[Inhoud]HOOFDSTUK IV.HOOFDSTUK IV.Een gewichtige nacht.Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18deeeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er[70]minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun smaak mocht vallen.Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond.In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”.In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren, en werd ten slotte[71]op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen.Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was derGraaff-Reinettersen Swellendammers,[72]en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen, waaraan niemand had gedacht.Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle[73]menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men denke er[74]aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed.Reeds op den 7denFebruari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2denSeptember 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai[75]werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats gelegd. Het laatste bericht dat GouverneurSluijskensuit Holland kreeg werd hier gebracht door deMedemblik, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten.Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist met haaraccordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij[76]nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika.Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding) en dat op den 12denJuni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet;warenwij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting te besturen. De andere[77]man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam vanOranjerivierheeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den 1stenJuni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire[78]talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde„patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten[79]slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen een inval in het land deden.’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden toon.Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil maken in onze houding.”„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker met verwondering aanziet.De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor[80]hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste schot op den loop zal gaan.”„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.”„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”[81]„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.”De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was[82]het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.Kolonel Gordon nam na het vertrek van den[83]Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te worden”.„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe[84]strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt.„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan[85]om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd.Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal[86]Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke intenties zulkgeschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den brief van den admiraal.[87]Kaapstad, 12 Juni 1795.Mijnheer,Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.Ik heb de eer te zijnA. J. SLUIJSKENS.Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot, doch deze vragen zeide de[88]officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het kasteel verlieten.Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in de Kaapstad aanluitenant-kolonelMackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap[89]er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7denFebruari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen tegen een aanval door de Franschen.Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking moest nemen, en volgens de konstitutie van deOost-IndischeCompagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want[90]zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk[91]oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14denJuni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel Gordon behoort te geven.Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.Edele Heer,Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven vereenigdeprovinciënmet hunnen[92]erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat zij hunnegeruïneerdegeldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te brengen.Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 jaren lang heb gediend,[93]mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.R. J. GORDON.Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.JOHN PRINGLE,Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig[94]heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand zoowel als van vriend.[95]
[Inhoud]HOOFDSTUK IV.HOOFDSTUK IV.Een gewichtige nacht.Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18deeeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er[70]minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun smaak mocht vallen.Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond.In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”.In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren, en werd ten slotte[71]op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen.Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was derGraaff-Reinettersen Swellendammers,[72]en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen, waaraan niemand had gedacht.Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle[73]menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men denke er[74]aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed.Reeds op den 7denFebruari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2denSeptember 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai[75]werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats gelegd. Het laatste bericht dat GouverneurSluijskensuit Holland kreeg werd hier gebracht door deMedemblik, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten.Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist met haaraccordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij[76]nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika.Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding) en dat op den 12denJuni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet;warenwij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting te besturen. De andere[77]man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam vanOranjerivierheeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den 1stenJuni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire[78]talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde„patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten[79]slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen een inval in het land deden.’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden toon.Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil maken in onze houding.”„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker met verwondering aanziet.De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor[80]hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste schot op den loop zal gaan.”„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.”„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”[81]„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.”De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was[82]het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.Kolonel Gordon nam na het vertrek van den[83]Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te worden”.„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe[84]strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt.„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan[85]om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd.Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal[86]Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke intenties zulkgeschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den brief van den admiraal.[87]Kaapstad, 12 Juni 1795.Mijnheer,Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.Ik heb de eer te zijnA. J. SLUIJSKENS.Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot, doch deze vragen zeide de[88]officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het kasteel verlieten.Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in de Kaapstad aanluitenant-kolonelMackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap[89]er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7denFebruari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen tegen een aanval door de Franschen.Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking moest nemen, en volgens de konstitutie van deOost-IndischeCompagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want[90]zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk[91]oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14denJuni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel Gordon behoort te geven.Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.Edele Heer,Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven vereenigdeprovinciënmet hunnen[92]erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat zij hunnegeruïneerdegeldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te brengen.Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 jaren lang heb gediend,[93]mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.R. J. GORDON.Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.JOHN PRINGLE,Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig[94]heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand zoowel als van vriend.[95]
HOOFDSTUK IV.HOOFDSTUK IV.Een gewichtige nacht.
HOOFDSTUK IV.
Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18deeeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er[70]minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun smaak mocht vallen.Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond.In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”.In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren, en werd ten slotte[71]op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen.Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was derGraaff-Reinettersen Swellendammers,[72]en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen, waaraan niemand had gedacht.Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle[73]menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men denke er[74]aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed.Reeds op den 7denFebruari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2denSeptember 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai[75]werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats gelegd. Het laatste bericht dat GouverneurSluijskensuit Holland kreeg werd hier gebracht door deMedemblik, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten.Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist met haaraccordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij[76]nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika.Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding) en dat op den 12denJuni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet;warenwij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting te besturen. De andere[77]man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam vanOranjerivierheeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den 1stenJuni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire[78]talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde„patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten[79]slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen een inval in het land deden.’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden toon.Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil maken in onze houding.”„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker met verwondering aanziet.De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor[80]hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste schot op den loop zal gaan.”„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.”„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”[81]„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.”De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was[82]het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.Kolonel Gordon nam na het vertrek van den[83]Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te worden”.„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe[84]strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt.„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan[85]om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd.Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal[86]Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke intenties zulkgeschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den brief van den admiraal.[87]Kaapstad, 12 Juni 1795.Mijnheer,Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.Ik heb de eer te zijnA. J. SLUIJSKENS.Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot, doch deze vragen zeide de[88]officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het kasteel verlieten.Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in de Kaapstad aanluitenant-kolonelMackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap[89]er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7denFebruari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen tegen een aanval door de Franschen.Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking moest nemen, en volgens de konstitutie van deOost-IndischeCompagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want[90]zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk[91]oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14denJuni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel Gordon behoort te geven.Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.Edele Heer,Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven vereenigdeprovinciënmet hunnen[92]erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat zij hunnegeruïneerdegeldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te brengen.Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 jaren lang heb gediend,[93]mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.R. J. GORDON.Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.JOHN PRINGLE,Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig[94]heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand zoowel als van vriend.[95]
Daar de titel van dit verhaal ons, tot op zekere hoogte, bepaalt tot de gebeurtenissen die aan het strand van Tafelbaai hebben plaatsgevonden aan het einde der 18deeeuw en het begin der negentiende eeuw, zijn wij hier verplicht, om een aantal feiten te verzwijgen die betrekking hebben op andere deelen van de Kolonie, maar die toch meer of min uitvoerig zijn beschreven in het dagboek van Jan van Eck. Misschien zullen wij in een later boekje meer over die andere zaken kunnen vertellen, want om onze lezers in ons vertrouwen te nemen, kunnen wij zeggen, dat er genoeg in het dagboek staat, om er[70]minstens een half dozijn verhalen uit te maken. Er is dus, hopen wij nog iets voor hen in het vooruitzicht, als die korte uittreksel uit Jan van Eck’s dagboek in hun smaak mocht vallen.
Toch moeten wij in het kort, een overzicht geven van hetgeen in de Kolonie, zoowel als in Holland, het patria van den kolonist, dat hij nog steeds lief had, al behandelde zijn moederland hem vrij stiefmoederlijk, plaats vond.
In het oosten der Kolonie, en vooral in het distrikt Graaff-Reinet zagen de zaken er bepaald leelijk uit. De burgers waren er zeer onvergenoegd, en de regeering beging er groote fouten met het daarheen zenden van onbekwame en eigenzinnige ambtenaren, zooals de heer Maynier, die de Landdrost van het distrikt was, en wien het niet alleen aan allen takt ontbrak, maar die zelfs eene verachting voor de boeren van die streken scheen te hebben, en een duchtig negervriendje was; en de geschiedenis van Zuid-Afrika heeft steeds bewezen „dat al het onheil komt van Exeter Hall en consorten”.
In het begin van 1795 brak er dan ook in het distrikt Graaff-Reinet eene beweging uit die niets meer of minder was, dan een opstand.
Eene commissie daarheen gezonden door de regeering te Kaapstad, kon niets uitvoeren, en werd ten slotte[71]op beleefde maar dringende wijze door de burgers over de grenzen van het distrikt gezet, en reeds voor dien tijd had Landdrost Maynier het veld moeten ruimen. De burgers kozen nu een eigen bestuur, zoodat feitelijk Graaff-Reinet een onafhankelijk bestuur had, en zij, die deze beweging met zorg nagaan zullen, even als wij dit gedaan hebben, tot de conclusie moeten komen, dat hier reeds in 1795 de eerste zaden zijn gestrooid van de beide republieken, die in de geschiedenis der laatste 70 jaren zulk een belangrijke rol in Zuid-Afrika hebben gespeeld, en dit misschien nog lang zullen doen.
Van Graaff-Reinet verspreidde de republikeinsche geest zich naar Swellendam, waar men insgelijks zeer ontevreden was met den landdrost, den heer Faure, en ook hier werd de landdrost weggejaagd, en vormden de burgers of althans een groot deel van hen, een eigen onafhankelijk bestuur. Uit de feiten in ons dagboek vermeld, blijkt maar al te duidelijk, dat de beweging in deze grensdistrikten heel wat bewonderaars hadden in de Kaapstad, en dat de opstandelingen uitmuntend op de hoogte werden gehouden door de patriotten aan de Tafelbaai, en het zal den oplettenden lezer niet verwonderen als wij zeggen dat onze vrind Jan van Eck een der sterkste ondersteuners was derGraaff-Reinettersen Swellendammers,[72]en hij heel wat correspondentie schijnt te hebben gehouden met de voormannen in elk der twee distrikten. Daaruit blijkt één ding, en dat is, dat die vóórmannen wel degelijk wisten wat zij wilden, en dat zij geenszins zulk een onbekookte hoop dolle mannen waren, als sommige geschiedschrijvers van Zuid-Afrika wenschen uit te maken. Waren de denkbeelden dier voormannen verwezenlijkt, dan was aan ons geliefd land heel wat ellende bespaard geworden. Doch vóór dat zij iets tot stand konden brengen, gebeurde er dingen, die een geheel ander aanzien aan zaken gaven, en die op een weg drongen, waaraan niemand had gedacht.
Om den loop dier zaken geheel te verstaan, moeten wij ons geheel buiten het dagboek begeven, en ons een oogenblik bezig houden met de geschiedenis van Europa, en wel voornamelijk met die van Frankrijk en Holland. In Frankrijk was de regeering van het land steeds slechter geworden sedert den dood van Lodewijk den Zestiende in 1715, en het volk werd op verschrikkelijke wijze uitgemergeld. Aangedreven deels door den wanhopigen toestand waarin zij verkeerden, en deels door de geschriften van mannen als Rousseau, Diderot, Voltaire en anderen, die schreven omtrent de natuurlijke rechten van den mensch, en beweerden dat volgens de natuur alle[73]menschen vrij waren, gelijke rechten hadden, en broeders van elkander waren, stond het Fransche volk in 1789 op en begon die vreeselijke groote revolutie, de gevolgen waarvan nog steeds zichtbaar zijn in alle landen van Europa, en die geheel nieuwe maatschappelijke en staatkundige begrippen in het leven heeft geroepen. Toen de republiek Frankrijk nu gevormd was, en de Franschen hunnen koning en hunne koningin op het schavot hadden doen omkomen, geraakte Frankrijk in oorlog met verscheidene andere mogendheden van Europa, waarbij ook de Nederlanden zich aansloten. De krijg werd echter ongelukkiglijk gevoerd door de mogendheden, en de Franschen trokken in het begin van 1795 Holland binnen en veroverden dit land in korten tijd. De stadhouder Willem de Vijfde moest voor hen naar Engeland vluchten, en nu werd Holland eene republiek, onder bestuur van een Raadpensionaris, en kreeg den naam van de Bataafsche Republiek.
Reeds in het jaar 1793 schijnt men in Engeland het plan gekoesterd te hebben om zich meester te maken van de Kaap de Goede Hoop, dat voor het Engelsche rijk van groote waarde was, omdat zij daardoor den zeeweg naar hunne bezittingen in Indië zouden kunnen beschermen, want men denke er[74]aan dat er toen nog geen Suez-Kanaal was, en de eenige weg naar de Oost dus langs de Kaap liep. Daar echter nog in dat jaar Holland een bondgenoot was van Engeland, ging het niet voor het laatste land, om de bezittingen van haren bondgenoot te vermeesteren, en wachtte men dus op eene schoone kans, die zich dan ook spoedig voordeed.
Reeds op den 7denFebruari van het jaar 1795 kwam hier een brief aan van de Oost-Indische Compagnie, waarin de regeering werd gewaarschuwd dat de zaken in Holland hachelijk stonden, en dat men zich in de volkplanting moest gereed houden tegen een aanval van eenige Europeesche natie. Op dien datum waren de heeren Nederburgh en Frykenius niet meer in de Kolonie. Deze hadden in September 1793 Zuid-Afrika verlaten, en zich naar Indië begeven, nadat zij als Gouverneur hier hadden aangesteld een oud Indisch ambtenaar, die toevallig in de Kaap was, op weg naar Holland, daar zijne gezondheid hem verplicht had om zijne betrekking in Indië neer te leggen. De naam van dezen ambtenaar was Abraham Josias Sluijskens, en op den 2denSeptember 1793 aanvaardde hij hier het bestuur, en zijn eerste werk was om de Kolonie in zulk een goed mogelijken toestand van verdediging te brengen. Bij Simonsstad, bij de Kaapstad en bij Houtsbaai[75]werden nieuwe forten gebouwd, en eene bezetting van 130 man werd in eerstgemelde plaats gelegd. Het laatste bericht dat GouverneurSluijskensuit Holland kreeg werd hier gebracht door deMedemblik, die op 12 April hier aankwam. Juist in dien tijd was èn te Graaff-Reinet èn te Swellendam het oproer in lichtelaaie vlam uitgebroken. Na deze zeer korte verklaring van den algemeenen toestand van zaken, kunnen wij ons verhaal voortzetten.
Vele mijner lezers zullen waarschijnlijk het Kasteel in de Kaapstad kennen, zoo niet van binnen, dan ten minste van buiten. Het is nog een der weinige oude gebouwen, die ons doen herinneren aan den ouden Hollandschen tijd, en schoon meermalen met sloping bedreigd, is men er tot nu toe in geslaagd om dit gedenkteeken te doen bewaren, en heeft men de hand der nieuwe eeuw, die alles tracht te vernietigen, wat niet juist met haaraccordeert, tegengehouden. Er zijn voor de Afrikaners vele herinneringen verbonden aan dat oude kasteel, aangename zoowel als treurige. Wat de laatste aangaat zoo was het daar dat Adriaan van Jaarsveld, de dappere kommandant van Graaff-Reinet, den dood van een gevangene vond, en daardoor die lange rij van slachtoffers opende, het einde waarvan wij[76]nog lang niet schijnen te hebben aanschouwd in Zuid-Afrika.
Wij wenschen onze lezers op het kasteel te brengen (natuurlijk in de verbeelding) en dat op den 12denJuni van het jaar 1795. Het uur dat wij voor dat bezoek kiezen is een beetje laat of liever gezegd een beetje vroeg, want het is half één in den morgen, en de groote zaal waarin wij u leiden, is flauw verlicht door een drietal vetkaarsen, die op koperen blakers branden, staande op een lange groene tafel, de tafel waaraan gewoonlijk de vergaderingen van den politieken raad worden gehouden. Op het oogenblik zit de raad niet;warenwij een minuut of tien vroeger gekomen, dan zouden wij hier zes leden er van in vergadering hebben gevonden. Thans echter zijn er maar twee leden nauwelijks zichtbaar in het half doffe kaarslicht. Beide zitten bij de tafel in groote stoelen met hooge leuningen, en zij schijnen in een ernstig gesprek te zijn gewikkeld. Daar die kleine man, wiens haren reeds wit grijs zijn van ouderdom, en wiens vermagerd gelaat een geelvale kleur heeft, zooals gij dikwijls ziet bij menschen, die een langen tijd in de Oost hebben doorgebracht is niemand anders dan Gouverneur Sluijskens, op wien de zware taak rust om deze volkplanting te besturen. De andere[77]man is iemand van krachtigen lichaamsbouw, wiens geheel uiterlijk den militair verraadt, en wiens gebronsd gelaat, dat in het kaarslicht schijnt te blinken, bewijst dat veel van zijn leven in de opene lucht is doorgebracht. Als gij hem voor een reiziger aanziet, dan zoudt gij het zoover niet mis hebben, want Kolonel Robert Jacob Gordon, is inderdaad een man die den naam van ontdekker verdient, als zijnde hij de man die het eerst de groote rivier ten noorden der Kolonie heeft bevaren, en die den naam vanOranjerivierheeft gegeven; daarenboven heeft hij nog verscheidene tochten in het Noordelijk deel der kolonie gemaakt, die veel ertoe hebben bijgedragen om ons bekend te maken met de verschillende inboorlingen stammen, die dat deel van Afrika bewonen. Sedert iets meer dan een jaar is hij de opperbevelhebber der troepen in Zuid-Afrika, en bekleedt dus den tweeden rang na den gouverneur. Hij is uit Schotsche ouders gesproten, maar in Holland geboren, was vroeger een lid van een regiment Schotten dat in dienst genomen was door de Staten-Generaal der Nederlanden, maar trad later in dienst van de Oost-Indische Compagnie, en kwam op den 1stenJuni 1777 te Kaapstad aan met den rang van kapitein, en sedert die dagen heeft hij heel wat rondgereisd. Proeven van groote militaire[78]talenten of van krijgshaftigheid heeft hij nooit nog kunnen geven, maar hij is bekend als een vurige aanhanger van het Huis van Oranje, en dat is in dagen, waar het in de Kolonie wemelt van zoogenaamde„patriotten” van niet weinig aanbeveling in regeeringskringen. Hij en de gouverneur zijn achtergebleven, en beraadslagen nog over den toestand der Kolonie, want er zijn heden gewichtige tijdingen gekomen. Toch, iets over achten gisteren avond is van uit Simonsstad een ruiter in vliegenden galop bij het kasteel aangekomen met een brief van den heer Jan Hendrik Brand, de Resident te Simonsstad, waarin deze aan den gouverneur berichtte dat dien middag een groot aantal vreemde schepen in de Baai Fals waren aangekomen; dat hij, Brand, daarop een luitenant naar een der schepen had afgezonden, doch dat deze blijkbaar door den onbekenden vijand was gevangen genomen, want hij was niet weder teruggekomen. De heer Sluijskens had op ontvangst van deze tijding dadelijk den raad bijeen geroepen, en om half tien of iets daarna had de vergadering plaats gevonden, zijnde tegenwoordig de Gouverneur, Kolonel Gordon, de secunde, (de heer J. I. Rhenius), en de heeren J. J. le Sueur, W. F. van Reede van Oudtshoorn, en W. S. van Rijneveld. Op die vergadering was heel wat besproken, en had men ten[79]slotte besloten om overal alarmsignalen te doen geven, waardoor den burgers zou aangekondigd worden, dat er gevaar was, en dat zij zoo spoedig mogelijk naar de Kaapstad moesten komen, en als gij nu naar buiten kondet zien, zoudt gij bemerken dat op Tijgerberg, alsook, reeds in de verte op de bergen van Stellenbosch, de vuurbakens branden om de burgers aan te toonen dat de vijand op handen is, evenals de oude Schotten, eeuwen geleden, dergelijke vuren gebruikten om de clans samen te roepen, als de Engelschen een inval in het land deden.
’t Is nu met den bevelhebber der troepen, dat de gouverneur nog raad pleegt over de te nemen maatregelen, maar hij kan op het oogenblik nog niet heel duidelijk uitmaken wie de vreemdelingen kunnen zijn.
„Het zijn òf de Franschen òf de Engelschen, maar wie van de twee?” vraagt hij op veelbeteekenenden toon.
Kolonel Gordon glimlacht op eene bizondere wijze. Hij antwoordt langzaam in zijn Hollandsch, dat een vreemd accent heeft: „Het hangt er natuurlijk veel van af wie zij zijn, want dat kan een groot verschil maken in onze houding.”
„Wat bedoelt gij, kolonel?” vraagt Sluijskens op scherpen toon, terwijl hij den spreker met verwondering aanziet.
De kolonel schijnt een oogenblik te aarzelen voor[80]hij antwoordt: „Wel, de vraag is bij mij, of het misschien niet in het belang van het Huis van Oranje zou zijn om de Kolonie onder de bescherming te stellen van de Engelschen, totdat de zaken een beteren loop hebben genomen. Zij zullen dan ongetwijfeld beter in staat zijn om de Kaap tegen de Franschen te beschermen, dan wij dit thans zouden kunnen doen met het handjevol volk, dat wij hier hebben, en dat misschien op het eerste schot op den loop zal gaan.”
„Dat mag misschien zoo zijn,” hervatte de Gouverneur, „maar dat is iets dat ik niet in consideratie kan nemen, want mijne instructies luiden om de kolonie tot het uiterste te verdedigen tegen elken vijand, hoe ook genaamd. Gij hebt dat zelf gelezen in den brief van den heer Guepin, die wij in Februari hebben ontvangen.”
„Dat is reeds vijf maanden geleden en sedert dien tijd kan er veel in Europa gebeurd zijn,” hernam de kolonel.
Sluijskens zweeg, en toen eenige papieren bij elkaar gaderende, zeide hij: „Ik ben erg moede, kolonel, en ga wat rust zoeken; er zal morgen nog heel wat te doen zijn, want dan zullen wij wel weten wie wij voor ons hebben. Ik wensch u dus een aangename nachtrust.”[81]
„Voor mij is er hedenavond geen rust, want ik moet nog heel wat orders uitschrijven, en dat zal ik maar zoolang hier doen, als UEd. mij dat vergunt, aangezien schrijfmateriaal hier gereed ligt. Intusschen hoop ik, dat UEd. wel rusten zult.”
De Gouverneur knikte even met het hoofd ten teeken van goedkeuring en verwijderde zich toen. Zoo wij hem hadden gevolgd, zouden wij hem bij zich zelven hebben hooren mompelen: „Hij weet van meer dan hij zeggen wil. Waar zou hij zijne informatie hebben opgedaan?”
Als de heer Sluijskens wat beter had nagedacht, dan zou hij zich herinnerd hebben, dat er zich sedert de laatste achttien maanden in de Kaapstad bevond een zekere heer Pringle, die hier was gekomen als de Agent der Engelsche Oost-Indische Compagnie, met het doel, zooals zijne geloofsbrieven luidden, om de handelsbelangen der Compagnie aan de Kaap te beschermen, wat op het oog zeer mooi leek, want er was geen twijfel, of een aantal schepen dier Compagnie deden de Kaap aan om ververschingen te krijgen of de noodige reparatiën te doen, en ook was er reeds menig schip van de Compagnie langs de Afrikaansche kust gestrand, zoodat de aankomst van den heer Pringle volstrekt geen argwaan wekte. Maar wat wel argwaan had kunnen wekken, was[82]het feit, dat de heer Pringle ontzettend veel geld scheen te hebben, en dat hij zeer vrijgevig daarmede was. Met den heer Sluijskens was hij wel bevriend, maar toch hield hij zich meer of min op een afstand van dezen; met de minder hooggeplaatste ambtenaren was hij echter op blijkbaar zeer intiemen voet, en men zag hem dikwijls in gezelschap van den heer Van Rijneveld, een der leden van den Politieken Raad, zoowel als in dat van kolonel Gordon. In het dagboek wordt den naam van den heer Pringle verscheidene malen genoemd, op eene wijze, die wij maar liever niet zullen aanhalen, maar het is duidelijk, dat Van Eck, die goed op de hoogte van zaken was, hem geenszins vertrouwde en als wij daarmede in verband stellen het feit, dat eenige maanden later, toen het Engelsche komplot in de Kolonie gelukt was, de Engelsche bevelhebber alhier, die reeds geruimen tijd in het vertrouwen was genomen door zijne regeering, eene aanbeveling zond, waarin hij eene belooning voorstelde aan den heer Pringle, voor de gewichtige diensten, door deze aan den lande gedaan gedurende zijn verblijf alhier, dan kunnen wij de gevolgtrekking hiervan, meenen wij, gerust in handen van onze lezers overlaten. Maar laten wij tot ons verhaal teruggaan.
Kolonel Gordon nam na het vertrek van den[83]Gouverneur, eenige papieren, en begon niet ijver te schrijven, maar na verloop van een halfuur of zoo, scheen het koude weer, (want daar buiten blies een zeer kille Zuidooster) hem aantedoen, en hij luidde een op de tafel staand klokje, waarop de korporaal van de wacht kwam vragen, wat ZEd. begeerde. „Zie of gij mij wat brandewijn en warm water kunt bezorgen, korporaal”, luidde het bevel van den kolonel, „’t is hier zoo drommels koud dat ik bijna geen letter meer kan schrijven”. De korporaal zeide dat hij zou zien wat hij op dit gebied kon doen, schoon op dit nachtelijk uur er wel wat moeite aan zou verbonden zijn om den kolonel een „ponsch” te bezorgen, en daarop ging hij heen. Vijf minuten later kwam hij terug, met leege handen, maar met een ernstig gezicht, en salueerende, en een stijf militaire houding aannemende, sprak hij: „Kolonel, er is bij de poort van het kasteel, een boodschapper van Simonsstad, die een brief brengt aan den Gouverneur van den resident van Simonsstad, en die verder vergezeld is van een Engelschen officier. Zij wenschen in het kasteel toegelaten te worden”.
„Een Engelsch officier”, riep Gordon met eenige verbazing uit, en nauw hoorbaar voegde hij er in het Engelsch bij: „Dan had Pringle toch recht”. „Neem den officier, en den boodschapper onder uwe[84]strenge bewaking in het wachthuis, en laat niemand toe met ze te spreken. Laat dan den Gouverneur wekken, en vertel hem wat er gaande is. Gij kunt hem zeggen, dat ik nog hier ben in de raadkamer”.
Toen de korporaal vertrokken was om zijne bevelen ten uitvoer te brengen, bleef Gordon, met het hoofd op de handen gesteund eenigen tijd in diepe gedachten verzonken, en uit die overpeinzing werd hij eerst gestoord, door het binnenkomen van den heer Sluijskens die op het vernemen van het gebeurde dadelijk uit zijn bed was gesprongen en zich in aller ijl had gekleed, zoo ijlig zelfs dat hij niet eens zijn pruik had opgezet, maar zijn ietwat kaal hoofd slechts met een zwart kalotje had bedekt.
„Kolonel, zoudt gij zoo goed willen zijn om dadelijk stappen te nemen om boodschappers aan de leden van den raad te zenden, en ze te verzoeken zonder verwijl naar het Kasteel te komen om eene dringende vergadering bij te wonen; ik zal zoolang de kennisgeving uitschrijven”.
Op deze woorden van den Gouverneur ging de kolonel uit om een boodschapper onder een der soldaten te krijgen, en deze werd kort daarop te paard weggezonden met de door Sluijskens uitgeschrevene kennisgeving, ten gevolge waarvan[85]om half drie dien morgen de raad weder was vergaderd.
Voor de formeele bezigheden van den raad begonnen, verwijderde de kolonel zich even, en begaf zich naar het wachthuis om te zien of de Engelsche officier en de boodschapper daar waren, gereed om in vergadering te verschijnen als zij daartoe opgeroepen werden. De Engelsche officier hoorde een der manschappen den kolonel met zijn titel aanspreken, en trad toen naar voren, met de woorden „Mijnheer, als gij kolonel Gordon zijt, dan heb ik hier een brief voor u”, en met deze woorden overhandigde hij den kolonel een blauwe enveloppe, die zeer behendig en zonder dat iemand het gebeurde bemerkte door den kolonel in zijn borstzak werd verborgen, waarop hij eenige orders gaf aan den korporaal van de wacht, en toen zijne schreden richtte naar de raadkamer, waar de vergadering juist door den gouverneur was geopend.
Het bestek van dit verhaal verhindert ons ongelukkig om hier al de bijzonderheden optegeven van hetgeen in deze merkwaardige vergadering plaats vond, en wij moeten ons bepalen tot een kort overzicht.
Toen de bode en de Engelsche officier in de raadkamer werden gebracht, overhandigde deze laatste de brieven, die hij had mede gebracht van Admiraal[86]Elphinstone, den bevelhebber der Engelsche vloot, thans liggende in de Simonsbaai. Drie dezer brieven waren korte beleefde briefjes van de directeuren der Engelsche Oost-Indische Compagnie, de derde was een uitnoodiging van den Engelschen Admiraal aan den Gouverneur, waarin deze werd verzocht om den Admiraal een bezoek op diens schip te brengen, daar deze belangrijke depêches van den Stadhouder had voor den gouverneur. De raad besloot dat de gouverneur deze uitnoodiging niet kon aannemen, daar men niet wist met welke intenties zulkgeschiedde, en een der leden liet zich niet oneigenaardig uit, door te zeggen, dat het gemakkelijk gebeuren kon, dat als de gouverneur aan boord van het Engelsche admiraalschip ging, men hem daar hield als een soort van gijzelaar. Wat sommige der leden trof, was het feit dat kolonel Gordon weinig of geen aandeel nam aan de discussie, en daarentegen zeer afgetrokken scheen, als of zijne gedachten met iets geheel anders bezig waren. De gouverneur schreef daarop in het ruw, het volgende briefje, dat hij aan den raad voorlas, en nadat deze dit goedgekeurd had, verzocht hij den secretaris om het over te schrijven, en het dan aan den Engelschen officier te geven als antwoord op den brief van den admiraal.[87]
Kaapstad, 12 Juni 1795.Mijnheer,Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.Ik heb de eer te zijnA. J. SLUIJSKENS.
Kaapstad, 12 Juni 1795.
Mijnheer,
Vernomen hebbende door den resident te Baai Fals, en door den heer, dien UEd. gezonden heeft, van UEds verlangen om mij en kolonel Gordon te zien, en ons zeer belangrijk nieuws mede te deelen, zoowel als ons een brief te overhandigen, geschreven door zijne Doorluchtige Hoogheid, den Prins van Oranje, Stadhouder der Republiek, zoo spijt het mij daarop te moeten antwoorden, dat het op dit tijdstip niet doenlijk is voor mij om de Kaapstad te verlaten, noch kan ik mij thans ontrieven van den opperbevelhebber onzer troepen. Ik ben dus verplicht om UEd. te verzoeken zoo goed te zijn om mij deze depêche zoowel als uwe informatie te zenden door een door UEd. vertrouwd persoon.
Ik heb de eer te zijn
A. J. SLUIJSKENS.
Toen deze brief geschreven was, werd de heer Ross, zooals de Engelsche officier heette, en die eigenlijk de private secretaris van den Admiraal was, weder in de kamer gelaten, en deed men hem eenige vragen omtrent den toestand in Europa, en omtrent de destinatie der vloot, doch deze vragen zeide de[88]officier niet te kunnen beantwoorden daar zijne instructien slechts luidden om den brief zonder meer te overhandigen. Men begreep dan ook deze positie, en overhandigde hem het antwoord van den heer Sluijskens, waarop men hem ongehinderd liet gaan.
Zoo liep deze vergadering van den raad af, en de zon ging juist op toen de leden het kasteel verlieten.
Maar daarmede was de zaak nog geenszins afgeloopen. Den volgenden morgen kwamen in de Kaapstad aanluitenant-kolonelMackenzie, van het 78ste regiment van het Engelsche leger, de heer Ross, en de zeekapitein Hardy, en deze brachten nieuwe brieven, zoowel voor den Gouverneur, als voor den heer Gordon. De eerste brief aan den gouverneur was een gezamentlijke brief onderteekend door Admiraal Elphinstone, en Generaal Craig, den bevelhebber der zich aan boord bevindende Engelsche troepen, waarin zij eene beschrijving gaven van den toen in Europa heerschenden toestand, en vertelden dat Holland door de Franschen was veroverd en de Stadhouder naar Engeland was gevlucht, en dit was het eerste bericht dat men in de Kaap over het gebeurde kreeg. Toch waren de feiten in den brief van de Engelsche bevelhebbers niet geheel juist, want zij verzwegen het voorname feit, dat de Franschen met opene armen in Holland waren ontvangen, en dat het stadhouderschap[89]er afgeschaft was, zoodat Holland thans eene republiek was, waar de Prins van Oranje absoluut niets meer te zeggen had. Dit zou dan ook geenszins in de kraam der Engelschen zijn te pas gekomen, want de tweede brief door hen overhandigd bevatte een bevel van den Prins van Oranje, gedateerd uit Kew in Engeland op den 7denFebruari 1795, waarin aan den heer Sluijskens gelast werd om de troepen van den Koning van Engeland toetelaten in de forten en versterkte plaatsen in de Kolonie, en hen te ontvangen als vrienden, daar de Engelschen gekomen waren om de Kolonie te beschermen tegen een aanval door de Franschen.
Men kan begrijpen, dat deze brieven heel wat consternatie in den Politieken Raad veroorzaakten. De leden waren allen sterk Prins gezind, en genegen om gehoor te geven aan de bevelen van den Stadhouder, maar het feit dat deze een vluchteling in Engeland was, en dat men dus niet wist hoever zijne macht nog strekte, was ook iets dat men in aanmerking moest nemen, en volgens de konstitutie van deOost-IndischeCompagnie, zoowel als die van Holland kon de Prins niet op eigen houtje handelen, zonder de direkteuren in het eene geval, of zonder de autoriteit van de Staten Generaal in het tweede geval. Men moest dus zeer voorzichtig wezen, want[90]zoo men verkeerde stappen nam, en de zaken anders uitdraaiden dan men op het eerste oog meende, dan was er kans dat zij, die de Kolonie zoo voetstoots aan eene vreemde mogendheid hadden overgegeven, als verraders zouden gestraft worden, en die kans wilde zelfs een Gordon of een van Rijneveld niet staan, om niet te spreken van den gouverneur zelf, die een man was, gedetermineerd om, kome wat kome, zijne instruktien letterlijk te volgen. Men besloot dus, dat het beste zou zijn, om te trachten tijd te winnen, en om die reden zond men een antwoord aan de Engelsche bevelhebbers ten effekte dat men de Engelsche vloot zou voorzien met de noodige levensmiddelen, en dat met dat doel kleine ongewapende troepjes Engelschen aan land te Simonsstad mochten komen. Verder bedankte men de Engelschen op zeer beleefde wijze voor hun aanbod om de kolonie te beschermen, maar gaf hen tevens te kennen dat men voldoende troepen had om dit zelf te doen, maar zoo noodig zou men graag willen weten hoeveel man de Engelschen konden leveren. Deze laatste vraag, die natuurlijk met geen ander doel werd gedaan dan om uittevinden wat werkelijk de sterkte der Engelschen was, werd onbeantwoord gelaten, want inderdaad was de Engelsche macht op dat oogenblik vrij zwak, maar verwachtte zij elk[91]oogenblik Generaal Clarke uit West-Indië met een aanzienlijke vloot, en een sterk leger.
Kolonel Gordon had gestemd voor deze besluiten die op den 14denJuni werden genomen. Doch nauwelijks was de raad verdaagd of hij schreef den volgenden brief aan Admiraal Sir George Elphinstone, dien hij medegaf aan de drie heeren die den officieelen brief van den raad meenamen. Als onze lezers dien brief zorgvuldig lezen, dan zullen zij wel hun eigene opinie kunnen vormen, over den naam die de geschiedenis aan kolonel Gordon behoort te geven.
Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.Edele Heer,Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven vereenigdeprovinciënmet hunnen[92]erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat zij hunnegeruïneerdegeldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te brengen.Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 jaren lang heb gediend,[93]mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.R. J. GORDON.
Kaap de Goede Hoop, 14 Juni 1795.
Edele Heer,
Ik had de eer door den heer Farquhar te ontvangen den brief van den heer Scott, en door den heer Ross, uwe geachte missive. Ik betreur ten hoogste den ongelukkigen toestand van zaken in Holland, en heet u hartelijk welkom in deze kolonie, daar ik met het grootste genoegen uit uwe officieele geschriften gelezen heb, dat het plan is om gezamentlijk een vijand te verjagen, die de kolonie wenscht te ontrooven aan haren wettigen souverein, de Republiek der zeven vereenigdeprovinciënmet hunnen[92]erfstadhouder, den Prins van Oranje, volgens onze oude constitutie, waarop ik een eed heb afgelegd; en die voor hen te bewaren; en gij kunt ervan verzekerd zijn dat ik alles in mijn vermogen zal doen om deze mijne plicht te vervullen. Het spijt mij verder zeer, dat een onvergeeflijke misslag van den bevelhebber van ons fregat de oorzaak is geweest van een groote opgewondenheid door het geheele land, hetwelk mag ik er bij voegen, nog vermeerderd wordt door kwaadwillige personen, die denken dat zij hunnegeruïneerdegeldzaken zullen herstellen door het steunen van fransche beginselen en anarchie, en door anderen, die door de gezegden van deze laatsten worden medegesleept. Maar dit is nu eenmaal het geval, en op dit oogenblik is voorzichtigheid noodig om de zaken tot een behoorlijk einde te brengen.
Het doet mij zeer leed, dat ik tot nu toe niet bij u aan boord kan komen om u een bezoek te brengen, maar ik ben een ondergeschikte. Wees echter verzekerd Sir George, dat ik onze zaak zal steunen met al mijn macht, en dat ik een haat heb aan de Fransche denkbeelden, en als onze ongelukkige republiek, waar ik geboren ben, en die ik 42 jaren lang heb gediend,[93]mocht komen te vallen hetgeen God verhoede, kunt gij er zeker van zijn dat ik een Brit ben.
Ik heb de eer een brief in te sluiten van den heer Pringle, die tot mijn spijt niet hier is, daar hij zeer nuttig zou kunnen zijn en verblijf verder met eerbied, enz.
R. J. GORDON.
Het ingesloten briefje van den heer Pringle luidde als volgt:
„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.JOHN PRINGLE,Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.
„Omstandigheden hebben het voor mij noodig gemaakt deze plaats te verlaten, maar ik beschouw het raadzaam om te verzekeren aan eenigen opperbevelhebber van de Britsche macht, die hier mocht aankomen dat het meest absolute vertrouwen mag worden gesteld in de eer, de loyaliteit, en de beginselen van kolonel Gordon, en dat men derhalve onder alle omstandigheden met hem mag onderhandelen”.
JOHN PRINGLE,Agent voor de edele de O. I. Compagnie van Engeland.
Zoo werd er in Zuid-Afrika gehandeld in 1795; wij zouden graag wenschen te kunnen zeggen, dat in 1901 niet zoo werd gehandeld, maar ongelukkig[94]heeft de geschiedenis van de laatste twee jaar bewezen dat mannen van Gordons soort nog niet uit dit werelddeel verdwenen zijn. De eenige troost, die men echter hebben kan, is, dat de geschiedenis, die in den loop der tijden haar oordeel velt over alle menschen, goede zoowel als slechte, ook over de Gordons en van Rijnevelds van heden, haar oordeel zal vellen, en zij dan door het nageslacht zullen worden veracht met die verachting, die ten slotte alle zoodanige verraders ten deel vallen van vijand zoowel als van vriend.[95]