[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.HOOFDSTUK VIII.Een korte tijd van rust, die veel belooft.De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen voet had geregeld. Dit laatste nam een[152]geruimen tijd, want een aantal leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen, evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de rechters vinden wijmannen alsW. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange, Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist[153]geschreven, hebben gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden, Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen was, daar het[154]grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen.Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel van deonpraktischedenkbeelden van de personen die de zaak in Holland in handen hadden genomen, en[155]van den man dien zij hierheen zonden om hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en die op halstarrige wijze zijn eigenideeënvolgde, met gevolg dat alles bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk leden.Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige[156]werk gedaan door de Moravische zendelingen teGenadendal, waar De Mist ook een bezoek bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het opnieuw[157]uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeidzoudenlaten. Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden, gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap was, het 23stebataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt, gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval[158]van een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat deMahomedanensteeds een goedgezind deel der koloniale bevolkingzijngeweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten, en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem[159]alle mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24stenSeptember zijne betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te trachten Holland te bereiken.Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken ten noorden van de Oranjerivier, waar[160]er een aantal zendingsstaties waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de anderekleurlingstammendie in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog onzichtbaar in de schoot der moeder.Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en[161]ging de volkplanting waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om dekoloniënvan zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend hoofdstuk.[162]
[Inhoud]HOOFDSTUK VIII.HOOFDSTUK VIII.Een korte tijd van rust, die veel belooft.De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen voet had geregeld. Dit laatste nam een[152]geruimen tijd, want een aantal leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen, evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de rechters vinden wijmannen alsW. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange, Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist[153]geschreven, hebben gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden, Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen was, daar het[154]grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen.Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel van deonpraktischedenkbeelden van de personen die de zaak in Holland in handen hadden genomen, en[155]van den man dien zij hierheen zonden om hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en die op halstarrige wijze zijn eigenideeënvolgde, met gevolg dat alles bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk leden.Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige[156]werk gedaan door de Moravische zendelingen teGenadendal, waar De Mist ook een bezoek bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het opnieuw[157]uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeidzoudenlaten. Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden, gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap was, het 23stebataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt, gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval[158]van een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat deMahomedanensteeds een goedgezind deel der koloniale bevolkingzijngeweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten, en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem[159]alle mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24stenSeptember zijne betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te trachten Holland te bereiken.Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken ten noorden van de Oranjerivier, waar[160]er een aantal zendingsstaties waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de anderekleurlingstammendie in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog onzichtbaar in de schoot der moeder.Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en[161]ging de volkplanting waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om dekoloniënvan zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend hoofdstuk.[162]
HOOFDSTUK VIII.HOOFDSTUK VIII.Een korte tijd van rust, die veel belooft.
HOOFDSTUK VIII.
De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen voet had geregeld. Dit laatste nam een[152]geruimen tijd, want een aantal leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen, evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de rechters vinden wijmannen alsW. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange, Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist[153]geschreven, hebben gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden, Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen was, daar het[154]grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen.Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel van deonpraktischedenkbeelden van de personen die de zaak in Holland in handen hadden genomen, en[155]van den man dien zij hierheen zonden om hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en die op halstarrige wijze zijn eigenideeënvolgde, met gevolg dat alles bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk leden.Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige[156]werk gedaan door de Moravische zendelingen teGenadendal, waar De Mist ook een bezoek bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het opnieuw[157]uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeidzoudenlaten. Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden, gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap was, het 23stebataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt, gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval[158]van een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat deMahomedanensteeds een goedgezind deel der koloniale bevolkingzijngeweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten, en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem[159]alle mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24stenSeptember zijne betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te trachten Holland te bereiken.Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken ten noorden van de Oranjerivier, waar[160]er een aantal zendingsstaties waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de anderekleurlingstammendie in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog onzichtbaar in de schoot der moeder.Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en[161]ging de volkplanting waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om dekoloniënvan zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend hoofdstuk.[162]
De eerste dag van Maart in het jaar 1803 was een dag van dankzegging en vreugde in Kaapstad. Op dien dag toch werd er in de oude kerk op de Heerengracht een dienst gehouden waarin men den Schepper dankte voor het feit dat Hij het land van den overheerscher had bevrijd; na den dienst die door alle standen werd bijgewoond, werd Generaal Janssens plechtiglijk ingezworen als Gouverneur der Kolonie door den Commissaris generaal De Mist, die zelf echter voor het oogenblik althans de voornaamste machten in handen hield, totdat hij de zaken op nieuwen voet had geregeld. Dit laatste nam een[152]geruimen tijd, want een aantal leden van den nieuwen raad van bestuur waren nog niet aangekomen, evenmin als verscheidene leden van het nieuwen Hooge Gerechtshof; maar zoowel in den raad als in het Hof hadden achtenswaardige mannen, in Zuid-Afrika geboortig, zitting, zoodat men in waarheid mocht hopen dat een nieuwe en betere tijd voor het land aanbreken zoude. Zoo vinden wij Willem Ferdinand van Reede van Oudshoorn als een der leden van den raad, en Jan Henoch Neethling als secretaris van dien raad; onder de rechters vinden wijmannen alsW. Hiddingh, en D. Denijssen. Ook de burgerraad werd hersteld, en tot leden er van waren voor het eerste jaar Cornelis van der Poel, Gerrit Hendrik Meijer, Anthonie Berrange, Pieter van Breda, Jan Andries Horak, Jacobus Johannes Vos, en Jan Adriaan Vermaak aangesteld, namen van in ons land welbekende familiën.
Het nageslacht behoort in waarheid den naam van De Mist in eere te houden, want er was misschien nooit een man in Zuid-Afrika, die het niet alleen zoo goed met het land meende, maar ook zulke verstandige maatregelen heeft genomen. De geschiedenis en de daden van De Mist zijn ongelukkig niet goed onder ons volk bekend, slechts zij die in de gelegenheid zijn geweest om de officieele stukken op het archief te Kaapstad na te gaan, en de brieven door De Mist[153]geschreven, hebben gelezen, weten iets van de waarlijk grootsche gedachten en plannen van hem af. Het was geen gemakkelijk werk dat hij ondernomen had en de omstandigheden hebben belet dat hij het aangevangen werk behoorlijk ten einde heeft kunnen brengen, maar wat hij gedaan heeft, en nog meer wat hij van plan was te doen, zoo hem de kans ware gegeven, bewijst maar al te duidelijk dat De Mist een man was van de edelste bedoelingen, en die zijn tijd ettelijke jaren vooruit was. Zonder een dweper te zijn met de denkbeelden der Fransche revolutie, heeft hij aan veel dier denkbeelden getracht hier den rechten vorm te geven, met inachtneming van de omstandigheden des lands. Om een voorbeeld te geven behoeven wij slechts hier iets te vertellen van het schema door hem uitgedacht en gedeeltelijk in werking gebracht omtrent het onderwijs. In 1804 werd een belangrijke ordonnantie door hem uitgevaardigd over dit onderwerp, zoowel als over kerkzaken, een groot deel waarvan nog heden van kracht is. Eerstens werd daarin volkomene vrijheid van godsdienst verleend aan alle gezindheden, en gelijke burgerlijke rechten verleend aan Joden, Roomschen, en Mahomedanen, iets dat zoo veel den tijd vooruit was, dat de kolonisten er zelfs objekties tegen hadden, wat niet te verwonderen was, daar het[154]grootste gedeelte van de bevolking tot de Calvinistische kerk behoorde, en men niet gewoon was aan zulke verdraagzame denkbeelden. Onder de bepalingen van die zelfde ordonnantie werden de scholen geplaatst onder het bestuur van de regeering, zonder respekt van eenige kerk, en dit gaf heel wat aanstoot. Men was tot op dat tijdstip steeds gewoon geweest om alle onderwijs in verband te hebben met de kerk, en zulk onderwijs geheel en al te schoeien op den Bijbel, wat ongetwijfeld in den aard van het volk lag, en grootendeels nog ligt. Het gevolg was, dat de buitenbevolking zich zoo hevig tegen deze scholen verzette, dat men die slechts in Kaapstad kon oprichten, maar hoe dit ook was, zoo vergete men niet dat het systeem van De Mist hetzelfde systeem was dat thans in zwang is in de kolonie en over het algemeen vrij goede vruchten heeft afgeworpen.
Onder de andere goede maatregelen die De Mist nam, mag men het feitelijk beletten van den invoer van nieuwe slaven in de kolonie rekenen, terwijl hij daarentegen alles deed om de immigratie van geschikte blanken uit Holland te bevorderen. Dat dit laatste schema niet goed slaagde is zeker niet de schuld geweest van De Mist, maar wel van deonpraktischedenkbeelden van de personen die de zaak in Holland in handen hadden genomen, en[155]van den man dien zij hierheen zonden om hen te vertegenwoordigen, Majoor Buchenroeder, een man die weigerde te luisteren naar den goeden raad hem door Gouverneur Janssens gegeven, en die op halstarrige wijze zijn eigenideeënvolgde, met gevolg dat alles bedorven werd, waarbij nog kwam dat een aantal goederen voor de emigranten bestemd verloren gingen in twee schepen, die schipbreuk leden.
Tegen het einde van het jaar 1803 ging De Mist een reisje doen door de kolonie om zich persoonlijk op de hoogte der zaken te stellen. Op die reis kwam hij onder anderen in aanraking met den beruchten Dr. Van der Kemp, een man die als zendeling naar Zuid-Afrika was gekomen, maar allerwonderlijkste denkbeelden had over zendingswerk, en die begonnen is met het werk waaronder de kolonisten nog heden lijden, en waaronder ze zooveel hebben geleden, namelijk het bederven, en als luiaards opvoeden van de Hottentotten en Kaffers; een werk later met zooveel succes (van hun oogpunt althans) voortgezet door den zendeling Read en Dr. Philip. Er zijn blijken genoeg uit de brieven destijds door De Mist geschreven, dat hij niets ophad met het stelsel van Van der Kemp, en dat hij dezen als een lastig sujet beschouwde, wiens werk allerongunstigst afstak bij het flinke en verstandige[156]werk gedaan door de Moravische zendelingen teGenadendal, waar De Mist ook een bezoek bracht, en waar hij getroffen werd door den vlijt, en de werkzaamheid aldaar ten toon gespreid door de kleurlingen. Een bezoek door den Commissaris gebracht aan de kaffers op de oostergrenzen had ongelukkig geen goede resultaten, daar toen juist die twisten onder de Gaikastam begonnen te ontstaan die later zulke droevige gevolgen voor de kolonie hebben gehad. Maar in alle geval was De Mist verstandig genoeg om niet de fout te begaan die een groote twaalf jaar later door de Engelschen werd gemaakt, toen deze zich gingen bemoeien met de stamtwisten der kleurlingen, zich daardoor een wespennest om de ooren halende, dat de kolonie duizenden van levens en jaren van ellende heeft gekost. Op zijne terugreis naar de Kaap stichtte De Mist het nieuwe district Uitenhage, zoo genoemd naar een oude familie naam in zijn geslacht en nog geen jaar later werd ook het district Tulbagh gesticht. In het algemeen was men zeer tevreden over de goede maatregelen door den Commissaris Generaal genomen voor de regeering der kolonie, en scheen men hoop te hebben dat deze volkplanting een nieuw tijdperk van bloei zou betreden. Maar ongelukkig werd die hoop teleurgesteld door het opnieuw[157]uitbreken in Europa van den oorlog, waaraan ook Engeland deel nam. Napoleon had zich namelijk als keizer van Frankrijk doen kronen, en begon die vreeselijke reeks van veroverings-oorlogen, die meer dan tien jaren stroomen bloeds deden vloeien, en ten slotte eindigde met den val van den grooten veroveraar der negentiende eeuw. De oorlog tusschen Engeland en Frankrijk brak reeds tegen het einde van 1803 weder uit, en daar Holland een bondgenoot van Frankrijk was, kon men verwachten dat de Engelschen de Kaap niet ongemoeidzoudenlaten. Generaal Janssens, voor het oogenblik de voornaamste burgerlijke zaken in handen latende van De Mist, nam dadelijk alle maatregelen om de kolonie in zulk een staat van verdediging te stellen, als onder de omstandigheden mogelijk was. Maar in plaats dat men in Holland hem hierin steunde door hem de noodige versterkingen van troepen te zenden, gaf men hem last om het beste regiment soldaten dat toen aan de Kaap was, het 23stebataljon naar Indië te zenden, en schoon Janssens begreep dat hij daardoor als het ware weerloos werd gemaakt, gehoorzaamde hij aan zijne superieuren, en zond het regiment naar Indië. Daarentegen zorgde hij voor de behoorlijke wapening en oefening van de burgers, in wie hij terecht groot vertrouwen stelde in geval[158]van een aanval, en ook zorgde hij voor het opgaaren van genoegzame mondprovisie voor de troepen. Het was echter ongelukkig een slechte tijd geweest voor de boeren, die in de laatste jaren met een aantal misoogsten hadden te kampen gehad, zoodat er nauwelijks koren was, om in de dadelijke behoeften van de bevolking te voorzien. Verder werd het Hottentot-korps versterkt tot 600 man, en de heer Frans le Sueur, die goed verstond hoe om met deze klasse van lieden te werken, werd tot bevelhebber van dit korps aangesteld met den rang van luitenant-kolonel. Wat verder eigenaardig is, en bewijst dat deMahomedanensteeds een goedgezind deel der koloniale bevolkingzijngeweest, is het feit dat een groot aantal hunner dienst namen als een speciaal korps artilleristen, en werkelijk toonden dat men goede soldaten van hen kon maken. Maar met dit al, was het aantal soldaten, en geoefende krijgers, waar de Generaal op kon rekenen, maar zeer klein, en wat de toestand nog verergerde was, dat er een kwaadaardige soort van koliek uitbrak onder de troepen, die een groote vermindering in de strijdmacht veroorzaakte. Maar Janssens was er de man niet naar om zich te laten ontmoedigen, en hij werkte onvermoeid voort. Ten einde den gouverneur op geen enkele wijze de handen te binden, en hem[159]alle mogelijke macht te geven, legde De Mist op den 24stenSeptember zijne betrekking als Commissaris-Generaal neder, waarop hij eenige maanden ging vertoeven op de plaats Stellenburg nabij Wijnberg, en daarop weer een tijdje lang woonde op de plaats Maastricht in de buurt van Tijgerberg. In Februari 1805 vertrok hij echter met een Amerikaansch schip naar de Vereenigde Staten van Noord-Amerika, om van daar te trachten Holland te bereiken.
Er heerscht onder een aantal personen een denkbeeld, dat er in die dagen weinig werd gedaan om Gods woord te verspreiden onder de heidenen in Zuid-Afrika, en men is gewoon om al de eer van dit werk toe te schrijven aan de Engelsche en Amerikaansche genootschappen en te doen alsof het alleen aan het Londensche Zendinggenootschap te wijten is, dat de kleurlingen in dit land niet even onbekend met Christendom zijn als zij zulks in 1652 waren. Dit is echter geheel verkeerd, want men behoeft slechts de reisbeschrijving van Lichtenstein te lezen om van het tegendeel hiervan overtuigd te worden. Dr. Lichtenstein, toenmaals geneesheer bij het Hottentot korps te Kaapstad, werd in het jaar 1805 door Generaal Janssens gezonden om tesamen met Landdrost van de Graaf van Tulbagh een onderzoek te gaan instellen naar den toestand van zaken ten noorden van de Oranjerivier, waar[160]er een aantal zendingsstaties waren geopend, maar waar, naar men gehoord had, de Bosjesmannen nog erg lastig waren, en de geheele bevolking vijandig scheen. De gemelde heeren troffen op hun reis een aantal zendelingen, velen waarvan Afrikaners waren, zooals b.v. Christiaan Botma, een man die blijkbaar een groote energie in het zendingswerk ten toon spreidde, en zelfs een vrij groot fortuin daaraan had opgeofferd. Dan had men meer in het noorden de zendelingen van der Lingen, en Jan Kock, Korser en Janssen, en bij den heer Anderson ook den heer Kramer. Er waren echter ook reeds in die dagen zendelingen van het Londensche genootschap zooals de heer Edwards, die aan de reizigers heel wat nuttige informatie gaf. De expeditie drong zoover noord als Kuruman, en bevond werkelijk dat de Bosjesmannen zeer lastig waren, terwijl men bovendien een aantal nuttige berichten verkreeg omtrent de Batlapin en de anderekleurlingstammendie in deze woeste streken woonden. Weinig vermoedden Lichtenstein en de Graaf dat zij op hun reis gegaan waren over de rijkste diamantmijn in de wereld; de schatten der aarde die aan Zuid-Afrika indirekt zooveel leeds hebben berokkend, lagen nog onzichtbaar in de schoot der moeder.
Zoo leefde men rustig voort in de Kaapkolonie, en[161]ging de volkplanting waarlijk vooruit, in handel en in beschaving. Men wist wel van het uitbreken van den oorlog, maar men had of geen denkbeeld dat de Engelschen de kolonie weder zoo spoedig zouden aanvallen of men rekende te veel op de macht van Frankrijk. Doch de politiek van keizer Napoleon was eene politiek voor het vasteland van Europa, en tegen de zeemacht van Engeland was hij niet bestand. Zoo sterk en uitmuntend, en zoo goed aangevoerd als het leger van Frankrijk was, zoo zwak was de vloot van dat land, en er was niemand onder de Fransche zeeofficieren die opgewassen was tegen mannen als Nelson en Collingwood. Napoleon was dus niet in staat, zelfs al had hij zulks ook gewild om dekoloniënvan zijn bondgenoot Holland te beschermen, en allerminst niet voor de Kaap. Reeds vóór Juli 1805 begon men in Engeland toebereidselen te maken voor eene expeditie naar Zuid-Afrika, en te Madeira verzamelde zich een groote Engelsche vloot, en op 4 October—zeventien dagen voor den grooten slag van Trafalgar, waarin de Fransche vloot voor goed door Nelson werd vernield—zeilden 63 schepen, met een leger van 6654 man aan boord van uit de reede van Madeira om de Kaap te gaan veroveren. Het verhaal van die verovering moet echter overblijven tot een volgend hoofdstuk.[162]