Eene schriftelijke uitnoodiging.

Eene schriftelijke uitnoodiging.Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of “mijnheer goed geslapen had,” en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warmis. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd, toch hare schoone kleuren hadden behouden.De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer, de diepte tusschen de 50 en 60 meter.Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef, hetwelk uit zeegras gemaakt was.Den 11denNovember bemerkte ik ’s morgens reeds zeer vroeg aan de versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten, komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken, welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus, die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen schoonen, vroolijkenzonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat, zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus; “Nautron respoc lorni virch.” Wat het beteekende zou ik niet kunnen zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen; ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde, Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens door denzelfden persoon uitgesproken. Dekapiteinverscheen niet. Ik had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16denNovember met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open, hij was met eeneduidelijkehand, doch met eenigszins gothische letters geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.Deze brief luidde aldus:“Aan den hoogleeraarAronnax,“aan boord van de Nautilus.“16 November 1867.“Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij, welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen, terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem vergezellen.“De kapitein van de Nautilus,“Nemo.”“Eene jachtpartij!” riep Ned.“En in de bosschen van het eiland Crespo?” voegde Koenraad er bij.“Maar hij gaat dan toch aan land?” hervatte Ned.“Ik geloof dat dit vrij duidelijk is,” zeide ik, den brief nog eens lezende.“Welnu, wij moeten aannemen,” zeide Ned. “Als wij eens vasten grond onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen; overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken versch wild tusschen de tanden krijg.”Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodigingtot eene boschjacht, en antwoordde dus: “Laat ons eerst eens zien wat eiland Crespo is.”Ik deed het maal eer aan.Ik deed het maal eer aan.Ik bekeek de kaart en vond op 32° 40′ N.B. en 167° 50′ O.L. eeneilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd, op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata; hetwelk “Zilverrots” beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800 kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan, terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots; welke vergeten in ’t midden van de Stille Zuidzee lag.“Indien kapitein Nemo soms aan land gaat,” zeide ik, “dan kiest hij ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn.”Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid te rusten.Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en ik gereed waren hem te volgen.“Alléén mijnheer,” voegde ik er bij, “zij het mij vergund u eene vraag te doen.”“Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden, zal ik het doen.”“Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met het land hebt afgebroken, bosschen op het eilandCrespobezit?”“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “de bosschen welke ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken ze alléén; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op het land, maar onder de zee.”“Onderzeesche bosschen!” riep ik uit.“Zooals gij zegt, mijnheer.”“En gij wilt er mij in brengen?”“Juist.”“En te voet?”“Zelfs droogvoets.”“En op de jacht?”“Ja!”“Met het geweer in de hand?”“Met het geweer in de hand.”“Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer;ik had toch liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met een gek!Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen, en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. “Mijnheer Aronnax,” zeide de kapitein, “ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal.”Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier (rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te spreken; toen hij gedaan had, zeide hij:“Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer.”“Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat....”“Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden.”“Ik luister.”“Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan, en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel van perspompen en afvoerbuizen.”“Dat zijn scaphanders,” zeide ik.“Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van caoutchouc lucht toevoert; het is als ’t ware een keten, die hem aan het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan.”“En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?” vroeg ik.“Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze, door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een paar draagbanden op den rugvastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden, niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn; de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht.”“Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is zij bedorven.”“Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen, zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur.”“Ik heb niets meer te zeggen,” antwoordde ik, “alleen nog deze vraag: hoe krijgt gij licht op groote diepten?”“Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel.“In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik.”“Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein, dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen.”“Het is geen gewoon geweer met kruit en lood,” antwoordde de kapitein.“Is het dan een windgeweer?”“Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak, daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?”“Bovendien,” zeide ik, “gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter dan de lucht is.”“Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van slot, waarmede men onder water kan schieten;doch ik herhaal het u, nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht, welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen.”Gereed om te vertrekken.Gereed om te vertrekken.“Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!”“Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik heb slechts een buis aan te schroeven en een kraanopen te maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft.”“Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk zijn.”“Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem getroffen dood neder.”“Waarom?”“Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes, door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed, terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als ’t ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich, en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No4, en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten.”“Ik maak geene opmerkingen meer,” antwoordde ik opstaande, “ik heb mijn geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein.”Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde, dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen.Jachtavonturen.Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte de wandelaars.Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan te schieten.“Maar mijn beste Ned,” zeide ik hem, “de bosschen van Crespo zijn slechts onderzeesche bosschen.”“Goed,” mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van versch vleesch in rook zag verdwijnen. “Gaat gij die dingen aantrekken, mijnheer Aronnax?”“Ik moet wel, Ned.”“Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer,” antwoordde de harpoenier, terwijl hij de schouders ophaalde, “maar wat mij aangaat, buiten noodzaak steek er nooit een vin in.”“Men zal u niet noodzaken, Ned,” zeide de kapitein.“En zal Koen zich wagen?” vroeg Ned.“Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat,” antwoordde Koenraad.Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting, de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de beweging der hand in geenen deele hinderden.Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18eeeuw uitgevonden en zoo geprezen werden.De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene verbazende kracht moestbezitten, Koenraad en ik hadden weldra de scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht, welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten.“Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein,” zeide ik.“Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?”“Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter onder water, en wij behoeven slechts te gaan.”“Maar hoe komen wij er uit?”“Dat zult gij zien.”De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden, terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat, begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken, en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken; maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur, welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons, en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee.En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen?De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm, waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote vrijheid in mijne bewegingen.De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door, en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde, was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.Eene monsterachtige zeespin.Eene monsterachtige zeespin.Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijkehelderheid terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker, dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het volle daglicht.Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht; maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder licht ons den weg naar boord aanwijzen.Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds werd uitgewischt.Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de schoonste zoöphyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt, ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel, oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte, met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan; zeker was die brave jongen bij die massa zoöphyten en molusken weder aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was; daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om op te loopen, enkonden met de zachtste, door menschenhanden geweven tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste diepten van den Oceaan gevonden werden.Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten; het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred, hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht, en het plant zich met viervoudige snelheid voort.Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding, waaraan ik zóo weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen.Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd, zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen.Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa, welke op kleinen afstand in de schemering te zien was.“Dit is het bosch van het eiland Crespo,” dacht ik, en ik bedroog mij niet.Een onderzeesch woud.Eindelijk waren wij aan den rand gekomen van het woud, datzeker een der schoonsten was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover aan als de eerste menschen in de eerste tijden na de schepping op alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesche gebied betwist hebben? Welk ander zou even stoutmoedig als hij met de bijl in de hand het sombere woud zijn komen ontginnen?Dit woud bestond uit groote boomplanten, en zoodra wij er in waren doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door den zonderlingen stand der takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt.Geen van de grassoorten, welke den grond bedekten, geen van de takken, welke uit de struiken te voorschijn groeiden, was bochtig of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar het zeeoppervlak; geen sprietjes, geen takjes, zoo dun, of zij waren recht als ijzeren staven en draden. Het zeewier en het riet groeiden lijnrecht naar boven; als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen die planten onmiddellijk haar vorigen stand. Hier scheen het rijk van de rechtstandigheid te zijn.Weldra raakte ik gewoon aan dien zonderlingen stand der gewassen, evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeielijk konden vermijden. De onderzeesche flora scheen mij hier vrij volledig te zijn en zelfs rijker dan zij het in noordelijke of keerkringsstreken was. Doch gedurende eenige minuten warde ik planten en dieren dooreen; en wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daar de fauna en de flora elkander in die onderzeesche wereld zoo nabij komen.Ik zag dat al die voortbrengselen van het plantenrijk slechts even aan de oppervlakte van den bodem gehecht waren; zonder wortels, bijna niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen zij aan zand of steen, aan schelp of hoorn slechts een steunpunt en geen levenskracht; die planten groeien slechts uit zich zelf, en het beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt en voedt. De meeste planten hadden in plaats van bladeren, langwerpige stelen van grilligen vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd waren, namelijk het rozenrood, karmijn, groen, de olijf kleur, het vaal en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van planten en zoöphyten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig natuuronderzoeker eens konuitroepen: “Zonderlinge tegenstrijdigheid, wonderlijk element, waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt, en het plantenrijk geen bloemen heeft!”De kapitein hield plotseling stil.De kapitein hield plotseling stil.Tegen één uur gaf de kapitein een teeken om halt te houden. Ik was er zeer blijde om, en wij strekten ons onder een soort van prieel op den grond uit. Dit oogenblik rust scheen mij heerlijktoe; wij misten slechts het genoegen om met elkander te kunnen praten; maar dit was onmogelijk; ik kwam met mijn grooten koperen helm slechts even tegen dien van Koenraad aan; ik zag deoogen van den braven jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij ten teeken van vreugde zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewoog.Na vier uur gewandeld te hebben, was ik verwonderd geen ergen honger te gevoelen. Waardoor deze zonderbare toestand van de maag ontstond, zou ik niet kunnen zeggen; maar daarentegen had ik een onoverkomelijken lust tot slapen, zooals dit met alle duikers het geval is. Mijne oogen sloten zich weldra, en ik viel in een diepen slaap, welken de beweging van het loopen alléén had kunnen beletten. Kapitein Nemo en zijn makker strekten zich ook op den grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld.Hoe lang ik bleef slapen, kan ik niet zeggen; doch toen ik wakker werd, scheen het mij toe, dat de zon naar den gezichteinder neigde. Kapitein Nemo was reeds opgestaan en ik begon mij uit te rekken, toen eene onverwachte verschijning mij eensklaps overeind joeg.Op eenige schreden afstands keek eene monsterachtige zeespin van een meter hoog mij met hare loensche oogen aan, gereed om zich op mij te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen den beet van dit dier te beveiligen, kon ik eene beweging van afgrijzen niet onderdrukken. Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat oogenblik wakker. De kapitein wees zijnen makker het afschuwelijke beest, dat door een kolfslag werd geveld, en ik zag het monster de afgrijselijke pooten in vreeselijke stuiptrekkingen wringen.Deze ontmoeting deed mij er op bedacht zijn dat andere, vrij wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewoonden, en dat mijn scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen. Ik had er tot op dit oogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijne hoede te zijn. Overigens veronderstelde ik, dat deze rust het einde onzer wandeling aanwees, maar ik bedroog mij, en in plaats van naar de Nautilus terug te keeren, vervolgde de kapitein zijn stoutmoedigen tocht.De bodem helde voortdurend, zoodat wij nog grooter diepten bereikten; het zal omstreeks drie uur geweest zijn, toen wij in eene nauwe vallei tusschen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onzer kleeding en toestellen, waren wij dus 90 meter dieper afgedaald, dan de natuur tot nog toe den mensch bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik zeg 150 meter, hoewel ik dit met geen enkel werktuig kan bewijzen; maar ik weet, dat zelfs in het helderste zeewater de zonnestralen niet dieper kunnen doordringen. En juist nu begon hier ondoordringbare duisternis te heerschen. Op geen tien pas afstands konden wij eenig voorwerp onderscheiden; ik liep dus op den tast, toen ik plotseling een vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn electriek toestel in werkinggebracht; zijn makker volgde zijn voorbeeld, evenals Koenraad en ik; door een schroefje om te draaien, bracht ik de klos met de glazen buis in gemeenschap, en de zee werd door onze vier lantaarns in een omtrek van 25 meter helder verlicht.Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud, waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd; ik merkte op dat de planten eerder ophielden dan de dieren, en dat, terwijl de bodem bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van allerhande soort door elkander krioelde.Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen eenige bewoners dier sombere diepten naar ons toe moesten lokken; maar als zij ons al naderden, bleven zij toch op een te grooten afstand om er jacht op te maken. Verscheiden malen zag ik kapitein Nemo aanleggen, maar telkens liet hij het geweer weder zakken en vervolgde zijne wandeling.Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onzen merkwaardigen tocht. Een muur van schoone rotsen van indrukwekkende gedaante verhief zich voor ons reusachtige blokken graniet waren hier op elkander gestapeld, met vele donkere holen daartusschen, doch nergens was eene plaats te vinden, waar die rotsmuur bestegen kon worden. Het waren de grondvesten van het eiland Crespo; hier was dus land. De kapitein hield plotseling stil; door eene beweging met de hand gebood hij ons hetzelfde te doen en hoe begeerig ik ook was om over of om dien rotswand heen te komen, zoo moest ik toch blijven staan. Hier eindigde het gebied van kapitein Nemo; hij wilde niet verder gaan; deed hij het, dan kwam hij op een gedeelte van den aardbol, dat hij niet meer wilde betreden.Onze terugtocht ving aan; de kapitein stelde zich weder aan ons hoofd, en vervolgde steeds zonder aarzelen zijn weg. Ik meende op te merken, dat wij niet denzelfden weg volgden als straks om de Nautilus weder te bereiken; deze nieuwe weg, die vrij steil, en daardoor zeer moeielijk was, bracht ons spoediger naar de oppervlakte der zee; evenwel was dit stijgen niet zoo snel, dat de druk van het water daardoor plotseling verminderde, waaruit anders nadeelen voor ons lichaam konden ontstaan, zooals maar al te dikwijls bij duikers het geval is. Het daglicht verscheen weder en werd sterker, doch daar de zon ten ondergang neigde, schitterden de voorwerpen door de straalbreking op nieuw in schoone kleurenpracht.Op tien meter diepte gingen wij midden door een zwerm kleine visschen van allerhande soort, veel talrijker dan de vogels in de lucht, en ook vlugger, doch geen enkel stuk waterwild, dat een schot waard was, had zich nog aan ons voorgedaan, toen ik den kapitein plotseling zijn geweer zag aanleggen en daarmede tusschen de waterplanten een beweegbaar voorwerp volgen. Het schot gingaf, ik hoorde een licht gesis, en als door den bliksem getroffen viel op eenige passen vóor ons een dier neder.Het was een prachtige zeeotter, het eenige viervoetige dier dat bepaald de zee bewoont. Het dier was anderhalven meter lang, en waarschijnlijk zeer kostbaar; het vel was op den rug kastanjebruin en aan den buik zilverwit; het was eene prachtige huid, welke op de Russische en Chineesche markten zeer gezocht zou zijn geweest; ik schatte die vacht om hare fijnheid en glans ten minste op 2000 frank. Ik bekeek dit zonderlinge zoogdier nauwkeurig; het had een ronden kop, korte oortjes, ronde oogen, witte snorren, zooals van een kat, aan de pooten zwemvliezen en nagels, en een dikkenstaart. Dit kostbare vleeschvretende dier, waarop de visschers fel jacht maken, wordt hoe langer hoe zeldzamer, en huist thans voornamelijk in de noordelijke streken van den Grooten Oceaan, waar het mogelijk weldra geheel zal uitsterven.De matroos van de Nautilus nam het dier op, hing het over den schouder en wij vervolgden onzen weg.Gedurende een uur hadden wij eene zandvlakte voor ons; er waren somwijlen hoogten in, die de oppervlakte der zee tot op twee meter naderden. Dan zag ik boven ons hoofd ons beeld zeer nauwkeurig teruggekaatst doch natuurlijk onderste boven; het was een troepje dat onze bewegingen en gebaren volkomen nabootste, doch het ging met de beenen in de lucht en het hoofd naar beneden voorwaarts.Een ander verschijnsel was, dat ik dikwijls dikke wolken zeer snel over ons heen meende te zien drijven; maar toen ik daar over nadacht, begreep ik, dat die wolken slechts ontstonden door de zware golven, wier met schuim bedekte koppen ik uit elkander zag stuiven. Zelfs bemerkte ik van tijd tot tijd het snelle voorbijvliegen van groote vogels, welke over het watervlak schoren.Bij die gelegenheid was ik getuige van een der schoonste schoten, welke ooit een jagershart hebben doen kloppen. Een groote vogel met breede vlucht dreef voor den wind op ons af. De makker van den kapitein legde aan en schoot, toen de vogel nog op eenige meter boven de oppervlakte was; het dier viel getroffen neder dicht bij den behendigen schutter, die zich van zijn buit meester maakte; het was een albatros van de schoonste soort. Onze tocht was door dit voorval niet opgehouden; gedurende twee uur gingen wij over zandvlakten, of weiden van zeegras, waar het loopen moeielijk viel. Om de waarheid te zeggen, ik kon niet meer, toen ik op een halven kilometer afstand een flauw licht in de duisternis zag schemeren. Het was de lantaarn van de Nautilus; binnen twintig minuten moesten wij aan boord zijn, en daar zou ik weder vrij kunnen ademhalen, want het scheen mij toe, dat mijn toestel mij slechts zeer weinig zuurstofhoudende lucht meer toevoerde. Ikrekende evenwel buiten eene ontmoeting, welke onze komst aan boord eenigermate vertraagde.Een groote vogel met breede vlucht.Een groote vogel met breede vlucht.Ik was ongeveer twintig pas achtergebleven, toen ik den kapiteinplotseling naar mij zag toekomen. Met zijne krachtige hand drukte hij mij op den grond, zooals zijn metgezel het Koenraad deed. Eerst wist ik niet wat van dien plotselingen aanval te denken, doch werd gerust gesteld, toen ik zag dat de kapitein naast mij ging liggen en onbeweeglijk bleef. Zoo lagen wij achter een bos zeegras uitgestrekt, toen ik het hoofd eens even ophief, en eene verbazend groote gedaante met veel geplas over ons zag heengaan, welke een lichtglans van zich gaf. Mijn bloed stolde mij in de aderen, want ik had de groote haaien herkend, welke ons bedreigden. Het waren een paar tintoreas, vreeselijke zeemonsters met grooten staart, en een dof en glazig oog, die uit de gaatjes rondom hun bek eene lichtende stof afscheidden. Het zijn monsterachtige lichtvliegen, die een mensch tusschen hunne ijzeren kaken in eens verpletteren! Ik weet niet of Koenraad bezig was ze in eene zekere klasse te ordenen, doch ik bekeek, wat mij aangaat, hun zilverkleurigen buik, hun vreeselijken muil, vol scherpe tanden, minder met een wetenschappelijk doel; en ik deed het eerder als slachtoffer dan als natuuronderzoeker.Gelukkig zien die vraatzuchtige dieren zeer slecht. Zij zwommen voorbij, zonder ons te zien, waarbij zij met hunne bruinachtige zwemvliezen rakelings over ons heen gingen, zoodat wij als door een wonder aan een gevaar ontsnapten, dat zeker veel erger was dan de ontmoeting met een tijger in het dichtste van het woud.Een half uur daarna bereikten wij, door het electrieke licht van de Nautilus geleid, het vaartuig. De buitendeur was open gebleven, en de kapitein sloot haar zoodra wij binnen waren; daarna drukte hij op een knop; ik hoorde de pompen in het vaartuig zich in beweging stellen, ik voelde het water rondom mij weg loopen, en binnen weinige oogenblikken was de cel ledig; de binnendeur werd open gedaan en wij traden de kleedkamer binnen. Daar werden wij niet zonder moeite van onze scaphanders bevrijd, en dood af, van vermoeienis en slaap bijna in elkander zakkende, ging ik naar mijne hut nog verbaasd over den wondervollen tocht in de diepten der zee.De Stille Zuidzee.Den volgenden dag, 18 November, was ik van mijne vermoeienis van den vorigen dag geheel bekomen, ik besteeg het plat van deNautilus, op het oogenblik dat de tweede stuurman zijne dagelijksche formule uitsprak. Ik verbeeldde mij toen, dat dit zag op den toestand der zee, of liever dat het beteekende “wij hebben niets in het gezicht.” Inderdaad, de Oceaan was geheel verlaten, geen enkel zeil verscheen aan den gezichteinder. De hoogten van het eiland Crespo waren gedurende den nacht verdwenen. De zee had eene schoone blauwe kleur aangenomen en eene zachte deining bracht er regelmatige rimpels op. Ik bewonderde het prachtige gezicht op den Oceaan, toen de kapitein verscheen; hij scheen mij niet te zien en begon eene reeks sterrekundige waarnemingen. Toen hij gedaan had, ging hij op de lantaarn liggen leunen, en liet zijne blikken over de zee dwalen.Ondertusschen waren een twintigtal matrozen, allen krachtige en welgevormde mannen op het plat gekomen, om de netten op te halen, welke zij gedurende den nacht hadden laten slepen. Die zeelieden behoorden oogenschijnlijk tot verschillende natiën, hoewel zij allen duidelijk van Europeesche afkomst waren. Ik herkende zonder aarzelen Ieren, Franschen, eenige Slavoniërs, en zelfs een Griek of een Candioot. Overigens spraken die mannen zeer weinig, en gebruikten onder elkander slechts die vreemde taal, welker oorsprong ik zelfs niet raden kon; derhalve moest ik er van afzien om hen te ondervragen.De netten werden ingehaald. Het waren een soort van zaknetten, zooals men aan de kusten van Normandië gebruikt, welke door drijvend kurk of door een ijzerdraad, dat door de voorste mazen gestoken is, open worden gehouden. Die zakken worden met een ijzeren beugel langs den bodem der zee gesleept, en vangen dan alles op wat zich op hun weg bevindt. Er werden lampreiën, makreelen, tonijnen en andere visschen opgehaald, verscheiden in kleur en vorm zooals ik ze nog nimmer levend voor mij had gezien. Ik houd het er voor dat er meer dan duizend pond visch in de netten zat; het was eene schoone vangst, doch niet wonderbaarlijk groot, want die netten worden gedurende eenige uren medegesleept en bevatten dan eene geheele waterwereld. Wij hadden dus steeds levensmiddelen van eene uitstekende hoedanigheid, welke de snelheid en de aantrekkingskracht van zijn electriek licht onophoudelijk konden vernieuwen. De verschillende zeeproducten werden door het luik aanstonds naar de kombuis gebracht, waar zij bereid werden, sommigen om aanstonds gegeten, anderen om bewaard te worden. Toen de vischvangst afgeloopen en de lucht in het schip ververscht was, dacht ik dat de Nautilus haar onderzeeschen tocht weder zou beginnen, en ik maakte mij gereed om naar mijne hut te gaan, toen de kapitein zich tot mij wendde en zeide:“Zie dien Oceaan eens aan, mijnheer de professor; is hij niet met een wezenlijk leven begaafd? Kan hij niet toornig en teeder zijn?gisteren is de zee ingeslapen als wij, en nu wordt hij na een kalmen nacht weder wakker.”Geen goeden morgen, of goeden avond! Zou men niet gezegd hebben dat die vreemde man een reeds begonnen gesprek met mij vervolgde?“Zie,” hernam hij, “zij wordt wakker onder de liefkozingen der zon; zij gaat haar dagelijksch bestaan weder doorleven! Het is belangwekkend om hare bewerktuiging gade te slaan. Zij bezit een pols en ademt, en ik geef den geleerden Maury gelijk, die er eene beweging in heeft ontdekt, welke op den bloedsomloop bij de dieren gelijkt.”De kapitein wachtte van mij zeker geen antwoord, en het scheen mij dan ook onnoodig toe om hem mijn: “Juist,” “zeker,” “waarlijk” en andere woorden naar het hoofd te werpen. Hij sprak bijna tot zich zelven, terwijl hij tusschen elke twee zinnen telkens vrij lang wachtte. Het was eene overpeinzing met luider stemme.“Ja,” zeide hij, “de Oceaan bezit een wezenlijken omloop, en om dien te weeg te brengen, behoefde de Schepper van alle dingen er slechts de warmte, het zout en de diertjes in te vermenigvuldigen. Warmte toch doet verschillende dichtheid ontstaan, waardoor stroomen en tegenstroomen geboren worden. De uitdamping, die in de noordelijke streken niet bestaat, en in den omtrek van den evenaar veelvuldig plaats vindt, brengt eene aanhoudende verwisseling te weeg tusschen de wateren onder die keerkringen en aan de polen. Bovendien heb ik stroomen van boven naar beneden en omgekeerd ontdekt, welke de ware ademhaling van den Oceaan is. Ik heb opgemerkt dat elk waterdeeltje aan de oppervlakte verwarmd wordt, weder naar de diepte zakt, zijn hoogsten graad van dichtheid twee graden onder nul bereikt, daarna verder afkoelt, lichter wordt en weder naar de oppervlakte stijgt. Aan de polen is het gevolg van dat verschijnsel merkbaar, en daar begrijpt gij, waarom door de wetten van de voorzienende natuur bevriezing niet anders kan plaats hebben dan aan de oppervlakte des waters.”Terwijl de kapitein die volzinnen uitsprak, zeide ik bij mij zelven:“De pool! Zou die stoutmoedige reiziger ons daar heen willen brengen?”Kapitein Nemo zweeg en bleef verzonken in de beschouwing van dat element, hetwelk hij zoo goed en zoo onophoudelijk bestudeerd had. Daarop hervatte hij:“Men zegt dat het zout in aanzienlijke hoeveelheid in de zee vervat is, mijnheer; als gij er alles uit kondet halen, wat er in is opgelost, zoudt gij eene massa hebben van 288 millioen kubieke kilometer, dat over onzen aardbol uitgestrekt eene laag zou vormen van meer dan tien meter dik. En geloof niet, dat die aanwezigheid van zout eene gril van de natuur is; neen, neen! daardoorwordt het zeewater minder verdampbaar, en de wind kan er daardoor eene minder groote hoeveelheid dampen van opjagen, die als zij opgelost werden, de gematigde luchtstreken zouden overstroomen.Het zout speelt dus eene groote rol, namelijk de rol van het evenwicht in de algemeene huishouding van den aardbol!”De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.De kapitein zweeg, richtte zich op, stapte eenige malen op het plat heen en weder, en kwam weder naar mij toe: “Wat de infusiediertjes aangaat,” hernam hij, “die millioenen beestjes die in oneindig getal in een droppel leven, en waarvan er 800.000 een milligram wegen, zij spelen eene niet minder belangrijke rol. Zij nemen het zeezout op, verzamelen als het ware de vaste bestanddeelen van het water, en worden daardoor de wezenlijke vervaardigers van kalkgrond, zij maken koralen en zeesterren. En als dan de waterdroppel van zijne vaste bestanddeelen beroofd, lichter wordt, dan stijgt hij naar de oppervlakte, neemt daar weder het zout tot zich dat na uitdamping des waters achterblijft, wordt wederom zwaarder, zakt en brengt aan de infusiediertjes nieuw voedsel aan. Van daar een aanhoudend op- en nedergaande stroom, altijd beweging, altijd leven! Een veel krachtiger, weelderiger, onbeperkter leven als op het land, een leven dat vooral ontluikt op den Oceaan, dat zooals men zegt, voor den mensch een element des doods is, maar dat het element des levens is voor millioenen dieren en—voor mij!”Terwijl kapitein Nemo zoo sprak, veranderde hij geheel van gelaat en wekte in mij eene buitengewone ontroering op.“Daar,” voegde hij er nog bij, “is het ware leven! Ik zou haast kunnen droomen van de stichting van zeesteden, verzamelingen van onderzeesche huizen, die even als de Nautilus elken morgen aan de oppervlakte der zee versche lucht zouden komen inademen, vrije onafhankelijke steden zooals er nergens gevonden worden! En nog, wie weet of niet eenig tiran....”De kapitein eindigde zijn volzin met een driftig gebaar; daarna richtte hij zich rechtstreeks tot mij, als om sombere denkbeelden te verjagen, en vroeg mij:“Mijnheer Aronnax, weet gij hoe diep de Oceaan is?”“Ik weet ten minste,” zeide ik, “wat de voornaamste peilingen ons geleerd hebben.”“Zoudt gij mij die kunnen opnoemen, opdat ik ze des noods kan nagaan?”“Hier hebt ge er vast eenigen, welke mij te binnen schieten,”antwoorddeik. “Als ik mij niet bedrieg, heeft men in het noorden van den Atlantischen Oceaan eene gemiddelde diepte gevonden van 8200 meter, en in de Middellandsche Zee van 2500 meter. De merkwaardigste peilingen zijn in het zuiden van den Atlantischen Oceaan bij den 35stengraad gedaan; daar is het dieplood op 12000, 14091 en 15149 afgedaald. Men berekent dat als de bodem der zee gelijk werd gemaakt hare gemiddelde diepte ongeveer 7000 meter zou bedragen.”“Zeer goed, mijnheer,” antwoordde de kapitein, “doch wij zullenu hoop ik iets beters toonen. Wat de gemiddelde diepte van dit gedeelte van de Stille Zuidzee aangaat, zoo deel ik u mede dat zij slechts 4000 meter bedraagt.”Na deze woorden verdween de kapitein door het luik; ik volgde hem, en trad het salon binnen; de schroef begon aanstonds te werken en de log toonde eene snelheid van twintig kilometer in ’t uur aan.Kapitein Nemo bezocht mij slechts zeer zelden in de daarop volgende weken: nu en dan vertoonde hij zich een oogenblik. Zijn eerste stuurman wees geregeld met punten op de kaart den weg aan, welken de Nautilus volgde, zoodat ik dien geregeld kon nagaan.Koenraad en Land brachten een groot deel van den tijd met mij door. Koenraad had aan zijn vriend wonderen van onze wandeling verteld, en deze had er nu spijt van dat hij ons niet had vergezeld. Maar ik hoopte dat de gelegenheid zich nog wel eens zou voordoen om die onderzeesche bosschen te bezoeken.Bijna dagelijks openden zich gedurende eenige uren de wanden der zaal, en wij werden niet moede om de geheimen van die onderzeesche wereld te bespieden.Over het algemeen was de richting van de Nautilus zuidoostwaarts, en zij bleef op eene gemiddelde diepte van 200 á 150 meter. Eens evenwel, ik weet niet om welke reden, richtte het schip zich vrij snel naar beneden en bereikte eene diepte van 2000 meter. De honderdgradige thermometer wees eene temperatuur aan van 4° 25’, welke op deze diepte onder alle breedten dezelfde schijnt te zijn.Den 26stenNovember ging de Nautilus op 172° lengte over den Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer afgelegd. Toen ik ’s morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer onder den wind Hawaï, het voornaamste der zeven eilanden waaruit deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is, daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt.De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op 142° lengte den 1stenDecember over den evenaar; drie dagen later kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie kilometer afstand zag ik op 8° 57′ Z.B. en 139° 32′ W.L. het hooge Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield er niet van om dicht bij het land te komen.De netten leverden ons daar evenals bij Hawaï schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort (choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten, doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer; op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen; zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italië gegeten.In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen verschillende soorten herkende, welke d’Orbigny voor den Grooten Oceaan heeft opgegeven.Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan doordringen.Den 11denDecember zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur.“Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?” vroeg hij met zonderlinge stem.“Wat is er dan, Koenraad?”“Mijnheer moet maar eens zien.”Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam mij eene gedachte voor den geest.Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.“Een schip!” riep ik uit.“Ja,” zeide Ned Land, “een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.”De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons, welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven, maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven, doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit; zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar bij het gezicht van die als ’t ware op heeter daad betrapte schipbreuk, welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen, zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik een oogenblik op den spiegel lezen kon:Florida, Sunderland.

Eene schriftelijke uitnoodiging.Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of “mijnheer goed geslapen had,” en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warmis. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd, toch hare schoone kleuren hadden behouden.De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer, de diepte tusschen de 50 en 60 meter.Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef, hetwelk uit zeegras gemaakt was.Den 11denNovember bemerkte ik ’s morgens reeds zeer vroeg aan de versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten, komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken, welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus, die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen schoonen, vroolijkenzonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat, zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus; “Nautron respoc lorni virch.” Wat het beteekende zou ik niet kunnen zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen; ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde, Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens door denzelfden persoon uitgesproken. Dekapiteinverscheen niet. Ik had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16denNovember met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open, hij was met eeneduidelijkehand, doch met eenigszins gothische letters geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.Deze brief luidde aldus:“Aan den hoogleeraarAronnax,“aan boord van de Nautilus.“16 November 1867.“Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij, welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen, terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem vergezellen.“De kapitein van de Nautilus,“Nemo.”“Eene jachtpartij!” riep Ned.“En in de bosschen van het eiland Crespo?” voegde Koenraad er bij.“Maar hij gaat dan toch aan land?” hervatte Ned.“Ik geloof dat dit vrij duidelijk is,” zeide ik, den brief nog eens lezende.“Welnu, wij moeten aannemen,” zeide Ned. “Als wij eens vasten grond onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen; overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken versch wild tusschen de tanden krijg.”Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodigingtot eene boschjacht, en antwoordde dus: “Laat ons eerst eens zien wat eiland Crespo is.”Ik deed het maal eer aan.Ik deed het maal eer aan.Ik bekeek de kaart en vond op 32° 40′ N.B. en 167° 50′ O.L. eeneilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd, op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata; hetwelk “Zilverrots” beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800 kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan, terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots; welke vergeten in ’t midden van de Stille Zuidzee lag.“Indien kapitein Nemo soms aan land gaat,” zeide ik, “dan kiest hij ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn.”Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid te rusten.Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en ik gereed waren hem te volgen.“Alléén mijnheer,” voegde ik er bij, “zij het mij vergund u eene vraag te doen.”“Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden, zal ik het doen.”“Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met het land hebt afgebroken, bosschen op het eilandCrespobezit?”“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “de bosschen welke ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken ze alléén; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op het land, maar onder de zee.”“Onderzeesche bosschen!” riep ik uit.“Zooals gij zegt, mijnheer.”“En gij wilt er mij in brengen?”“Juist.”“En te voet?”“Zelfs droogvoets.”“En op de jacht?”“Ja!”“Met het geweer in de hand?”“Met het geweer in de hand.”“Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer;ik had toch liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met een gek!Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen, en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. “Mijnheer Aronnax,” zeide de kapitein, “ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal.”Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier (rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te spreken; toen hij gedaan had, zeide hij:“Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer.”“Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat....”“Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden.”“Ik luister.”“Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan, en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel van perspompen en afvoerbuizen.”“Dat zijn scaphanders,” zeide ik.“Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van caoutchouc lucht toevoert; het is als ’t ware een keten, die hem aan het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan.”“En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?” vroeg ik.“Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze, door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een paar draagbanden op den rugvastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden, niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn; de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht.”“Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is zij bedorven.”“Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen, zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur.”“Ik heb niets meer te zeggen,” antwoordde ik, “alleen nog deze vraag: hoe krijgt gij licht op groote diepten?”“Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel.“In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik.”“Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein, dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen.”“Het is geen gewoon geweer met kruit en lood,” antwoordde de kapitein.“Is het dan een windgeweer?”“Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak, daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?”“Bovendien,” zeide ik, “gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter dan de lucht is.”“Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van slot, waarmede men onder water kan schieten;doch ik herhaal het u, nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht, welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen.”Gereed om te vertrekken.Gereed om te vertrekken.“Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!”“Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik heb slechts een buis aan te schroeven en een kraanopen te maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft.”“Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk zijn.”“Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem getroffen dood neder.”“Waarom?”“Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes, door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed, terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als ’t ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich, en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No4, en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten.”“Ik maak geene opmerkingen meer,” antwoordde ik opstaande, “ik heb mijn geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein.”Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde, dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen.

Den volgenden dag, 9 November, werd ik na een slaap van twaalf uur wakker. Koenraad kwam, volgens gewoonte, hooren of “mijnheer goed geslapen had,” en zijne diensten aanbieden. Hij zeide dat zijn vriend Ned nog lag te slapen, alsof hij zijn leven lang anders niets gedaan had. Ik liet den braven jongen naar hartelust babbelen, zonder hem te antwoorden. Ik was afgetrokken door de voortdurende afwezigheid van den kapitein, die sedert ons onderhoud van den vorigen dag niet weder verschenen was; ik hoopte hem in den loop van den dag terug te zien. Spoedig had ik mijne kleederen aan; de stof lokte menige opmerking van Koenraad uit; ik vertelde hem, dat zij gemaakt waren van de zijdeachtige draden, welke op een soort van schelpen langs de kusten der Middellandsche Zee gevonden worden; vroeger maakte men er schoone stoffen, kousen en handschoenen van, omdat de stof zeer zacht en warmis. De equipage van de Nautilus kon zich dus goedkoop kleeden, zonder ter markt te gaan bij katoenplanters, schapen, of zijdewormen. Toen ik aangekleed was ging ik naar de zaal, maar er was niemand.

Ik ging aan het bestudeeren van alle schatten, welke onder de glazen ramen lagen opgestapeld; ik doorbladerde de groote herbariums, die opgevuld waren met de zeldzaamste zeeplanten welke hoewel gedroogd, toch hare schoone kleuren hadden behouden.

De dag ging voorbij, zonder dat ik met een bezoek van den kapitein vereerd werd. De zijwanden der zaal gingen niet open, misschien omdat men onzen smaak voor die schoone zaken niet bederven wilde. De richting van de Nautilus was altijd nog N.O.t.O., de snelheid twaalf kilometer, de diepte tusschen de 50 en 60 meter.

Den volgenden dag, 10 November, bracht ik even afgezonderd en verlaten door. Ik zag niemand van de equipage. Ned en Koenraad brachten het grootste gedeelte van den dag met mij door; zij verwonderden zich over de onverklaarbare afwezigheid van den kapitein. Was de zonderlinge man ziek, of wilde hij zijne plannen ten onzen opzichte wijzigen? Overigens genoten wij, volgens Koenraad, geheel onze vrijheid en wij werden uitstekend gevoed. Onze gastheer hield zich nauwkeurig aan de voorwaarden van onze overeenkomst; wij konden ons niet beklagen, en bovendien vonden wij in het zonderlinge van ons lot zulk eene schoone vergoeding, dat wij het recht nog niet hadden om hem te beschuldigen.

Dien dag begon ik het verhaal van mijne lotgevallen op te schrijven, waardoor ik ze nu met de grootste nauwkeurigheid kan mededeelen. Opmerkenswaardig was het dat ik op papier schreef, hetwelk uit zeegras gemaakt was.

Den 11denNovember bemerkte ik ’s morgens reeds zeer vroeg aan de versche lucht, welke de Nautilus doorstroomde, dat wij weder aan het oppervlak der zee dreven, om onzen voorraad zuurstofhoudende lucht te vernieuwen. Ik ging naar de middeltrap en besteeg het plat. Het was zes uur; het weer was mistig, de zee grauw, maar kalm, bijna geen deining. Zou de kapitein, dien ik daar hoopte te ontmoeten, komen? Ik zag slechts den stuurman in zijne glazen kooi. Ik ging zitten op de kiel der sloep, welke eenigszins uitstak, en ademde met wellust de heerlijke zeelucht in. Langzamerhand trok de mist op door de werking der zonnestralen. De zonneschijf keek boven de oosterkimmen uit; de zee werd vlammend rood gekleurd; de wolken, welke hoog en zeer uit elkander gespreid waren, werden met wondervol afwisselende kleuren getint, en talrijke veeren kondigden wind aan voor den geheelen dag, doch wat maakte wind uit voor de Nautilus, die stormen zelfs niet konden verschrikken! Ik bewonderde dus dezen schoonen, vroolijkenzonsopgang, toen ik iemand op het plat hoorde komen. Ik wilde reeds den kapitein groeten, toen ik zag dat het zijn tweede stuurman was. Hij deed eenige schreden voorwaarts op het plat, zonder mij schijnbaar althans op te merken. Met een grooten kijker in de hand keek hij met een buitengewone aandacht naar alle punten van den gezichteinder; toen hij dit gedaan had, ging hij naar het luik, en sprak den volgenden volzin uit; ik heb dien onthouden, omdat hij alle morgen onder dezelfde omstandigheden herhaald werd; hij luidde aldus; “Nautron respoc lorni virch.” Wat het beteekende zou ik niet kunnen zeggen. Toen de man dit gezegd had, ging hij weer naar beneden; ik dacht dat de Nautilus zijne onderzeesche vaart weder zou aanvangen; ik ging dus naar het luik en kwam door de gang weder in mijne kamer.

Vijf dagen gingen aldus voorbij, zonder dat de toestand veranderde, Iederen morgen ging ik op het plat; dezelfde volzin werd telkens door denzelfden persoon uitgesproken. Dekapiteinverscheen niet. Ik had mijne partij gekozen om hem niet meer te zien, toen ik den 16denNovember met Ned en Koenraad in mijne kamer terugkeerende, op de tafel een brief aan mijn adres zag liggen. Ik brak dien met ongeduld open, hij was met eeneduidelijkehand, doch met eenigszins gothische letters geschreven: dit schrift herinnerde aan de hoogduitsche type.

Deze brief luidde aldus:

“Aan den hoogleeraarAronnax,“aan boord van de Nautilus.“16 November 1867.“Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij, welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen, terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem vergezellen.“De kapitein van de Nautilus,“Nemo.”

“Aan den hoogleeraarAronnax,

“aan boord van de Nautilus.

“16 November 1867.

“Kapitein Nemo noodigt mijnheer Aronnax uit voor eene jachtpartij, welke morgen in de bosschen van het eiland Crespo zal plaats hebben. Hij hoopt dat niets hem zal verhinderen deze bij te wonen, terwijl hij met genoegen zien zal dat zijne beide makkers hem vergezellen.

“De kapitein van de Nautilus,

“Nemo.”

“Eene jachtpartij!” riep Ned.

“En in de bosschen van het eiland Crespo?” voegde Koenraad er bij.

“Maar hij gaat dan toch aan land?” hervatte Ned.

“Ik geloof dat dit vrij duidelijk is,” zeide ik, den brief nog eens lezende.

“Welnu, wij moeten aannemen,” zeide Ned. “Als wij eens vasten grond onder de voeten hebben, dan zullen wij wel over een besluit raadplegen; overigens zal ik er niet rouwig om zijn, als ik eens eenige brokken versch wild tusschen de tanden krijg.”

Ik trachtte niet eens eenig verband te vinden tusschen den duidelijken afkeer van kapitein Nemo voor eenig land, en zijne uitnoodigingtot eene boschjacht, en antwoordde dus: “Laat ons eerst eens zien wat eiland Crespo is.”

Ik deed het maal eer aan.Ik deed het maal eer aan.

Ik deed het maal eer aan.

Ik bekeek de kaart en vond op 32° 40′ N.B. en 167° 50′ O.L. eeneilandje, dat in 1801 door kapitein Crespo terug gevonden werd, op oude Spaansche kaarten komt het voor als Racca de la Plata; hetwelk “Zilverrots” beteekent. Wij waren dus op ongeveer 1800 kilometer verwijderd van de plaats, vanwaar wij waren uitgegaan, terwijl de Nautilus haar koers eenigszins gewijzigd had en ons naar het zuidoosten voerde. Ik wees mijne lotgenooten deze kleine rots; welke vergeten in ’t midden van de Stille Zuidzee lag.

“Indien kapitein Nemo soms aan land gaat,” zeide ik, “dan kiest hij ten minste eilanden die volkomen verlaten zijn.”

Ned Land schudde het hoofd zonder te antwoorden, en ging met Koenraad weg. Na het souper, dat de hofmeester mij stilzwijgend en onverschillig als altijd voorzette, legde ik mij niet zonder eenige bezorgdheid te rusten.

Den volgenden dag, 17 November, voelde ik bij mijn ontwaken, dat de Nautilus onbeweeglijk stil lag; ik kleedde mij haastig aan, en ging naar de zaal; daar wachtte mij kapitein Nemo. Hij stond op, groette mij, en vroeg of het ons aangenaam was hem te vergezellen. Daar hij niets zeide van zijne achtdaagsche afwezigheid; paste ik wel op er niet over te spreken, en antwoordde eenvoudig, dat mijne makkers en ik gereed waren hem te volgen.

“Alléén mijnheer,” voegde ik er bij, “zij het mij vergund u eene vraag te doen.”

“Ga uw gang, mijnheer Aronnax, en als ik haar kan beantwoorden, zal ik het doen.”

“Welnu, kapitein, hoe komt het dan dat gij, die alle betrekking met het land hebt afgebroken, bosschen op het eilandCrespobezit?”

“Mijnheer de professor,” antwoordde de kapitein, “de bosschen welke ik bezit hebben licht, noch warmte van de zon noodig. Er zijn geen leeuwen of tijgers, geen panters of andere viervoetige dieren; ik ken ze alléén; zij groeien slechts voor mij; het zijn geene bosschen op het land, maar onder de zee.”

“Onderzeesche bosschen!” riep ik uit.

“Zooals gij zegt, mijnheer.”

“En gij wilt er mij in brengen?”

“Juist.”

“En te voet?”

“Zelfs droogvoets.”

“En op de jacht?”

“Ja!”

“Met het geweer in de hand?”

“Met het geweer in de hand.”

“Ik keek den kapitein van de Nautilus aan met een gezicht, dat alles behalve vleiend voor zijn persoon was. Ik dacht dat zijne hersens gekrenkt waren, dat hij een aanval van waanzin gehad had, die acht dagen en dat die zelfs nog voortduurde. Het is jammer;ik had toch liever met zijne vreemdsoortige eigenaardigheden te doen, dan met een gek!

Waarschijnlijk kon de kapitein deze gedachten duidelijk op mijn gelaat lezen, doch hij vergenoegde zich met mij te verzoeken hem te volgen, en ik deed dit als iemand die op alles voorbereid is. Wij kwamen in de eetzaal, waar het ontbijt gereed stond. “Mijnheer Aronnax,” zeide de kapitein, “ik verzoek u met mij te willen ontbijten; dan kunnen wij op ons gemak praten. Ik heb u wel eene wandeling door de bosschen beloofd, maar volstrekt niet gezegd dat gij daar eenige restauratie zoudt vinden. Ontbijt dus als iemand die eerst zeer laat dineeren zal.”

Ik deed het maal eer aan; het bestond weder uit verschillende vischsoorten en zeeplanten. Wij dronken daarbij zuiver water, waarin ik, op des kapiteins voorbeeld eenige droppels van een gistenden drank voegde, welke op de Kamtschatdaalsche wijze uit een soort van zeewier (rhodomenia palmaea) bereid was. De kapitein at zonder een woord te spreken; toen hij gedaan had, zeide hij:

“Mijnheer de professor, toen ik u voorstelde om eene jacht in de bosschen van Crespo bij te wonen, hebt gij gemeend dat ik met mij zelven in tegenspraak was. Toen ik u vertelde dat er sprake was van onderzeesche bosschen, dacht gij dat ik gek was. Men moet de menschen nooit zoo lichtzinnig beoordeelen, mijnheer.”

“Maar kapitein, gij zult toch niet gelooven, dat....”

“Hoor mij aan, mijnheer, en gij zult kunnen beoordeelen of gij mij voor gek, of in tegenspraak met mij zelven moet houden.”

“Ik luister.”

“Gij weet even goed als ik, mijnheer, dat de mensch onderwater leven kan als hij maar een voorraad lucht met zich mede voert. Bij werken onder water wordt den werkman, die een ondoordringbaar kleed aan, en een metalen helm op het hoofd heeft, lucht toegevoerd door middel van perspompen en afvoerbuizen.”

“Dat zijn scaphanders,” zeide ik.

“Juist, maar op de door mij omschreven wijze is de mensch niet vrij, hij is vastgehecht aan de pomp, welke hem door eene buis van caoutchouc lucht toevoert; het is als ’t ware een keten, die hem aan het land vasthecht, en indien wij op die wijze aan de Nautilus zaten vastgebonden zouden wij niet ver kunnen gaan.”

“En hoe kunnen wij ons dan vrij bewegen?” vroeg ik.

“Door het gebruik maken van het toestel van Rouquayrol en Denayrouze, door twee uwer landgenooten uitgevonden, maar dat ik voor mijn gebruik gewijzigd heb; daarmede zult gij u onder water kunnen wagen zonder dat gij daarvan iets nadeeligs ondervindt. Het is een bak van dik geslagen ijzer, waarin ik de lucht onder eene drukking van vijftig atmosferen te zamen pers; die bak wordt even als een ransel door een paar draagbanden op den rugvastgemaakt. Het bovenste gedeelte bevat eene ruimte, waaruit de lucht, welke door kleppen wordt teruggehouden, niet anders dan onder hare gewone spanning kan ontsnappen. Aan het toestel van Rouquayrol, zooals het gewoonlijk gebruikt wordt, zijn twee buizen van caoutchouc verbonden, welke uit de beschreven ruimte naar een soort van trechter loopen, waarin mond en neus vervat zijn; de eene dient om er levenslucht door in te ademen, de andere om de verbruikte lucht uit te ademen; de openingen van die buizen kan men naar verkiezing met de tong openen of sluiten. Omdat ik, in de diepte der zee soms aan zeer groote drukking van het water boven mij ben blootgesteld, heb ik het hoofd met een koperen helm moeten omsluiten waaraan de twee in- en uitademingsbuizen zijn vastgehecht.”

“Juist, kapitein; maar de medegevoerde lucht moet, dunkt mij, spoedig verbruikt zijn, en zoodra zij nog maar 15 pCt. zuurstof bevat, is zij bedorven.”

“Zonder twijfel, doch ik heb u gezegd, mijnheer Aronnax, dat de pompen van de Nautilus de lucht onder verbazenden druk kunnen samenpersen, zoodat de ijzeren vergaarbak lucht genoeg bevat voor 9 of 10 uur.”

“Ik heb niets meer te zeggen,” antwoordde ik, “alleen nog deze vraag: hoe krijgt gij licht op groote diepten?”

“Met den klos van Ruhmkorff, mijnheer. Het eerste toestel draag ik op den rug, het laatste aan den gordel. Het bestaat uit een Bunsens element, dat ik met sodium vervaardig, hetwelk de zee overvloedig oplevert. Een inductietoestel verzamelt de voortgebrachte electriciteit, en brengt die in eene lantaarn van bijzonder maaksel.

“In die lantaarn is een glazen buis, welke koolstofgas bevat; als het toestel in werking is, dan begint dit gas te lichten en geeft een aanhoudenden en witten schijn; zoo adem, en zoo zie ik.”

“Gij geeft op al mijne vragen zulke afdoende antwoorden, kapitein, dat ik niet meer durf te twijfelen. Doch als ik moet gelooven aan uwe toestellen van Rouquayrol en Ruhmkorff, dan twijfel ik toch nog aan het geweer, waarmede gij mij wilt wapenen.”

“Het is geen gewoon geweer met kruit en lood,” antwoordde de kapitein.

“Is het dan een windgeweer?”

“Zonder twijfel. Hoe wilt gij dat ik bij mij aan boord kruit maak, daar ik salpeter, zwavel, noch kool bezit?”

“Bovendien,” zeide ik, “gij zoudt een ontzaglijken weerstand moeten overwinnen om te schieten in de vloeistof, welke 855 maal dichter dan de lucht is.”

“Dat zou geene afdoende reden zijn. Er zijn kanonnen door de Engelschen Philippe Coles en Burley, door den Franschman Furcy; en door den Italiaan Landi uitgevonden en volmaakt, met een bijzonder stelsel van slot, waarmede men onder water kan schieten;doch ik herhaal het u, nu ik geen kruit heb, heb ik dit vervangen door samengeperste lucht, welke de pompen van de Nautilus mij in overvloed verschaffen.”

Gereed om te vertrekken.Gereed om te vertrekken.

Gereed om te vertrekken.

“Die lucht moet toch spoedig verbruikt zijn!”

“Wat zou dat? Heb ik dan niet het toestel van Rouquayrol? Ik heb slechts een buis aan te schroeven en een kraanopen te maken. Bovendien mijnheer Aronnax, zult gij zien, dat men bij die onderzeesche jachtpartijen weinig lucht en kogels noodig heeft.”

“Toch dunkt mij, dat in die halve duisternis en in die slecht doordringbare vloeistof een schot niet ver kan dragen of doodelijk zijn.”

“Met dit geweer, mijnheer, zijn alle schoten doodelijk; zoodra een dier slechts hoe licht ook gewond is, valt het als van den bliksem getroffen dood neder.”

“Waarom?”

“Omdat het geene gewone kogels zijn, maar kleine glazen bolletjes, door den Oostenrijkschen scheikundige Leniebrock uitgevonden, en waarvan ik een aanzienlijken voorraad heb; zij zijn met ijzer omkleed, terwijl er een klein stukje lood aan bevestigd is; het zijn, als ’t ware, kleine Leidsche flesschen waarin de electriciteit tot op groote spanning is opeengehoopt. Bij den geringsten schok ontladen zij zich, en het dier, hoe groot het ook zij, valt onmiddellijk dood. Ik voeg er nog bij dat die kogeltjes niet grooter zijn dan hagel van No4, en dat eene gewone geweerlading er een tiental kan bevatten.”

“Ik maak geene opmerkingen meer,” antwoordde ik opstaande, “ik heb mijn geweer slechts op te nemen; overigens ga ik, waar gij gaat, kapitein.”

Nemo bracht mij naar het achterste gedeelte van de Nautilus; toen wij voorbij de hut van Ned Land en Koenraad gingen, riep ik hen om ons te volgen. Daarna kwamen wij in eene hut aan bakboordzijde, dicht bij de machinekamer, waar wij ons jachtkostuum moesten aandoen.

Jachtavonturen.Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte de wandelaars.Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan te schieten.“Maar mijn beste Ned,” zeide ik hem, “de bosschen van Crespo zijn slechts onderzeesche bosschen.”“Goed,” mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van versch vleesch in rook zag verdwijnen. “Gaat gij die dingen aantrekken, mijnheer Aronnax?”“Ik moet wel, Ned.”“Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer,” antwoordde de harpoenier, terwijl hij de schouders ophaalde, “maar wat mij aangaat, buiten noodzaak steek er nooit een vin in.”“Men zal u niet noodzaken, Ned,” zeide de kapitein.“En zal Koen zich wagen?” vroeg Ned.“Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat,” antwoordde Koenraad.Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting, de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de beweging der hand in geenen deele hinderden.Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18eeeuw uitgevonden en zoo geprezen werden.De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene verbazende kracht moestbezitten, Koenraad en ik hadden weldra de scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht, welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten.“Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein,” zeide ik.“Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?”“Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter onder water, en wij behoeven slechts te gaan.”“Maar hoe komen wij er uit?”“Dat zult gij zien.”De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden, terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat, begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken, en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken; maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur, welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons, en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee.En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen?De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm, waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote vrijheid in mijne bewegingen.De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door, en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde, was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.Eene monsterachtige zeespin.Eene monsterachtige zeespin.Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijkehelderheid terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker, dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het volle daglicht.Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht; maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder licht ons den weg naar boord aanwijzen.Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds werd uitgewischt.Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de schoonste zoöphyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt, ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel, oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte, met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan; zeker was die brave jongen bij die massa zoöphyten en molusken weder aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was; daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om op te loopen, enkonden met de zachtste, door menschenhanden geweven tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste diepten van den Oceaan gevonden werden.Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten; het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred, hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht, en het plant zich met viervoudige snelheid voort.Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding, waaraan ik zóo weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen.Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd, zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen.Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa, welke op kleinen afstand in de schemering te zien was.“Dit is het bosch van het eiland Crespo,” dacht ik, en ik bedroog mij niet.

Deze hut was letterlijk gesproken het arsenaal en de kleedkamer van de Nautilus. Een dozijn scaphanders hing langs de wanden en wachtte de wandelaars.

Toen Ned Land ze zag, toonde hij zichtbaar weerzin om er een aan te schieten.

“Maar mijn beste Ned,” zeide ik hem, “de bosschen van Crespo zijn slechts onderzeesche bosschen.”

“Goed,” mompelde de teleurgestelde harpoenier, die zijne droomen van versch vleesch in rook zag verdwijnen. “Gaat gij die dingen aantrekken, mijnheer Aronnax?”

“Ik moet wel, Ned.”

“Gij kunt doen wat gij wilt, mijnheer,” antwoordde de harpoenier, terwijl hij de schouders ophaalde, “maar wat mij aangaat, buiten noodzaak steek er nooit een vin in.”

“Men zal u niet noodzaken, Ned,” zeide de kapitein.

“En zal Koen zich wagen?” vroeg Ned.

“Wel zeker, ik volg mijnheer, waar hij ook gaat,” antwoordde Koenraad.

Op bevel des kapiteins, kwamen twee matrozen ons helpen om die zware ondoordringbare kleederen aan trekken. Zij waren van caoutchouc zonder naad, en zoo gemaakt dat zij eene aanzienlijke drukking konden lijden; het was als het ware eene buigzame en sterke wapenrusting, de kleederen vormden broek en buis aan elkander; de broek eindigde in zware schoenen met dikke looden zolen. Het buis was van binnen gevoerd met koperen banden, opdat de borst en dus de ademhaling vrij zou blijven; de mouwen eindigden in buigzame handschoenen, welke de beweging der hand in geenen deele hinderden.

Deze volmaakte scaphanders verschilden, zooals men ziet hemelsbreed van die gebrekkige duikertoestellen, welke in de 18eeeuw uitgevonden en zoo geprezen werden.

De kapitein, een van zijn volk, een soort van Hercules, die eene verbazende kracht moestbezitten, Koenraad en ik hadden weldra de scaphanders aan. Wij behoefden nog slechts den koperen helm op te zetten, doch voor ik dit deed, vroeg ik den kapitein verlof om de geweren eens te zien, welke wij mede zouden nemen. Een van de matrozen gaf mij daarop een geweer, welks kolf van staal gemaakt, geheel hol en vrij groot was. Dit was de bewaarplaats van samengeperste lucht, welke door een klep, die met eene veer in beweging werd gebracht, in den loop ontsnappen kon. In de kolf was ook een kogeldoosje, dat een twintigtal electrieke kogeltjes bevatte, welke eveneens door middel eener veer van zelf in den loop konden worden gebracht; als er een schot gelost was, kon men dus aanstonds weer schieten.

“Dit wapen is volmaakt en gemakkelijk te hanteeren, kapitein,” zeide ik.

“Ik verlang om het te gebruiken. Maar hoe zullen wij in zee komen?”

“Op dit oogenblik, mijnheer de professor, ligt de Nautilus tien meter onder water, en wij behoeven slechts te gaan.”

“Maar hoe komen wij er uit?”

“Dat zult gij zien.”

De kapitein zette zijn helm op, welk voorbeeld Koen en ik volgden, terwijl wij nog hoorden dat de harpoenier ons spottenderwijze een goede jacht toewenschte. Ons kleed eindigde van boven in een koperen kraag, waarop de helm kon worden vastgeschroefd. Drie gaten met dik glas voorzien lieten het uitzicht naar alle kanten vrij, als men het hoofd binnen den helm slechts omdraaide. Zoodra de helm vast zat, begon het toestel van Rouquayrol, dat ik op den rug had, te werken, en wat mij aangaat, ik ademde geheel vrij. Met de lamp aan den gordel en het geweer in de hand was ik gereed om te vertrekken; maar om ronduit te spreken in die zware kleederen opgesloten en door mijn looden zolen als aan den grond genageld, kon ik onmogelijk een stap doen. Dit was evenwel voorzien, en ik voelde mij naar een klein vertrek naast de kleedkamer voortduwen. Mijne makkers volgden mij evenzoo voortgetrokken. Ik hoorde een met sluitstukken voorziene deur achter ons dicht gaan, en eene diepe duisternis omringde ons. Na eenige minuten hoorde ik een scherp gefluit; ik voelde iets kouds langs mijne beenen naar boven stijgen; ik begreep dat men door eene kraan het zeewater in dit vertrek liet dringen, en weldra was de ruimte er geheel mede gevuld; toen opende zich een tweede deur, welke op zijde in de Nautilus gemaakt was; een schemerlicht omgaf ons, en weinige oogenblikken later stonden wij op den bodem der zee.

En hoe zou ik nu den indruk kunnen weergeven van die wandeling onder water? Woorden zijn onmachtig om zulke wonderen te vertellen! Als het penseel zelfs niet in staat is om het schoone van het vloeibare element te schilderen, hoe zou de pen het dan kunnen doen?

De kapitein liep vooruit, en zijn makker volgde ons op eenige schreden afstands. Koen en ik bleven dicht bij elkander, alsof wij door onze helmen heen met elkander hadden kunnen praten. Ik voelde niets meer van de zwaarte van kleederen, schoeisel, luchtbak of helm, waarin mijn hoofd ronddraaide als een amandel in haar bast. Al die voorwerpen verloren een gedeelte van hun gewicht, gelijkstaande met de massa water welke zij verplaatsen, zoodat ik gelegenheid had om de voortreffelijkheid der wet van Archimedes te ondervinden. Ik was geen werkeloos lichaam, maar genoot integendeel een betrekkelijk groote vrijheid in mijne bewegingen.

De kracht van het licht, dat den grond tot op tien meter onder water bescheen, verwonderde mij; de zonnestralen drongen gemakkelijk door, en losten de kleur van het zeewater op; ik onderscheidde voorwerpen op honderd meter afstand; wat verder lag werd onduidelijk door tinten en ultramarijn, en nog verder verloor het zich in een ondoorschijnend blauw, dat eindigde in een zeker duister. Het water, dat mij omringde, was inderdaad slechts eene soort van lucht, wel dichter dan de aardsche dampkring, doch even doorschijnend. Boven mij zag ik het kalme zeevlak.

Eene monsterachtige zeespin.Eene monsterachtige zeespin.

Eene monsterachtige zeespin.

Wij gingen over een gelijken bodem van fijn zand, waarin geene rimpels waren, zooals men dat op het strand door de branding ziet gebeuren. Die hagelwitte grond kaatste de zonnestralen met verwonderlijkehelderheid terug. Van daar dat krachtige licht, dat in alle deelen der zee doordrong. Ik betwijfel het of men mij zal gelooven als ik verzeker, dat ik op eene diepte van tien meter even helder zag als in het volle daglicht.

Gedurende een kwartier liep ik over dat witte zand, hetwelk met millioenen kleine schelpen bezaaid was. Langzamerhand verdween de Nautilus, welke op eene langwerpige klip geleek, uit het gezicht; maar als het donker werd zou de electrieke lantaarn door haar helder licht ons den weg naar boord aanwijzen.

Wij gingen echter steeds voort, en de uitgestrekte zandvlakte scheen grenzeloos te zijn; met de hand joeg ik nu en dan het water voor mij uit, hetwelk zich echter terstond achter mij sloot, terwijl de indruk van mijne voetstappen door den druk van het water aanstonds werd uitgewischt.

Weldra begon ik eenige voorwerpen te zien, welker vorm door den afstand nog niet duidelijk was geweest. Ik herkende prachtige rotsen met de schoonste zoöphyten bedekt, doch daarbij trof mij eene zonderlinge uitwerking van het licht. Het was toen ongeveer tien uur in den morgen. De stralen der zon vielen vrij schuin op zee, het licht werd door terugkaatsing, evenals wanneer het door een prisma valt, ontbonden, zoodat bloemen, rotsen, planten, schelpen, polypen, kortom alles met de zeven kleuren van het zonnespectrum schitterde. Het was een wonder, verrukkelijk voor het oog, die dooreenmenging en schakeering van kleuren, een ware kaleidoskoop van groen, geel, oranje, paarsch, blauw, in een woord het geheele palet van een dollen schilder! Hoezeer speet het mij, dat ik aan Koenraad mijne levendige indrukken niet kon mededeelen, en dat ik met hem niet kon wedijveren in uitroepen van verbazing! Waarom kon ik niet, evenals kapitein Nemo met zijn makker, door teekens mijne gedachten mededeelen! Bij gebrek aan beter praatte ik dus maar tot mij zelven; ik schreeuwde in de koperen doos, waarin mijn hoofd besloten was, en gebruikte, met mijne ijdele woorden mogelijk meer lucht dan ik mocht.

Koenraad was bij dit prachtig schouwspel evenals ik blijven stilstaan; zeker was die brave jongen bij die massa zoöphyten en molusken weder aan het rangschikken; duizenden soorten van planten en dieren toch lagen op den bodem, en het speet mij telkens als ik schoone exemplaren er van plattrapte; doch wij moesten vooruit; wij gingen te midden van al die wonderen voort, ik mocht mij nauwelijks een oogenblik ophouden, want ik volgde den kapitein, die mij telkens met een wenk riep. Weldra veranderde de aard van den bodem; op de zandvlakte volgde een laag kleverige modder, die uit kalkschelpen ontstaan was; daarop gingen wij door eene weide van zeegras en zwamplanten van wonderlijke groeikracht. Deze dichtbegroeide perken waren zacht om op te loopen, enkonden met de zachtste, door menschenhanden geweven tapijten wedijveren. Maar terwijl het groen onder onze voeten zich uitspreidde, was het ook boven ons hoofd te vinden; er vormde zich nu en dan als een prieel van zeeplanten, welke allen tot de grassen behoorden, waarvan men meer dan duizend soorten kent; de kleuren der planten waren ook verschillend, waarbij ik opmerkte, dat de groene planten meer tot de oppervlakte der zee naderden, terwijl de roode op eene middelmatige diepte, en de zwarte of bruine in de grootste diepten van den Oceaan gevonden werden.

Wij hadden voor ongeveer anderhalf uur de Nautilus verlaten; het was bij twaalven; ik bemerkte het aan den loodrechten stand der zonnestralen, welke niet meer gebroken werden. Het wondervolle kleurenspel verdween langzamerhand; wij liepen met regelmatigen tred, hetwelk met wonderbare duidelijkheid op den bodem weerklonk. Het minste geluid werd met eene snelheid overgeplant, waaraan men op aarde niet gewoon is; inderdaad geleidt het water het geluid beter dan de lucht, en het plant zich met viervoudige snelheid voort.

Op dit oogenblik daalde de bodem vrij snel; het licht verminderde. Wij bereikten eene diepte van honderd meter, en liepen onder eene drukking van tien atmosferen; doch mijne kleeding was zoo gemaakt dat ik van die drukking niets gevoelde; alleen bemerkte ik zekere belemmering in het gebruik mijner vingers, doch dit verdween spoedig, en hoewel ik vermoeid moest zijn van eene wandeling van twee uur in eene kleeding, waaraan ik zóo weinig gewoon was, gevoelde ik daarvan bijna niets. Door het water geholpen, kon ik mij met bijzonder gemak bewegen.

Op deze diepte van honderd meter zag ik de zonnestralen nog, maar zwak. Op den helderen glans was eene rosachtige schemering gevolgd, zoo wat gelijkende op iets dat tusschen dag en nacht in was. Toch zagen wij nog genoeg om voort te kunnen gaan, en het was nog niet noodig om onze lichttoestellen in werking te brengen.

Op dit oogenblik stond kapitein Nemo stil; hij wachtte tot dat ik bij hem was, en toen wees hij mij met den vinger eene donkere massa, welke op kleinen afstand in de schemering te zien was.

“Dit is het bosch van het eiland Crespo,” dacht ik, en ik bedroog mij niet.

Een onderzeesch woud.Eindelijk waren wij aan den rand gekomen van het woud, datzeker een der schoonsten was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover aan als de eerste menschen in de eerste tijden na de schepping op alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesche gebied betwist hebben? Welk ander zou even stoutmoedig als hij met de bijl in de hand het sombere woud zijn komen ontginnen?Dit woud bestond uit groote boomplanten, en zoodra wij er in waren doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door den zonderlingen stand der takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt.Geen van de grassoorten, welke den grond bedekten, geen van de takken, welke uit de struiken te voorschijn groeiden, was bochtig of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar het zeeoppervlak; geen sprietjes, geen takjes, zoo dun, of zij waren recht als ijzeren staven en draden. Het zeewier en het riet groeiden lijnrecht naar boven; als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen die planten onmiddellijk haar vorigen stand. Hier scheen het rijk van de rechtstandigheid te zijn.Weldra raakte ik gewoon aan dien zonderlingen stand der gewassen, evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeielijk konden vermijden. De onderzeesche flora scheen mij hier vrij volledig te zijn en zelfs rijker dan zij het in noordelijke of keerkringsstreken was. Doch gedurende eenige minuten warde ik planten en dieren dooreen; en wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daar de fauna en de flora elkander in die onderzeesche wereld zoo nabij komen.Ik zag dat al die voortbrengselen van het plantenrijk slechts even aan de oppervlakte van den bodem gehecht waren; zonder wortels, bijna niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen zij aan zand of steen, aan schelp of hoorn slechts een steunpunt en geen levenskracht; die planten groeien slechts uit zich zelf, en het beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt en voedt. De meeste planten hadden in plaats van bladeren, langwerpige stelen van grilligen vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd waren, namelijk het rozenrood, karmijn, groen, de olijf kleur, het vaal en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van planten en zoöphyten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig natuuronderzoeker eens konuitroepen: “Zonderlinge tegenstrijdigheid, wonderlijk element, waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt, en het plantenrijk geen bloemen heeft!”De kapitein hield plotseling stil.De kapitein hield plotseling stil.Tegen één uur gaf de kapitein een teeken om halt te houden. Ik was er zeer blijde om, en wij strekten ons onder een soort van prieel op den grond uit. Dit oogenblik rust scheen mij heerlijktoe; wij misten slechts het genoegen om met elkander te kunnen praten; maar dit was onmogelijk; ik kwam met mijn grooten koperen helm slechts even tegen dien van Koenraad aan; ik zag deoogen van den braven jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij ten teeken van vreugde zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewoog.Na vier uur gewandeld te hebben, was ik verwonderd geen ergen honger te gevoelen. Waardoor deze zonderbare toestand van de maag ontstond, zou ik niet kunnen zeggen; maar daarentegen had ik een onoverkomelijken lust tot slapen, zooals dit met alle duikers het geval is. Mijne oogen sloten zich weldra, en ik viel in een diepen slaap, welken de beweging van het loopen alléén had kunnen beletten. Kapitein Nemo en zijn makker strekten zich ook op den grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld.Hoe lang ik bleef slapen, kan ik niet zeggen; doch toen ik wakker werd, scheen het mij toe, dat de zon naar den gezichteinder neigde. Kapitein Nemo was reeds opgestaan en ik begon mij uit te rekken, toen eene onverwachte verschijning mij eensklaps overeind joeg.Op eenige schreden afstands keek eene monsterachtige zeespin van een meter hoog mij met hare loensche oogen aan, gereed om zich op mij te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen den beet van dit dier te beveiligen, kon ik eene beweging van afgrijzen niet onderdrukken. Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat oogenblik wakker. De kapitein wees zijnen makker het afschuwelijke beest, dat door een kolfslag werd geveld, en ik zag het monster de afgrijselijke pooten in vreeselijke stuiptrekkingen wringen.Deze ontmoeting deed mij er op bedacht zijn dat andere, vrij wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewoonden, en dat mijn scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen. Ik had er tot op dit oogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijne hoede te zijn. Overigens veronderstelde ik, dat deze rust het einde onzer wandeling aanwees, maar ik bedroog mij, en in plaats van naar de Nautilus terug te keeren, vervolgde de kapitein zijn stoutmoedigen tocht.De bodem helde voortdurend, zoodat wij nog grooter diepten bereikten; het zal omstreeks drie uur geweest zijn, toen wij in eene nauwe vallei tusschen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onzer kleeding en toestellen, waren wij dus 90 meter dieper afgedaald, dan de natuur tot nog toe den mensch bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik zeg 150 meter, hoewel ik dit met geen enkel werktuig kan bewijzen; maar ik weet, dat zelfs in het helderste zeewater de zonnestralen niet dieper kunnen doordringen. En juist nu begon hier ondoordringbare duisternis te heerschen. Op geen tien pas afstands konden wij eenig voorwerp onderscheiden; ik liep dus op den tast, toen ik plotseling een vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn electriek toestel in werkinggebracht; zijn makker volgde zijn voorbeeld, evenals Koenraad en ik; door een schroefje om te draaien, bracht ik de klos met de glazen buis in gemeenschap, en de zee werd door onze vier lantaarns in een omtrek van 25 meter helder verlicht.Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud, waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd; ik merkte op dat de planten eerder ophielden dan de dieren, en dat, terwijl de bodem bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van allerhande soort door elkander krioelde.Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen eenige bewoners dier sombere diepten naar ons toe moesten lokken; maar als zij ons al naderden, bleven zij toch op een te grooten afstand om er jacht op te maken. Verscheiden malen zag ik kapitein Nemo aanleggen, maar telkens liet hij het geweer weder zakken en vervolgde zijne wandeling.Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onzen merkwaardigen tocht. Een muur van schoone rotsen van indrukwekkende gedaante verhief zich voor ons reusachtige blokken graniet waren hier op elkander gestapeld, met vele donkere holen daartusschen, doch nergens was eene plaats te vinden, waar die rotsmuur bestegen kon worden. Het waren de grondvesten van het eiland Crespo; hier was dus land. De kapitein hield plotseling stil; door eene beweging met de hand gebood hij ons hetzelfde te doen en hoe begeerig ik ook was om over of om dien rotswand heen te komen, zoo moest ik toch blijven staan. Hier eindigde het gebied van kapitein Nemo; hij wilde niet verder gaan; deed hij het, dan kwam hij op een gedeelte van den aardbol, dat hij niet meer wilde betreden.Onze terugtocht ving aan; de kapitein stelde zich weder aan ons hoofd, en vervolgde steeds zonder aarzelen zijn weg. Ik meende op te merken, dat wij niet denzelfden weg volgden als straks om de Nautilus weder te bereiken; deze nieuwe weg, die vrij steil, en daardoor zeer moeielijk was, bracht ons spoediger naar de oppervlakte der zee; evenwel was dit stijgen niet zoo snel, dat de druk van het water daardoor plotseling verminderde, waaruit anders nadeelen voor ons lichaam konden ontstaan, zooals maar al te dikwijls bij duikers het geval is. Het daglicht verscheen weder en werd sterker, doch daar de zon ten ondergang neigde, schitterden de voorwerpen door de straalbreking op nieuw in schoone kleurenpracht.Op tien meter diepte gingen wij midden door een zwerm kleine visschen van allerhande soort, veel talrijker dan de vogels in de lucht, en ook vlugger, doch geen enkel stuk waterwild, dat een schot waard was, had zich nog aan ons voorgedaan, toen ik den kapitein plotseling zijn geweer zag aanleggen en daarmede tusschen de waterplanten een beweegbaar voorwerp volgen. Het schot gingaf, ik hoorde een licht gesis, en als door den bliksem getroffen viel op eenige passen vóor ons een dier neder.Het was een prachtige zeeotter, het eenige viervoetige dier dat bepaald de zee bewoont. Het dier was anderhalven meter lang, en waarschijnlijk zeer kostbaar; het vel was op den rug kastanjebruin en aan den buik zilverwit; het was eene prachtige huid, welke op de Russische en Chineesche markten zeer gezocht zou zijn geweest; ik schatte die vacht om hare fijnheid en glans ten minste op 2000 frank. Ik bekeek dit zonderlinge zoogdier nauwkeurig; het had een ronden kop, korte oortjes, ronde oogen, witte snorren, zooals van een kat, aan de pooten zwemvliezen en nagels, en een dikkenstaart. Dit kostbare vleeschvretende dier, waarop de visschers fel jacht maken, wordt hoe langer hoe zeldzamer, en huist thans voornamelijk in de noordelijke streken van den Grooten Oceaan, waar het mogelijk weldra geheel zal uitsterven.De matroos van de Nautilus nam het dier op, hing het over den schouder en wij vervolgden onzen weg.Gedurende een uur hadden wij eene zandvlakte voor ons; er waren somwijlen hoogten in, die de oppervlakte der zee tot op twee meter naderden. Dan zag ik boven ons hoofd ons beeld zeer nauwkeurig teruggekaatst doch natuurlijk onderste boven; het was een troepje dat onze bewegingen en gebaren volkomen nabootste, doch het ging met de beenen in de lucht en het hoofd naar beneden voorwaarts.Een ander verschijnsel was, dat ik dikwijls dikke wolken zeer snel over ons heen meende te zien drijven; maar toen ik daar over nadacht, begreep ik, dat die wolken slechts ontstonden door de zware golven, wier met schuim bedekte koppen ik uit elkander zag stuiven. Zelfs bemerkte ik van tijd tot tijd het snelle voorbijvliegen van groote vogels, welke over het watervlak schoren.Bij die gelegenheid was ik getuige van een der schoonste schoten, welke ooit een jagershart hebben doen kloppen. Een groote vogel met breede vlucht dreef voor den wind op ons af. De makker van den kapitein legde aan en schoot, toen de vogel nog op eenige meter boven de oppervlakte was; het dier viel getroffen neder dicht bij den behendigen schutter, die zich van zijn buit meester maakte; het was een albatros van de schoonste soort. Onze tocht was door dit voorval niet opgehouden; gedurende twee uur gingen wij over zandvlakten, of weiden van zeegras, waar het loopen moeielijk viel. Om de waarheid te zeggen, ik kon niet meer, toen ik op een halven kilometer afstand een flauw licht in de duisternis zag schemeren. Het was de lantaarn van de Nautilus; binnen twintig minuten moesten wij aan boord zijn, en daar zou ik weder vrij kunnen ademhalen, want het scheen mij toe, dat mijn toestel mij slechts zeer weinig zuurstofhoudende lucht meer toevoerde. Ikrekende evenwel buiten eene ontmoeting, welke onze komst aan boord eenigermate vertraagde.Een groote vogel met breede vlucht.Een groote vogel met breede vlucht.Ik was ongeveer twintig pas achtergebleven, toen ik den kapiteinplotseling naar mij zag toekomen. Met zijne krachtige hand drukte hij mij op den grond, zooals zijn metgezel het Koenraad deed. Eerst wist ik niet wat van dien plotselingen aanval te denken, doch werd gerust gesteld, toen ik zag dat de kapitein naast mij ging liggen en onbeweeglijk bleef. Zoo lagen wij achter een bos zeegras uitgestrekt, toen ik het hoofd eens even ophief, en eene verbazend groote gedaante met veel geplas over ons zag heengaan, welke een lichtglans van zich gaf. Mijn bloed stolde mij in de aderen, want ik had de groote haaien herkend, welke ons bedreigden. Het waren een paar tintoreas, vreeselijke zeemonsters met grooten staart, en een dof en glazig oog, die uit de gaatjes rondom hun bek eene lichtende stof afscheidden. Het zijn monsterachtige lichtvliegen, die een mensch tusschen hunne ijzeren kaken in eens verpletteren! Ik weet niet of Koenraad bezig was ze in eene zekere klasse te ordenen, doch ik bekeek, wat mij aangaat, hun zilverkleurigen buik, hun vreeselijken muil, vol scherpe tanden, minder met een wetenschappelijk doel; en ik deed het eerder als slachtoffer dan als natuuronderzoeker.Gelukkig zien die vraatzuchtige dieren zeer slecht. Zij zwommen voorbij, zonder ons te zien, waarbij zij met hunne bruinachtige zwemvliezen rakelings over ons heen gingen, zoodat wij als door een wonder aan een gevaar ontsnapten, dat zeker veel erger was dan de ontmoeting met een tijger in het dichtste van het woud.Een half uur daarna bereikten wij, door het electrieke licht van de Nautilus geleid, het vaartuig. De buitendeur was open gebleven, en de kapitein sloot haar zoodra wij binnen waren; daarna drukte hij op een knop; ik hoorde de pompen in het vaartuig zich in beweging stellen, ik voelde het water rondom mij weg loopen, en binnen weinige oogenblikken was de cel ledig; de binnendeur werd open gedaan en wij traden de kleedkamer binnen. Daar werden wij niet zonder moeite van onze scaphanders bevrijd, en dood af, van vermoeienis en slaap bijna in elkander zakkende, ging ik naar mijne hut nog verbaasd over den wondervollen tocht in de diepten der zee.

Eindelijk waren wij aan den rand gekomen van het woud, datzeker een der schoonsten was van het uitgestrekte gebied van kapitein Nemo. Hij beschouwde het als het zijne, en matigde zich dezelfde rechten daarover aan als de eerste menschen in de eerste tijden na de schepping op alles hadden. Wie zou hem bovendien het bezit van dit onderzeesche gebied betwist hebben? Welk ander zou even stoutmoedig als hij met de bijl in de hand het sombere woud zijn komen ontginnen?

Dit woud bestond uit groote boomplanten, en zoodra wij er in waren doorgedrongen, werd mijn blik getroffen door den zonderlingen stand der takken, iets wat ik nog niet had opgemerkt.

Geen van de grassoorten, welke den grond bedekten, geen van de takken, welke uit de struiken te voorschijn groeiden, was bochtig of krom, of strekte zich horizontaal uit. Alles rees lijnrecht naar het zeeoppervlak; geen sprietjes, geen takjes, zoo dun, of zij waren recht als ijzeren staven en draden. Het zeewier en het riet groeiden lijnrecht naar boven; als ik ze met de hand op zijde duwde, hernamen die planten onmiddellijk haar vorigen stand. Hier scheen het rijk van de rechtstandigheid te zijn.

Weldra raakte ik gewoon aan dien zonderlingen stand der gewassen, evenals aan de betrekkelijke duisternis, welke ons omringde. De grond in het woud was met scherpe blokken bezaaid, welke wij moeielijk konden vermijden. De onderzeesche flora scheen mij hier vrij volledig te zijn en zelfs rijker dan zij het in noordelijke of keerkringsstreken was. Doch gedurende eenige minuten warde ik planten en dieren dooreen; en wie zou zich daarin niet bedrogen hebben, daar de fauna en de flora elkander in die onderzeesche wereld zoo nabij komen.

Ik zag dat al die voortbrengselen van het plantenrijk slechts even aan de oppervlakte van den bodem gehecht waren; zonder wortels, bijna niet samenhangend met het harde lichaam dat haar ondersteunt, vragen zij aan zand of steen, aan schelp of hoorn slechts een steunpunt en geen levenskracht; die planten groeien slechts uit zich zelf, en het beginsel van haar bestaan is te vinden in dit water dat ze ondersteunt en voedt. De meeste planten hadden in plaats van bladeren, langwerpige stelen van grilligen vorm, die slechts met bepaalde kleuren versierd waren, namelijk het rozenrood, karmijn, groen, de olijf kleur, het vaal en bruin. Rondom ons groeide en bloeide de grootste verscheidenheid van planten en zoöphyten, waarbij het mij duidelijk werd waarom een geestig natuuronderzoeker eens konuitroepen: “Zonderlinge tegenstrijdigheid, wonderlijk element, waarin het dierenrijk bloemen voortbrengt, en het plantenrijk geen bloemen heeft!”

De kapitein hield plotseling stil.De kapitein hield plotseling stil.

De kapitein hield plotseling stil.

Tegen één uur gaf de kapitein een teeken om halt te houden. Ik was er zeer blijde om, en wij strekten ons onder een soort van prieel op den grond uit. Dit oogenblik rust scheen mij heerlijktoe; wij misten slechts het genoegen om met elkander te kunnen praten; maar dit was onmogelijk; ik kwam met mijn grooten koperen helm slechts even tegen dien van Koenraad aan; ik zag deoogen van den braven jongen glinsteren van genoegen, terwijl hij ten teeken van vreugde zich in zijn kap op de dwaaste wijze bewoog.

Na vier uur gewandeld te hebben, was ik verwonderd geen ergen honger te gevoelen. Waardoor deze zonderbare toestand van de maag ontstond, zou ik niet kunnen zeggen; maar daarentegen had ik een onoverkomelijken lust tot slapen, zooals dit met alle duikers het geval is. Mijne oogen sloten zich weldra, en ik viel in een diepen slaap, welken de beweging van het loopen alléén had kunnen beletten. Kapitein Nemo en zijn makker strekten zich ook op den grond uit en gaven ons derhalve het voorbeeld.

Hoe lang ik bleef slapen, kan ik niet zeggen; doch toen ik wakker werd, scheen het mij toe, dat de zon naar den gezichteinder neigde. Kapitein Nemo was reeds opgestaan en ik begon mij uit te rekken, toen eene onverwachte verschijning mij eensklaps overeind joeg.

Op eenige schreden afstands keek eene monsterachtige zeespin van een meter hoog mij met hare loensche oogen aan, gereed om zich op mij te werpen. Hoewel mijn kleed dik genoeg was om mij tegen den beet van dit dier te beveiligen, kon ik eene beweging van afgrijzen niet onderdrukken. Koenraad en de matroos van de Nautilus werden op dat oogenblik wakker. De kapitein wees zijnen makker het afschuwelijke beest, dat door een kolfslag werd geveld, en ik zag het monster de afgrijselijke pooten in vreeselijke stuiptrekkingen wringen.

Deze ontmoeting deed mij er op bedacht zijn dat andere, vrij wat verschrikkelijker dieren deze diepte bewoonden, en dat mijn scaphander mij niet altijd tegen hen zou beveiligen. Ik had er tot op dit oogenblik niet over gedacht, maar besloot op mijne hoede te zijn. Overigens veronderstelde ik, dat deze rust het einde onzer wandeling aanwees, maar ik bedroog mij, en in plaats van naar de Nautilus terug te keeren, vervolgde de kapitein zijn stoutmoedigen tocht.

De bodem helde voortdurend, zoodat wij nog grooter diepten bereikten; het zal omstreeks drie uur geweest zijn, toen wij in eene nauwe vallei tusschen twee steile rotswanden op ongeveer 150 meter diepte kwamen. Beschermd door de voortreffelijkheid onzer kleeding en toestellen, waren wij dus 90 meter dieper afgedaald, dan de natuur tot nog toe den mensch bij zijn onderzoek van de zee had veroorloofd. Ik zeg 150 meter, hoewel ik dit met geen enkel werktuig kan bewijzen; maar ik weet, dat zelfs in het helderste zeewater de zonnestralen niet dieper kunnen doordringen. En juist nu begon hier ondoordringbare duisternis te heerschen. Op geen tien pas afstands konden wij eenig voorwerp onderscheiden; ik liep dus op den tast, toen ik plotseling een vrij scherp wit licht zag schitteren. De kapitein had zijn electriek toestel in werkinggebracht; zijn makker volgde zijn voorbeeld, evenals Koenraad en ik; door een schroefje om te draaien, bracht ik de klos met de glazen buis in gemeenschap, en de zee werd door onze vier lantaarns in een omtrek van 25 meter helder verlicht.

Kapitein Nemo drong steeds dieper voorwaarts in het sombere woud, waar de plantengroei langzamerhand zeldzamer werd; ik merkte op dat de planten eerder ophielden dan de dieren, en dat, terwijl de bodem bijna geheel zonder plantentooi was, er een groot aantal dieren van allerhande soort door elkander krioelde.

Onder het voortgaan dacht ik dat onze lampen eenige bewoners dier sombere diepten naar ons toe moesten lokken; maar als zij ons al naderden, bleven zij toch op een te grooten afstand om er jacht op te maken. Verscheiden malen zag ik kapitein Nemo aanleggen, maar telkens liet hij het geweer weder zakken en vervolgde zijne wandeling.

Eindelijk omstreeks vier uur waren wij aan het einde van onzen merkwaardigen tocht. Een muur van schoone rotsen van indrukwekkende gedaante verhief zich voor ons reusachtige blokken graniet waren hier op elkander gestapeld, met vele donkere holen daartusschen, doch nergens was eene plaats te vinden, waar die rotsmuur bestegen kon worden. Het waren de grondvesten van het eiland Crespo; hier was dus land. De kapitein hield plotseling stil; door eene beweging met de hand gebood hij ons hetzelfde te doen en hoe begeerig ik ook was om over of om dien rotswand heen te komen, zoo moest ik toch blijven staan. Hier eindigde het gebied van kapitein Nemo; hij wilde niet verder gaan; deed hij het, dan kwam hij op een gedeelte van den aardbol, dat hij niet meer wilde betreden.

Onze terugtocht ving aan; de kapitein stelde zich weder aan ons hoofd, en vervolgde steeds zonder aarzelen zijn weg. Ik meende op te merken, dat wij niet denzelfden weg volgden als straks om de Nautilus weder te bereiken; deze nieuwe weg, die vrij steil, en daardoor zeer moeielijk was, bracht ons spoediger naar de oppervlakte der zee; evenwel was dit stijgen niet zoo snel, dat de druk van het water daardoor plotseling verminderde, waaruit anders nadeelen voor ons lichaam konden ontstaan, zooals maar al te dikwijls bij duikers het geval is. Het daglicht verscheen weder en werd sterker, doch daar de zon ten ondergang neigde, schitterden de voorwerpen door de straalbreking op nieuw in schoone kleurenpracht.

Op tien meter diepte gingen wij midden door een zwerm kleine visschen van allerhande soort, veel talrijker dan de vogels in de lucht, en ook vlugger, doch geen enkel stuk waterwild, dat een schot waard was, had zich nog aan ons voorgedaan, toen ik den kapitein plotseling zijn geweer zag aanleggen en daarmede tusschen de waterplanten een beweegbaar voorwerp volgen. Het schot gingaf, ik hoorde een licht gesis, en als door den bliksem getroffen viel op eenige passen vóor ons een dier neder.

Het was een prachtige zeeotter, het eenige viervoetige dier dat bepaald de zee bewoont. Het dier was anderhalven meter lang, en waarschijnlijk zeer kostbaar; het vel was op den rug kastanjebruin en aan den buik zilverwit; het was eene prachtige huid, welke op de Russische en Chineesche markten zeer gezocht zou zijn geweest; ik schatte die vacht om hare fijnheid en glans ten minste op 2000 frank. Ik bekeek dit zonderlinge zoogdier nauwkeurig; het had een ronden kop, korte oortjes, ronde oogen, witte snorren, zooals van een kat, aan de pooten zwemvliezen en nagels, en een dikkenstaart. Dit kostbare vleeschvretende dier, waarop de visschers fel jacht maken, wordt hoe langer hoe zeldzamer, en huist thans voornamelijk in de noordelijke streken van den Grooten Oceaan, waar het mogelijk weldra geheel zal uitsterven.

De matroos van de Nautilus nam het dier op, hing het over den schouder en wij vervolgden onzen weg.

Gedurende een uur hadden wij eene zandvlakte voor ons; er waren somwijlen hoogten in, die de oppervlakte der zee tot op twee meter naderden. Dan zag ik boven ons hoofd ons beeld zeer nauwkeurig teruggekaatst doch natuurlijk onderste boven; het was een troepje dat onze bewegingen en gebaren volkomen nabootste, doch het ging met de beenen in de lucht en het hoofd naar beneden voorwaarts.

Een ander verschijnsel was, dat ik dikwijls dikke wolken zeer snel over ons heen meende te zien drijven; maar toen ik daar over nadacht, begreep ik, dat die wolken slechts ontstonden door de zware golven, wier met schuim bedekte koppen ik uit elkander zag stuiven. Zelfs bemerkte ik van tijd tot tijd het snelle voorbijvliegen van groote vogels, welke over het watervlak schoren.

Bij die gelegenheid was ik getuige van een der schoonste schoten, welke ooit een jagershart hebben doen kloppen. Een groote vogel met breede vlucht dreef voor den wind op ons af. De makker van den kapitein legde aan en schoot, toen de vogel nog op eenige meter boven de oppervlakte was; het dier viel getroffen neder dicht bij den behendigen schutter, die zich van zijn buit meester maakte; het was een albatros van de schoonste soort. Onze tocht was door dit voorval niet opgehouden; gedurende twee uur gingen wij over zandvlakten, of weiden van zeegras, waar het loopen moeielijk viel. Om de waarheid te zeggen, ik kon niet meer, toen ik op een halven kilometer afstand een flauw licht in de duisternis zag schemeren. Het was de lantaarn van de Nautilus; binnen twintig minuten moesten wij aan boord zijn, en daar zou ik weder vrij kunnen ademhalen, want het scheen mij toe, dat mijn toestel mij slechts zeer weinig zuurstofhoudende lucht meer toevoerde. Ikrekende evenwel buiten eene ontmoeting, welke onze komst aan boord eenigermate vertraagde.

Een groote vogel met breede vlucht.Een groote vogel met breede vlucht.

Een groote vogel met breede vlucht.

Ik was ongeveer twintig pas achtergebleven, toen ik den kapiteinplotseling naar mij zag toekomen. Met zijne krachtige hand drukte hij mij op den grond, zooals zijn metgezel het Koenraad deed. Eerst wist ik niet wat van dien plotselingen aanval te denken, doch werd gerust gesteld, toen ik zag dat de kapitein naast mij ging liggen en onbeweeglijk bleef. Zoo lagen wij achter een bos zeegras uitgestrekt, toen ik het hoofd eens even ophief, en eene verbazend groote gedaante met veel geplas over ons zag heengaan, welke een lichtglans van zich gaf. Mijn bloed stolde mij in de aderen, want ik had de groote haaien herkend, welke ons bedreigden. Het waren een paar tintoreas, vreeselijke zeemonsters met grooten staart, en een dof en glazig oog, die uit de gaatjes rondom hun bek eene lichtende stof afscheidden. Het zijn monsterachtige lichtvliegen, die een mensch tusschen hunne ijzeren kaken in eens verpletteren! Ik weet niet of Koenraad bezig was ze in eene zekere klasse te ordenen, doch ik bekeek, wat mij aangaat, hun zilverkleurigen buik, hun vreeselijken muil, vol scherpe tanden, minder met een wetenschappelijk doel; en ik deed het eerder als slachtoffer dan als natuuronderzoeker.

Gelukkig zien die vraatzuchtige dieren zeer slecht. Zij zwommen voorbij, zonder ons te zien, waarbij zij met hunne bruinachtige zwemvliezen rakelings over ons heen gingen, zoodat wij als door een wonder aan een gevaar ontsnapten, dat zeker veel erger was dan de ontmoeting met een tijger in het dichtste van het woud.

Een half uur daarna bereikten wij, door het electrieke licht van de Nautilus geleid, het vaartuig. De buitendeur was open gebleven, en de kapitein sloot haar zoodra wij binnen waren; daarna drukte hij op een knop; ik hoorde de pompen in het vaartuig zich in beweging stellen, ik voelde het water rondom mij weg loopen, en binnen weinige oogenblikken was de cel ledig; de binnendeur werd open gedaan en wij traden de kleedkamer binnen. Daar werden wij niet zonder moeite van onze scaphanders bevrijd, en dood af, van vermoeienis en slaap bijna in elkander zakkende, ging ik naar mijne hut nog verbaasd over den wondervollen tocht in de diepten der zee.

De Stille Zuidzee.Den volgenden dag, 18 November, was ik van mijne vermoeienis van den vorigen dag geheel bekomen, ik besteeg het plat van deNautilus, op het oogenblik dat de tweede stuurman zijne dagelijksche formule uitsprak. Ik verbeeldde mij toen, dat dit zag op den toestand der zee, of liever dat het beteekende “wij hebben niets in het gezicht.” Inderdaad, de Oceaan was geheel verlaten, geen enkel zeil verscheen aan den gezichteinder. De hoogten van het eiland Crespo waren gedurende den nacht verdwenen. De zee had eene schoone blauwe kleur aangenomen en eene zachte deining bracht er regelmatige rimpels op. Ik bewonderde het prachtige gezicht op den Oceaan, toen de kapitein verscheen; hij scheen mij niet te zien en begon eene reeks sterrekundige waarnemingen. Toen hij gedaan had, ging hij op de lantaarn liggen leunen, en liet zijne blikken over de zee dwalen.Ondertusschen waren een twintigtal matrozen, allen krachtige en welgevormde mannen op het plat gekomen, om de netten op te halen, welke zij gedurende den nacht hadden laten slepen. Die zeelieden behoorden oogenschijnlijk tot verschillende natiën, hoewel zij allen duidelijk van Europeesche afkomst waren. Ik herkende zonder aarzelen Ieren, Franschen, eenige Slavoniërs, en zelfs een Griek of een Candioot. Overigens spraken die mannen zeer weinig, en gebruikten onder elkander slechts die vreemde taal, welker oorsprong ik zelfs niet raden kon; derhalve moest ik er van afzien om hen te ondervragen.De netten werden ingehaald. Het waren een soort van zaknetten, zooals men aan de kusten van Normandië gebruikt, welke door drijvend kurk of door een ijzerdraad, dat door de voorste mazen gestoken is, open worden gehouden. Die zakken worden met een ijzeren beugel langs den bodem der zee gesleept, en vangen dan alles op wat zich op hun weg bevindt. Er werden lampreiën, makreelen, tonijnen en andere visschen opgehaald, verscheiden in kleur en vorm zooals ik ze nog nimmer levend voor mij had gezien. Ik houd het er voor dat er meer dan duizend pond visch in de netten zat; het was eene schoone vangst, doch niet wonderbaarlijk groot, want die netten worden gedurende eenige uren medegesleept en bevatten dan eene geheele waterwereld. Wij hadden dus steeds levensmiddelen van eene uitstekende hoedanigheid, welke de snelheid en de aantrekkingskracht van zijn electriek licht onophoudelijk konden vernieuwen. De verschillende zeeproducten werden door het luik aanstonds naar de kombuis gebracht, waar zij bereid werden, sommigen om aanstonds gegeten, anderen om bewaard te worden. Toen de vischvangst afgeloopen en de lucht in het schip ververscht was, dacht ik dat de Nautilus haar onderzeeschen tocht weder zou beginnen, en ik maakte mij gereed om naar mijne hut te gaan, toen de kapitein zich tot mij wendde en zeide:“Zie dien Oceaan eens aan, mijnheer de professor; is hij niet met een wezenlijk leven begaafd? Kan hij niet toornig en teeder zijn?gisteren is de zee ingeslapen als wij, en nu wordt hij na een kalmen nacht weder wakker.”Geen goeden morgen, of goeden avond! Zou men niet gezegd hebben dat die vreemde man een reeds begonnen gesprek met mij vervolgde?“Zie,” hernam hij, “zij wordt wakker onder de liefkozingen der zon; zij gaat haar dagelijksch bestaan weder doorleven! Het is belangwekkend om hare bewerktuiging gade te slaan. Zij bezit een pols en ademt, en ik geef den geleerden Maury gelijk, die er eene beweging in heeft ontdekt, welke op den bloedsomloop bij de dieren gelijkt.”De kapitein wachtte van mij zeker geen antwoord, en het scheen mij dan ook onnoodig toe om hem mijn: “Juist,” “zeker,” “waarlijk” en andere woorden naar het hoofd te werpen. Hij sprak bijna tot zich zelven, terwijl hij tusschen elke twee zinnen telkens vrij lang wachtte. Het was eene overpeinzing met luider stemme.“Ja,” zeide hij, “de Oceaan bezit een wezenlijken omloop, en om dien te weeg te brengen, behoefde de Schepper van alle dingen er slechts de warmte, het zout en de diertjes in te vermenigvuldigen. Warmte toch doet verschillende dichtheid ontstaan, waardoor stroomen en tegenstroomen geboren worden. De uitdamping, die in de noordelijke streken niet bestaat, en in den omtrek van den evenaar veelvuldig plaats vindt, brengt eene aanhoudende verwisseling te weeg tusschen de wateren onder die keerkringen en aan de polen. Bovendien heb ik stroomen van boven naar beneden en omgekeerd ontdekt, welke de ware ademhaling van den Oceaan is. Ik heb opgemerkt dat elk waterdeeltje aan de oppervlakte verwarmd wordt, weder naar de diepte zakt, zijn hoogsten graad van dichtheid twee graden onder nul bereikt, daarna verder afkoelt, lichter wordt en weder naar de oppervlakte stijgt. Aan de polen is het gevolg van dat verschijnsel merkbaar, en daar begrijpt gij, waarom door de wetten van de voorzienende natuur bevriezing niet anders kan plaats hebben dan aan de oppervlakte des waters.”Terwijl de kapitein die volzinnen uitsprak, zeide ik bij mij zelven:“De pool! Zou die stoutmoedige reiziger ons daar heen willen brengen?”Kapitein Nemo zweeg en bleef verzonken in de beschouwing van dat element, hetwelk hij zoo goed en zoo onophoudelijk bestudeerd had. Daarop hervatte hij:“Men zegt dat het zout in aanzienlijke hoeveelheid in de zee vervat is, mijnheer; als gij er alles uit kondet halen, wat er in is opgelost, zoudt gij eene massa hebben van 288 millioen kubieke kilometer, dat over onzen aardbol uitgestrekt eene laag zou vormen van meer dan tien meter dik. En geloof niet, dat die aanwezigheid van zout eene gril van de natuur is; neen, neen! daardoorwordt het zeewater minder verdampbaar, en de wind kan er daardoor eene minder groote hoeveelheid dampen van opjagen, die als zij opgelost werden, de gematigde luchtstreken zouden overstroomen.Het zout speelt dus eene groote rol, namelijk de rol van het evenwicht in de algemeene huishouding van den aardbol!”De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.De kapitein zweeg, richtte zich op, stapte eenige malen op het plat heen en weder, en kwam weder naar mij toe: “Wat de infusiediertjes aangaat,” hernam hij, “die millioenen beestjes die in oneindig getal in een droppel leven, en waarvan er 800.000 een milligram wegen, zij spelen eene niet minder belangrijke rol. Zij nemen het zeezout op, verzamelen als het ware de vaste bestanddeelen van het water, en worden daardoor de wezenlijke vervaardigers van kalkgrond, zij maken koralen en zeesterren. En als dan de waterdroppel van zijne vaste bestanddeelen beroofd, lichter wordt, dan stijgt hij naar de oppervlakte, neemt daar weder het zout tot zich dat na uitdamping des waters achterblijft, wordt wederom zwaarder, zakt en brengt aan de infusiediertjes nieuw voedsel aan. Van daar een aanhoudend op- en nedergaande stroom, altijd beweging, altijd leven! Een veel krachtiger, weelderiger, onbeperkter leven als op het land, een leven dat vooral ontluikt op den Oceaan, dat zooals men zegt, voor den mensch een element des doods is, maar dat het element des levens is voor millioenen dieren en—voor mij!”Terwijl kapitein Nemo zoo sprak, veranderde hij geheel van gelaat en wekte in mij eene buitengewone ontroering op.“Daar,” voegde hij er nog bij, “is het ware leven! Ik zou haast kunnen droomen van de stichting van zeesteden, verzamelingen van onderzeesche huizen, die even als de Nautilus elken morgen aan de oppervlakte der zee versche lucht zouden komen inademen, vrije onafhankelijke steden zooals er nergens gevonden worden! En nog, wie weet of niet eenig tiran....”De kapitein eindigde zijn volzin met een driftig gebaar; daarna richtte hij zich rechtstreeks tot mij, als om sombere denkbeelden te verjagen, en vroeg mij:“Mijnheer Aronnax, weet gij hoe diep de Oceaan is?”“Ik weet ten minste,” zeide ik, “wat de voornaamste peilingen ons geleerd hebben.”“Zoudt gij mij die kunnen opnoemen, opdat ik ze des noods kan nagaan?”“Hier hebt ge er vast eenigen, welke mij te binnen schieten,”antwoorddeik. “Als ik mij niet bedrieg, heeft men in het noorden van den Atlantischen Oceaan eene gemiddelde diepte gevonden van 8200 meter, en in de Middellandsche Zee van 2500 meter. De merkwaardigste peilingen zijn in het zuiden van den Atlantischen Oceaan bij den 35stengraad gedaan; daar is het dieplood op 12000, 14091 en 15149 afgedaald. Men berekent dat als de bodem der zee gelijk werd gemaakt hare gemiddelde diepte ongeveer 7000 meter zou bedragen.”“Zeer goed, mijnheer,” antwoordde de kapitein, “doch wij zullenu hoop ik iets beters toonen. Wat de gemiddelde diepte van dit gedeelte van de Stille Zuidzee aangaat, zoo deel ik u mede dat zij slechts 4000 meter bedraagt.”Na deze woorden verdween de kapitein door het luik; ik volgde hem, en trad het salon binnen; de schroef begon aanstonds te werken en de log toonde eene snelheid van twintig kilometer in ’t uur aan.Kapitein Nemo bezocht mij slechts zeer zelden in de daarop volgende weken: nu en dan vertoonde hij zich een oogenblik. Zijn eerste stuurman wees geregeld met punten op de kaart den weg aan, welken de Nautilus volgde, zoodat ik dien geregeld kon nagaan.Koenraad en Land brachten een groot deel van den tijd met mij door. Koenraad had aan zijn vriend wonderen van onze wandeling verteld, en deze had er nu spijt van dat hij ons niet had vergezeld. Maar ik hoopte dat de gelegenheid zich nog wel eens zou voordoen om die onderzeesche bosschen te bezoeken.Bijna dagelijks openden zich gedurende eenige uren de wanden der zaal, en wij werden niet moede om de geheimen van die onderzeesche wereld te bespieden.Over het algemeen was de richting van de Nautilus zuidoostwaarts, en zij bleef op eene gemiddelde diepte van 200 á 150 meter. Eens evenwel, ik weet niet om welke reden, richtte het schip zich vrij snel naar beneden en bereikte eene diepte van 2000 meter. De honderdgradige thermometer wees eene temperatuur aan van 4° 25’, welke op deze diepte onder alle breedten dezelfde schijnt te zijn.Den 26stenNovember ging de Nautilus op 172° lengte over den Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer afgelegd. Toen ik ’s morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer onder den wind Hawaï, het voornaamste der zeven eilanden waaruit deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is, daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt.De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op 142° lengte den 1stenDecember over den evenaar; drie dagen later kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie kilometer afstand zag ik op 8° 57′ Z.B. en 139° 32′ W.L. het hooge Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield er niet van om dicht bij het land te komen.De netten leverden ons daar evenals bij Hawaï schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort (choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten, doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer; op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen; zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italië gegeten.In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen verschillende soorten herkende, welke d’Orbigny voor den Grooten Oceaan heeft opgegeven.Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan doordringen.Den 11denDecember zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur.“Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?” vroeg hij met zonderlinge stem.“Wat is er dan, Koenraad?”“Mijnheer moet maar eens zien.”Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam mij eene gedachte voor den geest.Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.“Een schip!” riep ik uit.“Ja,” zeide Ned Land, “een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.”De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons, welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven, maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven, doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit; zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar bij het gezicht van die als ’t ware op heeter daad betrapte schipbreuk, welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen, zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik een oogenblik op den spiegel lezen kon:Florida, Sunderland.

Den volgenden dag, 18 November, was ik van mijne vermoeienis van den vorigen dag geheel bekomen, ik besteeg het plat van deNautilus, op het oogenblik dat de tweede stuurman zijne dagelijksche formule uitsprak. Ik verbeeldde mij toen, dat dit zag op den toestand der zee, of liever dat het beteekende “wij hebben niets in het gezicht.” Inderdaad, de Oceaan was geheel verlaten, geen enkel zeil verscheen aan den gezichteinder. De hoogten van het eiland Crespo waren gedurende den nacht verdwenen. De zee had eene schoone blauwe kleur aangenomen en eene zachte deining bracht er regelmatige rimpels op. Ik bewonderde het prachtige gezicht op den Oceaan, toen de kapitein verscheen; hij scheen mij niet te zien en begon eene reeks sterrekundige waarnemingen. Toen hij gedaan had, ging hij op de lantaarn liggen leunen, en liet zijne blikken over de zee dwalen.

Ondertusschen waren een twintigtal matrozen, allen krachtige en welgevormde mannen op het plat gekomen, om de netten op te halen, welke zij gedurende den nacht hadden laten slepen. Die zeelieden behoorden oogenschijnlijk tot verschillende natiën, hoewel zij allen duidelijk van Europeesche afkomst waren. Ik herkende zonder aarzelen Ieren, Franschen, eenige Slavoniërs, en zelfs een Griek of een Candioot. Overigens spraken die mannen zeer weinig, en gebruikten onder elkander slechts die vreemde taal, welker oorsprong ik zelfs niet raden kon; derhalve moest ik er van afzien om hen te ondervragen.

De netten werden ingehaald. Het waren een soort van zaknetten, zooals men aan de kusten van Normandië gebruikt, welke door drijvend kurk of door een ijzerdraad, dat door de voorste mazen gestoken is, open worden gehouden. Die zakken worden met een ijzeren beugel langs den bodem der zee gesleept, en vangen dan alles op wat zich op hun weg bevindt. Er werden lampreiën, makreelen, tonijnen en andere visschen opgehaald, verscheiden in kleur en vorm zooals ik ze nog nimmer levend voor mij had gezien. Ik houd het er voor dat er meer dan duizend pond visch in de netten zat; het was eene schoone vangst, doch niet wonderbaarlijk groot, want die netten worden gedurende eenige uren medegesleept en bevatten dan eene geheele waterwereld. Wij hadden dus steeds levensmiddelen van eene uitstekende hoedanigheid, welke de snelheid en de aantrekkingskracht van zijn electriek licht onophoudelijk konden vernieuwen. De verschillende zeeproducten werden door het luik aanstonds naar de kombuis gebracht, waar zij bereid werden, sommigen om aanstonds gegeten, anderen om bewaard te worden. Toen de vischvangst afgeloopen en de lucht in het schip ververscht was, dacht ik dat de Nautilus haar onderzeeschen tocht weder zou beginnen, en ik maakte mij gereed om naar mijne hut te gaan, toen de kapitein zich tot mij wendde en zeide:

“Zie dien Oceaan eens aan, mijnheer de professor; is hij niet met een wezenlijk leven begaafd? Kan hij niet toornig en teeder zijn?gisteren is de zee ingeslapen als wij, en nu wordt hij na een kalmen nacht weder wakker.”

Geen goeden morgen, of goeden avond! Zou men niet gezegd hebben dat die vreemde man een reeds begonnen gesprek met mij vervolgde?

“Zie,” hernam hij, “zij wordt wakker onder de liefkozingen der zon; zij gaat haar dagelijksch bestaan weder doorleven! Het is belangwekkend om hare bewerktuiging gade te slaan. Zij bezit een pols en ademt, en ik geef den geleerden Maury gelijk, die er eene beweging in heeft ontdekt, welke op den bloedsomloop bij de dieren gelijkt.”

De kapitein wachtte van mij zeker geen antwoord, en het scheen mij dan ook onnoodig toe om hem mijn: “Juist,” “zeker,” “waarlijk” en andere woorden naar het hoofd te werpen. Hij sprak bijna tot zich zelven, terwijl hij tusschen elke twee zinnen telkens vrij lang wachtte. Het was eene overpeinzing met luider stemme.

“Ja,” zeide hij, “de Oceaan bezit een wezenlijken omloop, en om dien te weeg te brengen, behoefde de Schepper van alle dingen er slechts de warmte, het zout en de diertjes in te vermenigvuldigen. Warmte toch doet verschillende dichtheid ontstaan, waardoor stroomen en tegenstroomen geboren worden. De uitdamping, die in de noordelijke streken niet bestaat, en in den omtrek van den evenaar veelvuldig plaats vindt, brengt eene aanhoudende verwisseling te weeg tusschen de wateren onder die keerkringen en aan de polen. Bovendien heb ik stroomen van boven naar beneden en omgekeerd ontdekt, welke de ware ademhaling van den Oceaan is. Ik heb opgemerkt dat elk waterdeeltje aan de oppervlakte verwarmd wordt, weder naar de diepte zakt, zijn hoogsten graad van dichtheid twee graden onder nul bereikt, daarna verder afkoelt, lichter wordt en weder naar de oppervlakte stijgt. Aan de polen is het gevolg van dat verschijnsel merkbaar, en daar begrijpt gij, waarom door de wetten van de voorzienende natuur bevriezing niet anders kan plaats hebben dan aan de oppervlakte des waters.”

Terwijl de kapitein die volzinnen uitsprak, zeide ik bij mij zelven:

“De pool! Zou die stoutmoedige reiziger ons daar heen willen brengen?”

Kapitein Nemo zweeg en bleef verzonken in de beschouwing van dat element, hetwelk hij zoo goed en zoo onophoudelijk bestudeerd had. Daarop hervatte hij:

“Men zegt dat het zout in aanzienlijke hoeveelheid in de zee vervat is, mijnheer; als gij er alles uit kondet halen, wat er in is opgelost, zoudt gij eene massa hebben van 288 millioen kubieke kilometer, dat over onzen aardbol uitgestrekt eene laag zou vormen van meer dan tien meter dik. En geloof niet, dat die aanwezigheid van zout eene gril van de natuur is; neen, neen! daardoorwordt het zeewater minder verdampbaar, en de wind kan er daardoor eene minder groote hoeveelheid dampen van opjagen, die als zij opgelost werden, de gematigde luchtstreken zouden overstroomen.Het zout speelt dus eene groote rol, namelijk de rol van het evenwicht in de algemeene huishouding van den aardbol!”

De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.

De Nautilus ontmoette een heirleger van weekdieren.

De kapitein zweeg, richtte zich op, stapte eenige malen op het plat heen en weder, en kwam weder naar mij toe: “Wat de infusiediertjes aangaat,” hernam hij, “die millioenen beestjes die in oneindig getal in een droppel leven, en waarvan er 800.000 een milligram wegen, zij spelen eene niet minder belangrijke rol. Zij nemen het zeezout op, verzamelen als het ware de vaste bestanddeelen van het water, en worden daardoor de wezenlijke vervaardigers van kalkgrond, zij maken koralen en zeesterren. En als dan de waterdroppel van zijne vaste bestanddeelen beroofd, lichter wordt, dan stijgt hij naar de oppervlakte, neemt daar weder het zout tot zich dat na uitdamping des waters achterblijft, wordt wederom zwaarder, zakt en brengt aan de infusiediertjes nieuw voedsel aan. Van daar een aanhoudend op- en nedergaande stroom, altijd beweging, altijd leven! Een veel krachtiger, weelderiger, onbeperkter leven als op het land, een leven dat vooral ontluikt op den Oceaan, dat zooals men zegt, voor den mensch een element des doods is, maar dat het element des levens is voor millioenen dieren en—voor mij!”

Terwijl kapitein Nemo zoo sprak, veranderde hij geheel van gelaat en wekte in mij eene buitengewone ontroering op.

“Daar,” voegde hij er nog bij, “is het ware leven! Ik zou haast kunnen droomen van de stichting van zeesteden, verzamelingen van onderzeesche huizen, die even als de Nautilus elken morgen aan de oppervlakte der zee versche lucht zouden komen inademen, vrije onafhankelijke steden zooals er nergens gevonden worden! En nog, wie weet of niet eenig tiran....”

De kapitein eindigde zijn volzin met een driftig gebaar; daarna richtte hij zich rechtstreeks tot mij, als om sombere denkbeelden te verjagen, en vroeg mij:

“Mijnheer Aronnax, weet gij hoe diep de Oceaan is?”

“Ik weet ten minste,” zeide ik, “wat de voornaamste peilingen ons geleerd hebben.”

“Zoudt gij mij die kunnen opnoemen, opdat ik ze des noods kan nagaan?”

“Hier hebt ge er vast eenigen, welke mij te binnen schieten,”antwoorddeik. “Als ik mij niet bedrieg, heeft men in het noorden van den Atlantischen Oceaan eene gemiddelde diepte gevonden van 8200 meter, en in de Middellandsche Zee van 2500 meter. De merkwaardigste peilingen zijn in het zuiden van den Atlantischen Oceaan bij den 35stengraad gedaan; daar is het dieplood op 12000, 14091 en 15149 afgedaald. Men berekent dat als de bodem der zee gelijk werd gemaakt hare gemiddelde diepte ongeveer 7000 meter zou bedragen.”

“Zeer goed, mijnheer,” antwoordde de kapitein, “doch wij zullenu hoop ik iets beters toonen. Wat de gemiddelde diepte van dit gedeelte van de Stille Zuidzee aangaat, zoo deel ik u mede dat zij slechts 4000 meter bedraagt.”

Na deze woorden verdween de kapitein door het luik; ik volgde hem, en trad het salon binnen; de schroef begon aanstonds te werken en de log toonde eene snelheid van twintig kilometer in ’t uur aan.

Kapitein Nemo bezocht mij slechts zeer zelden in de daarop volgende weken: nu en dan vertoonde hij zich een oogenblik. Zijn eerste stuurman wees geregeld met punten op de kaart den weg aan, welken de Nautilus volgde, zoodat ik dien geregeld kon nagaan.

Koenraad en Land brachten een groot deel van den tijd met mij door. Koenraad had aan zijn vriend wonderen van onze wandeling verteld, en deze had er nu spijt van dat hij ons niet had vergezeld. Maar ik hoopte dat de gelegenheid zich nog wel eens zou voordoen om die onderzeesche bosschen te bezoeken.

Bijna dagelijks openden zich gedurende eenige uren de wanden der zaal, en wij werden niet moede om de geheimen van die onderzeesche wereld te bespieden.

Over het algemeen was de richting van de Nautilus zuidoostwaarts, en zij bleef op eene gemiddelde diepte van 200 á 150 meter. Eens evenwel, ik weet niet om welke reden, richtte het schip zich vrij snel naar beneden en bereikte eene diepte van 2000 meter. De honderdgradige thermometer wees eene temperatuur aan van 4° 25’, welke op deze diepte onder alle breedten dezelfde schijnt te zijn.

Den 26stenNovember ging de Nautilus op 172° lengte over den Kreeftskeerkring; den volgenden dag kregen wij de Sandwichseilanden in het gezicht, waar de beroemde Cook 14 Februari 1779 vermoord werd. Wij hadden toen van ons punt van uitgang af bijna 20,000 kilometer afgelegd. Toen ik ’s morgens op het plat kwam, zag ik twee kilometer onder den wind Hawaï, het voornaamste der zeven eilanden waaruit deze Archipel bestaat. Ik zag duidelijk den weelderigen plantengroei langs de kust, de verschillende bergketenen, welke evenwijdig met het strand loopen en de vulkanen, onder welke de Mouna Rea de hoogste is, daar hij 5000 meter boven het vlak der zee uitsteekt.

De Nautilus bleef in zuidoostelijke richting voortvaren, en kwam op 142° lengte den 1stenDecember over den evenaar; drie dagen later kregen wij na eene zeer snelle vaart, welke zich door geen enkel voorval kenmerkte, de Markiezen-eilanden in het gezicht. Op drie kilometer afstand zag ik op 8° 57′ Z.B. en 139° 32′ W.L. het hooge Toviiplateau van Nouka-Hiwa, het voornaamste eiland van den aan Frankrijk behoorenden archipel. Ik kon het met bosschen bekroonde gebergte slechts uit de verte beschouwen, want kapitein Nemo hield er niet van om dicht bij het land te komen.De netten leverden ons daar evenals bij Hawaï schoone visschen, bijvoorbeeld eene soort (choryphenen) met hemelsblauwe vinnen en gouden staart, die heerlijker van smaak waren, dan eenige visch op de wereld, anderen geheel zonder schubben, maar ook zeer lekker. Na deze schoone eilanden, welke onder bescherming der Fransche vlag staan, achter ons te hebben gelaten, doorliep de Nautilus van 4 tot 11 December ongeveer 2000 kilometer; op deze vaart ontmoetten wij een onnoemelijk aantal inktvisschen; zij behooren tot de koppootige dieren, en werden vooral door de natuuronderzoekers der oudheid bestudeerd. Als men Athenaeus gelooven wil, werden zij door de rijken in Griekenland en Italië gegeten.

In den nacht van 9 op 10 December ontmoette de Nautilus een heirleger van weekdieren, welke vooral bij nacht in beweging zijn. Men kon ze bij millioenen tellen; zij verhuisden van de gematigde naar warmere luchtstreken en volgden dus in dat opzicht de gewoonte der haringen en sardijnen. Wij zagen ze door het glas zeer snel achteruit zwemmen en visschen vervolgen, de kleinere opeten, doch zelve wederom door de grootere verslonden, terwijl zij in onbeschrijfelijke verwarring de tien pooten bewogen, welke de natuur hun op den kop als een haarbos van slangen heeft ingeplant. Niettegenstaande hare snelheid voer de Nautilus gedurende eenige uren door de menigte dieren waarvan een aantal in de netten gevangen werden en waaronder ik de negen verschillende soorten herkende, welke d’Orbigny voor den Grooten Oceaan heeft opgegeven.

Men ziet het dat de zee ons gedurende onze reis de schoonste wonderen vertoonde. Zij wisselde die in het oneindige af. Zij veranderde elk oogenblik haar schouwspel tot ons genoegen, en wij waren daardoor niet alleen getuigen van Gods werken te midden van het vloeibaar element, maar konden ook in de vreeselijkste geheimen van den Oceaan doordringen.

Den 11denDecember zat ik in het salon te lezen; Koenraad en Ned Land bekeken het electriek verlichte water door de ramen. De Nautilus lag onbeweeglijk. De vergaarbakken waren vol water, zoodat het schip duizend meter onder het vlak der zee lag, eene diepte welke weinig bewoners telt, en waar de groote visschen slechts hoogst zelden verschijnen. Plotseling stoorde Koenraad mij in mijne lectuur.

“Wil mijnheer eens een oogenblik hier komen?” vroeg hij met zonderlinge stem.

“Wat is er dan, Koenraad?”

“Mijnheer moet maar eens zien.”

Ik stond op, ging voor het glas op de ellebogen liggen en keek. Midden in het electrieke licht hing eene groote zwarte massa onbeweeglijk in het water. Ik bekeek het nauwkeurig om daardoor den aard van dit reusachtige dier, naar ik meende te herkennen. Maar plotseling kwam mij eene gedachte voor den geest.

Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.

Een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.

“Een schip!” riep ik uit.

“Ja,” zeide Ned Land, “een ontredderd vaartuig dat rechtstandig gezonken is.”

De harpoenier bedroog zich niet, wij hadden een schip voor ons, welks gescheurd want er nog bij hing. De romp scheen in goeden staat te zijn, en de schipbreuk kon slechts eenige uren geleden hebben plaats gehad. Drie stompen van masten, welke twee voet boven het dek waren afgehouwen, toonden aan, dat het door storm beloopen schip zijn staand want had moeten opofferen; doch op zijde geslagen was het volgeloopen en gezonken; het helde aan bakboordzijde nog over. Het was een treurig schouwspel, dat wrak daar onder water te zien drijven, maar nog treuriger te aanschouwen, hoe eenige lijken op het dek met touwen vastgesjord lagen. Ik telde er vijf, vier mannen, van wie een nog aan het roer stond, en verder eene vrouw, welke halfweg uit de kajuitskap met een kind in den arm te voorschijn kwam; de vrouw was nog jong; door het licht van de Nautilus beschenen kon ik duidelijk hare trekken onderscheiden, welke het water nog niet onkenbaar gemaakt had. Bij eene laatste stuiptrekking had zij haar kind nog opgeheven, doch het arme kleine wicht hield de armpjes om den hals der moeder geslagen. De houding der vier matrozen was vreeselijk, verwrongen als zij waren door stuiptrekkende bewegingen, terwijl zij eene laatste poging hadden gedaan om zich van de koorden, waarmede zij aan het schip gebonden waren, te ontdoen. Slechts de stuurman zag er kalmer uit; zijn gelaat was ernstig, de grijze haren zaten hem tegen de slapen geplakt, en met de hand aan het roerrad geklemd, scheen hij zijnen verongelukten driemaster nog door de diepten van den Oceaan te willen sturen. Welk een tooneel! Wij waren verstomd; ons hart klopte hoorbaar bij het gezicht van die als ’t ware op heeter daad betrapte schipbreuk, welke om zoo te zeggen in hare laatste oogenblikken gephotographeerd was! Ik zag reeds vreeselijk groote haaien met vurig oog naderen, zeker aangelokt door die lekkernij van menschenvleesch. De Nautilus maakte eene wending en draaide om het gezonken schip heen, zoodat ik een oogenblik op den spiegel lezen kon:

Florida, Sunderland.


Back to IndexNext