HOOFDSTUK VII.

[Inhoud]HOOFDSTUK VII.HOOFDSTUK VII.Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem ruzie doen maken.Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook op den 20stenFebruari ontmoette hield hij staande om met hem een praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef bekleeden niet alleen, maar van[137]het grootste nut was geweest voor de veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer notitie nam, en het allerminst onze vriend.De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; op den 5denOctober van dat jaar had hij zich een kogel door den kop gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen onttrokken.Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had. Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel, zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij echter zijn oude[138]vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak. Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen men geleden had onder de Engelsche regeering.„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”.[139]„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder aan den heer Van Reenen.„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd heeft hem te zien?”De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit:„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag;danschiet hij zich misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan heeft.”„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den[140]spreker, die wel wat opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust, en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.”„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen te fluisteren.„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat hij haar een bezoek had gebracht,[141]en dat wel om de volgende reden. Toen de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar 1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was. Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen dienst was getreden, en daardoor als het ware een[142]verrader van zijn land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer opZeezichtgeweest.Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien[143]had, scheen, als de eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij niet zou[144]blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter drinken, vooral met het zoogenaamdemaagelixer, is nu juist niet een uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook wordt gedaan.Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine schaal wat boerderij kon drijven. Jan van[145]Eck zeide dat de boerderij zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de hoofdpersonen van de familie.Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde,[146]door plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat trouwen met een Engelschen kapitein”.Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest, dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid, niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat geweest om[147]precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding geeft als de bruiloft zelve.Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en vroeg:[148]„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hiervertelt, of houdt de duivelsche jongen mij voor den gek?”Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen en antwoordde:„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan kapitein Allen van het 87steregiment. Hij was hier verscheidene malen, en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland een boerenplaats te koopen.”Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer geëindigd had, zeide hij op heftigen toon:„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat[149]verlaten of niet. Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.”„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook, want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter worden.”„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandighandelt. Ze heeft zich door een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem in toom gehouden,barsttenu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij[150]in dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde.Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed alsof hij het niet hoorde en stapte weg.In zijn dagboekbeschreefhij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken tusschenEngelschenen Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan.[151]

[Inhoud]HOOFDSTUK VII.HOOFDSTUK VII.Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem ruzie doen maken.Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook op den 20stenFebruari ontmoette hield hij staande om met hem een praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef bekleeden niet alleen, maar van[137]het grootste nut was geweest voor de veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer notitie nam, en het allerminst onze vriend.De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; op den 5denOctober van dat jaar had hij zich een kogel door den kop gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen onttrokken.Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had. Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel, zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij echter zijn oude[138]vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak. Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen men geleden had onder de Engelsche regeering.„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”.[139]„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder aan den heer Van Reenen.„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd heeft hem te zien?”De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit:„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag;danschiet hij zich misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan heeft.”„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den[140]spreker, die wel wat opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust, en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.”„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen te fluisteren.„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat hij haar een bezoek had gebracht,[141]en dat wel om de volgende reden. Toen de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar 1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was. Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen dienst was getreden, en daardoor als het ware een[142]verrader van zijn land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer opZeezichtgeweest.Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien[143]had, scheen, als de eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij niet zou[144]blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter drinken, vooral met het zoogenaamdemaagelixer, is nu juist niet een uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook wordt gedaan.Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine schaal wat boerderij kon drijven. Jan van[145]Eck zeide dat de boerderij zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de hoofdpersonen van de familie.Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde,[146]door plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat trouwen met een Engelschen kapitein”.Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest, dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid, niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat geweest om[147]precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding geeft als de bruiloft zelve.Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en vroeg:[148]„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hiervertelt, of houdt de duivelsche jongen mij voor den gek?”Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen en antwoordde:„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan kapitein Allen van het 87steregiment. Hij was hier verscheidene malen, en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland een boerenplaats te koopen.”Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer geëindigd had, zeide hij op heftigen toon:„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat[149]verlaten of niet. Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.”„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook, want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter worden.”„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandighandelt. Ze heeft zich door een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem in toom gehouden,barsttenu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij[150]in dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde.Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed alsof hij het niet hoorde en stapte weg.In zijn dagboekbeschreefhij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken tusschenEngelschenen Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan.[151]

HOOFDSTUK VII.HOOFDSTUK VII.Jan van Eck viert feest, maar hoort toch tijdingen die hem niet bevallen, en die hem ruzie doen maken.

HOOFDSTUK VII.

Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook op den 20stenFebruari ontmoette hield hij staande om met hem een praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef bekleeden niet alleen, maar van[137]het grootste nut was geweest voor de veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer notitie nam, en het allerminst onze vriend.De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; op den 5denOctober van dat jaar had hij zich een kogel door den kop gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen onttrokken.Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had. Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel, zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij echter zijn oude[138]vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak. Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen men geleden had onder de Engelsche regeering.„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”.[139]„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder aan den heer Van Reenen.„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd heeft hem te zien?”De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit:„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag;danschiet hij zich misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan heeft.”„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den[140]spreker, die wel wat opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust, en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.”„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen te fluisteren.„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat hij haar een bezoek had gebracht,[141]en dat wel om de volgende reden. Toen de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar 1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was. Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen dienst was getreden, en daardoor als het ware een[142]verrader van zijn land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer opZeezichtgeweest.Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien[143]had, scheen, als de eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij niet zou[144]blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter drinken, vooral met het zoogenaamdemaagelixer, is nu juist niet een uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook wordt gedaan.Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine schaal wat boerderij kon drijven. Jan van[145]Eck zeide dat de boerderij zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de hoofdpersonen van de familie.Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde,[146]door plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat trouwen met een Engelschen kapitein”.Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest, dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid, niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat geweest om[147]precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding geeft als de bruiloft zelve.Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en vroeg:[148]„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hiervertelt, of houdt de duivelsche jongen mij voor den gek?”Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen en antwoordde:„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan kapitein Allen van het 87steregiment. Hij was hier verscheidene malen, en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland een boerenplaats te koopen.”Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer geëindigd had, zeide hij op heftigen toon:„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat[149]verlaten of niet. Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.”„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook, want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter worden.”„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandighandelt. Ze heeft zich door een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem in toom gehouden,barsttenu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij[150]in dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde.Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed alsof hij het niet hoorde en stapte weg.In zijn dagboekbeschreefhij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken tusschenEngelschenen Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan.[151]

Onze oude vriend liet niet toe dat zijne gevoelens over de verandering, die in de kolonie plaats had gevonden, onbekend bleven, en wie hij ook op den 20stenFebruari ontmoette hield hij staande om met hem een praatje te maken. Er waren echter eenige personen die hij zorgvuldig vermeed, en daaronder was de heer van Rijneveld, de man die in den vorigen Hollandschen tijd de Fiskaal der kolonie was geweest, en nadat de Engelschen dit land hadden overgenomen die betrekking bleef bekleeden niet alleen, maar van[137]het grootste nut was geweest voor de veroveraars, die hij met zijne ongetwijfeld groote talenten had gediend. Dan was er Kolonel De Lille, die in den Engelschen tijd de Kazerne wachtmeester was geweest te Kaapstad, maar nu onder het nieuwe Hollandsche regiment voor kwaad geld rondliep, en van wien niemand meer notitie nam, en het allerminst onze vriend.

De hoofdpersoon, in het verraad van 1795, Kolonel Gordon was niet meer; op den 5denOctober van dat jaar had hij zich een kogel door den kop gejaagd, en zich op die wijze aan de verachting zijner medemenschen onttrokken.

Zooals wij zeiden, was Jan van Eck vroolijk en opgeruimd, zoo opgeruimd als hij nog in langen tijd niet was geweest, en iemand die hem niet goed had gekend, zou misschien wel tot de liefdelooze gevolgtrekking hebben kunnen komen dat Oom Jan wat te diep in het glaasje gekeken had. Diep in het glaasje keek hij dien dag zeker, want een extra borrel, zooals men dat op zee noemt, verdiende de gelegenheid wel; maar de oude man zorgde wel degelijk dat hij absoluut nuchter bleef, want dronkenschap was iets dat hij even als de meeste Afrikaners, in anderen haatte, en waaraan hij zich dus in geen geval schuldig maakte. Toen hij echter zijn oude[138]vriend den heer Van Reenen ontmoette, en kort daarop den heer Eksteen, dezelfde die de ongenoode gasten op de bruiloft zijner dochter kreeg, toen was het geenszins een wonder dat de drie heeren bij een fatsoenlijke plek eens ingingen om een „bittertje” te gebruiken, en een oogenblik wat met elkander te praten. Zij vonden spoedig uit dat zij niet de eenigen waren, die zich dezen dag door wat zoet gekout wilden aangenaam maken; integendeel het was in het hotel vrij vol, maar er werd spoedig plaats gemaakt en men dronk met innigen dankbaarheid op het welzijn van de Republiek en van de goede zaak. Menige tong raakte los, en heel wat verhalen werden gedaan over hetgeen men geleden had onder de Engelsche regeering.

„Wel”, zeide de heer van Reenen „ik kan jullie verzekeren dat we ten minste twee knappe mannen hier hebben; Commissaris De Mist is geen gewoon man, en iemand die niet alleen de beste bedoelingen heeft, maar daarbij denkbeelden die zijn tijd heel wat vooruit zijn en als alles hem gelukt, hetgeen hij voornemens is te doen, dan gaan wij werkelijk een gulden tijd tegemoet. Ook de Gouverneur schijnt mij een knaphandig man, die het goed met het land meent, en met wien onze boeren goed zullen klaarkomen, want hij heeft geen greintje hoogmoed”.[139]

„Dat zal een heele verlichting zijn na die Engelsche Lords en Sirs, die totaal ongenaakbaar waren voor onze menschen, en niets dan verachting voor den Afrikaner hadden”, zeide de heer Van Eck. „Maar hebt gij dan reeds den Commissaris en den Gouverneur gesproken?” vroeg hij verder aan den heer Van Reenen.

„O, ja, reeds lang”, luidde het antwoord, „gij schijnt te vergeten dat zij hier al van December laatst zijn, en met een aantal der voornaamste inwoners gesprekken hebben gevoerd, ten einde informatie te bekomen.”

„Is het waar,” vroeg hier de heer Eksteen, „dat Van Rijneveld zich heeft laten aandienen bij den heer De Mist, maar dat deze geweigerd heeft hem te zien?”

De heer Van Reenen scheen dit niet te weten, maar een der andere personen die in de kamer tegenwoordig waren, riep uit:

„Ja, mijnheer Eksteen, dat is de zuivere waarheid, en het geschiedde den schobbejak recht; zij moesten dien kerel in den tronk smijten en een onderzoek instellen omtrent zijn gedrag;danschiet hij zich misschien ook een kogel door den kop, even als Gordon dit gedaan heeft.”

„Neen, burger,” viel de heer Van Reenen den[140]spreker, die wel wat opgewonden was, in de rede, „laat den heer van Rijneveld stil met rust, en zeg niet weer zulke ongepaste dingen, want eerstens zou de nieuwe gouverneur om den drommel niet gemakkelijk zijn als er eenig verkeerd ding werd gedaan, en tweedens zal de heer Van Rijneveld, zoo hij iets kwaad gedaan heeft, wel zijn verdiende loon krijgen.”

„Als wij in Frankrijk waren, zou hij al lang aan den eersten den besten lantaarnpaal zijn opgehangen,” waagde Van Eck zachtjes tot Van Reenen te fluisteren.

„Dat is wel mogelijk,” antwoordde Van Reenen, „maar het gaat niet om deze lieden hier thans optewinden. Zij hebben al meer binnen dan wel goed voor hen is, en zijn juist in staat om allerlei baldadigheden te beginnen, en schoon ik den heer Van Rijneveld ook niet lijden mag, zou ik hem toch niet overgeleverd willen zien aan een woesten volkshoop, te meer daar zijne vrouw eene verre bloedverwante van mij is.”

Men dronk nog een afscheidje, en daarop gingen de heeren van Reenen en Eksteen de stad in, terwijl Jan van Eck zich wendde naar Zeezicht, om zijne nicht Elizabeth op te zoeken. Het was bijna een jaar geleden dat hij haar een bezoek had gebracht,[141]en dat wel om de volgende reden. Toen de Engelschen in 1795 de Kaap hadden genomen, had Hans de Beer zijne betrekking bij het departement van den Fiskaal verloren, en was hij in dienst getreden bij een koopman in de stad, die toen toevallig een boekhouder noodig had, en het was Van Eck geweest die dit baantje aan zijn neef bezorgd had, door een goed woord bij den heer Faure, zooals de koopman heette, te doen. Want, schoon Hans nog dikwijls heethoofdig was, en er niet zelden woorden plaatsvonden tusschen den oom en den neef, zoo was Van Eck toch op punten van familiezaken een zeer goedig man, en hij kon zijne nicht zeer goed lijden. In het begin van het jaar 1802 was de heer Faure echter gestorven, en zijne weduwe wond de zaak op, zoodat na eenige maanden Hans de Beer weder zonder betrekking was. Weder was het de oude oom die moeite deed om voor hem eene geschikte betrekking te vinden, en het was hem inderdaad gelukt, om een plek voor hem te krijgen bij den heer Truter, een der meest geachte prokureurs en notarissen van Kaapstad, toen hij plotseling vernam dat Hans klerk was geworden in een der Engelsche departementen, en dat wel bij de Thesaurie. Het denkbeeld dat een lid zijner familie in Engelschen dienst was getreden, en daardoor als het ware een[142]verrader van zijn land was geworden, stuitte Van Eck vreeselijk tegen de borst, en hij wilde het nauwelijks gelooven. Derhalve was hij naar zijne nicht gegaan, om zich van de waarheid te overtuigen, en bevond dat hetgeen men hem verteld had, geheel de waarheid was. De heer Van Eck was hier zoo ontstemd over, dat hij een hevige ruzie had met zijne nicht, die dwaas genoeg was, om de handelwijze van haar zoon te verdedigen. Het was een geluk misschien dat Hans de Beer zelf niet tehuis was, anders was er nog meer gebeurd, want als Jan van Eck eens driftig werd, dan ontzag hij geen mensch. Het einde van de zaak was, dat hij, na zijn hart op echt Hollandsche manier te hebben gelucht, het huis van zijne nicht verliet, zeggende dat hij er nooit weder zijn voet zou zetten, en inderdaad was hij sedert dien tijd niet meer opZeezichtgeweest.

Doch de tijden waren nu veranderd, en Van Eck was heden in zulk een goed humeur, dat hij geen bezwaar had om het gebeurde te vergeten en te vergeven, want zooals alle menschen van een opvliegenden aard, was hij niet wraakzuchtig, of haatdragend. Hij stapte dus even gerust en bedaard den ingang van Zeezicht in, en stond spoedig op den stoep, en de hond, die hem in dien langen tijd niet gezien[143]had, scheen, als de eerste om hem te verwelkomen, geheel in zijn schik, dat hij zijn ouden vriend weer zag. Toen Van Eck den zwaren klopper aan de voordeur had doen vallen, kwam eene slavin hem open doen, en hij werd, even alsof hij een vreemde bezoeker was, in de voorkamer gelaten, en dit omdat de meid, die nog niet lang het eigendom van Mevrouw De Beer was, hem niet kende. Toen zij hem echter bij nicht aangediend had, vloog de goede oude ziel, die haren trouwen vriend zeer had gemist, naar voren om Van Eck welkom te heeten, en men was spoedig op vrij goeden voet, schoon de oude vertrouwelijkheid niet zoo dadelijk wilde terugkomen. Terwijl zij aan het praten waren, kwam Annie, thans eene groote, uitgegroeide jonge dame, ook de kamer binnen, en groette haren „Oom” zooals zij Van Eck steeds noemde, zeer minzaam; hare aankomst droeg er veel bij om het gesprek een meer ongedwongene houding te geven, en spoedig was men aan het gezelzen over allerlei onderwerpen, en had Van Eck het zoo druk met vertellen, dat hij niet merkte dat Annie aan hare moeder herhaaldelijk knikjes met het hoofd gaf, net als iemand doet, wanneer hij een ander waarschuwt om iets toch niet te verhalen. Met al dat praten was het bijna twaalf uur geworden, en toen Mevrouw De Beer Van Eck vroeg of hij niet zou[144]blijven eten, nam deze met genoegen de uitnoodiging aan, en liet nicht daarop wat wijn en bitter in brengen, want het bitter drinken, vooral met het zoogenaamdemaagelixer, is nu juist niet een uitvinding der negentiende eeuw, maar onze voorouders bitterden gewoonlijk elken dag, kort voor het eten, zooals nu nog in Holland ook wordt gedaan.

Even voor dat men opgeschept had, kwam Hans het huis binnen, en was niet weinig verwonderd om neef Jan er te zien. Het was dan ook wel op een beetje bedeesde wijze, dat hij hem groette, maar Van Eck stelde hem gerust door te zeggen, dat men maar de oude koeien niet uit de sloot zou halen, daar nu de volkplanting toch weer aan hare rechtmatige eigenaars was teruggegeven, en Hans zoo hij lust had, weer in dienst van het Hollandsche gouvernement kon treden. Hans zeide echter glimlachend, dat hij bang was dit te doen, want het scheen hem toe, dat de regeering in de kolonie aan zulke plotselinge veranderingen onderhevig was, dat men niet meer wist wie men moest dienen; vandaag waren het de Engelschen en morgen de Hollandschen. Hij had dus besloten om den staatsdienst vaarwel te zeggen, en zou liever gaan zien of hij niet een stuk grond of eene kleine plaats kon huren waar hij op kleine schaal wat boerderij kon drijven. Jan van[145]Eck zeide dat de boerderij zeker een uitmuntend vak was, want niemand was zoo vrij en zoo onafhankelijk als een boer, maar goede plaatsen waren schaars en duur, tenzij Hans zou verkiezen om ergens in het oosten een stuk grond van de regeering op request tenemen, en dan met vee, hetzij schapen of beesten te boeren. Daar Hans echter verklaarde zich liefst met wijnbouw te zullen bezighouden, daar hij hiervan het meeste afwist, was zijn neef zoo goed om te zeggen dat hij eens wat navraag zou doen of een kleine wijnplaats in de Paarl of Stellenbosch niet verkrijgbaar was tegen een redelijke prijs, en dan zou hij later aan zijn jongen neef den uitslag van dit onderzoek mededeelen. Toen men dus aan den middagdisch zat, scheen het dat de eensgezindheid weder volmaakt hersteld was tusschen de leden der familie, en als iemand, die niet bekend was met het verledene, toen plotseling de kamer was binnengekomen, zou hij nooit hebben kunnen vermoeden, dat er nog maar weinige uren geleden, eene ernstige spanning had geheerscht tusschen de hoofdpersonen van de familie.

Maar dikwijls, als het zonnetje het helderst en het warmst schijnt, dan is het onweer niet ver meer af, en dat werd ook in dit geval bewezen. Het was alweer de ongelukkige Hans die de boel verbrouwde,[146]door plotseling, juist toen men klaar met eten was, aan neef Jan te vragen of hij het nieuws reeds had gehoord, en beide Mevrouw De Beer en Annie hadden niet de minste gedachte wat er zou komen, en meenden dat het nieuws iets was dat misschien in de stad bekend was geworden of dat in verband stond met de verandering van de regeering. Maar toen Van Eck zeide van geen nieuws te weten, kwam Hans plotseling uit met:

„Wat, hebben zij u nog niet het groote nieuws verteld? Annie gaat trouwen met een Engelschen kapitein”.

Jan van Eck was juist bezig zijn glas wijn leeg te drinken, en dit onverwacht bericht deed hem zoo schrikken, dat het glas hem uit de hand viel, en de wijn gedeeltelijk op het hagelwitte tafellaken van nicht Elizabeth werd gespild. Nicht bemerkte het ongeluk bijna niet, en Annie wierp dolken van woede naar Hans. Was het dan niet juist dit geweest, dat zij hare moeder door hoofdschudden en andere teekenen had beduid, niet aan neef moest worden verteld! Een Afrikaansch meisje van den ouden stempel is er niets op gesteld om haar liefdesgeschiedenissen te doen rondbazuinen in de wereld, en vooral niet haar verloving. Wat de reden van deze bedeesdheid op dit punt is, zijn wij nooit in staat geweest om[147]precies uit te vinden. Waarschijnlijk vreest het meisje om opspraak te verwekken, zoo er iets mocht plaats vinden waardoor het voorgenomen huwelijk zou afspringen, en beschouwt men het als eene schande voor een meisje als zulk eene verloving te niet raakt, daar de menschen dan misschien mogen denken dat de vrijer goede redenen had om het af te breken, en daardoor er een blaam op het meisje zou worden gelegd. Zooveel is zeker dat nog thans in Zuid-Afrika ten minste onder onze boerenbevolking verlovingen gewoonlijk geheim worden gehouden, en eerst met het gaan van het eerste gebod in de kerk het publiek in kennis wordt gesteld van het voorgenomen huwelijk. Den vreemdeling treft deze handelwijze te meer, omdat in andere landen en vooral in Duitschland eene verloving bijna tot een even groot feest aanleiding geeft als de bruiloft zelve.

Maar bovendien was Annie geenszins gewillig om hare verloving, onder de omstandigheden aan Neef Jan bekend te stellen, en dat zij daarvoor eene goede reden had, dat bleek spoedig. Jan van Eck was eerst zoo verbaasd, dat niet alleen hij zijn wijn over de tafel wierp, maar met open mond beurtelings zijn nicht Elizabeth, en zijne kleinnicht Annie aanzag; en het duurde een minuut of wat voor hij zijn stem kon terugkrijgen, en vroeg:[148]

„Elizabeth, is dat waar wat Hans mij hiervertelt, of houdt de duivelsche jongen mij voor den gek?”

Mevrouw de Beer, hoe spijtig zij ook was over de onvoorzichtige uitdrukking van Hans, wilde hare ziel niet door een leugen bezondigen en antwoordde:

„Ja, neef Jan, van af het begin van November is Annie verloofd aan kapitein Allen van het 87steregiment. Hij was hier verscheidene malen, en ik heb het reeds lang zien aankomen, en toen hij mij om de hand van Annie vroeg, en het mij bleek dat mijne dochter hem vurig lief had, kon ik natuurlijk niet neen zeggen. Hij is nu met de troepen naar Engeland vertrokken, maar is van plan om zoodra hij in Engeland aangekomen is, zijn ontslag uit den dienst te nemen, en zich hier in de kolonie te vestigen als boer, zijnde hij zeer goed bekend met de graanboerderij, daar zijn vader een aanzienlijk eigendom in Schotland heeft, en blijkbaar een welgesteld man is. Het zal dus niet noodig zijn dat Annie mij voor goed verlaat, want Allen is van plan om ergens in Zwartland een boerenplaats te koopen.”

Jan van Eck scheen bedaard te luisteren naar hetgeen zijne nicht zeide, maar men kon zien dat hij inwendig kookte, en toen Mevrouw De Beer geëindigd had, zeide hij op heftigen toon:

„’t Is bij mij niet de vraag of uwe dochter u gaat[149]verlaten of niet. Maar wat mij hindert, is het feit dat een lid van mijn familie zich in het huwelijk gaat begeven met iemand van eene vreemde nationaliteit, en dat nog wel een nationaliteit die ik vurig haat.”

„Ach, neef Jan, ’t is moeielijk voor u om over zulke zaken te oordeelen,” antwoordde Mevrouw de Beer zoo zachtzinnig mogelijk, want zij zag dat Van Eck zich ging opwinden, en wilde een heftig tooneel vermijden. „Meisjes volgen de ingevingen van hun hart, en storen zich niet aan politiek of nationaliteit, en dat is misschien maar goed ook, want anders zou de haat en nijd die er alreeds heerscht nog grooter worden.”

„Ik kan mij begrijpen dat ge de partij van uwe dochter neemt,” hervatte Van Eck, „maar ik zeg dat ze onverstandighandelt. Ze heeft zich door een mooie uniform laten verlokken, en misschien wel door den waren of voorgewenden rijkdom van dien Kapitein Allen. Het spijt mij om op mijn ouden dag nog zulke dingen te hooren, en te zien hoe mijne weinige familiebetrekkingen dag op dag meer en meer beginnen te verschillen van mij in opinies. En—en nu stond Van Eck op en de drift zoolang door hem in toom gehouden,barsttenu uit—ik geloof dat ik steeds getracht heb om voor u te doen, nicht, wat ik kon, en dat de behandeling mij[150]in dezen aangedaan, allerschandaligst is. Gij hebt mij niet eens geraadpleegd, en hebt, zooals ik nu merk, zelfs getracht het voor mij verborgen te houden. En nu gij Engelschgezind gaat worden, begint het mij toch te erg te worden, en ik verzoek voortaan niet meer als een lid dezer familie te worden beschouwd. Ik groet u.”

Met deze woorden, gesproken met eene van aandoening en kwalijk onderdrukten toorn bevende stem, had Van Eck de tafel verlaten, en vóór de aanwezigen nog begrepen wat er aan den gang was, stond hij reeds in den gang, waar hij hoed en stok greep, en de deur uitsnelde.

Mevrouw de Beer snelde hem achterna, en riep hem toe terugtekomen en niet zoo haastig te zijn. Doch dit was te vergeefs; de oude man deed alsof hij het niet hoorde en stapte weg.

In zijn dagboekbeschreefhij de gebeurtenis van dezen dag, en zijne woorden zijn zoo bitter, en zoo vreeselijk, dat wij geen goed zouden doen met ze hier te herhalen. Bovendien wat zou het helpen. Huwelijken tusschenEngelschenen Afrikaanders, van beider kunne, hebben sinds dien dag bij duizendtallen plaats gehad, en men zou, misschien met recht kunnen argumenteeren, dat ze meer goed dan kwaad hebben gedaan.[151]


Back to IndexNext