—Uw geest streeft hoog,—zei Akbar,—uw blik ziet ver. Mij te hoog en te verre soms. Ik let ook op het tegenwoordige, en die late, late toekomst brengt mij weinig troost.
—Maar verlies ik dan—vroeg Feizi,—het tegenwoordige uit het oog? Behoort het niet tot de eerste stelregels van mijn geloof, of, wilt ge, van mijn wijsbegeerte, dat de mensch vóór alles geroepen is waardig de pligten te vervullen, die hem in zijne maatschappelijke betrekking, welke ze dan ook zijn mag, zijn opgelegd? Zeker, alle bespiegeling, alle wetenschap is ijdel, wanneer daarvoor de werkelijkheid en het onmiddelijk vóór handen liggende verwaarloosd wordt. Leerde ons niet de wijsbegeerte, juist daaraan, aan het levend heden onze krachten te wijden, ze zou weer niets dan eene begoocheling zijn en een ijdel spel van den geest. Maar iets anders is het mede te werken, en met allen ijver en beschikbare kracht, aan onze naaste bestemming, iets anders de onmiddelijke verwezenlijking te eischen van al wat wij tot stand wenschen te brengen en dan mismoedig te worden als 't ons nog niet gelukt. Zoo ook omtrent datgene wat gij godsdienst en meer bepaald volksgodsdienst of volksovertuiging omtrent de onzienlijke dingen noemt. Deze ontwikkelt zich evenmin als iets anders, wat dan ook, plotseling en op den wenk van een bezield hervormer, maar niet dan langzaam en in den loop der eeuwen. En de vervulling eener noodwendige voorwaarde moet haar in elk geval voorafgaan: alle volksontwikkeling moet voorbereid worden door volksbeschaving. En ook deze is weer niet denkbaar zonder dat het volk eerst de middelen bezit om in zijn onderhoud te voorzien, alzoo: niet denkbaar zonder volkswelvaart. Maar zou nu, wat dezen eersten grondslag van alle beschaving en ontwikkeling betreft, een Akbar nog reden hebben tot veel zelfverwijt of mismoedigheid? Zou hij meenen, niet genoeg of althans niet veel reeds te hebben gedaan voor het welzijn der volken onder zijn beheer? Zie terug, mijn Keizer! op hetgeen door u werd volbragt, en oordeel dan, nu eens uw theologische bespiegelingen ter zijde latend, of de verkregen uitkomst niet de beste aanmoediging is om kloek en met ijver den aangevangen arbeid voort te zetten!
Wel had Feizi gelijk, en vleitaal van een hoveling was het niet, toen hij den maatschappelijken hervormingsarbeid roemde, dien de Keizer begonnen had en met gelukkig gevolg ook had doorgezet. De ervaring van volgende eeuwen zou het zegel drukken op zijn woorden. Want van Akbar's godsdienstige droomerijen bleef nauw een spoor meer na zijn dood; maar zijn landelijk stelsel is de voorname grondslag gebleven, waarop heel het bestuur van Hindostan onder alle opeenvolgende regeringen bleef berusten, datzelfde stelsel in hoofdzaak dat een kloeke en verstandige Brit ook gewenscht had in onze Nederlandsch-Indische bezittingen in te voeren, en dat ook daar zijn zegenrijke vruchten had kunnen dragen, indien het niet door de traagheid, de onkunde en het onverstand onzer eigene, latere regeringsmannen tot in den grond ware bedorven geworden ….
—Gij hebt wederom regt, Feizi!—sprak de Keizer, zich oprigtend in zijn krachtige mannelijke gestalte en het hoofd omhoog heffend als met nieuwen levenslust bezield;—het is zoo, ons betaamt te werken, niet te droomen, te arbeiden zoolang het dag is, onvermoeid en onverpoosd. Blijf mij bijstaan met mijne nog overgebleven getrouwen, nu vooral, nu een krachtige steun mij ontviel; en ik durf u belooven, gij zult even goed over Akbar tevrede zijn als hij over u. Maar nu nog eenmaal een zinnebeeld! Hoe wars gij ook zijn moogt van symbolen, dit ééne vindt wis genade in uw oog. Zie daar ginds het zwakke nachtelijke schijnsel; daarin herken ik den zielstoestand, waarin ik dagen lang en veel te lang reeds verkeerde. Maar morgen rijst weer de zon; en daarin wil ik ook weer mijzelf aanschouwen, niet zooals ik ben, maar zooals ik behoor te zijn. Dát toch is de roeping van den vorst, zoolang nog de beweging niet vóór alles uitgaat van de volken zelf, met zijne raadslieden de voorname bron van licht en bezielend leven te worden in den staat. Vergeet ik dat soms, of verlies ik het voor een oogenblik zelfs uit het oog, roep dan, Feizi! gelijk ook Aboel Fazl deed, den heiligen vorstenpligt weder op voor mijn geest en spreek weer tot mij gelijk gij dezen nacht gesproken hebt!…
De ontdekking
Sinds verscheidene dagen was de Keizer aan 't hoofd van zijn leger uitgetogen naar het Noorden, en alle berigten meldden dat hij zich reeds op aanmerkelijken afstand van Agra bevond. Nog bleef daar evenwel Siddha op het bevel wachten, dat hem zijne gedeeltelijk vooruitgetrokken manschappen moest doen volgen; en geen wonder zoo hij den tusschentijd zich bleef korten door herhaalde bezoeken aan Rezia-Goelbadan. Zoo begaf hij zich ook nu weer tegen den avond naar hare woning, doch, hij kon 't zich niet ontveinzen, niet geheel met dezelfde opgewektheid als anders. Hij was in den laatsten tijd de steeds verleidelijke, maar toch ook veelzins raadselachtige vrouw al meer en meer gaan wantrouwen; en zoo hij haar thans nogmaals wilde bezoeken, het was voor een deel om zoo mogelijk iets naders omtrent hare geheimen en die der zamenzwering gewaar te worden. Weinig vermoedde hij evenwel dat hij juist dezen avond meer zou vernemen dan hem lief kon zijn.
Aan het poortje in den tuinmuur gekomen bevond hij tot zijne verwondering dat het niet als gewoonlijk gesloten was, maar dat de sleutel, waarschijnlijk door achteloosheid in het slot was gelaten. Wat er van ware hij behoefde nu in elk geval het gebruikelijke teeken niet te geven om binnen te komen, en de deur voorzichtig achter zich sluitend, ging hij met rassche schreden voort door de laan. In de nabijheid der veranda vond hij nieuwe reden tot verwondering. Daar trad juist op dat oogenblik een man naar binnen, wiens gelaat hij eerst niet dadelijk zien kon, maar in wien hij, zich haastig achter de hooge en digte planten verschuilend, bij het schijnsel der lamp zijn oom Salhana herkende, die, vlugtig Goelbadan groetend, in de hevigste gejaagdheid uitriep:
—Wij zijn verraden, schandelijk verraden!—De Keizer—ging hij voort, terwijl Goelbadan hem verschrikt aanhoorde,—is van al onze plannen onderrigt. Hoe, weet ik niet, maar het is zeker. Ik heb stellige berichten van Gorakh, die, zooals gij weet, vermomd in het leger is. Akbar wist niet alleen van onze voornemens reeds bijna van den beginne af aan, maar zijne spionnen hebben hem ook in staat gesteld ze te volgen in al de veranderingen, die wij er in gebragt hebben. Slim als hij is heeft hij daarop aan sommigen, van wie hij verwachten kon dat zij 't ons over zouden brengen, zich laten verluiden dat hij ons eerste plan had doorzien, maar zonder er bij te voegen dat ook het tweede hem bekend was. De onzen moesten wel denken dat hij in den val liep. Nu trekt hij eindelijk uit met zijn leger en houdt zich alsof hij regelregt naar Kaçmir zal doorgaan. Maar jawel! Daar keert hij eensklaps om, en neemt zijn weg met snelle dagreizen weer naar Agra, waar hij ons juist wil komen verrassen op 't oogenblik dat wij ons volkomen zeker wanen. Wel ben ik nu nog bij tijds gewaarschuwd, om te verhinderen dat Selim op den bepaalden dag tot Keizer wordt uitgeroepen; maar ons baat dat niet veel, want daar Akbar alles weet, zal hij ons niet sparen, al betrapt hij Selim zelf ook niet op de daad. Er zit dus niets anders voor ons op dan uiterste maatregelen te beproeven.
—En waarin zouden die kunnen bestaan?—vroeg Goelbadan.
—Gorakh en de zijnen—antwoordde Salhana,—moeten te hulp komen, en zij kunnen het. Eer de Keizer den tijd heeft om Agra te bereiken, moet het met zijn leven gedaan zijn….
Eene huivering ging bij deze woorden den luisteraar door de leden, en de hand aan zijn dolk slaande wilde hij eene schrede voorwaarts doen. Doch hij bedwong zich nog bij tijds.
—Selim behoeft daar niets van te weten,—ging Salhana voort,—en we moeten 't hem ook maar niet vertellen als de daad volbragt zal zijn. Hijzelf zal 't wel vermoeden, maar zich houden of hij 't niet begreep, en er ons niet slechter om aanzien. Morgen ga ik naar 't leger om alles met Gorakh af te spreken, die mij de teekenen heeft doen meedeelen, waaraan ik hem in zijne verkleeding kan herkennen. En zorgt gij nu inmiddels dat Selim wordt gewaarschuwd. Ikzelf wil ditmaal niet tot hem gaan, om geen vermoeden te wekken. Maar zeg mij tevens, hoe staat gij tegenwoordig met hem?
—Ik zag hem in lange niet hier,—antwoordde Goelbadan,—maar de reden van zijn voortdurende afwezigheid bleef mij onbekend. Ik maak mij omtrent hem echter niet ongerust; hij begeert mij, hij wil mij volstrekt, het koste wat het kosten moet, tot zijne Sultane; en dat zal ook zoo zijn, mits hijzelf maar eerst Keizer is, niet vóór dien tijd.
—Inmiddels—zei Salhana,—houdt gij u bezig met dien neef van mij, dien ik u bezorgd heb, niet waar? Een knappe jongen in elk geval, en waarin gij ook nog al behagen scheent te vinden.
—Een tijd lang, ja! Maar hij begint mij tegenwoordig te vervelen; en wél bezien is hij ons ook maar half van nut. Men heeft onophoudelijk met hem te kibbelen over allerlei begrippen van pligt en eer, zoodra 't op iets wezenlijks aankomt. Ik denk hem dan ook spoedig de deur te wijzen als hij zijn dienst zal hebben gedaan; en dat te meer, omdat hij in mijne plannen met Selim mij wel eens in den weg kon zijn….
—Wat is dat?—vroeg plotseling Salhana, zich naar de buitenzijde van de veranda keerend,—mij dunkt, ik hoor daar beweging. Er kan hier toch niet de eene of andere ongenoode gast in den omtrek zijn?
—Onmogelijk!—antwoordde Goelbadan,—het poortje aan den tuinmuur is immers goed gesloten?—Salhana herinnerde zich ook niet dat hij 't inderhaast had opengelaten;—en van de andere zijde is geen 't minste gevaar, daar Feizi dezen morgen naar 't leger is vertrokken. Ga straks langs dien kant; dat is nog voorzigtiger dan langs den anderen, waar gij Siddha soms in de nabijheid van den tuinmuur zoudt kunnen ontmoeten.
—Alles—hernam Salhana,—is dan goed afgesproken, niet waar? Gij zorgt voor Selim en de rest hier in Agra; ik voor mij blijf mij met Akbar belasten, en ben ik niet al te ongelukkig dan zijn wij spoedig van hem en al zijn volk bevrijd.
Met een ligten groet verdween Salhana achter een der gordijnen langs een zijgang, die Siddha niet bekend was en waardoor hij verhinderd werd hem te volgen zooals eerst zijn voornemen was. Het beste ware nu nog geweest, onmiddelijk terug te keeren en het nieuwe komplot door tijdige waarschuwing aan den Keizer te verijdelen, terwijl de zamenzweerders daar niets van vermoedden; en hij gevoelde dat ook, maar de onweerstaanbare lust om Goelbadan te toonen, dat hij had opgehouden haar geminacht werktuig te zijn, behield de overhand, en met één enkelen sprong was hij naar binnen en stond hij vóór haar.
—Gevloekte slang!—riep hij uit,—gij, die een schandelijk verrader van mij hebt gemaakt, denk niet dat uw doemwaardige voornemens en die van den schurk daar, dien ik mij schaam mijn bloedverwant te noemen, nog kans hebben van slagen! Ik, die u tegenwoordig begin te vervelen, en 't is goed dat ik het weet, ik zal ze verhinderen.
—Ha! gij hebt daar geluisterd!—sprak Goelbadan, en eene uitdrukking van haat en kwaadaardigheid, gelijk Siddha nooit in die anders zoo zachte en innemende gelaatstrekken mogelijk zou hebben geacht, ontsierde haar plotseling op eene wijze, die haar op dat oogenblik inderdaad leelijk deed worden;—en nu denkt gij ons te gaan verraden? Maar dat zal niet gebeuren!
En eer Siddha in staat was hare bewegingen te volgen, vloog zij op hem toe en bedreigde een opgeheven dolk zijne borst. Half werktuigelijk zocht hij 't wapen af te weren, toen hij plotseling als verlamd de armen liet zakken bij het aanschouwen van eene gestalte, die als 't ware uit den grond daar achter Goelbadan verrezen was; maar in 't zelfde oogenblik ook greep een ijzeren vuist de omhoog geheven moordende hand, en verhinderde den anders door niets belemmerden stoot….
Haastig keerde Goelbadan zich om, en… stortte met een kreet van ontzetting ter aarde…. Achter haar stond Feizi, en achter hem vertoonden zich twee donkerkleurige dienaren met de blanke sabel in de hand.
—Genade!—kermde zij, weer tot bezinning gekomen, terwijl Siddha wezenloos het tooneel stond aan te zien,—genade, mijn gebieder en Heer!—En 't hoofd diep gebogen, terwijl hare lange donkere lokken over den grond sleepten, kroop zij op hare knieën naar den beleedigden echtgenoot, die al verder achterwaarts trad naarmate zij digter hem zocht te naderen.
—Terug!—riep Feizi,—terug! spaar mij uwe onreine aanraking!— Bindt die vrouw,—sprak hij tot zijne onderhoorigen,—en voert haar naar mijn kasteel bij Mathoera! Daar blijve zij streng bewaakt, haar leven lang. En zoo zij ooit eene poging, hoe gering ook, waagt om zich met iemand, wie 't ook zijn mag, daarbuiten in verbinding te stellen, dan worde het vonnis aan haar voltrokken, waarvan ik voor heden haar nog genade schenk. Nimmer wil ik van haar iets weerzien, of, zoo het moet, het zij dan enkel haar schuldig hoofd!
Nog eenmaal rigtte hij 't woord tot de smadelijk gevallene en nu niet minder schandelijk zichzelve vernederende, die daar aan zijne voeten lag geknield; maar dat woord was niet bestemd om hare straf te verligten.
—Hoop—sprak hij,—doet nog leven, naar men zegt. En gij, wier naam nooit meer over mijne lippen zal komen, gij vleit u misschien nog met eene zoete verwachting. Gij meent welligt nog op de bescherming te kunnen rekenen van een, die magtiger is dan ik, of eenmaal ten minste het zijn zal. Gij denkt nog dat Selim u bij zal staan, en u zal komen verlossen uit uwe gevangenis. Maar die verwachting is ijdel! Want degene, die, zelf door u bedrogen, mij uwe betrekking tot dien man daar ginds verried, dat was juist hij, dat was diezelfde Selim, dien gij in uwe netten gevangen dacht!
Snel had Goelbadan het hoofd omhoog geheven en opmerkzaam had zij toegeluisterd. Nu verwrongen zich hare gelaatstrekken en met een gil stortte zij voorover, het hoofd op den grond en de armen vóór zich uitgestrekt.
—Doet uw pligt!—zei Feizi tot zijne volgelingen, en haastig droegen zij de bewustelooze weg….
—En nu gij!—zoo ging hij, Siddha naderend voort, terwijl hij zijn sabel uit de scheede toog….
—Mijn leven heb ik verbeurd,—sprak Siddha, zijn kleed openscheurend,—stoot toe; ik verlang niets liever dan dat, ik wensch den dood als eene genade van uwe hand!
—Dat begrijp ik!—antwoordde Feizi, zich bezinnend, en langzaam liet hij de sabel weer in hare scheede glijden,—dat begrijp ik zeer goed. Maar ik ben, wél bezien, niet voornemens aan uw verlangen te voldoen. Anderen zouden in een geval als dit er misschien anders over denken. Een Muzulman zou u 't hoofd voor de voeten leggen, een Hindoe u doen worgen, een Frank u uitdagen tot een tweegevecht, wat wel het gekste van alles ware. Doch ik verkies noch het een noch het ander. Gij moogt leven en ongedeerd van hier gaan. Maar leven dan ook met de herinnering aan 't geen gij hebt gedaan, en aan de wijze waarop gij, die u een edelman noemt, eene belangelooze vriendschap vergolden hebt. Die herinnering, dat bewustzijn zullen u nimmermeer verlaten, al overdekt gij u met roem en al stijgt gij ook nog zoo hoog in rang; en hoe ook gevierd en door anderen vereerd, toch zult gij de oogen blijven neerslaan voor elk eerlijk man, bedenkend hoe gijzelf eenmaal in uw jongere jaren u jegens een vriend gedragen hebt. Ziedaar de straf, die ik u opleg! En nu, vertrek!
Een gebiedende, geen weerspraak of verzet meer duldende handbeweging van Feizi deed den diep onder zijn schuldgevoel gebogene met laag op de borst gezonken hoofd en met wankele schreden naar den uitgang zoeken; en nauwelijks wetend wat hij deed en waarheen hij ging, verliet Siddha het buitenverblijf en vond hij als werktuigelijk zijn weg naar de nog altijd onafgesloten poort.
Geruimen tijd bleef hij zoo goed als gedachteloos ronddwalen. Aan de rivier zag hij, ondanks 't reeds vergevorderd uur, nog eenige sjouwerlieden bezig met het laden van een schip; en alsof hij er eenig belang bij had, volgde hij nauwlettend hunne bewegingen, nu eens zich afvragend hoe ze die baal daar over de loopplank zouden krijgen, dan weer het hoofd schuddend over hunne onhandigheid. Bijna had hij zich aangeboden om hen wat te helpen. Maar een drietal soldaten, die nog bij het licht van een walmende toorts onder een afdak zaten te drinken en te dobbelen, leidde zijne opmerkzaamheid weer af, en nu begon hij lust te krijgen om met hen mee te drinken en mee te spelen…. Daar was het hem op eens als werd er een gordijn opgetrokken dat voor zijne oogen hing, en zag hij het gansche tooneel weer vóór zich, waarin hij daar straks eene zoo jammerlijke rol had gespeeld. Maar bijkans in hetzelfde oogenblik verdrong weer ééne gedachte tijdelijk al het andere: de herinnering aan den voorgenomen moordaanslag op den Keizer! Had Feizi alles gehoord, en dus ook dit? En was hij dan in staat Akbar te gaan waarschuwen? Het bleef hem onbekend, en hij had natuurlijk ook geen gelegenheid het te weten te komen. Maar waartoe ook? Waarom zelf niet gegaan, en zonder verder tijdverlies? Salhana zou eerst morgen vertrekken; een ander kon hem dus, al ging hij vroeg, nog vóór zijn.
Geen oogenblik bedacht Siddha zich langer, maar in bijkans ademlooze vaart snelde hij naar het kwartier waar zijne met hem teruggebleven manschappen gelegerd waren, droeg daar het bevel aan een zijner officieren over, haastte zich naar zijne woning en gelastte Vatsa, terstond den vos te zadelen,—dien vos van Feizi, dien hij na zijne ontdekking omtrent den waren naam van Rezia evenmin had durven berijden als terugzenden, maar die nu in het belang van Keizer en rijk zijne diensten zou doen.
—Maak u gereed mij te volgen naar het leger,—zeide hij tot Vatsa, toen deze met het opgetuigde paard verscheen,—maar van verre, zoodat er eenige afstand tusschen ons blijft. Vertrek een uur na mij, rijd dan door zoo snel gij kunt en breng, zoo 't noodig is, de boodschap over, die ik u geven zal. Ik weet, dat ik u volkomen kan vertrouwen…—En hier deelde hij hem zooveel als vereischt werd omtrent de plannen van Salhana mede, en gaf hem bevel, dat onmiddelijk aan den Keizer zelf te melden, indien hij zijn meester soms niet in het leger mogt aantreffen. Daarop sprong hij in den zadel en reed spoorslags voort.
Een overhaaste reis, waarbij hij zichzelven en zijn snel loopend paard niet dan de volstrekt noodige rust gunde, bragt hem binnen betrekkelijk korten tijd bij het leger, dat ook van zijn kant Agra weer een goed eind genaderd was. Terstond liet hij, in 't kamp gekomen, zich aandienen bij den Keizer, die hem na eenig dralen alléén in zijne tent ontving.
—Wat komt gij hier uitrigten?—vroeg Akbar op strengen toon.— Wie heeft u last gegeven uw post in Agra te verlaten? Dat is een vergrijp, dat u duur te staan kan komen.
—Sire!—antwoordde Siddha,—indien geen ander vergrijp door mij gepleegd was dan dit, zou ik wel van groot geluk mogen spreken. Maar ik kom mij bij Uwe Majesteit aanklagen van de grootste misdaad, die een krijgsman jegens zijn vorst kan plegen: van verraad!
—Ik vermoedde zoo iets,—sprak de Keizer, terwijl Siddha ontzet een stap terugtrad,—en daarom werd u 't bevel niet gegeven om op te rukken. En nu komt gijzelf mij de bevestiging brengen van uw ontrouw! Goed; wij zullen zien. Spreek verder!
In 't kort, maar zonder iets wezenlijks te verzwijgen, verhaalde Siddha hoe hij, door Goelbadan verleid, zijn begunstiger en vriend had bedrogen en zich tot verraad jegens den Keizer had laten verlokken. Met langzame schreden wandelde Akbar heen en weder gedurende het verhaal. Zijn gelaat duidde niets aan van 't geen er in hem mogt omgaan. Eindelijk, toen Siddha zweeg, bleef hij vóór hem staan, en zeide kortaf en met strengen blik:
—Uw misdrijf eischt den dood!
—Dat weet ik, Sire!—was het antwoord;—en ik kom mijne geregte straf van Uwe Majesteit verzoeken.
—Waarom zijt gij niet gevlugt als gij bevreesd waart dat het verraad ontdekt zou worden?
—De misdaad verlangt boete, en ik mag niet straffeloos blijven rondlopen, waar ook, een voorwerp van minachting voor mijzelf en voor ieder die mij herkennen mogt.
—Maar hoe is het, dat gij zoo op eens tot uw tegenwoordig besluit zijt gekomen? Daarvoor moet een oorzaak bestaan. En mij dunkt, gij hebt mij nog niet alles gezegd; er ontbrak nog iets aan uw verhaal.
—Dat is ook zoo; maar wat ik nog heb mee te deelen, mogt ik niet zeggen vóór mijn vonnis door u was uitgesproken. Thans mag ik verder gaan…. De magt dan, waardoor die vrouw mij zoolang nog, in weerwil van mijzelven gebonden hield, werd plotseling verbroken, de blinddoek viel mij van de oogen en eindelijk leerde ik eerst volkomen inzien, wie ik was, wat ik misdreef en welke straf ik had verdiend….
En nu volgde ietwat uitvoeriger dan 't voorafgaande, de beschrijving van het tooneel van dien laatsten avond bij Goelbadan en de mededeeling van het nieuwe, door Salhana ontworpen plan.
Ook nu nog was er geenerlei aandoening zigtbaar op het strak gelaat van den Keizer. Zijn stap alleen, terwijl hij bleef heen en weder gaan, was een weinig driftiger en meer gehaast. Toen het verhaal was geëindigd bleef hij eerst een tijdlang zwijgen, doch sprak ten laatste:
—Met reden schijnt gij ondersteld te hebben dat uwe laatste mededeeling van invloed kon zijn op het vonnis dat ik over u had uit te spreken. Gij hebt mij en mijn rijk een belangrijke dienst bewezen. Maar gij bedriegt u, indien gij meent dat ik straks reeds een onherroepelijk vonnis velde. Te zeggen dat een misdrijf op zichzelf de doodstraf verdient, is nog niet gezegd dat voor hem die het beging, geenerlei verschooning is aan te voeren. En voor u is dit, dunkt mij, juist wel het geval. Ook afgescheiden van uwe verdere mededeelingen zou ik in mijne uitspraak geweifeld hebben, en had ik toch misschien genade laten gelden voor regt. Gij hebt zwaar misdreven, Siddha! jegens mij en zeker niet minder jegens mijn vriend; maar een misdadiger zijt gij daarom nog niet. Gij waart het offer eener sterke verleiding, en ik weet zelf wat het zegt daaraan te zijn blootgesteld; maar uw eergevoel ging niet gansch verloren en herleefde toen uwe verblinding geweken was. Let wel! ik vergoelijk in 't minst niet uwe handelingen en tel uw schuld niet ligt; maar ik ben evenmin van oordeel dat gij tot die onverbeterlijken behoort, die men in 't belang der maatschappij onschadelijk heeft te maken. Integendeel, ik wil gelooven dat gij door later daden nog voor een deel, althans wat mij betreft, de herinnering zult uit kunnen wisschen aan 't geen gij als onderdaan misdreven hebt. En uw gansche gedrag van heden geeft mij de vaste overtuiging, dat gij jegens mij u nooit meer aan eenige trouweloosheid zult schuldíg maken en voortaan beter de waarschuwing indachtig zult zijn, die ik u eenmaal daar in den tuin van mijn paleis in Agra gaf. Ik laat u daarom het leven en— uw rang. Bewijs mij, dat ik mij niet ten tweeden male in u heb bedrogen!
Te antwoorden was Siddha in de eerste oogenblikken niet mogelijk; maar hij knielde neder voor den Keizer en kuste eerbiedig den zoom van zijn gewaad.
—Ik dank u, Sire!—sprak hij eindelijk, nadat Akbar hem gewenkt had op te staan,—niet voor dat leven, dat voor mij geen waarde meer heeft, maar voor de gelegenheid mij geschonken om nog een deel van de schuld te boeten, waarmede ik mij beladen heb. En zoo 't mij voegt, na al het gebeurde nog om een gunst te verzoeken, ik vraag dan als de allerhoogste dat mij spoedig geoorloofd mag zijn aan den strijd deel te nemen, die ginds in het Noorden tegen de rooverbenden wordt gevoerd.
—Ook die gunst wil ik u verleenen,—antwoordde de Keizer,—maar vooraf belast ik u hier nog met eene andere taak. Eenige van de getrouwsten mijner eigene lijfwachten stel ik onder uwe bevelen. Ga met hen Salhana te gemoet, maak u aanstonds van hem meester zoodra gij hem vindt, en breng hem hier; maar in 't diepste geheim, zoadat Gorakh, die naar uw zeggen hier rond moet zwerven, er niets van bemerkt.
Een wenk van den Keizer maakte een einde aan het gesprek; en aanstonds, zoodra hij 't bevel over de wachten aanvaard had, was Siddha met hen, en zijn niet lang na hem aangekomen dienaar, weer op weg.
Spoediger dan hij verwacht had ontmoette hij zijn oom, die mede veel haast scheen gemaakt te hebben, met twee zijner volgelingen. In een oogenblik waren deze overmand en gevangen genomen; en, schoon, Salhana zelf nog een tijdlang tegenstand bood, ook hij was toch dra overweldigd, en, tot zijn niet geringe woede, gekneveld op bevel van dien tot heden zoozeer door hem geminachten jongeling. Om zijne herkenning door anderen te beletten werd hem een sluijer over 't hoofd geworpen, en in allerijl werd hij daarop medegevoerd naar het kamp.
In de tent des Keizers ontdeed men hem van zijne boeijen en den sluijer, en liet hem met Akbar en Siddha alleen.
—Uw verraad, Salhana!—sprak de Keizer,—en ook uw nieuwste plan is ons bekend. Die jonkman daar heeft het ons meegedeeld. Maak u gereed te sterven. De beul wacht u!
Met een giftigen blik zag Salhana zijn neef aan, en stortte toen voor de voeten van Akbar neder, met het voorhoofd den grond aanrakend.
—Spaar mijn leven!—bad hij.—Straf mij, genadige Vorst! maar… laat mij leven, en ik wil alles bekennen, alles zeggen wat ik weet.
—Salhana!—antwoordde de Keizer met de diepste minachting,—ik wist dat gij een verrader, een schurk waart, maar ik had u nog niet leeren kennen als een lafaard bovendien. Voorwaar, gij zijt al een heel groote ellendeling en nauwelijks waard een kop kleiner te worden gemaakt! Wat voor 't overige uwe bekentenissen aangaat, ik heb ze niet van noode; ik weet daaromtrent alles, zeg ik u. Slechts één ding verlang ik nog te weten. Waar en hoe is Gorakh te vinden?
—Ik zal het u zeggen!—riep Salhana uit, met onverholen vreugde dien straal van hoop begroetend;—ik zal het nauwkeurig aanwijzen. En dan?…
—Dan gun ik u een schandelijk leven. Doch worden uwe aanduidingen valsch bevonden, dan, gij begrijpt het, wacht u het zwaard.
Uitvoerig en nauwkeurig gaf nu Salhana de teekenen op, waaraan men den Yogi in zijne vermomming kon herkennen.
—Men bewake dezen man met de uiterste strengheid,—beval de Keizer aan Siddha,—en inmiddels gaat gij uit met uwe wachten, zoekt Gorakh, en als gij hem gevonden hebt, laat gij hem opknoopen aan den eersten boom den beste.
Aan het bevel werd spoedig uitvoering gegeven. De mededeelingen van Salhana bleken juist te zijn. Men was den Doerga-priester weldra op het spoor, en aanstonds werd hij gevat.
—Ha, mijn jonge vriend!—zei de priester, Siddha herkennend, met zijn hatelijksten lach,—vergeldt gij zóó de belangstelling die ik u betoonde? Nu dat zij zoo! Maar bewijs mij toch ééne beleefdheid; die kunt gij nog wel voor mij over hebben! Zeg, wie heeft mij verraden? Dat kan wel niemand anders dan Salhana zijn, niet waar?
—Zoo is het!—antwoordde Siddha.—En nu gij,—vervolgde hij tot de wachten,—voert dien man buiten het kamp en dat ginds het vonnis aan hem voltrokken worde! Voorwaarts!
—En wat is dat vonnis?—vroeg nog de ander.
—De strop!—was het antwoord.
—Goed!—zei Gorakh,—dat blijft in mijn vak!
Den man te binden was wel overbodig, en ook zonder de minste poging tot verzet stapte hij bedaard tusschen de krijgslieden voort. Gedurende eenigen tijd zag ook Siddha niet naar hem om, en de wachten letten mede niet veel op zijne bewegingen. Buiten de legerplaats evenwel zich omwendend om zijne ruiters nog eenig nader bevel te geven, bemerkte Siddha dat de Yogi bezig was met zijne regterhand over een langwerpig boomblad te strijken, dat hij in de linker hield en dat hij óf onderweg moest hebben opgeraapt óf uit zijne kleeding te voorschijn gehaald. Een oogenblik later hief hij 't blad omhoog en wuifde er mede alsof 't een waaijer was.
—Komaan!—riep Siddha ongeduldig,—laat dat geknoei met uw goocheltoeren nu maar! 't Helpt u toch niet langer. En werp dat blad daar weg! Wij hebben genoeg van uwe kunsten!
Gorakh gehoorzaamde, hoewel niet dan na nogmaals, als lagchend en als om Siddha te plagen, een paar mystische teekens met het blad in de lucht te hebben gesneden. Toen wierp hij 't op den grond, en men ging verder. Weinige oogenblikken later hing het ligchaam van den priester aan den tak van een alleenstaanden boom.
Inmiddels waren een paar lieden, naar 't uiterlijk te oordeelen dienaren van een of ander edelman, die bij de gevangenneming tegenwoordig waren geweest, doch niet dan onverschillig er naar gekeken hadden, onopgemerkt op eenigen afstand den stoet gevolgd, die den veroordeelde naar de strafplaats voerde. Zoodra de troep voorbij de plek was, waar Gorakh het blad had neergeworpen, gingen zij zoeken in het zand en vonden weldra het gezochte voorwerp. Het was een verdroogd boomblad, maar waarin met eene snelle hand en met behulp van een veelal tot dat einde gebezigd scherp werktuig, een aantal woorden stonden gekrast. Na gezamenlijke lezing verborg een der beiden het zorgvuldig in zijn gewaad en haastte zich naar het kamp terug.
Daar erlangde Salhana, zoodra de tijding van Gorakh's dood aan den Keizer was overgebragt, de hem toegezegde levensgenade, maar tevens werd aan eenige krijgslieden de last gegeven hem streng te blijven bewaken. Na 't einde van den oorlog zou men verder zien, wat met hem uit te rigten. Gevangenschap, waarschijnlijk in eene of andere vesting, zou, begreep hij wel, zijn lot zijn zoolang Akbar regeerde. Maar daarna zou Selim hem zeker aanstonds verlossen. En dan was hij misschien ook in de gelegenheid om aan zijn wraakzucht tegen Siddha te voldoen….
Het toezicht van zijne bewakers was echter uit den aard der zaak niet zoo voortdurend streng, of 't mogt nog wel eens den een of ander gelukken hem te naderen; en er werd dan ook geen acht op geslagen dat eens op een avond een als dienaar van een der edelen gekleed persoon, hem voorbijgaande, snel en heimelijk hem een opgerold blad in handen speelde. Wat dat zijn kon? Een geheime mededeeling van een zijner vrienden, van Goelbadan misschien om hem een middel aan te wijzen tot de vlugt?…
"Salhana!"—dus luidde het haastig en met verkortingen geschreven briefje,—"de Keizer, die mij vonnist, zal niet sterven; want dat zou u dienen. Maar Doerga kiest tot offer u, die mij verraden hebt."
Het angstzweet brak Salhana uit en als verlamd van schrik liet hij 't blad uit de hand vallen. Hij wist toch maar al te goed wat die weinige woorden beteekenden, en hij wist dus ook dat zijn vonnis onherroepelijk was geveld. Het laatste gebod van den Doerga- priester zou niet worden veronachtzaamd, en liever nog zouden er honderd der zijnen zich opofferen dan het bevel onuitgevoerd laten. Of er dan in 't geheel geen hoop en geenerlei kans meer was? Inderdaad zoo goed als geene! Ja, was hij nog maar in Agra, en daar in de vesting of ergens anders opgesloten, waar die anderen althans zoo ligt niet tot hem konden doordringen dan hier in 't open veld! Maar hij was in de achterhoede van het leger, en deze volgde niet dan zeer langzaam het snel voortrukkend overig gedeelte…. Hijzelf bad en smeekte nu zijne bewakers dat zij toch goed de wacht bij hem zouden houden, omdat zijn leven door sluipmoordenaars was bedreigd; maar zij lachten hem uit, en hij hoorde hen zeggen: Er zou ook wat aan verloren zijn! Nog verzocht hij dat men in den nacht een licht bij hem zou laten branden, maar men bleef hem uitlagchen en hem bespotten om zijn lafhartigheid. Hij had geen rustig oogenblik meer. Des daags, op marsch, dacht hij langs elke heg of struik de eene of andere donkere gestalte te zien sluipen, die hem bespiedde en hem volgde op zijne schreden. Bij halten, als anderen rust namen, bleef hij voorzigtig overeind zitten en zoekend rondzien langs de boomen en het kreupelhout. En dan in den nacht, in den schrikkelijken, eindeloozen nacht! Hij had alles willen geven om ten minste wakker te kunnen blijven, en hij deed ook zooveel mogelijk zijn best, luisterend naar het minste geritsel en telkens in 't donker om zich heen tastend; maar bij wijlen overmande hem toch de slaap. Dan schrikte hij plotseling weer op en greep naar zijn hals, en dacht er iets te voelen dat hem den adem kwam benemen. In 't eind ging hij zich verbeelden dat er een koord om zijn nek was geslagen en daar bleef zitten tot het eensklaps zou worden toegetrokken. Telkens en telkens moest hij door 't gevoel zijner vingers zich overtuigen dat hij zich bedroog, tot in 't laatst die beweging van de hand naar de keel hem tot eene werktuigelijke gewoonte begon te worden. Een enkelen keer kwam de gedachte bij hem op om zelf een eind aan zijn leven te maken en op die wijze zich te verlossen van zijn marteling; maar hij durfde niet en hij bezat geen moed om zich den dolk in het hart te stooten. En dan nog de hoop, hoe flauw ook, dat hij nog betrekkelijk veilig mogt zijn als men maar eenmaal in Agra zou zijn aangekomen! Maar langzaam ging de togt altijd langzamer, en het was nog de vraag of 't wel in het plan van den Keizer lag de achterhoede tot de residentie zelve te laten voorttrekken….
De Worgers belastten zich eindelijk met de taak, die Salhana zelf niet durfde volvoeren, en bevrijdden hem van zijn angst…. Eens in den vroegen morgen vonden zijne bewakers hem dood liggen in de tent, die gedurende den nacht hem tot verblijf had gestrekt.
Beterschap
In Agra ging alles nagenoeg zooals Akbar en zijne raadslieden van den aanvang af berekend hadden, en vooral na de mededeelingen van Siddha konden voorzien. Dat Selim nog bij tijds omtrent den terugkeer van het leger zou gewaarschuwd worden en 't dus misschien niet gelukken zou hem op de daad te betrappen, hadden Akbar's vertrouwden nog steeds gevreesd; en wel ware in dat geval de aanslag verijdeld, maar tevens vrij wat moeijelijker geweest, den Prins te overtuigen van zijn verraad. Nu evenwel de boodschap van Gorakh, den leider der zaamgezworenen in het leger was onderschept, en Goelbadan in de onmogelijkheid gesteld ze aan Selim en de zijnen over te brengen, stonden de kansen veel gunstiger. En inderdaad, wel kwamen er enkele geruchten tot de zaamgezworenen te Agra omtrent een spoedigen terugtogt van den Keizer; maar, niets daaromtrent van hun eigen vrienden vernemend, hielden zij die geruchten eenvoudig voor een list om hen van eenige onderneming gedurende Akbar's afwezigheid terug te houden. Er bestond dus, meenden zij, geenerlei reden om geen uitvoering te geven aan het plan.
Op den bepaalden dag dan nam Selim bezit van het vorstelijk paleis, en deed zich openlijk in Agra uitroepen als Keizer. Terstond ontsloeg hij een aantal van de voornaamste ambtenaren en krijgsbevelhebbers en stelde anderen in hun plaats. Schrik en ontzetting verspreidden zich allerwege in de stad. De rijken sloten hunne huizen, de kooplieden hunne winkels, en de volkrijke, anders zoo levendige residentie scheen op eenmaal als uitgestorven. De berigten toch omtrent Akbar's terugkeer hadden meer geloof gevonden bij de burgerij dan bij de misleide zamenzweerders, en een geduchte strijd scheen te voorzien, als Selim, in de vesting zich versterkend, een krachtigen tegenstand mogt bieden aan zijn vader. Maar toen de Prins nu de vesting liet opeischen, weigerde, tot zijn niet geringe verbazing en schrik, de Goeverneur volstandig aan den eisch te voldoen, sloot de welversterkte poorten en rigtte zijn geschut tegen de stad. In schijn toch had diezelfde Goeverneur, met medeweten van Akbar, de zijde van Selim gekozen, zoodat deze volkomen zeker van het fort meende te zijn, maar inderdaad was hij den Keizer trouw gebleven. En nu bevestigden zich ook de tot dusver in den wind geslagen berigten omtrent de bewegingen van het leger, en geen dagmarsch scheidde dit weldra meer van de stad. Dus tusschen twee vuren geplaatst, terwijl nagenoeg allen die hem in den opstand geholpen hadden zoo snel mogelijk hem weer verlieten, begreep Selim dat er geen andere uitkomst overbleef dan een overhaaste vlugt. Doch te laat! De vooruitgezonden troepen sloten al de uitwegen af, en toen Selim met enkele volgelingen de stad wilde verlaten, werd hij overvallen door eene afdeeling ruiterij en, hoewel met alle eer, toch ook met een gestrengheid die alle verdere poging tot vlugten onmogelijk maakte, gevankelijk naar het paleis teruggevoerd waar hij een vlugtig oogenblik als Keizer had getroond.
Eenige dagen later ontving hij de uitnoodiging om te verschijnen bij den vorst, die thans werkelijk in zijne hoofdstad was teruggekeerd. Zijn vorst, zijn vader, zijn regter tevens! Selim was dapper, maar thans voelde hij den moed zich toch ontzinken, en dat te meer omdat hijzelf zoo volkomen overtuigd was van zijne schuld. Ook wist hij dat Akbar grootmoedig kon zijn, maar tevens gestreng, als straffen in het rijksbelang noodig was.
Zijn anders niet onredelijke vrees maakte echter spoedig plaats voor verwondering, toen hij, alléén bij den Keizer toegelaten, dezen met het hoofd in de hand op een divan vond uitgestrekt, terwijl zijn andere arm vermoeid over den rand van het rustbed hing, en hem ook zijne houding niet zag veranderen toen hij, de schuldige, daar binnentrad.
—Ik heb lang gedraald u te ontvangen, Selim!—begon Akbar ten laatste, terwijl hij een vlugtigen blik wierp op zijn diep beschaamden, in gebogen houding vóór hem staanden zoon;—ik zag op tegen dit onderhoud; ik wenschte dat gij 't mij gespaard mogt hebben!
Weer zweeg hij eenige oogenblikken; en toen, zich halverwege oprigtend en de handen omhoog heffend, barstte hij los in een bittere en hartstogtelijke klagt:
—Mijn zoon! mijn zoon!—riep hij uit,—dat ik dit van u beleven moest! Waartoe liet gij u verleiden door valsche vrienden en verkeerd begrepen eerzucht! Gij weet het, hoezeer ik u altijd heb lief gehad, uw minste wenschen waar 't mogelijk was zocht te voorkomen, u overlaadde met eer en aanzien en schatten. Gij weet ook, gij hebt het meer dan eens van mij en van uwe moeder gehoord, hoe ik, nog kinderloos en toen ik nog in mijn goedgeloovigen tijd verkeerde, heb gebeden om de geboorte van een zoon, en toen eindelijk dat geluk mij te beurt viel en gij mij geschonken waart, die gebeurtenis herdacht door de stichting van Fattipoer, op welks heuvel ik zoo menigmaal tot Allah mijne gebeden had omhoog gezonden. Maar had ik geweten wat mij eenmaal van u te wachten stond, mijn gebed zou niet zoo vurig en mijne vreugde over zijn verhooring zoo groot niet zijn geweest! Ach, was het u dan onmogelijk, althans eenmaal in uw leven, eene overwinning te behalen op uzelf, en nog zoolang geduld te hebben, alvorens uw voet te zetten op den troon, tot uw vader, zoo jong toch niet meer, u de plaats had opengelaten? Was 't u ondoenlijk door dat ééne ten minste de liefde eenigszins te vergelden, die ik u altijd heb toegedragen en waarvan gij de blijken toch waarlijk wel ondervonden hebt?
Selim wist niet te antwoorden, toen zijn vader weer voor een oogenblik ophield te spreken. Die gansch onverwachte ontvangst, die altijd, in weerwil van zijne vergrijpen, nog liefderijke schoon droevige taal had hem diep getroffen. Want hij was niet slecht, niet verstokt van hart, maar zwak en ligtzinnig; en op hem rustte de vloek, dien Akbar had weten te ontgaan, de vloek van het despotisme, dat den alleenheerscher, en ook hem die weet dat hij bestemd is het te zijn, de eigen onbetoomde willekeur in de plaats leert stellen van regt en van pligt.
—Maar neen!—ging de Keizer weer voort,—gij hebt het niet gewild, of liever nog, gij hebt het niet gekund. Gij zijt nooit in staat geweest u te bedwingen in iets; hoe dan in dit ééne? Een tijd lang, ik zag het met het grootste genoegen, hebt gij opgehouden met uwe drinkgelagen, maar hoe kort duurde de beterschap! Gij, die in mijne plaats wilt heerschen over anderen, gij weet nog niet eens uzelven te beheerschen! En hadt gij nog maar beter uwe eigene stelling begrepen! Eigenbelang, maar wezenlijk, geen valsch eigenbelang, had u van zelf den regten weg gewezen. Gij zoudt dan hebben ingezien dat alleen regtvaardigheid en trouwe pligtsvervulling u de achting en genegenheid uwer toekomstige onderdanen konden verwerven, maar dat handelingen als die waaraan gij thans u hebt schuldig gemaakt, u verachtelijk moesten doen worden in hun oogen ook al ware uw doel bereikt en al gehoorzaamden zij hun nieuwen meester uit zelfzucht of uit vrees. Nu hebt gij, even onverstandig als misdadig, dien eerbied verspeeld, en u en ook mij met schande overdekt. Of meent gij, dat ook mij de vernedering niet treft, die u heden wordt opgelegd? Hoe gaarne had ik ze nog voorkomen! Ik beproefde het, toen ik u op raad van Aboel Fazl, die u welwillend gezind was, naar Allahabad zond. Ik wist toen nog niet, dat juist Salhana tot de ergste verraders en de gevaarlijksten uwer verleiders behoorde. Maar genoeg, de poging om u te onttrekken aan uwe omgeving mislukte, en de zaken bleven haar gang gaan. Toen werd het ten laatste noodig in 't openbaar en ten aanzien van een ieder het bewijs te leveren, dat list noch geweld ook van den hoogst geplaatste iets tegen Akbar en de zijnen vermag, en dat de Keizer nog altijd oppermachtig blijft regeren. Gij hebt mij gedwongen; aan uzelf de schuld van 't geen heden is geschied. Uzelven hebt gij veel kwaad gedaan, en mij hebt gij diep gegriefd; dieper dan gijzelf welligt op dit oogenblik beseft. Moogt gij nimmer in de gelegenheid zijn het volkomen te begrijpen en door eigen ondervinding te leeren wat het zegt voor een vader, zijn eigen zoon als vijand tegenover zich te zien en zichzelf misschien genoopt hem te bestrijden met het zwaard in de hand!
En wél zou die droevige ervaring ook Selim in later dagen niet blijven gespaard, en zou hij gelegenheid vinden de woorden zijns vaders te overdenken, als eenmaal, in de jaren van zijn ouderdom, Shah Djihan, zijn eigen eveneens geliefde zoon, hem bekampen zou in 't open veld en meer dan eens met overmagt van legers de zijnen zou verslaan!… Thans inmiddels gevoelde hij het zedelijk bewustzijn, dat zoolang had geslapen, weer ontwaakt, en voor 't eerst doorzag hij in haar vollen omvang zijne schuld, door valsche raadgevers hem tot heden steeds als weinig beteekenend, of althans als niets buitengewoons en iets wél verschoonbaars voorgesteld. En door aandoening overmeesterd, wierp hij, zijn gelaat in de handen verbergend, zich op de knieën voor zijn vader neer.
—Sta op!—sprak ten laatste de Keizer na een tijdlang zwijgend zijn zoon te hebben aangezien,—en luister! Dat ik het volle regt bezit en de magt om u de straf op te leggen die ik mogt goedvinden, zult gij zoomin als iemand anders mij kunnen betwisten. Maar ik wil voor u geene verdere vernedering dan die welke gij reeds hebt ondergaan. Ik wil dat niet, omdat het schaden zou aan uw later gezag, aan den eerbied dien men u verschuldigd zal zijn als gij mij eenmaal zijt opgevolgd in de regering. Strafte ik u nog verder in 't openbaar, ik zou u dan tevens voor goed vervallen moeten verklaren van den troon en een uwer jongere broeders tot mijn opvolger behooren aan te wijzen. Maar dat wil, dat kan ik nog niet. Ik heb u nog te zeer lief om u voor immer te verstooten, zoolang ik het vermijden kan. Niettemin blijft alles afhangen van uzelven. Zeg mij, en zeg het, gelijk gij in dit oogenblik wel zult willen, opregt:—Verlangt gij nog met mij mede te werken in het belang van ons rijk, of gevoelt gij daarvoor geen lust of geen genoegzame kracht? In 't eene geval zal ik u eene eervolle maar moeijelijke werkzaamheid opdragen; in 't andere kunt gij hier blijven aan mijn hof, en daar trachten, want dat raad ik u toch aan, zooveel althans van de kunst van regeren te vernemen als in uw lateren werkkring u onmisbaar zal zijn. Ik laat u de keus.
—Mijn vader!—antwoordde thans eindelijk Selim,—ik gevoel het volkomen dat ik noch het eene noch het andere aanbod, beiden even grootmoedig, heb verdiend, en mij niet zou mogen beklagen, indien ik na mijne laatste handelingen door u van de troonopvolging vervallen werd verklaard, maar laat gij mij werkelijk eene onverdiende keus, dan aarzel ik geen oogenblik, maar grijp terstond het eerste van uwe voorstellen aan. Draag mij een zwaren en des noods gevaarvollen arbeid op, en ik wil trachten zoo goed ik kan dien te volbrengen. Gij hebt mij inderdaad met eer en met gunsten overladen, maar misschien ook wel te veel! ik heb mijn tijd werkeloos, in ijdele ledigheid, verspild en verbrast, terwijl gijzelf dag aan dag en avond aan avond hebt gearbeid voor het nut van den staat; en die werkeloosheid, die ellendige ledigheid, die geen verstrooijing op den duur kan aanvullen, heeft mij, zoo niet geheel dan toch voor een groot deel gehoor doen geven aan verraders en verzoekers, die mij een wezenlijken en meer roemrijken werkkring voorspiegelden als ikzelf maar eenmaal de magt, in handen zou hebben. Wijs mij nu zulk een werkkring aan, al is 't een meer nederige, en ik zal misschien nog gelegenheid vinden om weer eenigszins goed te maken wat ik jegens u misdreef!
—Gij beoordeelt uzelven niet onjuist,—hernam Akbar,—en de regte zelfkennis is wel de eerste stap op den goeden weg. Ook wil ik gaarne erkennen dat ik van mijne zijde niet geheel vrij ben van schuld, in zoo ver ik u veel te lang dat ledig en bij alle grootheid en weelde toch eentoonig leven liet, waarin gij tot dusver hebt verkeerd. Maar welaan dan! Niet lang nog is het rijke en vruchtbare Bengalen onderworpen aan mijne heerschappij, en nog wacht het op de voorregten eener ordelijke regering zooals onze landen die genieten. Ga nu, en help mij zulk eene regering invoeren ook dáár! Gij zult er onder mijne souvereiniteit het bestuur op u nemen, en voortaan een nagenoeg onafhankelijk Koning zijn, totdat eenmaal de tijd zal zijn gekomen waarin gij, in vrede ten laatste met uzelven en geacht weer en bemind door uwe volken, de regering zult kunnen aanvaarden over gansch Hindostan!
Tranen van vreugde en van dankbaarheid ontsprongen Selim's oogen, en na eerbiedig de hand des Keizers gekust te hebben snelde hij heen, vol moed en vol nieuwen levenslust. De verzoening tusschen vader en zoon was opregt, en de vrede en vriendschap, Akbar gevoelde het en hij zag juist, zou voortaan niet weder tusschen hen beiden worden verstoord.
Was het in Agra na den gelukkig voorbijgedreven storm een tijd van althans betrekkelijke vreugde, in Allahabad werd het in die dagen en vooral in de spoedig daarop volgende een tijd van rouw. Voor ééne ten minste. In algemeene bewoordingen en zonder noodelooze vermelding van bijzonderheden werd aan Iravati de dood haars vaders medegedeeld door den nieuwen Goeverneur, die haar tevens de verzekering gaf dat zij in den burgt kon blijven vertoeven zoolang haar goed dacht. De misdrijven, waaraan Salhana zich schuldig had gemaakt waren haar nooit bekend geweest; ook thans vernam zij daarvan weinig of niets, daar zij den meesten verholen waren gebleven; en, had zij haar vader nooit wezenlijk leeren liefhebben, zij had toch tot op zekere hoogte hem achting toegedragen, en zijne laatste handelwijze jegens haarzelve vergetend, betreurde zij hem wezenlijk en opregt. Doch weldra kwam ander nieuws dat wel geschikt bleek om op gansch andere wijze haar gemoed te schokken, zoo droevig door 't geen zij omtrent haren Siddha vernomen had, reeds gestemd.
Niet lang nadat de tijding van Salhana's dood haar geworden was, kwam Koelloeka, de Brahmaan, zich bij haar aanmelden. Alleen zijn ééne getrouwe dienaar had op een gevaarvollen togt uit het Noorden hem vergezeld.
—Edele jonkvrouw!—sprak hij, bij Iravati toegelaten,—ik belastte mij met eene zware taak, omdat ik eene boodschap heb over te brengen, treurig voor u en voor mij. Ik breng u een teeken, dat u wel bekend zal zijn….
En in zijn gordel tastend legde hij den fijn geweven veelkleurigen sluijer vóór haar neder, dien zij Siddha had toegeworpen, toen zij voor het laatst hem onder 't balkon van haar venster had gezien.
—Ik begrijp alles!—riep zij verbleekend uit, terwijl zij opsprong;—hij is niet meer!…
—Zóóver—antwoordde Koelloeka,—was het nog niet gekomen toen ik hem verliet; maar ik vrees toch het ergste, en ik moet twijfelen, hoe gaarne ik het tegendeel ook geloofde, of ik ooit mijn voormaligen leerling weer zal zien.
—Doch zeg mij, wat is er met hem gebeurd?—vroeg Iravati.—Zie! ik ben nu weer bedaard en wil u rustig aanhooren mits gij mij alles mededeelt.
En nu verhaalde Koelloeka omstandig al wat hij van Siddha's laatste ontmoetingen wist.
Op zijn dringende en ernstige bede had de Keizer hem veroorloofd, met zijne Radjpoet's en anderen tegen de stroopers in het Noorden op te trekken. Daar, in de hem welbekende gebergten, voerde hij een tijdlang een zeer gelukkigen en roemrijken krijg; gevaren telde hij niet, maar zocht ze veeleer op, vooral voor zichzelven, en menigmaal had hij reeds waagstukken beproefd, waarvoor zelfs de dapperste zijner volgelingen waren teruggedeinsd. Altijd echter met goed geluk. Doch ten laatste wisten de rooverbenden, terwijl hij een bergpas doortrok, hem van zijne hoofdmagt af te snijden en hem en zijne nu betrekkelijk weinige volgers van alle kanten te omsingelen. Wel streed hij ook thans weer met zijne gewone onversaagdheid en kracht, wel wist hij de zijnen door eigen voorbeeld lang nog te blijven aanvuren en viel er menig ruiter van den vijand door zijn zwaard getroffen in den afgrond, maar ten laatste stortte hijzelf met wonden bedekt van zijn paard, terwijl de meesten zijner dapperen gewond of gesneuveld rondom hem lagen uitgestrekt. Vatsa, die zijne zijde bijkans niet had verlaten en hem vallen zag, begreep op dit oogenblik beter te kunnen doen dan een ijdele en nuttelooze wraak te beproeven, liet zich onmiddelijk van het paard glijden en bleef toen bewegingloos liggen alsof ook hij verslagen was. Weinige oogenblikken later kwam de hoofdmagt aanrukken en dwong den vijand tot een haastigen aftogt. Nu sprong Vatsa snel weer op, begaf zich tot zijn meester en hoewel eerst meenend dat hij gesneuveld was, ontdekte hij spoedig tot zijn blijdschap dat hij nog leefde. Met behulp van eenige der nieuw aangekomen ruiters legde hij den gevallene, na zoo goed het gaan wilde zijne wonden verbonden te hebben, op een in der haast zamengestelde draagbaar en stelde toen voor, hem naar een in de nabijheid gelegen Boeddhistenklooster te voeren, waarheen de weg hem bekend was. Aan het plan werd terstond uitvoering gegeven.
—Ikzelf,—vervolgde Koelloeka,—ik bevond mij juist op dat oogenblik in het klooster toen de ruiters er met hun zwaar gewonden bevelhebber aankwamen. Met de meeste liefde en zorg verpleegden hem de goede monniken, en een ervaren geneesheer, die zich onder de hunnen bevond, gaf mij de verzekering dat niets zou worden gespaard wat zijne kunst vermogt om hem in 't leven te behouden. Na eenigen tijd kwam Siddha weer tot bewustzijn, en mij aan zijne zijde ontwarend, knikte hij mij vriendelijk toe. Ten laatste gevoelde hij ook voor eenige oogenblikken weer de kracht om te spreken.—Vriend!—zeide hij,—ik ga u verlaten; Ik gevoel dat ik hiervan niet meer zal opkomen. Bewijs mij nog één dienst!— Vragend zag ik den geneesheer aan, maar deze schudde het hoofd. Ook hij scheen weinig of geen hoop meer te zien. Tevens echter wilde hij Siddha het zwijgen opleggen; maar deze stoorde zich niet aan het verbod.—Ik moet spreken!—zeide hij;—Koelloeka! neem den sluijer dien gij daar bij mijne wapenrusting zult vinden, breng dien zoodra gij kunt aan Iravati, en zeg haar dat ik haar nooit zoo lief had gedurende mijn leven dan op het oogenblik dat ik den dood nabij weet. Ga terstond en wacht niet tot ik gestorven ben. Laat mij sterven met het bewustzijn, dat zij het teeken uit uwe handen ontvangt!—Toen sloten zich zijne oogen en hij sprak niet meer. Ik aarzelde niet aan dat waarschijnlijk laatste verzoek te voldoen, nam den sluijer, en Siddha aan de trouwe zorgen van de Boeddhisten en Vatsa overlatend, toog ik onverwijld op weg.
—Ik dank u—sprak Iravati,—voor de dienst, welke gij ons beiden hebt willen bewijzen. Maar Siddha leeft nog, zegt gij, of was nog niet gestorven toen gij hem verliet. Dan weet ik ook wat mij te doen staat.
—Te doen?—vroeg de Brahmaan.—Wat zoudt gij kunnen?
—Ik ga met u op weg naar Siddha!—antwoordde Iravati bedaard.
—Wat! Gij?—riep Koelloeka in verbazing uit,—gij, een zwakke weerlooze vrouw, zonder sterk geleide daar ginds door die wilde bosschen en bergen, waar het zwermt van rooverbenden en waar wij anderen zelf reeds aan groote gevaren ons blootstellen op zulk een reis! Waar denkt gij aan?
—Zoo goed—was het antwoord,—als gij, mijn vriend! u ter wille van Siddha aan die gevaren waagt, zoo goed kan ook ik het voor hem doen. En vrees niet dat ik u tot last zal zijn. Ik ben zoo zwak niet als gij misschien meent en aan bergwegen en bosschen wel gewend.—Neen! ging Iravati voort, toen Koelloeka weer nieuwe tegenwerpingen wilde maken,—tracht mij niet af te brengen van mijn besluit! Het zou u niet baten. En wilt gij mij niet meenemen, dan ga ik alléén met een mijner dienaren. Meen ook niet dat mijn besluit in overhaasting wordt genomen en ik er straks wel op terug zal komen. Ik heb meer dan eens over de mogelijkheid van een dergelijk geval gedacht, als zich juist op dit oogenblik voordoet. Ik heb meer dan eens in omstandigheden die er aanleiding toe gaven, mijn eigen toestand met dien van de Damayanti der legende vergeleken, en ik heb besloten, dat zij, waar 't pas gaf, steeds mijn voorbeeld zou zijn. En wat is nu mijn geringe opoffering bij de hare? Alléén en van alles beroofd, van alle zijden door nog gansch andere gevaren omringd, zwierf zij rond door de wildernis om haar trouweloozen echtgenoot op te zoeken; en ik, ik ga, als gij 't mij vergunt ten minste, onder geleide van een man van beproefde dapperheid en beleid; en waar hij weet door te dringen, zal ik wel weten te volgen!
—En zijn arm zal u niet falen, waar die bij magte is u te beschermen!—riep thans Koelloeka uit;—en is die arm al wat stram, hij bezit toch nog kracht genoeg om het zwaard te hanteren. Welaan dan! ik wil uw besluit eerbiedigen, niet minder dan ik het bewonder. Zoo bereid u dan voor tot den togt, en gij vindt mij gereed om dien met u te ondernemen.
Zonder dralen ontbood Iravati hare dienares, en haastte zich met haar de noodige toebereidselen te maken voor de reis, terwijl zij haar in korte woorden het doel van den togt mededeelde. Niet weinig was de trouwe Nipoenika, die hare meesteres innig liefhad, ontsteld, toen zij dat berigt vernam. Maar Iravati legde haar onmiddelijk het zwijgen op, toen zij eene poging waagde om haar van de onderneming terug te houden.
—Laat mij dan met u gaan!—bad de dienares.
—Neen!—antwoordde Iravati,—dat kan niet. ééne vrouw te beschermen is al genoeg voor Koelloeka en zijn dienaar. En ik gaf u bovendien ook juist kennis van mijn plan, maar in 't geheim altijd, opdat, als ik niet terugkeer, iemand wete waar ik gebleven ben en dat aan mijne betrekkingen in Kaçmir kan melden.
—Maar ware 't dan niet beter, den Goeverneur van het fort om behoorlijk geleide te verzoeken?
—Ook dàt zou niet deugen. Een afdeeling gewapenden zou onderweg juist de aandacht trekken, en eene sterke magt kan de Goeverneur ons niet meegeven. Met ons drieën hebben wij dus veel meer kans de reis met goed geluk te volbrengen.
Niet aanstonds evenwel kon de togt worden ondernomen. Koelloeka's paarden waren nog te vermoeid om onmiddelijk weer op weg te gaan. Men had dus tot den namiddag te wachten. Lang viel Iravati die werkelooze tusschentijd. Was men maar eenmaal onderweg, dan was er ten minste nog eenige afleiding. Nu zat zij onafgebroken te mijmeren over dat ééne enkele, dat met uitsluiting van alle andere gedachten haar bezig hield.
Met schrik, zij wist zelve niet waarom, zag zij op, toen zij eensklaps iemand haastig hoorde naderen, en een oogenblik later stond een man vóór haar, aan wien zij in deze oogenblikken wel 't minst van allen zou hebben gedacht—Selim.
—Gij hier?—riep zij uit.
—Ik kwam hier—antwoordde de Prins,—op mijne doorreis naar Bengalen. En ik kom, naar ik zooeven ontdekte, juist op een goed oogenblik. Ik kom u verhinderen in de uitvoering van een plan, te dwaas om in 't hoofd eener verstandige vrouw op te rijzen. Uwe dienares heeft, uit liefde voor u, het verbod om er van te spreken geschonden en mij gebeden door mijne tusschenkomst het te beletten. Ik heb haar dat beloofd.
—Bemoei u, Heer!—sprak Iravati,—wat ik u verzoeken mag, niet met mij noch mijne plannen! Ik ben geen kind meer, dat niet weet wat het doet. En in allen geval zijt gij ook niet geroepen om voor mij te waken.
—Toch zal ik het doen, voor uw eigen welzijn. En ook… welnu! waarom het niet ronduit gezegd?… en ook, omdat ik u niet naar dien gehaten mededinger verkies te zien gaan, die zelf u ontrouw werd. Ik kan de gedachte niet verdragen, dat gij dien man, zoo gij hem nog in leven vindt, met liefkozingen zult overladen, terwijl gij mij verstooten hebt! En daarom zal ik gebruik maken van mijne magt en u dwingen hier te blijven al is 't ook tegen uw wil!
—Gij kunt het, Selim!—antwoordde Iravati,—maar gij zult het niet. Gijzelf weet zeer goed dat gij niets zoudt winnen, maar wel verliezen door zulk eene laaghartige daad van geweld. Mij zoudt gij toch niet erlangen, en Siddha's dood geen oogenblik er door verhaasten; gijzelf daarentegen, dien ik tot heden bleef achten, ook al kon ik u mijne liefde niet schenken, gij zoudt u door zulk eene handelwijze enkel dit ééne verzekeren: mijne diepste minachting! Begeert gij die? Mijne verachting en uw eigen zeker niet geringer zelfverachting bovendien? Wilt gij u aanstellen als een zwakke vrouw, die hare hartstogten niet meester is en enkel toegeeft aan hare redelooze drift, of wenscht gij u te gedragen als een man, en door uzelf te beheerschen ook toonen dat gij waardig zijt eenmaal te gebieden over anderen? Beslis het zelf! Ik vraag u geen gunst!
Met gejaagden stap ging Selim op en neder. Een heftige strijd werd er in zijn binnenste gevoerd door hartstogt en pligtbesef, door eergevoel en drift. Haar, de vergeefs gewenschte, vruchteloos gevleide, over te laten zonder tegenstand aan den verwenschten medeminnaar, was hard, scheen ondoenlijk. Maar toch, zij had regt. Geen weerstand kon baten en geweld moest hem 't eenige doen verliezen wat hij nog bezat: de achting van haar, wier oordeel hij op prijs stelde boven alles. En dan hare laatste woorden, die hem levendig de diep gevoelde vermaningen van zijn edelen en verstandigen vader voor den geest riepen! Zelfbeheersching, zelfverloochening! Eerste pligt en onmisbare deugd voor den Vorst! Nooit nog had hij in waarheid ze betracht; en zou nu, na zijne ernstige belofte, na zijn stellig voornemen een nieuw leven aan te vangen, zijn allereerste handeling weer een daad zijn, die Iravati met alle regt eene laaghartige geweldenarij had genoemd?…
—Iravati!—sprak hij ten laatste,—ik onderwerp mij, nu als vroeger, aan uw wil. Wat het mij kost behoef ik u niet te zeggen; maar genoeg, ik gehoorzaam. Helaas! ik zeg het nogmaals, waarom heb ik u niet vroeger gekend? Gij zoudt een ander mensch van mij gemaakt hebben dan ik geworden ben. Maar dat is nu eenmaal alles anders; en ik wil trachten mij te schikken in 't onvermijdelijke. Ga dan, en hoewel ik uw voornemen roekeloos blijf achten, ik mag toch niet nalaten het te eerbiedigen als een moedig en edel besluit. Maar nog meer nu! Het kan zijn, het ware althans niet onmogelijk, dat uw Siddha nog in 't leven bleef; en dan, ik begrijp het maar al te wel, zoudt gij met hem u verzoenen en het woord gestand doen dat gij hem gezworen hebt. Welnu! met wangunst zou ik het aanzien, maar ook zonder wraakzucht jegens u en jegens hem die u dierbaar is. Laat het dan eenmaal althans gezegd kunnen worden, dat de zwakke en zelfzuchtige Selim zichzelf bedwong en dat de toekomstige gebieder van Hindostan ook meester van zijn eigen hartstogt kon zijn. En als gij vroeg of laat, gij of Siddha Rama, mijne bescherming mogt behoeven, ik geef u mijn vorstelijk woord dat ze u niet zal worden onthouden. Eéne gunst alleen vraag ik van u, die er thans geene van mij wilt ontvangen! Ontzeg mij, al zien wij elkaar nimmer weder, uwe vriendschap niet geheel, en denk niet met toorn en verachting aan een man, wiens eenig misdrijf jegens uzelve toch alleen hierin bestond, dat hij u al te hartstogtelijk beminde!…
Geen antwoord meer wachtte hij, maar snelde voort.—Mijn vader!— sprak hij in zichzelven, terwijl hij met haastige schreden en zonder om te zien zich verwijderde,—zoudt gij thans, voor éénmaal ten minste, vrede kunnen hebben met uw zoon?…
Feizi's vloek
In 't Boeddha-klooster in het gebergte lag Siddha op zijne legerstede, en nevens hem zat Iravati. Zoo groot ook hare vreugde was geweest toen zij na den moeijelijken en gevaarvollen, maar gelukkig volbragten togt vernam dat haar Siddha nog leefde, zoozeer werd die blijdschap ook getemperd toen de geneesheer zijn behoud nog uiterst twijfelachtig noemde, en zij, bij hem toegelaten, hem voortdurend bewusteloos vond. Of hij ooit weer zou ontwaken? Of zou hij sterven zonder haar te hebben herkend?
Na verloop van een in bange afwachting doorgebragten tijd begon er ten laatste weer eenige hoop te ontstaan; maar de arts raadde Iravati tevens ernstig, zichzelve wat meer rust te gunnen als zij den gewonde nog verder wilde blijven verplegen. Ook wisten Koelloeka en de monniken haar nu en dan tot eene korte wandeling te bewegen; en niet zonder genoegen bezocht zij dan bijwijlen ook den kleinen bij het klooster gelegen tempel, als de kerkklok er de geloovigen met hunne rozenkransen ten gebede riep. En met belangstelling ook luisterde zij meer dan eens naar de redenen van den Opperpriester, als deze haar over het ijdele en nietige van het menschelijk leven sprak, waarin het leed voor het meerendeel der wezens zooveel grooter was dan het geluk, en waarvan eenmaal voor goed verlost te worden om te mogen ingaan tot het nirvâna, de hoogste zaligheid was die voor den mensch bleef weggelegd.
Koelloeka vond op dergelijke redenen wel wat aan te merken, en hij zou in andere omstandigheden den priester misschien wel hebben tegengeworpen, dat werkzaam te zijn en ten nutte van anderen toch een waardiger levenstaak was dan verzonken te blijven in ledige bespiegeling omtrent de ijdelheid der dingen; maar hij bemerkte dat die stille en kalme, schoon ietwat droomerige leer juist voor 't oogenblik een weldadigen invloed op Iravati had; en hij zweeg. Ook was tegenspraak hier in zeker opzigt vrij overbodig, vermits toch deze Boeddhisten zelf weer het bewijs leverden dat de natuur soms beter is dan de leer. Wel namen zij geenerlei deel aan het woelige leven en de gewone zorgen der wereld; maar dat zij in ledigheid hun tijd doorbragten, kon hun waarlijk niet worden verweten. Onvermoeid zwierven zij door het gebergte en gingen rond bij de arme bergbewoners, overal weldoende voor zoover in hun vermogen stond en zooveel doenlijk het leed verzachtend van allen die zich ongelukkig gevoelden, zonder onderscheid van godsdienst, van kaste of van nationaliteit.
Weder was Iravati eens op een avond bij het leger van Siddha gezeten, terwijl de geneesheer hem van de andere zijde gadesloeg, toen hij, langzaam de oogen openend, een vlugtigen blik om zich heen wierp en nevens zich Iravati scheen gewaar te worden. Want zacht fluisterde hij haar naam, terwijl hij op 't zelfde oogenblik weer de oogen sloot. Een wenk van den arts gebood haar, voor heden zich te verwijderen; en schoorvoetend, maar 't hart toch vervuld van vreugde, verliet zij hem om Koelloeka de heugelijke tijding te gaan mededeelen. Den volgenden dag vond deze zijn vriend weer aanmerkelijk toegenomen in beterschap en tot spreken ook weer in staat.
Maar niet dan spaarzaam maakte Siddha van de gelegenheid gebruik, ook toen Iravati weder tot hem kwam. Wel bleef hij haar kennen, even als zijn vriend; maar van het voorleden scheen hij zich overigens niets te herinneren, en een nevel scheen er te zweven voor zijn geest. Wezenloos zat hij meestal voor zich te staren en alleen de stem van Iravati kon hem dan voor een oogenblik weer doen ontwaken uit zijn verdooving. Dat bleef zoo, ook nadat zijn ligchamelijke krachten zoo goed als volkomen reeds waren hersteld en hij tot een behoorlijke beweging zich weer geheel in staat gevoelde.
Eens echter, toen hij met Iravati in de nabijheid van het klooster rondwandelde, was het alsof plotseling een door haar gesproken woord, of ook eenig voorwerp dat hem in 't oog viel,—zij wist zelve later niet meer wat,—een herinnering bij hem opwekte. Eensklaps stond hij stil, zag verwonderd om zich heen, en streek zich met de hand over 't gelaat. Maar het hoofd schuddend wandelde hij verder. Nogmaals echter stond hij stil, en beschouwde oplettend nu eens de hooge bergtoppen, dan de helder blauwe lucht, dan weer de vallei en de bosschen daar omlaag…. Eene doodelijke bleekheid overtoog zijn gelaat, en met verwilderden blik zag hij Iravati aan …. Het geheugen was teruggekeerd en in zijn volle kracht; maar hoe? En ware vergetelheid voor altijd niet misschien nog gelukkiger geweest?…
—Van hier!—riep hij ten laatste uit,—van hier! Wat wilt gij ongelukkige! nog in mijne nabijheid? Hoe moogt gij nog dulden dat ik u nader, ik de trouwelooze, de schandelijke verrader, beladen met den zwaarsten vloek die het hoofd van een man ooit treffen kon!…
Met nameloozen schrik had Iravati hem aangehoord. Wel begreep zij niet aanstonds alles, maar toch reeds meer dan genoeg. Zij wilde spreken, maar de stem begaf haar en in diepe smart zonk zij neder aan zijne voeten.
—De vloek,—herhaalde Siddha wild,—de vloek van Feizi: "Leef met de herinnering aan 't geen gij gedaan hebt, gij die u een edelman noemt, en al verwerft gij alles wat gij begeert, altijd zult gij de oogen neerslaan voor ieder eerlijk man dien gij ontmoet!" En dan zou ik nog wagen ze op te heffen tot u, de reine, schuldelooze, die ik laaghartig even als dien edelen vriend verried! Ga weg! zeg ik, ver van hier! Een gestalte verrijst daar tusschen u en mij!… Het is Feizi, innemend, beminnelijk zooals hij was als vriend,… maar nu weer dreigend en streng, zooals ik hem zag toen hij als regter mijn vonnis sprak!…
En Iravati, het hoofd weer opheffend, zag hem de oogen bedekken met de hand, als vreesde hij langer haar te aanschouwen. Eindelijk vond zij tot spreken weer de kracht.
—Kom mede—zeide zij,—en ga weer met mij naar binnen! Gij overspant u, en haalt u valsche droombeelden in het hoofd. Dat is u niet goed. Zoo kom dan!
—Droombeelden!—sprak Siddha bitter,—mogt dat waar zijn! Maar neen! Ik ben geheel ontwaakt, ik ben volkomen helder, mijne kracht is teruggekeerd, maar ook de herinnering, de vreeselijke herinnering, en levendiger nu dan ooit. Nog gevoelde ik niet den waren zin van Feizi's woorden; maar thans heb ik ze leeren begrijpen, nu ik u heb weergezien. Voor den Keizer, ja! tot zelfs voor den minste mijner soldaten heb ik vol schaamte de oogen moeten neerslaan, maar nooit zoals nu. En ik zocht ook een eerlijken dood, en dat stelde mij nog in staat hun blik te verduren…—Iravati!—ging hij voort,—gij weet niet met wien gij spreekt, gij kent mijn laatst voorleden niet.
—Ik ken het,—antwoordde Iravati,—en al weet ik niet bepaald wat er tusschen u en Feizi is voorgevallen, ik meen het toch genoegzaam uit uwe woorden te kunnen opmaken.
—En toch spreekt gij nog met mij?—riep Siddha uit,—en wendt u niet van mij af, en kwaamt mij zelfs opzoeken om mij te verplegen of mij te troosten in mijne laatste oogenblikken!
—Heb ik u, Siddha! dan geen trouw gezworen en was ik niet gehouden mijn woord gestand te doen zoolang het door uzelf mij niet werd teruggegeven? En dat is immers niet geschied. Want gij hebt mij door Koelloeka het teeken gezonden, dat mij ten blijk moest strekken dat uwe laatste gedachte gewijd was aan mij. Toen heb ik begrepen dat ik pligten had op mij genomen, pligten van eene echtgenoote ook al had nog geen huwelijk ons vereenigd.
—Welnu!—hernam Siddha,—ik ontsla u dan van die pligten en van uwe vroegere gelofte! 't Is waar, mijne liefde keerde terug, en met gansch nieuwe nog ongekende kracht, toen eenmaal de noodlottige verblinding van mij geweken was; maar gij, gij kunt mij trouw zijn en uw vermeenden pligt vervullen, maar beminnen kunt gij mij niet meer.
—Ik bemin u als voorheen!—antwoordde Iravati.
—Gij zoekt u dat op te dringen uit overdreven eergevoel; maar het kan niet zijn, en later zoudt gij u berouwen dat niet beter te hebben ingezien. Er is geen liefde, waar geen achting meer kan bestaan. En de vrouw moet kunnen opzien tegen den man, en haar steun zoeken bij hem; maar ongelukkig het verbond als de man de zwakkere is en zich te schamen heeft tegenover zijn eigene echtgenoote! Ga dan en vergeet mij; ik ben zelfs uwe herinnering niet meer waardig.
—Gij verstoot mij dus?
—Ik heb geen regt u te verstooten, geen regt eigenlijk ook om u te ontslaan van uw woord; en zoo ik 't al deed, het was enkel om u gerust te stellen en u 't gevoel te sparen alsof gij uit eigen beweging mij verlaten hadt.
—Luister naar mijne bede, Siddha!—sprak nu Iravati vleijend, terwijl zij vertrouwelijk hare hand op zijn arm legde;—ik wil niet met u twisten over al wat gij mij tracht voor te houden, ik wil ook niets eischen, niets vorderen als mijn regt, maar u smeeken alleen, gehoor te geven aan mijne vurige, mijne hartstogtelijke wenschen. Keer u niet van mij af, verlaat mij niet, juist op dit oogenblik nu ik meende u herwonnen te hebben! Zie ik vraag u niet eens eene belofte voor de toekomst; ik geef u de volkomen vrijheid; doch laat mij, al is 't ook maar een korten tijd, nog in uwe nabijheid! De scheiding ware mij thans onmogelijk!
—Neen, en nogmaals neen!—antwoordde Siddha, thans bijkans met hardheid,—geen weifelingen, geen nieuwe zwakheden meer! Ik beging er waarlijk al genoeg. Nog eens alzoo: vergeet mij, en laat mij gaan!
En Iravati afwerend, die, voor hem nedergebogen, zijn gewaad nog met de handen omklemde, wilde hij heensnellen en vlugten om de eenmaal en ook nog heden zoo teeder beminde nimmer weer te zien.
—Het is wel!—sprak nu Iravati, zich oprigtend met beleedigd gevoel van eigenwaarde, en krachtiger en vaster klonk hare stem dan Siddha die nog ooit had gehoord,—het is wel! Gij hebt, geloof ik, gelijk. Gij maakt u mijne liefde onwaardig. Eenmaal zijt gij ondanks al uwe geloften mij ontrouw geweest, maar ik had het vergeven en vergeten, omdat ik begreep dat gij voor eene verleiding waart gezwicht gelijk ik die niet kende. Doch nu verwerpt gij mij willens en wetens, en niet omdat ik iets jegens u misdreef, maar alleen omdat gijzelf te trotsch zijt om voor uwe eigene vrouw te willen bekennen, dat gij eenmaal zwak en tegen verleiding niet bestand zijt geweest. Welnu dan, verlaat mij! Zonder u is mijn leven niets; maar eene afgedwongen liefde mag geene jonkvrouw van ons geslacht verlangen, ook niet van den man dien zij bemint. En zoo nu de herinnering aan 't geen gij jegens een vriend misdreven hebt, u vervolgt, laat er dan nog ééne bijkomen: de herinnering aan de vrouw, dien gij eenmaal hebt liefgehad, maar die gij hebt opgeofferd om te voldoen aan uw zelfzuchtige hoovaardij!…
Siddha weifelde. Zou hij gaan? Kon hij blijven? Wel wenschte hij dit; maar was het overeen te brengen met zijn gevoel van eer? Toch bleef hij nog staan, en verwijderde zich niet, gelijk hij zoo aanstonds nog voornemens was.
—Wie zal beslissen?—vroeg hij, de hand aan het voorhoofd slaande;—er is waarheid in 't geen gij zegt, en toch ook weer strijd met wat ik als regt beschouw…—Doch—vervolgde hij,—zou een ander, en die wijzer is dan wij beiden, niet misschien nog weten te rigten tusschen ons?
—Gij bedoelt Koelloeka?
—Neen, niet hem, zoo verstandig hij ook zijn mag, en zoo hoog ik hem ook acht. Ik weet het vooruit, hij zou slechts uw en mijn geluk trachten te verzekeren, en dat meenen te doen door u eenvoudig gelijk te geven. Hij is niet onpartijdig, niet vrij meer in zijn oordeel. Een ander,—maar vraag mij nu niet nader!—zou de eenige zijn, dien ik in een tweestrijd als dezen kan vertrouwen, en misschien zal hij mij raad kunnen geven. Luister dan, Iravati! naar thans meer bedaarde, verstandige taal! Laat mij van hier vertrekken en zoo spoedig mogelijk. Misschien keer ik weldra weder, misschien ook nooit. Kom ik terug, dan is mijn verder leven voor immer u gewijd; zoo niet, weet dan dat ik heb opgehouden voor u te bestaan, en dat gij vrij zijt en van alle vroegere banden ontslagen. En nu, geen tegenwerpingen meer! Heb geduld met mij, gelijk gij tot dusver het steeds hebt betoond!…