[Inhoud]HOOFDSTUK XII.HOOFDSTUK XII.Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder menschondervindtop de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden, dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1stenJuli 1811 is een[219]geheel ander man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat betwijfelde hij wel[220]een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns harten om dit te kunnen doen.Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van Kaapstad.[221]Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den heer Van Eck af, groette, en zeide toen:„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden moest:„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou naam kom nie”.„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel geword. Jij is zeker ook al getrouwd?”„Neen, Oom,”zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik kan nog maar een beetje wacht.”„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud[222]voor mij om hier buiten te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die kaffers nog banja voor jullie?”Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging.„Maar ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” vervolgde hij.„Wat?”, vroeg Van Eck,„jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie plaats verkocht heeft?”„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm, maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck[223]woedend uit,„hullie is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie wereld.”„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij ons.”Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide:„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”[224]De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in 1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer[225]en dat hij zoowel als zijne familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te verslaan, dan[226]had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven, zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de wereld is gemaakt.Doch dit is slechts terloops gezegd.Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te vertellen als volgt:„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd gehad[227]wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe. Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die Langkloof.„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij doet nu net wat hij wil. Een[228]heele partij van die menschen wat aan die westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die Hottentot[229]soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit, dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip gekom, Oom,[230]wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van die klomp zendelings is.„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.”Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten verzonken; toen zeide hij:„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier[231]en morgen daar was. Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, „ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons natuurlijk niks begin nie.”„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, hetdieding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word.[232]Daar zal nog banja water in die zee moet loop,voor ons menschen leer, dat als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één man bij malkaar moet staan.”„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen heeltemaal die baas, en die zendelingen is opGraaff-Reinet, en bij Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi, omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en die Hottentot, zoo vertel die[233]zendeling, was alleen, en als die Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.”„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is, ondersteuning[234]had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die leer van die Satan dan die leer van Christus.”„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee werk, oom,” zeide Jan Botha weer,„onder die baar Kaffers is hullie net zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde christen is.”„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”. Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, als gouverneur hier, en dit is te hopen[235]dat hij die Kaffers zal rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die grenzen moet begin.”„D’is waar Oom,”zeide Jan Botha,„zooals die ding nou is, kan dit niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad uitvoer”.Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn wagens uitgespannen waren.Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen.[236]
[Inhoud]HOOFDSTUK XII.HOOFDSTUK XII.Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder menschondervindtop de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden, dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1stenJuli 1811 is een[219]geheel ander man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat betwijfelde hij wel[220]een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns harten om dit te kunnen doen.Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van Kaapstad.[221]Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den heer Van Eck af, groette, en zeide toen:„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden moest:„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou naam kom nie”.„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel geword. Jij is zeker ook al getrouwd?”„Neen, Oom,”zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik kan nog maar een beetje wacht.”„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud[222]voor mij om hier buiten te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die kaffers nog banja voor jullie?”Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging.„Maar ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” vervolgde hij.„Wat?”, vroeg Van Eck,„jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie plaats verkocht heeft?”„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm, maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck[223]woedend uit,„hullie is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie wereld.”„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij ons.”Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide:„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”[224]De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in 1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer[225]en dat hij zoowel als zijne familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te verslaan, dan[226]had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven, zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de wereld is gemaakt.Doch dit is slechts terloops gezegd.Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te vertellen als volgt:„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd gehad[227]wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe. Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die Langkloof.„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij doet nu net wat hij wil. Een[228]heele partij van die menschen wat aan die westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die Hottentot[229]soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit, dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip gekom, Oom,[230]wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van die klomp zendelings is.„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.”Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten verzonken; toen zeide hij:„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier[231]en morgen daar was. Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, „ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons natuurlijk niks begin nie.”„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, hetdieding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word.[232]Daar zal nog banja water in die zee moet loop,voor ons menschen leer, dat als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één man bij malkaar moet staan.”„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen heeltemaal die baas, en die zendelingen is opGraaff-Reinet, en bij Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi, omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en die Hottentot, zoo vertel die[233]zendeling, was alleen, en als die Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.”„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is, ondersteuning[234]had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die leer van die Satan dan die leer van Christus.”„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee werk, oom,” zeide Jan Botha weer,„onder die baar Kaffers is hullie net zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde christen is.”„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”. Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, als gouverneur hier, en dit is te hopen[235]dat hij die Kaffers zal rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die grenzen moet begin.”„D’is waar Oom,”zeide Jan Botha,„zooals die ding nou is, kan dit niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad uitvoer”.Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn wagens uitgespannen waren.Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen.[236]
HOOFDSTUK XII.HOOFDSTUK XII.Jan van Eck krijgt bezoek, en hoort heel wat nieuws.
HOOFDSTUK XII.
Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder menschondervindtop de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden, dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1stenJuli 1811 is een[219]geheel ander man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat betwijfelde hij wel[220]een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns harten om dit te kunnen doen.Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van Kaapstad.[221]Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den heer Van Eck af, groette, en zeide toen:„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden moest:„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou naam kom nie”.„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel geword. Jij is zeker ook al getrouwd?”„Neen, Oom,”zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik kan nog maar een beetje wacht.”„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud[222]voor mij om hier buiten te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die kaffers nog banja voor jullie?”Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging.„Maar ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” vervolgde hij.„Wat?”, vroeg Van Eck,„jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie plaats verkocht heeft?”„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm, maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck[223]woedend uit,„hullie is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie wereld.”„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij ons.”Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide:„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”[224]De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in 1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer[225]en dat hij zoowel als zijne familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te verslaan, dan[226]had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven, zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de wereld is gemaakt.Doch dit is slechts terloops gezegd.Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te vertellen als volgt:„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd gehad[227]wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe. Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die Langkloof.„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij doet nu net wat hij wil. Een[228]heele partij van die menschen wat aan die westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die Hottentot[229]soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit, dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip gekom, Oom,[230]wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van die klomp zendelings is.„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.”Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten verzonken; toen zeide hij:„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier[231]en morgen daar was. Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, „ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons natuurlijk niks begin nie.”„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, hetdieding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word.[232]Daar zal nog banja water in die zee moet loop,voor ons menschen leer, dat als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één man bij malkaar moet staan.”„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen heeltemaal die baas, en die zendelingen is opGraaff-Reinet, en bij Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi, omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en die Hottentot, zoo vertel die[233]zendeling, was alleen, en als die Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.”„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is, ondersteuning[234]had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die leer van die Satan dan die leer van Christus.”„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee werk, oom,” zeide Jan Botha weer,„onder die baar Kaffers is hullie net zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde christen is.”„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”. Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, als gouverneur hier, en dit is te hopen[235]dat hij die Kaffers zal rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die grenzen moet begin.”„D’is waar Oom,”zeide Jan Botha,„zooals die ding nou is, kan dit niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad uitvoer”.Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn wagens uitgespannen waren.Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen.[236]
Ouderdom komt met gebreken, is een waar woord, en ieder menschondervindtop de eene of andere manier deze waarheid, sommigen in meerderen, anderen in minderen graad. ’t Is negentien jaren geleden, dat wij voor het eerst kennis hebben gemaakt met Jan van Eck, en hij was toen blijkbaar nog een flinke man, die in alle geval sterk genoeg was om in het jaar 1795 de wapenen ter verdediging van zijn land op te nemen, en daarbij niet weinig driftig van aard was. Maar de Jan van Eck, dien wij gaan bezoeken op den 1stenJuli 1811 is een[219]geheel ander man, op wiens gezicht de tijd diepe sporen heeft gelaten, en niet de tijd alleen, maar ook diep zieleleed. Er zijn menschen die met het grootste gemak zich kunnen schikken in de veranderingen van het leven, en die zich door geen omstandigheden hoegenaamd uit hun gewonen levensaard laten leiden. Jan van Eck was zulk een man echter niet. Hij was bepaald wat men zou kunnen noemen „aantrekkelijk”; als er iets hem hinderde, kon hij dat niet gemakkelijk vergeten, en het was hem zeer moeielijk om zich zelfs in het onvermijdelijke te schikken. Nooit kon hij vergeten, dat hij thans in een land woonde, dat veroverd was door eene natie, welke hij haatte; nooit raakten de tijden van den Hollander uit zijn geheugen; hij wilde bij zich zelve niet erkennen dat er niets te doen was aan de bestaande positie; nog steeds hoopte hij dat er iets zou gebeuren, dat ten gevolge zou hebben, dat de Engelschman dit land zou moeten verlaten. Zoo gij hem gevraagd hadt, wat dat iets was, dan zou hij wellicht u geen voldoend antwoord hebben kunnen geven, maar zou gezegd hebben dat er in zijn hart een gevoel was, dat hem zeide dat er spoedig een dag zou komen, waarop de Engelschman de door hem gewonnen prooi zou moeten prijsgeven. Of hij die dag nog zou beleven, dat betwijfelde hij wel[220]een beetje maar toch was het een vurige hoop zijns harten om dit te kunnen doen.
Het was vrij laat in den middag, omtrent half vijf, toen Van Eck voor de deur van zijn huisje zat, op een gemakkelijke ouderwetsche leuningstoel, dat er wel wat naar een erfstuk uitzag, zoo had de tand des tijds er aan geknaagd; hier en daar kon men zien hoe met koperdraad en met riempjes de barsten in het hout waren hersteld, waarschijnlijk door Van Eck zelf; een der voorpooten van de stoel had oogenschijnlijk het ongeluk gehad om te breken, en was weer een weinig in orde gemaakt door een koper plaatje, dat er netjes aan bevestigd was. De zon was juist aan het ondergaan, en zooals meermalen het geval is in den winter op het Kaapsche schiereiland, werd het reeds dadelijk kil, en begon er een zware dauw te vallen. Van Eck wilde dan ook dadelijk aanstalten maken om naar binnen te gaan, want hij had van dezen winter de koude meer gevoeld dan hij ooit te voren had gedaan, en hij was dus voorzichtig, daar hij zeer goed wist dat een zware kou op zijn leeftijd geen grapje was. Juist was hij opgestaan en wilde hij den ouden jongen roepen om hem te zeggen de stoel naar binnen te brengen, toen een man eenigszins haastig op de hut kwam afstappen, van uit de richting van Kaapstad.[221]Het was iets buitengewoons dat onze oude vriend tegenwoordig bezoeken in den avond ontving, en hij was dus wel eenigszins verbaasd om dezen man direkt op hem te zien afkomen. Deze, een flink uitgegroeid jonkman van omtrent vier en twintig jaar stapte dan ook recht op den heer Van Eck af, groette, en zeide toen:
„Wel, Oom Jan, dit lijk amper of Oom mij niet meer ken”.
De oude keek den nieuwen aankomeling scherp aan, doch scheen zich zijn gelaat niet te binnen kunnen brengen, zoodat hij dan ook antwoorden moest:
„Jou gezicht kom mij bekend voor, neef, maar ik kan rechtig nie op jou naam kom nie”.
„Ik is Jan Botha, Teunis Botha zijn zeun, Oom”, hernam de jongeling.
„Mijn machtig, Jan,” riep Van Eck verbaasd uit, „wat kom jij hier maak? D’ is daarom nie een wonder nie, dat ik jou nie ken nie, want d’ is nou vijf jaar wat ik jou die laatste gezien het, en jij is een tamaai kerel geword. Jij is zeker ook al getrouwd?”
„Neen, Oom,”zeide Jan Botha lachend, „daar is op die oogenblik nog te veel werk op die plaats voor mij, om nou al om trouw te denk. Pa zeg ik kan nog maar een beetje wacht.”
„Kom binnen, kerel, kom binnen, dit is te koud[222]voor mij om hier buiten te staan, nou die zon onder is”, vervolgde van Eck, terwijl hij zijn bezoeker voorging, en toen men binnen was, dezen een stoel gaf.
„Vertel mij nou mooi al die nieuws uit jullie wereld, Jan. Hoe gaat dit met jou pa, en met jou ma? Hoe lijk die wereld bij jullie. Plaag die kaffers nog banja voor jullie?”
Jan Botha wist niet hoe om al die vragen op eens te beantwoorden, maar begon met te zeggen dat het nog vrij goed met zijne ouders ging.„Maar ons woon nou op die oogenblik nie meer nie op Keurfontein, Oom,” vervolgde hij.
„Wat?”, vroeg Van Eck,„jij wil toch nie zeg nie, dat jou pa die mooie plaats verkocht heeft?”
„Nee, pa het nog die plaats, maar ons was verplicht om die plaats te verlaat, want die Kaffers het vlak bij ons gaan woon, en hullie was zoo parmantig, en brutaal, dat pa niet meer kans het gezien om daar te blij nie. Ons het tweemaal aan die Landdrost gevraagd om ons te bescherm, maar hij het aan pa laat weet, dat hij niets kan doen nie, want die Gouvernement wil nie oorlog maak met die Kaffers nie, en zonder oorlog zou ons die Kaffers nie weg krij nie”.
„Die Engelschen is beduiveld, Jan”, riep Van Eck[223]woedend uit,„hullie is te vrot om die land te verdedig, en die arme boeren moet daaronder lij. Ik zeg ver jou, Jan, die ding zal nog verkeerd kom in jullie wereld.”
„D’ is wat pa ook zeg, Oom; ons zal nie rust hè, voor ons die Engelschman uit die land het uitgejaag. Dit lijk maar naar daar bij ons.”
Van Eck bleef een oogenblik het stilzwijgen bewaren, en bood aan Jan Botha zijn tabakzak aan waarop hij zeide:
„Toe nou, kerel vertel mij nu alles mooi, hoe dit gekom is, want ik is rechte nieuwsgierig om te hoor hoe het met mijn oude vrienden gaat. Zooals jij weet was ik groote vrienden met je pa, en toen die verflakste Engelschen hem hier bijna drie jaar op die kasteel het laat zit, het ik banja keer die ouwe gaan zien, en hem in zijn droefheid getroost, zoo goed ik kon. Kerel, dat was een blijde dag toen hullie die ou-baas los gelaat het. Maar arme Oom Adriaan het die Engelschen in die Kasteel vermoord, kan een mensch maar zeg. Die arme ou man kon die nattigheid, en die ongezonde onderaardsche kerkers niet staan, en hij is aan een kwaal overleden. Die Heere zal nog een dag die Engelschman voor die ding straf, al mag dit misschien honderd jaren duren.”[224]
De lezer zal waarschijnlijk wel begrijpen dat Van Eck hier doelde op de ongelukkigen die deel hadden genomen aan den opstand te Graaff-Reinet in 1799. Jans Botha’s vader, Teunis Botha, was een der voormannen geweest in dien opstand. Hij woonde toen op Keurfontein, een plaats niet ver van het tegenwoordige Port Elizabeth gelegen, en het was hij die een tijdje lang kommandant was van de Boeren die toen de Engelschen hadden moeten beletten om in Algoabaai te landen, doch dit mislukte omdat er geen eensgezindheid onder de opstandelingen was, en zij bovendien vreesden om door het leger van Generaal van de Leur, dat van uit den kant van Swellendam kwam, van Graaff-Reinet te worden afgesneden. Teunis Botha was toen gevonnisd geworden om op het schavot te worden ten toon gesteld, met een zwaard over zijn hoofd gezwaaid als teeken dat hij den dood had verdiend, en daarop uit de kolonie levenslang te worden verbannen. Het eerste gedeelte van het vonnis werd werkelijk uitgevoerd, maar hij werd niet uit de kolonie verbannen doch gevangen gehouden totdat hij met de anderen werd ontslagen, toen in 1803 de Hollanders weder in het bezit der kolonie werden gesteld. Het is nauwelijks noodig te zeggen dat deze gebeurtenis een diepen indruk had gemaakt op den Graaff-Reinetschen boer[225]en dat hij zoowel als zijne familie een diepen wrok in het hart koesterden tegen de Engelschen, en gedurig op wraak zonnen. Ook de jonge Jan had een geweldigen haat tegen de Engelschen, en de gedachte dat zijn vader jaren lang in de vunzige kerkers van het Kaapsche Kasteel had gelegen, maakte hem steeds de tanden knersen. Jan van Eck had vele jaren geleden kennis gemaakt met den ouden flinken boer uit Graaff-Reinet, en was vol bewondering geweest voor diens vaderlandsliefde, en zucht naar vrijheid, en door hem was hij bekend geraakt met den toestand van zaken in de Oostelijke distrikten, waar er toen reeds moeilijkheden met de Kaffers op handen waren. Teunis Botha, een man die de kleurlingen goed kende, had reeds toen gezegd, dat als men de grensboeren hun zin gaf, en ze toeliet om op hun eigen manier de Kaffers te bevechten, zij spoedig een einde zouden maken aan de tyrannie van het zwarte ras, en waarschijnlijk had hij daarin gelijk. Toch in die dagen was de Kaffer nog niet bekend met de uitwerking van de vuurwapens der Europeanen, en wist hij dat hij over geene andere wapens kon beschikken dan over zijn assegaai en zijn schild, zijn pijl en zijn boog. Waren de boeren toen den kleurling op flinke wijze te lijf gegaan, en waren zij er in geslaagd hem flink te verslaan, dan[226]had de Kaffer ongetwijfeld een groot respekt voor den blanke gekregen, en zou hij voor dezen op den duur pad hebben gegeven, zoodat de Europeaan dan in het bezit zou zijn gekomen van het prachtige land dat toen, en gedeeltelijk nu nog door de Kaffers was bewoond; want het lijdt geen twijfel of de Kaffer zou weder getrokken zijn naar de noordelijke streken waar hij oorspronkelijk van daan was gekomen. De geschiedenis van Zuid-Afrika zou dan geheel veranderd zijn geweest, en heel wat van het bloed dat in de vele kaffer oorlogen is gevloeid, zou dan gespaard zijn gebleven. Maar de ongelukkige politiek der Engelsche regeering die nooit heeft willen luisteren naar de mannen die bekend waren met den waren toestand van zaken, is de oorzaak geweest dat de dingen verkeerd liepen, en dat nog heden de inboorlingen kwestie de groote levenskwestie voor dit land is, en Zuid-Afrika nooit zal wezen wat het behoort te wezen, voor dat die kwestie, hoe dan ook, uit de wereld is gemaakt.
Doch dit is slechts terloops gezegd.
Jan Botha voldeed aan het verzoek van den ouden heer en begon te vertellen als volgt:
„Oom weet dat die Kaffers aan onze oostelijke grenzen voor hullie zelve die naam van Kosas geef. Hullie het jaren geleden een groot opperhoofd gehad[227]wat Raraba genaamd was, maar onder Raraba zijn kleinzoon is daar ruzie onder die Kaffers ontstaan. Hintsa wordt gerekend als die groot kapitein van die algemeene Kosa stam, maar hullie is verdeeld in een aantal kleinere stammen, en een van die voornaamste daarvan is die Gaikas, wat zoo genoemd wordt naar die opperhoofd Gaika. Een oom van Gaika, Niambe, of Slambi zooals ons hem noem, is begeerig om die hoofd van die Gaika stam te word en hij het een grooten aanhang, alhoewel dit schijnt dat die Engelschen Gaika erken als die hoofd van die stam. Nou is daar gedurig oorlog tusschen die volk van Gaika en die volk Niambe. Een ander kapitein wat ook grooten invloed het, is Cungwa, en hij is die lastigste van almaal. D’is hij wat over die Kei het getrek, en nou tusschen die wit menschen inwoon; hij is al glad zoover gekom als die Langkloof.
„In October 1809 het die Engelschen probeer om Cungwa uit die land te laat gaan; hullie het hem een stuk grond bij die Kaap aanpresenteer, maar hij wou dit niet neem. Cungwa het toen daarom beloof dat hij zal teruggaan over die Vischrivier, maar hij is in plaats daarvan naar die Zondagsrivier gegaan, en toen begon die lieve leventje. Hij het zijn kaffers links en rechts uitgestuur om te plunder en te rooven, en hij doet nu net wat hij wil. Een[228]heele partij van die menschen wat aan die westekant van die Vischrivier woon, is al verplicht gewees om hullie plaatsen op te geef, want die kaffers plunder en steel zoo vreeselijk dat dit glad nie meer veilig is, en als een mensch naar die gestolen goed wil zoek, is hullie zoo parmantig dat dit makkelijk leelijke dingen kan afgeef. Die Engelschen het daarenboven die ding glad voor ons menschen bederf. In die vroeger dagen het een boer als hij goed verloor het, zelf daarnaar loop zoek, en zelfs al was dit door die Kaffers gesteel, het hij dit dikwijls teruggekrijg, omdat ons menschen weet hoe om met die Kaffers te werk, en die Kaffers nog een beetje respekt voor die boeren het. Maar om een Engelschman geef hullie glad nie, zooals dit lijk; en die gouvernement is bang om een oorlog met die Kaffers te maak, en dit weet die zwarte duivels. Die gouvernement het nou een nieuwe regel gemaakt dat als een man vee verloor het, hij dit aan die veldkornet moet rapporteer, wat dit weer aan die landdrost rapporteer, en die laat dan naar die vee zoek. Maar Oom kan begrijp dat tegen die tijd wat die landdrost menschen uitstuur om die vee te gaan zoek, dan is die vee al zoover Kafferland in, dat daar glad nie kans is om dit terug te krijg. Daarenboven gebruik die gouvernement die Hottentot[229]soldaten om naar die vee te zoek, en dit lijk al te banja alsof die Hotnots kop in één muts is met die Kaffers, en op die manier krijg die arme boer nooit zijn vee terug. Als dit nog een beetje zoo aanhou, dan zal al ons menschen verplicht wees om die plaatsen in die Zuurveld en zelfs in die Zwartruggens te verlaat, en dan krijg die vervlakste Kaffers die mooiste stuk van die land, en moet ons boeren zie hoe hullie klaar kom. Die menschen word nou rechtig ontevree, want hullie reken d’is die gouvernement zijn schuld dat die ding zoo verkeerd loop, want als die regeering van die staanplek af, flinker was geweest, en ons menschen had opgeroep om een kommando op te maak, dan had ons die Kaffers gauw uit die wereld uitgejaag. Ons hoor, Oom, dat die Engelsche zendelingen wat nou onder die Kaffers werk die partij van die Kaffers neem. Hullie zeg dat die land eerst aan die Kaffers het behoor, en dat ons dit van hullie afgeneem het, en nou maak hullie uit, dat dit die plicht van die regeering is om die land aan die Kaffers terug te geef. Daar is een zendeling Read, Oom, een maat van die oû vuilnis, van der Kemp, wat net als een Hottentot leef, en zwart vrouwens het; die Read is een man wat die boeren vreeselijk haat, en die zwart volk tegen hullie opstook; en nou is daar een Dr. Philip gekom, Oom,[230]wat net zoo verrot is, en dit lijk alsof hij die baas van die klomp zendelings is.
„Die gouvernement is bang voor die zendelings, zooals dit lijk, want als een zendeling hem eenmaal met een ding het bemoei, is daar nie meer kans voor die boer om recht te krijg, en die landdrosten is nou zoo partijdig voor die volk dat een mensch net voor niks bij hullie gaat klaag nie. Die menschen word rechte onstuimig, en daar is partij wat grof begin te praat. Pa zeg, dat als die Engelschman nie ophou, daar leelijke dingen op die grenzen zal gebeur.”
Jan van Eck had dit vrij lange verhaal zwijgend aangehoord, maar men kon het hem aanzien dat hij niet een beetje kwaad was. Toen Jan Botha klaar was, bleef de oude man nog een tijdje lang in gedachten verzonken; toen zeide hij:
„Jan, jullie kerels op die oostelijke grenzen is toch zeker fluks genoeg om die Engelschen daaruit te jaag. Of als jullie dit niet wil doen nie, waarom maak jullie dan nie zelf een kommando van jullie menschen op om die kaffers uit die Zuurveld te jaag. Die land is jullie zijne, en in die oude dagen was daar glad nooit kaffers. Daar het, geloof ik, in die oude dagen een Hottentot stam daar gewoon, maar hullie was rondzwervende volk, wat van daag hier[231]en morgen daar was. Ons het die land in bezit geneem in die dagen van die Compagnie en die Engelschen is gek als hullie denk dat hullie jullie daaruit kan jaag”.
„Tegen die Engelschen kan ons niks nie maak nie, Oom,” zeide Jan Botha, „ons menschen is te ongelijk; partij van hullie is aan die Engelsche kant omdat hullie geld uit die Engelschen maak en daar is nog al van ons voormannen, zooals kommandant Jan Nel, wat altijd preek dat ons maar geduldig moet wees, en gehoorzaam aan die regeering. En tegen die Kaffers kan ons ook niks begin nie, want die gouvernement zal ons nie kruit en lood geef om op kommando te gaan, en zonder ammunitie kan ons natuurlijk niks begin nie.”
„Ja, Jan, dit is een ongelukkige ding dat ons Afrikaners zoo ongelijk is; in 1799 met die opstand van Adriaan van Jaarsveld en jou pa, was dit net zoo die geval; als die menschen in Graaff-Reinet en Swellendam toen almaal gelijk getrek het, dan was die ding glad anders gekom. Maar die één het dit gewil, en die ander dat; die één wou nie onder die orders van die ander staan, en omdat ieder net zijn eigen kop het gevolg en zijn eigen belang getrek het voor die belang van die land, hetdieding verkeerd geloop, en kon daar niks nie gedaan word.[232]Daar zal nog banja water in die zee moet loop,voor ons menschen leer, dat als ons iets groots wil tot stand breng, ons saam moet werk, en als één man bij malkaar moet staan.”
„D’is zeker waar, oom,” vervolgde Jan Botha, „maar dit zal nog lang neem voor ons zoover is. Op die oogenblik speel die Engelschen heeltemaal die baas, en die zendelingen is opGraaff-Reinet, en bij Bethelsdorp vreeselijk in die weer. Ik hoor dat hullie bezig is om een heele lijst van beschuldigingen intebreng tegen een spul van onze menschen wat hullie beschuldig van hun volk slecht te behandel. Die boeren, zeg hullie, is die wreedste natie op die wereld, en as een mensch die gekke praatjes hoor wat hullie vertel, kan een mensch amper lach. Verleden maand vertel een man uit Swellendam mij, dat hij van een van die zendelingen gehoord het, dat daar boeren vrouwens is, wat hullie meiden straf door hullie kokende water over die kop te gooi, en dat een vrouw zelfs een kaffer in een pot kokend water het laat gooi, omdat hij niet wou doen wat zij ver hem gezegd had. Ook dat een van onze voornaamste boeren een Hottentot zoolang met een sjambok het geslaan dat hij er dood van bleef, en toen het hij hem stilletjes begrave, omdat hij bang was dat die menschen dit zou uitvind. Hij en die Hottentot, zoo vertel die[233]zendeling, was alleen, en als die Hottentot dan dood en begraven is, dan wil ik wel weet wie die storie onder die menschen vertel het, of die boer moet dit zelf gedaan het.”
„Dit bewijs wat een leugen dit is”, zeide van Eck lachend, „want als die boer dan zoo bang was dat die menschen dit zou uitvind, dan zal hij dit toch nie zelvers gaan vertel nie. Maar, jong, die goed lieg zoo, dat hullie dit zelf geloof. Die waarheid is, dat die zendelings staties niks anders is nie, dan een legplek voor al die niksnutsige volk, wat van hullie bazen weggeloop het of niet wil werk nie, en dit banja lekkerder vind om op die statie te leg, en die boer zijn vee te steel. Hullie gaat iederen dag naar die kerk toe, en om in die gunst van die zendelings te geraak, vertel hullie die arme onnoozele Engelschen allerlei leugens, en die zendelings is zoo dom dat hullie dit alles geloof, of anders is hullie zoo laag, dat al geloof hullie dit nie, hullie toch te blij is om zoo iets te hoor, want dan het hullie alweer een wapen tegen die boeren, wat hullie zoo haat. Ik het indertijd gezegd dat dit een fout was van generaal Janssens om die zendelings zoo te bescherm, en aan van der Kemp en Read die plek bij Bethelsdorp te geef. Als die regeering die Moravische broeders, wat in Genadendal is, ondersteuning[234]had gegeven, zou dit veel beter zijn geweest, want hullie leer die volk om behoorlijk te werk en stook hullie nie op nie tegen hullie bazen zooals die andere zendelings doet. Maar die zendelings van die Londensche genootschap is een ware pest voor die land, en die zoogenaamde christelijkheid wat hullie die Hotnots leer, is eerder die leer van die Satan dan die leer van Christus.”
„D’is nie alleen met die hotnots wat die zendelings in Bethelsdorp mee werk, oom,” zeide Jan Botha weer,„onder die baar Kaffers is hullie net zoo bezig. Daar is Tshatsu, een van die kapiteins wat ons menschen net banja lastig val in die Zuurveld, met hem is hullie ook al bezig geweest, en nou is zijn oudste zeun dan kamma in die school te Bethelsdorp, en hullie zeg dat die arme bare kaffer nou een bekeerde christen is.”
„Ja,” hernam Van Eck lachend, „die soort van stories hoor een man meer van zendelings, maar ongelukkig wijs die bekeerlingen dit nie altijd in hullie daden. Van een kaffer in zulk een geval geldt die oude spreekwoord, „Een vos verander wel van haren, maar niet van streken”. Maar misschien zal dingen nou beter word. Graaf Caledon is naar Engeland terug gegaan, en ons krijg nou een generaal Sir John Cradock, als gouverneur hier, en dit is te hopen[235]dat hij die Kaffers zal rechtmaak, want anders weet ik rechtig niet wat die menschen op die grenzen moet begin.”
„D’is waar Oom,”zeide Jan Botha,„zooals die ding nou is, kan dit niemeer blijf nie, en anders zal ons menschen verplicht wees om uit die kolonie tetrek, en naar die binnenland te gaan, waar ons bevrijd zal wees van die vloek der Engelsche regeering. Maar ik het lang, glad telang, hier zit en praat, en mijn volk is alleen bij die wagen. D’is ouwe volk van ons, maar een mensch kan een Hotnot nooit heeltemaal vertrouw nie, en hullie kan misschien allerlei soort van kattekwaad uitvoer”.
Met deze woorden stond Jan Botha op, groette den heer Van Eck minzaam, en schoon deze hem uitnoodigde om het avondeten bij hem te gebruiken, weigerde Jan dit, en stapte in de richting van Papendorp, waar zijn wagens uitgespannen waren.
Jan van Eck bleef nog een tijd lang in gedachten verzonken zitten, toen stond hij op en riep zijn oude jongen om het avondeten gereed temaken. Een half uur later was hij, naar gewoonte bezig om zijn dagboek in te vullen, altijd zijn laatste werk vóór hij ging slapen.[236]