VIJFDE HOOFDSTUK.

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.VIJFDE HOOFDSTUK.De in ongenade gevallen president.Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; denjaiging in haar kamer en bergde derotanop; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog had toegekeken bij de strafoefening.„Ik had je even alleen willen spreken.”„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging Silver voort:[46]„Een sigaar?… Niet … ’n sigaret dan … iets gebruiken? ’n glas bier?… ’n brandy soda?…”Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.„Er is over dieperkaraveel gesproken.”„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten,hiermeneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren … wat? één uur?… twee en een half uur;soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat hetkalongswaren?”„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”[47]Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep hem immers. Hij deed het.„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor eenfait accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had hij, zeerad rem, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.[48]„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken … Nou hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ikneemhet; vandaag nog.”Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug ondertotoksdikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige socialeraison d’être. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van Hadramaut!Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.Het was als een openbare aankondiging van zijn val.Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit kwam hij[49]niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als begrensd door de pagger van zijn tuin.De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, diennjai Peraqtegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch[50]spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem vannjai Peraq, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.[51]

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.VIJFDE HOOFDSTUK.De in ongenade gevallen president.Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; denjaiging in haar kamer en bergde derotanop; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog had toegekeken bij de strafoefening.„Ik had je even alleen willen spreken.”„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging Silver voort:[46]„Een sigaar?… Niet … ’n sigaret dan … iets gebruiken? ’n glas bier?… ’n brandy soda?…”Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.„Er is over dieperkaraveel gesproken.”„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten,hiermeneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren … wat? één uur?… twee en een half uur;soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat hetkalongswaren?”„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”[47]Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep hem immers. Hij deed het.„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor eenfait accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had hij, zeerad rem, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.[48]„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken … Nou hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ikneemhet; vandaag nog.”Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug ondertotoksdikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige socialeraison d’être. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van Hadramaut!Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.Het was als een openbare aankondiging van zijn val.Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit kwam hij[49]niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als begrensd door de pagger van zijn tuin.De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, diennjai Peraqtegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch[50]spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem vannjai Peraq, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.[51]

[Inhoud]VIJFDE HOOFDSTUK.VIJFDE HOOFDSTUK.De in ongenade gevallen president.Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; denjaiging in haar kamer en bergde derotanop; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog had toegekeken bij de strafoefening.„Ik had je even alleen willen spreken.”„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging Silver voort:[46]„Een sigaar?… Niet … ’n sigaret dan … iets gebruiken? ’n glas bier?… ’n brandy soda?…”Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.„Er is over dieperkaraveel gesproken.”„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten,hiermeneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren … wat? één uur?… twee en een half uur;soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat hetkalongswaren?”„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”[47]Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep hem immers. Hij deed het.„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor eenfait accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had hij, zeerad rem, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.[48]„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken … Nou hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ikneemhet; vandaag nog.”Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug ondertotoksdikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige socialeraison d’être. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van Hadramaut!Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.Het was als een openbare aankondiging van zijn val.Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit kwam hij[49]niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als begrensd door de pagger van zijn tuin.De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, diennjai Peraqtegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch[50]spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem vannjai Peraq, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.[51]

VIJFDE HOOFDSTUK.VIJFDE HOOFDSTUK.De in ongenade gevallen president.

VIJFDE HOOFDSTUK.

Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; denjaiging in haar kamer en bergde derotanop; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog had toegekeken bij de strafoefening.„Ik had je even alleen willen spreken.”„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging Silver voort:[46]„Een sigaar?… Niet … ’n sigaret dan … iets gebruiken? ’n glas bier?… ’n brandy soda?…”Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.„Er is over dieperkaraveel gesproken.”„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten,hiermeneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren … wat? één uur?… twee en een half uur;soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat hetkalongswaren?”„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”[47]Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep hem immers. Hij deed het.„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor eenfait accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had hij, zeerad rem, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.[48]„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken … Nou hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ikneemhet; vandaag nog.”Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug ondertotoksdikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige socialeraison d’être. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van Hadramaut!Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.Het was als een openbare aankondiging van zijn val.Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit kwam hij[49]niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als begrensd door de pagger van zijn tuin.De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, diennjai Peraqtegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch[50]spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem vannjai Peraq, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.[51]

Silver was erg verlegen toen hij den postcommies zag, wiens binnenkomen ze door het rumoer met de kinderen niet hadden gehoord; denjaiging in haar kamer en bergde derotanop; de jongens veegden met de baadjesmouwen hun behuilde gezichten af, daarna nieuwsgierig kijkend naar het gewonde zusje, dat, een verband om het gezicht, met haar ééne oog had toegekeken bij de strafoefening.

„Ik had je even alleen willen spreken.”

„Uitstekend. Kom binnen,” en toen de bezoeker in de voorgalerij was gaan zitten, ging Silver voort:[46]„Een sigaar?… Niet … ’n sigaret dan … iets gebruiken? ’n glas bier?… ’n brandy soda?…”

Maar Meier wou niet rooken en niet drinken. John had wel dadelijk aan z’n gezicht gezien, dat het weer iets beroerds gold, en hij zuchtte diep, toen zijn offerten niet werden aangenomen.

„Er is over dieperkaraveel gesproken.”

„Ja, veel te veel! Mijn God, kan ik het helpen? Ik ga hier zitten,hiermeneer!” riep Silver op de leuning van z’n stoel slaande, alsof dit nu juist zoo’n merkwaardige bijzonderheid was. „Nou, zie je,—ik val in slaap, natuurlijk! Als je een uur zit te loeren … wat? één uur?… twee en een half uur;soengoe mati, ’t was half drie. Wa-blief?”

John stak zijn kop vooruit tot vlak bij ’t gezicht van den postcommies, uitdagend, als wilde hij hem een bijzondere goedkeuring afdwingen.

„Het is ’n heele tijd. Maar weet je wel zeker, dat hetkalongswaren?”

„Ik heb er geen onder schot kunnen krijgen; de rakkers vreten mijn djamboes op.”[47]

Meier keek eens rond; op ’t voorerf was geen djamboe te zien.

„Men zegt, dat je op ander wild loerde.”

John bedacht zich even. Het was beter, dat hij ’t Meier maar ronduit zei; die begreep hem immers. Hij deed het.

„’t Spijt me voor jou, Silver; ik kan er wel in komen, maar de anderen niet; zij vinden het schandalig, en ze willen je niet meer hebben als president; je moet eruit; het beste is, dat je je ontslag neemt, dan hou je de eer aan je zelven.”

John voelde het diep; ’t was de grootste wond hem ooit geslagen: die zijner ijdelheid toegebracht. Hij wilde eerst protesteeren en praatjes maken, maar Meier zei, dat men stond zoo goed als voor eenfait accompli, en ofschoon hij de woorden niet verstond, hij kende er de beteekenis van; zelf had hij, zeerad rem, als president wel eens gesproken van zoo’n verschrikkelijke „vette compli.”

Ineens viel hij, zenuwachtig, in een anderen toon.[48]

„God, zie je, ’t is mij onverschillig. Ze motten niet denken … Nou hoor, dank je! Niet of graag, zeg! Wel zeker! Ik vraag mijn ontslag niet; ikneemhet; vandaag nog.”

Maar toen Meier, tevreden over ’t resultaat, weg was, en John voor zijn lessenaar ging zitten om den fameusen brief te schrijven, toen stond ’t huilen hem nader dan het lachen. Dat presidentschap, waarover achter zijn rug ondertotoksdikwijls werd gelachen, was voor hem een zaak van ’t grootste gewicht; zijn eenige socialeraison d’être. En daarvan moest hij nu afstand doen, alleen ter wille van zoo’n smerigen hond van Hadramaut!

Hij kon niet schrijven; hij stond op, razend en tierend bij zichzelven en weer moorddadige plannen met het geweer koesterend, tot hij, uitgeraasd, den noodlottigen brief verzond.

Het was als een openbare aankondiging van zijn val.

Van dien dag scheen hij geschrapt te zijn uit de lijst der ingezetenen. In de societeit kwam hij[49]niet meer, en bezoeken kreeg en ontving hij niet. En naarmate hij van zijn Europeesche mede-ingezetenen vervreemdde, trok hij zich meer in zijn huis terug, het leven als begrensd door de pagger van zijn tuin.

De gewone mutaties hadden na korten tijd een geheele verandering gebracht; de controleur, de luitenant, de postcommies en meer anderen waren overgeplaatst en vervangen; niemand wist ten slotte precies meer, wat vroeger met John Silver was gebeurd, maar iedereen had nog zoo den indruk, dat hij ’n gemeene kerel wezen moest.

Hijzelf had zich met veel verzoend; de arabier kwam nu dikwijls bij hem en hij participeerde in diens handel, al kon hij soms nog opstuiven bij het idee, dat hij bedrogen werd; maar dan was de groote mond, diennjai Peraqtegen hem opzette, voldoende om hem tot bedaren te krijgen. Na, wat hij zijn „val” noemde, zat hij onder de pantoffel zijner huishoudster.

En hij gewende eraan. Nu het vierde kind toch[50]spoedig volgen zou, had hij zijn huishoudster een assistente toegevoegd, een goed uitziend inlandsch meisje. Alle partijen hadden zich zoodoende geschikt, en al kon hij ook buien krijgen van zwaarmoedigheid en zenuwachtig worden,—het ging gauw over. Als hij het dochtertje zag met het stuk geschoten oog, of hij hoorde de stem vannjai Peraq, die nu altijd brutaal en bevelend door het huis klonk, zonk zijn stemming terug.

[51]


Back to IndexNext