DERDE HOOFDSTUK.

Vermogt hij ook nu nog niet spoedig den slaap te vatten, en dwaalden nog lang de tegenstrijdige beelden van Iravati en Salhana en Gorakh met diens naakte bruine volgelingen hem door het hoofd, tot één vast besluit was hij toch gekomen eer hij insliep: met Koelloeka zou hij niet spreken over 't geen hij dien dag gehoord en gezien had. Dat zijn oom in geheimen was gewikkeld, bleek hem duidelijk genoeg, maar voor een staatsman was dat zoo onnatuurlijk niet, en niets bewees hem dat zij iets misdadigs hadden, terwijl toch de ontdekking alligt van nadeelige gevolgen voor Salhana en misschien ook voor diens naaste betrekkingen kon zijn. Was dan hij, Siddha, nu geregtigd het een of ander uit te brengen, aan wien dan ook, wat een vertrouwelijk gesprek of een louter toeval hem daaromtrent had bekend gemaakt? Koelloeka zelf zou ongetwijfeld de eerste zijn om dergelijke handelwijze af te keuren.

Agra

Vrolijk trompetgeschal wekte Siddha uit zijne ligte morgensluimering. Haastig opspringend, zag hij uit het venster het groote plein van den burgt met eene menigte ruiters overdekt, sommigen hunne paarden afzadelend, anderen bezig met op te stijgen en zich in gelid te stellen. Voor de eene helft de ruiters, die uit Allahabad naar Agra stonden te vertrekken en met wie onze reizigers den togt derwaarts zouden ondernemen, voor de andere de krijgslieden, die eerstgenoemden kwamen vervangen. Reeds zag de jonge edelman zijn dienaar met den schimmel op hem wachten, en vlug maakte hij zich tot het voortzetten der reize gereed. Weinig tijds later zat hij te paard, terwijl ook eenige oogenblikken daarna Koelloeka met den Goeverneur verscheen.

Nog even inmiddels vond Siddha, eer de stoet zich in beweging ging stellen, de gelegenheid om langs de bastions den hoek om te rijden tot aan het balkon, waar hij den vorigen namiddag zoo herhaaldelijk naar had opgezien. Ditmaal werd hij niet geheel in zijne verwachting bedrogen. Tusschen de planten die het balkon bedekten ontwaarde hij terstond eene hem wel bekende, in 't wit gehulde gestalte, die bij zijne nadering met een luchtig op den zachten wind fladderend doek wuifde; en toen hij digter bij was gekomen daalde dit langzaam neder zoodat hij, met eene vlugge wending van zijn paard, het op de punt zijner lans kon opvangen.

't Was een van die schitterend gekleurde en ragfijne weefsels van Kaçmir, die de wanhoop van alle wevers der wereld uitmaakten en die zich even ligt door een vingerring lieten trekken als tot sluijer gebruiken of tot een tulband zamenvouwen. Snel kuste hij 't voor hem onwaardeerbaar afscheidsgeschenk, wond het in een oogwenk om het gevest van zijn sabel, en toen met de hand wenkend ten laatsten groet, was hij dra in eenige sprongen bij zijne reisgenooten terug.

Een eind wegs begeleidde nog Salhana, mede te paard, zijne gasten en de vertrekkende ruiters. Daarop nam hij afscheid, zijn neef nog mededeelend dat hij spoedig hem te Agra hoopte terug te zien, vermits hij zelf eenige dagen later zich derwaarts dacht te begeven; en in gezelschap van den bevelvoerenden officier der afdeeling, met wien zij intusschen kennis hadden gemaakt, trokken onze reizigers verder.

Meer dan één dag nog duurde de togt. Voor een groot deel door zandige, veelal met meer steenen dan boomen bedekte vlakten, soms ook over liefelijke begroeide heuvelen, en meest langs of in de nabijheid van den oever der Djoemna. Eindelijk werd op weinig afstand van Agra des avonds de laatste halt gehouden, en toen nu den volgenden morgen na een korten rid de Keizerstad zelve was bereikt, zagen de reizigers, ook diegenen onder hen voor wien de aanblik niet nieuw meer was, de moeite en de onvermijdelijke verveling van den togt zich wél vergoed.

Halvemaansgewijze, langs den tegenovergestelden oever der rivier, lag tusschen tuinen en vestingwerken van allerlei vorm de breede rei van paleizen en moskeën, die in dezen tijd en nog lang daarna Agra of Akbarabad tot een van de schoonste en prachtigste steden der wereld maakten. In het midden ongeveer en uitblinkend boven allen verrees het paleis van den Keizer zelf, waarvan het hoofdgebouw, van alle zijden omringd door kleinere, tusschen de digte boomgroepen der lusthoven verspreid, door de keurige voeging zijner roode en glad gepolijste zandsteenen als uit één in het zonlicht glanzend granietblok scheen gehouwen, en toch, in weerwil van het waarlijk kolossale zijner afmetingen, met zijne menigte van puntig uitloopende koepeldaken en vlugge slanke torens en als de fijnste kant tegen de lucht uitstekend beeldhouwwerk een voorzeker niet minder bekoorlijken dan overweldigenden invloed op den beschouwer te weeg moest brengen. En daar omheen de paleizen en lusthoven der hofgrooten en der rijke en aanzienlijke stadbewoners en de moskeën met hare koepels en minaretten, en hier en daar ook nog enkele pagoden, overblijfsels en laatste getuigen van een vroegeren, in deze streken althans, overwonnen beschavingstoestand. Wél was die aanblik reden genoeg voor den reiziger, en in 't bijzonder ook voor hem die de plek voor 't eerst bezocht, om den teugel in te houden, ten einde nog eene wijl zich te verlustigen in het gezigt van zooveel pracht, en, kon het, een oogenblik na te denken over den indruk daardoor veroorzaakt. Eén eenig mensch, magtig veroveraar en diep ingrijpend hervormer bovendien, was dan voor 't grootste deel de stichter van dat alles, dat in eene voormaals nog weinig aanzienlijke plaats als eensklaps door eene tooverroede te voorschijn was geroepen uit den barren grond? Wat geweldig, wat veelbeteekenend man dat niet zijn moest! En een gevoel van beklemdheid greep Siddha aan, toen hij zich voorstelde, misschien binnen kort vóór dien man te zullen verschijnen en welligt zelfs eenige woorden, zij 't ook slechts vormelijke, met hem te moeten wisselen.

Weldra intusschen begaf men zich verder en, aan de overzijde der rivier gekomen, namen Koelloeka en Siddha afscheid van hun reisgenoot, den officier, en begaven zich met hunne dienaren naar de woning door een van Koelloeka's vrienden voor hen gehuurd,—een eenvoudig maar smaakvol en aangenaam ingerigt huis met een vriendelijk uitzigt op omliggende tuinen en op den klaren, in de morgenzon glinsterenden stroom in de laagte.

—Komaan, dat treft!—zei Koelloeka toen zij de woning waren binnengetreden,—ik zie daar dat onze goederen al met de kameelen zijn aangekomen. Nu behoeven wij niet stil te zitten en kunnen straks al dadelijk, als we ons wat gekleed hebben, onze opwachting bij Aboel Fazl, den Minister gaan maken. Eerst nu een frisch bad; en inmiddels kan Vatsa onze zaken helpen uitpakken.

Een half uur later waren beiden tot het voorgenomen bezoek op weg; Siddha in een tot de knieën reikend en op de met een parelsnoer behangen borst een weinig geopend goudlakensch kleed, en gedekt door een niet te grooten, met een veder gesierden tulband, waarin hij Iravati's afscheidsteeken had gevlochten; Koelloeka eveneens in ietwat sierlijker, min streng eenvoudig gewaad dan hij tot dusver gedragen had. Sabel en dolk, meer tot tooi nu dan tot voorkomend gebruik, strekten tot wapentuig.

De weg naar het paleis des Ministers was niet lang; en daar aangekomen en de voorhoven doorgegaan zijnde, werden de beide bezoekers op de vermelding hunner namen terstond naar een der binnenvertrekken geleid om daar den Vizier af te wachten. Ook stelde deze hun geduld niet lang op de proef. Weldra werd een der gordijnen, die het vertrek van de overige scheidden, ter zijde geschoven, en Aboel Fazl trad binnen.

Hij was een eenigszins gezet man van middelbare lengte en omstreeks een goede vijfig jaar, in een wel eenvoudig, maar toch kostbaar gewaad van gele, gebloemde zijde gekleed. Een baard droeg hij in 't geheel niet, maar zijn glad gelaat vertoonde niettemin, ook in weerwil van zekeren vermoeiden trek, eene uitdrukking van mannelijke kracht en sterken, vasten wil, eene uitdrukking tevens weer getemperd door den vriendelijken blik zijner donkere oogen.

—'t Verheugt mij, u zoo spoedig hier te zien,—sprak hij na de gewone groeten, die van de zijde van Koelloeka en Siddha zeer eerbiedig waren;—onze jonge vriend betoont zich daarmede, dank zij waarschijnlijk ook uwe aansporing, wijze Koelloeka! niet langzaam in 's Keizers dienst.

—'t Ware voorzeker ook een slecht begin,—merkte de aangesprokene op,—indien hij een oogenblik langer dan noodig was had gedraald om de eervolle betrekking te komen aanvaarden, die uwe gunst en die des Keizers hem hebben toegedacht.

—Geen gunst, mijn vriend!—hernam Aboel Fazl—geen gunst, maar verstandig beleid, zoo ik hoop. Wij achten hier geenszins nuttig, alle betrekkingen steeds in handen te geven van onze eigene grooten, en stellen 't ook op prijs als 's lands oorspronkelijke edelen zich wijden aan onze dienst. Ook weet gij dat onze Radjpoet's ongaarne hun aanvoerders uit anderen dan van hun eigen stammen zien gekozen. En wat eindelijk kon mij aangenamer zijn dan den zoon van een oud vriend, en van wien ik ook niet dan goede getuigenissen vernam, tot een betrekking te roepen die zijn vader gewenscht voor hem acht?

—Veroorloof mij niettemin, edele Heer!—sprak nu Siddha toen de Minister zweeg—het mij toegezegde als een gunst te blijven beschouwen en Uwe Excellentie daarvoor mijn dank en dien van mijn vader te betuigen! Ik wil hopen dat ik mij haar niet gansch onwaardig zal maken.

—Blijf trouw vóór alles!—zei Aboel Fazl ernstig;—'t is een voorschrift dat u thans overbodig schijnt; maar als ge wat langer hier zijt geweest, zult gij aldra bemerken dat het dit in 't geheel niet is in een omgeving waar verraad menigmaal van alle kanten loert en zich ook de besten nog wel eens tot ontrouw lieten verleiden. Morgen inmiddels zal uw opperbevelhebber u de noodige instructiën geven voor de dienst. Ook zal hij voorzeker niet nalaten u te waarschuwen, wat voorzigtig met uwe Radjpoet's te zijn. Want, gij weet het, velen hunner, al bekleeden zij geen bepaalden militairen rang, zijn edelen als gij, en willen dus niet zoo geheel behandeld worden als gewone soldaten. Voor 't oogenblik zult gij, naar ik onderstel, wel eens wat meer van de residentie willen zien dan gij tot nogtoe er van gewaar zijt geworden. Ik wil u dus niet langer terughouden.—Doch wacht nog even,—sprak de Minister, toen Siddha zich gereed maakte te vertrekken,—een geleider zal u niet onwelkom zijn, en ik meen u een geschikten te kunnen aanwijzen.—Daarop in de handen klappend, vroeg hij den spoedig verschenen dienaar:—Is mijn neef Parviz hier?

—Ik zag hem zooeven nog in den hof gaan,—antwoordde de dienaar.

—Zeg, dat ik hem hier wensch te zien!

Weinige oogenblikken later verscheen een jongman van ongeveer Siddha's leeftijd, rijk gekleed en met juweelen en paarlen gesierd en van een bevallig en innemend, schoon ook in weerwil van zijn fijnen zwarten knevel ietwat vrouwelijk voorkomen.

—Parviz!—zei Aboel Fazl,—zie hier de beide heeren uit Kaçmir, waarvan ik u de komst gemeld heb. Den edelen Siddha zult gij hoop ik al spoedig uw vriend mogen noemen. Thans wilt gij hem alligt wel tot gids strekken in onze stad, die hij voor 't eerst bezoekt.

—Gaarne, oom!—antwoordde Parviz, terwijl hij Siddha beleefd en vriendelijk tevens groette,—'t zal mij niet minder genoegen zijn dan eer.

—Zoo gaat dan!—hernam de Minister.—Koelloeka zal misschien nog wel enkele oogenblikken hier willen vertoeven om met mij sommige belangen van Kaçmir te bespreken. Doch, mijne heeren!—zeide hij nog in 't bijzonder tot Siddha en den Brahmaan,—vergeet vooral niet nog heden mijn broeder Feizi een bezoek te brengen! Hij zou 't u erg kwalijk nemen als gij 't uitsteldet tot morgen, al werd mij de voorrang ook gaarne door hem gegund.

En op een vriendelijken wenk van den Staatsdienaar verwijderden zich de beide jongelieden en verlieten gezamenlijk het paleis.

—Kom!—zei Parviz, toen zij buiten waren,—'t is gelukkig nog zoo heel warm niet, en we konden dus wel eens dadelijk het eerste gaan zien waar een bezoeker van Agra wel vóór alles heengaat, het paleis van den Keizer. Ten minste als de wandeling u niet te zwaar is na uw morgenrid.

—Och!—antwoordde Siddha, spoedig gemeenzaam met zijn nieuwen vriend,—om de warmte geef ik in den regel al even weinig als om de kou, wij zijn er in onze bergen wel aan gewend. En ook niet om een weinig moeite. Maar ongaarne zou ik u last veroorzaken om mij iets te laten zien wat gij zelf natuurlijk al lang kent.

—Nu,—hernam Parviz wat spotachtig,—zoo'n ijzervreter ben ik wel niet als gij, die daar uit de hooge bergen en wilde bosschen komt; maar een wandelingetje kan ik toch nog wel maken, en al kreeg ik 't nu ook wat warm, uw gezelschap zal mij de mogelijke vermoeijenis wel doen vergeten.

Zoo al pratend en terwijl men elkander 't een en ander omtrent eigen betrekkingen en belangen meedeelde, waarbij Parviz onder anderen vertelde dat zijn oom, de Minister, hem voor de krijgsdienst, waarin hij zelf ook niet veel behagen vond, ongeschikt achtte, en hem voor een staatsambt bestemde, kwamen de beide wandelaars al spoedig aan de groote, breede straat, die een der hoofdtoegangen vormde tot de voorhoven der vorstelijke paleizen. Aan het einde dier straat was een hooge, in den vorm van een triomfboog opgerigte poort, en deze doorgegaan zijnde kwam men op een uitgestrekt, door platanen beschaduwd plein, dat ook nog door zes andere bogen van gelijke bouworde en even breede straten toegankelijk werd gemaakt. In 't midden verhief zich een kolossale steenen olifant, door den tromp bij wijze van fontein en hooge waterkolom opspuitend; en de drie andere zijden van het plein werden ingesloten door lange reijen van marmeren kolonaden, waarachter als trapsgewijze de verschillende verdiepingen der hoofdgebouwen omhoog rezen. Was de aanblik misschien minder treffend en schilderachtig dan die van de rivierzijde, de verbazende uitgestrektheid der paleizen en hunne bijbehoorende gebouwen, waaronder ook vestingwerken van velerlei aard, viel daarentegen te meer in het oog.

—Gij begrijpt wel,—zei Parviz,—dat we dat alles wat daarbinnen is nu niet in eens zien kunnen, ook al waren we nog zoo bestand tegen vermoeijenis; wij zouden er toch den tijd niet voor hebben. Doch laten we nu dan voorloopig eens het een en ander er van bekijken, dan kunt gij u ten minste eenig begrip vormen van het geheel. Gaandeweg zult gij er later wel meer van zien.

En een der galerijen binnentredend deed Parviz zich en zijn medgezel aan een wachter kennen, die hun terstond een geleider medegaf naar de voor bezoekers van hun rang toegankelijke binnengebouwen. En nu ging het door lange reeksen van grootere en kleinere vertrekken, het eene al rijker en fraaijer gestoffeerd dan het andere, alle opgetrokken in den luchtigen en bevalligen Moorschen bouwtrant, en waarvan er verscheiden een bekoorlijk uitzigt leverden op de uitgestrekte tuinen met hunne frissche fonteinen en hun pacht van bloemen en gewassen van allerlei soort. Hier marmeren wanden, ingelegd met sierlijke bloemen van keurig mozaïekwerk; daar spiegels van alle kanten en fijne, haast onzigtbare fonteinen, wier dunne stofregen een heerlijke koelte verspreidde; allerwege goudlakensche of zijden, met goud- en zilverdraad gestikte gordijnen en voorhangsels van velerlei naar den aard der overige versierselen wisselende kleur, en zware tapijten en zachte zijden kussens, waarop in die omgeving zich uit te strekken op zich zelf reeds een genot mogt zijn geweest.

—Daar ginds, aan den anderen vleugel,—zei Parviz weder,—zou men u nog veel meer fraais kunnen toonen; maar daar kunnen wij natuurlijk niet binnenkomen: 't zijn de vrouwenvertekken. Ik heb eens een kijkje gehad in een paar daarvan, toen ze pas waren afgewerkt en nog niet bewoond werden; ja, wat daar niet al aan ten koste moet zijn gelegd! Maar ik schenk u de beschrijving; gij hebt al genoeg te kijken en dus zeker ook weinig lust om nog meer aan te hooren. Is,—vroeg hij den geleider,—de groote audientie-hal open?

—Neen, Heer!—antwoordde de ander,—voor 't oogenblik niet; maar over een paar dagen….

—Nu, 't maakt ook niet uit,—hernam Parviz.—Binnenkort,— vervolgde hij tot Siddha,—zal er wel openbare audientie zijn en dan kunnen wij er heengaan. En van de vertrekken die de Keizer zelf bewoont, zult gij later misschien wel meer gewaar worden. Laat ons voor 't oogenblik nog wat bijzaken gaan opnemen, die het zien toch ook nog wel waard mogen heeten.

Langs hooge en breede zuilengangen, waarbinnen zich een menigte van dienaren en krijgslieden van allerlei rangen bewoog, soms ook door de regte en lange lanen van het park, wandelden nu de bezoekers voort, terwijl Parviz zijn medgezel de bestemming der verschillende zalen en gebouwen aanduidde. Hier de Keizerlijke bibliotheek, met hare rijk gebonden handschrfften, ginds de werkplaatsen der goudsmeden en juweliers, de laboratoriën ter vervaardiging van reukwerken, de uitgebreide magazijnen en keukens, en eindelijk ook, behalve nog de arsenalen der vesting, de stallen der paarden, olifanten en kameelen, die meer in 't bijzonder voor den Keizer zelf en zijn gevolg waren bestemd.

Tot dusver had Siddha gemeend, toch ook nog wel begrip van paleizen te hebben; nu echter begon hij tot de overtuiging te komen, dat hij er eigenlijk nog nooit een gezien had. Niet weinig vooral verbaasde hem de uitgebreidheid van die stallen, die van boven en uit de verte beschouwd, zich als heel een afzonderlijk dorp vertoonden te midden van de parken waarbinnen ze waren opgerigt.

—Wat menigte van edele dieren daar niet zijn moet,—merkte hij op.

—Ja,—antwoordde Parviz,—een goede honderd olifanten zijn er onder anderen stellig wel hier; hoeveel er elders nog voor den Keizer worden gehouden weet ik niet met zekerheid; naar men zegt moet hij er nog heel wat bezitten en een evenredig aantal kameelen en paarden en jagt-luipaarden.

—Maar,—vroeg Siddha,—wat heeft één man, al is hij ook ShahAkbar, nu toch eigenlijk aan zooveel overdaad in alles?

—Hij voor zich zelf niet veel,—was het antwoord,—en misschien minder nog dan gij wel meenen zoudt. Geboren in een wildernis, toen zijn vader als balling rondzwierf, en opgevoed in een legerkamp, hecht hij volstrekt niet aan al die inderdaad overmatige weelde, en zou ongetwijfeld met oneindig minder tevrede zijn; maar hij is overtuigd en, naar ik geloof, volkomen teregt, dat een vorst als hij, in deze landen en onder al die volken en grooten waarover hij heerscht, een indrukwekkende praal niet minder van noode heeft dan een sterk leger en ervaren staatsmannen. Wij allen, Perzen, Mongolen, Arabieren of Hindoe's gijlieden zoo goed als wij, zijn nu eenmaal gewoon daartegen op te zien en te meer ontzag voor den monarch te hebben naar hij meer uiterlijk vertoon maakt. Doch als ge nu meent dat met al die vertooning ook verkwisting zamengaat, dan zoudt ge u niet weinig vergissen. Ik durf u ten stelligste te verzekeren dat er in waarheid niets wordt weggeworpen, en al wordt er soms ook gestolen, heel veel kan 't betrekkelijk niet zijn. Want tot in de kleinste bijzonderheden van deze ontzaggelijke hofhouding heerscht even strenge regel en orde als in de verschillende afdeelingen van het staatsbestuur, die bijkans overal in het rijk van den Grooten Mogol als voorbeeld kunnen gelden van een verstandige administratie. Mijn oom Aboel Fazl is bezig dat alles nauwkeurig te omschrijven in zijn groote werk over de instellingen en het bestuur van den Keizer, in zijn Aïn i Akbari, waarbij hij mij wel eens een handje laat helpen. Eene zaak met dat al is er, waarin men Akbar soms wel eens verkwistend mogt noemen. Als 't namelijk geldt, anderen bij te staan die zich in moeilijkheden bevinden of behoeftig zijn, en eenige aanspraak op zijn mildheid kunnen maken, of ook wel de bevordering van wetenschap en kunst, dan hebben zijn schatmeesters dikwijls moeite genoeg hem binnen de redelijke grenzen te houden. Maar nu!—vervolgde Parviz na een oogenblik stilzwijgen,—'t wordt nu waarlijk onze tijd om naar huis te gaan; de zon begint al te branden en ik wil u ook wel bekennen dat ik wat vermoeid ben. Als we hier nog langer bleven ronddrentelen zou ik veel lust hebben hier of daar op een rustbank neer te vallen en er de koelte van den avond af te wachten; maar daar hebben we niet veel aan, en dan verloopen we ook ons maal.

—Zoo laat ons den terugtogt dan aannemen!—antwoordde Siddha,—en ik dank u inmiddels van harte voor uw vriendelijk geleide. Gij hebt mij hier al haast den weg geleerd.

Langs een bijpad aan de andere zijde der tuinen en gebouwen leidde nu Parviz zijn vriend naar diens woning terug, en daar afscheid nemend, zeide hij:

—Gij zult het morgen waarschijnlijk wel te druk hebben met dienstzaken om nog verder de stad te bezigtigen of uitstapjes te maken. Doch zoo gij overmorgen of later wilt, ik ben gaarne tot uw dienst. Laat mij 't maar eens weten, of ik kom u misschien ook wel opzoeken.

De beide jongelieden gaven elkaar de hand, en in een koel vertrek zijner woning ging Siddha de middagrust genieten, die ook hem op dit oogenblik toch niet onwelkom was.

Tegen 't vallen van den avond begaf hij met zijn ouderen vriend zich weer op weg om Feizi, den broeder des Ministers, het voorgenomen bezoek te brengen. Eene aangenaam tusschen digte boomgroepen gelegen en betrekkelijk niet uitgestrekte maar toch rijk en smaakvol gebouwde villa diende Aboel Fazl's jongeren broeder tot woning. Aanstonds werden ook hier de bezoekers toegelaten en bij den bewoner aangediend; weinige oogenblikken daarna verscheen een dienaar om hen binnen te leiden in Feizi's eigen vertrek.

Daar, in de nabijheid van het balkon, dat voor een groot deel zich uitbreidde langs het gebouw, zat aan een kunstig bewerkte tafel, met velerlei handschriften bedekt en door menigte van anderen op den grond liggende omringd, een man in de kracht zijns levens, met de schrijfstift in de hand en voorover gebogen over zijne papieren en perkamenten. Zoodra hij de bezoekers gewaar werd, stond hij op, trad hen te gemoet, en beiden zonder verdere formaliteiten met een eenvoudig: Welkom! de hand gevend, wenkte hij hen, op de vóór het balkon gespreide kussens met hem plaats te nemen.

Wat Feizi vooral van zijn ouderen broeder onderscheidde, met wien hij overigens veel gelijkenis vertoonde, was de opgeruimde, joviale uitdrukking van zijn eveneens glad geschoren gelaat en eene bijzondere ongedwongenheid van manieren, aan de hoffelijke vormen van een man van de wereld gepaard. Ook kenschetste zijn kalme en rustige blik meer nog den stillen denker dan den man van krachtig, rusteloos handelen, schoon hij als krijgsman toch ook menige dappere daad had bedreven en als gezant meer dan eens netelige vragen had helpen oplossen voor zijn vorst.

—Ik wist het wel,—zeide hij, terwijl een paar dienaren den gasten wijn en ververschingen kwamen aanbieden,—gij zoudt den dag niet laten verloopen, waarde Koelloeka! zonder mij, zoo goed als mijn broeder, met uw bezoek te verheugen en mij in kennis te brengen met uw jongen vriend, dien ik spoedig ook den mijne hoop te noemen.—En wat zegt ge nu wel van onze nieuwe stad?—vroeg hij aan Siddha.—Gij hebt er toch zeker al 't een en ander van gezien?

—Uw neef Parviz, edele Heer!—antwoordde Siddha,—heeft dezen morgen de vriendelijkheid gehad mij door een gedeelte van het paleis rond te leiden. Maar om u de waarheid te zeggen, ik kan er eigenlijk nog zoo geen oordeel over uitspreken; ik ben voor 't oogenblik eenvoudig verbaasd over zooveel pracht en zooveel heerlijke kunstwerken. Ik had er mij veel van voorgesteld, maar dat alles is mij gebleken vér beneden de werkelijkheid te zijn.

—Dat geloof ik gaarne,—hernam Feizi,—het gaat iedereen zoo, die voor 't eerst hier komt. Men mag nog zooveel beschrijvingen van Akbar's paleizen gehoord of gelezen hebben, toch staat men nog altijd verwonderd als men ze werkelijk ziet. Maar zeg mij, Koelloeka! hoe gaat het u tegenwoordig in uw verre Noorden? Ik ben benieuwd weer eens iets van uw Kaçmir te vernemen.

Gaarne beantwoordde Koelloeka de vraag, schoon in 't algemeen en zonder thans te doelen op de weer aangevangen oneenigheden; en ook Siddha nam spoedig een levendig deel aan het gesprek. Nooit nog had hij met een vreemde zoo snel zich op zijn gemak gevoeld als nu met dienzelfden veelbeteekenenden Feizi, des grooten Keizers vriend zoowel als raadsman, tegen wiens nu reeds allerwege beroemden naam van geleerdheid en kunde hij steeds zoo hoog had opgezien. Al spoedig had inmiddels het gesprek het terrein der dingen van den dag verlaten en was het overgegaan tot onderwerpen van meer algemeenen aard. Vooral ook tot letterkundige.

—Gij bewondert onze paleizen,—sprak Feizi tot Siddha,—en gij erkent dat zij uwe verwachting overtreffen; maar mij is 't nog gansch anders gegaan, toen ik voor 't eerst kennis maakte met uwe eeuwenoude klassieke en geheiligde litteratuur. Onze geloovige, maar daarom nog niet heel kundige moellah's hadden mij altijd verteld, dat Indische letterkunde eigenlijk niets anders was dan een verward en smakeloos zamenraapsel van allerlei gedrogtelijkheden, even verderfelijk voor waren kunstzin als gevaarlijk voor het geloof in Allah en zijn Profeet. Wat er van dit laatste zijn mag, laat ik daar; maar als mijn kunstsmaak als ook mijn zucht naar wetenschap voldaan zullen worden dan geschiedt dit vrij wat beter door uwe dichters en denkers dan door de onzen. Wat prachtige heldendichten de uwe, wat verheven lyriek, wat schitterende drama's, en welke ridderlijke en edele, wat humane en zedelijk reine gevoelens in veel van dat alles! En welk eene diepte en omvang tevens van gedachten bij uwe wijsgeeren van ouds! Maar wat behoef ik ulieden dat te herinneren? Gij weet en begrijpt het natuurlijk veel beter dan ik, die niet dan met zware inspanning uwe moeilijke, zoo gansch en al van ons Perzisch en Arabisch verschillende, klassieke taal kon leeren verstaan.

—Nu, het Sanskrit waait ons tegenwoordigen Hindoe's, die natuurlijk meest Hindostani spreken, ook juist niet aan,—zei Siddha,—vraag Koelloeka maar eens, hoeveel hij met mij te doen heeft gehad om 't mij te leeren.

—'t Ging nog al,—merkte Koelloeka goelijk aan,—maar al heeft dan een Feizi in den aanvang zoo goed als ieder ander moeite gehad met het leeren der taal, hij heeft wél doen vergeten dat ze oorspronkelijk hem niet eigen was, door zijne vertaling van onze Kaçmirsche kronijk en voorzeker niet minder door zijne treflijke navolging van Nala en Damayanti.

—Wat heerlijk dichtwerk, niet waar?—hernam Feizi, die niet spoedig was uitgepraat als hij eens over Hindoe-litteratuur begon,—en hoever blijft niet elke bewerking in eene andere taal beneden het origineel, zoo eenvoudig en toch zoo verheven schoon, met die onovertroffen vrouwenfiguur, de edele, reine, bij alle beproeving en miskenning, aan haar onwaardigen gemaal zoo onwankelbaar trouwe Damayanti! Voor 't overige, als ik soms iets navolg dan doe ik 't voornamelijk ten gerieve van Akbar, die natuurlijk geen tijd heeft om nog eens vreemde talen te gaan leeren en toch alles lezen wil. Zoo heeft hij mij ook al een overzetting van de Evangeliën opgedragen.

—Van de wat?—vroeg Koelloeka.

—Van de heilige boeken dier mannen uit het Westen, die zich, naar den stichter hunner godsdienst, Christenen heeten, en waarvan gij toch zeker wel gehoord hebt. Nu, er staat ook veel lezenswaardigs in die boeken, en er komen veel verheven en diepzinnige denkbeelden in voor, nevens veel onbeduidends en ook onzinnigs, even als in uwe theosophiën; maar over 't geheel geeft het niet bepaald veel nieuws als men uwe theologie en wijsbegeerte eenmaal kent. Maar wat mij ook zoo bijzonder steeds bevalt,—dus vervolgde hij, zijne lofrede op oud-Indië's beschaving voortzettend,—dat zijn uwe spreuken. Hoe laf en zouteloos schijnen mij wederom de onze, die voor hooge wijsheid moeten doorgaan, als ik ze bij die andere vergelijk! Al had ik er maar deze ééne van u geleerd, ik zou al genoeg hebben om mij weer moed te geven als ik dien soms verlies bij het arbeiden aan mijn manuscripten daar:

"De schat, die niet vergaat, niet wordt geroofd, maar aangroeit,Naar gij hem meer verkwist, die schat heet wetenschap."

—Is 't zóó goed?—vroeg hij Siddha, na de regels in 't oorspronkelijke te hebben uitgesproken,—of maak ik soms een fout?

Een oogenblik aarzelde Siddha met zijn antwoord, maar Koelloeka aanziend, die glimlagchend knikte, antwoordde hij met gepaste vrijmoedigheid:

—Eene enkele, Heer! maar trouwens ook een zeer geringe.—En den laatsten regel herhalend, verbeterde hij de uitspraak van een der daarin voorkomende woorden.

—Nu, ik kom er nog al wél af!—riep Feizi vrolijk uit,—maar zegt gij mij nu ook eens een spreuk van Bhartrihari voor! Gij kent er toch zeker wel een enkele van buiten.

Siddha dacht een oogenblik na en reciteerde toen:

"Elk werd geboren die leeft; wezenlijk echter geborenHeel alleen hij, die een naam nalaat aan 't komend geslacht."

—Oho!—zei Feizi lagchend,—gij hebt daar in uw Kaçmir nog wat anders dan Sanskrit geleerd! Gij zijt al vrij wel gevorderd in de kunst van vleijen, mijn vriend!

—Vleijen?—vroeg Siddha,—maar zou dan uw naam, als die van uw broeder Aboel Fazl tot in de verste streken van Hindostan en zeker ook van Perzië doorgedrongen, bestemd zijn om door volgende geslachten weer vergeten of door hen niet gewaardeerd te worden?

—Mijns broeders naam!—sprak de ander,—ja, dien zal men niet ligt weer vergeten! Al was 't nog niet eens om zijn daden, dan toch zeker om zijn onsterfelijk werk, zijn Akbar-Nameh, waarin hij bezig is de regeringsgeschiedenis van onzen grooten Keizer te beschrijven. Dat wordt eerst een boek, mijne vrienden! waarbij al mijn werken en tobben in 't niet verzinken. Ik heb alleen, het inziende, hem wel eens de aanmerking gemaakt, dat hij Akbar, die toch altijd een mensch blijft en dus ook wel zijne gebreken heeft, wat al te zeer in de wolken steekt, en dus alligt in toekomende tijden zich den blaam van partijdigheid of zelfs van vorstenvleijerij op den hals zal halen. Maar hij wil er niets van hooren, iets op zijn lof van den Keizer af te laten dingen.—Als ik,—antwoordt hij mij, —niet alles zeggen mag wat ik wezenlijk in gemoede denk van den man, die meer is dan mijn vorst, die mijn weldoener is en mijn trouwste vriend, dan werp ik mijn gansche boek veel liever in 't vuur!—Nu, gij begrijpt, daartegen valt dan niet veel te redeneren. En bovendien men kan 't aan Akbar zelf wel merken, al zegt hij 't niet, dat het hem gansch niet onwelkom is, zich door zijn vriend, aan wiens oordeel hij hooge waarde hecht, zoo geprezen te zien.

—Edele Feizi!—sprak Siddha, nadat er een kort oogenblik stilte had geheerscht,—mag ik u eens eene opregte vraag doen?

—Wel zeker!—luidde 't gulle bescheid,—en ik hoop er even eerlijk op te kunnen antwoorden.

—Nu dan, toen wij daar van den Minister Aboel Fazl spraken, kwam mij eene waarschuwing in de gedachte die hij mij dezen morgen gaf. Hij waarschuwde namelijk tegen het verraad dat den Keizer hier steeds omringt. Zoudt gij, die zoo verstandig zijt, nu wezenlijk meenen dat hier nog lieden zijn kunnen dwaas en tevens misdadig genoeg om tegen zoo magtig, zoo groot en zoo weldadig een vorst als Shah Akbar zamen te spannen?—of is het werkelijk zoo?

—Och kom!—riep Feizi uit,—mijn broeder ziet ook overal verraad! Maar dat is nu eenmaal een Minister, en vooral een eersten, een Groot-Vizier, eigen. Maak u echter niet al te beducht; de menschen zijn inderdaad zoo slecht niet, en in elk geval niet gek genoeg om zich aan dergelijke kunsten te wagen, waarbij ze hun hoofd op 't spel zetten met voor 't minst tien kansen tegen één.

—Feizi!—sprak Koelloeka ernstig en half verwijtend,—uwe optimistische beschouwingen getuigen ongetwijfeld voor uw goed hart; maar denkt gijzelf niet, dat ze soms gevaarlijk mogten worden, en bijvoorbeeld jongeren, zooals onzen nog weinig ervaren vriend hier, tot onvoorzigtigheid verleiden?

—Nu, maar ik zeg ook niet dat hij onvoorzigtig moet zijn,— hernam de ander,—ik meen alleen dat hij nu juist niet behoeft te beginnen met zich allerlei voorstellingen omtrent hof- en staatsintriges in 't hoofd te halen, maar kloek en blijmoedig het leven behoort in te gaan. Zoo begonnen wij allen, en we zijn er immers wél bij gevaren. Met al te veel achterdocht aanvangend kon hij op 't laatst wel eens niemand meer gaan vertrouwen, ook mijn broeder zelf en mij niet.

—Dat in geen geval!—riep Siddha levendig uit, terwijl hij Feizi vrijmoedig in 't vriendelijk open gelaat zag,—en zoo min ik ooit bedekte vijandschap van uwe zijde zou vreezen, zoo min hebt gij te eeniger tijd verraad of trouweloosheid te wachten van wien zóózeer prijs stelt op uwe achting en vriendschap als ik.

—Gedenk dat woord!—zei nogmaals Koelloeka op ernstigen toon,— en bedenk tevens dat de mensch nooit bij magte is vooruit alle omstandigheden en oorzaken te kennen, die eenmaal invloed kunnen hebben op 't geen hij gewoon is, kortzigtig, zijn vrijen wil te noemen.

—Zie zoo!—sprak Feizi op zijn gewone luchthartige manier,—daar zijn we nu weer aan de philosophie. Nu, gij weet, dat behoort ook al tot mijn liefhebberijen, al ben ik er juist niet vér in; en als mijn geleerde vriend Koelloeka wil, dan laten wij de lichten aansteken, want het begint al donker te worden, en verdiepen wij ons nog wat in Sankhya en Vedanta, waarin hij zelf zoo sterk is. Jammer, dat wij Akbar zoo maar niet kunnen doen uitnoodigen om bij ons gesprek tegenwoordig te zijn! Dat was juist weer iets voor hem, die de droogste philosophische discussie vermakelijker vindt dan de schitterendste feesten.

—Niets liever, geëerde Feizi!—was Koelloeka's antwoord,—dan zamen nog menig uur, gelijk wij vroeger zoo dikwijls deden, aan de door u bedoelde onderwerpen te wijden; maar voor 't oogenblik is 't voor ons meer dan tijd om te gaan. Siddha moet morgen in de vroegte reeds op 't appél zijn om zijn kommando over te nemen, en ikzelf heb te huis nog heden, al wordt het nacht, verscheiden zaken te regelen vóór mijn vertrek, dat op overmorgen bepaald is. Wilt gij ons dus vergunnen, thans voorloopig u dank te zeggen voor uwe, als altijd, zoo vriendelijke ontvangst?

—Ik moet wel, waarde vriend!—antwoordde Feizi, terwijl hij een dienaar riep om de bezoekers uitgeleide te doen,—al verzette ik mij gaarne tegen uw besluit. Siddha!—zeide hij nog vertrouwelijk tot dezen, na afscheid gereed den dienaar en zijn leermeester te volgen,—wij spraken daar straks van onvoorzigtigheden…. Waak daar tegen! Maar een jong man als gij loopt er bij ongeluk toch wel eens in, vooral aan zoo'n hof als 't onze, en mogt dat soms eens gebeuren en gij u in verlegenheid bevinden, kom dan gerust bij Feizi; die kan u misschien nog wel eens uit den brand helpen.

En zonder antwoord of dank af te wachten keerde de broeder desMinisters zich om, en ging naar zijn binnenvertrek terug….

Zoo ontbrak het dan Siddha,—de gedachte drong onder 't huiswaarts keeren zich als van zelf bij hem op,—zoo ontbrak 't hem bij de intree in het leven waarlijk niet aan goede raadgevers en aan steun! Voor uiterste omstandigheden de wijze kluizenaar van het gebergte, voor geringere moeijelijkheden de verstandige en invloedrijke Feizi, en daarenboven de hem reeds gebleken gunst van den eersten Minister en de toegezegde van den oppermagtigen Keizer zelf. Wat iemand vooreerst nog meer had kunnen verlangen?

Akbar

Toen den volgenden morgen onze jeugdige krijgsman op een van de groote pleinen der vesting het bevel over zijne afdeeling benevens de noodige instructiën van den Hoofd-Mansabdar der Radjpoet's ontvangen had, bleek hem al spoedig dat in vredestijd ten minste de dienst noch lastig noch bijzonder zwaar was te achten. De boven hem gestelde officier was een streng man en zeer gesteld op de krijgstucht, die bij deze troepen anders wel eens te wenschen overliet; maar daaraan was Koelloeka's leerling wel gewend, terwijl hij ook zelf een goede tucht onmisbaar achtte; en voor 't overige bleek diezelfde Mansabdar, die hem als teeken van zijn rang de witte reigerveder met het daaraan bevestigd onderscheidingsteeken overreikte, een zeer beschaafd en wellevend mensch, wien het bij al zijne strengheid ook niet aan zekere vriendelijkheid ontbrak. Niet minder behaagde Siddha het voorkomen zijner ondergeschikten, aan wie hij thans vormelijk werd voorgesteld; kloeke jonge mannen bijkans allen en uitnemende ruiters, in sierlijke, schitterende kleedij als hunne aanvoerders, met krijgshaftige houding en gelaatstrekken stralend van levenslust en moed.

Op uitnoodiging van den bevelhebber liet nu Siddha zijne ruiters eenige evolutiën maken, waarbij hij zelf ook gelegenheid had zijne rijkunst zoowel als de uitnemende dressuur van zijn hengst te doen bewonderen; en na afloop der oefening zou Koelloeka, ware hij tegenwoordig geweest, ongetwijfeld met zelfvoldoening de goedkeuring hebben opgemerkt, welke zijn leerling van den kant zijner superieuren ten deel viel. Na nog eenige gezamenlijke bewegingen met eene andere op het plein verzamelde afdeeling, werd de trompet gestoken ten teeken dat de exercitie voor heden was afgeloopen, en bevel gegeven tot inrukken.

Aan Vatsa, die bij een van de toegangen tot het plein hem stond te wachten, gaf nu Siddha zijn paard over, en rigtte daarop zijne schreden naar een der tuinen van het paleis, waarvan het bezoek aan officieren van zijn rang veroorloofd was. Eer hij echter den hof bereikt had, zag hij uit een zijlaan een jonge vrouw naderen, blijkens hare kleeding eene dienares van goeden huize, die op hem toetredend, een oogenblik hem oplettend aanzag en toen vroeg:

—Zijt gij, Heer! niet de edele Siddha, die hier onlangs uitKaçmir moet zijn aangekomen?

—Die ben ik,—antwoordde de ander,—gij schijnt mij te kennen.

—Ik persoonlijk niet,—zei de dienares,—maar de edele vrouw die mij gezonden heeft, gaf mij uwe aanduiding. Zij verlangt voor eenige oogenblikken uw onderhoud; zoudt gij de goedheid willen hebben haar dat te gunnen?

—Maar,—vroeg Siddha,—wie is uw meesteres?

—Vergun mij, Heer!—was het antwoord,—u den naam voor 't oogenblik te verzwijgen; zij zelve zal u daaromtrent voorzeker inlichten, als gij haar met een bezoek mogt willen vereeren. En wilt gij dit, dan wacht zij u nog heden avond. Kom dan omtrent zes uur ginds bij de moskee,—en hier wees zij naar het even prachtig als sierlijk gebouw, dat daar op eene hoogte achter de tuinen met zijne vergulde koepeldaken en wit marmeren minaretten in het zonlicht glansde,—ik zal u daar wachten en u geleiden.

Siddha aarzelde en zocht naar een antwoord. Een avontuur? En hij dacht aan Iravati. Of een komplot? En hij herinnerde zich de waarschuwing van Aboel Fazl.

—Nu?—vroeg de dienares, eenigszins spottend hem aanziend,—weet een ridder als gij niet wat hij doen zal, als eene aanzienlijke vrouw hem uitnoodigt tot een kort onderhoud? Gij zijt toch, hoop ik, niet bevreesd….

—Bevreesd!—riep Siddha toornig uit, terwijl een hoogrood zijn gelaat overdekte,—wat geeft u 't regt….—Maar—vervolgde hij, zich bedwingend,—'t is waar, mijne weifeling moest u zonderling schijnen. Laat de reden u evenwel onverschillig zijn, en wacht mij tegen den bepaalden tijd bij de moskee!

—Het is wel!—antwoordde de vrouw en verwijderde zich met een beleefden groet door de laan waarlangs zij gekomen was.

Wel overlegde Siddha of hij niet beproeven zou haar ongemerkt te volgen en zoo mogelijk dus te ontdekken met wie hij te doen had; doch spoedig begreep hij dat hem dit toch niet gelukken zou, en de dienares wel behoorlijk op hare hoede zou zijn. Schoon onvoldaan, en met de gansche zaak en zichzelven niet erg tevrede, wandelde hij dan maar voort in afwachting van 't geen de avond zou geven en bereikte hij ook spoedig den eigenlijken hof.

Zoo rijk ook de aanleg van dezen, toch was er iets wat het oog eer vermoeide dan bevredigde: de onveranderlijk regte lanen, alle met glad gepolijste steenen van verschillende kleur bevloerd, en meer nog tusschen een soort van lage, kunstig gebeitelde muurtjes, dan tusschen boomen uitloopend op eveneens in marmer besloten vijvers, in wier midden zich fonteinen van allerlei vorm verhieven. Wat daarenboven het gezigt nog eentooniger maakte, was het volmaakt vlakke dier regte lanen, die op verschillende plaatsen in het ongelijke terrein waren uitgegraven. Met dat al bleef de aanblik toch treffend en in elk geval heerschte er doorgaans eene aangename koelte ouder de digte, hier en daar verspreide boomgroepen, waaronder ook sierlijke marmeren banken eene aangename rustplaats boden.

Op een dier banken zag onze wandelaar, na een tijdlang te zijn voortgegaan zonder iemand te hebben ontmoet, een man gezeten van, naar 't hem voorkwam, middelbaren leeftijd en eene, niet lange maar bijzonder krachtige statuur, met breede schouders en zwaargewelfde borst, een man wiens uiterlijk voorkomen, zonder dat hij van de reden zich wist rekenschap te geven, op merkwaardige wijze zijn aandacht trok. Van de hovelingen, welke Siddha tot dusver ontmoet had, onderscheidde deze man zich door niets wat bepaald onder woorden viel te brengen. Zijn gelaat, als dat der meeste anderen glad geschoren, was kalm, waardig en open, maar noch bepaald schoon, noch ook het tegendeel te noemen, en zijn kleeding was rijk maar toch vrij eenvoudig. Een gewaad van niet bijzonder kleurige, maar zeer fraai doorweven stof, en tot eenig siersel, behalve de kunstig gedreven en met edelgesteenten bezette sabelgreep, een enkele diamant van buitengewone grootte en schitterenden glans in de plooijen van den tulband. Maar wat sierselen noch schoonheid van gelaatstrekken konden verleenen, dat was die eigenaardige uitdrukking van houding en blik, die Siddha ook terstond in Gaurapada, den kluizenaar, had getroffen, maar hem nu bij dezen nog veel meer in 't oog viel, en die nagenoeg uitsluitend den heerscher, niet ligt een onderdaan eigen kon zijn. Toch vermoedde hij in den onbekende niets anders dan een hoveling of een krijgsbevelhebber; want van eenig vorst, die op dit oogenblik zich aan Akbar's hof zou bevinden, had hij niets gehoord, en de groote Keizer zelf zou toch zoo ligt niet voor iedereen genaakbaar zijn, noch zoo eenzaam daar op een bank in een der voor vreemden toegankelijke tuinen zijn gezeten. Met een zwijgenden groet wilde hij juist voorbijgaan, toen de onbekende op eens zijn naam uitsprak, en zonder op te staan en zonder nadere inleiding vroeg, of hij al kennis met zijn Radjpoet's gemaakt had.

Nogal verwonderd, dat iedereen scheen te weten wie hij was, antwoordde Siddha bevestigend, waarop de ander, terstond de zaak verklarend, voortging:

—Ik herkende aan die reigerveder uw rang, en daar ik nu al uwe medeofficieren persoonlijk ken en tevens wist dat gij dezer dagen hier zoudt komen om uw betrekking te aanvaarden, was 't mij ook niet moeilijk te weten wien ik voor mij zag. En hoe bevalt u die betrekking? Zet u inmiddels!

—Ik zou,—antwoordde Siddha, aan de uitnoodiging gehoor gevend, al klonk die meer als een bevel, en nauw of in 't geheel niet opmerkend hoe die volslagen onbekende hem als een ondergeschikte scheen te behandelen,—ik zou al erg ondankbaar jegens mijn begunstigers en den Keizer moeten zijn als ik de eervolle en tevens aangename betrekking niet waardeerde waarin zij mij geplaatst hebben.

—…En den Keizer!—herhaalde de ander,—nu ja. Maar zeg mij, komt gij nu eigenlijk om hem te dienen, of eenvoudig om deel te hebben aan de voorregten, die uw rang aan zijn hof u verleent?

—Een lastige vraag, edele Heer!—sprak Siddha openhartig,—en die ik mij zelf eigenlijk nog in 't geheel niet gesteld heb. Ik zou er voor 't oogenblik alleen op kunnen antwoorden: om 't een zoowel als om 't ander. Dat ik overigens den Keizer trouw hoop te dienen, zoolang eer en pligt het mij veroorloven, spreekt, dunkt mij, wel van zelf als ik eenmaal vrijwillig mij aan zijn dienst verbonden heb.

—Voorzigtig geantwoord!—merkte de onbekende aan,—de vraag is alleen maar, wat gij soms onder eer en pligt verstaat. Dat zijn rekbare woorden.

—Voor velen,—hernam Siddha,—maar niet voor mij. Ik neem ze in den strengsten zin. Maar ook in eene bepaalde beteekenis. Eer en pligt zouden mij bijvoorbeeld verbieden in strijd te handelen met de belangen van mijn eigen vaderland, en ik zou dat ook niet willen doen al werd het door Akbar zelf mij bevolen, maar in dat geval liever al de voorregten opgeven, welke zijn gunst mij zou kunnen verzekeren.

—En gij zoudt wél doen,—sprak de ander goedkeurend, maar wat reden hebt gij tot dergelijke onderstelling als zou de Keizer inderdaad iets van u verlangen wat u en den uwen tot wezenlijk nadeel kon strekken?

Een oogenblik weifelde Siddha en draalde met zijn antwoord, terwijl hij, als reeds vroeger, aan zijn gesprek met zijn oom, den Goeverneur van Allahabad dacht. Spoedig echter vermande hij zich en, den vreemde met vrijmoedigheid in het rond en open gelaat ziende, vroeg hij zonder verdere inleiding of voorbereiding:

—Is Akbar niet eerzuchtig?

—Jongmensch!—sprak de onbekende op een toon en met een blik, die Siddha zijns ondanks eene zijdelingsche beweging deden maken op zijn bank,—zooeven hebt gij voorzigtige uitdrukkingen gebezigd, maar aan 't hof van Shah Akbar zelf u zoo uit te laten jegens iemand, dien gij in 't geheel niet kent, dat dunkt mij toch al erg gewaagd.

—Zoo mag het schijnen,—antwoordde Siddha onbevangen, ik ken u niet, dat is waar; doch of ik uw naam en rang nu verneem of niet, is mij voor 't oogenblik onverschillig. Ik zie u, ik zie uw gelaat, ik hoor uw stem: dat is mij genoeg; en een edelman, jong en nog onervaren bovendien, die openhartig en opregt met u spreekt, zult gij en kunt gij niet verraden noch willen benadeelen, omdat hij toont u te vertrouwen.

Een glans van genoegen, doch niet zooals gestreelde ijdelheid dat verschaft, maar van waarlijk edele en reine voldoening, overtoog bij die eenvoudige woorden het gelaat van den onbekende. Vleitaal te hooren was hem niet vreemd, en hij was daarvoor ook geenszins ongevoelig, maar hier was het een woord uit het hart, dat ongetwijfeld belangeloos tot hem gesproken werd, en juist datgene in hem roemde waarop hij prijs stelde boven alles….

—Dat—zeide hij, de hand op Siddha's schouder leggend, en zachter dan anders klonk zijn stem en eene innemende vriendelijkheid blonk uit zijn helder oog,—dat is een waar woord, dat gij gesproken hebt! Gij vertrouwt mij, zegt gij, ook hoewel ge mij nog niet kent. Blijf daarbij als ge mij eenmaal wél zult kennen! Maar nu dan Akbar! Eerzuchtig is hij, naar uwe meening, en gij hebt regt. Ik ken hem eenigszins, al is 't ook zoo goed niet als ik wel zou verlangen, en ik stem het u toe dat hij eerzucht heeft. Een onbegrensde, nooit voldane eerzucht zelfs. Maar welke? Zoudt gij dan werkelijk meenen dat het enkel de zucht was om al meer en meer rijken en volken toe te voegen aan zijn reeds zoo uitgestrekt, nu al zoo moeijelijk te beheerschen gebied? Zou hij zich met het verworvene niet kunnen tevrede stellen? Zie toch! alleen het betrekkelijk kleine rijk van Agra en Delhi was bijkans zijn eenige erfenis; weinig of niets anders had Hoemayoen, zijn veelal ongelukkige en zwaar beproefde vader, hem nagelaten; en tegenwoordig strekt zijn gebied zich uit van de grenzen van Perzië tot de uiterste streken van Bengalen en de gewesten van Dekkan en Golconda. Wat verbeeldt gij u dan, of eenige nieuwe verovering, bijvoorbeeld van uw ver afgelegen Kaçmir, op zich zelve hem zoo buitengemeen veel genot zou verschaffen, of ook hem zoo groote opofferingen waard zou zijn als elke veroveringstogt steeds kosten moet? Toch kunnen er redenen bestaan, die een vorst gebiedend nopen de onafhankelijkheid van een naburigen staat niet langer te eerbiedigen, wanneer deze in ernst gevaarlijk dreigt te worden voor de rust en de veiligheid zijner eigene volken. En in zulk een geval moet hij handelen, moet hij strijden, ook al liet hij nog zoo gaarne het zwaard in de schede en al ware hem niets gewenschter dan een rijk van vrede en eendragt in de staten die hem omringen zoowel als in zijn eigen land. Maar dat neemt alles niet weg dat de afstammeling van Baber en Tamerlan inderdaad eerzuchtig is, hoewel in een anderen zin dan gij blijkbaar onderstelt.—Zijne eerzucht,—vervolgde de spreker,—terwijl zijn anders rustig oog begon te schitteren,—zijne eerzucht dan is, en was het voorlang, sinds de eerste jaren van zijn mannelijken leeftijd, niet enkel de stichting van een groot en magtig rijk, maar bovenal het geluk, de welvaart en de ontwikkeling der volken, die hem door eene hoogere, al is 't onbekende, althans nooit begrepen en doorgronde magt zijn toevertrouwd. Hunne maatschappelijke toestanden heeft hij getracht te regelen, hunne oneenigheden bij te leggen, het onderscheid, of den strijd ten minste, der verschillende rassen te doen ophouden, een einde te maken aan godsdiensttwisten, en den overmoed en de dwingelandij te beteugelen van magtige en zelfzuchtige grooten. Hij heeft beproefd, de nijvere klassen der burgerij te verheffen, en rijkdom en welvaart te verspreiden onder allen, wetenschappen en kunsten aan te moedigen, en zijne volken op te leiden tot dien staat van beschaving en verlichting, waarvoor velen hunner zoo uitnemenden aanleg betoonen. Zeg nu vrij, dat dit alles veel te veel is voor één enkel eenvoudig sterveling, en ik zal u niet weerspreken; maar laat het streven naar een ideaal niet veroordeeld worden enkel omdat het onbereikbaar is. En wezenlijk, volkomen bereikbaar, ja! dat beken ik gaarne, is het ideaal van Akbar niet. Dat heeft hij zelf al genoegzaam ondervonden. Hoe vele jaren van denken en zwoegen en onophoudelijk strijden heeft hij niet al gewijd aan het bereiken van zijn doel, en hoe vér, hoe vér, helaas! blijft hij daarvan ook heden nog verwijderd!

Met eerbied en ontzag had Siddha geluisterd naar den hem onbekenden man, die inmiddels was opgestaan, en in 't vuur zijner rede hartstogtelijk de hand had omhoog geheven, maar nu, ten einde gekomen, ze weer mistroostig zakken liet en het diepdenkend hoofd voorover boog op de ongetwijfeld ook een warm hart omsluitende borst. Voor een oogenblik bestond er bij zijn, mede nu opgerezen, toehoorder geen twijfel of hij zag niemand anders vóór zich dan den Keizer zelf; maar toch scheen de gedachte alsof zóó een man jegens hem, een jong en onbekend vreemdeling, zich dus zou uitlaten, te dwaas dan dat hij wezenlijk er aan hechten kon. Met dat al was hij nu toch voornemens rondweg te vragen met wien hij eigenlijk gesproken had, toen zich voetstappen in de nabijheid deden vernemen en een lang, schoon een weinig gebogen man in stemmig gewaad, en, hier bij uitzondering, met een digten zwarten baard, het verder onderhoud kwam afbreken en nadere vragen onmogelijk maakte.

—Abdal Kadir!—sprak de onbekende, meer evenwel in zichzelven dan verklarend tot Siddha, en een oogenblik dekte een donkere wolk zijn gelaat. Niettemin ontving hij den inmiddels naderbij gekomene met beleefdheid, hem tevens een wenk gevend waaruit de ander genoeg begreep dat hij onbekend verlangde te blijven.

Met een trotschen blik nam Abdal Kadir den een weinig ter zijde getreden Siddha van 't hoofd tot de voeten op, en keerde hem toen zonder een woord te spreken den rug toe. Dat onzen Indischen edelman het bloed naar de wangen steeg, was zeker bij dergelijke bejegening niet te verwonderen, en juist wilde hij op den ander toetreden om verklaring te eischen van de beleediging, toen de onbekende hem terughield en zeide:

—Laat, edele Siddha! de eenigszins vreemde handelwijze van mijn vriend hier u niet al te zeer vertoornen! Hij heeft het niet persoonlijk tegen u, zelfs in 't minst niet, daar ben ik zeker van; maar het gezigt van u, Hindoe's in 't algemeen, is hem altijd onaangenaam, omdat hij zich verbeeldt, dat zij schade doen aan zijn geloof.—Is het zoo niet?—vroeg hij, Abdal Kadir aanziend.

—Zoo is het inderdaad!—antwoordde deze;—en ik heb ook werkelijk geen persoonlijke veete tegen u, jonkman!—vervolgde hij tot Siddha,—ik ken u niet eens; maar des te beter die van uw stam en geslacht. Hen te bestrijden blijft mij een heilige pligt. En ik strijd tegen hen, ik haat hen met onverzoenlijken haat, niet omdat ik niet velen hunner als menschen zou kunnen achten, maar omdat zij ons geloof belagen en onzen Keizer zelf daarvan afkeerig maken. Allah verloochenen zij, en bespotten Zijn Profeet; ons, diens volgelingen, zoeken zij te verdringen en zich meester te maken van ambten en bedieningen om hunne valsche goden en hunne dwaalleeraars in de plaats te stellen van den God, buiten wien geen God is, en van den eenige die in waarheid Hem verkondigd heeft. Daarom, maar daarom ook alleen, haat ik hen en u. Ik haat u en wil strijden tegen u ten einde toe, omdat gij óf ongodisten zijt óf afgodendienaars, in elk geval verleiders van het volk, verzoekers van den vorst. Genoeg! omdat gij anders niet zijt dan ongeloovige….

Een uiterst strenge en doordringende blik van den ongenoemde hield op de lippen van den spreker het woord terug dat blijkbaar volgen moest, en, ware 't geuit, ook ongetwijfeld Siddha had doen opstuiven in weerwil van al zijne pogingen om zich te bedwingen.

—Ongeloovigen dan, in één woord,—vervolgde Abdal Kadir,—en dat is voor een opregt zoon van den grooten Profeet reeds meer dan genoeg. Maar wat gaat het u aan, of ik, die hier niets te zeggen of te beteekenen heb, nu al dan niet met u en uw stamgenooten ben ingenomen? Gij zijt immers verzekerd van de gunst des Keizers, die alles doen kan, en ook doet, wat hem gelieft. Van de voormalige belastingen, door de ware geloovigen met het volste regt van ulieden, verzakers der goddelijke waarheid, gevorderd, heeft hij u vrijgesteld; hij roept u tot alle betrekkingen, stelt u aan tot zijne officieren en legerhoofden, kiest onder u zijne raadslieden en vrienden; wat wilt gij meer? Laat mij dan, laat ons en onzen geregten wrok; wij kunnen u toch niet deren! Eene andere vraag zal het zijn of de straf des hemels niet eenmaal zal nederdalen op uw hoofd, en… welligt ook hem zal treffen, die met eer en gunstbewijzen u overlaadde in plaats van u te tuchtigen met de roede en met het zwaard, door Allah zelf te dien einde hem ter hand gesteld!

—Mij dunkt,—sprak nu de onbekende na deze warme ontboezeming op ijskouden toon,—mij dunkt, ons onderhoud, op deze wijze voortgezet, kan voor geen onzer meer eenig nut of genoegen leveren. Ongetwijfeld zoudt gij, vriend Siddha! ook aan 't woord komend, nog wel 't een en ander tegen Abdal Kadir's redenen in 't midden hebben te brengen, gelijk ik zelf ook verre ben van er mee in te stemmen; doch, zoo ik mij niet vergis, komt hij ditmaal ons niet opzoeken om een toch onvruchtbaren twist te voeren, maar ter bespreking van een of ander dadelijk belang. Daarvoor sta ik hem dan ook gaarne te woord. Vergun mij dus, u voor 't oogenblik vaarwel te zeggen. Spoedig hopen wij elkander weer te zien….

—Abdal Kadir!—vroeg de tot dusver ongenoemde, nadat Siddha zich verwijderd had met een eerbiedigen groet, waarvan overigens slechts een zeer gering gedeelte was toegewijd aan den nijdigen Islamiet,—wat verlangt gij van mij?

—Sire!—antwoordde de toegesprokene, want dat het inderdaad Akbar zelf was met wien Siddha zich had onderhouden, zou ieder hem gezegd hebben die niet als hij voor 't eerst aan het hof van Agra kwam,—Sire! mijn pligt als onderdaan en als vriend, geen eigen of bijzonder belang, noopte mij tot Uwe Majesteit te gaan….

—Ik weet het,—viel Akbar hem in de rede,—zelfzuchtig zijt gij niet, en beschermelingen houdt gij er ook niet op na. Toch zou ik soms wenschen dat er iets van ware; misschien kon ik u dan nog eens voldoen; thans gelukt mij dat zelden of nooit. Ook wil ik wel wedden, tien tegen een, dat gij mij weer over geloofszaken hebt te spreken; uw opgewonden woorden van zooeven verkondden mij alhaast wat er komen moet. Wees intusschen zoo goed, u thans wat te matigen!

—Inderdaad!—antwoordde Abdal Kadir,—het geloof, ons eenig waar en onvervalscht geloof, is het ook nu wederom wat mij herwaarts voert. Daarover wensch ik een oogenblik onderhoud.—En,—vervolgde hij,—nu van zijne zijde met een strengen blik,—een wezenlijk ernstig, als het kan!

—Ik wil gaarne mijn best doen,—zei Akbar beleefd,—en ik beloof u, volstrekt niet te lagchen, mits… gij 't ook niet al te bont maakt.

—Het oordeel daaromtrent hangt af van de bijzondere opvatting,— merkte de ander aan,—maar ik wil mijnerzijds streven, de zaak zoo bedaard mogelijk te behandelen. Mijn pligt dan, zeide ik, als onderdaan noopt mij onverholen te spreken. Te waarschuwen toch, en met allen ernst te waarschuwen, wordt dringend noodig voor al wie als ik het opregt met Shah Akbar meent en tevens weet wat mij is ter ooren gekomen. Dat er al lang een hevig ongenoegen onder ons, wezenlijke Mohammedanen, bestaat over de wijze waarop allerlei Heiden- en Jodenvolk door u, den Keizer, wordt begunstigd, en lauwhartigen als een Aboel Fazl, en atheïsten als een Feizi, in de hoogste magts- en ambtsbetrekkingen zijn geplaatst, is u voldoende bekend. Maar wat gij niet weet, is, hoe er dientengevolge in 't midden van uw rijk en in de dadelijke nabijheid van uw hof eene partij is ontstaan, die onherroepelijk uw val en ondergang besloten heeft, indien gij ten einde toe weigert gehoor te geven aan de allezins billijke eischen, waarop zij, als vertegenwoordigende de aloude en eenig ware vrienden van het huis van Tamerlan, mag aanspraak maken. Nog onlangs was ik in de gelegenheid eene vergadering onzer moellah's bij te wonen, en wat ik daar vernam was mij inderdaad reeds genoeg om mij te doen sidderen bij de gedachte, wat dergelijke onder de Mohammedaansche bevolking zoo invloedrijke mannen niet al vermogten zelfs tegen een Akbar, indien ze eens gesteund werden door eerzuchtige grooten en ontevreden legerhoofden, zooals er zoovelen ook aan het hof van Agra zelf als overal in gansch Hindostan nog gevonden worden.

—Maar,—vroeg Akbar, eenigszins ongeduldig,—wat willen dan eigenlijk uwe moellah's en hun aanhang? Hebben ze niet genoeg aan de meest volmaakte vrijheid om te denken en te spreken zooals zij willen, en proselieten te maken zooveel ze maar kunnen? Heb ik hun ooit een stroobreed in den weg gelegd?

—Zeker niet,—hernam de ander,—maar dat zou dan ook ten hemel schreijen! Doch wat baat hun die vrijheid, indien anderen, indien alle mogelijke soorten van ongeloovigen volmaakt dezelfde bezitten, en hier aan uw hof, en in het leger en allerwege in allerlei maatschappelijke betrekkingen hen komen ergeren door hun verontreinigende tegenwoordigheid? En wat komt er dan van de handhaving van het eenig ware geloof, waartoe boven alles de Keizer, de vertegenwoordiger van Allah hier op aarde, geroepen is?

—Ja, daar zijn wij er weer!—riep Akbar uit,—dat is nu weer het oude thema. Gijlieden alleen hebt de waarheid in pacht, en daarvoor moet alles zwichten, ook ik, en wat niet buigen wil moet breken. Maar waarom zijt gij nu eigenlijk alléén in 't bezit van die waarheid?

—Omdat de Profeet, gezegend zij zijn naam! ze ons verkondigd heeft, en omdat….

—Omdat hij 't wist, en niemand anders dan hij. Goed! Maar daar hebt gij nu die Padres, die hier uit het Westen, uit de landen der Franken komen, ook eerlijke, brave menschen zooals gij.

Die hebben ook een Profeet, dien ze, bedrieg ik mij niet, wel eens als hun God vereeren, schoon mij dat nog niet regt duidelijk is. En die is in elk geval ouder dan Mohammed. Dan zijn er ook nog de Joden, die niets van dezen en ook niets van den anderen, maar alleen van Mozes willen weten. En wat zegt gij dan wel van onze Brahmanen hier? Die komen met zooveel oude en alle met het hoogste gezag bekleede boeken voor den dag, boeken zoo eerwaardig oud dat zijzelf ze haast niet meer kunnen verstaan, en beroepen zich op zooveel zieners en heilige mannen dat Mozes met zijn Thora en Christus met zijn Evangelie en Mohammed met zijn Koran er allen te zamen nauw tegen op kunnen werken. En nu vraag ik u toch in gemoede: Hoe wil ik een eenvoudig man, die van dat alles wel eens iets gehoord heb, maar er geen honderdste part van versta, nu als geloofsregter gaan beslissen en uitmaken of Mohammed bijvoorbeeld meer regt dan Christus heeft?

—Maar gij zijt toch in de leer van den Islam opgevoed?

—Een weinig afdoende grond voor iemands geloof, dat toch wel op eigen onderzoek en overtuiging dient te steunen en bezwaarlijk alleen afhankelijk zijn kan van de omstandigheid of zijn vader hem indertijd heeft laten doopen of besnijden! Maar 't is de vraag nu ook niet, wat ik persoonlijk al dan niet heb te gelooven; dat gaat niemand aan; maar alleen, wat ik als vorst, als beheerscher van het rijk der Mogols te doen heb tegenover de belijders van al die verschillende godsdienstsecten, die alle gelijkelijk aan mijn heerschappij zijn onderworpen en dus ook gelijke aanspraak hebben op mijn bescherming. En die vraag, geloof mij, beste vriend! die zult gij nimmer kunnen oplossen zoolang gij alles van dien éénen kant blijft bekijken en blind voor al de andere zijt.

—Maar de gevaren dan toch, waarmede uw inzigten, daargelaten welke waarde ze hebben, uw rijk en uw troon bedreigen?

—Nu,—sprak de Keizer, met zekere minachting glimlagchend,—ik heb wel aan andere 't hoofd geboden dan die waarmee de toorn uwer geloofsdrijvers mij thans weer te bedreigen heet.

—Andere!—hernam Abdal Kadir met nadruk en den vorst met ernstigen blik in de oogen ziend,—juist, andere! Namelijk die soort van gevaren, die vreemden u bereidden. Maar als het verzet, heimelijk eerst, daarna meer openbaar, nu eens opkwam uit uw eigen huis, of gevoed en bevorderd werd door hen die behooren tot uw eigen geslacht? Indien uw zoon….

—Mijn zoon! Selim!—riep Akbar uit.—En toch,—ging hij voort,— onmogelijk schijnt zoo iets niet! Wij zagen dat meer in ons geslacht en in dat der vorsten, die ons omringden en na eindelooze familietwisten zich onderwierpen aan onze heerschappij. En zoo meent gij dan dat Selim zelf zich met uwe ontevredenen tegen mij zou kunnen verbinden? Want dat schijnt toch wel de strekking uwer woorden.

—Zoo is het, Sire!—antwoordde Abdal Kadir,—althans ik heb gemeend dat hij zich daartoe wel eens door geloofsijver kon laten verleiden; maar ik zeg nog volstrekt niet dat het reeds het geval is.

—Nu,—hernam Akbar,—als 't er dan werkelijk toe komen moest, één ding is zeker, uit ijver voor 't geloof zou Selim dus niet handelen; hij geeft vrij wat meer om fijnen wijn en schoone vrouwen dan om den Koran en den Profeet. Maar dat neemt niet weg, dat ik u dankbaar ben voor de waarschuwing. Waart gij er terstond mee begonnen, we hadden ons vrij wat overtollige woorden kunnen besparen. Hebt gij later weer eens meer zulke mededeelingen, we zullen er u dank voor zeggen; zij kunnen ons leeren, een weinig op onze hoede te zijn en onze lieden hier wat in 't oog te houden. Voor 't oogenblik inmiddels: Vaarwel!

En met een ietwat ironieken glimlach om de lippen verwijderde zich de Keizer en liet Abdal Kadir in de gelegenheid om over den indruk na te denken, dien zijne toespraken hadden te weeg gebragt.

—Bij Allah!—bromde de volgeling van den Profeet tusschen zijne tanden,—daar hebben we nu weer wat moois verrigt! Ik had gemeend hem niet weinig te doen ontstellen toen ik Selim noemde en hem op eens gedwee te maken door mijne mededeeling. Maar bij slot van rekening heb ik hem nu eenvoudig gewaarschuwd; en in plaats van ons te helpen, zal hij ons nu nog harder gaan tegenwerken, nu hij weet of althans vermoedt dat sommigen der onzen met zijn eigen zoon tegen hem zamenspannen, of ook, zoo hij 't misschien reeds bevroedde, zich door mij in zijne meening bevestigd ziet. Een wijs man acht gij u, Abdal Kadir! en toch… gij hebt weer gehandeld als een gek!

Och, of de ijver die mij bezielt, voor ons heilig geloof, mij ook die kalmte steeds liet bewaren, die Akbar zoo zelden verlaat! Wat voordeel hem dat niet verschaf, boven ons!…

Of nu evenwel die bedaardheid, zooeven door Akbar betoond, ook wezenlijk zoo opregt en natuurlijk was als de ander onderstelde, mogt de vraag heeten voor wie hem in diep gepeins met naar den grond geslagen oog en nu en dan het hoofd schuddend naar zijn paleis had zien terugwandelen….

Daar, in zijne eigene, voor slechts enkelen toegankelijke vertrekken wachtte inmiddels een man, wiens tegenwoordigheid buiten twijfel aan Abdal Kadir, zoo hij er van geweten had, opnieuw stof zou hebben gegeven tot hevige verontwaardiging,— Koelloeka, de Brahmaan. In gedachten verzonken zat hij naar den vloer te staren, en noch de prachtige versierselen van het ruim en luchtig vertrek noch het heerlijk uitzigt over de lagchende tuinen scheen een oogenblik zijne opmerkzaamheid te trekken. 't Was dan trouwens ook niet voor den eersten keer dat hij dit alles aanschouwde.

Een Keizerlijk wachter kwam weinig tijds na het straks gevoerde gesprek hem wekken uit zijne mijmering om hem binnen te leiden bij den Vorst.

—'t Is mij lief u weer hier te zien, Koelloeka!—sprak de Keizer, na minzaam den groet van den Brahmaan te hebben beantwoord,—en ik wil hopen dat gij mij goede berigten medebrengt uit uw land.

—Helaas, Sire!—antwoordde Koelloeka mistroostig,—wenschte dat ik het kon; of ook de min gunstige voor Uwe Majesteit te mogen verbergen, zooals ik 't nog voor anderen doe. Maar het vertrouwen door Haar in mij gesteld, alsook het welbegrepen belang van mijn land zelf, noopt mij, niet te verzwijgen wat ik weet.

—Ik begrijp het al,—zei Akbar,—zeker weer de oude geschiedenis! Partijveeten en familietwisten, zonen die tegen hun vader, broeders die onder elkander intrigeren, dáár… als elders.

—Maar al te waar!—hernam Koelloeka.—Toen eenmaal Nandigoepta, de wettige Koning van het tooneel was afgetreden en zijn broeder de vrije hand had gelaten, meenden wij dat nu voor goed de orde zou zijn hersteld; en geruimen tijd was het ook zoo. Met de bestaande regering was het volk tevrede, zooal niet ingenomen, en aan nieuwe veranderingen werd althans niet gedacht. Ook nu is dat onder de eigenlijke burgerij nog volstrekt niet het geval. Maar toch begint weer factiegeest nieuwe onlusten aan te stoken, en al wederom nieuwe omwentelingen schijnen te worden voorbereid. Wat nog misschien het ergste is, wij weten niet te ontdekken van welke zijde het voornamelijk komt. De zoons van den Koning, die vroeg of laat tegen hem in opstand dreigen te geraken en onderling ook al weer verdeeld schijnen, handelen zeer zeker niet uit eigen beweging en worden blijkbaar opgestookt. Maar door wie? Ziedaar wat tot dusver ons ontsnapt.

—'t Mag zijn hoe het wil,—sprak de Keizer, vast en beslissend,—of zij zelfstandig handelen of niet, het schijnt toch dat het oude spel weer zijn gang begint te gaan. En wat moet, indien 't niet bijtijds wordt verhinderd het onvermijdelijk gevolg daarvan zijn? Dat, als vroeger, de verschillende partijen zich gaan uitrusten tot openlijken strijd, dat burgeroorlog uw land verscheurt, en dat van weerszijden zich benden vormen, die, naarmate ze minder geluk hebben binnen de grenzen van hun eigen landstreken het elders en wel bepaald binnen de mijne gaan beproeven, en mijne landen en mijne onderdanen komen plunderen en brandschatten om zich schadeloos te stellen voor wat zij te huis verloren hebben. En nu zeg ik u zonder omwegen en eens voor goed, opdat gij in tijds moogt gewaarschuwd zijn, ik zal dat niet dulden. Mijn rijk, mijne volken zullen geëerbiedigd worden, en kan dit niet anders dan door geweld, welnu, wat moeite en wat schatten 't ook weer kosten moge, ik verzamel opnieuw mijne legers en voer ze naar het Noorden om ook daar de rust te herstellen, die onmisbaar voor de welvaart mijner onderdanen blijft. Liever nog het gansche rooversnest uitgeroeid dan het tot schade der mijnen enkel om der lieve vrede wille te laten voortbestaan! Ondanks al zijn ontzag voor den Keizer mogt ook de bezadigde Koelloeka een opwelling van toorn niet bedwingen bij die trotsche en als uitdagende taal, en donkerder kleurde zich, al gaf hij geen dadelijk antwoord, zijn door de zon gebruind gelaat.

—Vergeef mij, waarde Koelloeka! hernam thans evenwel Akbar,— indien mijne woorden u soms griefden; maar gij weet immers zoo goed als ikzelf, dat ik, dus sprekend, de goeden onder ulieden, zooals gijzelf of uw tegenwoordigen vorst of zijne ministers niet bedoel, maar enkel die ellendige intriganten, die uzelven het meeste nadeel berokkenen en ons bedreigen met de gevolgen van hunne onzalige woelingen. Daartegen te waken is en blijft mijn pligt, en ik zal dien weten te vervullen. Help mij voorzooveel gij kunt om mijne tusschenkomst onnoodig te maken, en gij moogt u verzekerd houden dat ik de laatste zijn zal om ze u op te dringen.

—Ik stel volkomen vertrouwen in uwe woorden,—sprak Koelloeka,—en zoo ik een gevoel van wrevel niet gansch terug kon houden, 't was zeker niet minder om de vloekwaardige lagen, die ook thans weder ons land en onzen vorst worden gelegd, dan om de bedreigingen, waartoe ze, ik moet, hoe ongaarne ook, het wel erkennen, aanleiding geven en het regt. Maar schuilt nu in Kaçmir zelf en nergens anders het verraad? En is het zoo gansch ondenkbaar dat er hier aan uw eigen hof en in uw naaste omgeving, onder uwe verwanten zelfs, wordt zamengespannen tegen ons, als tegen uw gezag?

—Hoe nu? Wat meent gij?

—Ik ging te ver welligt en sprak misschien voorbarig. Maar ik heb mijn vermoedens en, zoozeer ik wenschen mogt dat zij ijdel bleken te zijn, toch kan ik ze niet gansch en al van mij afzetten. Selim….

—Wat? Al weder Selim? Zou die ook hier weer in betrokken kunnen zijn?

—Wat hij verder nog uitrigt is mij onbekend, maar enkele aanduidingen, hoewel zeker nog zeer onbestemde, geven mij toch aanleiding Uwe majesteit in dezen te waarschuwen. Blijken zij ongegrond, des te beter; maar goed toe te zien kan toch in elk geval geen kwaad.

—En dat zal geschieden! Voor 't oogenblik echter berust nagenoeg alles nog maar op onderstellingen en onbewezen mogelijkheden. Oordeelen en handelen wij dus niet te ras! Wees echter verzekerd dat niets van 't geen gij thans mij hebt medegedeeld mijn nauwlettend onderzoek zal ontgaan, en als we elkander weerzien zal de tijd tot beslissing en handeling misschien ook zijn aangebroken. Tot zoolang geen welligt ijdele zorgen. Doch eer ge van hier gaat wil ik u nog iets mededeelen, waarin gij meer persoonlijk wel eenig belang zult stellen. Ik heb zoo straks uw leerling gesproken.

—Hoe, Siddha?—riep Koelloeka eenigszins verwonderd uit,—en wie stelde hem dan nu reeds voor?

—Niemand,—antwoordde Akbar,—ik heb, in 't park hem ginds ontmoetend en ligt begrijpend wie hij was, hem zelf maar eens aangesproken. Gij weet dat ik wel eens meer zoo handel.

—En hij wist niet dat hij met den magtigen Keizer sprak?

—Natuurlijk niet, en 't bleek mij dat hij 't ook niet vermoedde. Zeg 't hem ook niet als gij hem zien mogt; later zal ik hem zelf wel inlichten. Maar gij verlangt zeker te weten wat ik van hem zeg? Welnu, ik ben heel wel met hem tevrede; 't is een flinke, eerlijke jongen, in wien ik vertrouwen stel. Misschien soms wat onvoorzigtig en wat heel openhartig….

—Hij heeft immers niets gezegd wat ongepast tegenover den Keizer kon zijn?

—Wel iets,—hernam Akbar lagchend,—ten minste indien hij geweten had tot wien hij 't zeide. Maar stel u gerust! Toen ikzelf hem onder 't oog bragt dat hij zich wat haastig uitliet, gaf hij mij een verontschuldiging waartegen ik niets had in te brengen. Maar genoeg! ik heb u gezegd dat hij mij voldeed, en 't is u bekend dat ik anders juist niet gewoon ben zoo aanstonds gunstig over de menschen te oordeelen die ik voor 't eerst zie. Laat hij zelf nu maar zorgen dat de goede indruk niet verloren ga! Andere zaken roepen mij nu voor 't oogenblik. Ik houd u dus niet langer terug!

Met eerbiedigen groet verliet Koelloeka het vertrek en met welgevallen zag Akbar hem na,—hem, een man zoo ver van hem verwijderd én in stand én in rang, én door uitwendige godsdienst en nationaliteit, maar toch opregt aan hem verbonden door achting en vriendschap, en dengene onwankelbaar trouw, wien hij eenmaal zijn woord had verpand.


Back to IndexNext