VIERDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Niet zonder reden jaloersch.’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed,bingoengvan al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.[38]Zij had er pleizier van en lachte hem uit.In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter destores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens deplat du jourgeweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en niet omkalongste schieten, maar Arabieren.[39]Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch op haar was, kon ernietmeê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.….De controleur zei ’t hem ronduit.„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de huishoudster.[40]Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven. Ga maar heen.”„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld te verdienen.”„Misschien later.… nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt.…”„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”Hij knikte maar, om van den vent af te komen;[41]de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie inniger had kunnen zijn.Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie metnjai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.Nuwildezij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans[42]eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”„Het is niet noodig.”„Zijn ze dan terug?”„Nog niet; ik heb eensoeroeangehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.Doch het hielp niet.In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent”à fairehad genomen.[43]En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, diekasianmet hem had, en ook zoo’n arabieren-fresserwas, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.De moeder nam eenrotanen sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en zij hunadoesuitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het opnieuw met derotan; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen dreigend.[44]Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun wilde doen.„O.… Meier.… pardon.… Ik had je niet gezien.”[45]

[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Niet zonder reden jaloersch.’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed,bingoengvan al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.[38]Zij had er pleizier van en lachte hem uit.In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter destores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens deplat du jourgeweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en niet omkalongste schieten, maar Arabieren.[39]Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch op haar was, kon ernietmeê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.….De controleur zei ’t hem ronduit.„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de huishoudster.[40]Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven. Ga maar heen.”„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld te verdienen.”„Misschien later.… nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt.…”„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”Hij knikte maar, om van den vent af te komen;[41]de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie inniger had kunnen zijn.Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie metnjai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.Nuwildezij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans[42]eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”„Het is niet noodig.”„Zijn ze dan terug?”„Nog niet; ik heb eensoeroeangehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.Doch het hielp niet.In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent”à fairehad genomen.[43]En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, diekasianmet hem had, en ook zoo’n arabieren-fresserwas, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.De moeder nam eenrotanen sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en zij hunadoesuitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het opnieuw met derotan; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen dreigend.[44]Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun wilde doen.„O.… Meier.… pardon.… Ik had je niet gezien.”[45]

[Inhoud]VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Niet zonder reden jaloersch.’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed,bingoengvan al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.[38]Zij had er pleizier van en lachte hem uit.In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter destores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens deplat du jourgeweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en niet omkalongste schieten, maar Arabieren.[39]Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch op haar was, kon ernietmeê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.….De controleur zei ’t hem ronduit.„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de huishoudster.[40]Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven. Ga maar heen.”„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld te verdienen.”„Misschien later.… nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt.…”„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”Hij knikte maar, om van den vent af te komen;[41]de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie inniger had kunnen zijn.Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie metnjai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.Nuwildezij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans[42]eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”„Het is niet noodig.”„Zijn ze dan terug?”„Nog niet; ik heb eensoeroeangehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.Doch het hielp niet.In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent”à fairehad genomen.[43]En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, diekasianmet hem had, en ook zoo’n arabieren-fresserwas, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.De moeder nam eenrotanen sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en zij hunadoesuitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het opnieuw met derotan; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen dreigend.[44]Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun wilde doen.„O.… Meier.… pardon.… Ik had je niet gezien.”[45]

VIERDE HOOFDSTUK.VIERDE HOOFDSTUK.Niet zonder reden jaloersch.

VIERDE HOOFDSTUK.

’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed,bingoengvan al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.[38]Zij had er pleizier van en lachte hem uit.In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter destores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens deplat du jourgeweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en niet omkalongste schieten, maar Arabieren.[39]Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch op haar was, kon ernietmeê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.….De controleur zei ’t hem ronduit.„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de huishoudster.[40]Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven. Ga maar heen.”„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld te verdienen.”„Misschien later.… nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt.…”„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”Hij knikte maar, om van den vent af te komen;[41]de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie inniger had kunnen zijn.Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie metnjai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.Nuwildezij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans[42]eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”„Het is niet noodig.”„Zijn ze dan terug?”„Nog niet; ik heb eensoeroeangehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.Doch het hielp niet.In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent”à fairehad genomen.[43]En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, diekasianmet hem had, en ook zoo’n arabieren-fresserwas, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.De moeder nam eenrotanen sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en zij hunadoesuitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het opnieuw met derotan; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen dreigend.[44]Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun wilde doen.„O.… Meier.… pardon.… Ik had je niet gezien.”[45]

’t Werd avond en de weggeloopen jongens kwamen niet terug. Naar alle kanten werden inlanders uitgezonden om hen te zoeken, doch allen keerden onverrichterzake terug. John Silver leefde nu werkelijk in doodelijken angst; hij wist niet meer wat hij deed,bingoengvan al wat hem in ’t laatste etmaal overkwam; hij lette nergens op, geheel zijn kleine gedachten geconcentreerd op die beroerde jongens, die „weg” waren: het trof hem niet, dat zijn huishoudster geen woord meer zei en in haar kamer bleef, gemoedelijk, als ging haar ’t geval niet aan.[38]

Zij had er pleizier van en lachte hem uit.

In den loop van den dag had ze bezoek gehad van een neef, die tien palen het binnenland in woonde; hij had den afstand te paard gedaan; de jongens waren bij hem aan huis, bij zijn vader, haar oom. Zij had hem verboden iets ervan aan de bedienden of wie ook te zeggen, en hem met een cadeautje en eenig geld gauw weggestuurd. Nu genoot ze van haar doen; nu lachte ze John Silver uit in stilte, en verkneuterde zich achter destores, toen ze hem in zijn tentwagentje zag wegrijden om de hulp in te roepen van den controleur.

Die werd hem niet onthouden, maar de ontvangst was onvriendelijk. Het „ongeluk” bij Silver aan huis was des morgens deplat du jourgeweest; iedereen had erover gepraat, tot men door de bedienden uit te hooren, achter de geheele waarheid kwam; niet uit jachtlust maar uit jaloerschheid had hij met een geladen geweer op de loer gelegen, en niet omkalongste schieten, maar Arabieren.[39]

Het was schandelijk,—zóó luidde de algemeene opinie.

Dat iemand er een huishoudster op nahield, kon er nog door, maar dat hij jaloersch op haar was, kon ernietmeê door; en dan zóó erg, dat er moord en doodslag uit kon voortkomen, zelfs reeds een onschuldig kind als slachtoffer was gevallen.….

De controleur zei ’t hem ronduit.

„Ik zal uw kinderen laten zoeken,” was het ten slotte, „maar ik zal ook op u het oog laten houden. En bij ’t minste dat er gebeurt, zal ik genoodzaakt zijn strenge maatregelen te nemen.”

Wezenloos zat Silver onder het naar huis rijden te kijken, langs den schouder van den koetsier; hij lette niet op den weg; hij merkte niet dat hij alweer thuis was vóór het rijtuig stilhield. Maar bij het uitstappen schrikte hij hevig en werd krijtwit. Daar stond de „smeerlap” weer in het galerijtje langs de bijgebouwen te praten met de huishoudster.[40]

Driftig liep Silver er naar toe, den wandelstok omkneld.

De groote arabier zag hem aan met rustigen glimlach en groette deftig buigend, de doos toonend, die hij in de hand hield.

„De njonja kan ze niet voor mij verkoopen,” zei hij.

„Ik wil niet hebben, dat er hier buiten mijn tegenwoordigheid handel wordt gedreven. Ga maar heen.”

„Kunnen wij geen zaken doen. Waarom zouden mijnheer en ik twisten. Het is beter geld te verdienen.”

„Misschien later.… nu niet. Ga nu weg, zeg ik, en gauw ook.”

Silver raakte buiten zichzelven; maar ineens schoten hem de woorden te binnen van den controleur: „bij ’t minste dat er gebeurt.…”

„Zal ik dan eens terugkomen? Over een paar dagen? over een week?”

Hij knikte maar, om van den vent af te komen;[41]de arabier groette, even rustig en beleefd als toen hij gekomen was, Silver, diens huishoudster ook met een kalmen blik vlak in haar oogen; zij deed hetzelfde, en ze hadden daarmee een hartelijk afscheid van elkaar genomen, dat door geen demonstratie inniger had kunnen zijn.

Want het was veel erger, dan de jaloezie van Silver het zich voorstelde; werkelijk had die groote, breede arabier een relatie metnjai Peraq, en die dateerde al van maanden; hij reisde de streek af met dure handelswaren, en was slechts nu en dan op de plaats; dan kwam ze bij hem in z’n tokootje, en niemand had ooit iets daarin gezien, want iedereen wist dat zij handel dreef. Het zou alles zijn geweest en gebleven, alsof er niets bijzonders aan was, als hij dien ochtend niet bij haar was gekomen en John Silver hem bij het weggaan niet had gesnapt.

Nuwildezij zich niet meer geneeren; zij voelde zich heel anders dan vroeger, veel meer „baas” in huis en tegenover John; dien had ze thans[42]eronder, dat wist en wilde zij; het mes was het middel.

„Ik ben bij den controleur geweest,” zei hij, toen de arabier het erf af was, „hij zal die rakkers laten zoeken.”

„Het is niet noodig.”

„Zijn ze dan terug?”

„Nog niet; ik heb eensoeroeangehad van mijn oom; daar zijn ze en ze kunnen er wel blijven tot morgen.”

Het was een pak van zijn hart; haastig ging hij naar boven en schreef een briefje aan den controleur, die hem zoo’n standje had gemaakt; een beleefd briefje tot onderdanigheid toe; een kniebuiging op ’t papier.

Doch het hielp niet.

In de societeit aan de kletstafel kwam het nog eens tot in alle bijzonderheden ter sprake! De controleur vertelde met ophef, met zijn rijzweep op de tafel slaande, hoe hij dien „vent”à fairehad genomen.[43]

En men was het algemeen dáárover eens: hij kon niet langer president blijven. ’t Was al te gek, vooral tegenover de dames. Er moest iets op gevonden worden om hem eruit te krijgen; zoo mogelijk goedschiks, en anders met kracht van algemeene stemmen.

’t „Goedschiksche” was, dat de postcommies, diekasianmet hem had, en ook zoo’n arabieren-fresserwas, Silver zou bewerken om z’n ontslag te nemen.

Toen hij hem opzocht, waren juist de weggeloopen jongens terug.

De moeder nam eenrotanen sloeg maar raak; daarop hadden de jongens vooraf gerekend; na de eerste klappen zwegen ze, tot het te erg werd en zij hunadoesuitbrulden; dan hield zij even op en scheen het uit te zijn; maar ineens begon het opnieuw met derotan; zóó ging het voort alsof ze telkens uitrusten moest. En Silver stond er maar bij, vloekend en scheldend op de delinquenten, met de vreeselijkste straffen en kwellingen dreigend.[44]Hij zou hun een arm uit het lijf draaien, hij zou hun de beenen kapot slaan. En dat was nog het minste van wat hij hun wilde doen.

„O.… Meier.… pardon.… Ik had je niet gezien.”

[45]


Back to IndexNext