[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Men kan geen priester en koopman zijn.Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van zijn compagnon ’s avondsobatte nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn hart uit voor denpenghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:[356]„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen denkoran. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde, ging hij voort:„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene …”En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet groeien.”„Als ik wist hoe ik doen moest.… Het is[357]zoo moeilijk.… Hij houdt onze boeken.… Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.„Er zijn,” ging depenghoeloevoort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, debamboeen deatapook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal wel willen.”[358]Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met denpenghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in denkoran.„Nog iets moet ik u zeggen,” zei depenghoeloebij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”Aboe Bakar schrikte.„Voor Dailah?”„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had[359]haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en te doorzien.Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat het gaan zal.”„Waarom niet?”„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is[360]het wat anders; voor mij is hetnietbeter een compagnon te hebben op die manier.”„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig altijd over denkoranen ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen …”„Soerah XXXIX …” begon Aboe Bakar onwillekeurig.„Het kan me niet schelen; ik weet van geen[361]soerah,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en koopman kan zijn tegelijk; men doet dantoean Allahte kort of zijn deelgenoot.… Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen: depenghoeloehad het mogelijk gevonden, endiekon het in zulke dingen toch niet mis hebben.„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet anders.”[362]
[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Men kan geen priester en koopman zijn.Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van zijn compagnon ’s avondsobatte nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn hart uit voor denpenghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:[356]„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen denkoran. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde, ging hij voort:„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene …”En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet groeien.”„Als ik wist hoe ik doen moest.… Het is[357]zoo moeilijk.… Hij houdt onze boeken.… Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.„Er zijn,” ging depenghoeloevoort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, debamboeen deatapook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal wel willen.”[358]Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met denpenghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in denkoran.„Nog iets moet ik u zeggen,” zei depenghoeloebij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”Aboe Bakar schrikte.„Voor Dailah?”„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had[359]haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en te doorzien.Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat het gaan zal.”„Waarom niet?”„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is[360]het wat anders; voor mij is hetnietbeter een compagnon te hebben op die manier.”„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig altijd over denkoranen ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen …”„Soerah XXXIX …” begon Aboe Bakar onwillekeurig.„Het kan me niet schelen; ik weet van geen[361]soerah,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en koopman kan zijn tegelijk; men doet dantoean Allahte kort of zijn deelgenoot.… Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen: depenghoeloehad het mogelijk gevonden, endiekon het in zulke dingen toch niet mis hebben.„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet anders.”[362]
[Inhoud]VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Men kan geen priester en koopman zijn.Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van zijn compagnon ’s avondsobatte nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn hart uit voor denpenghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:[356]„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen denkoran. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde, ging hij voort:„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene …”En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet groeien.”„Als ik wist hoe ik doen moest.… Het is[357]zoo moeilijk.… Hij houdt onze boeken.… Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.„Er zijn,” ging depenghoeloevoort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, debamboeen deatapook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal wel willen.”[358]Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met denpenghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in denkoran.„Nog iets moet ik u zeggen,” zei depenghoeloebij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”Aboe Bakar schrikte.„Voor Dailah?”„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had[359]haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en te doorzien.Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat het gaan zal.”„Waarom niet?”„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is[360]het wat anders; voor mij is hetnietbeter een compagnon te hebben op die manier.”„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig altijd over denkoranen ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen …”„Soerah XXXIX …” begon Aboe Bakar onwillekeurig.„Het kan me niet schelen; ik weet van geen[361]soerah,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en koopman kan zijn tegelijk; men doet dantoean Allahte kort of zijn deelgenoot.… Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen: depenghoeloehad het mogelijk gevonden, endiekon het in zulke dingen toch niet mis hebben.„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet anders.”[362]
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.VIJFTIENDE HOOFDSTUK.Men kan geen priester en koopman zijn.
VIJFTIENDE HOOFDSTUK.
Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van zijn compagnon ’s avondsobatte nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn hart uit voor denpenghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:[356]„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen denkoran. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde, ging hij voort:„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene …”En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet groeien.”„Als ik wist hoe ik doen moest.… Het is[357]zoo moeilijk.… Hij houdt onze boeken.… Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.„Er zijn,” ging depenghoeloevoort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, debamboeen deatapook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal wel willen.”[358]Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met denpenghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in denkoran.„Nog iets moet ik u zeggen,” zei depenghoeloebij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”Aboe Bakar schrikte.„Voor Dailah?”„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had[359]haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en te doorzien.Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat het gaan zal.”„Waarom niet?”„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is[360]het wat anders; voor mij is hetnietbeter een compagnon te hebben op die manier.”„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig altijd over denkoranen ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen …”„Soerah XXXIX …” begon Aboe Bakar onwillekeurig.„Het kan me niet schelen; ik weet van geen[361]soerah,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en koopman kan zijn tegelijk; men doet dantoean Allahte kort of zijn deelgenoot.… Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen: depenghoeloehad het mogelijk gevonden, endiekon het in zulke dingen toch niet mis hebben.„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet anders.”[362]
Het deed Aboe Bakar leed, dat Pa Djalil met den dag minder vriendschappelijk werd. Wel ging hij nog ’s avonds met den oude over zaken spreken, maar het vlotte niet zoo goed, en Djalil had allerlei aanmerkingen. Eens had hij beproefd te reageeren op de gewoonte van zijn compagnon ’s avondsobatte nemen,—hij dacht daar, voor zichzelf, allang niet meer aan, en schaamde zich de herinnering—maar dat was hem slecht bekomen. Nu had hij zorgen over dit alles en hij stortte zijn hart uit voor denpenghoeloe, die heel lang zweeg, nadat Aboe Bakar had uitgepraat. Eindelijk zei hij:[356]
„Pa Djalil is zwak; hij is geloovig, maar onwetend; daarom zal hem wellicht vergeven worden, dat hij zondigt tegen denkoran. Gij hebt hem vermaand en uw plicht gedaan; tracht geen macht over hem uit te oefenen; zoo hij volhardt, wend u van hem af.”
„Ik kan niet; wij hebben samen een belangrijken handel.”
„Dat weet ik. Misschien kunt gij het eene doen zonder het andere na te laten.”
Aboe Bakar begreep het niet, en toen de priester dat uit zijn stilzwijgen afleidde, ging hij voort:
„Het is niet goed, dat gij dien handel drijft, zooals gij doet. Het is geen werk voor u, die de schriften beoefent en wellicht een uitverkorene …”
En op het nederig gebaar vol bescheidenheid van den ander:
„Ik zeg niet dat het gebeuren zal; maar de werken zijn het water, dat de plant doet groeien.”
„Als ik wist hoe ik doen moest.… Het is[357]zoo moeilijk.… Hij houdt onze boeken.… Hoe krijgt men zulke zaken uit elkaar!”
„Niet noodig. Gij drijf een handel in vee; gij kunt u neerzetten in de binnenlanden en daar koopen en naar hier zenden. Een ander zou hier uw werk kunnen doen.”
Het was een goed idée, vond Aboe Bakar; wel had hij geld genoeg om van te leven, meer zelfs dan hij noodig had; maar hij durfde eigenlijk met een voorstel om zich terug te trekken niet bij zijn ouden compagnon aankomen.
„Er zijn,” ging depenghoeloevoort, „bij ons in de buurt kleine landerijen, mooi gelegen, waarop men een goede woning kan laten bouwen; het hout is goed en goedkoop, debamboeen deatapook, de menschen kunnen beter huizen maken dan hier.”
„Als ik zoo iets gedaan kon krijgen, zou ik graag willen.”
„Langzaam aan; men moet zich niet haasten. Spreek er over met dien Djalil. Hij zal wel willen.”[358]
Ze gingen er verder over door op die manier, en bij Aboe Bakar was het reeds gerijpt tot een bepaald plan; het lachte hem toe, daar in de binnenlanden rustig te leven; niet van huis te moeten voor zaken, en zich ’t hoofd daarmee niet te moeten breken; voortdurend om te gaan met denpenghoeloe, om een man te worden als hij, vroom en geleerd in denkoran.
„Nog iets moet ik u zeggen,” zei depenghoeloebij het scheiden. „Wees voorzichtig voor uzelven tegenover uw vrouw Dailah.”
Aboe Bakar schrikte.
„Voor Dailah?”
„Ik vrees dat ge te veel van haar houdt; men moet zijn hartstochten bedwingen; zich geen afgod maken van eene vrouw.”
Verlegen keek Aboe Bakar voor zich: het was waar; hij was dol van zijn tweede vrouw, en hij keek in ’t geheel niet om naar Minah, die voor weinig meer telde in het huis, dan een noodzakelijk kwaad; voor minder dan een slavin. Zij had[359]haar partij gekozen, naar het scheen, en leefde haar eigen leven in luiheid en buurtpraatjes.
In stilte bewonderde Aboe Bakar den priester, die dat alles scheen te begrijpen en te doorzien.
Tot laat in den nacht bleef hij bidden. Wat was het toch moeilijk zóó te leven, als men moest! Maar hij zou het in dit opzicht beproeven; dàt nam hij zich ernstig voor. Ook met Pa Djalil zou hij spreken over zijn plan om Batavia te verlaten; te gaan wonen in de binnenlanden en niettemin te blijven in de zaken.
Den volgenden avond, toen ze afgedaan hadden met hun loopenden handel, zittend op het bankje, begon hij erover; de oude liet hem uitpraten.
„Ik moet daarover denken,” zei hij, en een minuut of wat later: „Ik geloof niet dat het gaan zal.”
„Waarom niet?”
„Men kan geen twee dingen tegelijk doen. Wie handelaar is, moet dat ook zijn zonder iets anders. Ik heb allang begrepen, waarheen ge wilt. Ga uw gang, het is misschien beter voor u. Voor mij is[360]het wat anders; voor mij is hetnietbeter een compagnon te hebben op die manier.”
„Wel,” hernam Aboe Bakar, „als wij van elkaar af kunnen.”
„Waarom zouden wij niet? Ik heb de boeken duidelijk gehouden en bij tot vandaag. Het is gemakkelijk te zien, wat wij in de zaak hebben op het oogenblik, de eene helft is mijn aandeel, de andere het uwe.”
Het griefde Aboe Bakar toch dat de oude blijkbaar zoo weinig prijs op zijn medewerking stelde, en Djalil, toen hij dat hoorde aan het zwijgen van zijn compagnon, zei goedig:
„Het spijt me dat het zóó loopt, maar het is niet anders. Ge spreekt tegenwoordig altijd over denkoranen ik weet er maar weinig van, doch er staat toch ook in, dat niemand twee meesters kan dienen …”
„Soerah XXXIX …” begon Aboe Bakar onwillekeurig.
„Het kan me niet schelen; ik weet van geen[361]soerah,” viel Pa Djalil hem in de rede, „maar je hadt moeten begrijpen, dat men geen priester en koopman kan zijn tegelijk; men doet dantoean Allahte kort of zijn deelgenoot.… Voor mijzelven zou het minder zijn, maar als goed Mohammedaan mag ik het eerste niet toestaan.”
Van den spot, van het sarcasme voelde Aboe Bakar niets; hij was zoo vlug niet van geest; niet slim genoeg daarvoor; hij had een waarheid gehoord, en erkende die; alleen: depenghoeloehad het mogelijk gevonden, endiekon het in zulke dingen toch niet mis hebben.
„Dus je wilt niet,” zei Pa Djalil met een zucht, „het is zooals ik gezegd heb en niet anders.”
[362]