HOOFDSTUK XI.

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.HOOFDSTUK XI.Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te verstaan.Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het luisteren[202]naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve zijn storie vertellen.Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die zelve vroeger slavin[203]was geweest maar door haren eigenaargeëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien, en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken[204]toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare gemoed van Louis.Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan voornamelijk zou spreken met[205]eenige slaven die hij er kende. Dit plan werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde. Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang was gezet.Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun plan ten uitvoer te brengen. Op[206]den 24stenOctober reeds, vroeg in den morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen.Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis, beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan mede, en hij[207]betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan jufvrouw Louw Louis voorstelde[208]als een Spaanschen zeekapitein, die geen Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zijverzorgdehunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met wien men nu verdere maatregelen besprak.De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen.[209]Hooper ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en onderging hetzelfde lot.Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te[210]komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen, deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het bezoek op[211]zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit.De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te buiten aan den drank die zij in de kelders vonden.Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee gedeelten,[212]één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te overvallen en te veroveren.Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de plaats van den[213]heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer Hendrik van Niekerk.„... dat men hem allergruwelijkst mishandelde...” (Blz. 213).„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn geweest om eenig kwaad te doen.De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad[214]uit in de richting van Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren. Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren, toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis vervoerd.De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen. Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den Fiskaal, en daarop[215]ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd, die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge Gerechtshof gebracht, dat op den 7denDecember 1808 vonnis gaf. Louis, Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld. Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot aftewachten.Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het[216]geheele tijdperk der Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel als de andere blanke,insgelijkseen Engelschman, geen moed hadden om het plan ten uitvoer te brengen.[217]De zaak op zich zelve is al leelijk genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben, want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag, wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.[218]

[Inhoud]HOOFDSTUK XI.HOOFDSTUK XI.Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te verstaan.Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het luisteren[202]naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve zijn storie vertellen.Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die zelve vroeger slavin[203]was geweest maar door haren eigenaargeëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien, en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken[204]toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare gemoed van Louis.Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan voornamelijk zou spreken met[205]eenige slaven die hij er kende. Dit plan werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde. Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang was gezet.Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun plan ten uitvoer te brengen. Op[206]den 24stenOctober reeds, vroeg in den morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen.Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis, beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan mede, en hij[207]betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan jufvrouw Louw Louis voorstelde[208]als een Spaanschen zeekapitein, die geen Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zijverzorgdehunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met wien men nu verdere maatregelen besprak.De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen.[209]Hooper ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en onderging hetzelfde lot.Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te[210]komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen, deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het bezoek op[211]zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit.De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te buiten aan den drank die zij in de kelders vonden.Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee gedeelten,[212]één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te overvallen en te veroveren.Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de plaats van den[213]heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer Hendrik van Niekerk.„... dat men hem allergruwelijkst mishandelde...” (Blz. 213).„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn geweest om eenig kwaad te doen.De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad[214]uit in de richting van Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren. Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren, toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis vervoerd.De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen. Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den Fiskaal, en daarop[215]ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd, die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge Gerechtshof gebracht, dat op den 7denDecember 1808 vonnis gaf. Louis, Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld. Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot aftewachten.Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het[216]geheele tijdperk der Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel als de andere blanke,insgelijkseen Engelschman, geen moed hadden om het plan ten uitvoer te brengen.[217]De zaak op zich zelve is al leelijk genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben, want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag, wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.[218]

HOOFDSTUK XI.HOOFDSTUK XI.Een verhaal van een slaven opstand aan de Kaap.

HOOFDSTUK XI.

Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te verstaan.Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het luisteren[202]naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve zijn storie vertellen.Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die zelve vroeger slavin[203]was geweest maar door haren eigenaargeëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien, en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken[204]toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare gemoed van Louis.Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan voornamelijk zou spreken met[205]eenige slaven die hij er kende. Dit plan werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde. Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang was gezet.Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun plan ten uitvoer te brengen. Op[206]den 24stenOctober reeds, vroeg in den morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen.Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis, beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan mede, en hij[207]betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan jufvrouw Louw Louis voorstelde[208]als een Spaanschen zeekapitein, die geen Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zijverzorgdehunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met wien men nu verdere maatregelen besprak.De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen.[209]Hooper ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en onderging hetzelfde lot.Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te[210]komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen, deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het bezoek op[211]zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit.De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te buiten aan den drank die zij in de kelders vonden.Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee gedeelten,[212]één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te overvallen en te veroveren.Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de plaats van den[213]heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer Hendrik van Niekerk.„... dat men hem allergruwelijkst mishandelde...” (Blz. 213).„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn geweest om eenig kwaad te doen.De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad[214]uit in de richting van Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren. Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren, toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis vervoerd.De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen. Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den Fiskaal, en daarop[215]ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd, die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge Gerechtshof gebracht, dat op den 7denDecember 1808 vonnis gaf. Louis, Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld. Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot aftewachten.Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het[216]geheele tijdperk der Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel als de andere blanke,insgelijkseen Engelschman, geen moed hadden om het plan ten uitvoer te brengen.[217]De zaak op zich zelve is al leelijk genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben, want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag, wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.[218]

Wat wij in dit hoofdstuk gaan vertellen, waarde lezers, is niets meer of min dan een afschrift uit het dagboek van Jan van Eck, dat is te zeggen, wij hebben bijna precies overgenomen wat er in dat dagboek geschreven staat, maar slechts hier en daar het Hollandsch in een meer moderne vorm gegoten, omdat wij gelooven dat anders onze lezers moeite zouden hebben, om de eenigszins verouderde taal van het dagboek te verstaan.

Voor wij echter beginnen, moeten wij hier verder aanmerken, dat het blijkt dat Jan van Eck zijn tijd eenige dage heeft doorgebracht met het luisteren[202]naar de zaak van de slaven, die in den hieronder beschreven opstand hadden deel genomen, en dat hij daarop waarschijnlijk uit aanteekeningen door hem gehouden over de getuigenissen in de zaak, een verhaal heeft opgetrokken van het gebeurde, naar hij zelf zegt, om het nageslacht te toonen, dat deze slaven opstand nooit zou hebben plaats gevonden, als het niet was geweest, dat een Engelschman het denkbeeld had geopperd, daar, (zooals Van Eck terecht aanmerkt) de slaven in de kolonie in het algemeen zeer goed werden behandeld, en uit henzelven nooit tot een opstand zouden zijn gekomen. Maar laten wij hem zelve zijn storie vertellen.

Omtrent de maand Juli van het jaar 1808 woonde er te Kaapstad een zekere Louis, een slaaf, origineel afkomstig van het eiland Mauritius doch reeds een geruimen tijd hier. Hij was een slaaf van jufvrouw Kirsten, eene vrouw die van haar man gescheiden leefde, en die geen dienst hebbende voor Louis, dezen toeliet voor anderen te werken, op voorwaarde dat hij een deel van zijne verdiensten wekelijks aan zijne eigenares afstond, eene gewoonte die dikwijls in de Kaapstad gevolgd wordt, en haren oorsprong heeft in het Romeinsche recht. Louis nu was gehuwd, of leefde in alle geval met eene vrije vrouw, Anna genaamd, die zelve vroeger slavin[203]was geweest maar door haren eigenaargeëmancipeerd, dat is vrij gemaakt, was. Het schijnt dat deze vrije vrouw haren echtgenoot had gehuurd van diens meesteres, en haar daarvoor een zekere vaste som per week betaalde, en het werk dat Louis deed voor Anna, bestond in het drijven en zorgen voor een wagen en paarden, die Anna uithuurde aan andere menschen voor het vervoeren van goederen en dergelijke werken. Louis was wel een slaaf, maar hij schijnt niet geheel gekleurd te zijn geweest; in waarheid was hij zoo licht van kleur dat een gewoon mensch hem voor een blanke zou aanzien, en waarschijnlijk was hij de onechte zoon van den een of andere blanke van Mauritius. Om in de kosten van hun huishouden te voorzien had Anna een paar kostgangers aangenomen, meest werklieden van den lageren stand, en onder die kostgangers bevond zich een Ier, James Hooper genaamd. Deze schijnt iemand geweest te zijn die veel gehoord en gelezen had van den opstand in Ierland in 1798, schoon hij aan dien opstand zelf geen deel heeft kunnen nemen, daar hij ten tijde dat dit verhaal begint nog maar 26 jaar oud was. Hooper had menig gesprek met Louis, en vervulde dezen met belachelijke denkbeelden van vrijheid, en als vanzelf kwam men natuurlijk te spreken over den afhankelijken[204]toestand der slaven in de kolonie, en over de pogingen, die toen reeds in Engeland door zekere personen werden aangewend tot vrijmaking der slaven in het Britsche rijk. Men kan zich gemakkelijk voorstellen dat deze gesprekken een geweldigen invloed hadden op het licht ontvlambare gemoed van Louis.

Het duurde dan ook niet lang of de man van Mauritius begon met Hooper de mogelijkheid te bespreken van het aan den gang zetten van een slavenopstand, en Hooper was geenszins ongewillig om op dit plan in te gaan. Een weinig nadenken bracht hen spoedig tot de overtuiging dat het gekheid zou zijn om zoo iets te beginnen in de Kaapstad, waar er toenmaals niet minder dan 5000 soldaten in garnizoen lagen, en waar bovendien er groot gevaar bestond voor het uitlekken hunner plannen. Louis had echter een goede kennis, een zekere Abraham, slaaf van den heer Jan Wagenaar, die uitmuntend bekend was met het Zwartland, waar hij vroeger gewoond had. Deze Abraham werd nu in het geheim genomen, en men kwam ten laatste tot een besluit, namelijk dat Hooper en Abraham een reis zouden ondernemen naar het Zwartland, en zich vergewissen van de gevoelens onder de slaven der boeren aldaar, en Abraham daar dan voornamelijk zou spreken met[205]eenige slaven die hij er kende. Dit plan werd op de volgende slimme wijze ten uitvoer gebracht. In het begin van de maand October gingen Hooper en Abraham op reis naar de plaats van den heer Pieter Louw in Zwartland, waar familie van Abraham woonde. Hooper gaf voor een Engelsche heer te zijn die voor zijn pleizier een reisje in die streken deed, en door zijn bediende Abraham, die tevens als tolk diende, vergezeld was. Abraham was met den heer Louw bekend en Hooper werd dan ook met alle gastvrijheid door den niets vermoedenden boer ontvangen en uitmuntend behandeld. Men bleef een paar dagen op de plaats, en Abraham besteedde zijn tijd nuttig en kwam tot de overtuiging dat er alle kans was dat hun plan zou slagen, en zij een aantal aanhangers zouden krijgen als de zaak maar één keer aan den gang was gezet.

Toen deze twee lieden te Kaapstad terugkwamen, hadden zij weer een gesprek met Louis, en besloten toen om nog een vierde deelgenoot in het komplot te nemen, namelijk een tweeden Ier, zekeren Michael Kelly, een matroos, of liever gezegd gewezen matroos van een Engelsch schip, die eenig begrip had van militaire zaken. De vier vrienden begonnen thans hunne maatregelen te nemen, en zij lieten geen tijd verloopen om hun plan ten uitvoer te brengen. Op[206]den 24stenOctober reeds, vroeg in den morgen ging James Hooper naar een zekeren Hendrik Matfeld, een half gekleurden maar vrijen man, die in het bezit was van een wagen en acht paarden, waarmede hij gewoon was menschen te brengen naar Paarl, Simonsstad, en dergelijke naburige plaatsen. Hooper zeide hem dat hij een baantje voor hem had daar er een Engelsche officier was, die naar eenige plaatsen in Zwartland wilde gaan. en voor dat doel een wagen verlangde. Hooper en Matfeld waren het spoedig eens over den prijs, en er werd bepaald dat den volgenden morgen vroeg, hij zou komen aan het huis van Louis, waar hij zijn passagiers zou ontvangen.

Intusschen hadden Louis en Hooper zich twee uniformen aangeschaft, een met gouden, en een met zilveren epauletten, en ook een groote en een kleine sabel verkregen, en toen den volgenden morgen, de wagen van Hendrik Matfeld op de bepaalde plaats aankwam, klommen Hooper en Louis, beiden in uniform aangekleed in het voertuig, en vertrok men in de richting van Zwartland. Bij Zoutrivier ontmoette men als bij toeval Kelly en Abraham, die ook daarop in den wagen klommen, alsmede ook een zekere Adonis, een slaaf, die eenige tijd geleden van zijn baas gedrost was, maar aan Abraham bekend was. Adonis deelde men daarop het plan mede, en hij[207]betoonde zich geheel gewillig om er deel aan te nemen. Men reed nu door, maar langs den weg werd er verscheidene malen stilgehouden, en teutte men zoo, dat de drijver van den wagen, zekere David, eenigszins gemelijk te kennen gaf, dat als men op die wijze voortging, men nooit dien avond weer in de Kaap zou zijn. Louis zeide dat David zeker zijn baas verkeerd had verstaan, want de wagen was voor vijf dagen gehuurd, en Hooper had daarvoor niet minder dan 100 rijksdaalders aan Matfeld betaald, wat later bleek een brutale leugen te zijn. Maar daar zoowel Hooper als Kelly beweerden tegenwoordig te zijn geweest, toen dit accoord gesloten was, kwam David werkelijk tot de gedachte dat hij zijn baas verkeerd verstaan had, en reed hij door naar de plaats Brakkefontein, waar men in het veld uitspande. De volgenden dag werd de reis voortgezet, en tegen den middag bereikten zij de plaats van Pieter Louw, waar Hooper en Louis uit het rijtuig klommen, en naar het huis gingen om te vragen of de heer Louw thuis was. De afspraak die de schelmen hadden gemaakt, was, dat zoo Louw werkelijk thuis was, zij een gesprek met hem zouden aanknoopen, maar op een gegeven teeken allen hem zouden aanvallen en hem binden. Het ongeluk wilde echter dat Louw niet thuis was, waarop Hooper aan jufvrouw Louw Louis voorstelde[208]als een Spaanschen zeekapitein, die geen Hollandsch of Engelsch verstond, en zich zelve uitgaf als een zijner officieren. De goede jufvrouw Louw geloofde dit verhaal en ontving hare gasten op de gewone vriendelijke Afrikaansche manier. Zijverzorgdehunne paarden, en gaf de personen dien avond een uitmuntende slaapplek. Terwijl zij op de plaats waren, gingen Louis en Abraham stilletjes naar de slaven, en hadden een gesprek met zekeren Japhta, een slaaf van Louw, die reeds vroeger door Abraham in het geheim was ingewijd, en met wien men nu verdere maatregelen besprak.

De twee blanken schijnen echter of door vrees te zijn bekropen, of het gevaarlijke hunner positie te hebben ingezien. In alle geval blijken zij niet den moed te hebben gehad om het plan door te zetten, en den volgenden morgen vroeg, toen Louis en Abraham nog sliepen, vertrokken zij heimelijk van de plaats, maar niet zonder eerst Louis van zijn uniform, zijn sabels en epauletten te hebben ontroofd. Daar deze twee blanken niet meer in het verhaal zullen voorkomen, zal ik maar dadelijk hier melden, dat deze één dag bij elkander bleven, maar eenige wagens ziende aankomen verborgen zij zich, en dat wel zoo goed, dat zij later elkander niet konden vinden, en dus ieder huns weegs gingen.[209]Hooper ging in de richting van Saldanha baai, en werd daar door eenige dragonders die er gestationeerd waren, gevangen genomen en later naar Kaapstad vervoerd. Kelly kwam kort daarop ook te Saldanha baai aan, en onderging hetzelfde lot.

Wat de anderen betreft, zoo was Abraham dien morgen het eerste op de been, en na Louis te hebben gewekt, hielden zij een korte beraadslaging, waarin zij tot het besluit kwamen, om niettegenstaande het verraad hunner blanke deelgenooten, toch met hun plan voort te gaan. Met dat doel verzamelde Abraham eenige der slaven van den heer Louw, liet de wagen waarmee ze gekomen waren weder inspannen, en vertrok daarop van de plaats. Louis begon nu dadelijk een anderen toon aan te slaan, en gelastte het nog op de plaats zijnde volk om de wagen van Louw intespannen, met de paarden die in den stal stonden, en hoewel jufvrouw Louw, die thans onraad bemerkte, zich ten sterkste hiertegen verzette, gaf het volk aan de bevelen van Louis gehoor, en daarop vertrok men, versterkt door tien der slaven van Louw, naar de plaats van den heer Willem Basson, die niet ver daar van daan lag. De heer Basson was ook niet te huis, en de oproerlingen door deze omstandigheid aangemoedigd, draalden nu niet om in hun ware gedaante voor den dag te[210]komen. Den jongeren broeder van Basson werd door hen gegrepen en vastgebonden, en daarop lieten zij ook hier de wagen van den eigenaar inspannen. Niet tevreden met deze geweldenarijen, braken zij een aantal der kamers van het huis open, haalden alle wapenen, en schiettuig er uit, en trachtte ook de vrouw van den heer Basson, en eene andere vrouw op de plaats wonende te vangen en te binden, zeggende dat zij bevelen hadden van den Gouverneur, en van den Fiskaal om alle blanken in het district gevangen te nemen en naar Kaapstad te brengen. Het gelukte echter aan de twee vrouwen om te ontsnappen. Daar de opstandelingen blijkbaar geen tijd wilden vermorsen met het zoeken naar de vrouwen, deden zij geen moeite daartoe, maar namen een aantal paarden van de plaats met zich, en begaven zich toen op weg naar de woning van Pieter Basson, die slechts een kleinen afstand van daar woonde; de gevangene broeder van Willem Basson namen zij gebonden, en in den wagen geworpen, met zich mede. Op den weg naar de plaats van Pieter Basson, ontmoetten ze dezen laatsten met zijn wagen, en verplichtten hem door hem met den dood te bedreigen, om zich aan hen overtegeven, waarop zij ook hem bonden, op zijn eigen wagen laadden, en dien ook medevoerden. Het bezoek op[211]zijne plaats werd echter niet nagelaten, en zij maakten daar een kwantiteit geweren, kruit en hagel buit.

De onverlaten gingen nu naar de plaats van den heer Johannes Louw, en nauwelijks waren zij daar aangekomen, of zij overrompelden den eigenaar, bonden hem vast, en wierpen hem in een der wagens; en daarop braken zij in het huis, en stalen al het geld dat er te vinden was, dat echter niet meer was dan omtrent 150 rijksdaalders; een aanzienlijke hoeveelheid ammunitie en kleederen viel ook in hunne handen. De meeste slaven van Louw sloten zich bij de opstandelingen aan, en dat wel omdat zij waarlijk geloofden dat Louis door de regeering was gezonden om de blanken gevangen te nemen en naar de Kaap te vervoeren. De thans meer dan vijftig man sterke macht trok nu naar de plaats van den heer Pieter van der Westhuizen. Hier gedroegen de kleurlingen zich zoo erg mogelijk, want niet alleen dat zij Van der Westhuizen bonden, maar zij mishandelden ook zijne vrouw op schandelijke wijze, en gingen zich te buiten aan den drank die zij in de kelders vonden.

Na nog twee plaatsen te hebben bezocht, waar zij heel wat versterking ontvingen, werd de bende door hun aanvoerder Louis verdeeld in twee gedeelten,[212]één waarvan onder zijne aanvoering bleef, en de andere onder het gezamentlijk bevel van twee slaven Adonis en Jonas werd gesteld, waarop elke bende toen zijns weegs ging, nadat men afgesproken had, dat men elkander weder op een zekere plek zou ontmoeten, om vereenigd daarvandaan naar Kaapstad op te trekken, dat men dan hoopte te overvallen en te veroveren.

Ik kan niet hier al de plekken opnoemen die door deze woestelingen werden bezocht; genoeg zij te zeggen dat zij op niet minder dan 34 plaatsen in het tegenwoordige Koeberg en zuidelijk gedeelte van Zwartland geweld pleegden, altijd dezelfde storie herhalende, namelijk dat zij handelden op last van den Gouverneur en den Fiskaal, waardoor zij niet weinige aanhangers kregen, die anders zeker zouden geaarzeld hebben om tegen hunne meesters op te staan. Bloed werd er gelukkig in dezen opstand niet vergoten; de weerspannige slaven bepaalden zich tot het knevelen hunner heeren in de meeste gevallen, het stelen van goederen, voornamelijk van ammunitie, geweren, kleederen en dergelijken, en het wegvoeren van paarden en wagens. Het gebeurde met jufvrouw Van der Westhuizen was een der ergste daden, maar dat was ook inderdaad erg genoeg; daarnaast kwam het gebeurde op Drooge vallei, de plaats van den[213]heer Adriaan Louw, een ouden man van over zeventig jaar, die in het algemeen zeer goed voor zijne slaven was geweest, hetgeen echter niet belette dat men hem allergruwelijkst mishandelde door hem bij de haren rond te slepen, met de kolf van een geweer te slaan, en hem meer dood dan levend te laten liggen op de plaats van den heer Hendrik van Niekerk.

„... dat men hem allergruwelijkst mishandelde...” (Blz. 213).„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).

„… dat men hem allergruwelijkst mishandelde …” (Blz. 213).

Ten laatste kwamen de twee troepen bij elkander in de buurt van Blauwberg vallei, en hierop brachten zij een bezoek aan nog eenige plaatsen, totdat zij bij die van Hendrik Prehn waren gekomen. Tegen dezen tijd hadden de boeren echter kennis gekregen van hetgeen aan den gang was, en bij den heer Prehn waren de opstandelingen aan het verkeerde kantoor, want toen zij daar hunne gewone streken wilden uithalen, werden zij door Prehn met een schot hagel begroet, die wel niemand hunner wondde, maar hun toch zoodanig den schrik op het lijf joeg, dat zij haastiglijk het hazenpad kozen, zonder in staat te zijn geweest om eenig kwaad te doen.

De tijding van hetgeen er in Zwartland gebeurde had tegen dezen tijd de Kaapstad bereikt, en de Gouverneur nam dadelijk stappen om aan dit grapje een einde te maken. Eenige sterke detachementen infanterie en kavalerie trokken dadelijk de Kaapstad[214]uit in de richting van Zwartland, en ontmoetten tot hunne niet geringe verbazing de slaven wier getal toen bijna 350 bedroeg, even aan den anderen kant van Zoutrivier, zijnde de opstandelingen werkelijk op weg om naar de Kaapstad te rukken, met het heilig voornemen deze stad te veroveren. Men kan zich echter begrijpen dat de slaven niet weinig verbaasd waren, toen zij zich tegenover de troepen bevonden. Hun moed, zoowel als die van hunne aanvoerders zonk hen in de schoenen, en zonder slag of stoot gaven zij zich gevangen. Louis en vier anderen ontsnapten echter, doch werden reeds den volgenden dag achterhaald, en naar de gevangenis vervoerd.

De Fiskaal ging nu een onderzoek in de zaak instellen, en dit nam hem natuurlijk vrij wat tijd, aangezien het aantal getuigen zeer groot was, en het van belang was, om uittevinden wie de hoofdmannen van de beweging waren geweest en wie er een werkdadig aandeel hadden genomen. Het bleek spoedig dat een groot deel der slaven werkelijk door de praatjes van Louis en anderen waren misleid, en inderdaad geloofden dat met het gevangen nemen van hunne meesters zij de bevelen van de autoriteiten uitvoerden. Tweehonderd en vier en veertig slaven werden dus niet verder gestraft dan met een geweldige schrobbeering van den Fiskaal, en daarop[215]ontslagen, met eene waarschuwing er bij dat als zij weer zoo lichtgeloovig waren, zij er zeker niet zoo gemakkelijk zouden afkomen, en daarop werden zij aan hunne vorige meesters overhandigd, die hen waarschijnlijk privaat hun gedrag op wat meer gevoelige wijze onder het oog brachten. Een en vijftig der oproerlingen echter werden door den Fiskaal in staat van beschuldiging gesteld, en voor het Hooge Gerechtshof gebracht, dat op den 7denDecember 1808 vonnis gaf. Louis, Hooper, Kelly, Abraham, Adonis, en nog elf anderen werden door het hof ter dood veroordeeld, een groot aantal der gevangenen tot vele jaren gevangenis straf gedoemd, terwijl weer anderen gevonnisd werden tot het bijwonen der executie der ter dood veroordeelden, daarna te worden gegeeseld en ten slotte aan hunne meesters te worden overhandigd. De Gouverneur, die deze vonnissen moest bekrachtigen, wijzigde eenige er van, met gevolg dat Louis, Hooper, Abraham, Cupido en Jephta werden gehangen, en de meesten der anderen tot dwangarbeid werden veroordeeld. Het vonnis over Kelly, en Adonis werd, voor zekere mij onbekende redenen geschorst, tot dat men advies omtrent hen had gekregen uit Engeland, en terwijl ik dit schrijf zitten zij in de gevangenis hun lot aftewachten.

Het is voor mij een merkwaardig feit, dat in het[216]geheele tijdperk der Hollandsche regeering aan de Kaap, er nooit een opstand onder de slaven was, en dat niettegenstaande er toch heel wat schorremorrie in het land kwam in den vorm van ontslagen soldaten en matrozen, vele waarvan zeer nauw met de kleurlingen verbonden waren, daar dat soort van volk zich niet ontzag om op hunne manier slaven meiden te trouwen. De slaven werden over het algemeen vrij goed door hunne meesters aan de Kaap behandeld, en hoewel ik wel bekend ben met bijna deze geheele volkplanting, herinner ik mij slechts zeer weinig gevallen van meesters die hunne slaven mishandelden, en zulke daden vonden dan ook algemeen afkeuring bij de bevolking. Natuurlijk liep men niet om elk bagatelletje naar den Landdrost, schoon dit een voorschrift van de regeering was; in de meeste gevallen gaf de baas, als zijn slaaf het verbruid had, hem zelf een degelijke loesching, en dit deed hun goed, maar daarmee was de zaak dan ook gewoonlijk afgeloopen. Maar nu wij nog maar een paar jaar onder Engelsch bestuur zijn, hebben wij reeds een opstand der slaven, en uit de zaak blijkt maar al te duidelijk, dat het denkbeeld er van ontstaan is bij een Engelschman, schoon hij, zoowel als de andere blanke,insgelijkseen Engelschman, geen moed hadden om het plan ten uitvoer te brengen.[217]De zaak op zich zelve is al leelijk genoeg, maar ik vrees dat ze nog andere leelijkere gevolgen zal hebben, want het zou mij volstrekt niet verwonderen, of men zal het voorbeeld van den heer Barrow volgen, en beweren, dat de opstand veroorzaakt werd, door het feit, dat de boeren hunne slaven zoo wreed behandelden, want sedert de heer Barrow zijn boek heeft doen verschijnen, is het in Engeland de gewoonte geworden om den Afrikaanschen Boer als een laag, wreed beest aantezien, wiens grootste plezier het is om menschen en dieren te mishandelen. Men leze maar eens de mooie verhalen, die gemelde heer doet omtrent de wijze waarop de boeren hunne ossen behandelen. ’t Is een diep treurig ding dat de Afrikaner aldus miskend en belasterd wordt bij het volk dat de heerschappij over hem voert, en men weet waarlijk niet waar deze veldtocht van leugens zal eindigen, en welke ongelukkige gevolgen zij voor dit land kunnen meeslepen.[218]


Back to IndexNext