HOOFDSTUK III.

[Inhoud]HOOFDSTUK III.HOOFDSTUK III.Een leelijk standje.Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten verliezen.Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met[45]de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18denJuni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip deAmazone.Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distriktenGraaff-Reineten Swellendam had men op een manier[46]de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hierte wordenvermeld. Het waren de heeren Jan Smuts,[47]Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in andere boeken niet te vinden zijn.’t Is den 30stendag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.Vooral op de groote Parade, die zich voor de[48]Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijnOost-Indiëvaardersdragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapschestormseizoennadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden gevonden.Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met[49]den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het zijn zin had gekregen.Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje[50]menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken die in de laatste dertig[51]jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten.„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier Jan van Eck in;„vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?”vroeg Van Eck, op droogen toon.„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van Reenen,[52]instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was.„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort;„met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het?Delasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering van zijnen toestand”.„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze.„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich zelven te regeeren.”[53]„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in.„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den man die de onafhankelijkheid van de VereenigdeProvinciënheeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze.„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.[54]De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen:„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.”„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer te zeggen krijgen,”gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen.„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaireideeënloopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt.„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een[55]tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij aan deze personen.„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”.Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.[56]Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”.„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”.Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja[57]zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte ofplatform(zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het[58]eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker,wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de Keizersgracht stond.Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplantingzoudenhelpen om de Oost-Indische[59]Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als[60]men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was onbillijk.De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid,[61]en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was hetuitmuntendin de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven,[62]en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder deresolutiëndoor deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed-of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg.„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind[63]dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied is, kan ook eldersgeschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben[64]gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.”Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede,[65]en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op te winden.„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op.Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren,[66]maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan toch halsstarrig willen wezen, wel .… laat ze dan maar verrekken”.Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze bepaling te houden.De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”.Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen[67]in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde[68]vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling en den landbewoner.[69]

[Inhoud]HOOFDSTUK III.HOOFDSTUK III.Een leelijk standje.Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten verliezen.Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met[45]de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18denJuni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip deAmazone.Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distriktenGraaff-Reineten Swellendam had men op een manier[46]de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hierte wordenvermeld. Het waren de heeren Jan Smuts,[47]Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in andere boeken niet te vinden zijn.’t Is den 30stendag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.Vooral op de groote Parade, die zich voor de[48]Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijnOost-Indiëvaardersdragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapschestormseizoennadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden gevonden.Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met[49]den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het zijn zin had gekregen.Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje[50]menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken die in de laatste dertig[51]jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten.„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier Jan van Eck in;„vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?”vroeg Van Eck, op droogen toon.„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van Reenen,[52]instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was.„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort;„met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het?Delasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering van zijnen toestand”.„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze.„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich zelven te regeeren.”[53]„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in.„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den man die de onafhankelijkheid van de VereenigdeProvinciënheeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze.„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.[54]De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen:„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.”„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer te zeggen krijgen,”gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen.„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaireideeënloopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt.„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een[55]tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij aan deze personen.„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”.Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.[56]Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”.„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”.Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja[57]zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte ofplatform(zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het[58]eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker,wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de Keizersgracht stond.Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplantingzoudenhelpen om de Oost-Indische[59]Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als[60]men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was onbillijk.De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid,[61]en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was hetuitmuntendin de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven,[62]en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder deresolutiëndoor deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed-of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg.„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind[63]dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied is, kan ook eldersgeschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben[64]gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.”Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede,[65]en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op te winden.„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op.Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren,[66]maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan toch halsstarrig willen wezen, wel .… laat ze dan maar verrekken”.Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze bepaling te houden.De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”.Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen[67]in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde[68]vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling en den landbewoner.[69]

HOOFDSTUK III.HOOFDSTUK III.Een leelijk standje.

HOOFDSTUK III.

Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten verliezen.Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met[45]de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18denJuni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip deAmazone.Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distriktenGraaff-Reineten Swellendam had men op een manier[46]de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hierte wordenvermeld. Het waren de heeren Jan Smuts,[47]Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in andere boeken niet te vinden zijn.’t Is den 30stendag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.Vooral op de groote Parade, die zich voor de[48]Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijnOost-Indiëvaardersdragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapschestormseizoennadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden gevonden.Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met[49]den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het zijn zin had gekregen.Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje[50]menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken die in de laatste dertig[51]jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten.„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier Jan van Eck in;„vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?”vroeg Van Eck, op droogen toon.„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van Reenen,[52]instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was.„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort;„met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het?Delasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering van zijnen toestand”.„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze.„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich zelven te regeeren.”[53]„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in.„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den man die de onafhankelijkheid van de VereenigdeProvinciënheeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze.„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.[54]De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen:„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.”„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer te zeggen krijgen,”gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen.„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaireideeënloopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt.„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een[55]tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij aan deze personen.„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”.Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.[56]Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”.„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”.Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja[57]zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte ofplatform(zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het[58]eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker,wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de Keizersgracht stond.Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplantingzoudenhelpen om de Oost-Indische[59]Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als[60]men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was onbillijk.De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid,[61]en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was hetuitmuntendin de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven,[62]en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder deresolutiëndoor deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed-of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg.„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind[63]dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied is, kan ook eldersgeschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben[64]gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.”Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede,[65]en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op te winden.„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op.Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren,[66]maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan toch halsstarrig willen wezen, wel .… laat ze dan maar verrekken”.Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze bepaling te houden.De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”.Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen[67]in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde[68]vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling en den landbewoner.[69]

Voor ik dit verhaal voortzet, moet hier gemeld worden dat ongelukkig in het begin van het dagboek er een tachtig of honderd bladen zijn uitgescheurd, door wat de dichter zou noemen „een godvergeten hand”. Daar het verlorene een tijdperk van iets meer dan een jaar beslaat, ben ik dus wel verplicht om hier een stukje geschiedenis op mijn eigen houtje te geven, ten einde mijne lezers den draad der geschiedenis niet te laten verliezen.

Reeds lang voor het vertrek van Gouverneur van de Graaff uit de Kaapstad, was men in de Nederlanden tot de conclusie gekomen dat het met[45]de Oost-Indische Compagnie niet meer in den haak was. De Compagnie had groote schulden, en zij kon niet eens meer de renten op hare schuldbrieven betalen. De zaak was van groot belang voor het publiek, en daarom vonden de Staten Generaal zich gedrongen om van hun recht gebruik te maken, en een onderzoek te doen instellen naar den toestand der Compagnie. Het rapport uitgebracht door eene daartoe speciaal aangestelde commissie, was van dien aard, dat verdere maatregelen noodig werden beschouwd, en vier heeren werden aangesteld, met een bijna onbeperkte macht, om de kolonien der Compagnie in persoon te gaan bezoeken en zich te vergewissen van den aldaar heerschenden toestand. Twee der leden dezer commissie, de heeren Sebastiaan Cornelis Nederburgh, eerste advokaat der Compagnie, en de zeekapitein Simon Hendrik Frykenius, werden aangewezen om de kolonie de Kaap de Goede Hoop te bezoeken, en deze heeren kwamen den 18denJuni 1792 te Simonsstad aan met het oorlogsschip deAmazone.

Er was sinds het vertrek van Gouverneur van de Graaff niet veel van belang in de kolonie geschied. De heer Rhenius had het bestuur overgenomen, en de zaken gingen hun ouden gang. In de distriktenGraaff-Reineten Swellendam had men op een manier[46]de rust een weinig hersteld door een sterk kommando te doen uittrekken tegen de Bosjesmans, waarvan een menigte werden gedood. Toch had zich door de geheele kolonie een geest van verzet tegen de regeering vertoond, die bewees dat er noodzakelijk verandering moest komen, wilde men niet het gevaar loopen van een algemeenen opstand. Toen b.v. de politieke raad een nieuwe belasting, de successierechten oplegde, was de onwil daarover zoo groot, dat de raad, om ergere dingen te voorkomen, zich verplicht zag, om op haar eens genomen besluit terug te komen, en men begrijpt dat dit teeken van zwakheid niet ongemerkt voorbij ging, en hen, die begonnen waren zich tegen de aanmatigingen van de Compagnie te verzetten, aanmoedigden om in hunne pogingen te volharden.

De pas aangekomene commissarissen vonden dan ook spoedig uit, dat zij te doen hadden met mannen, die zich door geen ijdele woorden of zoete beloften lieten tevreden stellen. Net een week na hunne aankomst maakten de leden van den Burgerraad hunne opwachting bij de commissarissen, om hen bekend te stellen met een lange reeks van grieven die de burgers meenden te hebben. De namen der leden van den Burgerraad verdienen hierte wordenvermeld. Het waren de heeren Jan Smuts,[47]Gert. H. Meijer, Hendrik J. de Wet, Andries Fleck, Hendrik Truter, en Hendrik P. Warnecke, allen mannen van naam en invloed.

De commissarissen waren onverstandig genoeg om te weigeren den Burgerraad te erkennen als een lichaam dat het recht bezat om grieven voor te brengen. En daarop begonnen de poppen te dansen, en hoe ze dansten dat zullen wij nu eens vertellen, zooals wij het aangeteekend vinden in het dagboek, dat een aantal bijzonderheden geeft, die in andere boeken niet te vinden zijn.

’t Is den 30stendag van Juni 1792 en een dier heerlijke dagen die de winter van het Kaapsche schiereiland ons eenmaal in een dozijn jaren schenkt. Het heeft een week lang geregend, maar drie dagen geleden is er een einde aan het natte weer gekomen en heeft de zon met buitengewone kracht geschenen, zoodat alle straten en wegen droog en schoon zijn. Op dezen morgen (want het heeft zooeven negen uur geslagen), waait er slechts een fijn luchtje, iets wat Jan van Riebeeck een „labberkoelte” zou genoemd hebben, en de heldere hemel geeft vader Sol alle mogelijke gelegenheid om zijne stralen op de aarde te zenden, van welke kans hij dan ook alle gebruik maakt.

Vooral op de groote Parade, die zich voor de[48]Keizersgracht uitstrekt, en aan wier oostzijde het Kasteel zich trotsch verheft, terwijl aan de westzijde de Heerengracht een begin van den weg maakt, die tot aan de Compagnies tuinen leidt, en daar dood loopt tegen de slavenloge, is het zeer warm, maar men heeft er toch een mooi uitzicht. Aan den eenen kant ziet men de Tafelbaai, wier wateren thans kalm wiegelen, en die thans een half dozijnOost-Indiëvaardersdragen, welk ieder oogenblik verwachten de thuisreis te zullen aanvaarden, daar het Kaapschestormseizoennadert, die de Tafelbaai tot een der gevaarlijkste havens der wereld maakt, en daar bijna elk jaar tallooze offers eischt. Aan den kant tegenover de zee, valt het oog eerst op het nog niet geheel voltooide nieuwe hospitaal dat thans echter dienst doet als kazerne voor de troepen, en inderdaad ook nooit zijn oorspronkelijke bestemming als hospitaal heeft bereikt, maar altijd een soldatenhuis is gebleven. En daarachter verheft zich, trotsch en eeuwig onveranderlijk de Tafelberg, rechts en links geflankeerd door de Duivelspiek en den Leeuwenkop, een panorama, zoo schoon als maar ter wereld kan worden gevonden.

Doch het is niet met de natuur dat wij ons heden morgen willen bezig houden, al verdient zij dit ruimschoots, en al zou een loflied op Tafelbergs pracht geenszins ongepast zijn. Neen, het is met[49]den mensch dat wij ons willen bemoeien, en heden morgen zijn er exemplaren genoeg van den heer der schepping te vinden op de Parade. Er zijn er ten minste een heel aardig klompje reeds, en hun aantal vermeerdert elk oogenblik. Want er is heden eene groote vergadering bepaald, en het is duidelijk dat de Kapenaars groot belang gaan stellen in de te besprekene kwesties. Op dit oogenblik is de vergadering nog niet begonnen, want de daarvoor bepaalde tijd is eerst tien uur; wij hebben dus den tijd om eens een kijkje te nemen en een wandeling te doen tusschen de klompjes menschen, die hier en daar vergaderd zijn, om voorloopig de zaken te bepraten. Dat die zaken van gewicht moeten zijn, dat lijdt geen twijfel, want de personen reeds tegenwoordig schijnen zeer opgewonden, en men mist geheel die koele bedaardheid die anders den Kapenaar onderscheidt, want het oud Hollandsche bloed van Jan Saai, dat zit bij de meesten diep in de aderen. Het Afrikaansche volk was even als in 1901, ook in 1792 een zeer lijdzaam volk, dat niet snel aan het roeren geraakte; maar kwam het in beweging, dan volgde er ook een gansche uitbarsting en dan hield het niet op met agiteeren, totdat het zijn zin had gekregen.

Maar ziet, hier zijn wij bij een klein klompje[50]menschen, die met bijzonderen drift staan te redeneeren, men zou bijna zeggen, te twisten, zoo luid praten zij. Er zijn onder het hoopje een paar die wij reeds kennen; daar staat de heer van Reenen, even netjes aangekleed als altijd; naast hem zien wij onzen ouden vriend, den heer van Eck, die, in tegenstelling van zijn vriend niet de minste moeite heeft genomen met zijn toilet. Bij hen staat de heer J. P. Baumgardt, die iemand van eenigen invloed is, en die wij later misschien wel eens meer zullen ontmoeten. De vierde man is de heer Jan Smuts, een der leden van den Burgerraad van Kaapstad, een achtenswaardig man van over de zestig jaren, lid van een der aanzienlijkste familien der Kolonie, en die grooten invloed bezit. Hij is het die wij aan het woord vinden, en hoort maar eens wat hij, op eenigszins opgewonden manier zegt:

„’t Is doodeenvoudig een schandaal, mijnheer van Reenen, zooals de Commissarissen ons hebben behandeld. Men wil niet eens naar ons luisteren, en beweert dat wij geen recht hebben om namens het volk dezer kolonie te spreken. Ik zou wel eens willen weten wie anders het recht zou hebben zulks te doen. Wie weet beter dan wij wat voor deze volkplanting vereischt wordt? Wie kan beter een oordeel vellen over de misbruiken die in de laatste dertig[51]jaren en meer zijn ingeslopen in de regeering van dit ongelukkige land? Van af den dood van vader Tulbagh, zaliger gedachtenis, zijn dingen hier steeds achteruit gegaan, en thans zijn zij in zulk een toestand dat als er niet spoedig verandering ten goede komt, ik het ergste vrees. Er heerscht groote ontevredenheid onder alle standen; het zijn niet alleen de boeren die enkel klagen; het zijn alle kolonisten.

„De Compagnie is niet in staat ons met iets te helpen, en het is niet billijk dat zij uit ons leeft, en ons steeds meer en meer belast”.

„Maar zal het houden van vergaderingen van eenig nut zijn, mijnheer Smuts”, viel hier Jan van Eck in;„vreest gij niet dat de Commissarissen, die de macht in handen hebben, al uwe protesten in den wind zullen slaan, en op den koop toe u uitlachen?”

„In alle gevallen hebben wij dan toch onze stem doen hooren, en komen de verdere gevolgen voor rekening van degenen die onze waarschuwingen in den wind hebben geslagen” merkte de heer Baumgardt aan.

„En zoudt u mij misschien kunnen zeggen wat die gevolgen zullen wezen?”vroeg Van Eck, op droogen toon.

„Wel, eerstens zal de ontevredenheid daardoor vermeerderen,” antwoordde de heer van Reenen,[52]instede van den heer Baumgardt, aan wien de vraag gericht was.

„Dat zal weinig baten, die toenemende ontevredenheid”, ging van Eck voort;„met mompelen en morren is men nooit veel verder gekomen in deze wereld, vooral niet waar men met eene regeering te doen heeft, die de baas is. In Frankrijk heeft men gemompeld van af het jaar 1690 tot aan 1789, en wat hielp het?Delasten werden steeds zwaarder: en eerst toen men begon te handelen en de verrotte regeering van den troon stiet, is men een beter tijdperk ingetreden. Men kan in deze wereld slechts geweld met geweld keeren, en macht slechts door macht tot zijn plicht brengen. Als een volk zichzelve niet helpt, behoeft het niet te rekenen op verbetering van zijnen toestand”.

„Wilt gij daarmede te kennen geven, mijnheer Van Eck, dat de kolonisten tot maatregelen van geweld moeten overgaan?” vroeg de heer Baumgardt op veelbeteekenende wijze.

„Ik weet niet wat gij juist met het woord geweld bedoeld” luidde het kalme antwoord van den heer Van Eck, „maar wat ik meen is dit, dat het volk rondborstig moest verklaren dat het niet langer de autoriteit van Jan Compagnie, en diens afpersingen wil verdragen, en besluit om zich zelven te regeeren.”[53]

„Maar dat zou rebellie wezen, en de man die dat begint is des doods schuldig volgens de wetten des lands”, viel de heer Van Reenen driftig in.

„Die kans behoort elk vrijheidslievend volk te staan; die kans bestond ook voor den man die de onafhankelijkheid van de VereenigdeProvinciënheeft gegrondvest; die kans bestond ook voor George Washington; maar toch hebben die mannen zich niet laten afschrikken door dien kans; zij hebben hun werk gedaan, als het ware met het zwaard boven het hoofd, en hunne namen staan voor eeuwig op de geschiedenisrollen gegraveerd” antwoordde Van Eck op ernstige wijze.

„Mijnheer Van Eck, ik erken dat er verandering noodig is in den toestand van zaken, en persoonlijk zou ik niets liever zien dan dat het bestuur der Compagnie ophield alhier te bestaan; en tot zoo ver zal ik met u zamen gaan; maar om te spreken van eene eigene regeering, en van afscheiding van ons vaderland, dat keur ik ten stelligste af, en het zou mij spijten als er velen waren die dachten zooals u.”

„Er zijn er meer dan gij wel denkt”, viel Van Eck den heer Smuts, die dit zeide in de rede, „alleen zij durven het niet zeggen, maar ik voor mij wil de waarheid niet achter stoelen en banken wegsteken”.[54]

De heer Smuts keek den vinnigen Van Eck een oogenblik zwijgend aan en vervolgde toen:

„Wat ik echter als eene oplossing van de kwestie zou beschouwen, is dat de Compagnie het bestuur over deze landen overgeve aan de Staten Generaal, zoodat wij onze grieven direct voor de Hoog Mogenden kunnen brengen, en niet behoeven te dansen naar de pijpen van een aantal kooplieden, die geen ander oogmerk hebben dan om hunne eigene zakken op de snelst mogelijke wijze te vullen, en alles uit dat oogpunt beschouwen.”

„Dat zou slechts een verwisseling van naam zijn, en daardoor zou het volk niets meer te zeggen krijgen,”gaf de heer Van Eck op spottenden toon te kennen.

„Wij weten, mijn waarde vriend, dat gij een vurig patriot zijt, doch uwe revolutionaireideeënloopen soms te snel met u weg”, zeide de heer Baumgardt.

„Wel, ik ben, Gode zij dank, niet meer in dienst van de Compagnie of van eenige regeering, en dat geeft mij meer vrijheid van spreken, en ik houd vol, dat het volk dat de souvereine macht toekomt, sinds de schepping der dagen, zijne billijke rechten moet hebben, en hoe langer die er aan onthouden worden, des te gevaarlijker voor de regeerders”.

Met deze woorden wendde Van Eck zich tot een[55]tiental of twaalftal mannen, die intusschen zich bij het groepje hadden gevoegd, en juist de laatste woorden van den spreker hadden gehoord. „Heb ik recht?” vroeg hij aan deze personen.

„Welzeker, mijnheer Van Eck”, riep een der bijstanders uit „het volk moet zijn rechten hebben. en wij zullen ze ook krijgen, als zij die de voormannen van het land en onze natuurlijke leiders zijn, hun plicht willen doen”.

Er waren heel wat teekenen van bijval na deze korte, krachtige aanmerking, en Van Eck zeide veelbeteekenend tot den heer Smuts: „Wel, heb ik het u niet gezegd?” Hij wilde toen blijkbaar nog iets meer zeggen, doch de heer Van Reenen nam hem onder den arm, en ging met hem een klein eindje op zijde, waar hij hem als volgt toesprak:

„Mijnheer Van Eck, u weet dat ik uw vriend ben, en dat in een aantal zaken mijne opinie met de uwe overeenkomt. Maar ik bid u, snoer u den mond wat. De bevolking is al opgewonden genoeg, en als gij nu de burgers aanhitst om dolle, dwaze dingen te doen, sta ik niet voor de gevolgen in. Door aldus te handelen zult gij de pogingen van hen die het goed meenen, geheel en al verijdelen, en zult gij de regeering drijven tot het doen van dingen, waarvan men later spijt zal hebben”.[56]

Jan van Eck bleef eenige minuten het stilzwijgen bewaren, en scheen na te denken over hetgeen zijn vriend hem gezegd had; eindelijk antwoordde hij. „Ik zal stil blijven, Sebastiaan, maar ik zeg u privaat dat men heden een groote fout maakt. Gij zult met mooi praten niets uit de heeren Commissarissen krijgen; een hunner is alreeds een lid van het bestuur der Direkteuren, en de ander is niets anders dan een ledepop, die rondspringt zooals hem de touwtjes worden getrokken. Uit die lieden krijgt men niets, als men hen niet het mes op de keel zet”.

„Dat mag zoo zijn. mijn waarde vriend, maar het is thans niet de tijd om zulks te doen. Wij moeten eerst zachte maatregelen nemen, en dan kan men zoo noodig, tot strengere stappen overgaan. Ik, voor mij ben overtuigd, dat als men ziet dat wij het ernstig meenen, men eieren voor zijn geld zal kiezen”.

„Ik hoop zoo, mijnheer van Reenen, en om te toonen dat ik naar u wil luisteren, beloof ik u om niets meer te zeggen, dat de goede lieden zou kunnen opwinden”.

Middelerwijl was de menigte op de Parade zeer in aantal toegenomen, en maakte zij geen onaardige vertooning. Tusschen de vrij deftige stadbewoners, die in rok en driekanten hoed tegenwoordig waren, zag men de lieden uit Koeberg en Zwartland, ja[57]zelfs waren er eenige uit de Paarl, en van Klapmuts en omstreken. Deze boeren waren veel eenvoudiger gekleed, en hadden baatjes aan van ruw materiaal, een enkel, die tot den meer nederigen stand behoorde, was zelfs in vel kleederen, die wel keurig netjes gemaakt waren, maar toch erg afstaken bij de gegaloneerde rokken der voorname Kapenaars; toch waren zij er niet minder schilderachtig om. Breed gerande hoeden, bijna gelijk aan die welke men nog kort geleden in de Transvaal zag, vormden het hoofddeksel deze boeren, en menige hoed was versierd met een struisvogelveer, of zelfs met de vlerk van de wilde pauw. Schoon allen zich zeer ordelijk gedroegen, werden er toch in en onder de verschillende groepjes uiterst levendige gesprekken gevoerd, en hier en daar hoorde men uitdrukkingen, die bewezen hoezeer men Jan Compagnie en zijne plakkaten moede was.

Daar luidde een bel, of klok, het teeken dat de vergadering zou gaan beginnen, en nu vormde men een grooten halve cirkel om een soort van spreekgestoelte ofplatform(zooals men het nu op het Engelsch aan de Kaap noemt), dat in der haast was gevormd van eenige balken en kisten, en dat zoowat een voet of vier zich boven den beganen grond verhief. De heer Jan Smuts beklom de tribune het[58]eerst, verzocht stilte, en stelde toen voor dat „burger Hendrik de Wet tot voorzitter zou worden gekozen”, wat met acclamatie werd aangenomen. De heer De Wet, een krachtig gebouwd man van omtrent vijf en veertig jaren, die tot de meest geziene mannen der Kolonie behoorde, nam toen plaats op een groote leuningstoel die op de tribune stond en daarna opstaande, stelde hij voor dat men den heer Eduard Bergh zou verzoeken, als secretaris dienst te doen; dit insgelijks aangenomen zijnde, ging de heer Bergh op een stoel naast den voorzitter zitten, en maakte van een houten kist zijn schrijftafeltje, terwijl een inktkoker,wat papier, en eenige ganzepennen, in een oogenblik werden verschaft uit een winkel die op de Keizersgracht stond.

Zoodra deze noodige voorbereidende werkzaamheden waren afgeloopen, hield de heer De Wet een korte, maar krachtige aanspraak, waarin hij de vergadering vertelde van de aankomst der Commissarissen Nederburgh en Frykenius, en de van deze ontvangene weigering om den burgerraad te ontvangen als de vertegenwoordigers der kolonisten.

Daarop trad hij kortelijks in de voornaamste grieven der kolonisten, en zeide onder anderen, dat het onbillijk was om te verwachten dat de bewoners dezer volkplantingzoudenhelpen om de Oost-Indische[59]Compagnie het hoofd boven water te houden. Het was waarlijk niet aan de kolonie te wijten dat de Compagnie er zoo slecht aan toe was; de Compagnie had veel geld en een nog veel grootere hoeveelheid waarde aan levensmiddelen uit de volkplanting gekregen, en daarentegen had men zeer weinig acht geslagen op de behoeften der kolonisten, doch ze doen zuchten onder een zwaar belastings-systeem. Er werd altijd door de Direkteuren en door den Politieken Raad geleuterd over de groote uitgaven die men in de Kaap had; maar waarvoor waren die uitgaven? Voornamelijk waren ze bestemd voor oorlogsmateriaal, voor soldaten, en verdedigingswerken, en deze waren niet zoozeer gemeend om de Kaap zelve te verdedigen, dan wel om de belangen der Compagnie in Oost-Indië te beschermen. Als men de uitgaven naging die gemaakt werden ten behoeve van den Kaap zelve, dan zou men dadelijk zien, dat die uitgaven heel wat minder waren dan hetgeen de Kolonie in belastingen opbracht. Het was, zeide spreker, niet recht dat de Kaap zou betalen voor het beschermen der andere belangen der Compagnie; het geld dat van de burgers werd ontvangen, behoorde gebruikt te worden om den toestand dier burgers te verbeteren. Dit werd niet gedaan, en dit was een der ergste grieven der burgerij. Als[60]men het geld alleen in het direkte belang der Kolonie gebruikte, dan had men veel minder noodig dan de tegenwoordige opbrengst der Kolonie, en dientengevolge meende hij dat men de belastingen moest verminderen, en niet steeds vermeerderen, zooals men eenige weken geleden had getracht te doen. Dat was een deel der grieven die de Burgerraad voor de Commissarissen had willen brengen, maar deze heeren had hem niet willen hooren, en dat was onbillijk.

De burgerraad was indertijd opgericht om de bevolking een billijk aandeel in het bestuur van de volkplanting te geven, en men had in alle tijden dien raad als een der voornaamste van het land beschouwd.

Spreker kon zich nog herinneren, hoe vader Tulbagh steeds den Burgerraad in alle dingen van belang raadpleegde, en hun opinie inwon over zaken die uiteindelijk in den politieken raad werden beslist. En dat was recht, want in den politieken raad waren er dikwijls leden, die niet goed op de hoogte van de hier heerschende toestanden waren, en wier eenig doel was om een wit voetje te zoeken bij de heeren direkteuren, zoodat zij daardoor zichzelven konden bevoordeelen, en later hoogere betrekkingen konden krijgen. Toen men hier een man had, als Rijk Tulbagh die als het ware in deze Kolonie was opgegroeid,[61]en in den vollen zin des woords een Kapenaar was, toen was hetuitmuntendin de Kaap gegaan; maar die dagen waren helaas, voorbij, en nu kreeg men hier slechts gouverneurs, welke als gehoorzame dienaars de bevelen hun uit Amsterdam gezonden, moesten uitvoeren, en den moed niet hadden om de direkteuren terecht te wijzen, waar deze, door onbekendheid met de plaatselijke toestanden, grove flaters begingen. Hij, spreker zou thans het woord laten aan eenigen, die iets wilde zeggen, maar schoon hij begreep, dat men voor zijne rechten wilde opstaan, en dit dan ook prijzenswaardig vond, wenschte hij allen tegenwoordig op het harte te drukken, dat men geen heftige taal moest gebruiken, en niets moet zeggen dat onnoodiglijk de autoriteiten in het harnas zou kunnen jagen.

Het ontbreekt ons hier aan plaats, om de zeer belangrijke aanspraken weer te geven, die wij in het dagboek kortelijks aangeteekend vinden, als op dezen dag geuit, door een aantal der voornaamste mannen der Kaapstad, zoowel als door verscheidene der boeren, die ongetwijfeld even groot belang bij de vergadering hadden, als de beste Kapenaar. Het waren werkelijk dan ook de boeren, die het meest klaagden, want de vrije handel in hunne produkten was hun nog altijd belet, en de tienden werden nog altijd geheven,[62]en dat op zeer ongelijk drukkende wijze. Wij vinden dan ook onder deresolutiëndoor deze vergadering genomen, ééne waarin gezegd wordt, dat de tienden moesten worden afgeschaft, als zijnde een middeneeuwsch en onrechtvaardig recht, dat den Staat of de Compagnie niet meer toekwam; daarvoor wilde men eene belasting van vijf ten honderd stellen op alle produkten verkocht, en deze zou, naar de vergadering meende, vrij wat meer opleveren, als men den handel wat meer openstelde, en de lastige bestaande beperkingen, die de Compagnie een monopolie bezorgden, ophief. Een tweede besluit drong er sterk op aan dat men de belastingen moest verminderen, om redenen door den voorzitter aangegeven. Ook verzocht men in al deze zaken de medewerking van de inwoners der andere distrikten, die tot dat doel ook bijeenkomsten moesten houden. Deze besluiten waren allen gepasseerd, en de voorzitter was juist van meening om de vergadering te sluiten, toen de heer Jan van Eck, die tot nu toe enkel een bedaard toeschouwer was geweest, en slechts nu en dan eenige teekenen van goed-of afkeuring had gegeven, het woord vroeg en kreeg.

„Waarde medeburgers”, zoo begon de heer Van Eck, „over het algemeen vereenig ik mij met hetgeen door deze vergadering besloten is, hoewel ik vind[63]dat hier en daar de besluiten in te zachte bewoordingen zijn uitgedrukt. Het geldt hier niet de kwestie om ons zelven te overtuigen, want wij weten dat wij in het recht zijn; maar de zaak is dat wij de heeren Commissarissen, en vooral de direkteuren moeten overtuigen van ons goed recht, en men moet niet vergeten, dat het gesprokene woord, indien op papier gebracht, en dan gelezen op zes duizend mijlen afstands, lang niet zoo scherp klinkt, als het doet hier voor ons, die het uitspreken. Er moet dus wat meer peper bij, en onze uitdrukkingen moeten dus gekruid worden, ten einde te voorkomen dat met de lange overzeesche reis zij niet te veel van hunne smaak zullen verliezen, en onze moeite te vergeefs is. Wij zijn het volk van de Kaap, en als zoodanig hebben wij rechten, en de tijd is voorbij dat koningen of heeren ons de knie kunnen doen buigen, en ons als slaven kunnen behandelen. Dat is onlangs in Frankrijk bewezen, en wat daar geschied is, kan ook eldersgeschieden. Als ik om mij heen zie, dan rust mijn oog op een aantal lieden, de meesten waarvan afstammelingen zijn, van de dappere voorvaders die dit land hebben gemaakt wat het heden is; die gevaren en moeilijkheden hebben getrotseerd, onbekende streken hebben gekoloniseerd, en den wijnstok hier hebben geplant en het graan hebben[64]gezaaid, in streken waar vroeger slechts het gras en het onkruid groeiden. Maar wie heeft de vruchten geplukt van hun zwaren arbeid? Niet zij, maar de Oost-Indische Compagnie. Hoe meer zij met hun zuren arbeid verdienden, des te zwaarder werden de belastingen, en te drukkender de afpersingen der ambtenaren. Op goede of slechte jaren werd niet gelet; men moest maar altijd betalen; op de vele rechtmatige klachten der burgers werd òf geen antwoord gegeven òf anders werd hun geantwoord dat de direkteuren geen kans zagen om de belastingen te verminderen. Op de gruwelijkste en onzinnigste wijze is het geld vermorst, en men denke slechts aan de hofhouding die de laatste gouverneur hier hield, en aan de bescherming door hem aan zijne vriendjes geschonken. Het recht werd verdraaid, en de burgers op de gruwelijkste manier vervolgd, zooals men gezien heeft, toen Van Lynden hier de Fiskaal was, bij wien men niet kon komen, tenzij men een welgevulde geldbuidel medebracht. Zijn dit almaal dingen die ons koud moeten laten, en hebben wij dan geen recht om onze stemmen met kracht te doen hooren en uit te roepen? Weg met al deze ongerechtigheden, die een gruwel in het oog des Heeren zijn.”

Hier viel de heer De Wet den spreker in de rede,[65]en herinnerde hem er aan dat het onverstandig was om door zulke scherpe gezegden het volk op te winden.

„Ik wil het volk niet opwinden, mijnheer de voorzitter”, vervolgde Van Eck, die blijkbaar moeite had om zich te bedwingen, „maar ik wensch te weten wat het ons zal helpen om hier op zoetsappige wijze onze rechtmatige grieven te bespreken. Meent men soms dat de Commissarissen, of de Direkteuren, zich zullen storen aan ons, als wij beleefd met den hoed in de hand naar hen toekomen met verzoek om naar ons te luisteren? Neen, zij zullen ons uitlachen, zooals zij reeds zoo vele malen hebben gedaan. Wat wij moeten doen is hun toonen dat het ons meenens is, en wij moeten hun het mes, als het ware op de keel zetten. Daarom zal ik, zonder meer, een voorstel maken als volgt: „Dat deze vergadering zich verbindt om geene produkten meer naar de Kaapstad te brengen, alvorens hunne grieven verhoord zijn, en hun recht is gedaan.””

Eene mompeling van goedkeuring steeg na deze woorden uit de vergaderde menigte op.

Van Eck vervolgde bedaard: „Naar ik uit goede bronnen vernomen heb, is er op dit oogenblik niet meer dan voor ten hoogste drie weken aan levensmiddelen in de stad, en daar het bestuur voedsel noodig heeft, niet alleen voor zijne ambtenaren,[66]maar ook voor de troepen, moet het, indien dit voorstel aangenomen wordt, binnen drie weken aan onze verzoeken gehoor geven, of anders van honger omkomen; en als zij dan toch halsstarrig willen wezen, wel .… laat ze dan maar verrekken”.

Eenige der aanwezigen bespraken dit voorstel; een zeer enkele vond het wat te kras, maar de meesten waren van opinie, dat dit het eenig middel zou zijn om de Commissarissen te toonen dat men geen „spulletjes” maakte, en ten slotte werd het voorstel aangenomen, met een bijvoeging dat men de burgers uit andere plaatsen ook zou verzoeken zich aan deze bepaling te houden.

De bezigheden waren nu afgeloopen, en de voorzitter verdaagde de vergadering, zeggende dat hij zoo noodig, een verdere vergadering zou bijeenroepen, en men dan kon beraadslagen over verdere maatregelen.

Dat Jan van Eck wel voldaan naar huis ging, blijkt uit hetgeen in zijn dagboek staat, waar hij schrijft: „Heden heb ik een begin gemaakt; als de boel een beetje wil, zal men in de Kolonie binnen kort een aardig grapje zien”.

Doch wat de dagboekschrijver in zijn rede had gezegd, bleek waar te zijn; de bedreiging in zijn voorstel opgesloten, hielp, vooral nadat de vergaderingen[67]in Stellenbosch, Zwartland, Swellendam, en elders zich aansloten bij de besluiten van de Kaapstadsche burgers. Op 13 Juli gaven de Commissarissen de zaak gewonnen; de burgerraad werd erkend als de vertegenwoordiger der kolonisten, en in plaats van dreigementen te gebruiken, vaardigde men eene proklamatie uit, waarin men de burgers verzocht om de regeering met raad en daad te steunen, ten einde tot eene vreedzame oplossing der bestaande moeilijkheden te komen. Voor het oogenblik was deze proklamatie een uitmuntende zet; de Afrikaners toch zijn menschen, die, helaas, te goedvertrouwend zijn, en zelve eerlijk zijnde, ook verwachten dat anderen eerlijk tegenover hen zullen zijn; bovendien zijn zij gemakkelijk te leiden door zachte maatregelen, maar moeilijk te dwingen. De opgewondenheid bedaarde dus, en men meende dat er nu eene verandering ten goede zou komen. Doch het bleek spoedig, dat men zich bitter bedrogen had. Eenige maanden daarna vaardigden de heeren Nederburgh en Frykenius een edikt uit, waarin de belastingen wel op geheel anderen voet werden geplaatst, maar ten slotte even drukkend bleven als vroeger, en daarenboven hadden zij een nieuwe soort van belasting opgelegd, die ontzettend impopulair was, namelijk eene belasting op venduties, de zoogenaamde[68]vendurechten, die meer dan een eeuw in deze kolonie van kracht bleven, en de regeeringen duizenden, en men kan zeggen millioenen van ponden hebben ingebracht.

Toch waren de maatregelen door de Commissarissen genomen in zooverre van nut, dat voor het oogenblik het jaarlijksche te kort in de kas daardoor verminderd werd; doch het was de oude storie in de kolonie: De boer moest voor alles betalen. En ongelukkig doet hij dit van daag nog. Met alle onze veranderingen van regeering stelsels, is men in Zuid-Afrika nog altijd trouw gebleven aan de beginselen van Jan Compagnie; en men heeft het nog nooit zoover kunnen brengen om eene radikale verandering in ons belasting-stelsel te brengen, waaronder de druk der belastingen gelijkelijk verdeeld wordt tusschen den stedeling en den landbewoner.[69]


Back to IndexNext