VIJFDE HOOFDSTUK.

—Op dien ten minste valt te rekenen!—sprak de Keizer in zichzelven,—in hem althans is geen bedrog.—En hij had regt. Maar hoevelen nog die hem nader stonden en van wie hij niet met evenveel regt hetzelfde getuigen kon!

Een nieuwe kennis en een oude

Niet lang had Siddha, omstreeks den bepaalden tijd, in de nabijheid van de moskee gewacht of hij zag de dienares naderen die, digter bij gekomen, hem uitnoodigde haar te volgen. Door verschillende lanen en zijpaden ging zij hem voor, tot zij eindelijk aan een hoogen tuinmuur kwam en een klein in den muur aangebragt poortje opende, dat zij ook, nadat beiden waren binnengetreden, zorgvuldig weer sloot. Een digte laan met cactussen en andere gewassen leidde hen tot een soort van terras met oranjeboomen en verscheidene fonteinen, waarop de achtergevel uitzag van een klein, maar bijzonder sierlijk en smaakvol huis, welks overig gedeelte in zwaar geboomte verscholen bleef. Langs de marmeren trappen en door een opene galerij werd nu Siddha door zijn geleidster in een mede aan den voorkant gansch geopend vertrek gevoerd; en na hem te hebben binnengebragt, verdween zij achter een der voorhangen.

Op een divan, aan de opene zijde van het vertrek, lag daar in bevallig achtelooze houding eene jonge, rijk en met smaak op de Perzische wijze gekleede vrouw, die zoodra zij haar bezoeker gewaar werd zich van het rustbed verhief en hem te gemoet kwam om hem welkom te heeten. Of zij schoon was? Met juistheid zou Siddha niet geweten hebben het te beslissen. Hare trekken waren niet regelmatig, haar gestalte was klein en tenger; maar hare zachte blauwe oogen, met lange zijden wimpers overschaduwd, hadden eene onbeschrijfelijk vriendelijke en innemende uitdrukking; haar alligt ietwat te groote mond scheen ook tot iets anders nog uit te noodigen dan enkel tot het luisteren naar hare woorden; en, was ook hare gestalte niet groot, zij bezat daarentegen de meest volmaakte evenredigheid, terwijl het gedeeltelijk eng sluitend gewaad de schoone ronding der vormen te duidelijker deed uitkomen. Wat evenwel Siddha terstond meer in 't bijzonder trof, was de hier wel buitengemeene blankheid van den hals en den half ontblooten boezem, waarom zich een kostbaar parelsnoer wond, en niet minder ook de rozeroode tint der wangen, gelijk hij die bij andere niet bruin gekleurde vrouwen tot dusver nog nooit had opgemerkt.

—Edele Heer!—sprak de onbekende, en zoo de indruk, dien haar gansche voorkomen op Siddha gemaakt had, niet reeds zoo gunstig ware geweest, de liefelijke klank harer stem zou hem volkomen hebben gewonnen,—ik zeg u dank dat gij zoo spoedig aan mijne uitnoodiging hebt willen voldoen. Welligt was mijn vezoek wat onbescheiden; maar als ik u de reden heb medegedeeld, zult gij, hoop ik, 't mij niet al te euvel duiden.

—Aan zulk een uitnoodiging gehoor te weigeren,—antwoordde Siddha,—ware ongetwijfeld al zeer onridderlijk geweest. Maar gaarne wil ik u de verzekering geven, edele vrouw! dat ik niet dan met ongeduld den tijd van het bezoek had kunnen afwachten, indien ik vooraf in de gelegenheid was geweest om het beeld te zien van degene die mij de uitnoodiging deed toekomen.

Met een ligte hoofdbuiging het gezegde beantwoordend, dat zij blijkbaar als een beleefdheidsphrase opvatte, ging de jonge vrouw voort:

—Mijne verontschuldiging dan is, dat geen eigenbelang mij tot deze handelwijs bewoog, maar het belang van eene andere, van eene vriendin, die ik hartelijk liefheb. Zij werd vóór eenigen tijd genoodzaakt uit Agra te vlugten om de lagen te ontgaan, die haar door sommige aanzienlijke en magtige personen gelegd werden, en vér van hier, in uw land, in Kaçmir, een schuilplaats te zoeken. Nu heb ik haar eenige mededeelingen te doen, die voor haar van groot gewigt kunnen zijn; maar ik wist tot heden geen middel om ze haar veilig te doen geworden, daar ik de boden, die hier tot mijne beschikking mogten zijn, geen van allen kan vertrouwen.

Daar verneem ik toevallig,—hoe, doet nu niet af,—dat gij met uw vroegeren leermeester Koelloeka in Agra waart gekomen, en tevens, dat de goeroe spoedig weer naar zijn land terugkeert. Ik begreep terstond dat ik niet beter kon doen dan mijn vertrouwen te stellen in de eer van een edelman zooals gij, wiens naam mij ook wel bekend was, en besloot dus u te verzoeken, uw vriend met de overbrenging van een brief te willen belasten, waarin ik kennis geef aan mijne vriendin van 't geen zij belang heeft te vernemen. Zou dit verzoek nu te veel soms van u of van den waardigenen Koelloeka gevergd zijn?

Een gevoel van verligting was Siddha's eerste gewaarwording bij het aanhooren van deze woorden. Zoo kwam dan de gansche zaak eenvoudig neer op het overbrengen van een blijkbaar zeer onschuldigen brief, die hem voor 't overige ook niets aanging. Toch mengde zich, half onbewust, een zekere teleurstelling onder dat gevoel van tevredenheid. Dat er geen sprake was van eenige zamenzwering mogt hem ongetwijfeld zeer verblijden, maar of zijne ijdelheid wel zoo bijzonder gevleid kon zijn door de overtuiging dat er ook geen zweem van een avontuurtje zich vertoonde? Inmiddels haastte hij zich aan de onbekende de verzekering te geven, dat hij zeer gaarne zijn leeraar met den brief zou belasten en dat deze ook tegen de overbrenging wel geen bezwaar zou maken.

Op een teeken der jonge vrouw verscheen nu de dienares en bragt op haar verlangen een in briefvorm zaamgevouwen en met een zijden koord en een zegel gesloten stuk.

—Het opschrift,—sprak gene, nadat de dienares weer vertrokken was,—luidt, zooals gij ziet, aan iemand anders dan aan mijne vriendin zelve. De naam is u misschien bekend.

—Zeer zeker!—antwoordde Siddha,—ik ben meer dan eens met dien jongen man op de jagt geweest.—Nu, die zal haar den brief dan ter hand stellen. Zoo doende weet uw vriend Koelloeka niet aan wie hij eigenlijk gerigt is, 't geen mij wenschelijk voorkomt, om niet meer personen in 't geheim te mengen dan er nu reeds mee bekend zijn. Ik hoop maar,—vervolgde zij na een oogenblik zwijgens,— dat mijne vriendin haar voordeel zal kunnen doen met hetgeen ik haar meld. Inderdaad ik heb opregt medelijden met haar in hare ballingschap; en toch, ik kan haar soms ook benijden, dat zij in de gelegenheid is uw heerlijk land te bezoeken, waarvan ik zooveel prachtige beschrijvingen heb gelezen. Maar zeg mij, opregt gesproken, zijn die beschrijvingen niet soms wat overdreven, ten minste wat heel dichterlijk?

—Ik voor mij,—antwoordde Siddha,—zoozeer mijn leermeester mij ook altijd gewaarschuwd heeft tegen overschrijding van de grenzen die goede smaak en werkelijkheid ons stellen, ik heb toch steeds als hij gevonden dat de beschrijvingen door u bedoeld nog vér beneden de waarheid bleven. Inderdaad, ook in deze streken heeft de natuur soms haar schoon, en bekoorlijk zijn menigmaal de boorden uwer Djoemna, en bij de pracht en de weelde uwer paleizen en lusthoven haalt niets in ons noordelijk land; maar wat daar toch bergen en dalen en bosschen en lagchende velden er bieden, zoudt gij in deze zooveel minder bevoorregte streken u bezwaarlijk weten voor te stellen. En door de herinnering aan zijn vaderland als door de belangstelling zijner nu waarlijk schoone toehoorderesse medegesleept, begon zich onze Siddha in schilderingen van Hindostan's wereldberoemd paradijs te verliezen, wier welsprekende voordragt niet minder dan het uiterlijk van den verhaler den blik van wezenlijk welgevallen regtvaardigde, waarmede de luisterende nu en dan den edelen, krachtigen jongeling aanzag.

—Maar ik hield u te lang reeds bezig,—sprak zij oprijzend ten laatste,—en heb waarschijnlijk reeds misbruik gemaakt van uwe welwillendheid. Eén verzoek nog! Laat onze zamenkomst, ter wille ook van de belangen mijner vriendin, een geheim blijven tusschen u en mij. Van eenige beteekenis kan die vlugtige ontmoeting trouwens ook niet zijn.

—Voor u zeer zeker niet,—sprak Siddha,—voor mij echter meer dan gij schijnt te meenen.

—Ik zie,—hernam de andere lagchend,—dat gij, Hindoe's niet minder dan de onzen de kunst verstaat om u hoffelijk jegens vrouwen uit te drukken. Maar dat daargelaten! Een enkel woord ben ik u echter nog verschuldigd. Ik zou mij uw vertrouwen al zeer onwaardig toonen indien ik, zelve u kennend, mij voortdurend als geheel onbekende jegens u bleef gedragen, en ik zie dan ook geen bezwaar, mits onder geheimhouding altijd, u mijn naam en stand mee te deelen. Die is voor 't overige nederig genoeg. Mijn naam is Rezia; mijn vader was een Armeniër, die, hier gekomen om handel te drijven, mij vroegtijdig uithuwde aan een rijk, maar reeds tamelijk bejaard koopman hier in de stad. Sinds geruimen tijd is deze voor zijn zaken naar Perzië en verder nog naar het Westen getrokken; en in lang heb ik ook niets van hem vernomen. Inmiddels woon ik hier, zooals gij ziet, eenzaam en stil, hoewel anders niet verstoken van de aangenaamheden en de rustige genoegens van het buitenleven. Zoo weet gij dan ten minste voor wie gij u de moeite van een bezoek hebt getroost, al is het dat wij elkander na dezen niet verder mogten ontmoeten.

—En waarom, edele Rezia! zou dat niet mogen zijn?—vroeg Siddha; —niets, dunkt mij, behoeft u en mij daarin te verhinderen, en mogelijk zou ik u soms nog 't een en ander kunnen meedeelen van het land waar tegenwoordig uwe vriendin vertoeft, dat misschien in staat ware uwe belangstelling op te wekken.

—Welnu!—antwoordde Rezia,—niet geheel wil ik uw vriendelijk aanbod afslaan. Indien gij een dezer avonden soms nog een verloren oogenblik vindt, ik houd mij dan aanbevolen voor eenig berigt of de verzending van mijn schrijven geen bezwaar heeft gevonden en naar gissing goede kans heeft te slagen. Mijne dienares ontmoet u alligt hier of daar en gij hebt haar slechts een tijd te noemen om mij nogmaals een bezoek te brengen in mijn stil verblijf.

—En voor die gelegenheid wil ik u dankbaar zijn,—antwoordde Siddha, terwijl hij, zorgvuldig 't hem toevertrouwde stuk in zijn gordel verbergend, zich gereed maakte om voor 't oogenblik afscheid te nemen.

Op een hernieuwd teeken vertoonde zich nogmaals de vertrouwde dienares en deed Siddha weer uitgeleide langs denzelfden weg, die hem straks den toegang tot het paviljoen had verleend.

Te huis gekomen stond hij lang nog in gedachten voor de open veranda van zijn vertrek en staarde naar de zacht daar beneden voortstroomende rivier. Dat waren dan dezelfde wateren, die den voet van Allahabad's burgt besproeiden en waarin ook het liefelijk gelaat van Iravati zich weerspiegeld had! Was het niet als bragten die golven hem den groet der teeder beminde en als fluisterden zij hem woorden toe van liefde en van trouw? Snel nam hij het medaljon met Iravati's portret van den wand, kuste het en zette zich neder in de galerij. Lang nog bezag hij het beeld en beminnelijker dan ooit schenen hem de trekken der edele en schoone Hindoe-jonkvrouw. Maar zonderling toch ook! Als zijn blik soms weer afdwaalde en rondzwierf langs de paleizen en tuinen aan de boorden van den stroom, dan doemde ook weer een ander beeld in zijn herinnering op,… de bevallige houding, de sierlijke gestalte, de blauwe oogen, de bekoorlijke stem van Rezia, de Armenische. Wat die vrouw hem dan aanging? Zeker niets; maar wat kwaad ook van den anderen kant, zoo hij ze lief en innemend vond? Hij had toch waarlijk niet aan Iravati de gelofte gedaan, alle mogelijke andere vrouwen leelijk en onbehagelijk te zullen noemen!…

—Hallo!—klonk het 's anderen morgens vroeg in den voorhof van Siddha's woning,—is uw meester nog niet wakker? Ga eens en zie of ik hem stoor met een bezoek!

Juist wilde Vatsa aan het bevel gehoorzamen toen Siddha zelf, bezig zich gereed te maken om uit te gaan, terstond de vrolijke stem van Parviz, den neef van Aboel Fazl, herkende, en in den voorhof zich begevend, zijn bezoeker uitnoodigde binnen te komen.

—Hebt gij dienst?—vroeg deze.

—Een paar dagen niet.

—Nu, dat treft. Dan komt het u misschien wel gelegen eens een uitstapje te maken?

—Zeer gaarne! Waarheen?

—Wel! naar Fattipoer Sikri natuurlijk, de buitenresidentie van den Keizer. Daarheen zou alweer een ieder u voeren, die u voor 't eerst een togtje in de omstreken liet doen.

—Ik geef mij geheel over aan uwe vriendelijke leiding,—hernam Siddha,—veroorloof mij echter u een enkel oogenblik alleen te laten. Koelloeka vertrekt straks en ik wil hem dus even vaarwel zeggen.

Spoedig was hij, Koelloeka opgezocht hebbende, met het afscheid gereed, waarbij zijn leermeester zonder verder navragen zich met de overbrenging van den brief belastte; en kort daarop zat hij in den zadel en reed met Parviz, gevolgd door den dienaar van zijn vriend en den zijne, de stad uit.

Een breede laan, door vrij hooge boomen beschaduwd en met schoone vergezigten over de velden en bosschaadjen aan weerszijden, maakte den togt voor een groot deel tot een wezenlijk aangenamen wandelrid.

—Zie,—sprak Parviz, toen men een tijdlang had voortgereden,— zulke lanen heeft de Keizer nu ook laten aanleggen op andere en verre wegen, waar vroeger haast geen blad groeide en waar men van hitte verging. Een zeer nuttig werk voorzeker! En geen reiziger trouwens die er Akbar niet dankbaar voor is.

—Ja, de Keizer doet nuttige dingen!—antwoordde Siddha; en daarbij tevens aan den merkwaardigen man denkend met wien hij den vorigen dag over Akbar gesproken had, deelde hij Parviz in algemeene bewoordingen zijne ontmoeting mede en vroeg hem of hij den persoon kende, wiens uiterlijk hij beschreef.

—Neen, die is mij niet bekend,—zei Parviz, met moeite een glimlach bedwingend,—maar gij zult hem misschien wel eens weerzien.

—Waarschijnlijk wel,—hernam Siddha,—hij schijnt hier thuis te behooren. Maar vertel mij dan eens iets anders. Hoe komt het dat er hier zooveel mannen zijn die in 't geheel geen baard dragen? Ik dacht juist dat uwe Mohammedanen zoo bijzonder op een baard gesteld waren.

—Dat zijn zij ook, maar Akbar zelf denkt nu juist anders over de zaak. Zoo een kneveltje als het uwe of 't mijne kan er bij hem nog wel door, maar liefst ziet hij in 't geheel niets op iemands gezigt. Of dat nu enkel een gril is zooals men die ook bij de verstandigste menschen wel eens meer ontmoet, dan of hij met opzet de regtzinnig geloovigen wil plagen, of ook hun toonen dat hij om hunne vooroordeelen en vormbegrippen niet geeft, ik weet het niet, maar zeker is dat de zaak, zoo onbeduidend en kinderachtig ze schijnen mag, al tot heel wat onaangenaamheden en gehaspel heeft aanleiding gegeven. Doch hier naderen wij de woning van een der dorpshoofden in den omtrek, dien ik door mijn oom den Minister goed ken; willen we een oogenblik bij hem uitrusten en onze paarden wat water geven? Mijn bruin ten minste zal er wel naar verlangen; hij stond al een heelen tijd gezadeld eer ik uitreed.

Overeenkomstig het voorstel steeg men af in den binnenhof der nette en flink van hout en steenen opgetrokken, te midden van tamarindeboomen en acacia's gelegen boerderij; en weldra vertoonde zich op het geroep zijner onderhoorigen de eigenaar zelf, een Hindoe van middelbare jaren en deftig, magistraal voorkomen. Na de gewone pligtplegingen en terwijl de gastheer frissche vruchten nevens een kruik ijskoud kristalhelder water liet aanbrengen, kwam het gesprek, zooals te verwachten was, al spoedig op den landbouw en de bijzondere welvaart die er ook voor een weinig geoefend oog reeds terstond onder de landbouwende bevolking dezer streken viel op te merken, en die gunstig afstak bij 't geen Siddha in zijne eigene gewoon was te zien.

—Voor een deel,—verklaarde het dorpshoofd,—is die gelukkige toestand natuurlijk ons eigen werk; zonder arbeid en inspanning waren wij er zeker niet gekomen; maar grooten dank ook zijn wij den Keizer verschuldigd, wiens verstandig en bijzonder doelmatig stelsel van bestuur ons eerst tot eigen krachtsinspanning de regte gelegenheid gaf.

—Ik heb er van gehoord,—merkte Siddha aan,—maar om u de waarheid te zeggen, ik ben daaromtrent nog niet geheel op de hoogte.

—Toch is het zeer eenvoudig,—hernam de Hindoe,—en voor iemand van uwe beschaving gemakkelijk genoeg te vatten. Het gansche systeem toch berust in hoofdzaak op eene geschikte verdeeling der landerijen, eene vaste, billijk geregelde opbrengst der landrente, en bovenal op de regtszekerheid die het een en het ander den landeigenaar en den landbouwer verschaft. Vroeger ging alles tamelijk willekeurig, en wist niemand regt wat hem eigenlijk toekwam en wat hij op te brengen had, terwijl aan ons dorpshoofden meerendeels bleef overgelaten, met de regering de jaarlijksche opbrengst der velden, naarmate die soms voor-, soms nadeelig heette, te regelen: Thans is dat alles anders geworden. De velden zijn behoorlijk opgemeten en de grenzen vastgesteld; de opbrengst wordt met inachtneming van de meerdere of mindere vruchtbaarheid der daartoe in verschillende klassen ingedeelde gronden, over een bepaald aantal jaren geschat; en, wat niet het minste zegt, en tevens misschien wel het moeijelijkst te regelen viel, de daarnaar berekende landrente of belasting wordt zooveel maar doenlijk in geld, en niet meer als vroeger in voortbrengselen voldaan. En geen regeringsbeambten hebben meer te beslissen, wanneer daarover geschillen ontstaan, maar de regter alleen. Het gevolg van dat een en ander moet wel zijn, en is het ook, dat de landbouwer, eigenaar of pachter, nu eenmaal vooruit kan weten wat zijn land hem ongeveer zal kosten, wat hij te betalen heeft en wat zijn vrij beschikbaar eigendom blijft. En is het dan wonder zoo hij, met eenige energie, en goed zijn eigen belangen begrijpend, ook wezenlijk vooruitgaat en welvarend wordt waar hij te voren nauw zijn dagelijksche rijst kon verdienen? Trouwens gij ziet de vruchten, en kunt dus zelf oordoelen, hoewel gij 't nog beter zoudt kunnen indien gij onze landerijen en haar bewoners in den vroegeren toestand gekend hadt zoo als ik.

—De vergelijking met dien van mijn eigen land,—antwoordde Siddha,—moet wel tot gelijke uitkomst leiden als de uwe. Welk een zegen voor een staat, een vorst als Akbar te bezitten!

—Maar zijn raadsmannen mogen wij toch ook wel dankbaar zijn,— hernam de magistraat,—en in 't bijzonder Todar Mal, den schatmeester, die het stelsel eigenlijk uitwerkte, en Aboel Fazl, den Groot-Vizier, die er de laatste hand aan legt, door met de grootste strengheid alle afpersingen en knevelarijen van de regeringsambtenaren, met wie wij te doen hebben, tegen te gaan. En, scheen het al in den beginne, dat de staatsinkomsten door al deze maatregelen zouden verminderen, op den duur is juist het tegendeel gebleken; en zelfs al waren die inkomsten iets geringer, ze zouden toch nog in waarde gewonnen hebben, omdat ze nu zooveel vaster en beter verzekerd dan te voren zijn.

—Maar, geachte Heer!—vroeg Siddha,—bestaat er nu geen gevaar dat het stelsel, zoo uitnemend het zijn mag, weer in duigen valt als een min verstandig vorst eens den troon bestijgt?

—Ik geloof het niet,—was het antwoord;—als onze gemeenten eenmaal zekere regten verkregen hebben, kan geen despoot haar die ligt weer ontnemen. Gij weet, dat die gemeenten bijkans geheel en al zichzelve regeren door hare eigene overheden en daardoor tot op zekere hoogte onafhankelijk worden van den Soeverein. Wilde nu deze beproeven hare regten te verkorten tegen de adat in, dan zou hij als met duizenden kleine staatjes te doen krijgen en geen ambtenaren en geen soldaten genoeg vinden om die alle tot gehoorzaamheid te blijven dwingen. Of zoo 't hem al gelukte, de dorpen zouden meerendeels eenvoudig verlaten worden en de bevolking zou zich terugtrekken in ontoegankelijke bosschen en wildernissen. Voor 't overige laten onze dorpers den vorst ook van hun kant volkomen vrij in zijne handelingen. Hij mag oorlogvoeren met andere rijken zooveel hem lust en zoolang zijne schatkist het toelaat; en om intriges en twisten van het paleis geven onze gemeentenaren in het geheel niet; de meesten zelfs vernemen er zelden iets van.

—Een gelukkige toestand!—zei Siddha,—en voor beide partijen inderdaad heel gemakkelijk.

—Alleen de staats- en volkseenheid wordt er juist niet door bevorderd,—merkte Parviz op, zich nu ook mengend in het gesprek.

—Dat wordt zij ook niet,—antwoordde de magistraat,—maar zoudt gij dan meenen dat eene wezenlijke eenheid van den staat, anders dan in den persoon van den vorst, op zich zelve mogelijk was in een land als ons tegenwoordig Hindostan, waar zulk eene menigte van allerlei meest onderscheiden rassen en volken bij en door elkander woont?

—Ik erken dat het moeijelijk zijn zou, hoewel 't alligt zaak ware, er wat meer naar te streven dan tot nu toe gedaan wordt.

Een tijdlang nog werd het onderhoud, waarin vooral Siddha veel belang stelde, voortgezet; en daarop namen de beide vrienden afscheid van het beleefde dorpshoofd en vervolgden, hun paarden weer bestijgend, hun weg.

Een flinke, maar tamelijk lange rid, waarbij nog al eens halt moest worden gehouden om rust te nemen, bragt hen eindelijk in 't gezigt der hoogte, waarop het versterkt en door zware ringmuren omsloten paleis van Fattipoer was gebouwd. Mogt de aanblik der Agrasche paleizen indrukwekkend heeten, deze was het van zekeren afstand niet minder. Trotsch en statig, maar als altijd bevallig en sierlijk tevens, verhieven zich, als terrasgewijze boven elkander geplaatst, de verschillende luchtig omhoog rijzende gebouwen met hunne vlug opgetrokken torens en fijne kanteelen en breede, hel in 't zonlicht glanzende marmeren trappen, afgewisseld alles door het groen der tamarinden en andere boomen, waaruit ze deels te voorschijn traden om ook deels weder zich daartusschen te verbergen. Doch toen Siddha met zijn geleider, nadat zij de paarden aan de zorg hunner dienaren hadden toevertrouwd, den eigenlijken omkring van het paleis zelf was binnengetreden, gevoelde hij zich schoon minder verrast, toch aangenamer aangedaan door het vrolijker en genoegelijker voorkomen dezer, voor 't overige met niet minder weelde en sierlijkheid ingerigte gebouwen en vertrekken dan door het gezigt der veel meer uitgestrekte van Agra. Ook de tuinen schenen hem bevalliger en meer bevredigend voor het oog, daar toch hier althans geen geweld was gedaan aan de natuur, en lanen en slingerpaden, met vermijding van de eentoonige regtheid en het onveranderlijk waterpas, de bogten en verhevenheden bleven volgen, door het bewogen terrein en den plantengroei zelven aangewezen. En dan, welk een heerlijk en verkwikkelijk vergezigt over de omliggende heuvelen en met rijken oogst beladen bouwvelden, en de als zilver glanzende rivier daar omlaag en het, wel is waar kunstmatig aangebragte, maar daarom niet minder schilderachtig meer in het verschiet!—Geruimen tijd bleven de bezoekers daar ronddwalen, nu eens langs eenzame wandelpaden, dan weer door de met wachters en dienaren vervulde galerijen, tot eindelijk Parviz den voorslag deed, een zijner vrienden in de lager gelegene stad te gaan opzoeken om daar hun intrek te nemen en tevens een beter maal te gebruiken dan men onderweg had kunnen vinden.

Natuurlijk vond ook dit voorstel gereedelijk gehoor; en nadat men bij den gastvrijen vriend van Parviz de noodige rust had genoten, en zich door een hartig en tevens vrolijk maal had gesterkt, begaven onze vrienden zich weer op weg om nog 't een en ander van de stad zelve te zien.

—Vergun mij,—sprak Parviz,—u voor weinige oogenblikken aan u zelven over te laten. Ik heb hier nog eenige stukken op last van mijn oom aan een van zijne ambtenaren over te brengen, en dezen over eenige zaken te spreken waarin gij zeker geen belang zoudt stellen. Hij woont hier in de nabijheid en ik ben zoo aanstonds bij u terug. Inmiddels hebt gij daar tusschen de acacia's ginds een vrij ouden tempel, dien gij misschien wel eens zult willen bezigtigen. Des verkiezende kunt gij er ook uwe devotie verrigten.

—Wel verpligt,—antwoordde de ander lagchend,—daaraan ga ik mij niet te buiten. Maar zeer gaarne wil ik den tempel eens bezien. Ik zal u daar dan of in de nabijheid wachten.

Spoedig ontwaarde Siddha, toen hij de zware en flauw verlichte gewelven was binnengetreden, aan de talrijke zinnebeeldige versieringen der zuilen, dat hij zich in een çiva-tempel bevond; en na eenige gangen te zijn doorgegaan, aanschouwde hij dan ook aan 't uiteinde van een soort van hal en van boven verlicht het kolossale beeld van den God, met de beenen kruiselings op een hoog voetstuk gezeten, de armen en enkels met eene menigte van ringen versierd, het teeken van den drietand op het voorhoofd en een keten van doodshoofden om den hals,—çiva, den Oneindigen en Almagtigen Wereldheer, scheppend om te vernielen, en vernielend om te scheppen op nieuw, het eindeloos in zijn openbaringen zich vervormend Wezen, waaruit alle Zijn voortspruit en waartoe het Al gestadig terug moet keeren. Zoo goed nu onze jonge Indiër de begrippen kende, welke die beeldtenis en hare symbolen vertegenwoordigden, en zoozeer hij daarvan ook de betrekkelijke waarde bleef erkennen, toch stuitte hem ook nu weder, zooals het vroeger bij dergelijk schouwspel gedaan had, niet weinig het wanstaltige en gedrogtelijke dier gedaante, die wel is waar zekeren indruk bij den eersten aanblik kon maken, doch wel bezien de voor 't overige inderdaad niet van schoonheid ontbloote bouworde van den tempel op hinderlijke wijze ontsierde.

Niet lang echter duurde zijne eenzame bespiegeling over dit een en ander; want achter zich vernam hij een oogenblik later een stem, hoewel de stilte niet door het geluid van voetstappen was verstoord geworden.

—Om!—klonk het,—om! U brengt de onwaardige dienaar van çiva's heilige echtgenoote, de in hem wonende Oneindige Kracht, zijnen groet.

En naar de plek zich keerend van waar de stem kwam, werd Siddha den Doerga-priester Gorakh gewaar, dien hij te Allahabad in gezelschap van zijn oom Salhana had gezien.

—Ik groet u, Eerwaarde!—sprak hij, en wachtte wat de ander hem te zeggen zou hebben.

—Zoo! wij zijn elkander dan nog niet vergeten sinds onze laatste ontmoeting,—hernam Gorakh;—trouwens wat mij betreft, ik heb u wél in 't oog gehouden, sinds ik daar ginds in de nabijheid van den Bhadrinâth u waargenomen heb.

—Nu ja,—zeide Siddha, een weinig ongeduldig,—laat dat zijn hoe 't wil. Maar ik begrijp eigenlijk niet, eerwaarde Heer! welk belang gij in mij stellen kunt.

—En zou dan,—vroeg de ander,—de neef van mijn leerling en vriend geen aanspraak mogen maken op mijne belangstelling? Maar ook daarom juist schijnt mij pligt, u een waarschuwing niet te onthouden, waar ik die noodig acht, en indien gij ze van mij wilt aannemen. Gij weet wie Gaurapada, de kluizenaar, is, niet waar?

—Gaurapada?—vroeg Siddha,—welzeker! Hij is een kluizenaar in 't gebergte.

—Ja, maar ik meen, wie hij was eer hij zijn tegenwoordigen naam droeg.

—Daar weet ik niets van. Hij heeft het mij niet verteld.

—Maar uw goeroe, Koelloeka, heeft het u toch medegedeeld?

—Ik heb er hem niet eens naar gevraagd en 't kan mij ook niet schelen.

Met een zijdelingschen, uitvorschenden blik zag Gorakh den spreker aan; maar deze ware geen rechte Indiër geweest, indien zijn gelaat in eene omstandigheid als deze niet de meest mogelijke onverschilligheid had vertoond. Ietwat minder voorzigtig echter liet hij, warm wordend bij 't indringende van den ander, er op volgen:

—En al wist ik nu ook nauwkeurig, wie en wat Gaurapada in vroeger tijd geweest mogt zijn, gij begrijpt dat ik 't u toch niet zou zeggen.

—Ha!—riep de Yogi uit,—gij vertrouwt mij niet! En gij meent mij zelfs te mogen tarten? Herinner u, dat ik een vriend van den Goeverneur van Allahabad ben!

—Ja, dat weet ik!—sprak Siddha met zekeren nadruk.

—Wat weet gij?

—Ik weet wat ik weet, en dat is genoeg!

Nijdig keek de priester Siddha aan. En tevens niet zonder ongerustheid. Wat beteekende dat gezegde op dien toon? En wat kon hij werkelijk weten? Doch voor 't oogenblik scheen in elk geval wel 't veiligst het toch niet vlottend gesprek maar af te breken.

—Nu, genoeg dan!—zeide Gorakh,—voor u en voor mij.

Doch bedenk één ding, mijn jonge vriend, die mijne vriendschap niet schijnt te begeeren!—en ik wil ze u ook niet opdringen!— bedenk, dat de magtige Godin, aan wier dienst ik mijne geringe krachten wijde, niet alleen behouden maar ook verdelgen kan, en dat er geen hoop op genade en geen kans op redding bestaat voor hem, dien zij eenmaal door hare priesters als uitverkoren offer haren getrouwen heeft aangewezen!

En in een der zijgangen verdween zonder nader antwoord af te wachten de geheimzinnige boeteling; en, hoe vastberaden anders ook, toch vermogt Siddha hem niet na te staren zonder een zeker gevoel van beklemdheid en onwillekeurigen angst. En 't scheen hem, hoewel de Doerga-priester thans werkelijk toch alléén was, als zag hij hem nogmaals gevolgd door dien langen stoet van naakte bruine gestalten met de witte koorden om den nek, met welken hij in de nachtelijke schemering hem langs den ringnmur van Allahabad had zien verdwijnen in het bosch.

Eer hij zich inmiddels ter ruste begaf dacht hem niet onnut, nog eene enkele vraag tot den trouwen dienaar te rigten, die hem in de woning van den vriend van Parviz afwachtte om te vernemen of zijn meester nog iets te bevelen had.

—Vatsa!—zeide hij,—gij hebt mij laatst in het park van Allahabad betuigd, dat gij evenmin als Koelloeka's dienaar daar een priester of boeteling hadt gezien. Maar herinnert gij u soms toch met eenig ander, u onbekend persoon gesproken en dezen misschien eene of andere bijzonderbeid van onze reis in 't gebergte verteld te hebben?

Ik zou er niet verder aan hebben gedacht,—antwoordde Vatsa,— maar nu ge 't mij zoo afvraagt, Heer! nu herinner ik mij wel, dat er in den omtrek der stallen een half naakt en bruin gekleurd man met ons kwam praten, en nadat hij ons 't een en ander omtrent de vesting en de stad had verteld, ook naar onze reisontmoetingen vroeg.

—En gij hebt hem toen van mijn geval met den tijger van Gaurapada verteld?

—Ik geloof inderdaad van ja!

—En zeidet gij soms ook iets omtrent den kluizenaar en diens uiterlijk voorkomen?

—Zeker!—antwoordde Vatsa,—juist zijn eerbiedwaardig en tegelijk vorstelijk voorkomen had in 't bijzonder onze aandacht getrokken; wij waren er beiden nog vol van en daar wij niet wisten dat er kwaad in stak er van te spreken, maakten wij ook geen geheim van onze ontmoeting tegenover den vreemde.

—Wien gij dus ook het uiterlijk van Gaurapada eenigermate zult beschreven hebben?

—Nauwkeurig herinner ik mij dat niet meer; maar ik geloof wel dat wij er iets van meldden.

—Bedenkelijk!—mompelde Siddha in zichzelf,—inderdaad nog al bedenkelijk! De priester heeft natuurlijk door zijn handlanger omtrent onze reis vernomen wat hij weten wilde om mij te overbluffen, maar schijnt tevens tot eenig vermoeden omtrent Gaurapada te zijn gekomen. Dat hij straks mij zocht uit te hooren, is duidelijk genoeg. Maar wat kan hij met Gaurapada, of Nandigoepta, hebben uit te staan? En mijn oom Salhana? Of die er mee in betrokken zou zijn?…

—We hebben toch hoop ik geen kwaad gedaan door met dien onbekende te praten?—vroeg Vatsa ongerust, toen hij zijn jongen meester zoo in gedachten zag.

—Neen, neen!—antwoordde deze,—en zoo gij 't al gedaan mogt hebben, gij deedt het onwillekeurig en hebt dus geen schuld. We hadden ook voorzigtiger moeten zijn en u vooraf waarschuwen. Maar let nu op één ding, Vatsa! spreek voortaan met niemand meer over den kluizenaar, wie er ook komt om u naar hem te vragen! Hebt ge mij begrepen?

—Volkomen, Heer!—antwoordde de ander,—van nu af heb ik dien kluizenaar nooit gezien, of, zoo ik hem soms eens zag, ik ben volkomen vergeten hoe hij er uitziet.—

—Met dat al,—dacht Siddha,—zal nu toch Koelloeka, of, kan het, Nandigoepta zelf dienen gewaarschuwd te worden. Ik wil er voor zorgen zoodra ik een veilige gelegenheid vind; Salhana moge er nu mee te maken hebben of niet!

Selim

—Welaan, mijne heeren!—sprak de bevelhebber der Radjpoet's, die op het plein in de vesting met eenige zijner officieren stond te praten, terwijl de ruiters zich in gelid schaarden,—nu spoedig opgezeten en dan naar het kamp, waar zooals gij weet de Keizer heden wapenschouwing komt houden!

Vlug werd er aan het bevel voldaan, en weldra, nadat men buiten de vesting was gekomen, ging het in draf naar het kamp, dat op eenigen afstand van de stad in eene uitgestrekte vlakte was opgerigt. Een treffend schouwspel vertoonde zich aan Siddha's oog toen hij aan 't hoofd zijner afdeeling met de overigen eene kleine hoogte had bestegen en vandaar het veld in 't gezigt kreeg. Daar ter regterzijde eene gansche stad als 't ware van tenten, langs breede straten in de meest regelmatige orde nevens elkander gerangschikt, en in wier midden zich, roodgekleurd en met vergulde peervormige toppen, de Keizerlijke tent verhief, zoo men althans dien naam mogt geven aan dergelijk, schoon uit hout en doek zamengesteld, paleis. En aan de linkerzijde het uitgestrekte veld, waarop zich in bonte mengeling de meest verscheiden troepenkorpsen vertoonden, gepantserde en niet-gepantserde ruiters in bonte, veelkleurige kleederdragt, sommigen met lansen, anderen met geweren gewapend, artillerie en strijdolifanten, en een weinig meer in de verte ook die vrolijker uitgemonsterde, op wier rug gemakkelijke met kussens voorziene en van boven tegen de zon bedekte zetels tot voertuig strekten voor aanzienlijke, meest gesluierde vrouwen, die de wapenschouwing kwamen bijwonen.

Eenigen tijd nadat ook de Radjpoet-ruiterij op de vlakte was aangekomen rukten de verschillende troepen, voorafgegaan door hare muziekkorpsen, op, om langs den Keizer en zijn staf te defileren, die daar op een eenigszins meer verheven terrein hen afwachtte. Naderbij gekomen behoefde Siddha wel niet lang in twijfel te staan, wien hij onder die groep van schitterend uitgedoste veldheeren, wier wapenen en paardentuigen glinsterden van goud en edelgesteenten, nu als den Keizer zelven te beschouwen had. Wel onmiskenbaar toch was door zijne gansche houding die forsche man, die daar op zijn prachtig wit paard en den veldheerstaf in de hand, een paar passen vóór de overigen, en zijn baniervoerder en parasoldrager achter zich, de voorbijtrekkende troepen in oogenschouw nam. Maar tevens herkende hij ook terstond in den magtigen gebieder denzelfden persoon met wien hij in de tuinen van het paleis gesproken had, en omtrent wiens wezenlijken rang ook toen reeds, gelijk nu wel bleek, een inderdaad volkomen waar vermoeden bij hem gerezen was.

Op zijne beurt nu met zijn ruiters den Keizer voorbijtrekkend, boog hij, gelijk hij de anderen die hem vóórgingen had zien doen, zich voorover met omlaag gerigte lanspunt, en, tevens met een steelschen blik naar Akbar opziend, meende hij op het anders streng gelaat van dezen een ligten glimlach te bespeuren, die hem dra tot de overtuiging bragt dat de Keizer zijne nog al vrijmoedige woorden toch niet euvel scheen te hebben opgenomen. Ook herinnerde hij zich met zekere gerustheid dat Akbar, ééne Vlugtige opwelling van toorn nu daargelaten, ook voortdurend open en vriendelijk tot hem gesproken had. En eindelijk behoefde hij thans zoo erg niet meer tegen een voorstelling aan den grooten Keizer op te zien, die, naar Feizi hem had te kennen gegeven, waarschijnlijk wel na de wapenschouwing in het legerkamp zou kunnen plaats hebben.

Die verzekering werd ook niet gelogenstraft toen er rust voor de troepen was bevolen, en de officieren, die hierbij gemist konden worden, zich naar de voor hen bestemde gedeelten van het kamp hadden begeven. Daar toch zag Siddha al spoedig zich door Feizi wenken en op 's Keizers raadsman toetredend, werd hij door dezen naar de uitgebreide groep der van binnen niet minder weelderig dan de vertrekken van het paleis zelf versierde middententen geleid. Een oogenblik later bevonden zich beide in de hooge tegenwoordigheid van den vorst.

Niet weinig inmiddels verwonderde zich Feizi zelf toen hij Akbar terstond een stap voorwaarts zag doen en hem tot Siddha, wiens diepen groet hij met een genadige handbeweging beantwoordde, zonder de officiëele voorstelling af te wachten, hoorde zeggen:

—Wel! ik zag u straks in dienst, en 't scheen mij dat er eenmaal nog wel een geschikt officier uit u groeien kan. Zorg maar dat ge mij niet in die goede verwachting bedriegt!

—Ik kende,—vervolgde hij tot Feizi,—uw beschermeling al een weinig; wij hebben elkander reeds vóór eenige dagen ontmoet, hoewel hij toen niet raadde wie ik was.

—Had ik dat geweten, Sire!—sprak Siddha eerbiedig,—ik had daarom met geen meer ontzag tot Uwe Majesteit op kunnen zien dan ik toch reeds tot den mij onbekende deed.

—Maar toch waarschijnlijk wat minder vrij gesproken hebben,— vulde Akbar een weinig spotachtig het hoffelijk, maar blijkbaar ook ernstig bedoeld gezegde aan;—doch daarin stak op zich zelf geen kwaad, en ik hoor ook liever wat de menschen van mij denken dan te moeten raden naar 't geen zij over mij spreken achter mijn rug. Maar daarom dan ook, en naar aanleiding tevens van ons vorig gesprek, een bevel of liever, want wat ik verlang laat zich niet afdwingen, een verzoek: schenk mij ook in vervolg van tijd hetzelfde vertrouwen, dat gij, mij niet kennend, reeds in mij gesteld hebt! Gij ziet wel, het heeft tot heden u niet bedrogen. Wend u tot mij, niet tot anderen, als gij meent u over mij of de mijnen te beklagen te hebben. Klagten aan te horen weiger ik nooit; zijn ze ongegrond, dan tracht ik ze te wederleggen; zijn ze billijk, ik zoek naar herstel der grieven. Openhartigheid en gepaste vrijmoedigheid, mijn vriend Feizi kan het getuigen, wekken nooit in ernst mijn toorn; wel daarentegen valschheid en veinzerij.

En na nog enkele vragen en gezegden omtrent Siddha's meer bijzondere dienstbetrekking, wenkte de Keizer ten teeken dat het gehoor was afgeloopen, en verwijderde zich Feizi met zijn jongeren vriend, die natuurlijk niet weinig in de wolken was over zijn tweede onderhoud met den vorst, en ook niet naliet zijn medgezel het een en ander omtrent het eerste te verhalen.

—Nu, gij zijt wezenlijk een gelukskind,—sprak Feizi,—dat treft iedereen maar zoo niet, hoewel Akbar overigens niet moeijelijk is te genaken en doorgaans allen gaarne te woord staat. Gij schijnt inmiddels een gunstigen indruk op hem gemaakt te hebben, en dat verheugt mij van harte. Doch zie ik daar Parviz niet aankomen? Och jawel! Maar wat die hier komt uitvoeren? Wel, wel!—vervolgde hij, zijn neef toesprekend,—mijnheer de toekomstige staatsraad hier onder krijgslieden tusschen de tenten!

—Even goed, dunkt mij,—antwoordde Parviz,—als mijn waarde oom, de wijsgeer! Doch ik erken gaarne, dat ik voor 't overige evenmin kans zie hem ooit te evenaren in zijn staatsmanswijsheid en geleerdheid als in de wapenfeiten die hij bedreven heeft.

—Nu, geen komplimentjes, neef!—hernam de ander lagchend,—dat komt onder ons niet te pas. Maar weet gij wat ik eigenlijk denk? Gij zijt hier zeker gekomen om daar ginds een kijkje te nemen van de fraai aangekleede olifanten; de schoone dochter van Todar Mal is stellig weer niet vreemd aan uw verschijning, al moogt gij haar eigenlijk niet eens zien.

—Oom! zeg ik op mijne beurt, geen verraden van mijn geheimen! Hoewel ik—voegde Parviz rond en goedhartig er aan toe,—die anders niet voor mijn vriend Siddha verborgen wil houden. Te minder omdat ik mij verzekerd reken van zijne belangstelling, wanneer hij van zijn kant aan zijne voorzeker niet minder beminnelijke verloofde denkt. Maar,—zeide hij tevens, zich tot Siddha wendend,—zoover als gij ben ik ongelukkig nog bij lange niet. Of ik misschien al eenige gunst in de oogen der dochter zal mogen vinden, van den vader durf ik mij gansch niet verzekerd houden.

—Dat zal mettertijd wel teregtkomen,—merkte Feizi goelijk op,— doch genoeg voor 't ogenblik van ons vertrouwelijk gesprek! Ziehier anderen, voor wier ooren dat alles zeker niet bestemd kan zijn.

—Wie is dat?—vroeg Siddha, toen hij een groep ruiters zag naderen in wier midden zich een jongmensch, welligt enkele jaren ouder dan hij zelf, maar toch anders van ongeveer gelijken leeftijd, vertoonde, en wiens uiterlijk voorkomen hem om meer dan eene reden wel opmerkelijk scheen. Vooreerst om de wezenlijk overdadige pracht zijner kleeding. Over het fijn goudlakensch kleed droeg hij niet minder dan vier snoeren buitengewoon groote paarlen; de tulband was met een hooge reigerveder en drie juweelen van onschatbare waarde getooid; en om de armen droeg hij, tot aan de ellebogen, reijen van banden alle met edelgesteenten bezet, terwijl aan elken vinger een ring was gestoken. Om niet eens van de diamanten en paarlen te spreken, die zijn wapenen en het tuig van zijn paard versierden. Maar hoe zonderling bij al dat geflonker het bleek en vermoeid gelaat afstak, waarvan de vaalheid nog meer scheen uit te komen door de gitzwarte oogen en de scherp afgeteekende knevels en wenkbrauwen. Oorspronkelijk waren die trekken ongetwijfeld schoon en edel te noemen, maar zij waren vervallen en verouderd vóór den tijd en droegen de onmiskenbare teekenen van menigen anders dan in wijsgeerige bespiegeling en onthouding doorgebragten nacht.

—Hoe! kent gij dien nog niet?—vroeg Feizi,—dat is Selim de zoon van den Keizer en zijn aangewezen opvolger.

Met een zwijgenden groet wilde de Kroonprins voorbij rijden, maar hij bedacht zich en, zijn paard naar Feizi en Parviz wendend, zeide hij:

—Mijne heeren! 't is mij lief u juist hier te ontmoeten; ik wacht dezen avond eenige vrienden in mijn paleis voor een klein feest; wilt ge mij niet 't genoegen ook van uw bijzijn schenken?

—De vraag—antwoordde Feizi,—ware mij in elke omstandigheid een bevel, zoo ik niet heden juist door een hooger werd verhinderd er aan te gehoorzamen, De Keizer heeft mij voor dezen avond bescheiden.

—O zoo!—hernam Selim met een half minachtenden glimlach, hoewel overigens naar 't scheen juist niet rouwig om de weigering;—gij moet mijn vader zeker weer les gaan geven in uw ongeloovige wijsbegeerte, niet waar?

—Wat ik persoonlijk doe,—was het antwoord,—blijft geheel ter beoordeeling van Uwe Hoogheid; maar wat de Keizer goed mag vinden, staat, dunkt mij, boven Haar oordeel en het mijne. Ook zou de vraag nog mogen heeten wiens avond wel het nuttigst besteed zou zijn.

—Nu maak u maar niet boos, edele Feizi!—sprak de Prins vergoelijkend,—ik meen het zoo kwaad niet. Doch moet ik u dan uwe avonden laten, gun mij ook de mijnen! En gij Parviz!—ging hij, tot dezen zich keerend, voort,—hebt gij ook soms zoo zwaarwigtige bezigheden, die u van een onschuldig genoegen moeten terughouden?

—Volstrekt niet,—antwoordde Parviz,—en al had ik die, ik zou niets liever wenschen dan ze ter zijde te mogen stellen voor een festijn in Selim's paleis. Maar veroorlooft mij, zoo de vraag niet onbescheiden is, Uwe Hoogheid, een nieuwen vriend van mij voor te stellen?

En Siddha, die achteruit was getreden, wenkend om nader te komen, meldde hij diens naam en rang.

—O ja!—sprak Selim,—ik herinner mij zoo iets van zijne komst hier vernomen te hebben. Wilt gij,—vroeg hij Siddha,—soms heden avond uw vriend begeleiden, gij zult mij genoegen doen.

—Ik stel de eer op hoogen prijs,—antwoordde Siddha met een hoffelijke buiging.

—De eer, nu ja!—zei Selim,—die geeft niet veel; ik heb niets te beteekenen hier aan het hof; maar ik hoop dat onze bijeenkomst u eenig genoegen mag verschaffen. Tot den avond alzoo!

En zijn paard wendend vertrok de Prins met zijn gevolg.

—Vergunt mij; geëerde vrienden!—zei hierop Siddha,—nu ook mijn afscheid te nemen; 't wordt tijd mijn ruiters weer op te zoeken.

—Indien gij wilt,—sprak nog Parviz vóór het scheiden,—kom dan tegen den avond mij afhalen; mijn woning ligt in uw weg, en dan gaan wij zamen.

—Met genoegen!—antwoordde de ander en begaf zich terug naar zijn post.

Dat de pracht van Selim's paleis ook aan die zijner kleedij zou beantwoorden, had Siddha natuurlijk wel vermoed; maar toch vond hij zijne verwachting nog overtroffen door de ongehoorde weelde toen hij, langs verscheidene voorvertrekken en tusschen reijen van dienaren door, de zacht maar overvloedig verlichte en niet al te groote hal was binnengetreden, waar de Kroonprins met zijn vrienden zich bevond. De zalen van het Keizerlijk paleis hadden met al haar uitgezochten rijkdom nog iets ernstigs en gestrengs; maar hier ademde alles, tot zelfs de overigens steeds bevallige Moorsche bouworde en het schitterend dekoratief, niet dan zucht naar weelde en een jagen naar het meest onbeperkte zingenot. Veelkleurige zijden en goudlakensche voorhangsels neergolvend van de als fijne kanten uitgehouwen bogen, en halverwege het keurig mozaïekwerk in de met verguldsel afgezette marmeren wanden bedekkend; digte bloemengroepen, bedwelmende geuren verspreidend alom; breede, de lichten weerkaatsende spiegels; mollige tapijten van phantastische teekening; lage en tot weeke rust verlokkende divans; als kleine heuvels opeengestapelde gouden en kristallen drinkschalen, en marmeren en porphieren koelvaten van allerlei vorm; en aan de breede zijde der zaal een soort van tooneel, waarop zich straks de danseressen en speellieden zouden vertoonen; alles door tal van in bontkleurige ballons gevatte lampen verlicht;—ziedaar ongetwijfeld een aanblik, die ook een bezoeker van Indische paleizen nog wel bij den eersten oogopslag kon verbaasd doen staan.

Al spoedig had Selim, rondziende langs den kring der gasten, die, in groepen verdeeld, hier op de divans zich hadden nedergezet, daar met elkaar stonden te praten, de nieuw aangekomenen ontdekt, en kort daarna op hen toetredend, sprak hij:

—Zijt welkom, mijne heeren! in mijne nederige woning! Ik wil hopen, gelijk ik dezen morgen reeds zeide, dat de avond ons eenig wederzijdsch genoegen mag schenken. Laat het u inmiddels gezegd zijn, de etiquette behoort ditmaal niet tot de vermakelijkheden; wij trachten, althans voor dit oogenblik, vrienden onder elkaar te zijn.

De Prins wendde zich tot anderen; en op eenmaal zag Siddha eene hem welbekende, maar hier op dit oogenblik niet verwachte figuur naderen,—die van Salhana, den Goeverneur van Allahabad.

—Wel, neef!—sprak deze, hem de hand gevend,—dat doet mij genoegen u hier te ontmoeten. Ik ben zoo straks aangekomen en vond juist bij tijds in mijne woning eene uitnoodiging van den Prins, die mij hier in Agra verwachtte.

—En,—vroeg Siddha,—hoe is het ginds, en hoe gaat het….

—Iravati? vulde Salhana aan—heel best. Zij laat u groeten. Doch zie eens, daar komt een man met wien gij kennis moet maken, ook al is hij voor 't oogenblik niet bijzonder gezien ten hove. Hij heeft met dat al niet weinig te beteekenen. Een nieuwe kennismaking was evenwel overtollig; want de naderende bleek niemand anders dan Abdal Kadir Badaoni, de Islamietische ijveraar, te zijn, dien Siddha reeds in het Keizerlijk park met Akbar zelf had gezien. Tot zijne verwondering begroette diezelfde man zijn oom, schoon toch even goed een ongeloovige als hij, nog al tamelijk beleefd, terwijl hem zelf nu ook iets ten deel viel wat als eene soort van hoffelijke ontvangst kon worden aangemerkt.

—Ik zag uw neef toevallig reeds vroeger,—sprak Abdal Kadir toen Salhana hem wilde voorstellen,—en ik wil hopen,—vervolgde hij tot Siddha,—dat gij mijne toen gesproken woorden in de beteekenis zult willen opvatten die ik zelf er aan gaf; gij ziet nu wel dat personen mij nog niet gehaat zijn al moet ik hen bestrijden om hun dwalingen.

—Ik eerbiedig uwe gevoelens, edele Heer!—antwoordde Siddha,—al betreur ik ook dat gij 't niet eveneens de onzen kunt doen. Misschien ….

—Wat misschien?—begon Abdal Kadir opstuivend.

—Neen, neen, mijn waarde heeren!—sprak nu Salhana, tot vrede manend,—geen getwist nu, wat ik u bidden mag, over uwe wederzijdsche gevoelens omtrent geloofskwestiën! Bedenken wij liever wat feitelijke gevaren ons allen, ons Indiërs zoowel als ulieden, trouwe zonen van den Profeet, bedreigen, indien de plannen eens verwezenlijkt werden, die ginds door hooger gestelde magten schijnen ontworpen te worden!

Enkele andere personen, blijkbaar mede wel vertrouwde bekenden van Salhana en den Mohammedaan, hadden zich inmiddels bij de sprekenden aangesloten, terwijl Parviz zich met eenige jongeren naar een ander gedeelte der zaal had begeven. Allen luisterden met opmerkzaamheid, doch tevens een nauw gesloten kring vormend, waar geen ander, ongenoode, zich had weten binnen te dringen.

Bedenken wij—ging Salhana voort, op wel verstaanbaren maar toch fluisterenden toon,—wat ons gebeuren moet, indien wij eens gedwongen werden ons allen openlijk aan de zonderlinge, tegen ons aller begrippen en zeden strijdende eeredienst te onderwerpen, die de anders zoo hoog geëerbiedigde Keizer ons, hoe dan ook, schijnt te willen opdringen. Hoe nu? Zoudt gijlieden Mohammedanen, de tegenwoordige beheerschers van het land, uw Allah verloochenend, dan in aanbidding voor zon en sterren willen nederknielen, en misschien….

—Bij den baard van den Profeet!—begon Abdal Kadir, de hand aan 't gevest van zijn sabel slaand,—we zouden….

—Bleef het daar nog maar bij,—hernam de ander,—doch er is nog erger. Denkt maar eens aan de woorden: "Allahoe Akbar", die tegenwoordig op munten en firmans gevonden worden! Die schijnen ongetwijfeld heel onschuldig als men ze in den zin van "God is groot" verstaat; maar zij kunnen immers ook nog iets anders beteekenen, te weten: "Akbar is God."

—Dat gaat zeker alles te buiten!—riep Abdal Kadir nu in volle woede uit; maar Salhana kwam weer tusschen beiden.

—Laat ons bedaard blijven!—zeide hij,—we hebben hier trouwens nog maar te doen met onderstellingen, die mogelijk ook, zooals ik zou hopen, ongegrond zullen blijken te zijn. Maar als het toch eenmaal zoo eens was, dan vraag ik, zoudt gij u kunnen en mogen onderwerpen, of ook wij, die tot heden de meest volkomen vrijheid genoten om dat geloof te belijden, wat wij erfden van onze vaderen en naar onze overtuiging het beste en redelijkste scheen? Beviel de laatste vraag al iets minder aan Abdal Kadir dan de vroeger gestelde, op Siddha maakte zij des te meer indruk. Dat Akbar aan de stichting van een nieuwe godsdienst dacht, was hem wel reeds eens ter ooren gekomen; maar of hij daarmede nu ook werkelijk gewetensdwang beoogde. En als 't eens zoo zijn mogt?…

—Daarom,—besloot Salhana,—geen onderlinge twist! Maar laat ons gezamenlijk toezien, en, moet het, ons eendragtig door geoorloofde middelen trachten te beveiligen tegen de gevaren, waarmee het, vrees ik, maar al te zeer door dweepers en door intriganten gevoed idealisme van een anders voortreffelijk vorst ons dreigen mogt! Doch ik geloof, dat de Prins reeds het teeken heeft gegeven om ons eigenlijk festijn te doen beginnen. Breken wij dus voor 't oogenblik ons onderhoud af! Ik blijf mij inmiddels aanbevelen, mijne heeren! voor uw nader gevoelen over 't gesprokene. Mogelijk verkeer ik gansch in dwaling. Ik mogt het van harte wenschen!

Terwijl de gasten bezig waren eene plaats op de verschillende divans te zoeken, hoorde Siddha, een der groepen voorbijgaande, een paar woorden die zijne opmerkzaamheid trokken.

—En Kaçmir?—vroeg een der sprekers,—zijn er berigten?

—Heel goede!—antwoordde de toegesprokene;—de mijn kan haast springen.

—En de brief?

—In de beste handen!

Andere gasten scheidden Siddha van de twee wier gesprek hij daar toevallig aanhoorde, en weldra zag hij niet ver van Selim zich tusschen eenige hem nog onbekende jongelieden geplaatst, doch met wie hij spoedig in gesprek was, terwijl de talrijke dienaren verschillende ververschingen aanbragten en de wijn rijkelijk in de gouden drinkschalen begon te vloeijen. Nu en dan kwamen hem nog wel de straks vernomen woorden voor den geest, maar de beteekenis bleef hem duister. Konden zij op die heimelijke twisten in zijn vaderland slaan, die naar Salhana's zeggen, door Akbar werden aangestookt? En die brief? Onwillekeurig maar ook slechts vlugtig dacht hij aan den brief van Rezia, dien Koelloeka had meegenomen, Maar wat kon die met staatkunde te maken hebben?

Weldra ook werd zijns opmerkzaamheid geheel door de danseressen ingenomen, die, begeleid door muziekanten, van achter een der voorhangen op het tooneel in het breede der hal waren verschenen en aldra, den bruingetinten boezem nagenoeg gansch ontbloot, maar daarentegen met lang, tot de voeten reikend gewaad, op de maat der snaren-instrumenten en cymbels eenige van die dansen begonnen uit te voeren, die ten allen tijde zoozeer in den smaak vielen beide van Indiër en van Musulman, en vaak uren achtereen hen weten bezig te houden. Tot afwisseling evenwel traden ook nu en dan zangers en zangeressen op, en vergastten de toehoorders met de voordragt van Perzische liederen, die bijzonder aan Selim en zijne vrienden schenen te behagen, maar Siddha een weinig eentoonig en ledig van inhoud voorkwamen.

—Waar blijft nu Rembha?—vroeg eindelijk de Prins,—ze zou ons iets nieuws komen voorzingen, een paar vertaalde stukken uit een oud Indisch gedicht, dat u, Siddha! zeker wel bekend zal zijn, het Gitagovinda, meen ik.

—O ja!—antwoordde Siddha,—de pastorale van Djayadeva, waarin de avonturen van den God Krishna met de herderinnen en zijn hereeniging met de schoone Radha beschreven worden. Ik heb er zelf ook wel eens een vertaling van beproefd.

—Nu,—hernam Selim,—laat ons dan eens luisteren! Daar komtRembha al.

En op de estrade vertoonde zich een donker gekleurde schoone jonge vrouw, in rijk doch misschien wel wat heel weelderig kostuum, en ving half zingend, half reciterend, onder begeleiding eener zachte muziek aldus aan:

Nu de lieftallige atimoekta den mango doet siddren in minlijke boeijen, Nu ook Vrindavana's woud weer der Djamoena heldere golven besproeijen, Nu zich de lente aan de jeugd en de schoonheid, met haar tot verleiding geboren, Paart om den kluizenaar zelf in de rust zijner vrome overpeinzing te storen, Nu komt zich Krishna in 't voorjaar vermeijen, Droef voor verlaatnen alleen, en speelt kozend en danst met de dartlende reijen.

"Donker in 't gele gewaad, ligt met sandel bestrooid en metkransen omhangen,De oorringen schittrend in 't licht als de dans ze beweegt om delagchende wangen,Schertsend en kozend met dartel gebaarLeidt Krishna ten reidans de luchtige schaar.

Deze, met zwellenden boezem, die digt zich daar zoekt aan zijnzijde te dringen,Neuriet een liefelijk lied, dat ze straks hem bij 't tokklen derluit hoorde zingen.De andre, wier rusteloos oog toont wat liefde en wat lust ze uitzijn blik heeft gedronken,Staat als verblind door den glans van zijn lotusgelaat ingedachten verzonken.

Gene, die slanke, die haastig hem nadert, als had ze iets in 'toor hem te fluistren,Drukt snel een vlugtigen kus op zijn wang, als hij lagchend zichbuigt om te luistren.

Deze, door inniger hartstogt tot hem, den bekoorlijken herdergetrokken,Wil hem, de hand aan zijn kleed, naar 't bosschaadje aan denoever der Djamoena lokken.

Zij, die daar danst bij den klank van de fluit naar de maat derzacht rinklende ringen,Weet hem door 't blijk van haar kunst tot een uitroep van blijdebewondring te dwingen.

Deze en die kussend ter vlugt, maar te vaster die innige aan 'tharte soms prangend,Gene schalksch aanziend en deze, die tracht hem te ontsnappen,met de armen omvangend,Schertsend en kozend met dartel gebaar,Leidt Krishna ten reidans de luchtige schaar."

—De voordragt,—sprak Selim met reden, toen de zangeres een oogenblik ophield,—laat niets te wenschen over; maar wat dunkt u, edele Siddha! van de vertaling?

—Niet kwaad!—antwoordde de ander;—de denkbeelden zijn vrij wel teruggegeven, al zijn de woorden ook niet overal volkomen gevolgd. Dat is trouwens, ik erken het, ook heel moeijelijk met deze ietwat gemaakte en gezochte poëzie van den lateren tijd. Maar is de vertaler zelf niet bekend?

—Het is Feizi, met wien ik u dezen morgen zag spreken,—zei de Prins, even glimlagchend om de verlegenheid, die zich op Siddha's gelaat bij deze verklaring, in verband met zijn nog al meesterachtig oordeel, vertoonde.—Maar wees gerust,—vervolgde hij,—Feizi zal 't u stellig niet kwalijk nemen als gij zijn werk niet onvoorwaardelijk goedkeurt, maar u zeker voor elke teregtwijzing dankbaar zijn. Doch laat ons, Rembha! nog een enkel stuk hooren, en dan willen wij voor heden avond niet meer van u vergen.

—De klagt dan—sprak de zangeres,—van de verlatene Radha tot hare vriendin:

"Hem, die naar kussen begeerig, ginds 't landlijk vermaak zoektmet speelsche vriendinnen,Die ook zich harten zoo ligt door den lach der koraalroode lippenkan winnen,Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!

Hem, die met rankgelijke armen heel 't vrouwendom, kon het, zouwenschen te omvangen,Handen en voeten en borst met juweelen die 't duister verlichtenomhangen;

Hem, wiens met sandel omwolkt en hel stralende voorhoofd de maandoet verbleeken,Hem, wiens onstuimige hart te vergeefs de verloorne om genadedoet smeeken, Hem, die ginds dartelt, hem blijf ik gedenken,Moge ook hij spot slechts voor liefde mij schenken!"

Een kort oogenblik zweeg Rembha, en ging toen, in eenigzins veranderde maat, en met steeds zoetvloeijender klank harer ronde welluidende stem en als 't ware klimmende hartstogtelijkheid in de rol der minnende Radha voort:

"Mij, hier verscholen in 't loof, hem, die daar sluimert in 'tnachtelijk duister,Mij, die klagend hem zoekt, hem, die ginds praalt in zijnlagchende luister,Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me alsvoorheen weer beminne!

Mij, bij zijn naadring beschaamd, hem, die door vleitaal mijnzinnen verrukte,Mij, door zijn glimlach bekoord, hem, die mij strafloos densluijer ontrukte,

Mij, op het bed hier van mos, hem, die zich vleije als weleer aanmijn zijde,Mij, weer tot kozen bereid, hem, die den dronk zijner lippen mijwijde,

Mij dan met schemerend oog, hem met van vreugde straks tintlendewangen,Mij met de leden zoo mat, hem, door den roes der verrukkinghevangen,Ons, ach! breng spoedig weer zamen, vriendinne!Mij, dat ik ruste aan zijn hart, hem, dat hij trouw me alsvoorheen weer beminne!"

Eene uitbundige toejuiching viel der schoone zangeres ten deel, zij het dan om den inhoud der woorden, door geen gehoor alligt beter begrepen dan door het hare, of wel om de uitdrukking, welke zij door stem en gebaren er aan te geven wist.

—Dat belooft iets, niet waar?—sprak Selim,—als we nu eens aan de werkelijke hereeniging van Krishna en Radha komen! Maar dat een andermaal!—Doch zeg ons geachte Abdal Kadir!—vroeg hij, misschien niet geheel zonder bijoogmerk, aan dezen, die schuins tegenover Siddha had plaats genomen,—bevalt u die Indische dichtkunst toch niet wel zoo goed als de onze, ook al hebt gij, als elk ander goed geloovige, een afschuw van de wanbegrippen door het boos geslacht dezer Hindoe's verkondigd?

—Met dichters,—antwoordde Abdal Kadir, ter nauwernood zijn inwendigen wrevel bedwingend,—heb ik over 't geheel niet veel op; en ook onze heilige Profeet, gezegend zijn naam! vloekte met reden den goddeloozen Amroel Kaïs, zoo hoog ook door anderen diens Moallakah mogt zijn geroemd. Maar dat nu die Hindoe's niet alleen zulke wulpsche verzen maken, als wij er hier vernamen, maar bovendien zulke wellustige wezens als die Krishna en die Radha tot voorwerpen van goddelijke vereering durven verheffen, dat dunkt mij toch wat al te grof.

Juist dacht Siddha het woord te nemen om den ijveraar, zoo mogelijk, eens aan 't verstand te brengen, dat er nog een onderscheid is tusschen mythologie en godsdienst, tusschen poëzie en geloof, toen Selim te regter tijd verdere woordenwisseling verhinderde door uit te roepen:

—Geen theologie, mijne heeren! wat ik u verzoeken mag! Laten wij dat over aan mijn hooggeachten vader, die, naar ik vernam, op dit oogenblik met den geleerden Feizi, en mogelijk nog anderen, aan 't philosopheren moet zijn. Wij voor ons, meerendeels jongeren van jaren, kwamen hier bijeen om vrolijk den avond met elkaar door te brengen. Welaan dan, gij zangers en speellieden ginds! Een drinklied nu, en een levendig ook, om ons weer in den goeden toon te brengen! En laat stroomen den wijn, die ons 't hart verheugt; en zoo gij, edele Abdal Kadir! het wraken mogt, bedenk dan tevens dat een dichter, dien onze groote Profeet toch niet vloekte en die geëerd bleef onder de onzen, dat Tharafa reeds zong:

"En komt ge tot het drinkgelag,Ik doe u gaarn den ganschen dagEen trouw en kloek bescheid.

Den beker vindt des morgens gijTen boord gevuld reeds staan;Is 't u genoeg, straks vangen wij* Met frisschen moed weer aan!"

En waarom zouden we dat goede voorbeeld dan niet volgen?

De knorrige Mohammedaan bromde nog wel iets achter zijn baard, maar hij begreep dat tegenspraak hier onvoorzigtig zijn zou, daar hij Selim,—en deze wist dat ook wel,—als bondgenoot tegen Akbar's geloofsverzaking van noode had. Hij zweeg dus, en eindigde, om zijn leed te verzetten, met zelf dapper mee te drinken, wat de Profeet er dan ook van gezegd mogt hebben.

De overige genooden lieten zich trouwens ook niet onbetuigd en menigmaal werden de drinkschalen even snel geledigd als gevuld, terwijl ook de zangeressen en bayadéres op een wenk van Selim zich onder de gasten mengden en hier en daar op de divans nevens hen plaats namen.

Met de schoone Rembha, die ergens in zijn nabijheid teregt kwam had Siddha al spoedig een gesprek aangeknoopt; en weldra bleek hem dat zij niet alleen een vrij beschaafde en ontwikkelde vrouw, maar ook een zeer goedhartig wezen was, toen zij met medelijden van de ongelukkige danseressen sprak, die, al waren ze geen eigenlijke slavinnen, toch meerendeels door hare ouders op zeer vroegen leeftijd reeds aan den meestbiedende waren verkocht en nu, door den een aan den ander als een soort van koopwaar overgedaan, een leven leidden, niet voel beter dan dat der wezenlijke slaverij.

—'t Is mij,—zeide zij openhartig genoeg,—in den beginne ook zoo gegaan; maar gelukkig had ik wat aanleg tot den zang, en een mijner begunstigers liet mij daarom een redehijke opvoeding geven, zoodat ik nu voor mijzelve kan zorgen, en des noods van mijne kunst alleen kan bestaan. En als ik,—voegde zij lagchend er bij, —als ik oud en leelijk ben geworden, dan….

—Ja dan!—kon Siddha niet nalaten met een gevoel van medelijden uit te roepen.

—Och neen!—hernam Rembha,—ik begrijp wel wat gij bedoelt; maar gij vergist u. Als ik dan oud en leelijk word, dan behoef ik mij nog in 't geheel niet te verlagen als zoovele om anderen aan avonturen te helpen, maar dan vind ik ligt genoeg, daar ik eene Indische van goede kaste ben, eene gelegenheid om hier of daar in een tempel het toezigt te krijgen over de zangeressen en dansmeisjes, die de priesters voor hun ceremoniën er op na houden.

Een wat meer luidruchtige muziek dan tot heden brak het gesprek voor 't oogenblik af, en toen het weer stil werd, mengden andere gasten en andere vrouwen zich in het onderhoud. Ook werden nu de gesprekken al meer en meer los van aard, en menige uitdrukking trof Siddha's oor, die hem tot heden onbekend was, maar waarvan hij de juist niet bijzonder kiesche beteekenis al spoedig genoeg begreep. Langzamerhand begon er ook vrij wat van het dekorum verloren te gaan, dat tot nog toe was in acht genomen. Hier en daar lag reeds een feestvierende achterover met de ledige schaal in de hand en volslagen onbewust van 't geen er om hem heen gebeurde; en op de divans zag men menige groep, wier houding alles behalve van eerbied getuigde voor de hooge tegenwoordigheid in welke men zich bevond. Maar al lang zag de Prins zelf niet meer naar de anderen om. In achtelooze houding lag hij tusschen twee nevens hem gezeten danseressen, waarvan de eene met de greep van zijn dolk speelde, terwijl de andere aan zijn juweelen armbanden trok. Een daarvan, dien hij loshaakte, wierp hij deze in den schoot en gene wierp hij een paar kostbare paarlen toe, die hij van zijn kleed rukte; daarna hief hij de drinkschaal weer op om ze te laten vullen, en die geledigd hebbend, zonk hij met beneveld oog in zijne kussens terug. En de gesprekken, zoo de verwarde, elkaar kruisende uitroepingen dien naam nog verdienden, werden al luider en luider, en de muziek bleef spelen, en de wijn bleef stroomen, tot eindelijk ook onze Siddha, door het rumoer en de bloemengeuren en zeer zeker niet het minst door den wijn zelf bedwelmd, al minder en minder van 't geen hem omringde begon op te merken.

Een krachtige hand, die eensklaps op zijn schouder werd gelegd, schudde hem voor 't oogenblik wakker uit zijne verdooving. Het was die van Salhana, die hem ongemerkt genaderd was.

—Komaan!—sprak deze,—'t wordt tijd voor ons om te vertrekken. Er gebeuren bij gelegenheden als deze wel eens gevaarlijke dingen als er soms de eene of andere twist ontstaat, en men weet dan nooit waar men in gemengd kan worden.

—Ja, maar—vroeg Siddha met een weifelende uitspraak,—kunnen wij zoo maar heengaan, eer de Prins het teeken van scheiden geeft?

—De Prins!—zei Salhana nog al verachtelijk,—zie maar eens of hij er naar vragen zal of wij heengaan of niet!—En daarbij wees hij naar Selim, die daar achterover lag op den divan met de oogen gesloten en den arm afhangend over het kussen; terwijl de pas weer gevulde schaal, aan zijne hand ontvallend, over het kostbaar tapijt op den grond was gerold. Maar hoe ook Siddha zijn best deed, hij ontwaarde geen Selim meer, of zoo hij nog iets zag dan waren 't er twee; en gewillig liet hij zich nu buiten de zaal leiden door zijn oom, die hem stevig onder den arm greep, op het voorplein in een anders voor hemzelven bestemden palankijn deed plaats nemen, en toen, na een woord aan de dragers, schoon hij stellig niet minder gedronken had dan zijn neef, met vasten stap zich huiswaarts begaf.

Op zijn weg door een der nauwere straten ontwaarde hij onder de luifel van een huis eene lange magere gedaante, die, voorzigtig rondziende, hare schuilplaats verliet, en in welke hij spoedig Gorakh, den Yogi, herkende.

—Alles wel?—vroeg deze.

—Heel best!—was het antwoord,—onze zaken vorderen. Iets bepaalds kan ik u echter nog niet meedeelen, maar zoodra ik wat anders weet, en in elk geval, zoodra wij uwe hulp of die uwer getrouwen van noode hebben, zal ik u doen waarschuwen.

—En onze jonge gek? Houd hem in 't oog! Ik geloof dat hij iets van onze verstandhouding vermoedt. Dat maakt echter niets uit, als hij maar eerst binnen is. Maar daarom, zeg mij, is de vogel al in de knip?

—Nog niet,—antwoordde Salhana,—maar heel lang zal dat wel niet duren.

Gorakh lagchte, en de beide mannen gingen langs tegenovergestelde kanten ieder huns weegs.


Back to IndexNext