri Saint-Claire Deville, Chasles, Milne Edwards, Quatrefages, Tyndall, Faraday, Berthelot, Petermann, Kaiser, Maury, enz.; de verslagen van de academie van wetenschappen en van verschillende aardrijkskundige genootschappen, en op een der beste plaatsen zelfs de beide deelen, welke mij misschien zulk een goede ontvangst aan boord hadden doen genieten. Een werk gaf mij zelfs een juiste tijdsbepaling aan de hand, namelijk een, dat in den loop van 1865 verschenen was, waardoor ik kon opmaken dat de reizen van de Nautilus tot geen vroeger tijdperk opklommen; derhalve had kapitein Nemo zijn onderzeesch leven eerst sedert drie jaar begonnen. Overigens hoopte ik dat nieuwere werken mij dien tijd misschien nog nauwkeuriger zouden kunnen aanwijzen. Maar ik had den tijd om dit te onderzoeken, en ik wilde onze wandeling ter bezichtiging der wonderen van de Nautilus daarvoor niet ophouden.
“Ik dank u, mijnheer,” zeide ik tot den kapitein, “dat gij deze bibliotheek ter mijner beschikking gesteld hebt. Er zijn daar schatten van wetenschap in verborgen, waarvan ik gebruik hoop te maken.”
Het was eene bibliotheek.Het was eene bibliotheek.
Het was eene bibliotheek.
“Deze zaal dient niet alléen tot boekerij, maar ook tot rookkamer,” zeide de kapitein.
“Eene rookkamer!” riep ik uit, “wordt er dan aan boord gerookt?”
“Zonder twijfel.”
“Dan geloof ik dat gij nog betrekkingen met Havana onderhouden hebt, kapitein.”
“Geenszins,” antwoordde Nemo; “neem een van deze sigaren, mijnheer Aronnax, en hoewel zij niet uit Havana komt, zal u die wel smaken als gij een kenner zijt.”
Ik nam de mij aangeboden sigaar aan; zij had een goudkleurig dekblad; ik stak haar op aan een klein komfoor op sierlijken bronzen voet, en deed de eerste trekken met het welgevallen van een liefhebber, die in geen twee dagen gerookt heeft.
“Zij is voortreffelijk,” zeide ik, “maar het is toch geen tabak?”
“Neen,” antwoordde de kapitein, “die tabak komt niet uit Havana of uit Oost-Indië; het is eene soort van nicotine-houdend zeegras, dat de zee, hoewel vrij schaars, oplevert. Betreurt gij uwe Havana’s nog, mijnheer?”
“Ik laat die van nu af staan, kapitein.”
“Rook dan naar hartelust zonder u over de herkomst van deze sigaren te bekommeren; geene belasting drukt ze, maar daarom zijn zij geloof ik niet minder goed.”
“Integendeel.”
Daarna opende kapitein Nemo eene deur tegenover die, waardoor wij de bibliotheek waren binnengetreden, en ik trad een ruim en schitterend verlicht salon binnen. Het was een groot vierkant met afgesneden hoeken, tien meter lang, zes breed, en vijf hoog. Een zacht maar zeer helder licht viel van een rijk met arabesken beschilderd plafond op al de wonderen, welke in dit museum opeen waren gestapeld; want het was waarlijk een museum, waarin eene ervaren en rijke hand al de schatten van natuur en kunst had bijeengebracht op eene wijze, welke de kunstmatige verwarring van een schildersatelier kenmerkt.
Een dertigtal meesterstukken hingen in gelijkvormige lijsten langs de wanden, die met een sierlijk doch deftig behangsel waren bedekt; daartusschen hingen schitterendewapentropheeën. Ik zag daaronder schilderijen van de hoogste waarde, welke ik voor het grootste gedeelte in bijzondere verzamelingen en op tentoonstellingen had bewonderd. De verschillende scholen der oude meesters waren vertegenwoordigd door eene madonna van Rafaël, eene moedermaagd van Leonard da Vinci, eene nimf van Correggio, eene vrouw van Titiaan, eene aanbidding van Paul Veronese, eene hemelvaart van Murillo, een portret van Holbein, een monnik van Velasquez, eene kermis van Rubens, een vlaamsch landschap van Teniers, genrestukjes van Gerard Dou, Metzu en Paulus Potter, zeestukjes van Bakhuijzen en Vernet; onder de nieuwere schilderijen merkte ik op van Delacroix, Rosa Bonheur, de Keijser, Ingres, Scheffer, Meyssonier, enz. Eenige prachtige nabootsingen van de schoonstemodellen der oudheid in marmer of brons, stonden op voetstukken in de hoeken van dit schoone museum. De verbazing, welke de kapitein van de Nautilus mij voorspeld had, begon zich reeds van mij meester te maken.
“Mijnheer de professor”, zeide die vreemde man, “gij zult de weinige complimenten, waarmede ik u ontvang, en de wanorde welke hier heerscht, wel willen verontschuldigen.”
“Zonder te willen onderzoeken wij gij zijt, mijnheer,” antwoordde ik, “zou ik wel willen vragen of gij kunstenaar zijt?”
“Op zijn hoogst liefhebber, mijnheer. Ik hield er vroeger veel van om die kunststukken te verzamelen, welke de menschelijke hand had voortgebracht; ik zocht ze begeerig en onvermoeid op en heb op die wijze eenige kostbare stukken bij elkander kunnen krijgen. Het zijn mijne laatste herinneringen van die aarde, welke dood voor mij is. In mijne oogen zijn uwe nieuwe artisten reeds zeer oud; bestaan reeds 2 of 3000 jaar, en ik verwar ze in mijn geest; meesters hebben geen leeftijd.”
“En, die componisten?” vroeg ik, terwijl ik wees op stukken van Weber, Rossini, Mozart, Beethoven, Haydn, Meyerbeer, Herold, Wagner, Auber, Gounod en anderen, die op eene serafine van het grootste model, welke tegen een van de wanden der zaal stond, verspreid lagen.
“Die componisten,” antwoordde mij de kapitein, “zijn voor mij tijdgenooten van Orpheus, want tijdrekenkundig verschil bestaat in de herinnering der dooden niet, en ik ben dood, mijnheer de professor, even goed dood als uwe vrienden, die een paar meter diep onder den grond liggen.”
Kapitein Nemo zweeg en scheen in diepe mijmering verzonken. Ik beschouwde hem met levendige aandoening, terwijl ik in stilte het vreemde van zijn gelaat trachtte te ontcijferen. Tegen eene kostbare met mozaïek ingelegde tafel geleund, zag hij mij niet meer, en had hij mij geheel vergeten. Ik eerbiedigde dit stilzwijgen en beschouwde verder al de bijzonderheden, welke het salon versierden. Na de kunstwerken bekleedden zeldzaamheden uit de natuur eene belangrijke plaats. Zij bestonden voornamelijk uit planten, schelpen of andere voortbrengselen van den Oceaan, welke de kapitein waarschijnlijk zelf gevonden had. In het midden van het salon sprong een electrisch verlichte waterstraal uit eene fontein op, welke uit eene enkele schelp vervaardigd was. Deze schelp was aan de randen sierlijk uitgesneden en had een omtrek van zes meter; zij was dus grooter dan die schoone schelpen welke Frans I van de Venetiaansche republiek kreeg, en waarvan hij voor de kerk van Saint Sulpice te Parijs twee reusachtige doopbekkens liet vervaardigen.
Rondom die fontein waren onder sierlijke glazen ramen de kostbaarste voortbrengselen der zee gerangschikt, welke het oog eensnatuuronderzoekers ooit aanschouwd had; men kan begrijpen hoe opgetogen ik was. Een conchylioloog (schelpkenner), die wat zenuwachtig was, zou misschien van verbazing zijn omvergevallen voor andere glazen kastjes, waarin schelpen waren tentoongesteld. Ik zag er eene verzameling van onschatbare waarde, waartoe de tijd mij zou ontbreken om die geheel te beschrijven; genoeg zij het te zeggen, dat zij uit alle oorden der wereld, uit alle deelen der zee was bijeengebracht; er waren paarlen onder van allerlei kleur en grootte, zelfs zoo groot als een duivenei, welke eene waarde van ettelijke millioenen moesten hebben. Het was dus onmogelijk, om de waarde van deze verzameling te schatten; de kapitein had millioenen moeten besteden om die kostbaarheden te verwerven, en ik vroeg mij zelven af, aan welke bron hij putte om aan al die grillen van een verzamelaar te voldoen, toen ik door deze woorden uit mijne mijmering werd opgewekt:
Gij beschouwt die schelpen, mijnheer de professor; zij mogen een natuurkenner belang inboezemen, maar zij hebben voor mij een aangenamer zijde want ik heb ze allen eigenhandig verzameld, en er is geene zee op den aardbol, welke ik niet onderzocht heb.”
“Ik begrijp het genot, kapitein, om te midden van zulke rijkdommen rond te wandelen. Gij behoort onder diegenen, die zelven hunne schatten verzameld hebben. Geen Europeesch museum bevat zulk eene verzameling van voortbrengselen uit den Oceaan. Maar als ik mijne bewondering daaraan geheel besteed, wat rest mij dan voor het vaartuig, waarin ze verborgen zijn. Ik wil niet doordringen in uwe geheimen, maar ik beken dat die Nautilus mijne nieuwsgierigheid in de hoogste mate opwekt, om de kracht, welke haar in beweging brengt en het toestel dat haar bestuurt; ik zie aan den muur van deze zaal instrumenten hangen, wier bestemming mij onbekend is; zou ik mogen weten...!”
“Mijnheer Aronnax,” antwoordde de kapitein, “ik heb u gezegd dat gij bij mij aan boord vrij zoudt zijn, en daarom is geen deel van de Nautilus voor u verborgen. Gij kunt het vaartuig in alle bijzonderheden in oogenschouw nemen, en ik zal het mij tot een genoegen rekenen uw gids te zijn.”
“Ik weet niet hoe u te danken, mijnheer, maar ik zal geen misbruik maken van uwe goedheid; alleen wensch ik u te vragen waar deze natuurkundige werktuigen voor dienen?”
“Diezelfde instrumenten bevinden zich in mijne kamer, mijnheer, en daar zal ik de eer hebben u er het gebruik van te verklaren. Bezie vooraf echter een oogenblik de hut, welke voor u bestemd is; gij moet toch weten, hoe gij op de Nautilus zult gehuisvest zijn.”
Ik volgde den kapitein, die door eene andere deur mij in een der gangen van het schip bracht; hij geleidde mij naar het voorste gedeelte, en daar vond ik niet eene hut, maar eene smaakvolle kamer,met bed, toilettafel en verschillende andere meubelen. Ik kon mijn gastheer slechts danken.
Het ruime, schitterend verlichte salon.Het ruime, schitterend verlichte salon.
Het ruime, schitterend verlichte salon.
“Uwe kamer is naast de mijne,” zeide hij, eene deur opendoende,“en de mijne komt uit in het salon, dat wij zooeven verlaten hebben.”
Ik trad de kamer van den kapitein binnen; deze zag er somber, bijna als eene kloostercel uit; een ijzeren bed, eene werktafel en eenige andere benoodigheden, alles slechts ten halve verlicht; niets aangenaams, slechts het strikt noodige.KapiteinNemo wees mij een stoel, ik ging zitten en daarop begon hij aldus:
Alles door electriciteit.“Mijnheer,” zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan den wand wees, “dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen; zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in ’t midden van den Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer, die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas, waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt, het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte der zee drijft.”“Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten,” antwoordde ik; “ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?”“Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig zich beweegt.”“En die dieplooden van nieuwe soort?”“Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van de verschillende diepten der zee doen kennen.”“En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?”“Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor,” zeide kapitein Nemo; “hoor mij dus aan.”Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak daarop het volgende:“Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en methet grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit.”“De electriciteit!” riep ik, ten hoogste verbaasd.“Ja, mijnheer.”“Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts weinig kunnen uitwerken!”“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “mijne electriciteit is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van kan zeggen.”“Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt, moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink, omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?”“Uwe vraag zal beantwoord worden,” antwoordde kapitein Nemo; “ik zal beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-, zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit voort te brengen.”“Aan de zee?”“Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven aan een meer practisch middel.”“En welk is dat?”“Gij kent de samenstelling van het zeewater; op éen kilogram vindt men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk, zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen.”“Uit sodium.”“Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen,dat de sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink.”“Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed; maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg, dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte hoeveelheid verre overtreffen.”“Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik daarvoor zeer eenvoudig steenkolen.”“Die gij in den grond vindt?” vroeg ik.“Neen, in zee,” antwoordde kapitein Nemo.“Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?”“Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben; de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus warmte, licht, beweging, kortom het leven.”“Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?”“O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil, mijn verblijf in de diepte kan verlengen.”“Kapitein,” antwoordde ik, “ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen zonder twijfel later zullen vinden.”“Ik weet niet of zij die wel zullen vinden,” antwoordde de kapitein koel. “Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk, het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers; ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld, want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen.”“Juist.”“Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien kilometer in ’t uur.”De kamer van kapitein Nemo.De kamer van kapitein Nemo.“Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt.”“Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax,” zeide kapitein Nemo, terwijl hij opstond; “als gij mij wilt volgen, zullen wij den achtersteven bezoeken.”Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig, hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in ’t geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten, waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was, voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam.Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor die trap diende.“Daarlangs bereikt men de sloep,” zeide hij.“Hoe hebt gij dan eene sloep?” vroeg ik, vrij verwonderd.Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan, en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt.”“Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte der zee stijgen?”“Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar.”“Maar hoe komt gij aan boord terug?”“Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe.”“Op uw bevel?”“Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig; ik telegrapheer en dat is genoeg.”“Inderdaad niets is eenvoudiger,” zeide ik, duizelend van het hooren van al die wonderen.Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen.In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage; maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man er voor het besturen van de Nautilus noodig waren.Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen voor de beweegkracht had geplaatst.Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de schroef mededeelden.Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht, welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: “het zijn eenige gasachtige producten,” zeide hij, “welke het gevolg zijn van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen.”Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines van de Nautilus.“Gij ziet,” zeide kapitein Nemo, “dat ik de elementen van Bunsen en niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal, maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt, kan 120 omwentelingen in de seconde doen.”“En gij verkrijgt aldus?”“Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur.”Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon doentoenemen? Dit kon ik niet begrijpen.Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.“Kapitein Nemo,” zeide ik, “ik zie de resultaten, en ik tracht niet ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte, waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden, die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij weder naar boven? In één woord, hoe blijft gij op de diepte, welke gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?”“Geenszins, mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, na eenige aarzeling, “omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen, wat gij omtrent de Nautilus weten moet.”
“Mijnheer,” zeide kapitein Nemo, terwijl hij mij op de instrumenten aan den wand wees, “dat zijn de voor de vaart van de Nautilus vereischte werktuigen. Hier en in mijn salon heb ik ze altijd voor oogen; zij wijzen mij de plaats en de juiste richting in ’t midden van den Oceaan aan. Sommigen zijn u bekend, als de thermometer, welke mij de temperatuur in de Nautilus aanwijst, de barometer, die de drukking van de lucht aanduidt, en verandering van weer voorspelt; de hygrometer, die den graad van droogte van de atmosfeer aanwijst; het stormglas, waarvan het mengsel mij door zijne veranderingen storm verkondigt, het kompas, dat mijn weg regelt; de sextant, die mij de breedte doet kennen; chronometers, welke mij de lengte laten berekenen, en eindelijk dag- en nachtkijkers, die mij dienen om alle punten van den gezichteinder te onderzoeken, als de Nautilus op de oppervlakte der zee drijft.”
“Het zijn de gewone zeevaartkundige instrumenten,” antwoordde ik; “ik ken er het gebruik van; maar er zijn nog anderen, welke zonder twijfel voor de bijzondere inrichting van de Nautilus bestemd zijn. Die wijzerplaat daar met beweegbare naald, is dat geen manometer?”
“Juist, mijnheer; hij staat in verbinding met het water, welks drukking hij aanwijst, zoodat ik daardoor weet op welke diepte mijn vaartuig zich beweegt.”
“En die dieplooden van nieuwe soort?”
“Het zijn thermometrische dieplooden, welke mij den warmtegraad van de verschillende diepten der zee doen kennen.”
“En die andere instrumenten, welker gebruik ik zelfs niet kan raden?”
“Thans moet ik u een en ander verklaren, mijnheer de professor,” zeide kapitein Nemo; “hoor mij dus aan.”
Hij bewaarde gedurende eenige oogenblikken het stilzwijgen, en sprak daarop het volgende:
“Er bestaat eene kracht, welke mij gehoorzaamt, die snel en methet grootste gemak werkt, welke zich voor allerlei gebruik weet te schikken, en het meesterschap bij mij aan boord uitoefent; door die kracht geschiedt alles; zij verlicht en verwarmt mij, en is de ziel van al mijne werktuigen; die kracht is de electriciteit.”
“De electriciteit!” riep ik, ten hoogste verbaasd.
“Ja, mijnheer.”
“Maar kapitein, uw vaartuig beweegt zich bijzonder snel, hetgeen moeielijk te rijmen is met de kracht der electriciteit; hare beweegkracht is tot heden bijzonder gering geweest, en heeft slechts weinig kunnen uitwerken!”
“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “mijne electriciteit is niet de gewone, welk elkeen kent; dit is alles wat ik er u van kan zeggen.”
“Ik zal ook niet onbescheiden zijn, kapitein, en ik zal mij vergenoegen met mijne verbazing over zulk een resultaat te uiten. Eene enkele vraag evenwel, waarop gij niet behoeft te antwoorden als ik onbescheiden ben. De elementen, welke gij voor die wonderbare kracht bezigt, moeten spoedig verbruikt zijn. Hoe bijvoorbeeld vervangt gij het zink, omdat gij geene gemeenschap meer houdt met het bewoonde land?”
“Uwe vraag zal beantwoord worden,” antwoordde kapitein Nemo; “ik zal beginnen met u te zeggen, dat er op den bodem der zee zink-, ijzer-, zilver- en goudmijnen bestaan, welker ontginning zeer zeker tot de mogelijkheden behoort; maar ik gebruik niets van die metalen, en ik heb aan de zee zelve de middelen ontleend, om mijne electriciteit voort te brengen.”
“Aan de zee?”
“Ja, professor, en de middelen daartoe ontbraken mij niet; ik zou bijvoorbeeld electriciteit hebben kunnen verkrijgen door de verschillende temperaturen, welke metaaldraden ondervinden, als ik ze op verschillende diepten indompel; maar ik heb de voorkeur gegeven aan een meer practisch middel.”
“En welk is dat?”
“Gij kent de samenstelling van het zeewater; op éen kilogram vindt men 0,965 water, en ongeveer 0,0267 chloorsodium, verder in zeer geringe hoeveelheid chloorpotassium, chloormagnesium, zwavelzure kalk, zwavelzure magnesia, broommagnesium en koolzure kalk; gij ziet dus dat chloorsodium er in merkbare hoeveelheid in voorkomt; dit sodium haal ik uit het zeewater en ik stel er mijne elementen uit samen.”
“Uit sodium.”
“Ja mijnheer, met kwik vermengd vormt het een amalgama, dat in de Bunsensche elementen het zink kan vervangen; het kwik wordt nooit opgelost; dit is slechts het geval met het sodium, doch dit levert de zee mij telkens weder op; bovendien moet ik u zeggen,dat de sodiumzuilen als zeer sterk werkend moeten beschouwd worden en dat hare electrieke kracht dubbel zoo groot is als die van zuilen van zink.”
“Ik begrijp, kapitein, dat het sodium in uwe omstandigheden voortreffelijke diensten bewijst. Gij vindt het in de zee, goed; maar gij moet het er uithalen, en hoe doet gij dat? Uwe zuilen zouden misschien daartoe kunnen dienen, doch als ik mij niet bedrieg, dan moet het verbruik van sodium in uwe elementen de voortgebrachte hoeveelheid verre overtreffen.”
“Daarom verschaf ik het mij niet op die wijze, mijnheer, en ik gebruik daarvoor zeer eenvoudig steenkolen.”
“Die gij in den grond vindt?” vroeg ik.
“Neen, in zee,” antwoordde kapitein Nemo.
“Kunt gij dan uwe onderzeesche kolenmijnen ontginnen?”
“Wacht maar, mijnheer Aronnax, en gij zult ons bezig zien. Ik vraag u slechts wat geduld, omdat gij daartoe toch den tijd hebt. Herinner u evenwel voortdurend, dat ik alles aan den Oceaan verschuldigd ben; de zee verschaft mij electriciteit, en deze geeft aan de Nautilus warmte, licht, beweging, kortom het leven.”
“Maar toch niet de lucht, welke gij inademt?”
“O, ik zou zelfs de noodige lucht kunnen vervaardigen, doch dit behoeft niet, omdat ik naar de oppervlakte der zee terug keer, als ik het goed vind. Wanneer de electriciteit mij niet al de noodige zuivere lucht verschaft, dan brengt zij toch pompen in beweging, welke de lucht in een vergaarbak te zamen perst, waardoor ik, als ik wil, mijn verblijf in de diepte kan verlengen.”
“Kapitein,” antwoordde ik, “ik kan u slechts bewonderen. Gij hebt zeker de ware kracht der electriciteit uitgevonden, welke de menschen zonder twijfel later zullen vinden.”
“Ik weet niet of zij die wel zullen vinden,” antwoordde de kapitein koel. “Hoe het ook zij, gij kent nu het voornaamste gebruik, hetwelk ik van deze kracht maak; zij verlicht ons met eene gelijkmatigheid en een duur, welke het zonlicht niet bezit; ziehier, dit uurwerk, het is electriek en loopt regelmatiger dan de beste chronometers; ik heb het op de Italiaansche wijze in vierentwintig uren verdeeld, want voor mij bestaat geen dag of nacht, geen zon of maan, maar alleen dit kunstlicht, dat ik tot in de diepten der zee met mij kan medevoeren. Zie, op dit oogenblik is het tien uur in den morgen.”
“Juist.”
“Hier is nog eene andere toepassing der electriciteit; deze wijzerplaat wijst de snelheid van de Nautilus aan. Een electrieke draad stelt haar in verbinding met de schroef, en deze naald wijst mij dan de juiste snelheid aan, op dit oogenblik, bij voorbeeld, loopen wij vijftien kilometer in ’t uur.”
De kamer van kapitein Nemo.De kamer van kapitein Nemo.
De kamer van kapitein Nemo.
“Het is verbazend, en ik zie wel, kapitein, dat gij gelijk gehad hebt om deze kracht te gebruiken, welke wind, water en stoom vervangt.”
“Wij hebben nog niet gedaan, mijnheer Aronnax,” zeide kapitein Nemo, terwijl hij opstond; “als gij mij wilt volgen, zullen wij den achtersteven bezoeken.”
Ik kende nu reeds het geheele voorste gedeelte van dit vaartuig, hetwelk, als men van het midden naar den voorsteven ging, op deze wijze was ingedeeld: de eetzaal vijf meter lang, van de bibliotheek gescheiden door een hermetisch beschot, waar het water niet doorheen kon dringen; de boekerij was vijf meter lang, de groote zaal van tien meter door een tweede waterdicht beschot gescheiden van de kamer des kapiteins, welke vijf meter lang was; daarachter lag mijne hut van twee en een halven meter, en eindelijk eene bergplaats van zeven en een halven meter, die zich tot aan den voorsteven uitstrekte; dus in ’t geheel 35 meter lang. In de ondoordringbare beschotten waren deuren aangebracht, die door sluitstukken van caoutchouc hermetisch sloten, waardoor de veiligheid aan boord van de Nautilus gewaarborgd was, voor het geval, dat het vaartuig een lek bekwam.
Ik volgde den kapitein door de loopgangen aan bakboord, en ik kwam in het midden van het vaartuig; daar was eene soort van put tusschen twee ondoordringbare beschotten; eene ijzeren trap aan den wand vastgeschroefd, leidde naar het bovenste gedeelte; ik vroeg waarvoor die trap diende.
“Daarlangs bereikt men de sloep,” zeide hij.
“Hoe hebt gij dan eene sloep?” vroeg ik, vrij verwonderd.
Zonder twijfel; een uitmuntend licht vaartuigje, dat niet zinken kan, en voor uitstapjes en voor de vischvangst gebruikt wordt.”
“Maar als gij u dan daarop wilt inschepen, moet gij naar de oppervlakte der zee stijgen?”
“Geenszins; deze sloep zit aan het bovengedeelte van de Nautilus bevestigd, en wordt bewaard in eene daarvoor geschikte ruimte, zij is van een dek voorzien, volkomen waterdicht, en met flinke katrollen vastgemaakt. Deze trap leidt naar een mangat in het buitenste omkleedsel van de Nautilus, waar een dergelijk gat, dat in de sloep gemaakt is, juist tegen aansluit; door deze dubbele opening kruip ik in de boot, dan sluit men de eene in de Nautilus, en ik de andere in de sloep; ik laat de touwen over de katrollen schieten, en de boot rijst met eene vervaarlijke snelheid naar de oppervlakte; daar open ik een luik in het dek, dat tot nog toe zorgvuldig gesloten bleef; ik richt den mast op, hijsch een zeil of neem de riemen ter hand en ik vaar.”
“Maar hoe komt gij aan boord terug?”
“Ik ga niet terug, mijnheer Aronnax, de Nautilus komt naar mij toe.”
“Op uw bevel?”
“Op mijn bevel; een electrieke draad verbindt mij met het vaartuig; ik telegrapheer en dat is genoeg.”
“Inderdaad niets is eenvoudiger,” zeide ik, duizelend van het hooren van al die wonderen.
Na het trapgat voorbijgegaan te zijn, waardoor men op het plat kon komen, zag ik eene hut van twee meter lengte, waar Koenraad en Ned Land verrukt over het aangeboden maal, bezig waren dit te verorberen. Daarna opende de kapitein eene deur, welke in eene drie meter lange keuken uitkwam; deze was tusschen de groote kombuizen gelegen.
In de keuken werd de electriciteit, krachtiger en dienstiger dan het gas, overal voor gebruikt. De draden onder de fornuizen verhitten daar aangebrachte stukken platinaspons zeer regelmatig; evenzoo werd de hitte onderhouden onder distilleerketels, welke door uitdamping heerlijk drinkwater opleverden. Bij die keuken was de gemakkelijk ingerichte badkamer, waar twee kranen water naar verkiezing koud of warm verschaften. Op de keuken volgde het verblijf van de equipage; maar daarvan bleef de deur gesloten, zoodat ik die inrichting niet kon zien, waardoor ik anders er achter had kunnen komen, hoeveel man er voor het besturen van de Nautilus noodig waren.
Een vierde waterdicht beschot scheidde deze ruimte van de machinekamer. Een deur opende zich, en ik bevond mij in de ruimte waar kapitein Nemo, zeker een uitstekend ingenieur, zijne toestellen voor de beweegkracht had geplaatst.
Deze helder verlichte machinekamer was niet minder dan twintig meter lang. Zij was in twee deelen afgedeeld; het eerste bevatte de elementen, het tweede de werktuigen, welke de beweging aan de schroef mededeelden.
Ik was het eerste oogenblik verwonderd over de bijzondere lucht, welke deze ruimte vervulde; de kapitein bemerkte dit: “het zijn eenige gasachtige producten,” zeide hij, “welke het gevolg zijn van het gebruik van sodium. Overigens zuiveren wij elken morgen het geheele vaartuig, door er versche lucht in te laten stroomen.”
Ik beschouwde met eene licht te begrijpen belangstelling de machines van de Nautilus.
“Gij ziet,” zeide kapitein Nemo, “dat ik de elementen van Bunsen en niet die van Ruhmkorff gebruik; de laatsten zouden niet sterk genoeg geweest zijn. De Bunsensche elementen zijn slechts weinig in getal, maar sterk en groot, hetwelk de ondervinding mij geleerd heeft dat beter is. De electrieke stroom wordt naar achteren gevoerd, waar hij door electro-magneten van groote afmeting inwerkt op een bijzonder stelsel van hefboomen en raderen, welke de beweging weder overbrengen op de schroefstang. Deze schroef, welker middellijn zes meter bedraagt, kan 120 omwentelingen in de seconde doen.”
“En gij verkrijgt aldus?”
“Eene snelheid van vijftig kilometer in het uur.”
Er was nog iets geheimzinnigs, doch ik drong er niet op aan om het te weten. Hoe kon de electriciteit met zulk eene kracht werken? Waar nam die bijna onbegrensde macht haar oorsprong? Was het door buitengemeene spanning, opgewekt door klossen van eene nieuwe soort? Was het door overbrenging van krachten in een tot nog toe onbekend stelsel van hefboomen, dat men dit electriek vermogen tot in het oneindige kon doentoenemen? Dit kon ik niet begrijpen.
Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.
Onderzeesch landschap bij het eiland Crespo.
“Kapitein Nemo,” zeide ik, “ik zie de resultaten, en ik tracht niet ze te verklaren. Ik heb de Nautilus voor de Abraham Lincoln zich zien bewegen, ik weet dus waaraan ik mij ten opzichte harer snelheid kan houden, maar zich bewegen is niet genoeg; men moet kunnen zien waar men heengaat; men moet zich rechts en links, naar boven en naar beneden kunnen bewegen. Hoe bereikt gij zulk eene groote diepte, waar gij, dunkt mij, een toenemenden weerstand moet ondervinden, die slechts door honderden atmosferen te meten is? Hoe stijgt gij weder naar boven? In één woord, hoe blijft gij op de diepte, welke gij wilt? Ben ik misschien onbescheiden door u dit te vragen?”
“Geenszins, mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, na eenige aarzeling, “omdat gij dit vaartuig nimmer zult verlaten. Kom in het salon; dat is onze ware studeerkamer, en daar zult gij alles vernemen, wat gij omtrent de Nautilus weten moet.”
Eenige cijfers.Een oogenblik daarna zaten wij in het salon met eene sigaar in den mond. De kapitein legde mij eene teekening voor, waarop het plan van de Nautilus in opstand en doorsnede was uitgewerkt; toen begon hij zijn verhaal in deze woorden:“Hier hebt gij de verschillende afmetingen, mijnheer, van het vaartuig, waarop gij u bevindt; het is een lange cylinder met kegelvormige uiteinden; het ziet er zoo ongeveer uit als eene sigaar, een vorm, welken men te Londen reeds bij verscheidene gelijksoortige constructiën gebruikt heeft. De lengte van den cylinder, van de eene punt tot de andere, bedraagt juist 70 meter; de middellijn is op de grootste breedte acht meter. In mijn vaartuig staat dus niet, zooals in uwe groote stoomschepen, de breedte tot de lengte als éentot tien, maar de zijden en de ronding zijn lang genoeg, om de verplaatste watermassa geene enkele verhindering in zijne vaart te doen ondervinden.De helder verlichte machinekamer.De helder verlichte machinekamer.“Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de oppervlakte en den inhoud van de Nautilus doen vinden; de oppervlakte bedraagt 1011.45vierkantemeter, de inhoud 1500.2 kubieke meter, dat wil zeggen, dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is, er eene watermassa verplaatst wordt, die ongeveer 1500 ton weegt.“Toen ik mijne plannen maakte voor dit onderzeesche vaartuig, wilde ik, dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negen tienden daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom moest het slechts negen tienden van zijn volumen verplaatsen, derhalve 1350.18 kub. meter, dat is te zeggen een gewicht van een gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijne constructie dit gewicht niet te boven gaan.“De Nautilus heeft een dubbelen romp, welks platen door dwarsijzers verbonden zijn, welke daaraan eene buitengewone sterkte geven; door deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen, alsof ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt; de ijzeren pantserplaten zitten vast tegen elkander gedrukt, en door zulk een bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeën te trotseeren.“Die beide omkleedsels zijn van stalen platen vervaardigd, welker dichtheid, in vergelijking met die van het water, 7,8 bedraagt. De huid is niet minder dan vijf centimeter dik en weegt 364.56 ton; de kiel, welke slechts 50 centimeter hoog en 25 breed is, weegt alléen 62 ton; de machine, de ballast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de tusschenwanden en de binnenste stutten, hebben te zamen een gewicht van 923.62 ton, hetwelk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd, een totaal oplevert van 1350.18 ton. Begrepen?”“Begrepen,” antwoordde ik.“Als dus de Nautilus drijft,” vervolgde de kapitein, “dan steekt zij voor een tiende deel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende gedeelte, dat is van 150.02 ton, en als ik die met water vul, dan zal het vaartuig geheel onder water zijn; dit gebeurt, mijnheer de professor; die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de Nautilus; ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld, en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters.”“Goed kapitein, maar nu stuiten wij juist op de grootste moeielijkheid; dat gij juist onder het wateroppervlak drijven kunt, begrijp ik; maar als gij lager wilt zakken, ontmoet uw vaartuig dan geen drukking van beneden naar boven van een kilogram op den vierkanten centimeter?”“Juist, mijnheer.”“Dan begrijp ik niet hoe gij de Nautilus zoo diep kunt doen indompelen of gij moest haar geheel laten volloopen.”“Gij moet de statica niet met de dynamica verwarren, professor,”antwoordde kapitein Nemo; “want dan begaat gij grove dwalingen. Er is slechts weinig arbeidsvermogen noodig om de grootste diepten van den Oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben eene neiging tot zinken. Volg slechts mijne redeneering.”“Ik ben geheel gehoor, kapitein.”“Toen ik het toenemend gewicht wilde berekenen, dat ik aan de Nautilus geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht te geven op de vermindering in volumen, welke het zeewater ondergaat, naarmate men dieper in zee daalt.”“Dit is duidelijk,” antwoordde ik.“Welnu, als het water al eenigszins kan worden samengedrukt, dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate; en inderdaad volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts 436/10000000 per atmosfeer, of op elke tien meter diepte. Wil ik dus 1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volumen inkrimpt onder een druk van eene kolom water van 1000 meter hoog, dat is onder dien van honderd atmosferen. Die vermindering zal dan 436/100000 zijn; ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermeerderen, dat het vaartuig 1506.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton, het is dus slechts eene vermeerdering van 6.54 ton.”“Slechts?”“Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit.”Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in te brengen.“Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein,” gaf ik ten antwoord, “en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten, omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid.”“Welke, mijnheer?”“Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen; als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij hebt dus eene kracht noodig....”“Welke de electriciteit alléen mij kon geven,” viel kapitein Nemo mij haastig in de rede. “Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunktmij reeds moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van 1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare bewegingen noodig.”“Welke dan, kapitein?” vroeg ik.“Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd wordt.”“Ik brand van ongeduld om het te vernemen.”“Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen, daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging wordt gebracht; maar ik kan deNautilusook van boven naar beneden, en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft.”“Bravo, kapitein!” riep ik uit. “Maar hoe kan de stuurman den weg volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?”“De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien.”“Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te bieden?”“Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt, heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke men in 1864 in de Poolzeeën nam om bij electriek licht te visschen, merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal zooveel.”“Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het mogelijk is om onder in zee....”De kapitein legde mij eene teekening voor.De kapitein legde mij eene teekening voor.“Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst, welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten.”“Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigeneenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus en de Scotia, waarover zóoveel gepraat is, door eene toevallige ontmoeting werd veroorzaakt of niet?”“Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige gevolgen heeft gehad.”“Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln aangaat?...”“Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen; het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen doen herstellen.”“O kapitein,” riep ik geheel overtuigd uit, “uw Nautilus is waarlijk een wonder!”“Ja, mijnheer,” antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening, “en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen, welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken, omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid, mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein, de ingenieur en de bouwmeester van ben.”De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die ook niet terughouden.“Zijt gij dan ingenieur, kapitein?” vroeg ik.“Ja, professor,” antwoordde hij, “Ik heb te Londen, te Parijs en te New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde.”“Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen bouwen?”“Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool, de schroef bij Scott teGlasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien.”“Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in elkander zetten?”“Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht en gevormd heb, hebben dáar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd, en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen.”“Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus buitensporig groot zijn geweest.”“Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton; de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.7251franken, dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten, welke zij bevat.”“Eene laatste vraag, kapitein.”“Vraag, mijnheer.”“Zijt gij dan zóo rijk?”“Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!”Ik keek den zonderlingen man, die zóo sprak, strak aan; maakte hij ook misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen.1Dus eene som van ƒ 797.396.90.
Een oogenblik daarna zaten wij in het salon met eene sigaar in den mond. De kapitein legde mij eene teekening voor, waarop het plan van de Nautilus in opstand en doorsnede was uitgewerkt; toen begon hij zijn verhaal in deze woorden:
“Hier hebt gij de verschillende afmetingen, mijnheer, van het vaartuig, waarop gij u bevindt; het is een lange cylinder met kegelvormige uiteinden; het ziet er zoo ongeveer uit als eene sigaar, een vorm, welken men te Londen reeds bij verscheidene gelijksoortige constructiën gebruikt heeft. De lengte van den cylinder, van de eene punt tot de andere, bedraagt juist 70 meter; de middellijn is op de grootste breedte acht meter. In mijn vaartuig staat dus niet, zooals in uwe groote stoomschepen, de breedte tot de lengte als éentot tien, maar de zijden en de ronding zijn lang genoeg, om de verplaatste watermassa geene enkele verhindering in zijne vaart te doen ondervinden.
De helder verlichte machinekamer.De helder verlichte machinekamer.
De helder verlichte machinekamer.
“Deze twee afmetingen kunnen u door eenvoudige berekening de oppervlakte en den inhoud van de Nautilus doen vinden; de oppervlakte bedraagt 1011.45vierkantemeter, de inhoud 1500.2 kubieke meter, dat wil zeggen, dat als het vaartuig geheel in het water gedompeld is, er eene watermassa verplaatst wordt, die ongeveer 1500 ton weegt.
“Toen ik mijne plannen maakte voor dit onderzeesche vaartuig, wilde ik, dat als het in evenwicht op het water lag, het voor negen tienden daarin zou wegzinken en er slechts een tiende uit zou steken. Daarom moest het slechts negen tienden van zijn volumen verplaatsen, derhalve 1350.18 kub. meter, dat is te zeggen een gewicht van een gelijk aantal tonnen. Ik mocht dus bij mijne constructie dit gewicht niet te boven gaan.
“De Nautilus heeft een dubbelen romp, welks platen door dwarsijzers verbonden zijn, welke daaraan eene buitengewone sterkte geven; door deze inrichting heeft de oppervlakte een weerstandsvermogen, alsof ze massief was. De naden kunnen niet worden ingedrukt; de ijzeren pantserplaten zitten vast tegen elkander gedrukt, en door zulk een bouw is mijn schip in staat om de hevigste zeeën te trotseeren.
“Die beide omkleedsels zijn van stalen platen vervaardigd, welker dichtheid, in vergelijking met die van het water, 7,8 bedraagt. De huid is niet minder dan vijf centimeter dik en weegt 364.56 ton; de kiel, welke slechts 50 centimeter hoog en 25 breed is, weegt alléen 62 ton; de machine, de ballast, de verschillende voorwerpen en werktuigen, de tusschenwanden en de binnenste stutten, hebben te zamen een gewicht van 923.62 ton, hetwelk bij de vroeger opgegeven cijfers gevoegd, een totaal oplevert van 1350.18 ton. Begrepen?”
“Begrepen,” antwoordde ik.
“Als dus de Nautilus drijft,” vervolgde de kapitein, “dan steekt zij voor een tiende deel boven water uit. Wanneer ik dus vergaarbakken heb aangebracht, welke even groot van inhoud zijn als dit tiende gedeelte, dat is van 150.02 ton, en als ik die met water vul, dan zal het vaartuig geheel onder water zijn; dit gebeurt, mijnheer de professor; die vergaarbakken bestaan in het benedenste deel van de Nautilus; ik heb de kranen slechts te openen, de ruimte wordt gevuld, en het schip drijft juist onder de oppervlakte des waters.”
“Goed kapitein, maar nu stuiten wij juist op de grootste moeielijkheid; dat gij juist onder het wateroppervlak drijven kunt, begrijp ik; maar als gij lager wilt zakken, ontmoet uw vaartuig dan geen drukking van beneden naar boven van een kilogram op den vierkanten centimeter?”
“Juist, mijnheer.”
“Dan begrijp ik niet hoe gij de Nautilus zoo diep kunt doen indompelen of gij moest haar geheel laten volloopen.”
“Gij moet de statica niet met de dynamica verwarren, professor,”antwoordde kapitein Nemo; “want dan begaat gij grove dwalingen. Er is slechts weinig arbeidsvermogen noodig om de grootste diepten van den Oceaan te bereiken, want alle lichamen hebben eene neiging tot zinken. Volg slechts mijne redeneering.”
“Ik ben geheel gehoor, kapitein.”
“Toen ik het toenemend gewicht wilde berekenen, dat ik aan de Nautilus geven moest om haar dieper te doen zinken, behoefde ik slechts acht te geven op de vermindering in volumen, welke het zeewater ondergaat, naarmate men dieper in zee daalt.”
“Dit is duidelijk,” antwoordde ik.
“Welnu, als het water al eenigszins kan worden samengedrukt, dan bezit het deze hoedanigheid toch slechts in geringe mate; en inderdaad volgens de laatste berekeningen is de vermindering slechts 436/10000000 per atmosfeer, of op elke tien meter diepte. Wil ik dus 1000 meter diep zinken, dan moet ik berekenen hoeveel het volumen inkrimpt onder een druk van eene kolom water van 1000 meter hoog, dat is onder dien van honderd atmosferen. Die vermindering zal dan 436/100000 zijn; ik moet mijn gewicht dus zoodanig vermeerderen, dat het vaartuig 1506.74 ton weegt in plaats van 1500.2 ton, het is dus slechts eene vermeerdering van 6.54 ton.”
“Slechts?”
“Welzeker, mijnheer Aronnax, en die berekening is gemakkelijk na te gaan. Nu heb ik nog andere vergaarbakken, welke honderd ton inhoud hebben. Ik kan mij dus op ontzaglijke diepten laten zinken. Als ik weder stijgen wil, heb ik het water slechts te verwijderen, en als ik dan alle vergaarbakken ledig maak, komt de Nautilus weer voor een tiende deel van hare hoogte boven het watervlak uit.”
Tegen zulk eene op cijfers gegronde bewijsvoering had ik niets in te brengen.
“Ik neem uwe berekeningen aan, kapitein,” gaf ik ten antwoord, “en ik zou zeer onaardig handelen om daarover met u te twisten, omdat de ondervinding er dagelijks de waarheid van bewijst. Maar ik voorzie nog eene wezenlijke moeielijkheid.”
“Welke, mijnheer?”
“Als gij op duizend meter diepte zijt, dan ondervindt het buitenste bekleedsel van de Nautilus eene drukking van honderd atmosferen; als gij dus op dat oogenblik het water uit uwe vergaarbakken wilt verdrijven om weder te stijgen, dan moeten uwe pompen die drukking overwinnen, en dat is honderd kilogram op de vierkante centimeter. Gij hebt dus eene kracht noodig....”
“Welke de electriciteit alléen mij kon geven,” viel kapitein Nemo mij haastig in de rede. “Ik herhaal het u, mijnheer, dat de dynamische kracht van mijne werktuigen bijna onbegrensd is. De pompen van de Nautilus hebben eene verbazende kracht; gij hebt dat dunktmij reeds moeten ondervinden, toen hare waterstralen zich als een woedende stroom op het dek van de Abraham Lincoln neerstortten. Overigens bedien ik mij van mijne hulpvergaarbakken slechts om eene gemiddelde diepte van 1500 tot 2000 meter te bereiken, en dat wel om mijne toestellen te sparen. Als ik lust heb om den Oceaan op eene diepte van twee of drie kilometer te bezoeken, dan heb ik veel langere, doch even onfeilbare bewegingen noodig.”
“Welke dan, kapitein?” vroeg ik.
“Daarvoor moet ik u noodzakelijk mededeelen hoe de Nautilus bestuurd wordt.”
“Ik brand van ongeduld om het te vernemen.”
“Om het schip naar stuur- of bakboordzijde te wenden, om het te doen laveeren, kortom om het in horizontale richting te doen bewegen, daarvoor gebruik ik een gewoon roer, dat met een tandrad in beweging wordt gebracht; maar ik kan deNautilusook van boven naar beneden, en omgekeerd bewegen in vertikale richting, en dit doe ik door middel van twee hellende vlakken, welke aan weerszijden midden uit het schip steken, en die door middel van krachtige hefboomen allerlei standen kunnen aannemen. Als die vlakken evenwijdig met het vaartuig gehouden worden, dan gaat dit in horizontale richting voort; worden zij schuins gehouden, dan daalt de Nautilus volgens de helling der vlakken en door de werking der schroef naar de diepte, of komt op dezelfde wijze naar boven, en zelfs als ik spoediger naar boven wil komen, dan laat ik de schroef stilstaan, en de drukking van het water doet de Nautilus in vertikale richting even spoedig stijgen, als een luchtbal, die met waterstofgas gevuld, zich in de lucht verheft.”
“Bravo, kapitein!” riep ik uit. “Maar hoe kan de stuurman den weg volgen, welken gij hem in het midden der zee aanwijst?”
“De stuurman staat in eene glazen kooi, welke boven op de Nautilus eenigszins uitsteekt, en welke van groote lenzen is voorzien.”
“Glazen, die bestand zijn om aan zulk eene drukking weerstand te bieden?”
“Welzeker. Het kristal dat zoo bros is als er tegen gestooten wordt, heeft echter een aanzienlijk weerstandsvermogen. Bij proeven, welke men in 1864 in de Poolzeeën nam om bij electriek licht te visschen, merkte men op, dat kristalplaten van zeven millimeter dik aan eene drukking van zestien atmosferen konden weerstand bieden, als men er slechts warmtestralen door liet vallen, welke haar eene gelijkmatige warmte mededeelden. En de glazen, waarvan ik mij bedien, zijn in het middelpunt niet minder dan 21 centimeter dik, dat is dus dertigmaal zooveel.”
“Ik geloof het, kapitein; maar om te zien moet het licht de duisternis van die diepten toch vervangen, en ik vroeg mijzelven af, hoe het mogelijk is om onder in zee....”
De kapitein legde mij eene teekening voor.De kapitein legde mij eene teekening voor.
De kapitein legde mij eene teekening voor.
“Achter het stuurhokje is een krachtige electrieke reflector geplaatst, welker stralen de zee op een kilometer afstands verlichten.”
“Bravo, kapitein! Nu begrijp ik dat lichten van den reusachtigeneenhoorn, die alle geleerden in spanning heeft gebracht. Het is natuurlijk dat ik u hierbij vraag, of de botsing tusschen de Nautilus en de Scotia, waarover zóoveel gepraat is, door eene toevallige ontmoeting werd veroorzaakt of niet?”
“Geheel toevallig mijnheer; ik voer op twee meter onder water toen de botsing plaats greep; overigens zag ik dat het geene noodlottige gevolgen heeft gehad.”
“Geene, mijnheer; maar wat uwe ontmoeting met de Abraham Lincoln aangaat?...”
“Het spijt mij voor een van de beste schepen van die flinke Amerikaansche Marine, mijnheer, maar men viel mij aan en ik moest mij verdedigen. Overigens heb ik mij slechts vergenoegd om het fregat in een toestand te brengen, dat het mij geen schade meer kon doen; het zal zijne averij in de eerste haven de beste wel hebben kunnen doen herstellen.”
“O kapitein,” riep ik geheel overtuigd uit, “uw Nautilus is waarlijk een wonder!”
“Ja, mijnheer,” antwoordde de kapitein met wezenlijke aandoening, “en ik heb dat schip zoo lief, alsof het mijn vleesch en bloed ware. Indien op uwe gewone schepen gevaren u omringen, indien men op zee het allereerst den indruk krijgt van een gevoel dat u naar den afgrond trekt, zooals Janssen het zoo nauwkeurig gezegd heeft, dan heeft de mensch in de Nautilus niets te vreezen; geen lek, want de dubbele huid heeft de sterkte van het ijzer; geen tuig, dat door het slingeren en stampen van het schip spoedig vernield is; geen zeilen, welke de wind u voor den neus aan flarden scheurt; geen ketels, die door de hitte verteerd worden; geen brand, omdat het geheele schip van ijzer en niet van hout gemaakt is, geen kolen, welke opraken, omdat electriciteit zijne grootste kracht uitmaakt; geen botsingen te vreezen, omdat het alleen in de diepten van de zee vaart; geen storm te weerstaan, omdat het schip eenige meters reeds onder de oppervlakte eene volkomene stilte vindt! Dat is nu het schip bij uitnemendheid, mijnheer! En indien het waar is, dat de ingenieur meer vertrouwen in zijn vaartuig stelt dan de bouwmeester, en de bouwmeester meer dan de kapitein zelf, dan kunt gij begrijpen met welk een vertrouwen ik voor mijn Nautilus bezield ben, als ik u zeg, dat ik er de kapitein, de ingenieur en de bouwmeester van ben.”
De kapitein sprak met wegslepende welsprekendheid; het vuur van zijn blik, het levendige van zijne gebaren, maakten een ander mensch van hem. Ja, hij had zijn vaartuig lief, als een vader zijn kind. Maar eene misschien onbescheiden vraag rees nu bij mij op, en ik kon die ook niet terughouden.
“Zijt gij dan ingenieur, kapitein?” vroeg ik.
“Ja, professor,” antwoordde hij, “Ik heb te Londen, te Parijs en te New-York gestudeerd, toen ik nog op het land woonde.”
“Maar hoe hebt gij in het geheim die wondervolle Nautilus kunnen bouwen?”
“Elk gedeelte er van, mijnheer Aronnax, heb ik onder eene verkeerd opgegeven bestemming uit verschillende landen laten komen. De kiel is te Le Creuzot in Frankrijk gesmeed, de schroefstang bij Pen en Co. te Londen, de ijzeren pantserplaten bij Leard te Liverpool, de schroef bij Scott teGlasgow. De vergaderbakken zijn bij Cail en Co. te Parijs gesmeed, de machine bij Krupp te Essen, de spoor in de werkplaatsen van Motala in Zweden; de juistheidsinstrumenten zijn van de gebroeders Hart te New-York, enz., en ieder van de leveranciers kreeg onder verschillende benamingen iets van mijn plan te zien.”
“Maar toen die stukken gereed waren, moest gij die toch passen en in elkander zetten?”
“Ik had mijne werf op een onbewoond eiland midden in den Oceaan. Mijne werklieden, dat is te zeggen mijne dappere makkers, die ik onderricht en gevormd heb, hebben dáar de Nautilus onder mijn toezicht gebouwd, en toen het vaartuig van stapel was geloopen, heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen; ik geloof zelfs, dat als ik er toe in staat was geweest, ik het eiland in de lucht had laten springen.”
“Ik begin te gelooven dat de kosten voor het bouwen van de Nautilus buitensporig groot zijn geweest.”
“Een ijzeren vaartuig, mijnheer Aronnax, kost 1125 franc per ton; de Nautilus meet 1500.2 ton: zij kost dus 1.687.7251franken, dus zoowat vier of vijf millioen met alle kunstwerken en schatten, welke zij bevat.”
“Eene laatste vraag, kapitein.”
“Vraag, mijnheer.”
“Zijt gij dan zóo rijk?”
“Ongeloofelijk rijk, mijnheer, ik zou zelfs zonder moeite de geheele nationale schuld van Frankrijk kunnen betalen!”
Ik keek den zonderlingen man, die zóo sprak, strak aan; maakte hij ook misbruik van mijn vertrouwen? De toekomst zou mij dit raadsel oplossen.
1Dus eene som van ƒ 797.396.90.
1Dus eene som van ƒ 797.396.90.
De zwarte stroom.Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat van 3.751.322.76vierkantemyriameter of meer dan 37½ millioenhectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee; toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen; eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen, kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen, zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377vierkantekilometer of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het water in vijf groote wereldzeeën verdeelen: de Noordelijke IJszee, de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het oosten tusschen Azië en Amerika uit, over eene lengte van 145°. Het is de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden zou doen doorreizen.Visschen van den zwarten stroom.Visschen van den zwarten stroom.“Mijnheer de professor,” zeide kapitein Nemo, “als gij wilt, zullen wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder naar de oppervlakte stijgen.”De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat allesstilstond.“Wij zijn er,” zeide de kapitein.Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor- en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers, altijd voor een zeemonster gehouden werd.In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke licht, dat het schip op zijn weg verlichtte.De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voeldenauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels en liet dus de beste opmetingen toe. Er was nietsin het gezicht; geen klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl hij zijne observatiën deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet onbeweeglijker hebben kunnen zijn.“Middag,” zeide hij.Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder naar het salon.Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: “Mijnheer Aronnax, wij zijn op 137° 15′ westerlengte....”“Van welken meridiaan?” vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land hij afkomstig was.“Mijnheer,” antwoordde hij; “ik heb verschillende chronometers, die geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington; maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen.”Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde:“137° 15′ westerlengte van Parijs, 30° 7′ noorderbreedte, dat is te zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8 November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint.”“God beware ons,” zeide ik.“En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studiën; ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de vergunning verzoek om mij te verwijderen.”De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alléén; ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde, die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking van Koenraad “verdriet had aangedaan,” een nieuwerwetsche Galilei, of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury, wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch gastvrij; hij had evenwel nimmermijne hem toegestoken hand aangevat, of mij de zijne toegestoken.Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden elkander kruisten.De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, één in het noorden en één in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk, dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft, toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden.Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde zich één van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat van Malakka en langs de kust van Azië stroomt, en dan in de Stille Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen, als hier opeen gestapeld lagen.“Waar zijn wij?”riep Ned uit; “in het museum te Quebec?”“Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de Galeries de Zoölogie was,” zeide Koenraad.“Vrienden,” antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen, “gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee.”“Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert,” zeide Koenraad; “maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming als mij verbaast.”“Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft als gij, is hier werk in overvloed....”Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boogzich over de glazen kasten en mompeldeallerleiwoorden en namen uit de taal der natuurkenners: “weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis,” enz., alles door elkander.Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad, mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien of gehoord had.“Niets gehoord of gezien,” antwoordde hij: “ik heb zelfs niemand van de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?”“Electriek!”“Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer Aronnax,” vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld van overrompeling bleef, “zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?”“Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil, en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt.”“Zien!” riep de harpoenier, “maar men ziet niets, en zal nooit iets zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde....”Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt.Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden van de Nautilus in beweging kwamen.“Dat is nu het einde van alles!”, zeide Ned.“Orde van deHydromedusen!”, mompelde Koen.Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee; eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken, maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een bijna onbeperkt weerstandsvermogen.Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus duidelijkzichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvanin de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien, en zelfs schijnen dezonnestralennog tot op eene diepte van 300 meter door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht.Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft; ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoorzochte afgronden; de duisternis van de zaal deed het licht buiten des te beter uitkomen, en wij keken door de ramen alsof het de wanden van een zeer groot aquarium waren.De Nautilus scheen zich niet te bewegen; het was omdat wij vaste punten voor ons oog misten. Somwijlen echter vlogen strepen waters met buitengewone snelheid ons voorbij, waardoor wij konden zien, dat wij inderdaad zeer snel vooruitgingen.Verbaasd leunden wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een onzer de stilte nog had afgebroken, toen Koenraad zeide:“Gij wildet zien, vriend Ned, welnu, zie!”“Prachtig!” zeide Ned, die zijn toorn en zijne ontvluchtingsplannen vergetende, zich onwillekeurig aangetrokken gevoelde; “men zou er zelfs ver om willen reizen, om zulk een schouwspel te bewonderen.”“O!” riep ik uit, “nu begrijp ik het leven van dien man; hij heeft zich een wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem hare grootste wonderen bewaart!”“Maar waar zijn de visschen?” merkte de harpoenier op, “ik zie er geen.”“Wat gaat u dat aan, vriend Ned,” antwoordde Koenraad, “omdat gij ze toch niet kent.”“Ik, een visscher!” zeide Ned Land.En daarop ontstond een soort van twistgesprek tusschen de beide vrienden, want beiden kenden visschen, maar ieder op verschillende wijze; Ned Land kende er wel onderscheid tusschen, doch Koenraad wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij; daarom zeide hij: “Gij zijt een visschendooder, mijnvriend, een zeer handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen verdeelt.”“Welzeker,” antwoordde de harpoenier ernstig, “in visschen die men eet, en die men niet eet!”“Dat is de onderscheiding van een vraat,” antwoordde Koenraad; “maar zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en kraakbeenachtige visschen?”“Misschien wel, Koen.”“En de onderverdeeling van die beide groote klassen?”“Ik heb er nooit van gehoord,” antwoordde Ned.“Welnu, hoor mij aan en onthoud het,” en daarop begon hij eene geleerde verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: “Ziet gij, mijn beste Ned, als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets, want de familiën worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten, verscheidenheden ....”“Welnu, vriend Koen,” viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij tegen het raam leunde, “daar heb je verscheidenheid genoeg.”“Ja, allerlei visschen,” zeide Koenraad, “men zou denken dat men voor een aquarium zat.”“Neen,” voegde ik hem toe, “want een aquarium is een kooi en hier zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht.”“Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt,” vroeg Ned Land.“Ik?” antwoordde Koenraad, “daar ben ik niet toe in staat; dat is de zaak van mijn meester.”En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben gevormd.Het zeewater was helder verlicht.Het zeewater was helder verlicht.Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid; ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige exemplaren. Onze verbazing was voortdurendten hoogste gespannen; onze uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne bewegingen en de schoonheidhunner vormen. Nooit was mij het geluk te beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element te aanschouwen.De zee werd vlammend rood gekleurd.De zee werd vlammend rood gekleurd.Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onzeverbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en Chineesche zeeën slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door het schitterende electrieke licht.Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan; de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien kilometer in het uur maakten.Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer; mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde, en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak lekkerder was dan van zalm.Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus den snellen Zwarten stroom volgde.
Men berekent dat het water op den aardbol eene oppervlakte beslaat van 3.751.322.76vierkantemyriameter of meer dan 37½ millioenhectaren. De massa water wordt geschat op eene hoeveelheid, gelijk aan het water dat alle rivieren der aarde gedurende 40,000 jaar zouden uitstorten. Gedurende de geologische tijdperken volgde het tijdperk van het water op dat van het vuur; eerst was er overal zee; toen verschenen in het Silurische tijdvak langzamerhand bergtoppen; eilanden kwamen boven, verdwenen soms onder de groote waterstroomen, kwamen op nieuw boven, vereenigden zich en vormden vaste landen, zooals wij die nu nog kennen; er was een bewoonbaar vast gedeelte ontstaan, dat eene oppervlakte had van 132,987,377vierkantekilometer of ruim 13,298 millioen hectaren. De vorm van dit land doet ons het water in vijf groote wereldzeeën verdeelen: de Noordelijke IJszee, de Zuidelijke IJszee, den Indischen Oceaan, den Atlantischen Oceaan en de Stille Zuidzee; deze laatste strekt zich van het noorden naar het zuiden tusschen de beide poolcirkels, en van het westen naar het oosten tusschen Azië en Amerika uit, over eene lengte van 145°. Het is de kalmste zee; men vindt er breede en langzame stroomen in; het verval is middelmatig, en er vallen overvloedige regens in. Zoodanig was de Oceaan, welke mijn noodlot mij in de vreemdsoortigste omstandigheden zou doen doorreizen.
Visschen van den zwarten stroom.Visschen van den zwarten stroom.
Visschen van den zwarten stroom.
“Mijnheer de professor,” zeide kapitein Nemo, “als gij wilt, zullen wij eens poolshoogte van onze ligging nemen, en het punt van vertrek voor deze reis bepalen; het is kwart voor twaalven, ik zal dus weder naar de oppervlakte stijgen.”
De kapitein drukte driemaal op een electriek klokje; de pompen dreven het water uit de vergaarbakken; de naald van de manometer wees door verschil in drukking het stijgen van de Nautilus aan, tot dat allesstilstond.
“Wij zijn er,” zeide de kapitein.
Ik ging naar de middeltrap die tot het plat voerde. Ik besteeg de metalen treden, en door het geopende luik kwam ik boven op de Nautilus. Dit plat stak slechts 80 centimeter uit zee; de voor- en achtersteven van het vaartuig hadden zulk een vorm, dat men het vrij nauwkeurig met een lange sigaar kan vergelijken. Ik bemerkte dat de ijzeren platen even over elkander waren geschoven, en eenige overeenkomst hadden met de schubben van eenig kruipend dier. Ik begreep dus vrij natuurlijk dat dit schip, niettegenstaande de beste kijkers, altijd voor een zeemonster gehouden werd.
In het midden van het plat stak de sloep, welke half in het schip verborgen was, eenigermate uit. Voor en achter bevonden zich twee kooien van middelmatige hoogte met schuine wanden, en voor een deel door groote lenzen gesloten; de eene kooi was voor den stuurman, die de Nautilus stuurde, in de andere schitterde het krachtige electrieke licht, dat het schip op zijn weg verlichtte.
De zee was kalm en de hemel helder. Het lange vaartuig voeldenauwelijks iets van de zachte schommelingen van den Oceaan; een licht oostewindje rimpelde het watervlak; de gezichteinder was zonder nevels en liet dus de beste opmetingen toe. Er was nietsin het gezicht; geen klip, geen eiland, geen Abraham Lincoln, niets dan de oneindige ruimte.
... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”
... “heeft het vuur elk spoor van ons verblijf doen verdwijnen.”
Kapitein Nemo ging met zijn sextant in de hand de hoogte der zon opnemen, waardoor hij de breedte leerde kennen; hij wachtte eenige minuten, totdat de zon hare grootste hoogte bereikt had; terwijl hij zijne observatiën deed, bewoog zich geen enkele spier van zijn lichaam, en het instrument zou in de hand van een marmeren beeld niet onbeweeglijker hebben kunnen zijn.
“Middag,” zeide hij.
Ik wierp een laatsten blik op die zee, welke eenigszins geelachtig gekleurd was door het zand van de Japansche kust, en ik ging weder naar het salon.
Daar berekende de kapitein de lengte, en zeide toen: “Mijnheer Aronnax, wij zijn op 137° 15′ westerlengte....”
“Van welken meridiaan?” vroeg ik driftig, hopende dat het antwoord van den kapitein mij misschien zou doen gewaar worden, uit welk land hij afkomstig was.
“Mijnheer,” antwoordde hij; “ik heb verschillende chronometers, die geregeld zijn naar de meridianen van Parijs, Greenwich en Washington; maar ter uwer eere zal ik mij van dien van Parijs bedienen.”
Dit antwoord liet mij even wijs. Ik boog en de kapitein vervolgde:
“137° 15′ westerlengte van Parijs, 30° 7′ noorderbreedte, dat is te zeggen op ongeveer 300 kilometer van de Japansche kust. Het is heden 8 November des middags, dat onze onderzoekingstocht onder water begint.”
“God beware ons,” zeide ik.
“En nu, mijnheer de professor, laat ik u den tijd voor uwe studiën; ik heb gelast om O.N.O. te sturen op eene diepte van vijftig meter. Hier hebt gij kaarten met groote punten, waarop gij onzen weg kunt volgen. Het salon is ter uwer beschikking, terwijl ik u de vergunning verzoek om mij te verwijderen.”
De kapitein groette mij; ik bleef met mijne gedachten alléén; ik dacht slechts aan den kapitein van de Nautilus. Zou ik ooit te weten komen tot welke natie deze vreemdsoortige man behoorde, die er zich op beroemde tot geene te behooren? Wie had dien haat bij hem opgewekt, welken hij aan de menschheid gezworen had, en die hem misschien op vreeslijke wraak bedacht deed zijn? Was het een van die miskende geleerden, dien men volgens eene uitdrukking van Koenraad “verdriet had aangedaan,” een nieuwerwetsche Galilei, of een van die wetenschappelijke mannen, zooals de Amerikaan Maury, wiens loopbaan door staatkundige omwentelingen was afgebroken? Ik kon het niet zeggen. Hij ontving mij, dien het toeval bij hem aan boord had gebracht, mij, wiens leven in zijne hand lag, koel, doch gastvrij; hij had evenwel nimmermijne hem toegestoken hand aangevat, of mij de zijne toegestoken.
Ik bleef een uur in gepeins verzonken zitten, en zocht dien voor mij zoo geheimzinnigen sluier op te lichten. Daarop vestigde ik het oog op de groote kaart, welke op de tafel lag uitgespreid, en zette den vinger op de plaats, waar de opgegeven breedte- en lengtegraden elkander kruisten.
De zee heeft stroomen als het vaste land; het zijn bijzondere stroomen, kenbaar aan hun warmtegraad, aan hunne kleur, en van welke de merkwaardigste den naam van Golfstroom draagt. De wetenschap heeft op den aardbol de richting van vijf hoofdstroomen aangewezen, één in het noorden en één in het zuiden van den Atlantischen Oceaan, twee anderen in het noorden en zuiden van de Stille Zuidzee, en een vijfde in het zuiden van den Indischen Oceaan; zelfs is het waarschijnlijk, dat er een zesde in het noorden van diezelfde zee bestaan heeft, toen de Kaspische zee en het meer Aral met de groote Aziatische meren verbonden, slechts eene groote uitgestrektheid water vormden.
Op de plaats der wereldkaart, waarop ik den vinger hield, vertoonde zich één van die stroomen, de Kuroskivo der Japanneezen, de Zwarte stroom, welke, uit de golf van Bengalen komende, door de straat van Malakka en langs de kust van Azië stroomt, en dan in de Stille Zuidzee zich met een bocht naar de Aleutische eilanden wendt; hij voert kamferboonen en andere Indische voortbrengselen met zich, en is door de helderblauwe kleur van zijn water duidelijk te onderscheiden van de golven van den Oceaan. Dezen stroom zou de Nautilus volgen; ik volgde dien met het oog op de kaart, en zag hem zich in den oneindig grooten Oceaan verliezen, zelfs voelde ik er mij reeds door medeslepen, toen Ned Land en Koenraad de zaal binnentraden. Mijne wakkere lotgenooten bleven als versteend staan op het gezicht van zoovele wonderen, als hier opeen gestapeld lagen.
“Waar zijn wij?”riep Ned uit; “in het museum te Quebec?”
“Met mijnheers goedvinden zou ik eer zeggen, dat het bij ons in de Galeries de Zoölogie was,” zeide Koenraad.
“Vrienden,” antwoordde ik, terwijl ik hen wenkte om binnen te komen, “gij zijt noch in Canada, noch in Frankrijk, maar aan boord van de Nautilus, vijftig meter onder het oppervlak der zee.”
“Ik moet mijnheer gelooven, omdat hij het verzekert,” zeide Koenraad; “maar op mijn woord, de zaal is zoo schoon, dat zij zelfs een Vlaming als mij verbaast.”
“Verwonder u, mijn vriend, en kijk goed rond, want voor iemand, die zooveel liefhebberij in het rangschikken en in klassen indeelen heeft als gij, is hier werk in overvloed....”
Ik behoefde hem niet aan te moedigen; de brave jongen boogzich over de glazen kasten en mompeldeallerleiwoorden en namen uit de taal der natuurkenners: “weekdieren, koppootigen, Gyproea. Madagascariensis,” enz., alles door elkander.
Gedurende dien tijd vroeg Ned Land, die niets met schelpen ophad, mij naar mijn onderhoud met den kapitein; of ik ontdekt had wie hij was, van waar hij kwam, waar hij heenging, naar welke diepte hij ons medesleepte? Kortom, duizenden vragen, waarop ik zelfs den tijd niet had een antwoord te geven. Ik vertelde hem al wat ik wist, of liever wat ik niet wist en ik vroeg hem wat hij van zijn kant gezien of gehoord had.
“Niets gehoord of gezien,” antwoordde hij: “ik heb zelfs niemand van de equipage gezien; zou die misschien ook electriek zijn?”
“Electriek!”
“Waarachtig, men zou het haast gaan gelooven. Maar gij, mijnheer Aronnax,” vroeg Ned Land, die, zoo het scheen altijd bij zijn denkbeeld van overrompeling bleef, “zoudt gij niet kunnen zeggen, hoe sterk ze hier aan boord zijn: tien, twintig, vijftig, honderd?”
“Ik kan u daarop geen antwoord geven. Geloof mij, laat voor het oogenblik dat denkbeeld varen om u van de Nautilus meester te maken of te vluchten. Dit vaartuig is een van de grootste meesterstukken der nieuwere nijverheid, en het zou mij spijten als ik het niet gezien had. Velen zouden zich in onzen toestand schikken, al ware het alleen maar om te midden van al die wonderen rond te dolen, houdt u dus stil, en laat ons trachten te zien, wat rondom ons gebeurt.”
“Zien!” riep de harpoenier, “maar men ziet niets, en zal nooit iets zien in die ijzeren gevangenis; wij varen in den blinde....”
Toen Ned dit zeide, werd het eensklaps donker als de nacht. Het licht aan de zoldering verdween, en wel zoo snel, dat mijne oogen er pijnlijk door werden aangedaan, evenals dit geschiedt, wanneer men van de diepste duisternis plotseling in het schitterendste licht komt.
Wij bleven verstomd staan, en bewogen ons niet, daar wij niet wisten welke aangename of onaangename verrassing ons wachtte; doch een schuiven deed zich hooren; men zou gezegd hebben; dat de zijwanden van de Nautilus in beweging kwamen.
“Dat is nu het einde van alles!”, zeide Ned.
“Orde van deHydromedusen!”, mompelde Koen.
Plotseling werd het dag aan weerszijden van de zaal door twee ovale openingen; het zeewater was helder verlicht door een stroom electriek licht. Twee dikke glasschijven scheiden ons van de zee; eerst sidderde ik op de gedachte, dat deze broze wanden konden breken, maar stevige koperen stangen steunden het glas, en gaven daaraan een bijna onbeperkt weerstandsvermogen.
Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.
Kapitein Nemo ging met zijn sextant de hoogte der zon opnemen.
De zee was op een kilometer afstands rondom de Nautilus duidelijkzichtbaar. Welk een schouwspel! Welke pen zou dit kunnen beschrijven! Wie zou de uitwerking van het licht door deze doorschijnende massa, en het zachte afnemen en verminderen daarvanin de diepten boven en beneden ons kunnen afschilderen? Men kent de doorschijnendheid der zee; men weet dat haar water helderder is dan bronwater: de minerale en organische bestanddeelen, welke er in opgelost zijn, vermeerderen die doorschijnendheid. In enkele gedeelten van den Oceaan, bij de Antillen bijvoorbeeld, kan men op eene diepte van 145 meter den zandigen bodem met bijzondere nauwkeurigheid zien, en zelfs schijnen dezonnestralennog tot op eene diepte van 300 meter door te dringen. Maar in den stroom, waarin de Nautilus dreef, werd het electriek licht in de diepte der zee zelve voortgebracht. Het was geen verlicht water meer, maar een stroom van vloeibaar licht.
Als men de veronderstelling van Erhemberg gelooven wil, dan zou er in de diepten der zee een phosphoresceerend licht bestaan, waardoor de natuur aan de bewoners der zee een wonderlijk schouwspel bereid heeft; ik kon dit een weinig beoordeelen door het duizendvoudige spelen van het licht. Aan elke zijde had ik het gezicht op deze ondoorzochte afgronden; de duisternis van de zaal deed het licht buiten des te beter uitkomen, en wij keken door de ramen alsof het de wanden van een zeer groot aquarium waren.
De Nautilus scheen zich niet te bewegen; het was omdat wij vaste punten voor ons oog misten. Somwijlen echter vlogen strepen waters met buitengewone snelheid ons voorbij, waardoor wij konden zien, dat wij inderdaad zeer snel vooruitgingen.
Verbaasd leunden wij op onze ellebogen voor het glas, zonder dat een onzer de stilte nog had afgebroken, toen Koenraad zeide:
“Gij wildet zien, vriend Ned, welnu, zie!”
“Prachtig!” zeide Ned, die zijn toorn en zijne ontvluchtingsplannen vergetende, zich onwillekeurig aangetrokken gevoelde; “men zou er zelfs ver om willen reizen, om zulk een schouwspel te bewonderen.”
“O!” riep ik uit, “nu begrijp ik het leven van dien man; hij heeft zich een wereld afzonderlijk gevormd, welke voor hem hare grootste wonderen bewaart!”
“Maar waar zijn de visschen?” merkte de harpoenier op, “ik zie er geen.”
“Wat gaat u dat aan, vriend Ned,” antwoordde Koenraad, “omdat gij ze toch niet kent.”
“Ik, een visscher!” zeide Ned Land.
En daarop ontstond een soort van twistgesprek tusschen de beide vrienden, want beiden kenden visschen, maar ieder op verschillende wijze; Ned Land kende er wel onderscheid tusschen, doch Koenraad wist er zooveel te meer van, en nu hij de vriend van den harpoenier geworden was, kon hij niet dulden, dat deze minder wist dan hij; daarom zeide hij: “Gij zijt een visschendooder, mijnvriend, een zeer handig visscher; gij hebt eene groote menigte van die belangwekkende dieren gevangen; maar ik wed, dat gij niet weet hoe men ze in klassen verdeelt.”
“Welzeker,” antwoordde de harpoenier ernstig, “in visschen die men eet, en die men niet eet!”
“Dat is de onderscheiding van een vraat,” antwoordde Koenraad; “maar zeg mij eens of gij wel het onderscheid kent tusschen beenachtige en kraakbeenachtige visschen?”
“Misschien wel, Koen.”
“En de onderverdeeling van die beide groote klassen?”
“Ik heb er nooit van gehoord,” antwoordde Ned.
“Welnu, hoor mij aan en onthoud het,” en daarop begon hij eene geleerde verhandeling over de visschen, waarbij de harpoenier allerlei uitroepen deed hooren, die genoegzaam bewezen, dat hij al die geleerdheid van Koenraad al bijzonder weinig telde, en de visschen alleen uit het oogpunt van eetbaarheid beschouwde. En toen Koenraad aan het einde van zijne dissertatie gekomen was, zeide hij: “Ziet gij, mijn beste Ned, als gij dat alles nu weet, dan weet gij eigenlijk gezegd nog niets, want de familiën worden weer onderverdeeld in soorten, ondersoorten, verscheidenheden ....”
“Welnu, vriend Koen,” viel de harpoenier hem in de rede, terwijl hij tegen het raam leunde, “daar heb je verscheidenheid genoeg.”
“Ja, allerlei visschen,” zeide Koenraad, “men zou denken dat men voor een aquarium zat.”
“Neen,” voegde ik hem toe, “want een aquarium is een kooi en hier zijn de visschen zoo vrij als vogels in de lucht.”
“Welnu, vriend Koen, noem ze dan eens op, als gij kunt,” vroeg Ned Land.
“Ik?” antwoordde Koenraad, “daar ben ik niet toe in staat; dat is de zaak van mijn meester.”
En inderdaad, die brave jongen was altijd met zijn klassen-indeeling in de weer, doch volstrekt geen natuurkenner; ik weet niet of hij wel een schelvisch van een schol had kunnen onderscheiden; kortom hij was het tegendeel van Ned Land, die al de visschen zonder aarzelen opnoemde. Met hun beiden zouden zij een volmaakt ichthyoloog hebben gevormd.
Het zeewater was helder verlicht.Het zeewater was helder verlicht.
Het zeewater was helder verlicht.
Gedurende een paar uur trok een talloos heir van zeebewoners met de Nautilus mede; zij sprongen en draaiden en speelden voor ons oog, dat het een lust was, en wedijverden in schoonheid, glans en vlugheid; ik herkende er de meeste soorten onder van de visschen, welke in den grooten Oceaan gevonden worden, groote en kleine, schoone en afschuwelijke, en daaronder somwijlen zeer zeldzame en prachtige exemplaren. Onze verbazing was voortdurendten hoogste gespannen; onze uitroepen verminderden niet; Ned noemde de visschen op, en Koenraad deelde ze in klassen in; ik was opgetogen op het gezicht van hunne bewegingen en de schoonheidhunner vormen. Nooit was mij het geluk te beurt gevallen, die dieren levend en vrij in hun natuurlijk element te aanschouwen.
De zee werd vlammend rood gekleurd.De zee werd vlammend rood gekleurd.
De zee werd vlammend rood gekleurd.
Ik zal al de verscheidenheden niet opnoemen, welke voorbij onzeverbaasde blikken heenschoten; het was alles wat de Japansche en Chineesche zeeën slechts opleverden. De visschen kwamen talrijker dan de vogels in de lucht op ons af, waarschijnlijk aangetrokken door het schitterende electrieke licht.
Plotseling werd het weder licht in de zaal, de wanden werden dichtgeschoven, en het betooverend gezicht verdween; maar nog lang droomde ik, totdat mijn blik zich op de instrumenten aan den muur vestigde. Het kompas wees altijd eene noordoostelijke richting aan; de manometer gaf een druk aan van vijf atmosferen, dus eene diepte van vijftig meter, en de electrieke log liet ons zien dat wij vijftien kilometer in het uur maakten.
Ik wachtte kapitein Nemo, maar hij kwam niet; de klok stond op vijf uur. Ned Land en Koenraad gingen naar hunne hut; ik naar mijne kamer; mijn middagmaal stond gereed; het bestond uit een overheerlijke schildpadsoep, verder uit een in boter gebakken barbeel, wiens lever afzonderlijk klaargemaakt een voortreffelijk eten opleverde, en uit eenige sneden van een gebraden grooten visch, waarvan de smaak lekkerder was dan van zalm.
Ik bracht den avond door met lezen, schrijven en mijmeren. Toen ik slaap kreeg ging ik naar bed en sliep gerust, terwijl de Nautilus den snellen Zwarten stroom volgde.