TWAALFDE HOOFDSTUK.

En den anderen groetend, sloeg hij eene zijstraat in, terwijl zijn medgezel langs de rivier bleef voortwandelen.

Maar wat er dan 's avonds wel onheiligs en schrikbarends omging in die geheimzinnige binnenvertrekken van den Keizer, die naar het gevoelen van den vromen Yoessoef en velen zijner geloofsgenooten een verbond met geen minder persoon dan Satan zelf gesloten had? Dezen avond ten minste zou de regtzinnige Musulman er niets bijzonders hebben opgemerkt, hoewel hij zeker nieuwen aanstoot aan de gesprekken zou hebben genomen die er worden gevoerd, ten minste…. indien hij in staat ware geweest ze geheel te volgen.

Feizi, Aboel Fazl en de vóór eenigen tijd uit het Noorden teruggekeerde Brahmaan Koelloeka waren daar met den Keizer bijeen.

—Nog geen nadere berigten van uw spionnen?—vroeg deze aan zijnMinister.

—Sinds eergisteren nog niet,—antwoordde Aboel Fazl;—ik verwacht hen echter heden na middernacht in mijne woning, en ik onderstel dat ze ons wel wat nieuws zullen brengen.

—Treurig toch, niet waar?—hernam Akbar,—dat men zich telkens van zulke lieden bedienen moet! Och, waarom zijn de menschen toch ook zoo, en maken ze ons 't gebruik van dergelijke middelen onvermijdelijk?

—Een noodwendig gevolg—antwoordde de staatsman,—van den regeringsvorm die hier nu eenmaal bestaat, en waarin geen verdere verandering mogelijk schijnt buiten die welke er reeds in is aangebragt. Ontevredenen, ze mogen het dan teregt of ten onregte zijn, hebben geen middel om herstel van hunne grieven te erlangen waar alle magt in handen van één eenige berust, en die ééne oordeelt dat die grieven ongegrond zijn. Eerzuchtigen en gelukzoekers bedienen zich dan van hen als hunne werktuigen voor geheime plannen, en maar al te ligt laten ze zich daartoe gebruiken.

—Maar ik weiger toch nooit de klagten mijner onderdanen aan te hooren,—zei Akbar,—en als ze billijk zijn, toon ik mij immers ook steeds bereid om herstel aan te brengen voor zoover in mijne magt staat.

—Als ze billijk zijn!—herhaalde Aboel Fazl,—ja, maar wie beoordeelt dat? De Keizer zelf met zijne raadslieden.

—Maar wat zoudt gij dan willen? We hebben hier wel van staten en volken in andere wereldstreken gehoord, waar dat anders ging; maar de toestanden van die volken zijn of waren ook gansch andere. Hoe willen wij hier met al die verschillende rijken en stammen, die aan ons gebied zijn onderworpen, eenigen wezenlijken invloed op het bestuur aan het volk zelf verleenen? Daargelaten nog of het volkskarakter en 's lands zeden en gewoonten het mogelijk, zouden maken.

—Dat is alles volkomen waar,—hernam Aboel Fazl,—maar ik heb ook reeds gezegd, dat ik geen verdere verandering wenschelijk of ook mogelijk achtte; en zoo ik nu van de bestaande toestanden sprak, dan was 't enkel om daaruit tot het onvermijdelijke der middelen te besluiten, die wij, om erger te voorkomen, wel genoodzaakt zijn aan te wenden. Wat voor 't overige de lieden betreft, die wij gewoon zijn met den verachtelijken naam van spionnen te betitelen, ze zijn toch niet altijd zoozeer te minachten als 't wel schijnen mogt. Althans die beide, die ik nu in 't bijzonder bedoelde, zijn wezenlijk eerlijke, door anderen ook geachte lieden en met hart en ziel ons toegedaan. 't Is waar, ik zorg dat ze goed beloond worden, maar noodig ware dat anders niet; ze zouden ook zonder dat ons trouw zijn. En goede diensten hebben ze ons dan ook waarlijk wel bewezen; zij ontdekten ons het geknoei van Salhana, den Goeverneur van Allahabad, en, wat niet minder waard is, ook de geheime gangen van dien Gorakh, den Yogi.

—Ja,—merkte Feizi, misschien wel wat ondeugend, aan,—van dien wijsgeer, die een tijd lang ook op de gunst van Zijne Majesteit mogt bogen, toen hij nog de geheimen der Yoga-leer beloofde te onthullen. Veel is daar echter niet van gekomen voor zoover ik weet.

Akbar kleurde een weinig bij die herinnering, die hem weer in de gedachte bragt, hoe hij bijna, althans voor een oogenblik, met al zijne wijsheid de bedrogene in handen van den slimmen huichelaar was geworden; maar ter regter tijd vatte Koelloeka het gesprek weer op waar het dreigde te blijven steken.

—En dat is toch werkelijk jammer!—zeide hij;—'t is waar, met dien Gorakh behoort men zich niet te veel in te laten; mijn voormalige leerling Siddha heeft mij ook wel 't een en ander omtrent hem meegedeeld wat tot voorzigtigheid maande. En toch, hij weet misschien door overlevering nog meer dan wij omtrent die oude en tegenwoordig meest vergeten leeringen ontdekken kunnen.

—Ziet gij wel,—sprak Akbar als zegevierend tot Feizi,—ook onze vriend Koelloeka, wien toch anders heel wat Brahmaansche wijsheid bekend is, acht die veel besproken Yoga-leer nog lang zoo onbelangrijk niet.

—Gaarne wil ik gelooven dat zij veel belangrijks bevat,—antwoordde Feizi,—vooral indien onze wijze vriend dat zegt, van wien we reeds zooveel wetenswaardigs vernamen. Doch vergun mij, wijze Koelloeka! u de vraag te doen, wat gij nu eigenlijk van dat voormalig stelsel zoudt verwachten. Voor zoover ik weet is het niet veel anders dan een dwaas mysticisme, dat aan zijne adepten eene onmogelijke vereeniging van het eindig individu met het oneindig Alzijn belooft, en ten slotte eenvoudig op belagchelijke tooverkunsten of, beter nog gezegd, op eenige handige goocheltoeren uitloopt.

—Zóó ongunstig—zeide Koelloeka,—denk ik nog niet over het systeem van Patandjali, ook al geloof ik geenszins dat het op 't bezit eener absolute waarheid zich mag beroemen. Die vereeniging met, dat opgaan van het eindige in het Oneindige, van het menschelijk bewustzijn in het Alwezen, dat de Yoga beoogd moet hebben, is op zichzelf genomen zoo groote dwaasheid niet. Wel dwaalt die leer ongetwijfeld, indien zij het middel der beoogde vereeniging in eene volkomen oplossing van het bewustzijn, van het denken zelf des menschen zoekt, waardoor het individu in een soort van extase met het oneindige wezen zou zamensmelten, maar waardoor het in waarheid, zoo dat kon, zou eindigen met zich zelf te vernietigen. Niet zoo gansch verwerpelijk echter schijnt mij, althans voor een deel, het gronddenkbeeld waarvan hier wordt uitgegaan. Of blijft het niet altijd eene waarheid, dat de mensch: juist omdat hij anders zoo eng bekrompen zich gevoelt, geen hooger standpunt van den geest weet te bereiken dan waartoe hij zich verheft wanneer hij in enkele te weinig hem gegunde oogenblikken zijne eindige persoonlijkheid voelt verdwijnen, om gansch en al in hoogere en meer algemeene begrippen op te gaan? Mits die begrippen maar geen ledige abstractiën blijven, maar aan het volle en krachtige menschenleven zijn ontleend, aan de wetenschap, aan de kunst, aan de bespiegeling ook over de maatschappelijke en burgerlijke betrekking der menschen onderling. Wat, ik vraag het, kunt gij hooger stellen dan een dergelijk zich verliezen van het eindig en zelfzuchtig Ik in het wezenlijk algemeene, in het algemeen menschelijke, waaraan het individu eerst zijn regten levensgeest ontleent en waarin het behoort op te gaan, zal het in waarheid aan zijn bestemming kunnen beantwoorden?

—Ziedaar,—sprak Akbar,—een woord naar mijn hart! Maar diezelfde gedachte, verloochening der zelfzucht, bezielt ook andere uwer oude wijsgeerige stelsels, gelijk ook die nieuwere leer, die de zendelingen uit het Westen hier komen prediken. Maar is er toch niet iets anders nog, waarop het denken van den mensch en in 't bijzonder het wijsgeerig denken zich te rigten heeft? Zoo waar en zoo verheven ook die leer der zelf verloochening zijn moge, wat meldt zij ons omtrent het eeuwig en oneindig verband der dingen en de eenheid, die al het menigvuldige doordringt en zamenvat?

—Inderdaad,—antwoordde de Brahmaan,—den naam van wijsgeer wel onwaardig zou hij zijn, die niet dát juist en de daaruit voortvloeijende levensbeschouwing en praktische moraal het hoofdvoorwerp van alle wijsgeerig denken, den wezenlijken inhoud der wijsbegeerte zelve noemde. Maar wie verschaft ons de volledige oplossing van het wereldraadsel?

—Zeker niemand,—gaf nu Feizi ten antwoord,—althans tot heden niet. Wat latere wetenschap misschien na verre eeuwen nog tot die ontraadseling zal bijdragen laat zich heden zelfs in de verte niet vermoeden. Maar zouden wij nu voorloopig ons niet tevrede kunnen stellen met de overtuiging, die door alle ware wijzen van vroeger en later dagen wordt gedeeld, en door den een in meer door den ander in minder duidelijke bewoordingen is uitgedrukt, dat er een eeuwig en onbegonnen oorspronkelijk leven is in het heelal, waaruit en waardoor alles in zijn noodwendig oorzakelijk verband wordt zamengehouden; een leven en zijn, waarvan de hoogste wet ontwikkeling heet, de ontwikkeling van de steeds lagere trappen van het bestaan tot de altijd hoogere? En wat zijn wij dan zelf, wij menschen? Immers, even als al wat ons omringt, de verschijnselen en openbaringen van dat ééne Alleven en Alzijn zelf, en eveneens bestemd om ieder in eigen kring en naar mate van vermogen tot die algemeene ontwikkeling mede te werken. En naarmate wij nu levendiger en met steeds duidelijker bewustzijn ons dat algemeene, hoogste begrip voor oogen weten te stellen, zal ook meer en meer de enghartige zelfzucht op den achtergrond treden en plaats maken voor onbaatzuchtige toewijding aan het heil van onze medemenschen, van de maatschappij en van den staat.

—Zeer juist gezegd, mijn waarde Feizi!—sprak Akbar weder,—maar zoo waar nu dat alles ook zijn moge, voldoet het u geheel, en verlangt gij niet soms ook naar iets anders, iets meer?

—Ongetwijfeld,—was het antwoord,—aan dat ééne begrip in zijn afgetrokken algemeenheid hebben wij niet genoeg. Wij moeten 't ook in zijn bijzonderheden, zijne toepassing leeren begrijpen. Wij moeten trachten naar de kennis van dat oneindige leven en dat oorzakelijk verband, door de waarneming van de menigvuldige verschijnselen zelve. En naar die kennis trachten immers allen, die zich toewijden aan de wetenschap.

—Gij begrijpt mij nog niet volkomen,—hernam de Keizer;—wat gij daar gezegd hebt, wil ik u eveneens toegeven; maar wat ik nu eigenlijk bedoelde, is dit. Heeft dat Alzijn, waarvan gij spreekt, zijn grond in zichzelf of in een nog hooger, intelligent bestaan?

—Intelligentie, denken,—antwoordde de ander,—is een noodwendige eigenschap van het Zijn, even als datgene wat wij gewoonlijk stof noemen of uitgebreidheid eene andere is. Beide zich uitend en zich openbarend in die oneindige wijzigingen, die wij verschijnselen heeten. En hoe zou nu datgene wat een eigenschap is van iets, tegelijk de grond of de oorzaak van datzelfde kunnen zijn?…

Eenige oogenblikken heerschte er volkomen stilzwijgen. De Keizer zocht naar een antwoord, maar schudde het hoofd en zeide niets.

—Mijn waarde broeder! sprak nu Aboel Fazl, het woord tot Feizi rigtend,—uwe redenering schijnt mij volkomen logisch, en toch voldoet ze mij nog evenmin als, geloof ik, onzen geëerbiedigden Keizer. Wat hebt gij, wat hebben wij nu over 't algemeen aan dat begrip van het Alzijn en Alleven? Wat geeft het óns?

—Wel,—antwoordde Feizi lagchend,—het behoeft u ook niets te geven, als het maar waar is. En is het waar, dan dient gij 't ook daarvoor te erkennen zelfs al voldoet het, al behaagt het u niet. Ik meen u echter zooeven nog te hebben aangetoond, dat mijn begrip toch wel degelijk iets geeft, en waarde voor het leven bezit, in zoover het ons opwekt tot toewijding aan al wat wij als goed en waar beschouwen. En wat wilt gij dan eigenlijk nog meer?

—Ik geef 't u gewonnen,—hernam Aboel Fazl;—maar ik sprak nu niet zoozeer van mijzelf en ons anderen als wel van minder ontwikkelden, die dat alles zoo niet begrijpen en toch ook behoefte gevoelen aan iets meer en iets hoogers dan de dagelijksche ervaring hun aanbiedt. Zou 't nu in allen gevalle niet mogelijk zijn, die meer afgetrokken begrippen in een kleed te hullen, dat ze meer aanneemlijk maakte voor 't algemeen?

—Onze vriend Aboel Fazl—zei Akbar,—heeft daar juist teruggegeven wat ik reeds meer dan eens bij mijzelf overlegde. Zou het, zoo dacht ik, inderdaad niet mogelijk zijn, zooal geen nieuwe zinnebeelden uit te denken voor de begrippen, die Feizi daar verkondigde, dan toch vroegere weer te verlevendigen, die niet door enkele en alleenstaande godsdienststichters verzonnen werden, maar uit den waarlijk godsdienstig dichterlijken geest der volken zelven zijn voortgesproten.

—Ik meen de bedoeling te verstaan,—sprak Feizi, toen Akbar een oogenblik zweeg;—het geldt hier, bedrieg ik mij niet, de nieuwe leer, welke de Keizer zou wenschen in te voeren en ook ten deele onder sommigen zijner vertouwden reeds ingevoerd heeft. Is het zoo niet?

—Inderdaad,—antwoordde Akbar,—gij hebt u daaromtrent niet bedrogen. Maar laat mij nu ook gebruik maken van de gelegenheid om er iets naders van te zeggen. Ik ben u, Feizi! en ook u, Koelloeka! omtrent dat een en ander wel eenige opheldering verschuldigd, en 't is mij dus welkom dat de loop van ons gesprek mij daartoe een gereede aanleiding geeft. Zoo luistert dan! … lang, zeide ik daareven, heb ik gezocht naar een vorm waarin het redelijk godsdienstig bewustzijn zich mogt uiten en die tegelijkertijd den wijsgeerigen denker en den minder hoog ontwikkelde bevredigen kon. Eindelijk gaf de kennisneming van sommige denkbeelden onzer voormalige Perzen, maar vooral ook die van de vroegere dichterlijk wijsgeerige voorstellingen uwer aloude zangers, Koelloeka! mij eenigermate aan de hand wat ik eigenlijk zocht. Ik bedoelde de u welbekende voorstellingen van de Zon en het Vuur, en die bespiegelingen over de meest in 't oog vallende verschijnselen van het licht en de warmte, die in den aanvang misschien onduidelijk en verward schijnen, maar wél bezien, eene verhevene waarheid bevatten, eene waarheid die de wetenschap van later eeuwen welligt nog door hare uitkomsten tot hoogere zekerheid zal verheffen.—Ziet!—vervolgde Akbar, terwijl hij nader trad bij de galerij aan de open zijde van het vertrek, en naar de langzaam ten ondergang neigende zonneschijf wees,—daar verlaat ons weder de glorierijke vertegenwoordiger van alle licht en leven op aarde om morgen weer te keeren in schitterender glans! Vroegere geslachten vereerden hem als een God en zagen biddend tot hem op; voor de Wijzen van ouds was hij 't verheven zinnebeeld van het levensbeginsel zelf in het heelal en van die ééne alles doordringende kracht, die woont in al het bestaande, en zich uit in hare oneindige verschijnselen. En is het niet licht en warmte inderdaad wat in alles leeft en alles bezielt, en zonder 't welk niets zou kunnen zijn? In het zonlicht, in maan en sterren, in de bliksemstraal, in het vuur dat wijzelf ontsteken in den haard, in het licht dat wij doen ontbranden op onze luchters zien wij de meest onmiddelijke verschijnselen van die kracht, nu eens weldadig, dan weer vreeselijk en vernielend; maar ook in den grond, in de planten, in mensch en dier, in lucht en water is diezelfde kracht steeds aanwezig, al merken we haar niet telkens daarin op; en welk verschijnsel in één woord, waarin ze niet voortdurend op eene of andere wijze wordt waargenomen? Is nu dit alles werkelijk aldus, zou het dan al te zeer eene speling der dichterlijke phantasie mogen heeten, indien wij die ééne kracht tot zinnebeeld kozen van die eenheid en dat leven waarvan gij, Feizi! zoo aanstonds ons gesproken hebt? En nu is onze vriend Aboel Fazl, wien ik mede de vraag voorlegde, het niet alleen hierin met mij eens, maar hij heeft mij ook op het denkbeeld gebragt, om het met mijne nieuwe of, wilt ge, aan de ouderen ontleende leer,—altijd uitsluitend door redelijke overtuiging, nooit anders,—bij het volk te beproeven en te zien of zij niet het velerlei bijgeloof zou kunnen vervangen dat nu nog zoo algemeen heerschend is. Een naam was er noodig om die leer te onderscheiden van andere en, hoewel nu een naam nooit volkomen het geheele begrip kan uitdrukken, scheen ons toch die van Tauhid i Ilahi, de Eenheid der Godheid, dat is dan van het Alwezen en zijn Albestaan, een niet ongeschikte. Ceremoniën, uitwendige vertooningen blijven voor 't overige geheel buitengesloten, ten ware gij een eenvoudige symbolische vereering van de zon gedurende den dag en in den morgenstond, en van het licht in den nacht, door onderlinge zamenspraken en geschikte lofzangen, een uitwendige eeredienst mogt noemen.—Van dit een en ander—zoo besloot de Keizer,—had ik tot dusver u beiden wel eens nu en dan een wenk gegeven, maar 't nog niet nader voor u ontwikkeld. De tijd scheen mij daarvoor thans gekomen. En nu, zegt mij openhartig uw gevoelen!

Geen der beide vrienden scheen nog zoo aanstonds geneigd, aan de uitnoodiging te voldoen. Ten laatste brak Koelloeka het stilzwijgen.

—Wijze vorst!—zeide hij,—vergeef het ons zoo wij niet onmiddelijk met ons antwoord gereed zijn. Uwe belangwekkende mededeelingen eischen wel een oogenblik nadenken. In het plan door u ontwikkeld ligt veel aanlokkelijks, doch, naar mijn bescheiden meening, ook veel wat bedenkelijk schijnt. De betrekkelijke juistheid en de verhevenheid uwer zinnebeeldige, voor een deel aan onze oude zangers en wijzen ontleende leer, zal ik de eerste zijn toe te geven. Maar, moet ik tevens vragen, is er niet groot gevaar dat diezelfde symbolen, eenmaal onder het volk gebragt en door de menigte aangenomen, gesteld dat dit geschieden zou, toch spoedig weer hun oorspronkelijke beteekenis zouden verliezen en alles ten slotte weer op een geheel uitwendige gansch werktuigelijke vormendienst zou nederkomen? Bedenken wij het wél, dat ongeveer diezelfde leer, die gij thans zoudt wenschen te verkondigen, reeds eenmaal werkelijk tot het geloof van sommige volken behoord heeft. En wat is er van geworden?… Maar niet in later dagen alleen, ook in die overoude tijden reeds, waarop gij u beroept, ontstond er al een twijfel omtrent het voorwerp van vereering; en, evengoed als menig godvruchtige onzer dagen, vroeg ook toenmaal reeds het vroom gemoed:

"Hij die adem, Hij die kracht geeft,Wiens gebod wordt vereerd door Deva's, door allen,Wiens schaduw is de onsterflijkheid,Wiens schaduw is de dood,—Wie is die God, wien het offer wij brengen?"

Ook toen dus had men blijkbaar weer niet genoeg aan dien Soerya, de Zon, en aan Agni, het Vuur, als beeld of vertegenwoordiger der ééne levenskracht. En zal nu aan de Tauhid i Ilahi een gelukkiger toekomst zijn beschoren dan aan de vuur- en zonnedienst der geslachten, die ons zijn vooraf gegaan?

Akbar gaf geen dadelijk antwoord.—En gij, Feizi!—vroeg hij,— wat is uw gevoelen omtrent de zaak?

Weinig of niets—antwoordde Feizi,—heb ik tot nog toe te voegen aan 't geen onze waardige vriend daar in 't midden heeft gebragt. De twijfel, waarvan hij gewaagde, werd trouwens in die oude tijden, tot welke de voormalige zonnedienst moet worden teruggebragt, ook vrij wat sterker nog uitgesproken dan in het door hem aangehaalde Veda-lied. Een ander dichter van die dagen toont reeds voldoende, in 't geheel niet meer te weten waaraan hij zich eigenlijk houden zal.—Wie weet het,—vraagt hij,—

"Wie weet het, wie verklaart het ons,Vanwaar dit Al ontstond?De Deva's zelf zijn later dan zijn wording,Wie dan, die weet, van waar dit Al ontstond.

Van waar 't ontstond, en of een Wezen 't schiepOf niet,—dat slechts weet Hij,Die, alles ziende, in gindschen hemel troont.Hij weet het, of… ook Hij zelfs weet het niet!"

De twijfel schijnt dus al haast even oud als de godsdienst zelve. Maar dat nog daargelaten! En gezwegen ook van den haat en de tegenwerking, die een hervormer, ook de meest humane, steeds van zijne tijdgenooten te wachten heeft, en waarvan wij ook hier reeds de verschijnselen kunnen opmerken, voor zoover 't een en ander omtrent de nieuwe leer onder 't volk is bekend geworden. Ik weet dat een Akbar daarvoor niet bevreesd kan zijn. Maar het andere gevaar, waarop Koelloeka wees, mag waarlljk niet te ligt worden geteld. Het gevaar dat de min ontwikkelde menigte, zoodra er maar weer een naam genoemd wordt, 't zij dan Allah, 't zij een andere, daaraan terstond weer eene persoonlijke beteekenis zal hechten en de persoonsverbeelding als onderscheiden van het Alzijn zelf gaan beschouwen. En dan is het natuurlijk ook weer gedaan met die Eenheid der Godheid, zooals gij die werkelijk bedoelt. En wat hebt gij dan eigenlijk uitgerigt, wat zijt gij verder gekomen?

—Maar Feizi!—vroeg Aboel Fazl,—wat zoudt gij zelf dan wel verlangen om het volk wijzer en verstandiger te maken? Hoe die hervorming der begrippen tot stand te brengen, die de Keizer beoogt?

—De groote wijsgeeren—was Feizi's antwoord,—der natie die ginds het noord-oostelijk grensland, China, bewoont, en wier beschaafden sinds lang in 't geheel geen godsdienst meer belijden, hebben, waar het volksverlichting en volksontwikkeling gold, één groot beginsel verkondigd dat zoo eenvoudig mogelijk schijnt en toch door ons nog maar al te veel uit het oog wordt verloren: Vóór alles volksonderwijs! Ziedaar het eenige, maar ook volkomen zekere middel. Het werkt langzaam, 't is waar, en wie op groote schaal het begint toe te passen, ziet zelf niet ligt de uitkomst; maar deze is niettemin onmisbaar op den duur, terwijl elke verkondiging van eene meer of min met zinnebeelden getooide leer, 't zij dan met of zonder openbaringsgezag, wel voor een tijd kan bloeijen, doch in 't einde steeds weer verbastert, of, zoo dit al niet gebeurt, toch weer ophoudt aan de geestelijke en zedelijke behoeften der menschen te voldoen.

—Er schijnt veel waars in 't geen gij zegt,—sprak Akbar ten slotte,—en ik wil dat alles in zeer ernstige overweging nemen. Welligt ook zullen wij in elk geval onze leeringen tot enger vriendenkring moeten beperken en zal hare invoering onder het eigenlijke volk op onoverkomelijke bezwaren blijven afstuiten. Niettemin, ik geef mijn lievelingsdenkbeeld nog zoo terstond niet op, gelijk gij dat ook wel niet verwachten zult. Wij moeten er nog eens nader over spreken. Doch voor heden genoeg! Staatszorgen roepen ons straks weder tot onze meer gewone werkzaamheden. Ik dank u inmiddels, mijne vrienden! voor uw onderhoud; u, Aboel Fazl! voor uwe ondersteuning, en u beiden voor uwe opregte en welgemeende tegenspraak!

En na afscheid van den Keizer te hebben genomen begaf zich Aboel Fazl met de beide anderen naar zijn paleis om daar, in hunne tegenwoordigheid, het verslag der twee verspieders aan te hooren.

Aanslagen

't Was een vrolijke, tamelijk frissche morgen, toen Siddha met een paar zijner ruiters den weg naar Fattipoer opreed om derwaarts eenige brieven over te brengen, die men aan geen eenvoudigen bode had kunnen toevertrouwen. De zon scheen helder zonder nog te branden, in de boomen zongen de veelkleurige vogels, en in de takken sprongen eekhorens en kleine apen al spelend heen en weder. De gansche natuur scheen iets opgeruimds, iets levenslustigs te vertoonen, wat haar anders in die streken zelden eigen pleegt te zijn; en ook de landlieden, die men onderweg ontmoette, hadden den hun gewonen loomen en slaperigen gang voor een levendiger tred verwisseld, als deelden ook zij in de opgewektheid die daar alom scheen te heerschen.

Wie daar echter volstrekt niet aan deelnam was onze voorheen zoo levenslustige Siddha. Somber veeleer en in gepeins verloren reed hij voort, en zwijgend ook volgden hem zijne onderhoorigen. Wél scheen hij een ander mensch geworden sinds den tijd toen hij voor 't eerst in Agra kwam, en met Parviz en zijne vrienden schertste, en met deelneming zooal niet met belangstelling naar de vertrouwelijke mededeelingen omtrent de edele dochter van den schatmeester luisterde. En wel ook had Parviz dat niet zonder verwondering opgemerkt; maar bescheidenheid had hem weerhouden naar de aanleiding te vragen of onderzoek te doen. Te dieper intusschen gevoelde Siddha het zelf, hoe anders het met hem geworden was. Hoe anders inderdaad dan den dag toen Koelloeka hem moedig en luchthartig voorwaarts zag springen met zijn hengst, als dacht hij de wereld te gaan veroveren, en vrolijk hem den geliefden naam zijner toekomstige bruid hoorde uitroepen! Hoe anders nu dan toen een enkele kus van Iravati hem de zaligheid scheen, en hij nog niet geleerd had te smachten naar de hartstogtelijke omarmingen eener Rezia! Toen hij nog rein was van gemoed en zich nog niet te schamen had over zichzelven omdat hij aan verraad en trouwbreuk en schandelijke ondankbaarheid zich had schuldig gemaakt!

Somber vooral ook waren ditmaal zijne gedachten, daar zich heden meer dan ooit zekere vermoedens bij hem opdrongen, die meer dan eens, hoewel nog onbestemd, aan zijn geest zich hadden voorgedaan. Was Rezia zelve hem wezenlijk getrouw of behandelde zij hem niet anders dan den echtgenoot, die toch zooveel meer dan hij hare liefde verdiende? Of Selim werkelijk enkel om staatkundige redenen haar bijwijlen opzocht, dan of ook andere hem naar Feizi's vrouwenvertrekken voerden? En dan die zamenzwering waarin hij, Siddha, hoe langs hoe meer gewikkeld werd! Ook deze begon een niet weinig dubbelzinnig karakter voor hem aan te nemen, sinds hij toch langzamerhand wel begon in te zien, dat het in 't geheel niet om de onafhankelijkheid van zijn vaderland alleen, maar tevens, zoo niet uitsluitend, om gansch iets anders te doen was. En had ook Rezia hem niet meer dan eens reeds, naar hare eigene bekentenis, misleid? En wat reden dan om aan te nemen, dat ze hem nu de waarheid en niets dan deze had meegedeeld? In welke nieuwe verwikkelingen had hij zich dan gestoken, en tot welke misdrijven liet hij zich misschien als werktuig gebruiken!

Een uitroep van een der ruiters deed hem opschrikken uit zijne mijmering, en de rigting der lans volgend, waarmee de krijgsman naar een punt in de verte wees, ontwaarde hij daar een groep mannen te paard, die, naar hunne bewegingen te oordeelen, met elkaar in gevecht moesten zijn.

—Voorwaarts!—riep Siddha, en zijn paard de sporen gevend snelde hij in vollen ren, door de twee anderen gevolgd, naar de plaats van den strijd. Naderbij gekomen herkende hij, tot zijne niet geringe verwondering en schrik, in een dier mannen Aboel Fazl, en in dengene die hem met zijn sabel zocht te treffen Narasinha, een Radja, dien hij zich herinnerde meermalen en onder anderen ook bij Prins Selim te hebben ontmoet.

Inmiddels hadden de volgelingen van den Radja de nieuw aankomenden al spoedig in 't oog gekregen, en een vijftal rende hen aanstonds te gemoet. De schok tusschen Siddha en den voorsten ruiter was geweldig en in een oogwenk lag deze, de borst door de spoor zijner tegenpartij doorboord, met zijn paard op den grond. Onmiddelijk nu trok Siddha zijn sabel en bragt daarmee den volgende een houw toe, die hem aanstonds uit den zadel deed tuimelen. Maar zwaarder werk had hij met den derde, die even als hij een geoefend ruiter en zeer behendig met de sabel bleek te zijn. En terwijl zijne beide volgelingen de twee anderen bezig hielden, kwamen er weer nieuwe aanrijden om hunne makkers bij te springen. De kansen begonnen dus hagchelijk voor onze drie mannen te staan, toen het Siddha eindelijk gelukte zijn vijand een zwaren slag in den hals toe te brengen en hem daardoor buiten staat van gevecht te stellen; en juist toen de strijd met de nieuw bijgekomenen stond te beginnen, klonk er een bevel dat hen gebood om te keeren. Terstond wendden zij den teugel en reden naar de hunnen terug. Maar in hetzelfde oogenblik toen zijne tegenpartij gevallen was en hij de overigen te hulp zag snellen, had Siddha ook Aboel Fazl de armen zien uitbreiden, terwijl de sabel hem ontviel, en achterover storten van het paard. Een kort oogenblik later had Narasinha zijne helpers teruggeroepen en rende nu met al zijne volgelingen over de vlakte voort. Siddha's eerste beweging was, de moordenaars na te rijden, maar spoedig begreep hij met zijn twee ruiters, waarvan er een ook gekwetst was, toch voor 't oogenblik niets te kunnen uitrigten, terwijl de vier dienaren van den Minister eveneens verslagen op het veld lagen uitgestrekt. Daarenboven eischte Aboel Fazl zijne zorg.

Snel van zijn paard gesprongen, dat hij aan de anderen overgaf, knielde hij nevens den gevangene, en diens kleeding losmakend trachtte hij zoo goed mogelijk het bloed te stelpen dat uit de breede en waarschijnlijk ook diepe borstwond vloeide. Tot zijne blijdschap sloeg Aboel Fazl de oogen op, en toonde duidelijk hem te herkennen. De vreugde was echter kort van duur.

—Uwe hulp, mijn brave Siddha! komt te laat,—sprak met zwakke stem de gewonde;—met mij is het gedaan en met mijn arbeid voor den Keizer en zijn rijk…. Eén laatst bevel nog! Laat voor Akbar de naam van den waren moordenaar verborgen blijven als gij dien soms vermoedt….

—Narasinha—antwoordde Siddha,—was, ik onderstelde het dadelijk, alleen zijn huurling. De ware moordenaar is….

Maar toch aarzelde hij den naam uit te spreken.

—… Selim!—vulde Aboel Fazl aan; men had mij reeds van ter zijde voor hem gewaarschuwd.

Afgemat zonk de stervende, door Siddha's arm gesteund, achterover. Maar toen een weinig later het bewustzijn voor eenige oogenblikken terugkeerde, vond hij nog de kracht, schoon de stem hem bijna begaf, een laatsten groet aan dien keizerlijken vriend te rigten, dien hij zoo trouw en met zooveel ijver gedurende zijn leven had ter zijde gestaan.

—Zeg aan Akbar,—sprak hij,—dat mijne laatste gedachte aan hem is geweest. En zeg hem ook, dat ik sterf in de vaste overtuiging omtrent de waarheid dier beginselen, die wij zoo menigmaal, ook nog gisteravond, te zamen bespraken…. Den zonneglans zie ik nauwelijks meer, en wel gevoel ik dat het licht nog in mij leeft, maar ook daar zal het straks zijn uitgedoofd …. Doch ik beklaag mij niet! Ik geloof in staat te zijn geweest iets ten nutte mijner medemenschen te verrigten, al was het minder dan ik had gewenscht. En daarom sterf ik tevrede. Zorg ook gij, mijn jonge vriend! dat gij eenmaal hetzelfde moogt zeggen!…—En nu vaarwel!—fluisterde de Vizier na nog eene korte pauze terwijl hij den ander zacht de hand drukte ….

Het hoofd viel voorover op de borst en weldra gevoelde Siddha dat zijn arm niet meer steunde dan een lijk….

Ver van de plaats waar dit alles voorviel, werd omstreeks denzelfden tijd een ander drama gespeeld, dat met het zoo aanstonds beschrevene in sommige opzigten veel overeenkomst vertoonde, schoon het in andere niet weinig daarvan verschilde.

In het gebergte van den Himâlaya, en voornamelijk in den omtrek van den Bhadrinâth, had gedurende verscheidene dagen een drukkende warmte geheerscht. Wel waren des avonds nu en dan donkere regenwolken, de weldadige hemelkoeijen, verschenen om de dorstende aarde te drenken; maar de booze Vritra, de donkere daemon, had ze telkens weer weggevoerd, en des anderen daags keerde ook de zonnehitte terug om veld en planten te verschroeijen. Eindelijk rustte de magtige Indra, de Koning des hemels, zich uit ten strijde. Wederom kwamen tegen den avond de wolken, en wederom zocht de daemon ze te vermeesteren; maar thans greep Indra zijne bliksemschicht, en ratelend weerklonk, honderdvoudig door de bergen weerkaatst, de eerste, geweldige slag. Wel voelde zich Vritra getroffen, maar nog gaf hij den strijd niet op, en nog verkwikte geen enkele regendroppel de smachtende natuur. Toen daalden keer op keer de vreeselijke slagen op zijn hoofd, en verlichtten de bergtoppen en de heuvelen en dalen met verblindenden glans, terwijl onophoudelijk de donder bleef rollen, en hooge boomen werden doorkliefd, en zware rotsblokken neer werden geslingerd in de ravijnen. Nu ook viel de regen in digte stroomen neder, en beeken en bergstroomen begonnen te zwellen en zochten ruischend hun weg naar de meren in de valleijen. Eindelijk, tegen 't vallen van den nacht, bedaarde de vreeselijke strijd, de regen hield op, het weerlicht flikkerde slechts nu en dan nog in de duisternis, en geen ander geluid brak de stilte dan het klateren van het water, dat van de hoogten naar de dalen vloeide.

Thans trad ook Gaurapada, de kluizenaar, naar buiten en, met welgevallen de frissche met de heerlijkste geuren bezwangerde lucht inademend, zette hij zich neder onder het vooruitstekend, met jasmijn en rozen begroeide afdak aan de voorzijde zijner woning. In eene aangename stemming bragt hem een tijdlang de zachte en kalme rust der wederoplevende natuur, terwijl het aloude, eeuwenheugende wolken-epos met zijn Indra, den Vritra- dooder, tot held, hem nog voor den geest bleef zweven als ware 't eerst gisteren gedicht; maar toch begonnen ook spoedig weer sombere en verontrustende gedachten zich aan hem op te dringen. Koelloeka had in den laatsten tijd hem berigten uit Kaçmir en Agra gebragt, die hem met geene geringe bezorgdheid vervulden voor de toekomst van zijn nog altijd zoozeer geliefd vaderland.

—En zoo moet het—dus overlegde hij,—dan toch eindelijk tot datgene komen, wat ik zoolang gevreesd heb en wat ik zocht af te wenden door mijne jarenlange vrijwillige ballingschap! Een vreemde overheerscher staat binnen te dringen in ons ongelukkig land, en onze eigene rampzalige twisten banen hem den weg. Hij heeft gelijk, van zijn standpunt; hij moet de orde herstellen in een naburigen staat, die zijn rijk onophoudelijk blijft verontrusten, en kan dat niet met eerbiediging van 's lands zelfstandigheid, dan moet het geschieden door onderwerping. Maar wij! Of er dan wezenlijk niets meer aan te doen zou zijn?—Neen!—ging hij voort in zijne gedachten,—dat denkbeeld van Koelloeka, die mij terug wilde doen keeren, opdat ik, door Akbar misschien gesteund, het bestuur weer mogt overnemen van mijn te zwakken broeder, neen, dat deugt werkelijk niet! Mijn wederoptreden zou enkel een tijdelijk redmiddel zijn, indien het dat al was. En ik ben ook te oud geworden en ongeschikt om weer te gaan regeren; althans daar, waar jeugdige kracht vóór alles zou worden vereischt. Lang ook kan het met mij niet meer duren…. Mijn hoofd is moede en verlangt zich neer te leggen ter ruste. Ik wensch sinds lang reeds naar het oogenblik, dat ik zal mogen ingaan tot die vereeniging met het Oneindige Brahma, waaraan wij allen ons kort afzonderlijk bestaan ontleenen, en waartoe wij allen eenmaal wederkeeren ….

En langzaam sloot Gaurapada de oogen, terwijl hij zich uitstrekte op het zachte en frissche bed van mos. Een lichtstraal, die voor een oogenblik de gansche vallei en het meer daar omlaag bescheen, wekte hem weder en deed hem zijne overpeinzingen nog een oogenblik hervatten.

—Ook is het misschien nog het beste,—zoo dacht hij wederom,— dat het maar gaat zooals 't nu eenmaal bestemd schijnt te zijn. Ons volk verarmt, komt tot verval, wordt ellendig onder dien telkens vernieuwden partijstrijd, waarvan toch het eind nooit te voorzien schijnt. Kwam het eenmaal weer onder een goed en ordelijk bestuur, zijn industrie en zijn handel zouden herleven, zijne voormalige welvaart kon nog terugkeeren. En Akbar is een verstandig en een regtvaardig vorst, die zijn onderdanen gelukkig weet te maken, en dien heden de volken zegenen, die te voren zich nog verzetten tegen zijne heerschappij. En toch is het hard voor een land zich van de vrijheid te zien berooven, waarop het sinds vele eeuwen trotsch mogt zijn! Ach, dat het mij gespaard ware geweest dit te beleven van mijn eigen land!

Nogmaals leunde hij 't hoofd achterover met een zucht, tot hij ten laatste, half werktuigelijk nog luisterend naar het ruischen der beek, in een ligte sluimering verviel. Alles scheen in diepe rust, heinde en ver. Niets meer kon den slaap van den grijsaard storen. Slechts nu en dan vernam hij in zijn nabijheid het gonzen van een insect en meende hij dat het streek langs zijn gelaat. Ook beving hem een zonderlinge gewaarwording, een onverklaarbaar gevoel alsof hij niet alléén was. Nog eemnaal zag hij op, maar hij ontwaarde niets, en ook het insect scheen door zijn beweging verjaagd. Na eenigen tijd kwam het echter terug en ging weder en keerde, totdat de sluimerende er geen acht meer op sloeg en zich geheel overgaf aan een nu onoverwinnelijken slaap.

Toch was deze zoo zwaar niet, of de minste aanleiding kon hem daaruit wekken. En eensklaps greep hij naar zijn hals, waarom hij vlug een koord voelde slingeren, en met de eene hand het koord vattend, tastte hij met de andere om zich heen. Aanstonds ontmoette hij een koud en glibberig, als met olie bestreken ligchaam, en nu, van het koord zich bevrijd gevoelend, greep hij met beide handen het ligchaam aan. Maar hoe vast hij de nog krachtige vuisten er om heen zocht te klemmen, toch gleed het hem door de vingers en scheen hem te ontsnappen …. Daar klonk plotseling in de stilte van den nacht een rauwe kreet, beantwoord door een dof gebrul, en in zijn onmiddelijke nabijheid zag Gaurapada een paar vurige, heen en weder rollende ballen glinsteren…. Nog een kort oogenblik en het weerlicht deed hem terstond Hara, zijn tijger, herkennen, die, met den geweldigen klauw op een donker menschelijk ligchaam, vlak vóór hem lag uitgestrekt.

Op het vernemen van den kreet was inmiddels de dienaar toegesneld met een licht dat in het binnenvertrek stond te branden, en bij het schijnsel overtuigde zich weldra Gaurapada dat zijn gezicht hem zooeven niet bedrogen had. Onmiddelijk begreep hij nu ook wat er was voorgevallen. De man, die daar lag, had beproefd hem te worgen, maar tijdig had hij 't koord nog gevoeld en zijn tijger, door instinct of hoe dat heeten mogt gedreven, moest den Worger even onbemerkt zijn nageslopen als deze den kluizenaar genaderd was.

—Terug, Hara!—riep nu Gaurapada, opspringend en den tijger in den nek grijpend,—terug, zeg ik!

Eerst bleef het dier nog onbewegelijk, maar gehoorzaamde ten laatste, schoon blijkbaar onwillig, aan de stem van zijn meester, trok den klauw terug en ging zich grommend op zekeren afstand nederleggen.

Met behulp van den dienaar rigtte nu de kluizenaar zijn gevallen, door den tijger met één slag in den rug gevelden vijand van den grond, en legde hem, toen hij zich overtuigd had dat hij nog leefde, voorzigtig op het mos.

—Ik ken dien man,—zeide hij, een weinig nader hem beschouwend;—ik bewees hem indertijd, toen ik nog magtig was, menige weldaad en gunst. Wat hem nu gedreven kan hebben tot een zoo verraderlijken aanval?

Op dit oogenblik zag de gewonde, die Gaurapada's woorden verstaan had, op, en den kluizenaar lang en opmerkzaam aanstarend, fluisterde hij, blijkbaar met verbazing:

—Nandigoepta!… Kan het mogelijk zijn?

—Nandigoepta inderdaad!—antwoordde de ander;—maar gij, wat bewoog u, mij naar 't leven te staan?

—Mijn Heer en mijn Vorst!—sprak de Worger, voor enkele oogenblikken nog met vaste stem,—ik zweer u bij den magtigen çiva en zijne heilige echtgenoote! dat ik niet wist wie gij waart en u lang gestorven waande. Had ik 't geweten, ik zou de kracht niet hebben gehad aan 't bevel van Doerga te voldoen, welke dan ook de straf van hare ongenade mogt zijn. Maar gelukkig heeft zij zelve uw dood niet gewild, en dien tijger gezonden om mijn leven als offer in de plaats van het uwe te nemen. Geloofd zij haar naam!

Uitpuiting verhinderde den gewonde voort te gaan. Met den dienaar wiesch en verbond Gaurapada hem zoo goed mogelijk den vreeselijk ontvleeschden rug, waarin de klauw van den tijger diep was doorgedrongen, en toen, na hem te drinken te hebben gegeven en ziende dat hij zich een weinig begon te herstellen, vroeg hij verder:

—Maar nog eens dan. Wat of wie dreef u tot die daad? En indien gij zelf niet eens wist wie ik was, wie heeft u dan gezegd, dat Doerga mijn dood verlangde?

—Gorakh, de Yogi!—was het antwoord.

—Ha! die schurk!—mompelde Gaurapada;—dan zit er stellig nog meer achter.—Gij zijt dus,—vervolgde hij,—naar ik bemerk, een Worger geworden. Dan beklaag ik u om uw treurige verblindheid. Maar was ik de eenige, dien Gorakh u aanwees als uitverkoren offer?

De pijn verhinderde eenige oogenblikken den gewonde te antwoorden, schoon op zijne strakke gelaatstrekken niets daarvan te lezen stond. Toen antwoordde hij, met tusschenpoozen sprekend:

—Ook de eerste Minister in Kaçmir, de broeder van Salhana, werd daartoe uitverkoren. Maar hem te dooden is opgedragen aan mijn broeder, die u ook wel bekend is, en alleen als hem de aanslag mislukte, zou die uitgevoerd worden door mij.

—En is uw broeder reeds sedert lang naar Kaçmir gegaan?

—Hij verliet mij gisteren op eenigen afstand van hier en ging toen voort naar het Noorden.

—Te voet?

—Ja!

—En zijn er nog anderen van de uwen, die met deze bevelen omtrent den Minister en mij bekend werden gemaakt?

—Geen anderen. Eerst als blijkt dat wij niet zijn geslaagd, wordt de last aan anderen overgedragen.

Gaurapada wenkte, zijn dienaar en trad een weinig met hem ter zijde.

—Ga—sprak hij,—en zadel terstond uw paard! Gij zult spoedig een reis hebben te ondernemen.

Een zacht, schoon bedwongen gekreun riep hem bij den gewonde terug, nadat zijn dienaar zich verwijderd had.

—Heer! sprak fluisterend gene,—ik heb nog maar enkele oogenblikken te leven…. Maar verleen mij nog ééne gunst na de vele, die ik van u genoot!… Zeg mij, dat gij mij vergeeft!

—Ik vergeef u, arme man!—antwoordde Gaurapada;—ik weet het nu, dat gij een werktuig waart en niets anders.

—Dan sterf ik gelukkig!—hernam de Worger;—en met een voorsmaak der zaligheid ga ik in tot het eeuwige leven. Door het wonder dat de Godin aan u verrigtte, en door tevens mij aan te nemen als offer, heeft zij getoond dat hare genade u en mij verzekerd is… —Heilige, driewerf heilige Doerga!—riep hij, als op eenmaal door nieuwe kracht bezield en met opgeheven armen zich omhoog rigtend, met luider stem,—ontvang mij in den tempel uwer glorie! Ik kom!— Toen stortte hij weer achterover, strekte de armen uit en lag bewegingloos. De geloovige volgeling van de Godin der Vernieling was niet meer….

Geruimen tijd nog bleef de kluizenaar op het zielloos ligchaam staren, waaraan de akelige magerheid, de donkere kleur en de met wit en rood op het voorhoofd geteekende drietand van çiva een spookachtig aanzien gaven bij het weifelend licht.

—Tot wat—prevelde hij in zichzelf,—de godsdienst al niet leiden kan! Hoe zij van anders goede en onbedorven lieden soms misdadigers en moordenaars en krankzinnigen weet te maken! Toch was die man op zichzelf nog geenszins te beklagen; hij stierf als martelaar, met de volle en onwrikbare overtuiging, eene eeuwige zaligheid straks deelachtig te worden. Maar die huichelaars, die eervergeten schelmen, als die Gorakh, die zulke onnoozele zielen tot werktuig voor hun vloekwaardige ondernemingen gebruiken! Wat van dezen? Wat verdienen zij anders dan dat men een verdelgingskrijg opene tegen hen?…—Doch neen!—hernam hij, 't hoofd schuddend,—dat is toch ook het regte niet! Geen genade waar het misdrijf of de poging daartoe gebleken is, maar geen vervolging ook zoolang het bij dreigen blijft! Want wie kan bepalen, wanneer een godsdienst-secte gevaarlijk en schadelijk wordt en tot op welke hoogte zij het nog niet is?…

De terugkeerende dienaar kwam de overdenking van Gaurapada afbreken.

—Help mij—sprak deze,—den man begraven, die daar ligt; hij is dood, en ik wil niet dat Hara hem gaat verslinden, die 't anders zeker wel gaarne doen zou. En dan, als wij er mee gereed zijn, te paard! Haast u naar Kaçmir, om den Minister te waarschuwen omtrent hetgeen wij zoo straks vernomen hebben, en zorg dat men den broeder van dezen man, dien gij ook wel gekend hebt, zoodra mogelijk op 't spoor kome, om hem in zijn voornemen te verhinderen en te beletten dat hij met iemand anders van de zijnen in aanraking komt. Kunt gij, zoek dan nog uit te vorschen waar Gorakh zich bevindt. Dien spare men geen oogenblik als hij gevonden is! De ellendeling heeft dubbel en dwars den strop verdiend, dien hij om den nek van anderen doet slaan.

—Doch, geëerde Meester,—vroeg de dienaar aarzelend,—wilt gij hier nu zoo geheel alléén blijven in de wildernis? Men schijnt uw schuilplaats ontdekt te hebben, en zal dus misschien nieuwe dergelijke aanvallen op uw leven beproeven. Moet ik nu juist van hier, nu ik misschien voor u waken kon?

—Mijn beste vriend!—antwoordde Gaurapada glimlagchend,—maak u over mij niet bezorgd! Wat, vooreerst, is mijn leven in vergelijking van die grooter belangen, die van een wél en spoedig slagen uwer zending kunnen afhangen? Maar bovendien ben ik hier alléén haast even veilig als met u tot waker. Ten minste zoolang Hara leeft. Gij hebt het gezien dat hij wakker genoeg is, en in 't vervolg zou ik ook geen van die bruine naaktloopers meer raden zich hier in de buurt te vertoonen. Hara kent dat slag van volk nu, en hij zou ze stellig niet ongedeerd laten als ze hier kwamen. Staat uw paard gereed?

—Ja, Heer!

—Nu, straks dan voorwaarts! Help mij nu eerst nog aan ons werk!…

Afscheid

De tijding van Aboel Fazl's dood had een overweldigenden indruk op den Keizer te weeg gebragt. Het was alsof alles hem eensklaps ontzonk wat tot heden zijn steun was geweest; en hij, de sterke nooit versaagde man, die het hoofd had geboden aan de geweldigste stormen, de grootste gevaren had getrotseerd, en telken male als overwinnaar te voorschijn was getreden uit den strijd, hij voelde zijn kracht als verlamd en zich bijkans onmagtig tegenover de nieuwe verwikkelingen, die al wederom het rijk begonnen te bedreigen. Het eenige besluit dat hij in de eerste dagen had weten te nemen, was een streng bevel tot vervolging van Narasinha, den moordenaar,—een bevel intusschen waaraan nooit uitvoering werd gegeven, daar de Radja zich vér vandaar in volkomen veiligheid had gesteld tot den tijd dat Selim den troon zou hebben bestegen, en hem dan eenmaal zou overladen met zijne gunsten. Toch kon een man van Akbar's karakter niet weekelijk gebogen blijven onder den last der smart, hoe zwaar die ook drukken mogt. Eenige dagen sloot hij zich op, en sprak hij met niemand dan Feizi en enkele zeer vertrouwden; maar ten laatste vond hij toch weder den moed en de kracht om anderen te woord te staan, die omtrent hun eigen belangen of die van het rijk hem gehoor verzochten. Zoo ook met het hoofd der Jezuïeten-missie, den Padre Aquaviva, die vóór zijn aanstaand vertrek hem nog een bezoek wenschte te brengen.

—Zoo, gaat gij ons dan weer verlaten, Eerwaarde Vader?—vroegAkbar, toen de Jezuïet bij hem was binnengeleid.

—Ik moet wel, Sire!—antwoordde Rodolpho,—onze Provinciaal roept mij naar Goa terug. Maar ik mogt niet vertrekken zonder Uwe Majesteit nog mijn opregten dank te hebben betuigd voor de eer en de gunsten hier door ons genoten, hoewel ik bijkans aarzelde nog gehoor te vragen na het belangrijk, en zeker ook smartelijk verlies, dat u getroffen heeft. Een waardig man en een trouw vriend even als een bekwaam dienaar moet Aboel Fazl geweest zijn, naar 't geen mij van hem bekend werd; en 't herdenken van zulk een man is dan ook zeker nog een troost te midden van de droefheid….—Al ware mij,—voegde hij een oogenblik later er aan toe,—al ware mij zulk een troost niet genoeg.

—Niet genoeg?—herhaalde Akbar verwonderd.—En wat hadt gij dan meer nog verlangd?

—Ik zou de overtuiging gewenscht hebben, dat hij gestorven was reiner van ziel en in zaliger verwachting dan thans mogelijk was.

—Aboel Fazl,—antwoordde de Keizer op ernstigen, maar kalmen en waardigen toon,—Aboel Fazl was even rein van ziel als één uwer, om niet meer te zeggen; en hij is gestorven zooals ik zou wenschen te sterven.

De Jezuïet wachtte of Akbar er nog iets zou bijvoegen, maar de Keizer zweeg; en de toon van zijn antwoord duidde wel aan, dat nadere verklaring te vragen voor 't minst zeer onvoorzigtig zou zijn.

—En denkt gij spoedig terug te keeren?—vroeg Akbar na eenige oogenblikken het stilzwijgen weer afbrekend.

—Dat zal afhangen van de bevelen die mij gegeven worden,— antwoordde Aquaviva;—wat echter mijzelven betreft, ik zie mij wel genoopt, met hoeveel leedwezen ook, mijne zending herwaarts als mislukt te beschouwen.

—En waarom mislukt? Wordt gij hier niet voldoende beschermd, bewijst men u niet de noodige eer, geniet gij niet de meest volkomen vrijheid om te verkondigen wat gij wilt en te bekeeren wie gij kunt? En telt gij dat nu voor niets, hier in een land waar nog maar weinige jaren geleden, onder mijn voorgangers, ook de geringste openbare prediking van uw leeringen u aan de doodstraf zou hebben blootgesteld?

—Sire!—antwoordde de Padre,—wij moesten al zeer ondankbaar zijn, indien wij al deze belangrijke voorregten eenvoudig voor niets rekenden. En toch, ik moet het herhalen, onze zending is, wat haar hoofddoel aangaat, mislukt. Wél is u bekend, met wat schoone, heerlijke verwachtingen wij vóór eenigen tijd in Agra kwamen. De hooge en eerbiedige belangstelling door u in de gewijde schriften en de gebruiken der Kerk aan den dag gelegd, had ons de hoop doen opvatten dat het licht der waarheid ten laatste mogt doordringen in uw diepdenkenden geest en uw edel gemoed. Wij hadden gehoopt, wij hadden alhaast met zekerheid verwacht dat de Kerk van Christus eenmaal in Shah Akbar een harer roemrijkste zonen mogt begroeten, zoo niet den meest roemruchtige van allen! Maar die hoop en verwachting, we mogen 't ons niet ontveinzen, blijft ijdel. Kan dan niet met reden gezegd worden, dat onze zending haar voornaamste doel heeft gemist? En toch… al blijft er dan soms in enkele onzer leeringen hier of daar eenig bezwaar, waartegen uwe wijsbegeerte zich nu nog verzet, nadere studie en onderzoek mogten dat in 't eind misschien nog wel oplossen. Indien gij slechts wildet aanvangen met op de groote weldaden te letten, die de Kerk aan het Westen verzekerd heeft en die ook hier niet zouden uitblijven, zoodra ze maar eens de magt bezat!

—Met reden—hernam Akbar,—laat gij nu de eigenlijk dogmatische vraagstukken ter zijde; ik vrees dat wij 't daarover toch nooit eens zullen worden, en ik gevoel voor 't oogenblik ook geen opgewektheid om daarover te redetwisten. Maar nu die weldaden, waarvan gij spreekt! Ik geloof gaarne, en vind ook alle reden om te gelooven, dat uwe Christelijke leer veel nut in de wereld gesticht heeft, onder anderen door meer en beter dan de meeste andere godsdiensten op de toepassing van het beginsel der algemeene menschenliefde en zelfverloochening aan te dringen, hoewel dan, gelijk wij u vroeger reeds aantoonden, dat alles volstrekt niet uitsluitend aan uwe godsdienst eigen is. Maar bij al dat nut komt toch, dunkt mij, ook niet weinig nadeel; of hebt gij niet de meest geweldige onverdraagzaamheid gestookt, die de wereld misschien ooit gekend heeft? Hebt gij, priesters! in uwe eigene landen daar in het Westen, u niet opgeworpen tot tirannen over het geweten uwer medemenschen? Hebt gij niet honderden en duizenden tot worgpaal en brandstapel gedoemd, enkel omdat ze van u over sommige geloofspunten verschilden? Noemt gij dat weldaden? Zoo ja, dan hebt gij toch zonderlinge begrippen omtrent weldoen en is uwe menschenliefde al van een heel vreemde soort.—En zeg mij!— vervolgde de Keizer, terwijl hij Aquaviva aanzag met een doordringenden blik,—zeg! wat zoudt gij uitrigten met mij, Akbar, dien gij nu zoo hoog heet te vereeren, indien ik eens christen-onderdaan ware van een der vorsten, die gehoorzamen aan uwe bevelen? Zoudt gij ook mij niet in de holen uwer kerkers werpen en, als ik bleef volharden in zoogenaamd ongeloof, mij uitleveren aan den regter om verwezen te worden naar het vuur?

Bedremmeld trad de Jezuïet een schrede achteruit. Dergelijke vraag had hij niet verwacht. En wat er op te antwoorden? Zeer zeker, het kon niet worden ontkend dat er waarschijnlijk zoo met Akbar zou gehandeld worden, indien de omstandigheden werkelijk waren zooals hij ze nu voorstelde.

—Maar, Sire!—stotterde ten laatste Aquaviva,—dat alles is nu immers het geval niet! En wie kan zich Akbar, den grooten Keizer van Hindostan, denken als onderdaan van een onzer vorsten?

—Zeker, dat gaat niet; gelukkig voor mij! Doch uw antwoord bewijst, dat mijne onderstelling volkomen juist was voor 't gegeven geval. Maar nu een andere vraag! Wat zoudt gij eigenlijk met mij willen uitrigten, nu ik Keizer van Hindostan ben? Gij zoudt mij eenvoudig tot een van die vorsten willen maken, die u onderdanig gehoorzaam zijn en die gij tot werktuigen gebruikt ter handhaving van uwe kerkelijke dwingelandij. En daarom zijt gij natuurlijk ook zoo erg gesteld op mijne bekeering. Welnu! ik zeg u eens voor al: die zult gij nooit beleven. Zelfs, als ik voldoende met de leer uwer Evangeliën in haar geheel instemde om haar openlijk of heimelijk te omhelzen, ook dan nog zou ik niets willen weten van uwe Kerk als zoodanig, wel beseffend wat noodlottige gevolgen hare erkenning door den monarch voor den staat en zijne burgers zou na zich slepen.

—Dan—hernam Aquaviva,—blijft ons niets anders over dan te bidden tot den Heer, dat een wonder van Zijne hand datgene wrochten moge, wat onze ijverige maar nog te zwakke pogingen niet tot stand mogten brengen. En dat gebed, ik ben er zeker van, zal in 't eind niet onverhoord blijven. Bedenk het, gij oppermagtig gebieder! dat zelfs de grooten der aarde niets vermogen tegen Hem, en dat Hij ook straffen heeft voor degenen, die wagen Zijn wil te weerstaan! Hij en Hij alleen zal zegevieren, en de poorten der hel zullen de rots van Petrus niet overweldigen en Christus zal met Zijn kerk zijn tot aan het einde der wereld!

—Dat is zijne zaak!—riep nu Akbar uit, ten laatste een weinig van zijn bedaardheid verliezend;—maar de mijne is, te waken voor de vrijheid en de regten mijner onderdanen en hen te beschermen tegen u zoowel als tegen moellah's of welke andere priesters of schriftgeleerden dan ook. En daarom nog eens: Blijf hier of vertrek! zooals gij wilt; predik wat gij goed vindt in mijne landen; bouw er u kerken; en gij zult gelijke bescherming genieten als de Mohammedanen in hunne moskeën en de Hindoe's in hunne pagoden; maar wees tevens gewaarschuwd! Van het eerste oogenblik dat ik u eenige vervolging zie instellen 't zij tegen uw eigen bekeerlingen of tegen een ander, gelijk gij dat op de Malabaarsche kusten reeds beproeft, van dat oogenblik af zijt gij verbannen uit mijne rijken, en zoolang ik Hindostan regeer, zet geen der uwen een voet meer op zijn grond.

Met verbeten woede had de volgeling van Loyola die hooghartige en beslissende woorden aangehoord; maar wat kon hij doen, wat bleef hem te zeggen over? Te beklagen had hij zich in 't minst niet tegenover den altijd welwillenden, volmaakt verdraagzamen vorst, en den geduchten monarch te willen trotseren ware louter krankzinnigheid. Zelfs geen martelaarskroon viel er bij te verdienen. Bezigde hij, de hier volkomen magtelooze zendeling, dreigende of ook oproerige taal, de Keizer zou gewis geen haar van zijn hoofd krenken, maar hem met de zijnen naar Soeratta laten brengen, hem daar in een schip laden en vervolgens met de meeste beleefdheid in Goa aan land doen zetten. Of hij zou dat misschien nog niet eens der moeite waard rekenen, maar hem eenvoudig uitlagchen en de deur wijzen. Droevig en vernederend bewustzijn, voorwaar, voor een lid van die elders zoo magtige en gevreesde Orde, voor wie de volken sidderden, en Koningen en Pausen zelfs gedwongen werden het hoofd te buigen in deemoed!

Weldra echter brak Akbar zelf de overdenkingen van den teleurgestelden en zwijgend vóór hem staanden missionaris af.

—Eerwaarde Vader!—sprak hij nu weder op zijne gewone vriendelijke wijze,—het is mij waarlijk leed, dat gij een oogenblik mij genoopt hebt zoo rondborstig tot u te spreken en, met meer klem dan ik tegenover u gewenscht zou hebben, mijn gezag te handhaven in den strijd dien gij hebt uitgelokt. Maar ik wensch u dan ook niet gramstorig te zien vertrekken. Ik vernam, ik leerde van u en de uwen veel, waarvan de kennis mij bijzonder welkom was; en daarvoor wil ik dankbaar blijven. Kan ik niet aan al uwe wenschen voldoen, wees verzekerd dat het mij smart; en zoo wij omtrent sommige zaken van elkander verschillen in gevoelen, meen niet dat ik persoonlijk u daarom minder blijf hoogachten. Gij wilt ons verlaten; het zij zoo! Maar laat het in vriendschap zijn! Laat het geschieden in den geest van den verheven stichter uwer godsdienst, die wel gezegd heeft dat hij geen vrede kwam brengen maar het zwaard, maar wiens hoog en edel streven toch de stichting van een rijk van vrede en van liefde onder de menschen was!

Had Aquaviva een oogenblik te voren het hoofd gebogen voor de magt van den Keizer, thans had hij te bukken voor een ander overwigt, voor dat van Akbar's zedelijke meerderheid. De godsdienstijveraar, de hartstogtelijke dweeper zelf gevoelde het. En het was dan ook slechts met weifelende stem, dat hij, de anders voor niets vervaarde en door niets overweldigde apostel, een enkel woord van vaarwel wist uit te brengen tot dien verstokte van harte, wiens oog met blindheid was geslagen voor het licht der waarheid, en wiens oor gesloten bleef voor de vermaningen van den priester der alleenzaligmakende Kerk.

—Vergeef het ons, edele Vorst!—zoo sprak hij, bewogen in weerwil van zichzelven,—als wij soms woorden uiten die u mishagen en u ondank schijnen voor de vele weldaden, welke wij in uw rijk ontvingen!—Schrijf ze enkel toe aan den ijver die ons bezielt voor ons geloof, en die voorzeker niet geringer is dan de geestdrift, waarmede gij zelf uw leven aan de belangen uwer staten en volken hebt gewijd! Nogmaals dan willen wij u dank zeggen voor 't geen gij voor ons hebt willen doen; en, hecht gijzelf dan al geen waarde aan onze gebeden, wees overtuigd dat ze u blijven vergezellen ook dan wanneer wij vér van hier zullen zijn!…

Stilzwijgend beantwoordde Akbar den eerbiedigen groet van den Padre, en zenuwachtig de vingers heen en weer bewegend als telde hij de kralen van zijn rozenkrans, verliet deze langzaam het vertrek.

In een der zuilengangen aan de buitenzijde van het paleis, waar enkele lampen een flauw schijnsel verspreidden, stuitte hij plotseling op een man, die zijne verontschuldigende woorden met een half onderdrukten vloek beantwoordde.

—Verdoemde Christenhond!—bromde die man, terwijl hij zich verder spoedde. Het was Abdal Kadir Badaoni, die zich tot den Keizer begaf. Bij de wachters zich aanmeldend, werd hij weldra bij Akbar toegelaten.

—Gij ziet,—zeide deze,—ik ben steeds gaarne voor u te spreken; en ik maakte ook geen bezwaar u thans te ontvangen, toen gij mij dezen morgen gehoor liet vragen, hoewel anders de treurige omstandigheden waarin ik verkeer, 't mij in de laatste dagen wel wat moeilijk deden vallen al mijne vrienden te woord te staan.

—Sire!—begon Abdal Kadir op schijnbaar eerbiedigen maar tevens onmiskenbaar norschen en onvriendelijken toon en zonder in 't minst acht te geven op de voorkomende wijze, waarop de Keizer hem ontving,—ik kom u vaarwel zeggen. Mijn tijd is genaderd om van hier te gaan.

—Hoe nu, mijn waarde vriend,—vroeg Akbar,—ook gij? En wat noopt u ons zoo plotseling te verlaten?

—Onwil—luidde het antwoord,—om hier steeds te blijven aanzien, wat mij tot eene dagelijksche ergernis strekt en mij bedroeft tot in 't diepste mijner ziel; maar onwil tevens om deel te nemen aan het verraad en de zamenzweringen waarvan ik u omringd zie, en waaraan ik onwillekeurig zou blijven deelnemen, indien ik hier nog langer vertoefde. Akbar! uw rijk neigt ten val! Ik heb u gewaarschuwd toen het nog tijd was; thans is het dat misschien reeds niet meer. Wat er bepaald omgaat, weet ik niet en ik wil het ook verder niet weten; maar de tegenstand, dien gij door uwe dwaze en misdadige verachting van onze heilige godsdienst hebt opgewekt, acht ik te groot en te krachtig dan dat het mogelijk ware op den duur daaraan het hoofd te bieden.

Voeg daarbij de eerzucht van Selim, uw zoon, en de geheime kuiperijen van andere niet minder eergierige lieden, die hem weten te vervoeren ten einde zelf zich meester te maken van rangen en bedieningen die hun nu onthouden blijven, en gij zult mij toestemmen dat de stand van zaken voor 't allerminst hoogst gevaarlijk voor uwe regering is.—Maar, zeide ik,—dus ging hij voort, den ligten glimlach niet opmerkend die bij zijne donkere voorspellingen zich om de lippen des Keizers had geplooid,—ik wil ook niet langer getuige zijn van wat hier dagelijks omgaat en sinds lang ook wereldkundig is. Den heiligen Koran hebt gij met de uwen versmeten en onder den voet getrapt; voor den grooten Profeet hebt gij niets dan verachting en spot; gij vermeit u in allerlei goddelooze praktijken, door onreine vuuraanbidders u geleerd; gij ontvangt openlijk aan uw hof en heimelijk in uw binnenvertrekken, met eer en gunstbewijzen hen overladend, onze ergste vijanden, Joden en Christenen, zooals ik er zooeven nog een uw paleis zag verlaten, en Indische toovenaars en duivelskunstenaars, en ik weet niet wat nog ander dergelijk slag van volk, dat de Shaitan zelf ons hier op den hals heeft gezonden! Inderdaad, Djelal-ed-din Mohammed! gij doet wél eer aan uw naam! Djelal-ed-din! "De Glorie des Geloofs!" Bittere ironie van het noodlot, toen het u eenmaal bekleedde met zulk een titel dien gij bestemd waart op zoo smadelijke wijze te onteeren! En nu weder, als of dat alles nog niet genoeg was, en om de mate vol te meten, die buitengemeene en overdreven eer aan de nagedachtenis van dien Aboel Fazl, dien verleider, dien aartsvijand van het geloof! Hij juist met Feizi den godloochenaar, zijn broeder, was het, die u tot al die ongeregtigheden verlokte en u tot ontrouw en afval heeft vervoerd; en juist dien éénen man toont gij openlijk te vereeren boven allen! Ach, mogt in 't eind nog zijn afschrikwekkend voorbeeld, zoo niet van zijn leven dan toch van zijn sterven, u tot waarschuwing strekken vóór het te laat is! Men heeft u, ik betwijfel het niet, zeker allerlei fraais omtrent zijne laatste gezegden opgedischt; maar, geloof mij! de waarheid bleef u verborgen; en ik wil, hoe zwaar 't mij ook valt, ze onthullen voor u en u zeggen, hoe Aboel Fazl werkelijk gestorven is. Zoo hoor dan en sidder bij het schrikwekkend berigt, dat hier aan iedereen bekend is behalve alleen aan u! Tot op het laatste oogenblik dat hij nog spreken kon, bleef Aboel Fazl zijn God lasteren op de meest gruwzame wijze; toen begon hij te blaffen als een hond, en zijne gelaatstrekken verwrongen zich en zijne lippen werden blauw, als gevoelde hij reedsde eerste smarten van de eeuwige verdoemenis die hem wachtte!…

—Dat is gelogen, schandelijk gelogen!—riep Akbar eensklaps opstuivend uit, nadat hij tot dusver den woesten dweeper bedaard had laten uitrazen,—dat is schandelijke, gemeene laster, zooals gij, godsdienstijveraars! dien weet uit te denken, waar rede en gezond verstand u in den steek laten en gij te vergeefs naar een smet zoekt waarmee gij een edel karakter mogt kunnen bezoedelen! Hoe Aboel Fazl gestorven is en wat hij stervend heeft gezegd, dat weet ik ten zekerste van eene volmaakt vertrouwbare zijde, van iemand, die zijne woorden onmogelijk kon uitdenken; spaar mij dus uwe ijdele leugentaal! Ik verkies ze niet verder aan te hooren. Ik heb met geduld geluisterd naar de onbeschofte woorden, die gij waagdet mij in 't aangezigt te werpen; ik heb dat alles aangehoord met eene lankmoedigheid, zooals waarschijnlijk geen ander vorst in mijne plaats ze tegenover u zou hebben betoond; maar gij hebt misbruik gemaakt van mijne goedheid, en dat zal ik niet dulden. Rand mij aan, beleedig mij in mijne innigste en dierbaarste overtuigingen, scheld op mij, op Akbar, op uw Keizer, het is wel! ik zal het u vergeven. Maar laster niet mijn trouwsten, mijn verraderlijk vermoorden vriend, of ik zal gebruik maken van mijn regt en mijne magt om voor altijd die tong te doen verstommen, die laag en lafhartig een gehaten tegenstander bespuwt, nu hij niet meer in staat is zich te verdedigen!

—Neem mijn hoofd!—sprak Abdal Kadir, den Keizer onverschrokken in 't aangezigt starend,—gij weet dat ik u mijn leven wenschte te wijden, en dat ik het honderd malen voor u zou hebben over gehad. Kan mijn dood u niet van dienst zijn, hij strekke dan ter voldoening aan uw ongeregten toorn! Ik heb u gezegd wat mij waarheid scheen; aan u om het te gelooven of niet! Ik deed mijn pligt; doe gij den uwe of wat ge daarvoor gelieft aan te zien!

—Genoeg!—zei Akbar, nog nauw bekomen van zijne drift,—ik begeer uw leven zoo min als uw dood. Ga heen, en ongedeerd: maar waag het niet, mij ooit weer onder de oogen te komen!

Zonder antwoord of groet keerde Abdal Kadir zich om, en schreed met opgeheven hoofde en trotschen blik naar den uitgang van het vertrek….

—Abdal Kadir!—sprak wederom de Keizer, toen de ander reeds den voorhang had opgeligt, en bij dien onverwachten uitroep wendde de hooghartige Mohammedaan verwonderd en onwillekeurig het hoofd,— laat ons zóó niet scheiden! Daarvoor hebben we elkander te lang gekend en ook wederzijds elkaar te hoog leeren achten; want ik weet, dat gij ondanks al ons verschil mij uwe achting en belangstelling toch niet ontzegt: uwe hevigheid zelve bewijst het. En ik van mijne zijde, ik stel u hoog als een kundig en in vele opzigten ook verstandig man, maar bovenal, wat hier en in deze tijden nog wel het meeste zegt, als een waarlijk braaf en eerlijk man. Niemand zie ik gaarne in toorn mij verlaten, maar vooral u niet. Ga! ik begrijp zelf dat het noodig zijn zal en gij niet anders kunt; maar ga niet met wrok in het hart. Gedenk de lange jaren, die wij te zamen in vrede en vriendschap hebben doorleefd, en vergeet, al is 't ook maar voor één oogenblik, de oorzaken die onze scheiding voortaan onvermijdelijk maken! Wilt gij?…

Eerst, toen Akbar begon te spreken, vertoonde zich nog steeds op het gelaat van Abdal Kadir dezelfde norsche uitdrukking, die het niet had verlaten gedurende het gansche pijnlijke gesprek; maar langzamerhand begon zij te wijken, en het voor zachter indrukken wel ontvankelijk gemoed van den dweeper, als maar geen godsdienstijver zijn hartstogt wekte, gaf ten laatste zich gewonnen aan de grootmoedige taal van den altijd vergevensgezinden vorst. Wel sprak hij niet, maar zijne houding zeide genoeg toen Akbar hem de hand tot afscheid reikte. Hij vatte ze met kracht, en terwijl hij zich diep voorover boog, viel op die hand een traan. Toen ging Abdal Kadir, om niet terug te keeren. Ook dezen dan zou Akbar nooit wederzien….

Lang nog staarde hij op den voorhang, die zich weder gesloten had achter den vriend van weleer. Daarop begaf hij zich met wankele schreden naar de geopende galerij, en zag uit naar het maanlicht, dat daar met vriendelijken glans de in volkomen rust verzonken tuinen en hunne zacht klaterende fonteinen bescheen. Toen zette hij vermoeid zich op een der marmeren rustbanken neder en bedekte zich het gelaat met de handen.

Zij verlieten hem dus, de een voor, de ander na. Aboel Fazl was hem wreedaardig ontroofd; de Christenzendeling verliet hem in arren moede; Abdal Kadir had voor altijd hem vaarwel gezegd. En dat alles juist in oogenblikken waarin hij meer dan ooit behoefte aan opbeuring en steun van trouwe vrienden gevoelde, juist in een tijdsgewricht als dit, nu zijn eigen zoon tegen hem in opstand kwam en hem den heerscherstaf zocht te ontrukken, dien hij zoo lange jaren tot heil en onder de zegeningen van zijne volken in de krachtige vuist had geklemd! En dat alles om de godsdienst en ter wille van het een of ander, 't zij dan opregt gemeend of ook gehuicheld geloof! Want dat Selim zijn aanslag in naam der godsdienst zou ondernemen, was zeker; en algemeen heerschte ook de overtuiging dat Narasinha het werktuig in de handen van ijveraars was geweest.

—Godsdienst!—sprak Akbar in zich zelven,—wat is het? Is het een gelukkig, een heilrijk verschijnsel in den menschelijken geest, dat het eindig wezen zijne nietigheid doet gevoelen en tevens het verheft, stemmend tot nederigheid en tot aanbidding te gelijk, een heerlijk, zalig gevoel en het meest verhevene waarvoor de ziel vatbaar kan zijn, de menschen wekkend om elkander lief te hebben en te leven voor elkanders welzijn? Of is het een bedroevend, een noodlottig ziekteverschijnsel, dat den mensch slechts trotscher en overmoediger en vijandiger jegens anderen stemt naarmate zijne overtuiging dieper is geworteld, eene soort van krankzinnigheid, die zich bijwijlen van de besten en edelsten meester maakt en hen beweegt hun naaste te haten en te vervloeken, een waanzin die tot misdrijf voert en moord en bloedigen strijd onder de volken werpt? Zou 't dan een geluk of een ongeluk zijn als de menschen eenmaal ophielden eenige godsdienst te belijden? Onoplosbare vraag! Vol van de grootste tegenstrijdigheden, en die toch nagenoeg allen gereed staan zonder eenig bedenken te beantwoorden. Geen godsdienst, zoo spreken de meesten, geen heil ook meer voor den mensch en geen orde in de maatschappij! En tot zóóver zijn ze 't allen eens. Maar welke godsdienst nu? Ziedaar de strijd ontvlamd; een ieder roept: de mijne, en de mijne alléén! en de zwaarden vliegen uit de scheede, en het staal en het ruw geweld gaan beslissen wat waarheid is. En zou het dan denkbaar zijn, dat er ooit een godsdienst kon worden gevonden die allen gelijkelijk mogt voldoen, en alle menschen vereenigen in één eenigen liefdeband? Waren 't geen dwaze droomen, waarmee ik mij zoo dikwijls vleide en mij zelf bedroog toen ik zoo iets meende ontdekt te hebben? Helaas! vrienden te verliezen is hard, maar harder misschien nog het verlies van illusiën, die ons dierbaar werden!…

Eene hand, die zacht op zijn schouder werd gelegd, deed Akbar opzien. Nevens hem stond Feizi, wien hij 't voorregt had verleend, ook onaangediend bij hem te verschijnen.

—Akbar!—sprak Feizi,—waak op uit uwe droevige, maar ook ijdele en nuttelooze mijmeringen! Moet ik het zijn, die tot u zeg: Wees een man! Ik, die mij anders zoo zwak gevoel tegenover u? Maar het is noodig dat ik zoo spreek. Wees overtuigd, dat ik niet minder diep het verlies van mijn waardigen en mij zoo dierbaren broeder betreur, dan gij den dood van een trouwen raadsman en veelgeliefden vriend; maar wij behooren beide te waken, en gij meer nog dan ik, dat de smart ons niet overmanne en ons zwak make in 't gezigt der gevaren, die het rijk nog blijven bedreigen. En daarom waag zelfs ik het te zeggen: Betoon u weer een man! Die voortdurende neerslagtigheid is uwer onwaardig, en als Aboel Fazl zelf er getuige van ware, hij zou welligt voor 't eerst in zijn leven hebben erkend, dat zelfs Akbar niet onfeilbaar is.

—Mijn trouwe, mijn edele vriend!—antwoordde Akbar,—van harte dank voor uw onverholen en mannelijke taal! Zulk eene opwekking is mij tegenwoordig wel noodig, maar toch bedriegt gij u eenigermate omtrent de aanleiding tot die overdenkingen, waarin gij mij zooeven verdiept vondt. De herinnering aan uw onvergetelijken broeder komt daarin slechts voor een deel.

En uitvoerig verhaalde Akbar zijn vriend wat er bij het afscheid van Aquaviva en van Abdal Kadir was voorgevallen, en deelde hem de overpeinzingen mede waartoe het een en ander hem had geleid.

—In dat alles—sprak Feizi, toen hij een oogenblik had nagedacht,—herken ik weder mijn grootmoedigen Keizer, en… mijn idealistisch wijsgeerigen vriend. Gij weet voor 't overige wat mijn gevoelen over die punten is, die gij daar hebt aangeroerd. Ik hecht niet veel aan 't geen men gewoon is godsdienst te noemen, als zich dat blijft bepalen tot een soort van onbepaald mystisch gevoel zonder wezenlijken inhoud, en noch veel minder als het zich uit in onbewijsbare, alleen door de verbeelding geschapen voorstellingen en leerbegrippen. En in zóóver hebben de menschen volkomen gelijk, die mij een atheïst noemen. Maar daarom ben ik nog geenszins een ongeloovige. Ik geloof integendeel veel; maar mijn geloof steunt ook op vaste gronden, omdat het op de ervaring zelve berust. Zoo onder anderen geloof ik, en meer dan eens hield ik 't u voor, aan de wet der gestadige ontwikkeling; en niet enkel op stoffelijk gebied, maar ook en vooral op dat van den geest en het denken der menschen; en in die voortdurende ontwikkeling zie ik de oplossing van het groot probleem, die gij, als alle andere hervormers en stichters van nieuwe godsdienst-systemen, reeds aanstonds, maar lang nog vóór den tijd, zoudt wenschen gevonden te hebben. Denk eens, van waar wij menschen aanvingen en waar wij reeds gekomen zijn, en bereken dan hoever we 't eenmaal nog brengen kunnen! Dieren waren wij en niets dan dat; na eenige duizende jaren werden wij redelijke wezens of iets althans wat daarop gelijkt; en wanneer nu nogmaals duizende en duizende jaren zullen voorbij zijn gegaan, wat kan er dan niet van ons worden? Zullen wij, en niet eenige weinigen alleen, maar ook allen misschien, door steeds voortgezet onderzoek en steeds hooger zich ontwikkelende wetenschap geleid, niet ten laatste een wezenlijk inzigt erlangen in het oneindig en noodwendig verband der dingen? En zullen wij dan, tevrede met dat inzigt en daarin berustend, ook niet volkomen al die droomerijen kunnen missen, die zich nu nog onder den fraai klinkenden naam van godsdienst aan ons blijven opdringen maar, wel beschouwd, niet anders dan kunstmiddelen zijn om aan de begeerlijkheid onzer zelfzucht te voldoen en ons in het tegenwoordig en in een, alweer door de verbeelding geschapen, volgend leven een heilstaat te verzekeren, die voor geen eindig wezen ooit kan zijn weggelegd?


Back to IndexNext