[Inhoud]HOOFDSTUK V.HOOFDSTUK V.Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.Het is den avond van den 6denAugustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes;in plaatsvan net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel[96]dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in eensoldatenkampzijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de Baai Fals.Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, òf verzaakt moedwillig zijn plicht.[97]En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden[98]van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen te worden.Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond.[99]Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel jaren hadden gestreden,[100]en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen.Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner daden worden geroepen.De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie[101]op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen vanGraaff-Reineten Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde.De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van eenigen[102]rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard.Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk,[103]en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone op den 9denJuli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen.Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3deneen nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij er op den avond[104]van den 6denAugustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk.Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem verlof gaf, op[105]eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”.„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,”zegt de luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is nuttelooze tijdverspilling”.„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet...” (Blz. 105).„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet …” (Blz. 105).„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”.„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere[106]luitenant,„en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”.„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit,„wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”.„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds sedert den 20stenvan de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.[107]„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon van verbazing.„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan.„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar die dingen zien, luitenant?”„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven[108]omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair het groepje.„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck,„en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”.Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom van den heer Van Reenen zelf.[109]Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werdengeïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche[110]schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard[111]waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete.De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk schot vast en moesten daar[112]uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne[113]positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78steregiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van[114]den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een heftig vuur op de niets vermoedende Britten met[115]het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken[116]zij een verzoekschrift aan denGouverneurop, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10denAugustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen.Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht[117]aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen van de Engelschen spelen.”Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4denSeptember de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14denvan die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend[118]bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven.Op den 16denSeptember 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.[119]
[Inhoud]HOOFDSTUK V.HOOFDSTUK V.Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.Het is den avond van den 6denAugustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes;in plaatsvan net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel[96]dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in eensoldatenkampzijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de Baai Fals.Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, òf verzaakt moedwillig zijn plicht.[97]En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden[98]van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen te worden.Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond.[99]Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel jaren hadden gestreden,[100]en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen.Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner daden worden geroepen.De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie[101]op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen vanGraaff-Reineten Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde.De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van eenigen[102]rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard.Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk,[103]en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone op den 9denJuli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen.Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3deneen nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij er op den avond[104]van den 6denAugustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk.Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem verlof gaf, op[105]eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”.„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,”zegt de luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is nuttelooze tijdverspilling”.„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet...” (Blz. 105).„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet …” (Blz. 105).„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”.„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere[106]luitenant,„en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”.„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit,„wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”.„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds sedert den 20stenvan de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.[107]„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon van verbazing.„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan.„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar die dingen zien, luitenant?”„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven[108]omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair het groepje.„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck,„en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”.Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom van den heer Van Reenen zelf.[109]Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werdengeïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche[110]schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard[111]waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete.De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk schot vast en moesten daar[112]uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne[113]positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78steregiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van[114]den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een heftig vuur op de niets vermoedende Britten met[115]het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken[116]zij een verzoekschrift aan denGouverneurop, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10denAugustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen.Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht[117]aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen van de Engelschen spelen.”Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4denSeptember de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14denvan die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend[118]bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven.Op den 16denSeptember 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.[119]
HOOFDSTUK V.HOOFDSTUK V.Jan van Eck wordt soldaat, en vecht mee.
HOOFDSTUK V.
Het is den avond van den 6denAugustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes;in plaatsvan net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel[96]dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in eensoldatenkampzijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de Baai Fals.Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, òf verzaakt moedwillig zijn plicht.[97]En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden[98]van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen te worden.Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond.[99]Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel jaren hadden gestreden,[100]en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen.Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner daden worden geroepen.De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie[101]op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen vanGraaff-Reineten Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde.De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van eenigen[102]rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard.Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk,[103]en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone op den 9denJuli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen.Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3deneen nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij er op den avond[104]van den 6denAugustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk.Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem verlof gaf, op[105]eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”.„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,”zegt de luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is nuttelooze tijdverspilling”.„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet...” (Blz. 105).„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet …” (Blz. 105).„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”.„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere[106]luitenant,„en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”.„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit,„wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”.„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds sedert den 20stenvan de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.[107]„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon van verbazing.„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan.„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar die dingen zien, luitenant?”„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven[108]omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair het groepje.„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck,„en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”.Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom van den heer Van Reenen zelf.[109]Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werdengeïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche[110]schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard[111]waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete.De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk schot vast en moesten daar[112]uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne[113]positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78steregiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van[114]den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een heftig vuur op de niets vermoedende Britten met[115]het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken[116]zij een verzoekschrift aan denGouverneurop, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10denAugustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen.Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht[117]aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen van de Engelschen spelen.”Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4denSeptember de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14denvan die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend[118]bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven.Op den 16denSeptember 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.[119]
Het is den avond van den 6denAugustus 1795, en wij zullen u vragen, waarde lezers om in gedachten met ons mede te gaan naar een plek, die heden een der voorname badplaatsen van Zuid-Afrika is, maar op genoemden datum slechts een soort van visschersstatie was, waar zeer weinige lieden woonden. In plaats van sierlijk aangekleede heeren en dames, en van badwagentjes;in plaatsvan net gebouwde villas, die den indruk maken dat de bewoners menschen van goeden doen zijn, die in weelde leven; in plaats van dat alles dat gij heden vindt te Muizenberg, zien wij er op den zooeven gemelden datum een tooneel[96]dat lang niet zoo vreedzaam is. Een eerste oogopslag toch bewijst ons dat wij in eensoldatenkampzijn, dat gedeeltelijk gelegen is op de vlakte aan deze zijde van het strand, maar ook gedeeltelijk in de nauwe pas, die gelegen is tusschen den steilen Muizenberg en de wateren van de Baai Fals.
Wat ons echter op het eerste oog treft, is, dat het kamp zoo weinig versterkt schijnt, en er niet die schikkingen getroffen zijn, die wij tegenwoordig gewoon zijn in een soldatenkamp te vinden. Er staan tusschen de zee en den berg eenige kanonnen, meest van klein kaliber, dingetjes, die op ons, gewoon aan de gegoten reuzen van den tegenwoordigen tijd, den indruk maken van speelgoed; er zijn maar twee stukken van vier-en-twintig ponden elk; de andere zijn zeven- en vijfponders, wier kogels geen 1000 treden zouden halen.
En hoe open en bloot staan die kanonnen, en zelfs het geheele kamp? Wij zijn geen generaals of geen officieren der genie, doch het schijnt ons toch toe, dat het heel wat beter en doelmatiger zou zijn, als dit kamp met een hoogen aarden wal was omringd, of ten minste die kanonnen waren beschut door wat aarden wallen. De man die voor den hier heerschenden toestand verantwoordelijk is, heeft òf geen besef van de krijgskunde, òf verzaakt moedwillig zijn plicht.[97]
En voor de gerieven zijner manschappen schijnt hij ook maar zeer slecht te zorgen. Een vijf- of zestal tenten, meest met gaten en deerlijk gehavend, is alles wat wij zien in den vorm van beschutting, en dit waarlijk in den winter, wanneer de wind hier ijskoud kan waaien, of zware regenbuien den armen soldaat door broek en baatje dringen. Kijk eens, daar hebben de manschappen, om zich zelven toch eenigszins te helpen, een soort van schuiling gemaakt van boschjes en wat klippen, en aan de opgerolde kombaarsen merken wij, dat dit hun slaapplek is. Dat is toch wel een beetje erg bar, vindt gij het ook niet?
Buiten langs het kamp loopen er een half dozijn schildwachten op en neder, op half zorgelooze wijze en reeds de eerste blik doet ons zien, dat deze mannen niet geregelde troepen zijn, of gewoon aan krijgstucht en orde. Hunne lange zware roeren, de meesten waarvan ons doen herinneren aan de oude „sanna’s”, die zes op een pond schieten, en die onze gedachten doen teruggaan naar de museums, waar wij ze wel eens gezien hebben, dragen zij op een zorgelooze manier, en hun gang heeft niets militairs in zich. Wel, dat is dan ook niet te verwonderen, want zij zijn geen soldaten van beroep, maar de meesten hunner zijn boeren, eigenaars van honderden[98]van morgen gronds, koningen op dien grond, en slechts gehoorzaam aan de regeering, die hen heeft opgeroepen om het land te verdedigen. Zij hebben het erg te kwaad met die regeering, die hen jaren lang heeft onderdrukt, maar toch verkiezen ze die tirannieke regeering boven dien van den trotschen Brit, den erfvijand hunner voorvaderen, den bewoner van het rijk, dat eerst groot is geworden, nadat het een Hollander tot koning had gehad. Niet allen echter zijn boeren; er zijn ook een aantal Kapenaars onder hen, mannen, die met de pen beter terecht kunnen dan met het zware roer, doch ook deze hebben niets op met het vooruitzicht, dat hun aangeboden wordt om Engelsche onderdanen te worden.
Omtrent in het midden van het kamp staat een klein klompje mannen een pijp te rooken en een praatje te maken, en kijkt nu en dan in de richting van de Simonsbaai, waar de Engelsche vloot rustig voor anker ligt, en waar de Engelsche krijgsmacht sedert 29 Juni reeds in bezit is van Simonsstad, dat door de regeering op eenigszins vreemdsoortige wijze is prijs gegeven. Om u echter den toestand te laten begrijpen, moeten wij, voor wij luistervink gaan spelen, eene korte schets geven van wat er voorgevallen is, sedert wij de vergadering in het kasteel op 12 Juni hebben bijgewoond.[99]
Op den brief van den Raad aan de Engelsche bevelhebbers, gezonden op 14 Juni, kwam geen geschreven antwoord, maar de Engelsche generaal, Sir James Craig, kwam even bedaard een bezoek brengen aan de stad op den 18den, en had den dag daarop een lang onderhoud met den Raad, waarin hij hen vertelde, dat zijne instrukties waren om de Kolonie in bezit te nemen en in bewaring te nemen voor den Prins van Oranje, tot tijd en wijle deze in zijne betrekkingen zou zijn hersteld. Hij gaf ook in bizonderheden de voorwaarden op, waaronder hij dit zou doen, en beloofde onder anderen, dat er geene verandering in de wetten des lands zou worden gemaakt, en dat de burgers geen andere lasten zouden behoeven te dragen dan die, welke absoluut noodig waren voor het onderhoud der regeering. Daarenboven zou de handel voor allen vrij zijn, en de lastige bepalingen der Oost-Indische Compagnie worden afgeschaft. De Hollandsche troepen zouden in dienst kunnen treden van den koning van Engeland en door Engeland worden betaald, en die ambtenaren, die zulks verkozen, konden in Engelschen staatsdienst overgaan, met behoud van al hunne rechten. Hier werd dus door den Engelschen generaal juist datgene aan de burgers aangeboden, waarvoor deze zooveel jaren hadden gestreden,[100]en wat zij maar nooit hadden kunnen verkrijgen.
Het antwoord van den Politieken Raad was eene bepaalde weigering om op het voorstel van den Engelschman in te gaan. Wat den Raad dezen manmoedigen stap deed nemen, was niets meer of minder dan vrees voor den galg; want men was van opinie, dat er eene Fransch-Hollandsche vloot in aantocht was en dat deze wel spoedig de Engelschen zouden verjagen, en natuurlijk zouden de leden der regeering dan tot verantwoording hunner daden worden geroepen.
De Engelsche bevelhebbers gaven nu kort achter elkander een tweetal proklamatiën uit, de eerste met het doel om de bevolking in het harnas te jagen tegen zijne regeering, en toen dit zonder effekt bleef, volgde er eene tweede proklamatie, waarin de aap uit de mouw kwam, daar er duidelijk in werd te kennen gegeven, dat de Engelsche koning niet zou toelaten, dat de Kaapkolonie in handen zou vallen van zijn vijand, Frankrijk. Deze proklamatie bedierf de zaken geheel en al voor de Engelschen. Eerstens besloot de Politieke Raad, die thans geen andere uitkomst had, om de Kolonie tot het uiterste te verdedigen, een besluit, dat met gejuich door de burgerij van Kaapstad werd ontvangen; en ten tweede bracht ze de geheele bevolking der Kolonie[101]op de been, en toen de regeering eene oproeping tot de burgers richtte, werd die met de meeste bereidwilligheid beantwoord, zelfs door de anders zoo oproerige mannen vanGraaff-Reineten Swellendam, die in grooten getale naar de Kaapstad kwamen, om deel te nemen aan den strijd. Want men vergete niet, dat de meeste burgers zeer ten gunste van de Franschen waren en dat om verscheidene redenen. In de laatste vijf-en-twintig of dertig jaren waren er heel wat Fransche troepen geweest, en deze hadden zich zeer populair bij de bevolking gemaakt, terwijl hun aanwezigheid zoowel als de aankomst van verscheidene Fransche eskaders, veel geld in de zakken der burgers hadden gebracht, en in die dagen de kolonie tot een ongekende bloei geraakte. Daarbij kwam dat een groot deel der burgers, afstammelingen der oude Hugenoten, nog steeds een zwak hadden voor het geboorteland hunner voorouders en er nog veel was dat hen aan het zonnige Frankrijk herinnerde.
De Engelschen daarentegen hadden immer in de Kolonie een slechten indruk gemaakt; hun hoogmoed was onverdragelijk en zij hadden er alles behalve den slag van zich aangenaam te maken. De historische herinneringen, die de Hollanders aan den naam van Engeland verbonden, waren niet van dien aard, dat daardoor de Engelschman in de achting van eenigen[102]rechtgeaarden kolonist, die zijn moederland lief had, hoog kon staan, want Engeland was steeds de jaloersche mededinger van Holland geweest, en had grootendeels schuld aan den achteruitgang van den voorspoed van het moederland. „Liever Waalsch dan Engelsch” zouden de kolonisten dus als hun motto kunnen hebben aangenomen en zoo zij dit al niet met die woorden uitdrukten, zoo waren hunne gevoelens toch van dezen aard.
Een verder gevolg van deze proklamatie was, dat de Raad zich thans verplicht zag om de Engelschen als vijanden te behandelen; levensmiddelen werden hun geweigerd en een sterke bezetting werd te Muizenberg geplaatst. Wat echter de positie van den Raad ten zeerste versterkte, was het feit, dat er op 24 Juni een Amerikaansch schip in Simonsbaai kwam, dat een aantal brieven en kranten aan boord had, voor inwoners der Kolonie. De Engelschen namen op zeer onwettige wijze bezit van de mail van dit schip, maar door het een of andere toeval viel toch een krant in handen van een der burgers, en in die krant stond eene kennisgeving van de regeering van Holland, waarin alle Hollanders ontslagen werden van hun eed van getrouwheid aan den Prins van Oranje. Dit maakte de positie der kolonisten en van den raad duidelijk,[103]en men kon nu niet meer eenigen twijfel hebben, welken weg men moest inslaan. Simonsstad werd nu ontruimd en slechts enkele inwoners bleven daar, waarop Admiraal Elphinstone op den 9denJuli bezit der stad nam. De Engelschen waren echter nog niet genegen om tot direkte vijandelijkheden over te gaan, want hunne versterkingen waren nog niet aangekomen, en zij hadden een totaal gebrek aan geschut geschikt voor gebruik te lande, en zouden zich moeten behelpen met de zware en onhandelbare kanonnen der schepen, terwijl daarentegen de verdedigers een aanzienlijke artillerie bezaten. Op den vierden Augustus echter ging een officier van het Pandoeren- of Hottentot korps een verkenning maken in de richting van Simonsstad, en schoon veel te ver van deze plaats om iemand of iets te kunnen raken, beging hij de onbezonnenheid om een aantal schoten in de richting der stad te schieten, en dit gaf natuurlijk de Engelschen aanleiding om te zeggen, dat de Hollanders de vijandelijkheden waren begonnen.
Intusschen was er te Muizenberg steeds een wacht van omtrent 200 man, die van tijd tot tijd door anderen werden vervangen, zoodat iedereen een beetje rust op zijn beurt kreeg. Er was juist op den 3deneen nieuw klompje mannen bij Muizenberg aangekomen, en het zijn deze mannen die wij er op den avond[104]van den 6denAugustus vinden. Maar nu wordt het waarlijk tijd dat wij eens gaan hooren wat besproken wordt door het groepje rookers, waarvan wij melding maakten in het begin van dit hoofdstuk.
Er zijn er onder dit groepje eenigen die wij kennen; daar staat bijvoorbeeld de heer van Reenen, en niet ver van hem staat de jonge de Beer, de neef van Jan van Eck, en als gij goed ziet zult gij dezen laatsten ook herkennen, schoon de zoogenaamde uniform die hij aan heeft hem een vreemd uiterlijk geeft. De anderen van het groepje bestaan uit burgers uit alle deelen des lands; er is een de Waal van Stellenbosch, en een van der Bijl uit het zelfde distrikt, en naast hen staat een vrij jong maar flink uitziend man, die de eigenaardige uniform draagt van de artillerie, en wiens naam luitenant Marnitz is; ook staan er Veldkornet Daniel du Plessis, een reus van een kerel die aan het hoofd staat van een klompje der anders zoo oproerige Swellendammers, die echter nu niets beters verlangen dan in aanraking te komen met den zoo gehaten Engelschman, en die ruw uitziende man met woest groeiende baard, en velbaatje is Louis Botha, een Graaff-Reinetter, kapitein van een afdeeling burgers uit zijn distrikt, die even als Du Plessis al lang vies is van dat hier leggen en niets doen, en die als men hem verlof gaf, op[105]eigen houtje zou ondernemen om met de zijnen de Engelschen uit Simonsstad naar hunne schepen terug te jagen. Inderdaad is het gesprek dat op het oogenblik gevoerd wordt een bewijs dat er heel wat ontevredenheid onder de sprekers heerscht, want het is du Plessis die zich tot Marnitz wendende vraagt:
„Maar luitenant, kunt gij mij zeggen wie eigenlijk verantwoordelijk is voor den toestand in het kamp, want als ik den rechten man in handen krijg, dan zal ik hem zijn ooren laten gonzen dat hij het niet gauw zal vergeten”.
„Dat is een vraag die ik niet kan beantwoorden, veldkornet,”zegt de luitenant, „want om de waarheid te zeggen zendt men mij ook van Pontius naar Pilatus. Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet, want ze staan los in het zand, en met het eerste schot, zullen ze zich vastwoelen in het zand, en dan zal ik ze moeten laten losgraven voor ik ze weer gebruiken kan, en dat is nuttelooze tijdverspilling”.
„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet...” (Blz. 105).„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet …” (Blz. 105).
„Daar staan mijn twee zware kanonnen, maar de duivel mag weten, hoe ik ze afschieten moet …” (Blz. 105).
„Wel ik gun je je baantje luitenant”, viel hier van Reenen in, „want je zoudt daar met de manschappen geheel onbeschermd staan, en de eerste de beste goedgemikte kogel van den vijand zou jullie het leven leelijk zuur maken”.
„Dat is ook mijne opinie”, hernam de dappere[106]luitenant,„en toen kolonel Gordon eergisteren hier was, heb ik hem dit onder het oog gebracht, maar hij antwoordde dat het geheel onnoodig was, want dat de Engelsche schepen nooit dicht bij genoeg konden komen om ons hier te raken”.
„Gordon is of een gek of een verduivelde verrader” riep hier Jan van Eck woedend uit,„wat weet hij van hetgeen de Engelschen kunnen doen; het zou ze niet veel tijd nemen om een paar zware kartouwen op eenige hunner grootste booten te plaatsen, en daarmede uw heele batterij uit elkaar te schieten, als gij geen betere bedekking krijgt. Een paar zes voet hooge wallen waren toch gemakkelijk opgeworpen”.
„Als iemand de Baai Fals kent, dan geloof ik dat ik zulks doe”, zeide van Reenen opnieuw, „en je kunt met mijn komplimenten aan den kolonel vertellen luitenant, dat als de Engelschen een beetje snugger zijn, zij met hunne brikken zoo nabij kunnen komen, dat zij het heele kamp zooals het staat, plat kunnen schieten”.
„Dat ze de baai kennen, daar is geen twijfel aan”, sprak de heer de Waal, „want reeds sedert den 20stenvan de vorige maand zijn zij aan het peilen geweest, en toen ik hier voorverleden week de wacht hield met mijn kompagnie, heb ik ze zelf gezien, en kwamen ze zoo dicht bij het strand voor ons, dat ik ze wel met klippen had kunnen raak gooien”.[107]
„En hebt gij dit dan niet aan den kolonel gerapporteerd?” vroeg Van Eck op een toon van verbazing.
„Welzeker deed ik zulks, maar de kolonel antwoordde dat wij de Engelschen niet konden beletten om in de baai rondtezeilen, en diepten te peilen. Zij waren nog niet onze vijanden”, antwoordde de luitenant.
„Wel, de kolonel mag denken wat hij wil, maar onze vrienden zijn de Engelschen zeker niet, en dat zijn zij nooit geweest van af de dagen van Koning Eduard den Eersten. En wat men ook zeggen mag zal de Engelschman altijd de vloek voor ons land blijven”, merkte Van Eck op zijn bitsige manier aan.
„Maar er is nog een ander ding waar ik van wil praten”, viel Du Plessis in; „waarom moeten mijne burgers hier in de opene lucht liggen, en in deze koude nachten allerlei ongemak uitstaan? Dit is niet een manier om een ordentelijk mensch te behandelen, en als er van mijn mannen huis toe gaan, dan moet de gouverneur niet klagen; ze beginnen nu al leelijk te brommen, en ik kan ze waarachtig geen ongelijk geven. Wie moet naar die dingen zien, luitenant?”
„Daarover moet gij u tot den kolonel of tot majoor De Lille wenden”, was het korte antwoord van den luitenant, die daarop groetend vervolgde. „Ik moet nog eens de ronde gaan maken, en orders geven[108]omtrent de wachten, en groet u dus heeren”, en met deze woorden verliet de militair het groepje.
„Dat is een flinke kerel”, merkte de heer Van Reenen aan, op den wegstappenden luitenant wijzende, „als hij het bevel over de zaken had in plaats van Gordon, dan zouden de zaken er beter uitzien.”
„Dat geloof ik ook”, hernam Van Eck,„en wat de kolonel aangaat zoo moest men hem doodeenvoudig een kogel door den kop jagen. Hij is niets anders dan een verrader naar mijn opinie”.
Het gesprek had misschien een ernstige wending kunnen nemen, als op dat oogenblik niet het geschetter van een trompet gehoord werd, het teeken dat de wachten aantreden moesten, en daar verscheidene der tegenwoordigen een deel van den wacht voor den nacht uitmaakten, ging het groepje uitelkaar. Van Eck, die echter niet op de wacht moest, ging met veldkornet Botha naar diens vuur, en bleef daar de rest van den avond, alle mogelijke informatie inwinnende omtrent den toestand op de oostelijke grensdistrikten der kolonie, en het was bijna tien uur, toen hij zich ter ruste begaf naar de tent die hij met den heer Van Reenen en eenige andere burgers van de Kaapstad deelde, en dan was die tent nog niet eens verschaft door de regeering, maar het privaat eigendom van den heer Van Reenen zelf.[109]
Den volgenden dag was alles zoover rustig in het kamp te Muizenberg, en men zag slechts een klein troepje der Stellenbosche burgers, die bezig waren om hunne goederen optepakken, daar zij dien dag zouden worden afgelost door een honderdtal nieuwe manschappen die den vorigen dag te Kaapstad waren aangekomen en heden in het kamp werden verwacht. Met het vooruitzicht van weder naar huis en haard te kunnen terugkeeren, nadat zij er bijna een maand van weg waren geweest, waren de Stellenbosschers zeer opgeruimd, en menige scherts werd gewisseld onder elkaar, zoowel als met de andere burgers, die nog moesten blijven. Het was omtrent één uur na den middag dat de honderd nieuwe Stellenbosschers het kamp bereikten, en door den kommandeerenden officier Kolonel De Lille werdengeïnspekteerd, terwijl de burgers die naar hunne woningen zouden teruggaan zich gereed maakten om over een uur te vertrekken, en de paarden reeds uit het veld waren gehaald. Doch terwijl de kolonel nog met de inspektie bezig was, kwam een van de wacht die bij Kalkbaai stond hard aangeloopen, en bracht het bericht dat de Engelsche schepen zich in beweging hadden gezet en blijkbaar op Muizenberg afzeilden. De Lille was bij het hooren van dit bericht niet genegen om er veel waarde aan te hechten, want de Engelsche[110]schepen hadden reeds de drie laatste dagen in de Baai Fals heen en weer gekruist; doch een kwartier later kwam een tweede boodschapper van Kalkbaai het bericht brengen dat er eene groote kolonne Engelsche soldaten uit Simonsstad rukte, en zich in de richting van Muizenberg bewoog. Dit was een duidelijk teeken dat de Engelschen iets in het schild voerden, en De Lille gaf orders dat men het kamp zou strijken en zich voor den strijd gereed maken. Zelf ging hij met zijn 200 man van het Nationale bataljon eene positie opnemen nabij het strand, juist waar de weg door de nauwe poort tusschen de zee en den berg ging, en waar een elftal stukken stonden die dezen weg moesten verdedigen. Luitenant Marnitz, die het bevel over de geheele artillerie had, stond natuurlijk met zijne manschappen bij zijne stukken, gereed om zijn plicht te doen. Maar De Lille scheen geheel vergeten te hebben dat er nog 300 burgers, en 150 der Hottentot soldaten in het kamp waren, want hij gaf hoegenaamd geen orders omtrent de positie die deze mannen moesten opnemen, en het gevolg was, dat er geen geringe verwarring ontstond, en elke officier zich verplicht vond om op zijn eigen houtje te handelen, zoodat er hier een klompje burgers stonden, en wat verder een ander klompje, en daartusschen de pandoers, die ook allen te paard[111]waren, zich hadden opgesteld onder bevel van hun kommandant Cloete.
De Lille had blijkbaar verwacht dat de beweging der schepen slechts een manoevre der Engelschen was om de aandacht af te leiden van de naderende kolonne voetvolk. Doch het bleek spoedig dat hij zich hierin deerlijk had vergist, want de vier Engelsche schepen, die in dien tusschentijd tot vlak tegenover Muizenberg waren genaderd, openden plotseling een hevig vuur op het kamp. De verwarring die nu onder het koloniale leger ontstond was onbeschrijfelijk, maar toch had een bekwaam en dapper bevelhebber de positie nog kunnen redden. De Lille was echter noch bekwaam noch dapper; integendeel hij bleek of een lafaard of een verrader te zijn, want nauwelijks was de eerste kogel der Engelsche schepen in den grond geslagen of de bevelhebber wendde zijn paard, en ging ijlings op de vlucht, gevolgd door het Nationale bataljon, en zelfs een deel der artillerie liet zich in den vaart meeslepen. Luitenant Marnitz echter bleef met het restant der zijnen op zijn post, en begon dadelijk het vuur der Engelschen te beantwoorden met de twee zware 24 ponders, een werk waarin hij met heel wat bezwaren te kampen had, want daar de kanonnen los in het zand stonden, raakten zij met elk schot vast en moesten daar[112]uitgegraven worden en opnieuw gericht. Maar dit alles liet Marnitz geenszins den moed verliezen, en hij bleef zich verdedigen. Toen de burgers de geregelde troepen, die als het ware de kern van het leger vormden, aldus op de vlucht zagen gaan, met de kolonel De Lille voorop, geraakten ook zij aan het wijken, en toen eenige der vijandelijke kogels in hun midden sloegen, retireerden zij zoo snel mogelijk om uit het bereik dier moorddadige werktuigen te komen. Zij gingen in de richting van het tegenwoordige Tokai, dat is juist om de punt van den berg, maar toen zij buiten schot waren hielden zij stand met het doel om zich te verweren tegen het voetvolk, als dit aan kwam. De Lille daarentegen hield met de zijnen niet op met vluchten, maar vervolgde hals over kop zijn weg naar de Dieprivier, waar hij toch eindelijk tot zijn verhaal scheen te komen, maar zonder dat hij het minste denkbeeld had wat er van de verdere strijdmacht was geworden, en zich zeker niet bekommerende over hen.
Luitenant Marnitz weerde zich zoo goed hij kon, en bracht de Engelsche schepen heel wat schade toe, schoon hij hen natuurlijk niet het zwijgen kon opleggen. Toen echter de Engelsche voet-kolonne de engte had bereikt, en de vijand zich gereed maakte om de batterij te bestormen, zag de luitenant dat zijne[113]positie hopeloos was, en dat er niets anders voor hem opzat dan om terug te trekken. In zijn hart vloekende op den lafaard die hem in een dusdanigen positie had gebracht, gaf Marnitz bevel tot den terugtocht, daarop vuurde hij nog een schot op den aanrukkenden vijand, en vernagelde toen eigenhandig de twee 24 ponders, en de andere kleine kanonnen, om ze onbruikbaar voor de Engelschen te maken, en eerst toen trok hij met vijf veldstukken terug. Het Engelsche voetvolk rukte nu de engte door, en trok om de punt van den berg. Doch hier liepen zij, om zoo te zeggen in de armen der burgers die hen met een geweldig vuur ontvingen, terwijl ook Marnitz met een paar kanonnen hier eene positie had opgenomen. Het Engelsche 78steregiment liep hen echter met de bajonet storm, en tegen die wijze van oorlogvoeren waren de burgers niet opgewassen, zoodat zij weken. Kapitein Kemper van de artillerie, die met een deel van de kanonnen om de Zandvlei was getrokken, bemerkte in welke netelige positie de burgers waren, en opende van waar hij stond zulk een hevig vuur op de aanvallers, dat de Engelschen, nu van twee kanten beschoten, terug deinsden naar Muizenberg, en den strijd voor dien dag opgaven. De avond was toen reeds aan het vallen; het kamp der Kolonialen was in handen van[114]den vijand; er kon dus niets meer door de burgers worden gedaan. Treurig, en daarbij niet weinig kwaad over de slechte leiding die zij gehad hadden, en wat ronduit het verraad van Lille werd genoemd, legerden de burgers zich in kleine troepjes hier en daar op de Kaapsche vlakte tusschen het tegenwoordige Retreat en Tokai, en brachten den nacht in de opene lucht door, terwijl ze zorgden dat er behoorlijk wachten werden uitgezet om eene verrassing door den vijand te voorkomen.
Den volgenden dag scheen De Lille wat bijgekomen te zijn van zijn schrik, en trok hij behoedzaam met een kleine kolonne zijner troepen naar Zandvlei, doch de Engelschen hadden zijne beweging bespeurd, en een vrij sterke macht van Engelsche infanterie, vergezeld van een klompje mariniers vielen hem aan. De dappere(?) De Lille wachtte dezen aanval niet af, maar vluchtte hals over kop naar Dieprivier terug, en liet zich den geheelen dag niet meer zien. De burgers hadden echter een beter plan beraamd; zij hadden namelijk de Engelsche kolonne zien aankomen en verscholen zich daarop tusschen eenige hooge zandduinen die in de buurt waren, en in den weg lagen die de Engelschen volgden in hun nazetten van De Lille. Op het rechte tijdstip openden de burgers een heftig vuur op de niets vermoedende Britten met[115]het gevolg dat deze door den schrik werden bevangen en ijlings op de vlucht sloegen. De burgers zetten den vijand dadelijk achterna en misschien zou het hun gelukt zijn om hun kamp van gisteren weder te bemachtigen, ware het niet dat de Engelschen de door luitenant Marnitz vernagelde kanonnen weder in orde gebracht hadden en daardoor in staat gesteld waren om de burgers, toen deze het kamp naderden met geschutvuur te ontvangen, waartegen de laatsten niet waren opgewassen. Dezen toch hadden geene kanonnen, daar luitenant Marnitz van zijn kommandeerenden officier, De Lille, bevel had ontvangen om zich terug te trekken naar Wijnberg, waar De Lille ook een kamp betrok, na de burgers op de aller lafhartigste wijze aan hun lot te hebben overgelaten. Onder zulke omstandigheden bleef er voor de arme burgers ook niets anders over dan om zijn voorbeeld te volgen en ook naar Wijnberg te trekken.
Dienzelfden avond was er in het kamp te Wijnberg een ontzettend spektakel. De burgers zochten den man die hen zoo schandelijk verraden had, in handen te krijgen, maar De Lille had blijkbaar zoo iets voorzien, en had zich uit de voeten gemaakt, schuiling zoekend bij het Kasteel. Doch de burger officieren waren niet van plan om deze zaak op zulke wijze te laten doodloopen, en nog dien zelfden avond trokken[116]zij een verzoekschrift aan denGouverneurop, waarin zij De Lille openlijk van verraad beschuldigden, en verzochten dat hij voor een krijgsraad zou terecht staan. Dit dokument werd namens de burgers door de officieren Botha, Loubser, De Waal, Van der Bijl, Goosen, Hoffman, en Mulder onderteekend. Het gevolg was, dat de Gouverneur zich wel verplicht vond om aan dit verzoek gehoor te geven, en op den 10denAugustus werd De Lille gevangen genomen, en werd het bevel van het kamp te Wijnberg opgedragen aan den kapitein van Baalen, een man, die schoon geen groot krijgsman zijnde, toch door een ieder als een eerlijk en dapper man werd beschouwd. Eenige dagen later kwam De Lille voor een krijgsraad, die, om wel te vermoedene redenen hem vrijsprak, doch de bevolking was zoo op hem gebeten, dat de autoriteiten verplicht waren om hem onder verzekerde bewaring te houden, uit vrees dat men hem het leven mocht benemen.
Jan van Eck was een dergenen geweest, die dapper tegenstand had geboden aan de Engelschen op den eersten dag, en hij was ook den tweeden dag in het heetst van het gevecht geweest, want een lafaard wilde de brave burger niet genoemd worden. Geheel ongedeerd kwam hij niet uit den strijd, want op den tweeden dag werd hij door een geweerkogel licht[117]aan den arm gewond, en schoon de wond slechts een schram was, noodzaakte die hem toch om eenige dagen lang zijn arm in een doek te dragen, zoodat hij geen dienst kon doen. Dat hij woedend was op De Lille, op Gordon, die al die dagen lang nooit zich hadden laten zien in het kamp, laat zich gemakkelijk verstaan, en in het dagboek vinden wij dan ook de bitterste uitdrukkingen omtrent de „verraders, die deze kolonie in de handen van de Engelschen spelen.”
Maar de zaken gingen later nog slechter, toen op den 4denSeptember de Engelschen eene aanmerkelijke versterking kregen en heel wat geschut, zoodat zij in staat waren om krachtiger op te treden en inderdaad rukte op den 14denvan die maand het geheele Engelsche leger van Muizenberg naar Kaapstad op. Een korten tijd lang weerden de burgers zich dapper tegen den viermaal sterkeren vijand, doch zij werden niet behoorlijk aangevoerd, en toen het onmogelijk bleek om den vijand te keeren, trokken de meeste burgers, moede van het verraad, dat naar hun meening gepleegd was door allen, die iets in het bestuur der kolonie te zeggen hadden, de Kaapsche vlakte in en begaven zich naar hunne plaatsen. De Kaapsche burgers, en daaronder onzen vriend Jan van Eck, trokken naar de Kaapstad, en men kan zich verbeelden, dat het hart van onzen vriend[118]bloedde, als hij dacht aan hetgeen thans het onvermijdelijke scheen.
Dienzelfden nacht kwam op het kasteel te Kaapstad de Politieke Raad bij elkander en werd besloten tot het laatste bedrijf van het droevige drama. Gordon was op deze vergadering niet tegenwoordig, en de heer Van Rheede van Oudtshoorn (eere zij zijn naam) stemde tegen het genomen besluit; alle andere leden waren echter van opinie, dat eene verdere verdediging van de kolonie onmogelijk was, en dat men zich moest overgeven.
Op den 16denSeptember 1795, des namiddags om drie uur, woei de Britsche vlag voor het eerst op het kasteel van Kaapstad. Het rijk van Jan Compagnie in Zuid-Afrika was gevallen.[119]