[Inhoud]HOOFDSTUK VI.HOOFDSTUK VI.Het eerste Engelsche tijdperk.Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren[120]en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18detot de 19deeeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn, omdat er kans bestaat,[121]dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstadgeruïneerd, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de[122]bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met dievooroordelendie in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen.[123]Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de[124]zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terugte gevenaan het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord Macartney uit, en met diens regeering begint[125]de treurige tijd van Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden. Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de wijze zooals toen ter tijde[126]gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan „Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van hetbruiloftsfeestkreeg hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet meer zulke misdadige dingen zou plegen.Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men die belofte op eene eigenaardige[127]manier. Goederen uit Engeland konden vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke goederen dubbel invoerrecht geheven.Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol vanvooroordelen, en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking, dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en ter verachting van het menschdom ten toon gespreid.Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen,[128]zich een geheel verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd.Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten,Generaal Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren[129]overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld; de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den opstand van 1799 de Engelschen niet met[130]het noodige verstand te werk gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het tegenwoordige althans.Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam.Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene jaren later.[131]Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene commissie[132]in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet.Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen, maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen werd gevoerd onder den invloed[133]der negrophilistische partij in Engeland en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de Hollanders zou worden teruggegeven.Op den 1stenOctober van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd. Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd, doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen[134]grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23stenDecember in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den 31stenzou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den naam draagt van deCampground Road.Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas bleef, de[135]personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie thans kon worden overhandigd, en op den 21stenFebruari woei de Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.[136]
[Inhoud]HOOFDSTUK VI.HOOFDSTUK VI.Het eerste Engelsche tijdperk.Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren[120]en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18detot de 19deeeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn, omdat er kans bestaat,[121]dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstadgeruïneerd, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de[122]bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met dievooroordelendie in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen.[123]Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de[124]zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terugte gevenaan het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord Macartney uit, en met diens regeering begint[125]de treurige tijd van Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden. Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de wijze zooals toen ter tijde[126]gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan „Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van hetbruiloftsfeestkreeg hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet meer zulke misdadige dingen zou plegen.Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men die belofte op eene eigenaardige[127]manier. Goederen uit Engeland konden vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke goederen dubbel invoerrecht geheven.Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol vanvooroordelen, en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking, dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en ter verachting van het menschdom ten toon gespreid.Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen,[128]zich een geheel verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd.Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten,Generaal Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren[129]overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld; de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den opstand van 1799 de Engelschen niet met[130]het noodige verstand te werk gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het tegenwoordige althans.Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam.Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene jaren later.[131]Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene commissie[132]in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet.Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen, maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen werd gevoerd onder den invloed[133]der negrophilistische partij in Engeland en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de Hollanders zou worden teruggegeven.Op den 1stenOctober van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd. Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd, doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen[134]grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23stenDecember in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den 31stenzou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den naam draagt van deCampground Road.Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas bleef, de[135]personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie thans kon worden overhandigd, en op den 21stenFebruari woei de Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.[136]
HOOFDSTUK VI.HOOFDSTUK VI.Het eerste Engelsche tijdperk.
HOOFDSTUK VI.
Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren[120]en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18detot de 19deeeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn, omdat er kans bestaat,[121]dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstadgeruïneerd, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de[122]bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met dievooroordelendie in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen.[123]Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de[124]zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terugte gevenaan het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord Macartney uit, en met diens regeering begint[125]de treurige tijd van Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden. Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de wijze zooals toen ter tijde[126]gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan „Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van hetbruiloftsfeestkreeg hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet meer zulke misdadige dingen zou plegen.Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men die belofte op eene eigenaardige[127]manier. Goederen uit Engeland konden vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke goederen dubbel invoerrecht geheven.Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol vanvooroordelen, en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking, dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en ter verachting van het menschdom ten toon gespreid.Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen,[128]zich een geheel verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd.Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten,Generaal Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren[129]overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld; de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den opstand van 1799 de Engelschen niet met[130]het noodige verstand te werk gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het tegenwoordige althans.Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam.Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene jaren later.[131]Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene commissie[132]in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet.Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen, maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen werd gevoerd onder den invloed[133]der negrophilistische partij in Engeland en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de Hollanders zou worden teruggegeven.Op den 1stenOctober van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd. Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd, doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen[134]grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23stenDecember in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den 31stenzou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den naam draagt van deCampground Road.Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas bleef, de[135]personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie thans kon worden overhandigd, en op den 21stenFebruari woei de Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.[136]
Wij zijn nu aan een deel van het dagboek gekomen, dat ongelukkiglijk geheel uit zijn verband is gerukt. Er mankeeren een aantal pagina’s, andere deelen zijn weer onleesbaar, en een gedeelte is gevuld met aanmerkingen en bespiegelingen van den heer Van Eck, die in menig opzicht veel waars en interessants bevatten, doch de publikatie waarvan wegens een aantal redenen niet wenschelijk is. Want de lezer kent al zeker onzen vriend als een heftig man, die op punten van godsdienst, zoowel als van regeeringsvorm, wonderlijke denkbeelden had; denkbeelden, die in zijn tijd geenszins ongewoon waren[120]en die door velen onzer voorouders werden aangenomen, doch die thans, òf als verouderd, òf als geheel onmatig worden beschouwd. De overgang van de 18detot de 19deeeuw, is op het gebied van des menschen geest eene zeer merkwaardige, en veel is er in dien tijd ontstaan, waarvan wij heden het rechte nog niet begrijpen, maar er waren ontegenzeggelijk te veel abstracte bespiegelingen opgesloten in die denkbeelden, en men hechtte te veel waarde aan de dikwerf zeer schoone doch onpraktische beschouwingen van Jean Jacques Rousseau. Wij zouden dus òf onze lezers vervelen met hier deze uittreksels te geven uit het dagboek, òf, ingeval die lezers jongelieden mochten zijn, hen bekend maken met ideeën, die voor hen onverstaanbaar en onverteerbaar zouden zijn; in beide gevallen zouden wij kwaad kunnen doen.
Onder die omstandigheden is het misschien het beste om een oogenblik van het dagboek af te wijken en uit andere bronnen een kort overzicht te geven van de gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende den tijd, dat de Engelschen hier hun eerste bestuur voerden, namelijk van 1795 tot 1803. Over een der voornaamste deelen van dit tijdvak, dat, hetwelk betrekking heeft op den opstand te Graaff-Reinet, moeten wij zeer kort zijn, omdat er kans bestaat,[121]dat wij later onze lozers die gebeurtenissen in een apart werk zullen verhalen.
Toen de Engelschen deze kolonie door het verdrag van 13 September 1795 in bezit kregen, naar hun voorgeven om die te bewaren voor den Prins van Oranje, maar in werkelijkheid met geen ander doel als om ze voor henzelven te behouden, was de toestand in Zuid-Afrika over het algemeen zeer treurig. De handel was in de Kaapstadgeruïneerd, en er heerschte een volslagen gebrek aan kontant geld, wordende dit gebrek slechts op zeer ontoereikende manier verholpen door een ontzachelijke massa papieren geld, met gedwongen koers, die door de Hollandsche regeering was uitgegeven. In de buitendistrikten zag het er niet veel beter uit, want de boeren waren ook hard achteruitgegaan; terwijl in de grensdistrikten er een toestand heerschte die, voor het oogenblik althans, niets anders was dan eene volslagene anarchie.
Het zou den Engelschen, zoo zij een volk van eene andere geaardheid waren geweest, dan ze werkelijk zijn, niet moeielijk zijn gevallen, om de kolonie dusdanig te besturen dat ze de achting en de liefde van de bevolking hadden gewonnen, waardoor de kolonie later in waarheid een der schoonste parelen der Engelsche kroon zou zijn geworden, en de[122]bevolking nog loyaler, dan de Engelschen in Engeland. Maar het ligt in den aard van het Engelsche volk om alle nieuwigheden, en alle nieuwe volken, te naderen met dievooroordelendie in het Angel-Saksische ras ingeworteld zijn, en bovendien met verachting neder te zien op alles wat niet tot dat Angel-Saksische ras behoort of behoord heeft. Het is merkwaardig, dat de Engelsche regeering van 1795, die in 1783 zulk een dure ondervinding had opgedaan in den Amerikaanschen Vrijheidsoorlog, geen betere lessen heeft getrokken uit de feiten die de oorzaak waren van dien krijg, die Engeland een harer voornaamste koloniën had doen verliezen. Maar Engeland had in 1795 die les nog niet geleerd, en het is misschien zeer de vraag of ze die les zelfs nu al kent.
De Engelschen waren ten tijde van hun aankomst alhier in 1795 alles behalve populair bij de Kaapsche kolonisten; en aan den anderen kant bleek maar al te spoedig welk eene verachting de Engelschen hadden voor den Zuid-Afrikaanschen boer, dien zij afschilderden als dom, lui, wreed tegenover zijne kleurlingen, oneerlijk, en lafhartig; en dat ongelukkige en onware oordeel, dat toen gevormd werd, is later niet veel veranderd, schoon John Bull gelegenheid genoeg had om dat oordeel te kunnen wijzigen door ondervindingen.[123]
Een van de eerste daden der nieuwe regeering was om de harten der inwoners te trachten te winnen door het voorspiegelen der groote voordeelen die zij zouden genieten onder Engelsch bestuur, dat hun vrijen handel zou toestaan, en hun geen nieuwe belastingen zou opleggen, en tevens voor alles dat gekocht werd in klinkende munt zou betalen. Voor al die geschonkene voordeelen eischte men echter den eed van getrouwheid aan koning George den Derden. In werkelijkheid werd die eed dan ook door een groote meerderheid der bevolking afgelegd, en zelfs in het distrikt Swellendam onderwierp men zich vrij rustig aan de nieuwe regeering, en bevond men in het algemeen dat de verandering van regeering een weldadigen invloed had op den handel, en dat de boer er, wat het finantieele betreft, heel wat beter aan toe was. In het distrikt Graaff-Reinet ging de zaak echter niet zoo gemakkelijk en een zekere partij, die der vroegere patriotten, nu de Nationalen genoemd, begon met een eigen regeering te vormen, die aan de Engelsche regeering kennis gaf dat zij geen oorlog zou voeren met haar, en met ze op goede voet wilde verkeeren. Generaal Craig, die toen de militaire gouverneur was der kolonie, zond wel een gewapende macht naar Graaff-Reinet, maar gedroeg zich toch zoo verstandig en gematigd in de[124]zaak, dat men vijandelijkheden, vermeed, en er inderdaad een soort van schikking werd getroffen, waarin de Graaff-Reinetters wel de Engelsche regeering erkenden, maar toch op vele punten hun zin kregen. De reden waarom de Engelsche generaal zoo bizonder inschikkelijk was is thans bekend, en bestond daarin dat men in Engeland nog tot geen besluit was gekomen wat met de kolonie te doen, en of men die bepaald en onder alle omstandigheden, zou annexeeren aan de Britsche kroon.
In werkelijkheid werd dan ook door de Hollandsche regeering, of om juister te zijn door de Bataafsche Republiek eene poging gedaan om de kolonie te heroveren, en zond men van uit Holland eene vloot van negen schepen met omtrent 2000 soldaten naar de Kaap. Doch deze vloot werd door de Engelschen verrast in Saldanhabaai op 17 Augustus 1796, en de Hollandsche Admiraal Lucas moest zich zonder slag of stoot overgeven met al de zijnen. Kort na deze mislukte poging, gaf de Britsche regeering openlijk te kennen dat zij van plan was om de Kaap voor goed te houden als eene Britsche bezitting, en die niet terugte gevenaan het huis van Oranje, en hierop werden nieuwe maatregelen genomen voor het bestuur der Kolonie. Als gouverneur aan de Kaap zond men Lord Macartney uit, en met diens regeering begint[125]de treurige tijd van Engelsch bestuur in Zuid-Afrika. In de eerste plaats werden alle betrekkingen gevuld met Engelschen. Daarenboven gedroeg de gouverneur zich alsof hij in een veroverd en vijandig land was. Alle inwoners moesten een nieuwen eed afleggen aan koning George, en de geringste vermoeden dat iemand niet zoo loyaal was, als de gouverneur wel noodig beschouwde, bezorgde den betrokken persoon heel wat onaangenaamheden. Er waren velen der Kaapsche burgers die reeds één keer den eed aan den koning hadden afgelegd, en het dus onnoodig beschouwden om dien eed nog eens afteleggen; doch diegenen die weigerden werden spoedig door dwang tot eene andere zienswijze gebracht; men liet een troep dragonders zich bij hen inkwartieren totdat ze den eed kwamen afleggen. Mocht er iemand gevonden worden die verdacht werd sympathie te hebben met de beginselen der Fransche revolutie, dan werd hem dadelijk het leven zuur gemaakt, en de geschiedenis verhaalt ons hiervan het volgende aardige geval.
In Augustus zou de dochter van den heer Hendrik Oostwald Eksteen van Bergvliet, tusschen Wijnberg en Muizenberg, in het huwelijk treden, en voor die gelegenheid zond de vader een aantal uitnoodigingen uit aan vrienden om bij de bruiloft tegenwoordig te zijn. Dit deed hij op de wijze zooals toen ter tijde[126]gewoonlijk werd gedaan in Frankrijk, en hij was onvoorzichtig genoeg om die uitnoodigingen te adresseeren aan „Burger zoo en zoo, enz”. Maar op den dag van hetbruiloftsfeestkreeg hij een aantal gasten waarop hij niet had gerekend, namelijk een detachement dragonders, die hun kwartier bij hem opnamen, en door den Gouverneur waren gezonden onder het voorwendsel dat er een oog moest worden gehouden op „de ontevredene en kwaadgezinde personen die op de bruiloft mochten tegenwoordig zijn”. De heer Eksteen ging dadelijk naar het Gouvernements gebouw om te protesteeren tegen deze handelwijze, en te kennen te geven dat hij niet de minste kwade bedoelingen had met het uitzenden der uitnoodigingen, maar het duurde een heele tijd voor den gouverneur zich vermurwde en ten laatste order gaf dat de dragonders terug konden komen, doch onder voorwaarde dat de heer Eksteen borgtocht ten bedrage van £ 1000 zou geven, ten effekte dat hij voortaan niet meer zulke misdadige dingen zou plegen.
Het was ook kort na de aankomst van Lord Macartney, dat Engeland in Zuid-Afrika haar nu reeds zoo wel bekende handelspolitiek begon te volgen. Schoon aan de kolonisten vrije handel was beloofd, hield men die belofte op eene eigenaardige[127]manier. Goederen uit Engeland konden vrij ingevoerd worden, maar geen goederen konden uit andere landen worden ingevoerd behalve dan met Engelsche schepen, en dan moesten zij een invoerbelasting betalen van 5 percent. Waren er bizondere omstandigheden die vereischten dat goederen uit andere dan Engelsche landen met vreemde schepen moesten worden ingevoerd, dan werd op zulke goederen dubbel invoerrecht geheven.
Als private secretaris van Lord Macartney was hier in Zuid-Afrika aangekomen, een man die meer dan eenig ander Engelschman kwaad aan deze kolonie, en aan Zuid-Afrika in het algemeen heeft gedaan. Dit was de heer John Barrow, een alleszins bekwaam man, maar vol vanvooroordelen, en maar al te zeer genegen om alle berichten die hij omtrent de Afrikaansche boeren vernam te gelooven zonder een onderzoek in te stellen of die berichten juist waren of niet. Na korten tijd hier te zijn geweest schreef hij een boek over de kolonie en hare bevolking, dat in Engeland een grooten opgang maakte, en voor een halve eeuw bijna het tekstboek over den toestand in Zuid-Afrika was. In dit boek worden de Afrikaansche boeren in de afschuwelijkste kleuren afgeschilderd, en ter verachting van het menschdom ten toon gespreid.
Men kan begrijpen dat allen die dit boek lazen,[128]zich een geheel verkeerde voorstelling vormden over dit land en zijne bewoners, en dat zelfs de Engelsche staatslieden er jaren lang door werden misleid. Maar niet alleen de staatslieden, doch ook het algemeene publiek in Engeland kreeg door het boek van den heer Barrow, dat een groot aantal lezers had, een totaal verkeerden indruk van den toestand alhier. Aan de werken van den heer Barrow zijn een aantal der ongelukkige misslagen van Engeland in Zuid-Afrika te wijten, en hij is in groote mate verantwoordelijk voor den haat die het publiek van Engeland gekoesterd heeft tegen den Afrikaanschen boer; hij en Dr. Philip, die met andere oogmerken, den Afrikaner ook niet weinig heeft belasterd.
Lord Macartney regeerde met zulk een ijzeren hand, dat de bevolking een tijd lang door vrees in toom werd gehouden, en men zelfs te Graaff-Reinet stil bleef. Doch in 1798 was de gezondheid van den ouden Lord zoodanig, dat hij zich genoodzaakt zag naar Engeland terugtekeeren, en op 20 November verliet hij deze kusten,Generaal Dundas hier latende om voorloopig het bestuur voort te zetten. Dadelijk daarop brak de opstand in Graaff-Reinet uit, die allertreurigst afliep, deels omdat men geen hulp van de andere deelen der kolonie kreeg, deels omdat de plannen van de leiders van den opstand slecht waren[129]overgelegd. Twintig der aanvoerders in den opstand werden naar de Kaapstad gezonden; een daarvan stierf, de andere negentien stonden voor hoogverraad terecht en werden tot verschillende straffen veroordeeld; de twee hoofdaanvoerders Marthinus Prinsloo en Adriaan van Jaarsveld werden ter dood veroordeeld; maar dit vonnis werd niet uitgevoerd, en zij werden met de anderen als gevangenen in het kasteel gehouden, totdat zij, bij het teruggeven der kolonie aan de Hollanders in 1803 op vrije voeten werden gesteld. Doch voor dien tijd was Adriaan van Jaarsveld in de gevangenis overleden, en werd hij dus de eerste martelaar van het Engelsche bestuur in Zuid-Afrika. Voor den geschiedschrijver en den student van onze geschiedenis is deze gebeurtenis van ontzettend gewicht, want daarin ligt de bron van al het kwaad van Zuid-Afrika, en de gevolgen van den opstand van 1799 zijn onberekenbaar geweest. Had Engeland voor een oogenblik kunnen gissen wat het straffen van die mannen haar zou kosten, dan had het zeker geen oogenblik geaarzeld om ze alle gratie te schenken. Toch, de Groote Trek, het stichten der beide republieken ten noorden van de Oranjerivier, en zelfs den later gevoerden ontzettenden oorlog; dat alles is meer of min, het directe gevolg van het feit dat in den opstand van 1799 de Engelschen niet met[130]het noodige verstand te werk gingen, maar meenden dat zij door een exempel te maken, den vrijheidsgeest van den Afrikaner konden versmoren. Hoe slecht is die berekening uitgekomen! Er zou een boek over deze zaak en hare gevolgen te schrijven zijn, maar daarvoor is het hier niet de plaats, en met deze weinige aanmerkingen moet de lezer zich tevreden stellen, voor het tegenwoordige althans.
Uit het dagboek blijkt maar al te duidelijk, dat Jan van Eck aan deze bewegingen in Graaff-Reinet volstrekt niet vreemd was, maar dat hij er een werkzaam aandeel aan had, schoon hij niet de wapenen opnam.
Dat deel van het dagboek, dat op deze periode betrekking heeft, wordt gemist, maar er zijn op latere plaatsen toespelingen op hetgeen door hem werd gedaan, en uit een ander deel blijkt, dat Van Eck op zeer intiemen voet verkeerde met een zekeren Cornelis Edeman, een schoolmeester nabij Kaapstad, die eene korrespondentie aan den gang had gehouden met de oproerlingen in Graaff-Reinet, en hen tot den opstand had aangespoord. Deze Edeman werd door de Engelsche autoriteiten gevangen genomen, veroordeeld tot geeseling en verbanning uit de kolonie en dit vonnis is in zijn geheel uitgevoerd. Hij werd als bandiet naar Nieuw Zuid-Wales gebracht en stierf daar verscheidene jaren later.[131]
Middelerwijl was hier een nieuwe gouverneur aangekomen in den persoon van Sir George Younge, die op 9 December 1799 in de Tafelbaai landde, en die hier een allerschandaligst bestuur voerde, waarin knoeierijen van allerlei aard en onaangenaamheden met ambtenaren een hoofdrol speelden. Eén goed ding deed hij echter, en dat was het verbeteren van den landbouw in de kolonie. Hij had namelijk met zich samen gebracht, op onkosten van de Engelsche regeering, den heer William Duckitt, een man, die goed met alle zaken betreffende de boerderij bekend was, en die met behulp van eenige assistenten die met hem waren uitgekomen, een modelboerderij begon, eerst te Klapmuts en later in de buurt van Darling, en schoon het later bleek, dat de gouverneur en de heer Duckitt gezamentlijk speculatiën deden, valt het toch niet te ontkennen, dat deze laatste veel gedaan heeft om de boerderij op beteren voet te doen drijven in Zuid-Afrika, dan zij tot dien tijd werd gedaan. Het gedrag van Sir George was echter zoodanig, dat er spoedig klachten naar Engeland werden gezonden, en het Ministerie aldaar zich verplicht zag om den gouverneur terug te roepen, die dan ook op 20 April zijne betrekking overhandigde aan generaal Dundas en negen dagen later deze kusten verliet. Hij werd later terecht gesteld voor eene commissie[132]in Engeland, die hem schuldig vond aan eenige der aanklachten, waarop hij uit den staatsdienst werd ontzet.
Kort na zijn vertrek brak er een krijg uit met de Kaffers op de Oostergrenzen, die door het Engelsche gouvernement vrij slap werd gevoerd, maar waarin de burgers, die opgeroepen waren, zeer dapper vochten onder bevel van den dapperen en bekwamen kommandant Tjaart van der Walt. In een gevecht met de Kaffers te Roodeval, in de buurt van de Zondagsrivier, verloor echter deze brave Afrikaner zijn eenigen zoon, en nog geen vier maanden later viel hij zelf in een gevecht bij de Kougarivier. Zijn dood was een onherstelbaar verlies, en de oorlog werd feitelijk na dien tijd opgegeven, en met de Kaffers een soort van opgelapte vrede gesloten, die later de kolonie ontzettend veel moeite en geld zou kosten, want waren de Kaffers den eersten keer behoorlijk ten onder gebracht en hun respekt geleerd voor den blanke, dan was waarschijnlijk aan Zuid-Afrika die lange reeks van kafferoorlogen bespaard geworden, die millioenen gelds gekost hebben, zoowel als duizenden van levens. Dat de Engelsche regeering nooit den rechten slag gehad heeft om met de kleurlingstammen van Zuid-Afrika klaar te komen, maar daarentegen hun inboorlingen-politiek op verkeerde grondstellingen werd gevoerd onder den invloed[133]der negrophilistische partij in Engeland en in de kolonie, is een te wel bekende zaak, dan dat wij hier er nog over zouden uitweiden; doch de meer dadelijke reden waarom generaal Dundas dezen oorlog niet verder wilde voortzetten, was het feit, dat de Engelsche regeering op dat tijdstip geen lust had om een kostbaren oorlog te voeren, omdat het thans zeker was, dat de Kaapkolonie aan de Hollanders zou worden teruggegeven.
Op den 1stenOctober van het 1801 was er namelijk vrede gemaakt tusschen Engeland en Frankrijk te Amiens, en een der voorwaarden waarop de Fransche Eerste Consul, Napoleon Bonaparte had gestaan, was, dat de kolonie aan de Bataafsche Republiek zou worden teruggegeven, eene voorwaarde die Engeland niet dan met grooten weerzin toestond. De Oost-Indische Compagnie was ontbonden in 1796 en voortaan zou deze Volkplanting dus direkt door de regeering van Holland worden bestuurd. Het duurde echter geruimen tijd voor de finale vrede gesloten werd, doch dit vond eindelijk op 27 Maart 1802 plaats, en dadelijk werden toen in Holland de noodige stappen genomen voor het bestuur alhier. Een uiterst bekwaam man, Jacob Abraham de Mist, werd aangesteld als Commissaris om de zaken in de Oost-Indiën, en in de Kaap op een nieuwen[134]grondslag te stellen, en als Gouverneur werd benoemd Generaal Jan Willem Janssens, een knap krijgsman, wiens eerlijkheid boven alle verdenking was verheven. De Mist en Janssens kwamen op den 23stenDecember in de Tafelbaai aan, en er werd tusschen hen en Generaal Dundas eene schikking getroffen, volgens hetwelk de kolonie op den 31stenzou worden overhandigd, zullende als dan de Engelsche troepen door de Hollandsche worden vervangen op het kasteel. Werkelijk waren ook op den middag van dien dag de Engelsche troepen bezig zich inteschepen, toen er onverwachts een schip uit Engeland aankwam, met orders aan Generaal Dundas om de kolonie niet te overhandigen, tenzij hij verdere orders uit Engeland ontving. In allerijl werden den Engelsche soldaten weder ontscheept, en de Hollandsche soldaten, die reeds geland waren, werden gezonden in een kamp nabij Rondebosch, ten gevolge waarvan heden nog een weg nabij die voorstad van Kaapstad, den naam draagt van deCampground Road.
Men kan zich voorstellen dat deze tijding eene geweldige ontsteltenis in de Kaapstad veroorzaakte. Er heerschte voor een oogenblik een paniek onder de bevolking, want men had de Hollanders met groote vreugde ontvangen, en men vreesde dat zoo Engeland hier toch ten slotte de baas bleef, de[135]personen die hun gehechtheid aan Patria hadden ten toon gespreid, scherp zouden worden behandeld. Er vond dus dadelijk een uittocht plaats uit de stad, en de toestand werd zoodanig dat Generaal Dundas zich verplicht zag om de krijgswet van kracht te verklaren in de Kaapstad, en de bevolking te beletten de stad te verlaten. De opgewondenheid duurde echter geruimen tijd voort, en men begreep natuurlijk niet wat er aan scheelde. Ten slotte kwam er op 19 Februari een schip op de reede van Tafelbaai aan, met het bericht dat de kolonie thans kon worden overhandigd, en op den 21stenFebruari woei de Hollandsche driekleur weer vroolijk en blij van de tinne van het Kasteel. Ongelukkig echter zou zij daar niet zoo erg lang waaien.
Het behoeft nauwelijks aan onze lezers verteld te worden dat geen man in Kaapstad de vlag van Holland met meer vreugde weder begroette, dan Jan van Eck, die thans zijn hartewensch zag vervuld. Niet alleen was hij den Engelschman kwijt, maar ook zou de kolonie nu worden bestuurd volgens de beginselen van de Fransche Republiek, die door de Bataafsche republiek waren aangenomen. Jan van Eck droomde dus die nacht dat de gouden eeuw voor Zuid-Afrika was aangebroken.[136]