HOOFDSTUK X.

[Inhoud]HOOFDSTUK X.HOOFDSTUK X.Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad kwam; hij was ersindswij hem eerst hebben ontmoet heel[185]wat ouder op geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was nog uitmuntend; doch zijneknieënwaren wat stram geworden en het loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de toestand zijns geestes.Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist hij bij ondervinding welke abuizen datHollandschbestuur met zich had meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden begraven, met een begeleidend[186]paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nueenmaal ’swerelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald van af den 1stentot 29stenSeptember, en als plaats, het stadhuis[187]op het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende. Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn eigendom aantegeven, en daar dit niet[188]veel was, was hij spoedig weder op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde. Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B. Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat men zich naar zijnhuisen barbierswinkel zou begeven, die niet ver van het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en verfrischten zich met een bittertje.„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, mijnheer Van Eck,”zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten waren.„Och”, hernam de[189]aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor een oud man als ik, die reeds aan’s wereldsloop behoort gewoon te zijn, niet passen.”„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen toestand”.„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat betwijfel ik. Naar mijn bescheidene[190]opinie weegt dat zoogenaamde voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie hebben geleden”.„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk was uit in 1803, en toen[191]de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en zij durven er niet tegen te pruttelen”.„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind[192]noch kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen wij dat ze grootsch zijn.”Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude man zweeg een oogenblik, en zeide toen:„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide:„Gij kunt niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed: dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als zij zich goedwillig aan den tiran[193]hadden onderworpen, en het Roomsche geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar voor.… Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de zaken in Europa?”De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar[194]Oostenrijk een geduchte nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”.Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op[195]goeden voet te blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet kan prijsgeven”.„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de[196]eenige zeemacht van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten instemmen, mijnheer Van Eck?”„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de Engelsche bezetting van het land”.„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van Eck,”viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, dat niet zijn volle waarde had?”De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel en[197]al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want de Hottentot die niet werkt moet, om aan den[198]kost te komen, het vleesch van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van den Afrikaanschen boer”.„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en deed weten dat het eten op tafel[199]was, en dat alle aanwezigen welkom zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was, werd steeds als gast ter tafel genoodigd.Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als volgt mompelde:’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, wat er van het toekomende geslacht[200]zal worden. Van die zal men ook wel kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”. (Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met een prophetischen geest was bezield.[201]

[Inhoud]HOOFDSTUK X.HOOFDSTUK X.Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad kwam; hij was ersindswij hem eerst hebben ontmoet heel[185]wat ouder op geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was nog uitmuntend; doch zijneknieënwaren wat stram geworden en het loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de toestand zijns geestes.Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist hij bij ondervinding welke abuizen datHollandschbestuur met zich had meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden begraven, met een begeleidend[186]paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nueenmaal ’swerelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald van af den 1stentot 29stenSeptember, en als plaats, het stadhuis[187]op het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende. Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn eigendom aantegeven, en daar dit niet[188]veel was, was hij spoedig weder op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde. Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B. Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat men zich naar zijnhuisen barbierswinkel zou begeven, die niet ver van het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en verfrischten zich met een bittertje.„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, mijnheer Van Eck,”zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten waren.„Och”, hernam de[189]aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor een oud man als ik, die reeds aan’s wereldsloop behoort gewoon te zijn, niet passen.”„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen toestand”.„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat betwijfel ik. Naar mijn bescheidene[190]opinie weegt dat zoogenaamde voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie hebben geleden”.„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk was uit in 1803, en toen[191]de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en zij durven er niet tegen te pruttelen”.„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind[192]noch kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen wij dat ze grootsch zijn.”Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude man zweeg een oogenblik, en zeide toen:„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide:„Gij kunt niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed: dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als zij zich goedwillig aan den tiran[193]hadden onderworpen, en het Roomsche geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar voor.… Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de zaken in Europa?”De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar[194]Oostenrijk een geduchte nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”.Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op[195]goeden voet te blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet kan prijsgeven”.„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de[196]eenige zeemacht van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten instemmen, mijnheer Van Eck?”„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de Engelsche bezetting van het land”.„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van Eck,”viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, dat niet zijn volle waarde had?”De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel en[197]al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want de Hottentot die niet werkt moet, om aan den[198]kost te komen, het vleesch van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van den Afrikaanschen boer”.„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en deed weten dat het eten op tafel[199]was, en dat alle aanwezigen welkom zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was, werd steeds als gast ter tafel genoodigd.Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als volgt mompelde:’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, wat er van het toekomende geslacht[200]zal worden. Van die zal men ook wel kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”. (Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met een prophetischen geest was bezield.[201]

HOOFDSTUK X.HOOFDSTUK X.Waaruit blijkt dat men in het jaar 1807 banja mak was in de Kaapstad.

HOOFDSTUK X.

Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad kwam; hij was ersindswij hem eerst hebben ontmoet heel[185]wat ouder op geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was nog uitmuntend; doch zijneknieënwaren wat stram geworden en het loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de toestand zijns geestes.Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist hij bij ondervinding welke abuizen datHollandschbestuur met zich had meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden begraven, met een begeleidend[186]paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nueenmaal ’swerelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald van af den 1stentot 29stenSeptember, en als plaats, het stadhuis[187]op het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende. Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn eigendom aantegeven, en daar dit niet[188]veel was, was hij spoedig weder op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde. Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B. Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat men zich naar zijnhuisen barbierswinkel zou begeven, die niet ver van het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en verfrischten zich met een bittertje.„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, mijnheer Van Eck,”zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten waren.„Och”, hernam de[189]aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor een oud man als ik, die reeds aan’s wereldsloop behoort gewoon te zijn, niet passen.”„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen toestand”.„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat betwijfel ik. Naar mijn bescheidene[190]opinie weegt dat zoogenaamde voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie hebben geleden”.„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk was uit in 1803, en toen[191]de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en zij durven er niet tegen te pruttelen”.„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind[192]noch kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen wij dat ze grootsch zijn.”Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude man zweeg een oogenblik, en zeide toen:„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide:„Gij kunt niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed: dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als zij zich goedwillig aan den tiran[193]hadden onderworpen, en het Roomsche geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar voor.… Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de zaken in Europa?”De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar[194]Oostenrijk een geduchte nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”.Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op[195]goeden voet te blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet kan prijsgeven”.„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de[196]eenige zeemacht van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten instemmen, mijnheer Van Eck?”„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de Engelsche bezetting van het land”.„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van Eck,”viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, dat niet zijn volle waarde had?”De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel en[197]al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want de Hottentot die niet werkt moet, om aan den[198]kost te komen, het vleesch van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van den Afrikaanschen boer”.„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en deed weten dat het eten op tafel[199]was, en dat alle aanwezigen welkom zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was, werd steeds als gast ter tafel genoodigd.Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als volgt mompelde:’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, wat er van het toekomende geslacht[200]zal worden. Van die zal men ook wel kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”. (Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met een prophetischen geest was bezield.[201]

Op Maandag 28 September van het jaar 1807 stapte ’s morgens om 10 uur, onze vriend Van Eck zeer rustig van zijne woning naar de stad, en wendde zich daar dadelijk naar het stadhuis op het zoogenoemde Groenteplein, waar het stadhuis stond, hetzelfde gebouw dat nu nog voor dat doel wordt gebruikt, totdat het groote en trotsche gebouw, dat men bezig is op het Caledonplein te bouwen, voor gebruik geschikt is. Het was in den laatsten tijd iets zeldzaam geweest, dat Van Eck in de stad kwam; hij was ersindswij hem eerst hebben ontmoet heel[185]wat ouder op geworden, en ouderdom komt met gebreken. Gebreken, in den eigenlijken zin van het woord had de oude man nu niet, want zijne gezondheid was nog uitmuntend; doch zijneknieënwaren wat stram geworden en het loopen viel hem niet meer zoo gemakkelijk. Maar wat hem voornamelijk van de stad weghield, was niet de toestand van zijn lichaam, dan wel de toestand zijns geestes.

Vurig Afrikaander als altijd, een man van vaste beginselen, kon hij niet klaarkomen met de Engelsche heerschappij in de kolonie, en verlangde hij immer terug naar de oude dagen der Hollanders, al wist hij bij ondervinding welke abuizen datHollandschbestuur met zich had meegebracht. Van zijne oude vrienden waren verscheidene overleden, en anderen hadden de dagen van vroeger vergeten, en leefden in het tegenwoordige, als gewone menschen, wier plicht het op deze aarde is om voor vrouw en kinderen te zorgen, en die dit dan ook zoo goed mogelijk doen, zonder zich te bekommeren over zulke lastige dingen als beginselen. Zulke menschen worden gewoonlijk als de verstandigsten door hunne medeburgers beschouwd; zij komen gewoonlijk in de wereld vooruit, en laten dikwijls een heel aardig fortuintje aan hunne kinderen na, om daarop als eerlijke en brave burgers met alle statie te worden begraven, met een begeleidend[186]paragraafje in de nieuwsbladen. Dat is nueenmaal ’swerelds loop, en die dit niet volgt, dien beschouwt men als dwaas, of eccentriek. Doch het ongeluk was dat Van Eck zich niet kon gewennen aan deze wijze van denken en handelen, en dat hij eene diepe verachting had voor zulke menschen, en die verachting geenszins verheelde. Dit bracht hem dikwijls in onaangenaamheden, en dus begon hij langzamerhand een zeer afgezonderd leven te leiden, en ging hij met zeer weinig menschen om. Nu en dan ontving hij een bezoek van een der weinig hem trouw geblevene vrienden, vooral uit de distrikten in het oosten, en met deze gezelsde hij dan heerlijk over de goede oude tijden, en besprak men den algemeenen toestand van zaken.

Dat hij heden in de stad was, had dan ook zijne bijzondere redenen. De gouverneur der Kaapkolonie, Graaf Caledon, had eenigen tijd geleden eene proklamatie uitgevaardigd, waarin hij alle inwoners der kolonie opriep om zich op zekere bepaalde dagen aantegeven bij een paar vastgestelde plaatsen, om aldaar optegeven het aantal personen van hun huishouden, van hun slaven, enz. enz. Feitelijk dus zoo iets als wat men thans een Census zou noemen. Voor de Kaapstad was die dag bepaald van af den 1stentot 29stenSeptember, en als plaats, het stadhuis[187]op het Groenteplein. De meeste burgers hadden zich reeds lang aangegeven, schoon er niet weinige waren, die dit met geen gerust hart deden. Sommige menschen keurden deze wijze van handelen af, als in strijd met den Bijbel, daar de heer David had gestraft, wegens het houden van eene volkstelling der Israelieten; anderen weder waren van opinie dat de regeering met deze opgave geen ander doel had dan om te kunnen weten hoe zwaar eene belasting zij op het volk zou kunnen opleggen. Maar wat men ook van de zaak dacht, men gehoorzaamde het bevel zonder hoorbaar morren, omdat men machteloos was. Ook Van Eck meende dat er iets achter deze zaak zat, maar ook hij moest gehoorzamen; om zich echter eenige voldoening te geven had hij zijne aangifte uitgesteld tot op het laatste oogenblik, althans nagenoeg, en kwam hij dus op den voorlaatsten dag. Er waren nog eenige andere burgers, die om de eene of andere reden de zaak hadden uitgesteld, en toen dus onze vriend op het Groenteplein kwam, vond hij daar verscheidene personen, die hij kende. Hij groette hen beleefd, en ging toen dadelijk het gebouw binnen, om aan den heer Van Rijneveld, die met twee der leden van de Burgersenaat, een soort van Commissie vormde, om de opgaven te doen aanteekenen, zijn eigendom aantegeven, en daar dit niet[188]veel was, was hij spoedig weder op het plein, waar hij thans een der aldaar staande groepjes naderde. Dat groepje bestond uit drie personen, twee waarvan Jan van Eck goed kende, als zijnde de barbier of chirurgijn Bözenberg, en de heer E. B. Ziervogel, terwijl de derde hem vreemd was, doch hem door den heer Bözenberg werd voorgesteld als Dr. Kriegler van Wagenmakersvlei, de plek die wij thans kennen als Wellington, en reeds toen een vrij bloeiende streek, schoon het nog geen eigenlijk dorp was. Men was spoedig in een gesprek gewikkeld, doch daar de zon wat heet begon te worden, al was het nog maar September, sloeg de heer Bözenberg voor dat men zich naar zijnhuisen barbierswinkel zou begeven, die niet ver van het plein, in de korte Marktstraat, was gelegen. Hierin namen de aanwezigen genoegen, schoon eerst Van Eck zeide haastig te zijn, en liever dadelijk naar huis te willen teruggaan. Toch haalde de heer Bözenberg, met wien de oude man goed bevriend was, hem zonder veel moeite over om hen te vergezellen, en een oogenblik later zaten de vier heeren rustig in een kamer van het huis van den barbier, en verfrischten zich met een bittertje.

„Gij zijt tegenwoordig geheel en al een vreemdeling in de stad, mijnheer Van Eck,”zeide de heer Ziervogel, toen zij rustig gezeten waren.„Och”, hernam de[189]aangesprokene, „ik heb tegenwoordig zeer weinig te doen in de stad, en voor mijn genoegen kom ik er zeker niet, want als ik het kasteel passeer, en daar de Engelsche vlag zie waaien dan kookt het mij in de borst, en komen er in mij gedachten op, die voor een oud man als ik, die reeds aan’s wereldsloop behoort gewoon te zijn, niet passen.”

„Nog steeds dezelfde van altijd Mijnheer Van Eck”, viel de heer Bözenberg den spreker in de rede, „zult gij u nooit gewennen aan de verandering, die in de laatste jaren hier heeft plaatsgevonden, en die toch in menig opzicht eene groote verbetering is op den vorigen toestand”.

„Ik weet niet wat gij met eene verbetering bedoelt”, zeide Van Eck weder; „als gij daarmede te kennen wilt geven dat er thans niet zooveel schaarschheid van geld heerscht als vroeger, en men gemakkelijker zijn brood kan verdienen, zoo hebt gij misschien gelijk, alhoewel ik daarvan niet uit persoonlijke ondervinding kan spreken. Ik hoor zulks echter van anderen, die mij vertellen, dat er in jaren lang niet zooveel kontant geld in de kolonie was, als thans, en dat ook de boeren een veel beteren prijs krijgen voor hunne produkten dan tien jaren geleden het geval was. Maar of dit op zich zelve eene verbetering is, dat betwijfel ik. Naar mijn bescheidene[190]opinie weegt dat zoogenaamde voordeel niet op tegen het feit dat wij thans de onderdanen zijn van de Engelschen, en dat wij onze vrijheid, het kleinood waarvoor onze vaderen vroeger zooveel stroomen bloeds vergoten, hebben verloren”.

„Maar zeker zoudt gij toch niet de euvele dagen van Jan Compagnie willen terughebben”, zeide de heer Ziervogel. „Niemand kent die dagen beter dan gij, en niemand weet beter wat de burgers onder de compagnie hebben geleden”.

„Ongetwijfeld waren er tijden, wanneer onze burgers veel leden onder Jan Compagnie, vooral in de laatste twintig jaren vóór 1793, maar toch waren die tijden in menig opzicht te verkiezen boven de tegenwoordige. Had men in die tijden een goede gouverneur zooals Swellengrebel of Vader Tulbagh, dan was het hier goed, en zelfs als hier een minder goede gouverneur was, dan kon men zich wenden tot de heeren directeuren in Patria, die, al waren zij niet altijd op de hoogte van de zaken alhier, toch steeds gewillig waren om naar onze grieven te luisteren. Herinner u maar eens in de dagen van Gouverneur van Plettenberg, hoe wij een commissie naar Patria zonden, en werkelijk wij toch een gedeelte kregen van wat wij hadden verzocht. En Jan Compagnie zijn rijk was uit in 1803, en toen[191]de Mist en Generaal Janssens hier kwamen, scheen het waarlijk dat wij een beteren tijd tegemoet gingen. Maar het oude vaderland heeft ons verlaten, en niets heeft mij meer droefheid veroorzaakt dan het feit dat Keizer Napoleon zoo weinig voor ons heeft gedaan. En waar zijn wij nu? Wat kunnen wij nu doen? Wij hebben hier een gouverneur die een soort van despotische macht heeft, en van wiens beslissingen wij in geen hooger beroep kunnen komen. Wij moeten maar als hulpelooze slaven zijne bevelen uitvoeren, want anders is er boete en tronkstraf, of wordt men naar Botany Baai gezonden, zooals men aan Cornelis Edeman heeft gedaan. En dit alles verdragen de Kapenaars, en zij durven er niet tegen te pruttelen”.

„Waarom zouden wij op het oogenblik pruttelen”, hernam de heer Ziervogel weder, „wij hebben toch waarlijk geen reden daartoe. Gij zijt onpraktisch, mijnheer van Eck, en streeft naar het onbereikbare. Men moet in het leven de dingen nemen zooals ze zijn, en er het beste van maken. Bovendien hebben wij allen onze plichten te vervullen tegenover onze familiën, en het zou dwaas van ons zijn om die familiën, in het ongeluk te storten, omdat wij bevinden dat de zaken niet gaan overeenkomstig onze beginselen. Gij hebt gemakkelijk spreken. Kind[192]noch kraai hebt gij, om voor te zorgen: geregeld trekt gij uwe renten, alzijn ze niet veel: uwe behoeften zijn weinig en gij kunt ze voldoen, en als de dood u van deze aarde weg rukt, dan laat gij niemand achter die uwe zorg zal missen. Maar wij zijn niet allen in die gelukkige positie, en daarom kunnen wij uwe beginselen niet aannemen, al erkennen wij dat ze grootsch zijn.”

Jan van Eck lachte; het was een bittere lach; een lach waarin medelijden en verachting als gemengd lagen, een lach die geen aangenamen indruk maakte op diegenen voor wie hij gemeend was. De oude man zweeg een oogenblik, en zeide toen:

„Het was een waar woord dat Christus sprak toen hij zeide:„Gij kunt niet God en den Mammon dienen”. De geldzucht, en de bekoorlijkheden des levens hebben te veel aantrekkelijkheid voor ulieden, en gij verkiest het oogenblikkelijke en gemakkelijk te bereiken voordeel, boven het grootere voordeel dat slechts te verkrijgen is door een tijdperk van lijden, van angst, en van moed. Het ontbreekt u aan zedelijken moed: dat is de geheele zaak. Denkt eens terug aan de tijden van den tachtigjarigen oorlog; zou die ooit in de geschiedenis zijn beschreven als onze voorouders ook zoo hadden geredeneerd als gij thans doet. Als zij zich goedwillig aan den tiran[193]hadden onderworpen, en het Roomsche geloof hadden aangenomen, dan zou het hun in de wereld ook veel beter zijn gegaan, en was hun veel lijden bespaard; maar dan zouden zij met den loop der tijden als een volk van de aarde zijn verdreven, en hun plaats zou niet meer gekend zijn. Voor hen persoonlijk zou het misschien beter zijn geweest, maar de wereld en de menschheid, en hun nageslacht zouden er onder geleden hebben; want heden erkennen wij wel dat zij vreeselijk hebben geleden doch wij zijn er hun dankbaar voor.… Maar laten wij voor het oogenblik dit punt laten varen, want ik gevoel dat ik meer zal gaan zeggen, dan zelfs een oud man geoorloofd is, ook onder zijne landgenooten. Laat ik u liever vragen of gijlieden mij niet iets nieuws kunt vertellen uit Europa. Ik heb in geen drie maanden iets uit Patria gehoord, en geen nieuwsblad is mij ter hand gekomen. De Engelsche taal ben ik niet machtig, en dus kan ik niet de berichten lezen die in de Engelsche bladen staan. Hoe staat het met de zaken in Europa?”

De heer Ziervogel antwoordde op deze vraag, en zeide: „Uit brieven die ik uit Patria ontvangen heb, schijnt het mij toe dat de zaken op het oogenblik niet erg gunstig voor de verbondene mogendheden staan. Zooals gij weet heeft Keizer Napoleon verleden jaar[194]Oostenrijk een geduchte nederlaag toegebracht, en daarop is het Engeland dat steeds dapper den strijd tegen den Franschen Keizer volhoudt gelukt, om Pruisen en Rusland te bewegen de wapenen tegen den overheerscher op te vatten. Napoleon heeft echter zoowel de Pruisen als de Russen geheel verslagen, en deze zijn thans bezig vrede te sluiten, en dat op voorwaarden, die zeer vernederend voor Pruisen zijn. Wat Rusland aangaat, zoo schijnt men in Engeland te vreezen, dat het Napoleon gelukt is om den keizer van Rusland zoodanig om te praten, dat deze zijn vriend en ondersteuner zal worden, en als dit werkelijk het geval is, dan is er vooreerst niet veel kans om den Franschen keizer tot den val te brengen”.

Jan van Eck zweeg een oogenblik, en zeide toen: „Gij weet dat ik geenszins mij met u vereenig omtrent de afkeuring die gij schijnt te koesteren aan de daden van den Franschen keizer; als het voor niets anders is dan omdat hij tracht de Engelschen op hun plek te zetten, dan zou ik reeds daarvoor alleen hem eeren: maar naar mijn beschouwing heeft Europa een man als Napoleon noodig om er de zaken in orde te houden. Doch wat mij steeds getroffen heeft, is dat Napoleon het niet een voornaam deel van zijn politiek heeft gemaakt om op[195]goeden voet te blijven met Rusland. Dit zou hem weinig moeite hebben gekost, want als hij slechts Rusland de vrije hand had gegeven op het Turksche schiereiland, en in Azië, dan zou Rusland hem daarvoor de vrije hand hebben gegeven in westelijk Europa, en dan zou hij zijn machtigsten tegenstander hebben kwijtgeraakt, terwijl tevens hij Engeland onschadelijk zou hebben gemaakt, want Rusland zou zich dan oostwaarts, in de richting van Indië hebben uitgebreid, en daardoor in botsing zijn gekomen met Engeland, dat natuurlijk zijn Indische heerschappij niet kan prijsgeven”.

„Ik ben niet genoegzaam op de hoogte van de politieke kwesties van het hedendaagsch Europa, om een oordeel te kunnen vellen over deze zaak” merkte de heer Bözenberg aan, „maar ik geloof niet dat Napoleon dat goede doet, dat de heer Van Eck veronderstelt dat hij doet; hij schijnt mij een oorlogszuchtig en heerschzuchtig mensch te zijn, die reeds het leven van duizenden menschen heeft verspild, en dat van duizenden meer zal verspillen, vóór wij met hem klaar zijn. En ik ben niet van opinie dat wij er beter aan toe zouden zijn als Engeland het tegen den keizer der Franschen verloor. In een land als dit, bijvoorbeeld, moet men grootendeels van den handel leven, en Engeland, als de[196]eenige zeemacht van belang in deze dagen, is ook de eenige natie die in staat is om onzen handel te beschermen. Als de Engelsche vloot de zeeën niet beheerschte, zouden wij op het oogenblik niets uit Europa kunnen krijgen, en zou de handel in dit land kwijnen. Dat zult gij toch moeten instemmen, mijnheer Van Eck?”

„De handel mag er misschien onder lijden, en de stedeling mag het minder goed hebben, maar ik geloof, dat dit land niet afhankelijk behoort te zijn van den handel. De ware goudmijn van deze kolonie ligt bij de boerderij, en zoover ik kan zien heeft die niet gewonnen door de Engelsche bezetting van het land”.

„Neen, dat is toch wel wat dwaas, om zoo iets te zeggen, mijnheer Van Eck,”viel de heer Ziervogel in; „heeft de boer het dan niet veel beter dan hij het vroeger onder het bestuur van Jan Compagnie had? Krijgt hij niet veel meer voor zijne produkten dan hij vroeger kreeg? Heeft hij thans niet contant geld in huis, terwijl een jaar of wat geleden hij niets kreeg in betaling zijner goederen dan wat beetje papierengeld, dat niet zijn volle waarde had?”

De oude Kapenaar en vereerder van Rousseau lachte op treurige wijze, en sprak: „Gij laat u allen door den schijn verleiden, en gij wordt geheel en[197]al doordrongen door dien ellendigen geest van koopmannij, die tegenwoordig het geheele Engelsche volk kenmerkt, en die nog tot de allertreurigste gevolgen zal leiden voor dit land. De kwestie is niet of de boer wat meer of wat minder geld krijgt voor zijn produkten, maar wel of hij iets te zeggen zal hebben in het bestuur van het land. Hij is de groote grondeigenaar van het land, en van zijn welzijn hangt ook het welzijn van het land af, dat hij aangelegd heeft. En denkt gij dat hij thans de kans heeft, om dit te doen? Engelsche denkbeelden winnen hier veld op meer dan eene manier, en onder die denkbeelden behoort de verkeerde behandeling der kleurlingen in dit land. Een der eerste behoeften voor den boer in dit land is, dat hij genoegzaam werkvolk hebbe, om hem in staat te stellen zijn boerderij goed te drijven. Maar wat vindt men thans in de kolonie? Dat de zendelingen, die ondersteund worden door de Britsche regeering, het volk aanlokken om te gaan wonen in en op de zendelingstaties, waar zij een lui en lekker leven voeren en dan geen lust hebben om zich aan den boer te verhuren? Deze zendelingstaties zijn, zooals ik nog onlangs uit het distrikt Swellendam hoorde, niets anders dan verzamelplaatsen voor dieven, want de Hottentot die niet werkt moet, om aan den[198]kost te komen, het vleesch van den boer stelen, en menig schaapje en menige bok raakt op die wijze spoorloos verdwenen. Zoolang dat duurt kan de boer niet vooruitgaan. En dan schijnen de Engelschen geen slag te hebben om met de Kaffers om te gaan, en houden zij die de hand boven het hoofd. Het lijkt dikwijls alsof de Engelschen, afgaande op wat de zendelingen hun vertellen, de Kaffers als hunne broeders beschouwen, en meer van hem denken dan van den Afrikaanschen boer”.

„Maar, mijnheer Van Eck, als de Engelschen de Kaffers dan als hun broeders beschouwen, hebben zij dan daar niet gelijk aan? Gij behoordet toch waarlijk de laatste man te zijn die iets daartegen zoudt inbrengen, want leert uw groote leermeester, Jean Jacques Rousseau ons niet dat alle menschen broeders zijn, en zijn vrijheid, gelijkheid, en broederschap, niet de hoofdbeginselen van zijn wijsgeerigheid?” Het was de heer Bözenberg, die Van Eck deze slimme vraag deed, en tot groot vermaak der aanwezigen scheen zij voor het oogenblik onzen vriend van zijn stuk te brengen, en kon hij niet dadelijk antwoord geven. Hij maakte zich echter gereed om dit argument tegen te spreken, toen juist op dat oogenblik de vrouw van de heer Bözenberg de kamer inkwam, en deed weten dat het eten op tafel[199]was, en dat alle aanwezigen welkom zouden zijn, want in de oude dagen van Kaapstad was men bijzonder gastvrij, en wie ook op het uur des maaltijds in het huis aanwezig was, werd steeds als gast ter tafel genoodigd.

Of het gesprek een wending had genomen, die den heer van Eck niet beviel, of dat hij uit zijn humeur was over de laatst gemaakte aanmerking, laat zich hier niet uitmaken, maar in alle geval nam hij de uitnoodiging om bij de familie Bözenberg te dineeren, niet aan, en zeide hij dat hij nog een paar commissies moest doen, en haastig was om naar huis te komen, waar zijn jongen op hem wachtte. Hij nam dus afscheid, en ging de straat op in de richting van de Parade, en wie hem van nabij had gevolgd, had kunnen hooren dat hij bij zich zelve als volgt mompelde:

’t Wordt me hier een mooie boel in de Kaapstad; de lui zijn zoo pap als maar mogelijk is, en beginnen voor niets anders te leven dan om geld te maken. Kracht en liefde voor het land zit niet meer bij ze, en allen worden langzamerhand van dat ellendige zuurdezem van den handel doortrokken. Als het tegenwoordige geslacht zich reeds in zulk een korten tijd begint te veranderen, dan zal ik wel graag willen weten, wat er van het toekomende geslacht[200]zal worden. Van die zal men ook wel kunnen zeggen, als zij opgegroeid zijn, „Plus royaliste que le roi”. (Nog meer koningsgezind dan de koning zelve).

En de heer Van Eck toonde met het maken van die aanmerking, dat hij met een prophetischen geest was bezield.[201]


Back to IndexNext