NEGENDE HOOFDSTUK.

Naar een antwoord, een passend, een afdoend, overtuigend antwoord zocht, maar vruchteloos, de voor 't eerst misschien in zijn gansche leven zóó weersproken despoot… Zwijgend bleef hij vóór de jonkvrouw staan, nu gereed om te spreken, dan weer zich terughoudend, en te vergeefs naar woorden zoekend om de tegenstrijdige gevoelens te uiten, die daar woelden en elkaar verdrongen in zijn brein. Ten laatste trad hij op Iravati toe, greep hare hand, en na ze even met zijne lippen te hebben aangeraakt, keerde hij zich om en verdween, zonder een woord verder te spreken, in de duisternis.

's Anderen daags vernam Salhana tot zijn niet geringen schrik, dat de Prins het kasteel en Allahabad had verlaten, en met één enkelen dienaar was heengetogen,—niemand wist te zeggen, waarheen.

De keizerweging

Wat al gewoel daar op dien grooten bazaar, waar Siddha eens in den morgen rondslenterde tusschen de lange reijen van winkels, die al wat het oog in die streken maar begeerde en ruimer of beperkter beurs betalen kon, in rijken voorraad hadden uitgestald! En wat zonderlinge en vreemdsoortige mengeling van rassen en volken, waarvan de verschillende vertegenwoordigers, lang reeds aan elkander gewoon, zich daar kruisten bijkans zonder acht meer op elkaar te slaan! Hier de oorspronkelijke bewoners des lands, de Hindoe's van meer of minder zuiver bloed en dientengevolge ook meer of minder gebruinde tint; dáár de menigmaal overmoedige beheerschers, de Perzen en Arabieren en Tartaren met hun veelal blanker gelaat; elders weer Armeniërs en Joden uit wederom westelijker streken, en ook zonen van het Hemelsch Rijk met hunne lange staarten en wijde gebloemde japonnen; hier en daar enkele mannen, wier aanblik in 't bijzonder Siddha's opmerkzaamheid trok, vermits hij huns gelijken nog niet had gezien, mannen in zonderlinge kleedij, met puntige, breedgerande met pluimen bezette hoeden, in korte wambuizen, wijde fulpen broeken en hooge kaplaarzen, en met lange regte degens in kleurig om den schouder hangend bandelier; eindelijk, in hun gezelschap, een paar van die geestelijke heeren, waarvan er één niet lang geleden bij den Keizer zelf was toegelaten geweest. En dan weer tusschen al die mannen, velen gekomen om te koopen of hun eigen waren van de hand te doen, anderen ook in voorname ledigheid rondwandelend en uit de hoogte op de woelige menigte nederziend, een tal van vrouwen van niet minder gemengde natiën en rangen; verscheidene in 't eeuwenheugend onveranderd Indisch volkskostuum, eenvoudig maar sierlijk en bevallig steeds, dat heupen en linkerschouder wel bedekkend, een deel van den regter zigtbaar liet; andere in kleuriger meer opgeschikt Perzisch gewaad; enkele ook digt gesluijerd naar streng Mohammedaansche zeden en niets vertoonend wat aan een menschelijk wezen kon herinneren dan een paar met roode pantoffels geschoeide voeten en een paar donkere oogen, die overigens glinsterend genoeg door de ronde gaten van den vormloozen alles overdekkenden sluijer gluurden; sommige eveneens daar verschenen om huishoudelijke inkoopen te doen of zich in 't bezit te stellen van meer overtollige snuisterijen; maar verscheidene ook om er iets anders nog dan koopwaren te zoeken of wel op meer of min bedekte wijze zich zelve daarvoor aan te bieden; deze laatste de bewoonsters van dat sterk bevolkt gedeelte der stad, dat in de wandeling onder den eigenaardigen naam van Shaitan-poera of "Satanstad" bekend was.

Juist wilde Siddha aan een der voorbijgangers vragen, wie die hem nog onbekende mannen waren, toen hij zijn vriend en begunstiger Feizi zag naderen en de vraag dus aanstonds tot dezen rigten kon.

—Dat zijn Franken,—antwoordde Feizi,—of zooals ze met hun meer bijzonderen naam zich heeten, Portugezen. Zij komen uit zeer verre streken van het Westen om hier in Indië handel te drijven, en die anderen, die daar met hen zijn, om ons te bekeeren tot wat zij noemen het alléénzaligmakend geloof.

—En die twee,—vroeg Siddha,—die van de andere zijde naderen, behooren die ook tot hen? Zij dragen nagenoeg dezelfde kleeding, maar hun gelaat is, dunkt mij, blanker; en wat rosse haren en baard!

—Ook wel Franken!—verklaarde Feizi,—maar toch van de anderen onderscheiden. Het zijn Engelschen, die hier de Portugezen zoeken te verdringen, maar tot nog toe met weinig geluk.

Ook zijn ze niet erg bij den Keizer en bij onze grooten gezien. Eenige weinige jaren later nog, en Feizi had onder die vreemde Westerlingen in Agra, die hij, even als zijne tijd en landgenooten onder den algemeenen naam van Franken begreep, ook nog anderen kunnen aanwijzen, die wederom van genen verschilden. Hij had er dan kunnen wijzen op de forsche, schoon soms ietwat plompe gestalte en het goedronde gezigt van Hollander en Zeeuw, die mannen, die onder aanvoering van Pieter van den Broeeke daar almede hunne fortuin of die hunner meesters, de Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie, kwamen beproeven en lange jaren beide voor Portugezen en Britten de meest geduchte mededingers op de markten van Hindostan en de rijken der Mogols zouden zijn, en die ook in de Indische wateren de eer der Nederlandsche vlag met roem zouden weten te handhaven tegen "Gijs" of "Gijs-oom", gelijk zij bij wege van spottende, zooal spraakkunstig min verdedigbare, verkorting gewoon waren hun aartsvijand in die streken te betitelen. Maar hun tijd was toenmaals nog niet gekomen.

Terwijl inmiddels de beide Engelschen voorbijgingen bekeek hen Siddha met die soort van nieuwsgierigheid, die, bij het zien van nog onbekende vreemden niet onnatuurlijk, doch ook vér was van beleefd te mogen heeten. Doch Siddha gevoelde, na 't geen hem omtrent deze lieden was meegedeeld, te weinig eerbied voor hen dan dat hij 't noodig rekende hun zijne gewone hoffelijkheid te betoonen; en ook Feizi zelf scheen hun nauw een blik waardig te achten.

—Verdoemde, trotsche Mooren!—bromde een der beide zonen vanAlbion in zijn taal, terwijl hij verder ging.

Hadden die twee mannen, die inderdaad nog al hoovaardige Indiër, dien de ander voor een Perziaan of Arabier aanzag, en die thans nog geminachte Brit eens een enkelen blik in de toekomst kunnen werpen, en hadden zij vermoed, dat de opvolgers van dezen eenmaal de beheerschers van die des anderen en de oppergebieders van het land zouden worden, ze hadden elkaar waarschijnlijk met wat meer opmerkzaamheid gadegeslagen. En met te grooter belangstelling zeker nog indien iemand hun toen eens had kunnen zeggen, dat zij de afstammelingen waren van een en hetzelfde volkengeslacht, en dat die vreemdeling, wat alouden oorsprong aanging, vrij wat nader bij Siddha stond dan deze bij menig zijner uit Semitisch ras gesproten vrienden.

—Doch laat al dat volk voor 't geen 't is!—sprak Feizi weder,— die lieden doen ons overigens hier geen kwaad, maar integendeel veel nut aan onzen handel en onze industrie. Ook leveren ze ons verscheiden goede schilders en andere kunstenaars. En omtrent hun eigen landen hebben ze ons veel geleerd. Als zij hier maar niet trachten den baas te gaan spelen, zooals dat elders wel in hun smaak schijnt te vallen!

—Nu, maar dan zou ik ze toch aanstonds de deur uitzetten!—zeiSiddha.

—Dat zou ook stellig wel gebeuren, dat verzeker ik u! Maar nu iets anders! Vooreerst dan: Hebt ge mijn vos al eens gereden, zooals wij hadden afgesproken?

—Wel-zeker! antwoordde Siddha,—en met het grootste genoegen. Een alleredelst dier!—En hij begon zich te verliezen in lofredenen op het paard van Feizi.

—Hij bevalt u alzoo?—sprak deze,—nu, dan zal ik hem op uw stal laten brengen. Gij kunt hem houden als gij wilt; en in den aanstaanden veldtogt zal hij u wel te pas komen. Uw schimmel is, ik erken het, een fraai paard en heel goed gedresseerd, maar, zoo 't mij voorkomt, niet zoo heel sterk. De vos is dat juist buitengewoon. En ikzelf rijd hem toch zelden; ik wil 't ook wel bekennen, ik ben wat lui geworden en gebruik liever een beest van wat zachter beweging.

—Maar,—zei Siddha, over dergelijke geedheid verlegen,—dat is waarlijk een toch al te kostelijk geschenk, dat ik niet aan u heb verdiend! Uw vos is een volbloed, prachtige Arabier, zooals ik er nog nooit een gereden heb.

—Als ik mijn vrienden iets aanbied,—zei Feizi,—dan dient het toch ook iets redelijks te zijn. Maar ik heb u nog iets anders te vertellen. En wel omtrent de vergadering die er gisteravond in het paleis werd gehouden en waarbij ik u gaarne tegenwoordig had gezien. Verbeeld u! in weerwil van al de staatszorgen die den Keizer weer overstelpen, vond hij toch nog tijd en lust als gewoonlijk om zijne wijsgeerige en theologische zamenkomsten te houden; en juist nu was dan ook de gelegenheid bijzonder gunstig, nu de Christenzendelingen uit Goa weer over waren gekomen. Zoo had hij dan gister, in een der groote zalen van het paleis, een aantal oelemah's en moellah's, waaronder natuurlijk ook Abdal Kadir, verzameld, en met hem een paar Jezuïeten, een Jood en een Parzi, benevens uw voormaligen, hier teruggekomen leermeester Koelloeka, dien gij gewis reeds begroet zult hebben, en Aboel Fazl, mijn broeder. Ik zelf had ook de eer en het genoegen daarbij aanwezig te zijn, en nam in den loop der discussie uwe aloude atheïstische natuurphilosophie voor mijne rekening al keek ook Akbar zelf daarbij soms wat schuin, terwijl Koelloeka voor den regtzinnig Brahmaanschen Vedanta optrad, en Aboel Fazl zich meer op algemeen humanistisch terrein bewoog. Koelloeka betrapte hem nu en dan wel op erg Boeddhistische ketterijen, maar liet dat gaan, in aanmerking nemend dat er geen Boeddhist in 't gezelschap was om zijne leer te verdedigen, gij weet toch, er zijn er hier nog wel, maar niet bekwaam genoeg om aan dergelijke gesprekken deel te nemen. Wat nu inmiddels, zoo belangwekkend dan overigens die gesprekken, waarbij de Keizer meer voorzat dan meeredeneerde, nog het merkwaardigst mogt heeten, was de afloop van de gansche vergadering. In den beginne ging alles zoo ordelijk en hoffelijk als maar verlangd kon worden: onze moellah's bleven statig en deftig en lieten zich niet veel uit; de padre's waren heel zachtzinnig en floten zoet als vogelaars; de Jood, een volgeling van Maimonides, bleef, dat dient gezegd, ten einde toe waardig, schoon hij niet veel zeide en zich ook niet bijzonder op zijn gemak scheen te voelen; de Parzi was dichterlijk, maar niet altijd heel goed te begrijpen; en wij, we wierpen zoo nu en dan enkele stellingen en bewijsgronden in de discussie, die we bij uwe wijsgeeren van ouds en ook hier en daar bij sommige onzer Arabische en Perzische hadden opgedaan, maar die geenszins in den smaak van de strijdende partijen bleken te vallen. Langzamerhand evenwel, zooals dat gemeenlijk gebeurt, begonnen deze zich warm te maken; van argumenten kwam het tot magtspreuken en van magtspreuken tot harde woorden, voornamelijk tusschen onze Moslemim en de Jezuïeten, hoewel ook wij in 't geheel niet en door geen hunner werden gespaard; en in 't eind werd het een gescheld en gevloek en geschreeuw, ondanks de tegenwoordigheid van den Keizer zelf, dat hooren en zien ons dreigde te vergaan. Vooral de moellah's weerden zich dapper. Gij begrijpt trouwens, dat ze zich hier wel 't meest verongelijkt moesten achten. Akbar intusschen zat het dwaze tooneel niet zonder inwendig genoegen aan te zien en keek mij menigmaal glimlagchend aan; maar ten slotte werd het hem toch te erg, en begreep hij dat aan zijne waardigheid te kort zou worden gedaan als hij 't langer liet voortduren.—Feizi!—zeide hij, mij wenkend,—laat dat volk de deur uitwerpen als het zich niet langer behoorlijk weet te gedragen! Ik gaf hun nu immers weer de ruimste gelegenheid om hun geloofstheoriën tegenover elkaar te verdedigen, ten einde dan zelf te zien wie de beste gronden voor de zijne zou weten aan te voeren. En wat doen ze nu? Elkaar uitschelden en verdoemen, anders niet. Hoor mij dat rumoer nu eens aan! Zoo aanstonds gaan ze, geloof ik, nog vechten! Maak er een eind aan!—Sire!—antwoordde ik,—dan zou 't toch maar best zijn ze allen te zamen weg te jagen; want zoolang er nog twee overblijven, komt er toch geen eind aan 't gekijf.—Akbar lachte, maar stond toen op van den zetel waarop hij tot nu toe met de meest mogelijke kalmte was blijven zitten; en, zijne magtige stem verheffend, terwijl nu aanstonds al de twistenden zwegen, zeide hij: —Wij danken u, mijne heeren! voor den leerrijken avond, dien uwe welwillendheid en uwe belangwekkende zamensprekingen ons heden weder verschaft hebben, en wij houden ons voor eene nadere bijeenkomst aanbevolen. De tegenwoordige zij voor 't oogenblik gesloten!—En met de hand wenkend, liet hij de aanwezigen gaan, waarvan de meerderheid zich al grommend verwijderde. Och, Siddha! wat zijn de menschen toch gek, dat ze elkaar zoo haten en vervloeken om afgetrokken stellingen over zaken, waarvan ze toch niets weten en wier kennis, al bezaten ze die ook, hen geen stap verder zou brengen tot de werkelijke beoefening van wat eer en pligt hun gebieden!

—Dat zeg ik ook! En 't laatste is waarlijk al moeijelijk genoeg! —antwoordde Siddha met een zucht, en zichzelven vrij wat meer dan de ander nog kon vermoeden, van die moeijelijkheid bewust.

—Maar vertel mij nu eens,—hernam Feizi,—ik vergat nog 't u te vragen, hoe komt ge hier in eens zoo terug? Ik dacht dat gij met de uwen reeds naar 't leger op weg waart.

—Dat was ook zoo,—gaf Siddha ten antwoord,—wij waren reeds vertrokken, maar ontvingen tegenbevel onder weg. En zoo blijven we dan nog eenige dagen in Agra; 't geen mij bijzonder genoegen doet, omdat het mij in de gelegenheid stelt, het groote feest van heden, het geboortefeest van den Keizer, bij te wonen, waarvan ik veel gehoord heb.—Dat er nog een andere reden was, waarom Siddha nog gaarne wat langer in Agra vertoefde, vond hij natuurlijk niet noodig er bij te voegen.

—Gij herinnert mij tevens,—sprak Feizl weder,—dat het tijd zal worden om naar het paleis te gaan voor den doerbar. De Keizer ontvangt heden, zooals gij weet, de vreemde gezanten. Ga mee, gij kunt er uw plaats innemen onder de officieren van uw rang.

Minder dan toen hij voor 't eerst een doerbar of audientie van den Mogel bij woonde werd Siddha, na met Feizi de groote troonhal te zijn binnengetreden, en in 't eind ook de Keizer verschenen was, door den indruk getroffen, dien al wat hem daar omringde op den bezoeker te weeg moest brengen; maar toch kon hij ook nu niet nalaten de sierlijke pracht der wit marmeren kolommen en der met fraai mozaïekwerk ingelegde wanden te bewonderen en de luchtige, fijn gehouwen bogen en de menigte van veelkleurige zijden en fluweelen voorhangsels, die in bevallige plooijen tusschen de hooge zuilen heen en weder wuifden. Meer nog echter trof hem ditmaal de aanblik der vergadering, grooter en plegtiger thans dan bij andere, vroegere gelegenheden. Aan 't eind der hal, van boven beschenen door een niet te sterk licht, zat de Groote Mogel op zijn kostbaren, van edelgesteenten schitterenden troon; aan weerszijden, in lange reijen, allen staande, de omrah's en oelemah's, de ministers, de veldheeren en alle verdere grooten van hoogen rang; voorts de gezanten van verschillende natiën, allen in hun bijzondere kleederdragt; daar tusschen de padre's Jezuïeten, en eindelijk de mindere beambten en officieren, waaronder ook Siddha, overeenkomstig zijn rang, een plaats had ingenomen.

Het voornaamste deel der plegtigheid was de uitwisseling van geschenken. De gezanten, en ook anderen, begaven zich ieder op zijn beurt tot den Keizer, legden, vóór den troon gekomen, op de officiëele wijze de regterhand tegen het voorhoofd en bogen dan het hoofd bij wijze van begroeting. Daarop stelden zij de geschenken, die zij medebragten, meest kostbare voorwerpen van kunst, aan de eene zijde van de trappen der verhevenheid waarop de troon geplaatst was, en namen dan de tegengeschenken in ontvangst, die van wege den Keizer hun werden aangeboden. Ook Rodolpho Aquaviva begaf zich op zijn beurt tot den Mogol en, een prachtig gebonden Latijnschen Bijbel in de hand houdend, wilde hij dien op de gebruikelijke wijze nederleggen, toen Akbar zelf opstond, een paar schreden voorwaarts deed, en het boek persoonlijk uit handen van den zendeling aannam.

—Wij danken u, Eerwaarde Vader!—zeide hij,—voor uw wélgedachte geschenk! En wij willen hopen, dat hetgeen wij van onzen kant u hebben aan te bieden, ook u niet minder welkom zal zijn.

En van een nevens hem staanden Brahmaan van hoogen rang een sierlijk handschrift van vrij grooten omvang aannemend, gaf hij dit over aan den Jezuïet, onder bijvoeging van de woorden:

—Het is een handschrift van den Atharva-Yeda, een der oudste heilige boeken onzer Indiërs, met daarnevens gelegde Perzische vertaling.

Eerbiedig nam Aquaviva het Keizerlijk geschenk in ontvangst, schoon het de vraag mogt heeten of hij er zoo bijzonder mee was ingenomen en er niet eenige toespeling in zag op het verhandelde ter vergadering van den vorigen avond, 't geen te meer waarschijnlijkheid erlangde doordien den Keizer steeds vooruit bekend was, welke bepaalde geschenken zouden aangeboden worden ten einde de zijnen daarnaar te kunnen inrigten, en er alzoo wel eene bepaalde bedoeling in het tegengeschenk moest zijn gelegen. Maar wat de padre ook dacht, niet moeijelijk viel te raden hoe de zaak door de regtzinnige Mohammedanen zou worden opgevat. En werkelijk fronste zich menig voorhoofd in hunne reijen, en niet dan met de uiterste moeite kon Abdal Kadir zich weerhouden, openlijk aan zijne verontwaardiging lucht te geven. Dat zij niet op den zin van het tegengeschenk letten en niet begrepen hoe Akbar juist daarmede te kennen gaf, dat hij volstrekt geen partij trok voor de Christenen in het bijzonder, sprak wel van zelf; zij zagen alleen op de buitengewone eer den Christen bewezen; maar Aboel Fazl, die de zaak beter vatte, schudde toch ook, hoewel nauw merkbaar het hoofd; die vrij noodelooze uittarting en beleediging van de Mohammedanen door den anders zoo verstandigen en humanen Akbar was hem leed, ook al kon hij voor 't overige niet geheel ontkennen, dat ze voor hun onhebbelijk gedrag van den vorigen avond wel iets hadden verdiend.

Na afloop van de eigenlijke receptie bleef de Mogol nog eenigen tijd anderen ten gehoore ontvangen, en liet ook dezen en genen tot zich komen om hun openlijk eenige opdragt te geven of met een of ander ambt hen te bekleeden. Zou in 't eind ook onzen Siddha, dien zijn altijd scherp oog daar onder zijne officieren had opgemerkt.

—Siddha Rama!—zeide hij,—wij hebben reden, over u tevrede te zijn. En uit aanmerking daarvan zijt gij van heden af Mansabdar over duizend. Blijf ons vertrouwen u waardig betoonen!

Een hoog rood overtoog Siddha's gelaat, terwijl hij stilzwijgend en op de gebruikelijke wijze diep het hoofd buigend den Keizer zijn dank bragt voor de op nieuw hem bewezen gunst. Het vertrouwen van Akbar waardig! Kon er één zijn in het leger, die het nog minder verdiende? En toch … zijn land, zijne betrekkingen en— Rezia! En de Keizer had immers ook wel eenig belang bij zijne spoedig te verwachten medewerking voor de zaken van Kaçmir. 't Was dus niet alles edelmoedigheid en gunst! Akbar intusschen zag in de verlegenheid van den jongen krijgsman niet dan eene ligt verklaarbare en zelfs loffelijke bescheidenheid, toen hij zoo openlijk zich geprezen en met gunsten, door de Moslem's hem weer benijd, overladen zag, en vriendelijk knikte hij den jongeling toe, terwijl hij hem wenkte dat hij zich verwijderen mogt.

Niet lang nu ook of het oogenblik was daar waarop het eigenlijke volksfeest een aanvang zou nemen. Daartoe was een uitgestrekt veld buiten de stad bestemd; en derwaarts stroomde uit alle straten en langs alle wegen eene bonte menigte van voetgangers en ruiters, velen te paard, anderen op fraai uitgedoste olifanten, verscheiden ook op kameelen met eetwaren en andere ververschingen beladen ten gerieve der velen, die kwamen deelnemen aan de vermakelijkheden. In dat bont gewoel mengde zich weldra ook Siddha met zijn vriend Parviz, dien hij bij 't verlaten van het paleis had ontmoet en die hem hartelijk geluk wenschte met zijne nieuwe bevordering.

—En gij,—vroeg Siddha,—hoe staat het met uwe belangen?

—Gij meent waarschijnlijk mijne heel bijzondere, niet waar?—zei de andere lagchend,—nu dat gaat nog al. Haar wie mijn hart behoort zag ik meermalen in den laatsten tijd, en schoon dat zeer in 't geheim geschiedt, heb ik toch reden om te vermoeden dat Todar Mal, haar vader, dat heel wel weet en er eigenlijk niets tegen heeft, al geeft hij zich natuurlijk den schijn als ware 't hem volkomen onbekend. Ik geloof trouwens dat mijn oom Feizi niet geheel vreemd is aan die gunstige wending. Zegene hem Allah! zou de vrome Abdal Kadir zeggen.

En hier verdwaalde de goede Parviz, zooals te verwachten was, in een stroom van lofredenen op de schoonheid en de deugden der aangebedene, die voor hem natuurlijk van hoog, maar voor zijn toehoorder niet dan van matig belang waren, maar in elk geval strekten om de beide vrienden bezig te houden tot zij, al voortwandelend, op het feestterrein zelf waren aangekomen.

Ook hier was de aanblik niet minder levendig en ongetwijfeld nog veel vrolijker dan te voren die van het uitgestrekte legerkamp. Eene onafzienbare menigte bewoog zich in de meest bonte groepen over het groote, golvende veld, waar tallooze grootere en kleinere, op allerlei wijze uitgemonsterde tenten waren opgeslagen, en vooral ook de vele olifanten met hunne logge en meestal donkere ligchamen maar schitterende dekkleeden en rijk versierde zetels eene schilderachtige afwisseling tusschen de zooveel kleinere gestalten der voetgangers en ruiters te weeg bragten. In 't bijzonder trokken de keizerlijke de aandacht, wier gouden borst- en hoofdplaten met groote smaragden waren getooid, en wier reusachtig ligchaam ook overigens met een schat was beladen, die op zich zelf reeds een matig fortuin voor een stil en gewoon burger mogt hebben vertegenwoordigd. Op een der aldus gesierde vertoonde zich de Groote Mogol zelf, en in 't midden van een breeden kring van hovelingen afstijgend, begaf hij zich met hen naar de plaats waar de groote plegtigheid van den dag stond gevierd te worden, eene plegtigheid evenwel, die meer de opmerking verdiende om het zonderlinge dan wel om het indrukwekkende dat haar eigen was, en die velen op meer of min gezochte wijze getracht hebben zinnebeeldig te verklaren, maar waarvan toch de regte beteekenis den geschiedschrijver nog ontsnapt.

Op een kleine verhevenheid bevond zich een vrij omvangrijke en sterke weegschaal, waarop een man zich gemakkelijk plaatsen kon. In de ééne schaal lagen hoopen goud en zilver en edelgesteenten; de andere, nu nog omhoog gehevene, was ledig. Op deze stelde zich nu de Keizer zelf ten aanschouwen van de honderden en duizenden zijner onderdanen die daar van alle kanten zich in 't ronde hadden geschaard; de andere schaal werd zoolang beladen en weder ontladen tot zij in evenwigt met den doorluchtigen persoon des Mogols was gekomen. En deze toonde wél, zijn redelijk gewigt tegen dat der edele metalen te bezitten; jammer maar dat er niet wat anders nog in de andere schaal gelegd kon worden, zooals pligt en eer en goede trouw en geestdrift voor al wat groot en schoon was; want ook tegen dit alles gewogen, ware Akbar voorzeker niet te ligt bevonden. Nadat nu evenwel de weging bezwaarlijk anders dan tegen iets stoffelijks had kunnen geschieden, stapte hij na afloop daarvan bedaard weer van zijn schaal, en het goud en zilver werd met het overige onder de omstanders verdeel. Ten slotte begaf zich de Keizer tusschen de groepen die hem omringden, wierp onder de omstanders een menigte van kleinere gouden voorwerpen, in den vorm van bloemen en vruchten gedreven en door zijn dienaren hem overgereikt, en rigtte middelerwijl tot dezen en genen, 't zij dan hooger of lager gestelde, een minzaam en belangstellend woord, waarmede hij velen op nieuw in de overtuiging bevestigde, dat het volk in Akbar niet enkel een groot en magtig, maar ook een welwillend gebieder had erlangd, wien het heil zijner onderdanen meer nog dan zijne eigene grootheid ter harte ging.

Na afloop van de zoogezegd meer ernstige ceremoniën van den dag begon de eigenlijke feestvreugde eerst regt, en werden de talrijke bezoekers van het terrein met allerlei vermakelijkeden bezig gehouden. Hier goochelaars en grappenmakers, die verschillende sterke toeren verrigtten en dwaze kunsten vertoonden; ginds dansers en danseressen, die met hun gewone langzame bewegingen en op de maat eener vrij eentoonige muziek hun meerendeels mimische dansen uitvoerden; verder op weer ruiters met lange speren naar ringen of andere voorwerpen stekend; en op een enkele plek ook de wonderlijke en afzigtelijke vertooning van een paar dier vreemdsoortige wezens, die op merkwaardige wijze, alleen Indiën eigen, een soort van godsdienstige handeling wisten te verbinden met wat men elders kermistoeren noemen zou; nagenoeg gansch naakte mannen, die een goede twintig voet boven den grond aan ijzeren, met een koord aan 't eind van een bewoegbaar dwarshout bevestigde en achter in hunne naakte schouders vattende haken slingerden. Vooral hier, waar die vertooning weinig gewoon was, trok zij de aandacht van zeer velen; en ook Parviz bleef met belangstelling opzien naar het schouwspel, terwijl Siddha, die het elders reeds dikwijls had bijgewoond, er vrij onverschillig bij bleef.

—Wat die lieden toch kan bezielen?—zei Parviz tot zijn vriend;—men zegt dat ze die pijniging uit godsdienstijver ondergaan, maar waarom kiezen ze dan juist een volksfeest er voor uit? Vrolijk is de zaak toch niet. En wat ik ook maar niet kan begrijpen, is, dat ze na hun vertooning blijkbaar nog ongedeerd zijn en er nauwelijks pijn van schijnen te gevoelen.

—Dat kan ik nu van mijne zijde u misschien duidelijk maken,— antwoordde Siddha;—gij weet dat dergelijke martelingen als ons hier schijnen vertoond teworden, door sommigen onzer godsdienstijveraars als verdiensten worden beschouwd, waarmede de hemel te winnen valt; en wanneer nu anderen, die de martelaars staan aan te zien, na afloop der plegtigheid hun meer of minder geld schenken dan verwerven de gevers zich ook een deel van de verdiensten die genen te veel hebben. Vandaar dat er nog al winst voor de vertooners te behalen is op plaatsen, waar ze veel bijgeloovig volk bijeen vinden. Hier schijnt dat evenwel minder te lukken dan in 't oosten en noorden. Wat nu hun kunsten zelven aangaat, daarvan is het geheim wel niet met zekerheid bekend, maar, naar ik geloof, toch wel eenigermate vermoed. Bedrieg ik mij niet, dan voeren zij altijd eenige vrouwen met zich, hoewel deze zich niet met hen in 't openbaar vertoonen, en laten zich door haar den halven dag en vooral onmiddelijk vóór den aanvang hunner kunsten, in en onder de schouderbladen zóólang knijpen dat zij bijkans ongevoelig worden op die plek en na lange steeds voortgezette oefening de haken er zóó in vatten kunnen, dat ze hun geen kwaad en bijkans ook geen pijn meer doen.

—Wonderlijke aardigheden toch!—merkte Parviz op.

—Ja, en ellendige ook, voor zoover ze 't bijgeloof helpen voeden. Eerlijke en fatsoenlijke Brahmanen verachten ze dan ook diep. Maar hebt ge mij niet gezegd, dat wij een dierengevecht te zien zouden krijgen?

—Welzeker! en ik bemerk daar aan de vlaggen ginds dat het haast zal beginnen. Laat ons daar heen gaan en er een plaats zoeken!

Die te vinden op de rondom het strijdperk opgerigte en fraai versierde tribunes, in wier midden de Keizer zelf met velen zijner hofhouding gezeten was, viel den beiden vrienden niet moeijelijk. De teekenen van hun rang gaven hun spoedig toegang tot een der kleinere stellaadjen; en weldra verschenen nu ook van twee verschillende kanten de beide strijdolifanten, elk met een schitterend dekkleed getooid en bereden door zijn eveneens kleurig uitgemonsterden kornak. Voorbereiding tot den strijd was er weinig. Zoodra de beide geweldige dieren elkaar genaderd waren, rigtten ze zich al snuivend op hunne achterpooten omhoog, bliezen hunne flanken op, grepen elkander bij de tromp, zoodat de eene plotseling als in de andere scheen geslingerd, en trachtten elkaar stooten toe te brengen met de lange vooruitstekende slagtanden, terwijl hunne berijders nu eens met de knieën achter hunne ooren, dan weer met de handen aan de singels der dekkleeden zich wisten vast te klemmen. Geruimen tijd duurde het woedend gevecht en met wisselend geluk, zoodat nu eens de eene olifant, dan weer de andere achteruitdeinsde, tot ten laatste een der beide werd omgeworpen, terwijl de kornak met een vluggen sprong veilig op zijne voeten teregt kwam. Terstond sloeg nu die van den overwinnaar zijn haak in de altijd open gehouden wond bij het oor, en zonder verder zijn gevallen tegenstander leed te veroorzaken trad het dier, door de pijn tot gehoorzaamheid gedwongen, terug. De Keizer klapte in de handen, de hovelingen en andere toeschouwers volgden zijn voorbeeld, en langzamerhand verliet men weder de tribunes.

—Akbar schijnt veel belangstelling in dergelijke gevechten te toonen, —merkte Siddha aan, terwijl hij met zijn vriend verder wandelde.

—Ja,—antwoordde deze,—dat is zoo. Akbar houdt van alles waarbij kracht en behendigheid van menschen of van dieren te pas komt. Hij zelf is, gelijk gij ook wel kunt zien, buitengewoon sterk; hij is beter misschien dan eenig ander bedreven op alle wapens; en zijn persoonlijke moed in den krijg en op de jagt is, zooals gij zeker wel vernomen hebt, van dien aard dat daaraan eer de naam van roekeloosheid te geven zou zijn. 't Is soms of hij de gevaren opzoekt in plaats van ze te vermijden, en zijne veldheeren en jagtvrienden hebben menigmaal heel wat met hem te doen als hij eens aan den gang is. Nu, van zijn velerlei avonturen zult gij ook wel al vrij wat gehoord hebben; sommige, 't is waar, zijn overdreven voorgesteld, maar ik weet er toch waarvoor ik zou durven instaan. Feizi, die zelf er enkele bijwoonde, zal er u bij gelegenheid wel eens van vertellen.

Zoo, onder verschillende gesprekken, wandelde men nog een tijd lang voort, en besloot toen de zaak maar voor gezien te houden en naar de stad terug te keeren. Eensklaps echter bleef Siddha staan, terwijl hij met groote verwondering naar het tentje op den rug van een der vele fraai opgesmukte olifanten keek, dat zijn oog daar toevallig ontmoette. De vrouw toch, die hij daar nevens een paar andere op de zijden kussens zag geleund, en die haar ligten, met een schitterenden diamant aan den kleinen tulband bevestigden sluijer had ter zijde geschoven, was,—hij kon zich daarin niet bedriegen,—buiten allen twijfel niemand anders dan Rezia; en naast haar ontwaarde hij ook de hem welbekende dienares. Maar wat kwam ze hier uitrigten, zij, die altijd beweerd had, zich met de meeste zorg voor het oog van vreemden in hare stille afzondering te verbergen? En dat juist op een oogenblik nu zij allen grond had te meenen dat Siddha naar het leger vertrokken was! Had zij hem dan bedrogen en was zij eene andere dan zij gezegd had te zijn?

Zoo bedaard echter en schijnbaar onverschillig als hem mogelijk viel, vroeg hij zijn medgezel, naar Rezia wijzend, die, een anderen kant uitziende, hem niet onder de voetgangers opmerkte:— Kent gij die vrouw?

—Die daar met den teruggeslagen sluijer en de dienares met den waaijer van pauwenveeren nevens haar?—vroeg Parviz,—welzeker! zou ik die niet kennen? En 't verwondert mij zelfs dat gij niet weet wie zij is. Maar 't is waar, zij vertoont zich niet veel, vooral niet in den laatsten tijd. Welnu dan, dat is….

En hier noemde Parviz een naam, waarvan het aanhooren zijn vriend een schok deed ondervinden gelijk hij zijn gansche leven nog nooit was gewaar geworden, en een gevoel bij hem deed ontstaan als bevond hij zich op den uitersten rand van een der hoogste rotsklippen in zijne noordelijke gebergten en als stortte hij, door eene duizeling bevangen, in den peilloozen afgrond….

—Dat is—zei Parviz,—eene vrouw, van welke gij toch in elk geval wel gehoord zult hebben: Goelbadan, de vrouw van Feizi!

Verrassingen

—Nu?—vroeg Parviz, verwonderd over Siddha's nog al vreemde houding,—wat gaat die naam of die vrouw u aan? Gij zijt toch, hoop ik, niet maar zoo in eens bij 't eerste gezigt op Goelbadan verliefd geworden? Ik zou 't u trouwens ook niet raden; want Feizi, anders de goedheid zelf is gansch niet gemakkelijk als 't zijn vrouw geldt, op wie hijzelf nog smoorlijk verliefd is.

—Een voorbijgaande herinnering!—antwoordde Siddha, zoo goed mogelijk zich herstellend,—een herinnering opgewekt toevallig door een overeenkomst van naam, maar die overigens met de vrouw van Feizi niets te maken heeft.

—Des te beter!—hernam de ander, en zwijgend gingen beiden voort.

Alléén te zijn, zoo spoedig mogelijk van Parviz los te komen,— geen andere gedachte bezielde voor 't oogenblik diens medgezel. Daar zag hij een zijner ondergeschikten op en neder wandelen….

—Vergun mij,—zeide hij tot Parviz,—u voor 't oogenblik vaarwel te zeggen, ik heb dien man daar te spreken. Intusschen blijf ik u ook ditmaaal weer dankbaar voor uw vriendelijk geleide!

En haastig zijn vriend groetend, wenkte hij den ruiter en was spoedig met hem in een gesprek over dienstzaken, maar dat hij even snel weer afbrak zoodra Parviz uit het gezigt was.

Toen snelde hij heen met rassche schreden. Waarheen? Hij wist het niet. Maar hij liep voort, altijd voort, denkend, droomend, als in een roes van dronkenschap.

Goelbadan, de vrouw van Feizi! Verraad alzoo, schoon ditmaal onwetend, maar dan toch van de allerergste soort, jegens den man, die op de meest belangelooze wijze zich hier, in den vreemde, zijn opregten vriend had betoond, en hem voorregten had verzekerd zooals geen ander in zijne plaats zonder dergelijke bescherming ligt verworven zou hebben; verraad jegens den Keizer, die hem met onverdiende en onverwachte gunsten overladen had; verraad en schandelijke ontrouw jegens haar, wie hij eenmaal zijn hart had gewijd en zijn ridderwoord verpand; alles om die ééne, eenige, die hem bedroog, die hij verachten moest, en toch—boven allen en alles nog bleef beminnen! Wat echter te doen? De pligt, de eer gebood, en sprak luide genoeg. Alleen de vlugt, en een overhaaste, kon uitredding geven. Want hij gevoelde 't maar al te wel: te toeven was anders niet dan op nieuw zich op den rand te begeven van den bodemloozen afgrond. Maar zoo plotseling, zonder eenige voorbereiding, zonder verklaring haar te verlaten, die, al was ze zwak, toch wel getoond had hem lief te hebben en, al misleidde ze hem, toch ook eigen eer en pligt hem ten offer had gebragt, was dat goed gehandeld, was het redelijk, was het—hem doenlijk? …

Lang dwaalde Siddha nog rond, nauw wetend werwaarts hij zijne schreden rigtte. Ten laatste bevond hij zich, opziende, in de onmiddelijke nabijheid der stad, en niet ver van de plaats waar de woning van Rezia,—die Rezia van vorige, gelukkiger dagen,— gelegen was, en die, hij moest het zich nu wel herinneren, aan de meermalen, doch van een geheel andere zijde door hem bezochte villa van Feizi grensde. En de avond begon te vallen. Het was het uur, waarop hij gemeenlijk zich naar den tuinmuur begaf en op het aan de dienares welbekende teeken werd toegelaten in de laan naar het paviljoen. Eenige oogenblikken nog en hij stond weer vóór denzelfden muur, en gaf het signaal, en snelde, nadat de kleine poort zich weer geopend had, naar binnen.

Op den divan bij de galerij lag Rezia, of Goelbadan nu, als te voren uitgestrekt in behagelijke rust, aan geen Siddha voor 't oogenblik meer denkend, dien ze reeds op weg naar het leger waande. Daar stormde op eens, door niemand aangemeld, de man het vertrek binnen, die mijlen ver van daar heette te zijn.

—Hoe? Siddha!—riep zij uit, terwijl zij verschrikt opstond, ik dacht dat gij lang vertrokken waart!

—Rezia! Goelbadan!—sprak Siddha met schijnbare bedaardheid,—ik ken u thans. Gij hebt mij misleid, mij en den man aan wien ik zooveel, zoo niet alles, hier te danken heb. Ik kom u vaarwel zeggen. De eer gebiedt mij u te verlaten, en ik weet dat ik het niet zou kunnen zonder u te ontvlugten. Morgen, heden nog vertrek ik om nimmer Agra weer te zien, noch ook u!

In een oogwenk en nog eer Siddha eindigde had Feizi's eehtgenoote alles begrepen. Zij had, volkomen overtuigd dat haar minnaar met zijn ruiters vertrokken was, geen reden gevonden om zich niet in 't openbaar te vertoonen of, bij het feest verschijnend, zich, als anders, zorgvuldig gesluijerd te houden. Dáár alzoo moest ze door hem zijn herkend en haar ware naam hem door iemand zijn medegedeeld. De zaak was te duidelijk om veel nadere verklaringen te behoeven. Maar verklaringen in dit oogenblik te vragen lag bovendien niet in hare taktiek.

Met hare zachte blauwe oogen zag zij vluchtig doch smeekend tevens haar minnaar aan, en hief de handen gevouwen omhoog; toen wankelde zij en zeeg, zonder een woord te spreken, op den divan neder, terwijl zij haar gelaat in de kussens verschool.

Een tijdlang bleef Siddha zwijgend op haar nederzien. Zóó schoon, zóó onweerstaanbaar verleidelijk had die bevallige gestalte hem nog nooit geschenen als juist nu, nu hij voor goed had besloten haar nimmer terug te zien; en onvergetelijk, hij gevoelde het, zou hem ten allen tijde die laatste blik zijn, dien hij daareven nog had opgevangen.

Maar:—heen!—zoo klonk het in zijn binnenste,—snel heen! En geen redeneringen en geen verder afscheid meer, of het is te laat om de betoovering, die zoo straks geweken scheen, te ontkomen!…

Daar hief zij langzaam het hoofd op, en schoof de weelderige lokken ter zijde, die om haar voorhoofd golfden, en streek zich met de hand over 't gelaat, als iemand die uit een diepen slaap of uit een bezwijming ontwaakt.

—Rezia!… laat mij nog eenmaal u zoo noemen!…—sprak Siddha weder,—verzwaar mij het afscheid niet dat ik gemeend had u te moeten brengen, omdat een verlaten voor altijd, zonder eenige voorbereiding, mij een onridderlijke handelwijze scheen. Maar dat de scheiding voortaan onvermijdelijk is, zult gij, ik vertrouw het, mij aanstonds wel toegeven. Onwetend heb ik de gastvrijheid geschonden en belangelooze vriendschap met den grofsten ondank beloond. Willens en wetens dat te blijven doen, ware wel 't ergste aller misdrijven.

—Gij hebt gelijk, mijn vriend!—antwoorddo Rezia gelaten en met zachte stem,—eene scheiding, dat gevoel ik maar al te zeer, moet u onvermijdelijk voorkomen. Ik vreesde, ik vermoedde het vóór lang, en daarom bleef ik ook zoolang veinzen tegenover u. Doch hoor mij nog een enkel oogenblik aan, eer ge mij voor altijd verlaat, opdat ge mij eenmaal niet met al te groote minachting moogt herdenken; en verneem wat ik, niet tot verdediging maar dan toch tot verontschuldiging van mijn gedrag heb aan te voeren! Ik misleidde u, het is waar, en zelfs meer dan eens. Ik begon reeds met u te misleiden den eersten keer dat ge mij zaagt. Ik had, maar zonder door u te zijn opgemerkt, u zeer kort na uwe komst in Agra ontmoet; uw uiterlijk voorkomen wekte mijne belangstelling, die niet weinig werd vermeerderd door 't geen ik, navragend, omtrent u vernam; en toen, onvoorzigtig genoeg! besloten uwe kennis te maken, gebruikte ik den naar Kaçmir bestemden brief als voorwendsel om mijn inderdaad onberaden doel te bereiken. Waartoe onze kennismaking gevoerd heeft, tot hoever mijn zwakheid, mijne liefde mij verleidde, helaas! het is ons beiden maar al te wel bekend. Maar ik wist toenmaals nog in 't minste niet dat eenige band van vriendschap u aan Feizi verbond; en later, toen ik tot mijn niet geringen schrik het bemerkte, ja! toen had ik sterk genoeg moeten zijn om onze verdere betrekking af te breken, althans om u eerlijk te bekennen wie ik was. Maar, ach! ik was zwak, Siddha! zwak zooals een vrouw dat zijn kan die bemint, die den man harer keuze hartstogtelijk liefheeft. Ik vreesde voor die scheiding, die uw eergevoel u als noodzakelijk zou opdringen, en— ik zweeg. Kunt gij mij vergeven eer wij voor altijd elkander vaarwel zeggen?

En schuchter en als bevreesd nog voor zijn toorn reikte zij hem de hand, terwijl zij mat en loom in de kussens terugzonk en tranen hare oogen verduisterden. Nog kampte hij met zichzelven. Een vreeselijke, een geweldige strijd. Maar te kort, veel te kort van duur.

—Rezia!—riep hij eensklaps uit, terwijl hij niet alleen de aangeboden hand vatte, maar hartstogtelijker dan ooit de vrouw, die hem beheerschte en hem alles deed vergeten, in zijn armen sloot,—Rezia! zonder u geen leven meer, geen bestaan, en met u geen misdaad en geene schande!…

…Inderdaad, hij had geen onwaarheid gezegd, noch eene overdreven spreekwijze gebezigd toen hij eenmaal haar verzekerd had, dat zij hem dierbaarder was dan het leven en dierbaarder ook dan zijne eer!…

Aan onverwachte ervaringen komt inmiddels soms niet ligt een einde. Zoo ook met onzen Siddha. Half verstoord, en half nog badend in nameloos geluk, deels zichzelf diep verachtend, en deels ook weer juichend in zijn noodlottigen hartstogt, wilde hij, eenigen tijd later door de welbekende laan geslopen, de kleine poort in den tuinmuur openen, toen deze tot zijne verbazing als van zelf openging en een mannelijke gestalte binnentrad, die, zonder hem terstond te bemerken, ze weer achter zich poogde te sluiten. Een onwillekeurige uitroep van Siddha deed den vreemde plotseling omkeeren…. Wie het zijn mogt? Feizi zelf misschien? Siddha had zich de tong uit den mond willen rukken om zijn dwaze onvoorzigtigheid; maar het was te laat.

—Wat, in den naam van Shaitan! komt gij hier uitvoeren?—riep de ander uit, en aanstonds herkende Siddha, zoo aan de stem als ook nu in 't schemerdonker aan de gedaante, Prins Selim.

—Dat mogt ik, dunkt mij, met evenveel regt vragen aan u, zoo niet met meer!—was het drieste antwoord.

Een kletterend geluid deed Siddha begrijpen dat de Prins de hand aan zijn sabel had geslagen, en hij van zijn kant haastte zich hetzelfde te doen. Op eens echter liet Selim, een paar schreden nader gekomen, en zijn tegenpartij herkennend, het zwaard weer in de schede glijden.

—Ha! mijn vriend Siddha Rama!—sprak hij, tot niet geringe verbazing van den ander, op vrolijken toon,—zoo betrappen wij u dan op uwe nachtelijke avonturen! Nu, een jonkman als gij mag 't er wel eens van nemen. Vrees niet dat ik u verraden zal! En jaloersch behoeft gij ook niet te zijn. Gij weet wel dat de uitverkorene van uw hart, die gij blijkbaar zooeven verlaten hebt, eenigermate met onze staatkundige plannen in verband staat; en vandaar dat ik haar soms in diep geheim, en dus ook wel eens onder deksel van den nacht moet gaan spreken. Ik begrijp evenwel dat ze op dit oogenblik minder bereid zal zijn mij over dergelijke dorre onderwerpen te woord te staan, en ik zal dus maar 't best doen mijn bezoek vooreerst uit te stellen.

En zich omkeerend begaf Selim zich naar 't poortje, en, na Siddha eveneens den doorgang te hebben verleend, sloot hij 't weer zorgvuldig achter zich toe.

—En nu,—zeide hij, waarschijnlijk gaat gij naar uwe woning, links; mijn weg ligt aan den tegenovergestelden kant.—Doch,— voegde hij er nog bij, terwijl hij gereed stond zich te verwijderen, en Siddha, niet wetend wat te antwoorden, hem stilzwijgend aanhoorde,—laat deze ontmoeting een geheim blijven tusschen u en mij! Dat is in ons beider belang. En zonder meer verdween Selim in het duister, terwijl de ander nog geruimen tijd als verbluft staan bleef.

—Een goede dienst, die hij mij daar toevallig bewezen heeft!— mompelde de prins in zichzelven, terwijl hij zich verder spoedde; —hij stelt mij in 't bezit van een geheim dat voor mij van onberekenbare waarde kan zijn!… Die slang daar ginds zal ik nader wel vinden!…

's Anderen daags dwaalde een van Selim's vertrouwden rondom het buitenverblijf en stond weldra in een verborgen hoek met de dienares van Goelbadan te praten. Spoedig was de koop, dien hij had voor te stellen, gesloten; en de dienares toonde zich volkomen bereid, de geheimen harer meesteres te verraden. De Prins toch kon natuurlijk meer betalen dan deze en Siddha te zamen. Den avond van denzelfden dag meldde zich de dienares aan het paleis, werd terstond door den vertrouwde ontvangen, stelde hem een paar, in den vorm van brieven gevouwen papieren ter hand, en haastte zich toen met den ontvangen prijs naar de woning harer meesteres terug. Een dag later was Selim met klein gevolg weder op weg naar Allahabad.

Daar toefde eene eenzaam treurende. Sinds langen tijd reeds had Iravati niets meer van haar verloofde vernomen. In den beginne, kort na zijne aankomst in Agra, had hij, ze herinnerde 't zich telkens, haar nog een paar brieven toegezonden, overvloeijende als vroegere van betuigingen zijner liefde en onwankelbare trouw; daarna had zij geen letter meer van hem ontvangen, terwijl haar door anderen toch werd medegedeeld dat hij zich volkomen wél bovond en hoog in eer en in de gunst des Keizers begon te stijgen. Wat dan de reden van zijn voortdurend stilzwijgen kon zijn? Een vreeselijke twijfel begon nu hoe langer hoe meer zich meester te maken van haar gemoed; maar telkens ook wist zij dien wederom te onderdrukken en op nieuw zich te sterken in het vertrouwen, dat zij in de eer en het woord van haren Siddha bleef stellen.

Eens, toen zij deels weer in mijmering verloren een boek doorbladerde dat zij vroeger, nog in Kaçmir vertoevend, met haar verloofde gelezen had, kwam de trouwe Nipoenika haar storen en naderde haar met bedrukt en onheilspellend gelaat, haastig eerst, maar straks weer weifelend, als aarzelde zij of ze spreken of zwijgen moest.

—Welnu?—vroeg Iravati,—wat komt gij mij melden? Mij dunkt, gij brengt mij slechte tijding.

—Helaas, mijne jonkvrouw!—antwoordde de dienares,—ik zou wenschen dat ik een slot mogt leggen op mijn mond; en toch mag ik u niet onkundig laten van 't geen mij daar straks werd meegedeeld. Het betreft u zóó na, dat ik niet zou wagen het gansch te verzwijgen.

—Zoo spreek dan, en onverholen!—gebood Iravati,—ik ben bereid aan te hooren wat gij te zeggen hebt.

En nu verhaalde de vertrouwde, hoe zij van een krijgsman, die uit Agra kwam, het een en ander omtrent Siddha vernomen had. Eerst sprak zij in meer of min bedekte termen; daarna duidelijker; eindelijk kwam alles voor den dag wat Selim zelf omtrent het avontuur met de vrouw van Feizi had weten te ontdekken. De uitwerking van het verhaal was zooals de andere gevreesd had. Als wezenloos zat Iravati voor zich uit te staren, en lang had Nipoenika opgehouden te spreken eer zij eenig antwoord gaf. Toen sprong zij eensklaps op, en vroeg met een haar ongewone drift:

—Wie heeft u dat alles verteld? Wie was die krijgsman? Spreek de waarheid! En geen omwegen, verstaat gij?

—Edele jonkvrouw!—antwoordde Nipoenika,—hoe zou ik u durven misleiden en welk belang kon ik er ook bij hebben? De man, die mij verhaalde wat ik u heb medegedeeld, was een dienaar van den Kroonprins.

—Dan is alles ook gelogen!—riep Iravati uit,—ik begrijp de zaak volkomen. Welk een verachtelijk middel!—voegde zij in zichzelve er bij; en daarop weder tot hare dienares:—Het is wél, mijn goede Nipoenika! Ik dank u voor uw berigt, dat gij, ik betwijfel het niet, mij enkel uit wezenlijke belangstelling hebt overgebragt. Maar ik hecht er niet aan, nu de bron mij bekend is, waaruit het voortkwam. Laat mij voor 't oogenblik echter alléén, en moei u in 't vervolg niet al te veel met dien man, die u met die praatjes heeft bezig gehouden!

Toch had de wél gerigte pijl beter getroffen dan Iravati tegenover zichzelve en haar vertrouwde wilde toegeven, en toen deze zich had verwijderd zat zij nog lang, het hoofd in de hand geleund, over de mogelijkheid en waarschijnlijkheid van het gebeurde na te denken. Wederom echter voelde zij haar moed herleven toen zij na eenigen tijd, haar vertrek verlaten hebbend, in een der galerijen Prins Selim zelf ontmoette, van wiens terugkomst haar tot dusver niets was gemeld. De zaak was duidelijk. Hij en niemand anders had inderdaad, gelijk zij aanstonds reeds vermoedde, het gansche lasterlijke verhaal uitgedacht om haar, zoo mogelijk, van Siddha te vervreemden. Een koele en met zekere minachting tevens niet onvermengde hoofdbuiging was het eenige, waarmede zij zich verwaardigde den eerbiedigen groet van den hoogen bezoeker te beantwoorden.

—Iravati!—sprak deze, nader tredend,—gij mogt reden hebben u te verwonderen over mijn terugkeer in dit paleis na ons laatste, voor mij zoo ontmoedigend onderhoud, indien niet hetgeen ik door uwe getrouwe dienares u liet meedeelen, omdat ik niet persoonlijk de overbrenger wilde zijn, u daaromtrent eenige verklaring gaf.

—Ik begrijp zeer goed,—antwoordde Iravati zonder blijk van toorn, maar ook zonder omwegen,—dat laster door u te baat is genomen, waar u blijkt dat overreding onvermogend is. Toch had ik zoo iets niet verwacht, vooral niet van u.

—Laster!—hernam Selim,—ja, dat ware inderdaad al een heel verachtelijk middel om het doel van mijn vurige, doch zoo ik meen toch geenszins ongeoorloofde of ook beleedigende wenschen te bereiken. Maar daarenboven een zeer ijdel. Want welke waarde zoudt gij aan dergelijk los daarheen geworpen verhaal, een eenvoudig praatje, kunnen hechten, indien de waarheid niet door bewijzen kon worden gestaafd?

—Hoe nu? Bewijzen? Wat bedoelt gij?

—Ik bedoel die soort van bewijsstukken, waartegen zelfs de strengste en meest nauwlettende regter niets zou hebben in te brengen. Gij kent natuurlijk het schrift en de hand van Siddha, niet waar?

—Ongetwijfeld!

—Welnu, zie deze brieven dan!—En Selim overhandigde haar de beide in briefvorm vervatte stukken papier, welke de vertrouwde van Goelbadan, na ze behendig aan haar meesteres te hebben ontstolen, hem verkocht had; vlugtig geschreven, hartstogtelijk gestelde, met allerlei uitroepen en betuigingen van liefde vervulde en hier en daar ook met een paar versregels doorspekte brieven van Siddha, waarin de naam der aangebeden Rezia herhaalde malen voorkwam.

Haastig las Iravati dat alles, terwijl het haar voor de oogen begon te schemeren. En zij las en herlas, en keerde de brieven om en om, en bezag ze van alle kanten, tot zij ze eensklaps uit de hand liet vallen en, hare bezinning verliezend, bewusteloos ware neergestort, indien niet Selim haar snel had ondersteund en op een nabijzijnde rustbank had nedergevleid.

Eene zwakke zenuwachtige maagd was Iravati echter, hoe innig en onbegrensd ook hare liefde, niet. Daar vloeide haar door de aderen nog het bloed van een voormalig krachtig ras, van een oud heldengeslacht, en spoedig rees zij weder op en stelde zich tegenover den Prins, tewijl zij met vastheid hem in de oogen zag.

—Mijn lot,—sprak zij,—is beslist, indien, gelijk ik nu wel moet aannemen, werkelijk waar is wat mij werd verhaald. Eene andere heeft bezit genomen van het hart, dat tot heden mij behoorde en mij alleen. Het zij zoo, al wordt het mijn dood! Doch meen niet, gij Vorst, die over alles te gebieden hebt behalve over een vrouwenhart, dat daarmede u den weg zou zijn gebaand, dien gij met uwe ontdekkingen reeds zaagt geopend! Meen niet, dat mijne gelofte ijdel is geworden omdat het woord van trouw aan de andere zijde verbroken werd, zoolang het mijne mij niet is teruggegeven!

—Hoe nu?—riep Selim in verbazing uit,—de minnaar, wiens ontrouw u thans wel gebleken is, verlaat u en offert u op aan eene andere, en gij zoudt u niet vrij achten en niet mogen luisteren, ik zeg niet terstond, maar eenmaal welligt, als de vroegere herinnering verzwakt en eindelijk verdwenen zal zijn, naar hem, die u boven allen en boven alles lief heeft en magt en eer, zooals geen ander die bieden kan, aan uwe voeten legt?

—Selim!—antwoordde Iravati zacht, terwijl ze zich tot geregeld denken dwong,—gij verstaat mij niet en gij kunt mij misschien ook niet verstaan. Gij kunt ons, Indische vrouwen, niet begrijpen, zoozeer verschillend van die, waaraan gij anderen gewoon zijt. Het hoogste geluk voor eene vrouw schijnt u, en zoo schijnt het werkelijk ook velen, de begunstigde Sultane van een magtig heerscher te zijn. En gij meent ook dat het genoeg is, eene onzer van de ontrouw haars minnaars te overtuigen, om haar terstond alle gedachten aan den onwaardige vaarwel te doen zeggen.

—En is dat dan niet overvoldoende?

—Onze vrouwen—was het antwoord—kennen die verlokking van grootheid niet, waar het haar pligt betreft en hare eer; en den echtgenoot, of, wat hetzelfde zegt, den plegtig verloofden bruidegom, wien zij eenmaal haar woord verpandden, blijven zij getrouw, ook al zien zij hare liefde met ontrouw beantwoord. De gehechtheid der vrouw aan den man weet bij ons van geene grenzen; of is u niet bekend genoeg, hoe vele, laat zoo iets nu te verwerpen zijn als een gevolg van bijgeloof of van overdreven gevoel, zich volkomen vrijwillig en met de grootste geestdrift op den brandstapel werpen, die het lijk van den gestorven echtgenoot verteert? En hebt gij ook nooit gehoord van onze heilige legenden en riddersagen, die de toewijding der echtgenoote, ook aan den onwaardige, schilderen? Van de roerende lotgevallen der edele Damayanti kwam u zeker wel 't een en ander ter ooren. Welnu! voor zooveel in mij is, wil ook ik eene Damayanti zijn! Dat Siddha mij verlate, ik zeg het als zij: het is de booze Kali, die in hem is gevaren en hem tot kwaad verlokte, niet hijzelf die zoo grievend leed over mijn hoofd bragt. En als de betoovering van hem zal geweken zijn, dan keert hij, een andere Nala, tot mij terug, en rein van elke smet vinde hij mij weder en overtuige zich dat ik beter nog dan hijzelf voor de eer heb gewaakt van zijn naam!

—Ik liet u gaarne—hernam Selim na een oogenblik gezwegen te hebben,—die gelukkige hoop op zijne terugkomst, hoezeer ze mij ook smarten moest. Doch vlei u niet met dergelijke verwachting! Geloof mij, ik ken die vrouw, in wier strikken hij verward is geraakt; ikzelf, ik heb haar bemind tot op het oogenblik dat ik u aanschouwde; en ik weet dat zij onweerstaanbaar blijft zoolang geen andere en reiner liefde den hartstogt komt verdringen, dien een man eenmaal voor haar gevoelt. Geloof mij, zeg ik! geen verleidelijker vrouw ken ik dan deze, gelijk ik geen reinere en geen edelere ken dan u!

—Prins!—zeide Iravati op deze hernieuwde verklaring,—ik wil u smeeken om ééne gunst voor heden, al schijnt u 't verzoek ook onheusch. Laat mij voor eenige oogenblikken over aan mij zelve! Ik gevoel thans werkelijk behoefte, na al wat ik vernemen moest, om alléén te zijn. Een ridder, een edelman zooals gij, zal, ik vertrouw het, mij dit niet willen misgunnen.

—Ik ware—antwoordde Selim,—den naam onwaardig dien gij mij toekent, als ik een oogenblik langer van uwe goedheid misbruik maakte. Ook is verdere aandrang van mijne zijde, ik gevoel het maar al te wel, voor het tegenwoordige niet alleen onnut, maar in mijn eigen nadeel. Ik gehoorzaam dus aan uw verlangen.

En zich omwendend verliet hij, schoon met loome schreden, de galerij.

Maar toen hij was heengegaan ontzonk Iravati ook de kracht, die haar standvastigheid deed betoonen tegenover hem, en uitgeput zeeg zij op de rustbank neder, en, het gelaat met de handen bedekkend, weende zij bitter.

Kortstondig echter was hare betrekkelijke rust, en verschrikt zag zij op, toen na eenigen tijd zich weer een voetstap in de nabijheid deed vernemen. Het was Salhana, die haar naderde.

—Mijne dochter!—sprak hij, met meer zachtheid in zijne stem dan zij tot dusver zich herinnerde nog ooit bij hem te hebben opgemerkt,

—Ik weet wat uwe gedachten bezig houdt en u 't hoofd laat buigen onder leed. En ik wist ook reeds vroeger wat u heden werd medegedeeld. Ik had de trouweloosheid van Siddha ginds in Agra reeds ontdekt, maar bleef alles voor u verbergen tot de tijd zou zijn gekomen waarop te spreken pligt mogt worden. Hoe het zij, alles is u thans bekend. En nu, gij zult het, vertrouw ik, wel inzien, nu gebiedt u de achting die ge uzelve niet alleen, maar ook mij en mijn huis verschuldigd zijt, alle herinnering aan dien man te bannen, die op zoo smadelijke wijze de nadere verbindtenis met ons geslacht verworpen heeft.—Neen, hoor mij aan!—vervolgde hij, toen hij Iravati gereed zag te antwoorden;—geloof mij, ik gevoel diep, innig medelijden met u in dit noodlottig oogenblik; maar ik mag daarom niet nalaten u te herinneren wat eene dochter van onzen edelen stam aan hare eer en haar goeden naam verschuldigd is. Tevens echter wil ik, hoewel in geheim, u iets mededeelen wat ik eveneens ontdekte, en dat, zooal niet aanstonds de wond zal heelen die u geslagen werd, dan toch in 't eind u tot troost zal strekken. Eene heerlijke, eene schitterende toekomst wacht u nog, Iravati! Wat voor elke vrouw in gansch Hindostan het begeerlijkst lot mogt zijn, kan het uwe worden. Prins Selim,—ik vermoedde 't sinds lang, en toen ik hem onlangs de gelegenheid gaf zich te verklaren, bekende hij 't mij ook,—Prins Selim bemint u en begeert u tot zijne echtgenoote!

—Dat weet ik,—antwoordde Iravati.

—Gij weet het? En hoe?

—De Prins zelf heeft het mij verklaard, ook heden nog.

—En uw antwoord?

—Ik heb het vereerend aanbod afgeslagen.

—Hoe! Wat?—riep Salhana met de grootste verbazing en ergernis uit,—afgeslagen? Zijt gij zinneloos?

—Ik geloof het niet. Maar ik ben immers verloofd aan Siddha.

—Wel! wat kan dat nu uitmaken? Gij zijt immers nog vrij in uwe keuze. Gij zijt zijn vrouw nog niet.

—Neen, maar wat voor mij in dit geval hetzelfde is, ik heb hem trouw gezworen, en hijzelf ontsloeg mij nog niet van die gelofte.

—Laat dat zijn! 't Kon vroeger misschien nog gelden. Maar nu? Hij zelf heeft immers zijn trouw gebroken en u daarmee reeds ontslagen van uw woord.

—Zoo mogen anderen er misschien over denken, die in andere begrippen zijn opgevoed dan ik. De mijne echter verbieden mij te doen wat gij verlangt. En zoo die begrippen voor 't oogenblik aan uwe plannen in den weg staan, wijt het, mijn vader! aan uzelven, die mij eenmaal daarin hebt doen opvoeden. Bovendien, ik wil er geen geheim van maken, nog blijf ik Siddha beminnen in weerwil van zijn handelwijs, en een ander zou ik nooit kunnen liefhebben na hem.

—Maar er behoeft hier immers ook geen sprake te zijn van liefde! Het is genoeg dat Selim u bemint, en dat gij gebruik kunt maken van den invloed dien gij op hem hebt. Maar dat schijnt gij nu niet te verkiezen, eenvoudig om een gehechtheid aan allerlei overdreven en lang verouderde voorstellingen en een dwazen hartstogt voor een onwaardige. Bedenk echter wat gij verwerpt, indien gij blijft volharden in uwe onzinnige weigering! Een Koningrijk wordt u aangeboden, een rijk waarvan de wedergade nauw in de wereld valt aan te wijzen, en gij stoot het verachtelijk van u af, enkel om een droombeeld, een gril.

—'t Mag zijn dat ik ongelijk heb,—antwoordde Iravati gedwongen bedaard, terwijl haar vader zich al meer begon op te winden,—maar uwe voorspiegelingen zullen mij daarvan niet overtuigen. Ze werden mij eveneens en beter nog, door den Prins zelf gedaan, maar konden mij evenmin van besluit doen veranderen.

—Uw besluit schijnt dus te zijn, den wil van uw vader te weerstaan? Mij dunkt, dat komt toch ook niet overeen met die beginselen waaraan gij zoo gehccht zijt, en die toch gehoorzaamheid van het kind aan zijne ouders tot een der eerste pligten maken.

—Zeker, maar niet wanneer die pligt met een nog hoogeren in strijd geraakt. Hoezeer 't mij ook leed is dat ik u niet mag gehoorzamen, ik mag nu eenmaal niet en ik kan niet.

—Doch 't is u dan toch bekend dat een vader ook regten over zijn dochter heeft en de magt bezit om haar des noods tot gehoorzaamheid te dwingen.

—Dat is mij volkomen bekend; maar ik weet ook, dat dwang hier tot niets zou dienen. Want als ik mij werkelijk tot een huwelijk met Selim noodzaken liet, zou ik juist alle waarde voor hem hebben verloren en van mijn invloed ook geen gebruik meer kunnen maken. Dat weet hij zelf volkomen, en denkt dus aan geen dwang. Indien hij daartoe besluiten wilde, hij zou uwe tusschenkomst niet eens van noode hebben. De troonopvolger van Akbar is magtig genoeg om zijn wil tegen den mijne en ook tegen den uwe door te zetten, als hij verkoos.

Salhana balde zijne vuisten en beet van ongeduld op zijn knevel. Aan alle kanten geslagen! En door wie? Door een eenvoudig meisje, dat hij tot nog toe als het zachtzinnigste en onderdanigste wezen had gekend! Al zijn heerlijke plannen van den laatsten tijd, al zijn schitterende vooruitzigten door dat eigenzinnige, nu weerbarstige kind vernield! Hij had gedroomd, nu niet meer van een onderkoningschap alleen, maar van niets minder dan de hoogste plaats na den Keizer zelven in het rijk; hij zag zich reeds in Agra als Groot-Vizier nevens den troon, en vorst en land beheerschend door zijne dochter, oppermagtig gebieder over al die rijken en volken, zoo niet in naam dan toch metterdaad….

—Welnu!—riep hij eindelijk na eenig stilzwijgen uit, terwijl hij in dreigende houding zich tegenover Iravati plaatste,—gij verkiest naar rede niet te luisteren, en voor dwang zijt gij niet bevreesd. Maar misschien toch wel voor iets anders. Wel dan misschien voor den vloek van een vader!

—Het leed dat mij reeds is opgelegd,—antwoordde Iravati,—zou er door verdubbeld worden; maar ik zou kracht zoeken om den last te dragen zonder te bezwijken. En moest dit, welnu! dan geschiede wat mij is voorbeschikt.

—Gij zijt moedig,—sprak nu Salhana op kouden, maar tevens ietwat sarcastischen toon,—of althans gij tracht het te zijn. Ik wil evenwel gelooven dat gij niets voor uzelve vreest; maar zijt gij wel zoo zeker dat uwe halstarrigheid niet soms ten nadeele mogt komen van dien Siddha, dien gij erkent nog lief te hebben, en dat de Prins uwe weigering niet op hem soms wreken mogt?

De laatste slag scheen doel te hebben getroffen. Als in wanhoop hief Iravati de handen omhoog, en liet ze toen magteloos weer zinken, terwijl haar hoofd zich voorover boog op hare borst. Met een hatelijk zegevierenden glimlach zag Salhana haar aan. De overwinning dan was eindelijk toch behaald, de zege hem, de kracht der onverzettelijke was gebroken!…

Daar rigtte zich de fiere jonkvrouw uit haar gebukte houding weder op, en Salhana onverschrokken in de oogen ziende, sprak zij, eerst met weifelende, daarna met vaste stem:

—Wat gij, vader! daar gezegd hebt, is wreed, gruwelijk wreed, en ik kan bijna niet gelooven dat het ernstig gemeend zou zijn. Maar al is dat zoo, al is 't een ernstige bedreiging, ook die is niet bij magte mij te doen wankelen en mij den heiligen pligt te doen verzaken die mij is voorgeschreven. Indien Siddha hier vóór ons stond en hij zag mij weifelen en mijne gelofte schenden om hem te redden uit gevaar, hij zelf zou mij verachten en het regt hebben mij te verstooten. Mijn leven wil ik voor hem offeren; het behoort hem; maar niet mijne eer, die eveneens hem toebehoort. Wel weet ik dat zijn dood de mijne worden moet; maar wat ons is beschikt, vermogen wij niet af te wenden. Laat dan de wraak den onschuldige treffen; doch er zal niets bij te winnen zijn, noch voor Selim, noch voor u. Gij zoudt een dochter, uw broeder zou een zoon minder hebben, dat ware alles, en uwe eerzucht zou toch niet zijn gebaat …Maar laat ons dit gesprek afbreken, dat mij in 't eind den eerbied kon doen vergeten dien ik u verschuldigd blijf! Doch bedenk het, mijn vader! dat ik uwe dochter ben, een jonkvrouw uit uw eigen hoog en eeuwenoud goslacht, die zich door niets laat dwingen en door niets verschrikken waar het eer en pligt, en den man dien zij lief heeft, geldt!

Nog een oogenblik zag Salhana Iravati aan. Daar stond zij voor hem in ongebogen houding, hooghartig, uitdagend bijna. De rollen waren omgekeerd; de tot nog toe zoo onderdanige dochter scheen te gebieden, de trotsche vader tot onderwerping genoopt. Zonder een woord te spreken keerde hij zich om en snelde voort met haastige schreden, terwijl een uitdrukking van magtelooze woede zijn donkere gelaatstrekken verwrong.

Tauhid I Ilahi

Vóór en omtrent de winkels en woningen van een der kleinere bazaar's van Agra aan de rivierzijde bewoog zich, als gewoonlijk, tegen 't vallen van den avond eene bonte, maar overigens zeer rustige menigte. Hier en daar zaten in open galerijen en vertrekken de spelers met hunne dobbelsteenen om het bord waarop ze hun inzet hadden gewaagd; elders dronken soldaten van verschillende wapens elkander vrolijk toe, 't mogt dan met wijn of met sterker benevelende dranken geschieden; op eene enkele plaats lag een eenzame droomer de stille en tijdelijke zaligheden te genieten, die een meer of min overmatig gebruik van den opium hem verschaffen mogt; en in diepe en ernstige gesprekken zag men eenige deftige Musulmannen gewikkeld, die zich voor een enkelen keer hadden verwaardigd, aan de rustig gezellige genoegens der anders niet weinig door hen geminachte Hindoe's deel te nemen.

—Ja, Ali!—sprak een van die in eigen oog zoo voorname heeren tot zijn medgezel,—gij hebt wél gelijk; 't begint van kwaad tot erger te komen met Akbar en zijn hof. Wat daar al ongeregtigheden moeten gepleegd worden! Dat gaat zoo maar avond aan avond met die, ik ben er zeker van, godslasterlijke bijeenkomsten. Zoo kwam ik nog gisteren, 't was middernacht ongeveer, langs het paleis; en wat meent gij dat ik er zag? Al de vensters van 's Keizers vertrekken hel verlicht; alles schitterend van lampen en waskaarsen op reusachtige luchters. Maar voor wat? Voor een feest, zooals een vorst dat mag en soms ook moet vieren? Neen, man! Alles doodstil, behalve nu en dan een statig gezang, een soort van loflied, zooals Akbar zelf, naar men zegt, er meer dan een vervaardigd heeft, maar dat, hoewel het anders welluidend genoeg klonk, toch niets te maken kan hebben met onze heilige godsdienst, waarvoor de Profeet geprezen zij!

—En wat beduidde dat, Yoessoef?—vroeg de ander.

—Wat het eigenlijk te beteekenen had,—antwoordde Yoessoef,— weet ik u niet met zekerheid te zeggen, maar wel, dat al dat licht en dat gezang in verband moest staan met de nieuwe leer, die de Keizer in plaats van den Islam wil stellen, en waarin hij zijne vertrouwden inwijdt, een soort van vuur- en zonnedienst, die hij voornamelijk van onze oude Parsi's en ook van de ongeloovigen hier, Allah zij hun genadig! ter kwader uur ontvangen moet hebben.

—Maar wat is dat dan toch eigenlijk voor dienst?—vroeg Ali;—ik heb er wel eens van hooren spreken, maar ik weet toch niet regt wat het is.

—Heel bepaald—hernam Yoessoef,—weet ik het ook niet; maar dat het heel ergerlijk zijn moet, bewijst wel de verklaarde tegenzin van alle goedgeloovigen, en onder hen vooral van een man als Abdal Kadir, anders ook bij Akbar zelf wel in aanzien, en een groot geleerde. Doch wat nu mijn persoonlijke ervaring aangaat, ik heb in den laatsten tijd nog wel onrustbarender zaken waargenomen dan wat ik u vertelde. Denk eens! niet lang nog geleden zag ik heel in stilte, en als was hij voor verspieders bevreesd, een man uit het paleis sluipen, dien gij stellig wel kent en dien gij niet ligt ontmoet zult hebben of 't werd u koud en huiverig, Gorakh, den zoogenaamden Yogi.—Nu,—vervolgde de spreker, terwijl hij zijne reeds fluisterende stem nog een toon dalen liet,—weet gij voor wien ik dien man aanzie? Regtuit gezegd, als hij de Shaitan zelf niet is, dan is hij toch zeker een handlanger van hem; en met dat wezen… heeft dan de Keizer een verbond gesloten!

Yoessoef zweeg een oogenblik en met ontzetting staarde zijn makker hem aan.

—Behoede ons Allah!—riep hij eensklaps weer uit, terwijl hij naar eene langs den waterkant voortschrijdende gestalte wees,— daar is hijzelf in eigen persoon! Mogten de wateren der Djoemna hem verzwelgen!

En werkelijk vertoonde zich daar weder de Doerga-priester, en begaf zich tot een groep Hindoe's en Perzen, die in levendig gesprek met elkander waren gewikkeld.

—Nu, en ik zeg u dan,—sprak een dier laatsten,—wij mogen en kunnen 't niet langer dulden dat onze heilige godsdienst zoo voortdurend en openlijk door een Feizi en een Aboel Fazl, om nu te zwijgen van een hoogere, wordt bespot en ten toon gesteld. En 't is mij onbegrijpelijk hoe gijlieden, al belijdt gij dan eene andere godsdienst, er vrede mee kunt hebben dat men hier alles zoekt om te keeren en alles te vernietigen wat u zoowel als ons tot nogtoe altijd heilig scheen.

—Maar zóóver zijn we nog niet,—antwoordde de Hindoe;—dat de Keizer en zijne getrouwen niet véél meer aan uw Koran hechten, is bekend genoeg, en eveneens dat ze daarom onze godsdienst nog niet zijn toegedaan. Maar ik heb nog niets van eenig omverwerpen of vernielen gehoord; onze tempels blijven als de uwe onaangeroerd, en niemand hindert ons in onze godsdienstige praktijken, terwijl gij Mohammedanen te voren niet anders deed dan ons plagen en vervolgen.

—En dat verdiendet gij ook, gij zonen van….

—Komaan, mannen, geen twist!—sprak tusschenbeiden komend, een Perzisch krijgsman;—dat brengt ons toch niets verder.—En meteen gaf hij den verbolgen Mohammedaan een wenk.

—Laat het dan zijn!—antwoordde deze, en den Hindoe den rug toekeerend, verwijderde hij zich met een paar zijner vrienden en den krijgsman die zooeven gesproken had.

Nu mengde zich ook Gorakh in het gesprek en:—'t Is goed, Mobarik! —zeide hij,—dat gij daarbij waart. Openlijke twisten konden nu gevaarlijk worden. De meeste Hindoe's houden nog de zijde van den Keizer. Wekt ze dus niet te spoedig, en zoekt ze voor 't oogenblik nog niet te winnen; ze komen toch wel over als de kans begint te keeren. Hoever zijt gij inmiddels gevorderd?

—De meeste van onze Mansabdar's zijn gewonnen,—antwoordde Mobarik,—en terstond zullen zij openlijk onze zijde kiezen zoodra hun het teeken gegeven wordt. Die met het leger meegaan zullen daar op het geschikte oogenblik omwenden, en die hier in Agra blijven zullen hetzelfde doen. Van hun troepen zijn zij volkomen zeker.

Met bijzondere opmerkzaamheid hadden vooral ook twee andere mannen geluisterd, die zich intusschen bij de overigen gevoegd hadden, en, blijkens de met dezen gewisselde begroeting, mede tot de zeer vertrouwden behoorden. Met nog meer belangstelling luisterden zij, toen Gorakh met zachte stem hernam:

—Van onze zijde is in de laatste dagen nog eenige verandering in het plan raadzaam gekeurd. Wij moeten niet wachten met den slag te slaan tot Akbar in het Noorden zal zijn aangekomen. 't Is toch altijd mogelijk dat hij, in weerwil van den afval van een deel zijner troepen, eene overwinning behaalt; sommige berigten uit Kaçmir doen er ons zelfs voor vreezen, en verspreidt zich van zoo iets het gerucht, dan valt er hier weinig of niets meer voor ons uit te voeren. Wij moeten de zaak dus wat verhaasten, en zoodra de Keizer met zijn leger te ver op weg zal zijn om Agra in weinige dagreizen weer te bereiken, het plan terstond doorzetten. Is dan Selim hier eenmaal tot Keizer uitgeroepen en heeft hij zich in de vesting versterkt, dan is er niet de minste twijfel of de ontevredenen in het leger zelf keeren zich tegen Akbar, 't geen anders, als 't alleen op hen aankomt, naar ons nog onlangs is gebleken, in 't geheel nog zoo zeker niet is. Zorg dus, Mobarik! en ook gij anderen, dat de onzen bij tijds gewaarschuwd worden en behoorlijk gereed zijn het vervroegde plan te helpen uitvoeren!

Na nog eenige nadere afspraken scheidden de bondgenooten en gingen ieder huns weegs.

—Dat is gewigtig nieuws!—zei tot zijn medgezel een der beide mannen, die zich 't laatst bij de anderen gevoegd hadden, toen zij een eind verder waren gegaan.

—Dat zal waar zijn!—riep de ander uit;—en vergis ik mij niet, dan zal het Akbar de zaak vrij wat gemakkelijker maken. Jammer, dat wij niet dadelijk aan Aboel Fazl rapport kunnen doen; maar wij moeten natuurlijk wachten tot den nacht; vóór dien tijd naar zijn paleis te gaan, schijnt te gevaarlijk. Ook is hij, geloof ik, op dit oogenblik bij den Keizer en wij zouden hem dus niet vinden.

—Ook dunkt mij beter—hernam degene die 't eerst gesproken had,— voor 't oogenblik niet langer zamen te blijven. Wij vinden elkaar dan na middernacht bij den Vizier terug.


Back to IndexNext