HOOFDSTUK IX.

[Inhoud]HOOFDSTUK IX.HOOFDSTUK IX.De slag vanBlauwberg, en hoe die afliep.Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4denJanuari in het jaar 1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van een afdak of halve tent doen[163]spannen langs het huisje, zoodat hij op die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag. Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het noemde hetblokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden gevuurd. Van[164]Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker, en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere ontvangst krijgen dan in ’95”.Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond, want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de seinen geweest voor[165]de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te verleenen.Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten.Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graagveronachtzaamt, want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld[166]een gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer, die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te gaan kijken.Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te wijten dat er in den slag van Blauwberg[167]zoo weinig burgers deelnamen, want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot der kolonie reeds beslist was.Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd aangevallen.Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker gekomen in denauwepassage tusschen Robbeneiland en het strand van Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind was plotseling komen opzetten,eenvrij zeldzaam verschijnsel voor dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man en muis[168]aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef.Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te onderwerpen. Dat dit[169]laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad en ook de[170]burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was; de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral[171]niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te brengen.De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond van den 5denJanuari een klein deel van zijn leger in eenige transport schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen stormen beschut was, en men er veilig[172]kon landen; bovendien begreep hij snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den morgen van den 6denmet zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van de 71ste,72steen 93steregimenten het eerst geland onder bevel van generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af; een boot met vijf en dertig man van het 93steregiment sloeg om in de[173]branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde weten.De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den8stenJanuari 1806 trok hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der Zoutrivier en juist west van deTijgerbergwas gelegen. Het Hollandsche leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld hebben gehad[174]van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het binnenland kunnen verdedigen.De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der Waldeckers 400 man sterk; dan het22stelinieregiment,[175]ten getale van 358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181 Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240 Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande schepenAtalanteenNapoleonook hulp verleenden onder bevel van kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een eigenaardig mixtuur was.Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou overvleugelen. Daarop reed hij langs het front dertroepenen spoorde hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut,[176]en hierin was het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens,dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten tijd daarna begon ook het 22stelinieregiment te wijken. Weder trad deHollandschegeneraal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22steregiment sloeg op de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche zeelieden hielden stand en beantwoordden[177]den aanval met een hevig geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini, die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland. Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle[178]krijgsvoorraad die daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen, en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur zelf van plan was te gaan.Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen. De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den 8stenhield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.[179]Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8stentrok de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s pas bekend, bezette.Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den 9denJanuari kwam het[180]Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag.Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten, die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen. Dat de Engelschen dit dan ook van plan[181]waren, bleek spoedig, want reeds op den 12denvernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden, moest de Hollandsche generaal wel tot deconclusiekomen dat er niets voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer achtenswaardig man, en hij schreef op den 13deneen brief aan Janssens, waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of het niet beter was omonderhandelingenaanteknoopen voor eene eerlijke kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de kapitulatie op den 18denJanuari geteekend. Bij die kapitulatie werd overeengekomen[182]dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven waren in de capitulatie van Kaapstad.Op den 6denMaart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal, op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze ongetwijfeld tot het goede leiden.”Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn geweest, zoo zij wat meer geluisterd[183]had naar den raad van den laatsten Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr. Philip, die door hunnevooroordelenbelet waren een behoorlijk besef van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders warengeïnfluenceerddoor zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven.Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte hij in de richting van zijn huisje.Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten onaangeroerd.[184]

[Inhoud]HOOFDSTUK IX.HOOFDSTUK IX.De slag vanBlauwberg, en hoe die afliep.Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4denJanuari in het jaar 1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van een afdak of halve tent doen[163]spannen langs het huisje, zoodat hij op die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag. Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het noemde hetblokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden gevuurd. Van[164]Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker, en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere ontvangst krijgen dan in ’95”.Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond, want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de seinen geweest voor[165]de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te verleenen.Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten.Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graagveronachtzaamt, want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld[166]een gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer, die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te gaan kijken.Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te wijten dat er in den slag van Blauwberg[167]zoo weinig burgers deelnamen, want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot der kolonie reeds beslist was.Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd aangevallen.Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker gekomen in denauwepassage tusschen Robbeneiland en het strand van Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind was plotseling komen opzetten,eenvrij zeldzaam verschijnsel voor dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man en muis[168]aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef.Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te onderwerpen. Dat dit[169]laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad en ook de[170]burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was; de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral[171]niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te brengen.De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond van den 5denJanuari een klein deel van zijn leger in eenige transport schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen stormen beschut was, en men er veilig[172]kon landen; bovendien begreep hij snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den morgen van den 6denmet zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van de 71ste,72steen 93steregimenten het eerst geland onder bevel van generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af; een boot met vijf en dertig man van het 93steregiment sloeg om in de[173]branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde weten.De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den8stenJanuari 1806 trok hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der Zoutrivier en juist west van deTijgerbergwas gelegen. Het Hollandsche leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld hebben gehad[174]van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het binnenland kunnen verdedigen.De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der Waldeckers 400 man sterk; dan het22stelinieregiment,[175]ten getale van 358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181 Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240 Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande schepenAtalanteenNapoleonook hulp verleenden onder bevel van kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een eigenaardig mixtuur was.Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou overvleugelen. Daarop reed hij langs het front dertroepenen spoorde hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut,[176]en hierin was het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens,dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten tijd daarna begon ook het 22stelinieregiment te wijken. Weder trad deHollandschegeneraal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22steregiment sloeg op de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche zeelieden hielden stand en beantwoordden[177]den aanval met een hevig geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini, die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland. Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle[178]krijgsvoorraad die daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen, en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur zelf van plan was te gaan.Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen. De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den 8stenhield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.[179]Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8stentrok de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s pas bekend, bezette.Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den 9denJanuari kwam het[180]Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag.Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten, die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen. Dat de Engelschen dit dan ook van plan[181]waren, bleek spoedig, want reeds op den 12denvernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden, moest de Hollandsche generaal wel tot deconclusiekomen dat er niets voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer achtenswaardig man, en hij schreef op den 13deneen brief aan Janssens, waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of het niet beter was omonderhandelingenaanteknoopen voor eene eerlijke kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de kapitulatie op den 18denJanuari geteekend. Bij die kapitulatie werd overeengekomen[182]dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven waren in de capitulatie van Kaapstad.Op den 6denMaart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal, op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze ongetwijfeld tot het goede leiden.”Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn geweest, zoo zij wat meer geluisterd[183]had naar den raad van den laatsten Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr. Philip, die door hunnevooroordelenbelet waren een behoorlijk besef van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders warengeïnfluenceerddoor zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven.Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte hij in de richting van zijn huisje.Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten onaangeroerd.[184]

HOOFDSTUK IX.HOOFDSTUK IX.De slag vanBlauwberg, en hoe die afliep.

HOOFDSTUK IX.

Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4denJanuari in het jaar 1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van een afdak of halve tent doen[163]spannen langs het huisje, zoodat hij op die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag. Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het noemde hetblokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden gevuurd. Van[164]Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker, en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere ontvangst krijgen dan in ’95”.Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond, want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de seinen geweest voor[165]de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te verleenen.Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten.Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graagveronachtzaamt, want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld[166]een gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer, die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te gaan kijken.Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te wijten dat er in den slag van Blauwberg[167]zoo weinig burgers deelnamen, want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot der kolonie reeds beslist was.Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd aangevallen.Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker gekomen in denauwepassage tusschen Robbeneiland en het strand van Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind was plotseling komen opzetten,eenvrij zeldzaam verschijnsel voor dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man en muis[168]aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef.Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te onderwerpen. Dat dit[169]laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad en ook de[170]burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was; de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral[171]niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te brengen.De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond van den 5denJanuari een klein deel van zijn leger in eenige transport schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen stormen beschut was, en men er veilig[172]kon landen; bovendien begreep hij snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den morgen van den 6denmet zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van de 71ste,72steen 93steregimenten het eerst geland onder bevel van generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af; een boot met vijf en dertig man van het 93steregiment sloeg om in de[173]branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde weten.De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den8stenJanuari 1806 trok hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der Zoutrivier en juist west van deTijgerbergwas gelegen. Het Hollandsche leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld hebben gehad[174]van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het binnenland kunnen verdedigen.De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der Waldeckers 400 man sterk; dan het22stelinieregiment,[175]ten getale van 358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181 Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240 Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande schepenAtalanteenNapoleonook hulp verleenden onder bevel van kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een eigenaardig mixtuur was.Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou overvleugelen. Daarop reed hij langs het front dertroepenen spoorde hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut,[176]en hierin was het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens,dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten tijd daarna begon ook het 22stelinieregiment te wijken. Weder trad deHollandschegeneraal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22steregiment sloeg op de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche zeelieden hielden stand en beantwoordden[177]den aanval met een hevig geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini, die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland. Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle[178]krijgsvoorraad die daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen, en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur zelf van plan was te gaan.Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen. De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den 8stenhield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.[179]Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8stentrok de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s pas bekend, bezette.Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den 9denJanuari kwam het[180]Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag.Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten, die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen. Dat de Engelschen dit dan ook van plan[181]waren, bleek spoedig, want reeds op den 12denvernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden, moest de Hollandsche generaal wel tot deconclusiekomen dat er niets voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer achtenswaardig man, en hij schreef op den 13deneen brief aan Janssens, waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of het niet beter was omonderhandelingenaanteknoopen voor eene eerlijke kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de kapitulatie op den 18denJanuari geteekend. Bij die kapitulatie werd overeengekomen[182]dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven waren in de capitulatie van Kaapstad.Op den 6denMaart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal, op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze ongetwijfeld tot het goede leiden.”Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn geweest, zoo zij wat meer geluisterd[183]had naar den raad van den laatsten Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr. Philip, die door hunnevooroordelenbelet waren een behoorlijk besef van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders warengeïnfluenceerddoor zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven.Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte hij in de richting van zijn huisje.Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten onaangeroerd.[184]

Het is omtrent negen uur op den morgen van den 4denJanuari in het jaar 1806. Het zonnetje, op zijn heetst in dat gedeelte van het jaar, scheen alreeds fel, en deed het witte zand van het strand nabij Zoutrivier zoo schitteren, dat een mensch de oogen half toeknijpen moest, uit vrees van door dat helle licht te worden verblind. Jan van Eck zat buiten het huisje, dat hij zijne woning noemde; hij zat aan wat de schaduwzijde moest zijn, maar de schaduw was niet breed genoeg om geheel te beschermen, en hij had dus zijn slaaf een stuk zeildoek in den vorm van een afdak of halve tent doen[163]spannen langs het huisje, zoodat hij op die wijze tegen de vinnige stralen der zon was beschermd, en rustig kon blijven voortlezen in het groote boek dat voor hem op den grond lag. Want de houding die Van Eck op het oogenblik had, kon niet erg elegant worden genoemd, al was zij zeker zeer geriefelijk. Hij lag namelijk op den grond uitgestrekt, zoo lui mogelijk, en stoorde zich oogenschijnlijk aan niets, zijnde hij te veel verdiept in het boek dat niets anders was dan de geschiedenis van de eeuw van Lodewijk den zestienden, geschreven door Voltaire. Het was zeker de tiende maal dat de oude Kapenaar dit boek las, maar dan was het ook een zijner lievelingsboeken, en slechts de werken van zijn geliefden Jean Jacques Rousseau konden het er van winnen. Hoelang Van Eck daar dien morgen zou hebben gelegen, kunnen wij niet zeggen; gewoonlijk was het zoowat twaalf uur voor hij zijn plekje verliet om eens een wandeling in de stad te gaan maken of anders zijn sober maal tehuis te gebruiken, en dan een rustig dutje te gaan doen. Maar deze morgen zou hij in zijn rust worden gestoord, want het was even over negenen toen plotseling van de batterij op de hangen van den Duivelsberg, of zooals met het noemde hetblokhuis, drie kanonschoten snel achter elkander werden gevuurd. Van[164]Eck sprong in een oogenblik recht op zijne voeten; een minuut lang zag hij naar het blokhuis, waar de rookwolk van het geschut in den stillen morgen nog hing, en eerst langzaam door den zachten wind voortgestuwd werd; toen liep hij snel het huisje binnen, en kwam er even snel weer uit, met een groote verrekijker in zijn hand, die hij dadelijk aan zijn oog bracht en op den Leeuwenrug richtte, waar op een signaalpaal eenige vlaggen zichtbaar waren. Een tijd lang tuurde hij naar die vlaggen, toen sloot hij met een gebaar van woede den kijker, en met een verwensching hoorde men hem de woorden zeggen: „Ik dacht het wel; daar zijn die vervloekte Engelschen al weer. Maar gelukkig hebben wij vandaag geen verraders onder ons, en zullen ze wel een betere ontvangst krijgen dan in ’95”.

Het nam onzen vriend slechts een paar oogenblikken om zijn rok aantetrekken, en zijn stok uit den hoek te nemen, en daarop stapte hij met haastige schreden naar de stad, waar hij alles in rep en roer vond, want het was reeds overal bekend dat een Engelsche vloot van drie en zestig schepen in zicht was, en naar het scheen recht op Tafelbaai afstuurde. De Gouverneur had reeds alle mogelijke maatregelen genomen; de drie schoten die Van Eck hadden gestoord in zijn rust waren de seinen geweest voor[165]de burgerij; zij zouden van bergtop tot bergtop herhaald worden, volgens een vroeger gemaakte afspraak, en tegen dezen tijd was het zeker al in Swellendam bekend dat de vijand in aantocht was, en zouden de burgers wel spoedig verschijnen om hunne hulp te verleenen.

Toen Van Eck dit alles hoorde en overdacht, kwam hij tot de conclusie dat de Engelschen geen beteren tijd voor hun plan konden hebben gekozen. Het was juist de oogsttijd, en dit was natuurlijk een zeer ongelegen tijd voor den boer om zijn plaats te verlaten; een deel der wijnboeren was ook reeds bezig met het inzamelen hunner oogst, en het was misschien een heele vraag of de boeren wel zoo flink zouden opkomen, als de gouverneur en zijn raad verwachtten.

Van Eck kende zijn volkje; hij wist dat de Afrikaansche boer zoo zeer aan zijne bezigheid gehecht is, dat hij die niet graagveronachtzaamt, want de boerderij is zijn bestaan; en dikwijls is hij dom genoeg, of, laten wij liever zeggen, niet verziend genoeg, om het oogenblikkelijk voordeel, dat naar evenredigheid van gering belang is, te verkiezen boven grootere maar meer verwijderde belangen; in andere woorden dat hij zijn land en zijn vrijheid zou laten verloren gaan, terwille van den te veld staanden oogst. Die kortzichtigheid is ongetwijfeld[166]een gebrek van ons volk, en, was het niet met dat gebrek behebt, dan had het lang niet zooveel behoeven te lijden als het gedaan heeft. In plaats van een goeden beet in den zuren appel te geven en die daardoor te vermorzelen, is het steeds voor de zuurheid teruggeschrokken, maar moest toch op het einde door een aantal verschillende kleine beten den appel opeten, en ondervond dus de zuurheid er van des te meer. Hoe dikwijls is dit niet later gebleken in de geschiedenis der twee Zuid-Afrikaansche Republieken, en vooral in den Basuto oorlog door den Vrijstaat gevoerd? De ondervinding heeft echter ook den Afrikaner dure lessen geleerd, en dat hij die lessen niet heeft vergeten, dat bewijst het feit, dat de laatst gevoerde oorlog drie jaar duurde en de Boer, die voor zijn onafhankelijkheid en zijn vrijheid vecht, niet meer weet van ingeven. En toch weten wij dat in het begin van den oorlog de boeren-kommandanten niet weinig moeite hadden met het oude geslacht, dat steeds van kommando wou weggaan, om toch naar hunne boerderij te gaan kijken.

Ten tijde dat Van Eck over dit punt dacht, kwam hier ook nog bij dat het weder ontzachelijk warm was, zoodat het bijna onmogelijk was voor mensch of beest om gedurende den dag te reizen. Het is aan dit feit te wijten dat er in den slag van Blauwberg[167]zoo weinig burgers deelnamen, want de meesten der burgers waren nog op weg naar Kaapstad toen het lot der kolonie reeds beslist was.

Jan Van Eck bleef geruimen tijd in de stad, hier met zijne vrienden een praatje houdende, daar goeden raad gevende. Zelf de wapenen op te nemen daar was hij thans te oud en te stram toe; de geest was wel gewillig maar het vleesch was zwak, en wat hij in 1795 had gedaan, daartoe voelde hij zich in 1806 niet in staat. Maar toch liet hij zich inschrijven bij de burgerwacht, wiens taak het zou zijn om de Kaapstad te verdedigen, zoo die direkt door den vijand van de land zijde werd aangevallen.

Het was bijna duister toen onze vriend weer bij zijn huisje terug kwam, en reeds een paar uur voor dien tijd was de Engelsche vloot ten anker gekomen in denauwepassage tusschen Robbeneiland en het strand van Blauwberg, dicht bij de zoogenaamde Melkbosch punt. Doch het weer had tegen dezen tijd een aanzienlijke verandering ondergaan. De noordenwind was plotseling komen opzetten,eenvrij zeldzaam verschijnsel voor dezen tijd van het jaar, en zij blies vrij hevig. Van Eck hoorde hem dien avond huilen over de Tafelbaai, en in stilte bad hij dat de wind tot zulk een storm zou klimmen, dat elk der Engelsche schepen met man en muis[168]aan de rotsachtige kusten van Blauwberg zou vergaan.

Maar aan dien wensch werd niet voldaan; schoon de wind gedurende den nacht vrij hevig woei, was hij niet zoodanig van kracht, dat een goed geankerd schip er door zou kunnen lijden, en tegen het breken van den dag ging hij liggen, alhoewel de zee nog vrij hol bleef.

Onder de omstandigheden was het echter eene onmogelijke zaak om eene landing te wagen in de hooge branders die aan de noordzijde van Tafelbaai tegen de rotsen sloegen, en dien geheelen dag bleef de Engelsche vloot werkeloos. Die verpoozing aldus aan Generaal Janssens gegeven was dezen natuurlijk zeer welkom, want hij kon thans de allernoodigste maatregelen nemen. Het valt te begrijpen dat hij geheel afhankelijk was van de omstandigheden, en dat alles afhing van de plaats waar de Engelschen zouden landen, of de wijze waarop zij de Kaapstad zouden aanvallen. Het kon zijn dat de Engelschen van plan waren om eene landing te doen bij het strand van Blauwberg, maar er was ook tevens niets om hen te beletten, Kaapstad van de zeezijde aantevallen, of liever om de dadelijke overgave der stad te eischen onder bedreiging van anders de stad aan een bombardement te onderwerpen. Dat dit[169]laatste niet is gedaan is ons steeds een raadsel geweest; want goed beschouwd, zou dit zeker de kortste en gemakkelijkste weg zijn geweest. Kaapstad zou geen halfuur een bombardement hebben kunnen uithouden, en de batterijen die langs het strand van Tafelbaai stonden waren niet zwaar genoeg om de Engelsche schepen veel afbreuk te doen, terwijl hun zeegeschut veel zwaarder en verder reikend was. Een dreigement met te zullen bombardeeren zou een grooten invloed op zaken hebben gehad, en zeer demoraliseerend zijn geweest, want de vrouwen en kinderen zouden natuurlijk in allerijl de stad hebben verlaten zoo de gouverneur had besloten om niet aan de oproeping tot overgave gehoor te geven. Het is echter zeer waarschijnlijk dat de Engelsche bevelhebbers, Admiraal Popham en Generaal Baird, de kolonie wilden veroveren met zoo min mogelijk schade aan de welvaart ervan, en dat zij er geen nut in zagen om te beginnen met het in asch leggen van de voornaamste havenstad er van. Doch Generaal Janssens kon, zooals van zelf spreekt, dit niet weten, en van zijn oogpunt gezien behoorde een direkten aanval op de stad van de zeezijde tot de mogelijkheden, en moest hij zich daarvoor ook prepareeren. Hij hield dus voor het oogenblik zijn leger in de Kaapstad en ook de[170]burgers die reeds dien avond van Koeberg en van de Paarl aankwamen, ontvingen last om in de stad te blijven; slechts een klein troepje burgers onder kommandant Jacobus Linde werd naar het strand van Blauwberg gezonden om de bewegingen van den vijand gade te slaan. Laat dien avond kwam dan ook een bericht van Linde dat de vijand oogenschijnlijk het anker lichtte en nog een uur later een tweede boodschapper met het nieuws dat een tiental schepen zeil waren gegaan naar het noorden. Generaal Janssens begreep wat de reden hiervan was; de Engelschen, vreezende dat het strand van Blauwberg te ongunstig gelegen was voor eene landing, waren van plan om meer noordelijk te landen, waarschijnlijk te Saldanha baai. Verandering in de plannen van den Hollandschen generaal kon deze nieuwe beweging van den vijand niet brengen, want, als er een veldslag moest worden geleverd, kon die nergens anders plaats hebben dan in de nabijheid der stad, en Janssens had het plan opgevat om, zoo hij verslagen werd, zich terug te trekken naar het binnenland, en zoo mogelijk de kolonie voet voor voet te verdedigen totdat er hulp uit Frankrijk kwam. Hoop op goeden uitslag had de Hollandsche generaal niet, want hij had slechts een handjevol geregelde troepen en deze waren niet van de allerbeste soort, vooral[171]niet het zoogenaamde bataljon van Waldeck, een huurbende dat meest uit Duitschers bestond, en waarop de generaal meende niet te kunnen rekenen. Persoonlijk was Janssens van opinie dat de kolonie zooals zij toen was, geen voordeel aan het moederland aanbracht; de kosten die men er aan besteden moest waren te groot, en konden niet door de kolonisten gedragen worden, zoodat het misschien een geluk voor Holland zou zijn als het op een fatsoenlijke wijze van de Kaap kon worden ontslagen. Maar Janssens was soldaat en eerlijk man; hij had zijn plicht te volvoeren; die plicht was om de kolonie zoo lang mogelijk te verdedigen, en hij was vast besloten om dien plicht ten uitvoer te brengen.

De gouverneur had het inderdaad niet mis, toen hij tot het denkbeeld geraakte dat de Engelschen van plan waren om eene landing te Saldanha baai te maken. Generaal Baird schijnt gevreesd te hebben dat eene landing te Blauwberg te gevaarlijk zou zijn, en zond dus op den avond van den 5denJanuari een klein deel van zijn leger in eenige transport schepen naar Saldanhabaai, want schoon het hem bekend was dat zijne troepen een lange en vermoeiende marsch zouden moeten maken om van daar de Kaapstad te bereiken, wist hij ook dat gemelde baai goed tegen stormen beschut was, en men er veilig[172]kon landen; bovendien begreep hij snel te moeten handelen daar hij den Hollandschen bevelhebber niet de gelegenheid mocht geven om zijne burgers te verzamelen en daardoor eene macht te hebben die geheel in staat zou zijn om het op te nemen tegen het Engelsche leger. De Engelsche generaal was van plan om vroeg in den morgen van den 6denmet zijn geheel leger zijn voorhoede te volgen, doch dien nacht ging de wind geheel en al liggen, en de branding aan de kust tegen over Blauwberg was zoodanig verminderd dat Baird besloot om toch hier te landen, en met dat voornemen zond hij snel een vaartuig om de reeds vertrokken schepen terugteroepen. Daarop werden de noodige toebereidselen gemaakt. Vier der groote Engelsche oorlogsschepen gingen zoo nabij mogelijk de kust liggen, ten einde met hun grof geschut de landende troepen te beschermen, en men liet daarop een der kleinste schepen op strand loopen, om daardoor een soort van beveiliging te hebben tegen de groote branders, die zelfs in rustig weer tegen deze kust slaan. Toen werden de Hooglandsche regimenten, de Bergschotten van de 71ste,72steen 93steregimenten het eerst geland onder bevel van generaal Ferguson. De landing liep echter niet zonder ongelukken af; een boot met vijf en dertig man van het 93steregiment sloeg om in de[173]branding, en al de opvarenden vonden den dood in de golven. Daarop werden nog drie regimenten geland benevens een aanzienlijke voorraad mondbehoeften en wat artillerie. Er waren toen bij het strand geen Hollandsche soldaten om deze landing te beletten; slechts Kommandant Linde was er met zijn klein klompje burgers en deze deden wat zij konden. Zij slaagden er in eenige der Engelschen te dooden, maar een paar welgemikte schoten van af de schepen verplichtten hen om terugtetrekken, en daarop liet Linde Generaal Janssens het gebeurde weten.

De laatste Hollandsche gouverneur van de Kaap maakte zich dadelijk strijdvaardig, en vroeg in den morgen van den8stenJanuari 1806 trok hij met zijn leger Kaapstad uit om den vijand te ontmoeten. Beter gezegd trok hij van de zoogenaamde Rietvlei, waar hij den vorigen dag zijn leger had verzameld en dat ten noorden van de monding der Zoutrivier en juist west van deTijgerbergwas gelegen. Het Hollandsche leger telde iets over de tweeduizend man, hebbende Generaal Janssens meer dan duizend man, waaronder een groot aantal burgers te Kaapstad, achtergelaten om deze stad te beschermen tegen een aanval der Engelschen. Het is niet gemakkelijk om te begrijpen waarom Janssens aldus zijn leger verzwakte, want hij moet meer of min een denkbeeld hebben gehad[174]van de sterkte van den vijand, en geweten hebben dat deze heel wat sterker was dan hij, en als hij zijn plan om in het binnenland terug te trekken had willen uitvoeren, zou hij wijzer gedaan hebben om de Kaapstad geheel ontruimd te hebben, want deze was in het geval dat hij den slag verloor, toch niet te verdedigen, terwijl hij door het laten van een aanzienlijk aantal burgers niet alleen zijn macht verzwakte, maar gemelde burgers ongetwijfeld in handen van den vijand zou doen vallen, en dit een groot verlies zou zijn met het oog op de verdere verdediging van de kolonie. Maar Janssens, schoon een eerlijk en welmeenend man, die uitmuntend geschikt was voor het bestuur dezer volkplanting, was geen veldheer, en heeft steeds ongelukkig gestreden, want later heeft hij op dezelfde wijze Java moeten overgeven aan de Engelschen. Had hij met al de macht die hem ten dienste stond den Engelschen generaal ontmoet, dan had hij meer kans op overwinning gehad, en hij in alle geval, met beter succes de bergpassen naar het binnenland kunnen verdedigen.

De macht waarmede de generaal den vijand tegemoet trok was samen gesteld als volgt. Eerstens waren er 224 beredene burgers onder de kommandanten Linde, Human en Wium; dan volgde het bataljon der Waldeckers 400 man sterk; dan het22stelinieregiment,[175]ten getale van 358 man; dan het negende bataljon der Jagers, 202 man; verder 138 dragonders, en 160 man der artillerie, de laatsten met zestien stukken geschut. Ten laatste waren er nog 54 Maleische artilleristen, 181 Hottentotten te voet, en 104 slaven bij de artillerie, terwijl 240 Fransche matrozen van de in de Tafelbaai kort te voren gestrande schepenAtalanteenNapoleonook hulp verleenden onder bevel van kolonel Beauchene. Men ziet dus dat het Hollandsche leger een eigenaardig mixtuur was.

Het was omtrent vijf uur in den morgen, toen men het Engelsche leger, dat vierduizend man sterk was, zag aanrukken over de zandduinen van Blauwberg, onder persoonlijk bevel van Generaal Baird. Janssens stelde daarop terstond zijn leger in slagorde, en dat in een lange linie, ten einde te voorkomen dat de veel talrijker Engelsche macht hem zou overvleugelen. Daarop reed hij langs het front dertroepenen spoorde hen aan zich dapper te gedragen, en hun plicht te doen. Men ontving den algemeen beminden generaal met gejuich; slechts uit de monden der Waldeckers werd geen geluid van goedkeuring vernomen, en deze lafaards hadden geen lust zich op te offeren voor eene zaak, die zij als hopeloos beschouwden. Het gevecht begon met grof geschut,[176]en hierin was het voordeel aan de zijde van de Hollanders, die meer stukken hadden dan de Engelschen, schoon het kaliber der kanonnen der laatstgenoemden weer zwaarder was. Er vielen eenige kogels in de buurt van het Waldecker regiment, en dit begon daarop dadelijk te wijken. Janssens,dit bemerkende, begaf zich persoonlijk naar hen, en trachtte de lafaards moed in te spreken, maar het was te vergeefs; de Duitsche huurlingen sloegen schandelijk op de vlucht. Dit voorbeeld had een zeer slechte uitwerking op de rest van de geregelde troepen, en een korten tijd daarna begon ook het 22stelinieregiment te wijken. Weder trad deHollandschegeneraal naar voren; hij sprak de manschappen toe, en het gelukte hem ook ze een oogenblik te doen standhouden. De beide legers waren echter nu zoo nabij elkander dat men met het geweer op elkander begon te schieten; de Generaal zelf werd getroffen door een kogel die echter afstuitte tegen een hard voorwerp in zijn zak, zonder hem te verwonden. De Hooglanders, die eenige lagen hadden gevuurd, maakten zich daarop gereed om een bajonet aanval te doen, en tegen die taktiek waren de Hollandsche troepen niet bestand. Het 22steregiment sloeg op de wilde vlucht; slechts de burgers, de artillerie en de Fransche zeelieden hielden stand en beantwoordden[177]den aanval met een hevig geweervuur. De welafgerichte, geoefende Hooglanders, die de keurbenden van het Engelsche leger waren, lieten zich echter niet door het hevigste vuur stuiten, maar kwamen steeds in charge pas nader, en Generaal Janssens ziende dat hij met de hem overblijvende rest van het leger niets uitvoeren kon, gaf bevel tot den terugtocht, die gedekt werd door de artillerie, meesterlijk bediend door luitenant Pelegrini, die zoolang persoonlijk de stukken bleef bedienen, dat Janssens verplicht was om zelf den dapperen man te gelasten, zich met zijne kanonnen in veiligheid te brengen, terwijl hij hem tevens op de plek zelve tot kapitein bevorderde. Daarop trok het geheele Hollandsche leger in vrij goede order terug naar Rietvlei, waar men ook het Waldeck regiment vond, dat dadelijk daarop door Janssens met verwijtingen werd overladen, en naar Kaapstad werd gezonden. De Gouverneur maakte nu verder zijne schikkingen voor een terugtocht naar het binnenland. Eerstens zond hij de Fransche zeelieden naar Kaapstad terug, niet omdat zij niet goed waren, want zij hadden zich inderdaad zeer dapper gedragen; maar omdat de zeelieden van weinig of geen nut konden zijn in het binnenland. Verder zond hij een boodschapper naar den kommandant van Simonsstad, met instructien aan dezen om alle[178]krijgsvoorraad die daar mocht zijn, en die niet spoedig kon worden vervoerd te vernielen, en dan met het garnizoen van die plaats, omtrent 150 man, zich naar den tegenwoordigen Sir Lowry’s Pas te begeven, waarheen ook de Gouverneur zelf van plan was te gaan.

Een der laatste daden van den Hollandschen gouverneur bewees welk een edel man hij was. Er waren namelijk een aantal burgers die zich in het gevecht van Blauwberg uitmuntend hadden gedragen, en daar deze mannen geen betaling voor hunne diensten kregen, en toch wel iets voor hunne dapperheid verdienden, zond Janssens een boodschapper naar den politieken raad in Kaapstad, waarin hij dezen verzocht om dadelijk, zonder eenig verzuim aan zekere burgers die hij met name noemden, plaatsen in eigendom te geven en die te transporteeren op hunne namen. De namen dezer dappere burgers verdienen aan de vergetelheid te worden ontrukt, en wij geven ze dus hier. Zij waren: Jacobus Linde, Pieter Human, Pieter Pietersen, Nicholaas Swart Pz., Nicholaas Swart Kz., Jan Rabe, Dirk Lourens, Servaas de Kock, Nicholaas Linde, Marthinus Theunissen, Hans Human en Pieter Mosterd. Wij mogen hier bijvoegen dat de raad aan dit verzoek gehoor gaf, zijn laatste vergadering op den 8stenhield, de noodige dokumenten passeerde, en die deed registreeren.[179]

Waarom generaal Janssens, toen hij deze boodschap zond, ook niet dadelijk bevelen zond aan kolonel Prophalow, den bevelhebber van Kaapstad om zich in den nacht met alle beschikbare troepen en materiaal naar Muizenberg te begeven, en van daar langs het strand naar de Hottentot Hollands bergen te trekken, ten einde zich met hem, Janssens te vereenigen, is weer een van die dingen die men niet begrijpt. Janssens toch moet geweten hebben, dat er geen kwestie kon zijn van het verdedigen van Kaapstad, en dat de overgave er van zonder twijfel zou geschieden. Waarom moest echter in die overgave een groot deel van de troepen, en een aanzienlijk aantal burgers worden begrepen. De Britsche troepen trokken dien nacht niet verder dan Rietvlei, en kampeerden daar, zoodat Prophalow zeker alle kans had gehad om zonder moeite Muizenberg te bereiken, en daardoor het leger van Janssens, dat toen niet meer dan zoowat duizend man telde, aanzienlijk te versterken. Maar dit werd ongelukkig niet gedaan, en den achtermiddag van den 8stentrok de Hollandsche generaal met het overschot van zijn leger naar Hottentots Holland terug, waar hij de bergpas, thans als Sir Lowry’s pas bekend, bezette.

Kaapstad werd aldus aan zijn lot overgelaten, en op den morgen van den 9denJanuari kwam het[180]Engelsche leger te Zoutrivier aan, waar door den Engelschen generaal de noodige schikkingen werden getroffen om, zoo noodig, de stad te bombardeeren. Doch dit bleek spoedig een onnoodige maatregel. Prophalow begreep dat eene verdediging van de stad nutteloos bloedvergieten ten gevolge zou hebben, en even nuttelooze vernieling van eigendommen, en hij zond dus een parlementair naar Generaal Baird, om een wapenstilstand te verzoeken met doel de termen van overgave te arrangeeren. Baird schonk hem 36 uren wapenstilstand, op voorwaarde dat de buitenwerken van de stad aan hem werden overhandigd, en hij Fort Knokke kon bezetten, hetgeen toegestaan werd. Den volgenden dag, 10 Januari 1806, des namiddags om 4 uur, werd de kapitulatie van Kaapstad geteekend, en dienzelfden avond woei de Engelsche vlag weder op het kasteel, om daar te waaien tot op den huidigen dag.

Ondertusschen was Generaal Janssens te Hottentot Hollandsch, en scheen hij in twijfel te zijn geraakt wat te doen. De kleine macht ter zijner beschikking maakte het hem onmogelijk om iets nuttigs ten uitvoer te brengen, en hij was zelfs niet in staat om de bergpassen te bezetten, die den vijand in staat zouden stellen hem in den rug aan te vallen. Dat de Engelschen dit dan ook van plan[181]waren, bleek spoedig, want reeds op den 12denvernam Janssens dat Stellenbosch, en de Roodezand Kloof door hen bezet was, en dat een regiment op weg was naar Mosselbaai om de Attaqua pas in bezit te nemen. Aldus aan alle kanten afgesneden, moest de Hollandsche generaal wel tot deconclusiekomen dat er niets voor hem overbleef dan overgave. Maar toch kwam de eerste stap niet van hem, maar van den kant der Engelschen. Generaal Baird was een zeer achtenswaardig man, en hij schreef op den 13deneen brief aan Janssens, waarin hij deze onder het oog bracht dat verder verzet slechts noodeloos bloedvergieten zou zijn, en dat hij hem aan de hand gaf of het niet beter was omonderhandelingenaanteknoopen voor eene eerlijke kapitulatie. Deze brief werd door Generaal Beresford aan den Hollandschen generaal gezonden, en dezen verder medegedeeld, dat, hij, Beresford, volmacht had om de onderhandelingen te voeren. Janssens wilde zich eerst overtuigen van den toestand in de Kaapstad, en vroeg verlof om een onderhoud te hebben met den toenmaligen secretaris van den politieken raad, den heer Jan Andries Truter. Dit verzoek werd toegestaan, en daarop besloot Janssens zich over te geven, en werd de kapitulatie op den 18denJanuari geteekend. Bij die kapitulatie werd overeengekomen[182]dat het Hollandsche leger zich met behoud van eer zou overgeven, en op kosten der Engelsche regeering naar Holland zou worden teruggezonden, en verder dezelfde voorwaarden gemaakt als beschreven waren in de capitulatie van Kaapstad.

Op den 6denMaart verliet Generaal Janssens deze kusten, en werd voor goed de band verbroken die er bestond tusschen Oud-Holland en de Kaap de Goede Hoop. Merkwaardig is echter de brief die de dappere generaal, op den dag van zijn vertrek aan generaal Baird zond en waarin onder anderen deze uitdrukkingen voorkwamen:

„Sta mij toe, mijnheer, om aan uwe bescherming aan te bevelen de inwoners dezer kolonie, wier geluk en welvaart de voornaamste onderwerpen mijner zorg zijn geweest, sedert mijne aankomst alhier, en die gedurende dien tijd zich geheel volgens mijne tevredenheid hebben gedragen. Sla in dit opzicht geen geloof aan den heer Barrow, of aan de vijanden der inwoners. Deze laatsten hebben hunne fouten, doch daar wegen hunne goede hoedanigheden ruimschoots tegen op. Door middel van zachtheid, door bewijzen van liefde, en vriendelijkheid kan men ze ongetwijfeld tot het goede leiden.”

Het zou zeker een groot voordeel voor de Engelsche regeering zijn geweest, zoo zij wat meer geluisterd[183]had naar den raad van den laatsten Hollandschen Gouverneur, en wat minder naar menschen in Engeland, die geen begrip van de toestanden hier hadden, of naar mannen, als Dr. Philip, die door hunnevooroordelenbelet waren een behoorlijk besef van het karakter der Afrikaners te krijgen, of anders warengeïnfluenceerddoor zelf belang en geldzucht. Maar de gevolgen van al deze verkeerde influisteringen zijn niet uitgebleven.

Toen de „Bellona”, zooals het schip heette dat Generaal Janssens en zijne metgezellen naar Holland zou vervoeren, op den morgen van 6 Maart, langzaam en statig de Tafelbaai uitzeilde, stond Jan van Eck op het strand van Papendorp, en tuurde hij op het schip totdat er niets meer van te zien was. Hij was moederziel alleen, maar zelfs al waren er honderd menschen geweest, dan zou hem het hart te vol zijn geweest om een woord te spreken. Toen echter het schip op de blauwe wateren van den Atlantischen Oceaan verdwenen was, liepen de tranen langs de wangen van den goeden eerlijken patriot, en zich langzaam omwendende, stapte hij in de richting van zijn huisje.

Voor de eerste keer in zijn leven liet hij dien dag zijn middag eten onaangeroerd.[184]


Back to IndexNext