Stille zamenkomsten
Feizi had zich niet van een voorwendsel bediend, toen hij de uitnoodiging van den Kroonprins afsloeg. Omstreeks denzelfden tijd, waarop Selim zijne gasten zag vergaderen, wachtte hij met den Keizer in diens binnenvertrekken een genoode van gansch anderen aard.
Voorafgegaan door een dienaar, die na de aanmelding terstond weer verdween, trad daar weldra een man binnen, aan wiens gewaad ieder Westerling terstond den Roomsch-Katholieken geestelijke herkend zou hebben. Het was dan ook de Padre Rodolpho Aquaviva, hoofd van de toenmalige Jezuïeten-missie, uit Goa door den Vader Provinciaal naar het hof van Agra afgevaardigd.
—Ik heet u welkom, Eerwaarde Vader!—sprak Akbar, zijn groet beantwoordend,—welkom in den naam van dat Hoogste Wezen, dat wij beiden gelijkelijk, schoon op verschillende wijzen vereeren!—Ik wil hopen,—voegde hij vragend er bij,—dat de reis u niet al te zeer zal hebben vermoeid?
—Ik ben Uwe Majesteit dankbaar voor die belangstelling,— antwoordde Aquaviva;—gelukkig hebben wij den togt zonder ongevallen kunnen volbrengen, hoewel mijne gezondheid anders veel te wenschen overlaat. Maar de nietige mensch behoort te dragen wat de Heer over hem beschikt.
—Dat zeg ik met u!—hernam Akbar;—maar ik heb u ook nog te bedanken voor de boekwerken, die gij sinds uwe afwezigheid de goedheid gehad hebt mij te doen toekomen, uwe Evangeli*n en andere schriften. Mijn vriend Feizi hier, dien gij van vroeger u nog wel zult herinneren, heeft ze grootendeels voor mij vertaald; en ik verzeker u, dat wij te zamen en met Aboel Fazl er trouw in gelezen hebben.
—En,—vroeg de Padre, nauwlettend het gelaat van den Keizer bespiedend,—mogen wij ook hopen dat het gestrooide zaad in goede aarde is gevallen?
—Ik geloof ja!—antwoordde Akbar;—ik stel verscheidene van uw heilige boeken bijzonder hoog, nu ik daarmede eens nader heb kennis gemaakt. Wat schoone en verhevene waarheden zijn er niet in vervat! En dan, nevens die hoogere, meer het onzienlijke betreffende begrippen, die ook in de leer van den Islam niet gansch ontbreken, welk eene edele en reine opvatting van zelfverloochening en zelfopoffering, en bovenal welk een zuiver, aan den Koran doorgaans geheel vreemd begrip van menschenliefde en humaniteit! Dat ik uw Christendom alzoo ver boven het Mohammedanisme stel, behoef ik u wel niet nader te verzekeren.
—De Heere zij geloofd!—sprak de Jezuïet met ten hemel geslagen geslagen oog en de handen zamenvouwend;—ziedaar de regte weg! Eerst de dwaling wel begrepen door vergelijking met de waarheid; dan is het gemoed ook ontvankelijk voor deze. En hoe zou het trouwens ook mogelijk zijn dat een man als Akbar, niet enkel een grootmagtig Vorst, maar, wat meer nog zegt, een zoo wijs en geleerd man bovendien, de waarheid niet van den logen zou weten te onderscheiden?
—Ik ben u verpligt voor die welwillende beoordeeling,—zei Akbar,—maar ik vrees, dat ik alligt weer in uwe achting zal dalen, indien ik aan mijne woorden van zooeven nog iets toevoeg. En dat moet ik toch, wil ik opregt jegens u handelen. Ik gaf u mijne warme bewondering te kennen voor veel wat er in uwe heilige schriften wordt aangetroffen; maar dat belet niet dat ik nog een open oog wensch te houden voor 't geen er goeds en schoons ook in andere godsdiensten te vinden is. Daar hebt gij bijvoorbeeld enkele der hier nog bestaande, de oorspronkelijk Indische.
—Hoe, wat?—kon Aquaviva zich niet weerhouden in de grootste ontsteltenis uit te roepen,—die gruwelijke afgoderijen!
—Ik erken,—hernam Akbar bedaard,—dat er bij zijn, waarop die benaming wel toepasselijk is. Maar dat is toch lang niet met alle het geval. Niet waar, Feizi?
—Zeer zeker niet!—antwoordde deze,—en niemand weet dat beter dan mijn Keizer zelf; en hij zal u, Eerwaarde Vader! even als ik kunnen betuigen, dat er onder die godsdiensten zelfs meer dan een wordt gevonden, die, wat de evengenoemde punten betreft niet voor de uwe, voor het Christendom behoeft onder te doen.
—Onmogelijk!—zei Aquaviva met vaste stem.
—En waarom onmogelijk?—vroeg Feizi glimlagchend,—kent gij dan wezenlijk al die stelsels zoo nauwkeurig?
—Ik ken ze niet anders,—hernam de Padre,—dan uit hetgeen ik hier er nu en dan van zie. Maar ik begeer en ik behoef ze ook niet nader te kennen. Waartoe zou het dienen? Er kan toch maar ééne waarheid zijn.
—Dat spreekt wel van zelf,—viel hier Akbar in,—maar de vraag is juist, wat waarheid is, en bij wie ze gevonden wordt; of ze enkel gevonden wordt in één leerstelsel, dan wel in meer dan één verspreid. Nu zult ge mij natuurlijk antwoorden, dat niemand anders in het bezit der waarheid is dan gijlieden; maar dan vraag ik wederom: waaruit blijkt dat?
—Wel,—hernam Aquaviva,—de waarheid is ons immers geopenbaard door Jezus Christus, den Zoon van God.
—Zoo zegt gij!—was het antwoord; maar nu zegt mijn vriend Abdal Kadir, de Islamiet, dat ze hem is geopenbaard door Mohammed, den grooten Profeet. En dat uw Christus werkelijk Gods Zoon was, zoudt gij toch eerst dienen te bewijzen, eer ge op hemzelf als zoodanig u beroepen kunt.
—Zoo zeggen ook,—voegde Feizi er nog bij,—onze Vishnoeïeten hier, dat de waarheid hun niet alleen door wijze en heilige mannen is bekend geworden, maar ook geopenbaard in verschillende incarnatiën der Godheid.
—Maar het gezag der Alleenzaligmakende kerk dan, en dat van denBijbel, Gods woord!—hernam de Jezuïet.
—Dat staat weer gelijk,—antwoordde Akbar,—met het gezag van den Koran, de khaliefen en de oelema's. En met de autoriteit van de kanonieke boeken en de leeraren der Vishnoeïeten bijvoorbeeld, waarvan Feizi zooeven sprak.
—Maar dan toch het vast geloof! Zegt dat niets?
—Ook al weer bij allen van gelijke kracht.
—Het Christendom is in elk geval veel ouder dan de Islam.
—Ja, maar lang zoo oud niet als de Veda, op welks gezag de zooeven genoemde godsdienstleer meerendeels steunt. En ook het Boeddhisme is ouder dan het Christendom. En, terwijl het daarmede, als trouwens ook andere Indische leeringen, overeenstemt wat echt humanitaire begrippen aangaat, en op merkwaardige wijze ook vele kerkelijke gebruiken met u gemeen heeft, het wint het, dunkt mij, van uwe leer in geest van verdraagzaamheid.
—Wij komen op die wijze niet veel verder,—merkte de Padre, ondanks al zijn ontzag voor den Keizer als zoodanig, een weinig gemelijk aan.
—Neen, dat geloof ik óók niet, waarde Heer!—zei Akbar met een ligten glimlach;—doch beter zou het misschien gaan, zooal niet volkomen in overeenstemming met uw bijzonder doel, indien gij van de hier nog heerschende rigtingen eens wat nader kennis wildet nemen, en u daaromtrent dezelfde moeite getroosten, welke wij ons niet ontzagen wat de godsdienst uwer landstreken betreft. Wij konden dan ten minste die verschillende leeringen eens zamen vergelijken, om dan ten slotte wel tot eene overtuiging omtrent hare wederzijdsche inwendige waarde te geraken.
—Maar daarvoor ben ik hier niet gekomen,—hervatte de Heidenapostel,—ik ben gezonden om het Evangelie te prediken en zielen te redden van het verderf!
—Welnu!—sprak Akbar op zijn gewonen kalmen toon,—ik wensch u een goeden uitslag. Maar ik twijfel of gij veel zult vorderen, indien gij anderen eenvoudig zoekt op te dringen wat gijzelf voor waar houdt, zonder te doorgronden of zelfs na te vragen wat zij van hun kant gewoon zijn als waarheid te erkennen.
—Toch vertrouw ik,—sprak Aquaviva weder, door al die formele bezwaren nog niet afgeschrikt,—op de onweerstaanbare overtuigingskracht, welke alleen ons geloof bezit en waarvoor in 't eind ook het meest verstokte hart moet zwichten, zij het dan van afgodendienaar of van ongodist.
—Gij bedoelt den inhoud van uw geloof, niet waar?
—Ongetwijfeld!
—Nu, voor zoover die inhoud zich inderdaad van de leeringen der overige belijdenissen, die we zooeven noemden, onderscheidt, zou ik al zeer weinig geneigd zijn, uw onbepaald vertrouwen, zoozeer ik 't anders ook eerbiedig, te deelen. En in zoover diezelfde inhoud met dien van anderen overeenstemt, is er geen strijd en komt uw bekeeringswerk dus ook niet te pas. Wat dunkt u, vriend Feizi! is het niet zoo? Gij zijt een man van bedaard verstand, en niet zulk een idealist, zoo als ik, even als onze eerwaarde Aquaviva, mij wel eens betoon. Wij hebben dus prijs te stellen op uw oordeel.
Of de eerwaarde Aquaviva het hiermede geheel eens was, mogt onzeker heeten; maar in elk geval diende hij Feizi wel aan het woord te laten, toen deze begon:
—Ik geloof niet, Sire! dat Uwe Majesteit eene bevestiging Harer woorden mijnerzijds behoeft. Maar den Padre moet ik eveneens de verzekering geven, al beneemt ze hem een zijner meest dierbare illusiën, dat die bijzondere leerbegrippen, die uitsluitend aan zijne geloofsbelijdenis eigen zijn, ook al maakt hij enkele bekeerlingen, toch nooit wortel zullen schieten in dit land, noch onder Mohammedanen, noch onder hen, die hij gewoon is met den naam van Heidenen te bestempelen. Genen, boven alles aan hun dogma van God's onverbreekbare en ononderscheiden eenheid gehecht, kunnen nooit vrede hebben met zijn leerstelling omtrent de Drieëenheid, of de drie personen in de Godheid; dezen, voor wie die leer misschien minder onaanneemlijk mogt schijnen, in zoover ze toch reeds gewoon zijn het ééne Wezen onder meer dan één vorm te vereeren, zullen daarentegen onvermijdelijk op bezwaren stuiten van nog gansch anderen aard. Zij zullen bijvoorbeeld, om er nu slechts één te noemen, u, Eerwaarde Vader! nooit toegeven, dat God den mensch geschapen heeft juist om hem te doen vallen en daarna, ten einde hem weer te redden, zichzelf in zijn eigen zoon ten offer heeft gebragt; of, van den anderen kant, hem scheppend zoo als hij hem schiep, niet zou geweten hebben dat hij vallen moest en er alzoo tot dat zonderlinge evengenoemd redmiddel moest worden overgegaan om de goddelijke regtvaardigheid weer met de goddelijke liefde in overeenstemming te brengen. Zij zullen, houd het mij ten goede, zoodanige voorstelling eenvoudig onzinnig achten, en dus ook niet geneigd zijn, hunne voorvaderlijke, veel eenvoudiger en redelijker begrippen voor zoo iets vaarwel te zeggen. Laat gij daarentegen uw strengere leer omtrent zondeval en verzoening nevens vele dergelijke, maar waarvan ik nu niet wil spreken, wederom los, en verkondigt gij anders niet dan uw Christelijke moraal en uwe begrippen van algemeen-menschelijkheid en verloochening der zelfzucht en opofferende menschenliefde, dan leert gij niets nieuws en uwe prediking wordt, voor 't minst genomen, vrij overtollig.
—Maar wij laten niets los!—viel Aquaviva uit;—wat wij verkondigen, zullen wij volhouden, omdat het de waarheid is, en de eenige waarheid die de verdorven menschheid kan redden en verdoolde zielen behoeden voor de eeuwige straffen der hel; en daarom staan wij dan ook bereid, hier als elders, ons kruis op ons te nemen en smaadheid te lijden om Jesu Christi wille, en, moet het zijn, ook den marteldood, als Hijzelf en zoovelen Zijner Heiligen na Hem, te ondergaan!
—Maar daarvan, mijn waarde Heer!—sprak nu Akbar, terwijl hij zijn hand op den arm van den verbolgen en in geestdrift ontstoken ijveraar legde,—daarvan kan hier immers, zoolang ik Hindostan beheersch, in 't allerminst geen sprake zijn. Smaad ook hebt gij, voor zoover ik weet, nooit onder mijne regering ondervonden; wel, zoo ik meen, hooge eer, een eer zelfs u door zeer velen benijd; en daarbij geniet gij de meest mogelijke vrijheid om uwe gevoelens te verkondigen waar en aan wie ge maar wilt. Doch wij spraken, bedrieg ik mij niet, over uw kansen om anderen in dit land tot de belijdenis uwer bijzondere godsdienstige begrippen over te halen. En deze, ik moet het wel met Feizi erkennen, deze schijnen mij vooralsnog uiterst gering.
—Doch,—waagde Aquaviva op te merken,—als Uwe Majesteit nu eens het voorbeeld gaf?
—Dan zou ik toch zelf wel eerst overtuigd moeten zijn!— antwoordde Akbar;—of zoudt gij willen, dat ik iets met den mond ging belijden wat mijn hart bleef verloochenen?
—Zeer zeker,—hernam de ander,—ware zoo iets een ongerijmde eisch. En ik mag er dan vooreerst ook niet meer op aandringen. Maar ik had zoo gehoopt, zoo vertrouwd, dat de lezing der Schrift reeds het edel gemoed van Hindostan's wijzen beheerscher ontvankelijk zou hebben gemaakt voor dat éénig geloof, dat alléén in staat is zijne ziel, als de onze, te behouden voor het eeuwig en anders onvermijdelijk verderf! En nu zie ik mij niettemin in die zoo dierbare verwachting weer teleurgesteld. Is het dan niet te vergeven als ik mij zoo aanstonds in wat sterke bewoordingen uitdrukte?
—Gij hebt geen vergiffenis van noode, mijn waardige vriend!— antwoordde Akbar;—ik kan mij uw ijver volkomen voorstellen. Maar ik heb immers ook niet gezegd, dat ik volstrekt niet naar u luisteren wil. Integendeel! ik schenk u steeds gaarne de gelegenheid om, kunt ge, mij te overreden. Doch laat ons voor 't oogenblik afbreken, en ons onderhoud van heden avond enkel als een voorloopig beschouwen! We spraken ditmaal ook over wat veel onderwerpen te gelijk, een andermaal willen we wat beter bij een bepaald punt blijven staan, en wie weet, hoever uw geleerdheid en welsprekendheid het dan nog met mij brengt!
Of de Keizer bepaald ernstig sprak, dan of zekere ironie zich mengde onder zijne woorden, schoon in zijn stem of gebaren daarvan niets merkbaar was, had de Jezuïet moeilijk kunnen beslissen. Wat er evenwel van ware, de wenk dat het onderhoud voor heden was afgeloopen kon hem niet onduidelijk zijn; en, den Keizer dank zeggend voor de op nieuw hem bewezen eer, verliet hij met eerbiedigen groet het vertrek.
—Allen toch dezelfden!—sprak Akbar tot Feizi, toen de ander hem verlaten had;—of gij nu Abdal Kadir of Aquaviva hoort, 't is altijd weer gezag, geloof, openbaring, maar geen sprake van rede en verstand, en van gronden aan wetenschap en ervaring ontleend. Toch onderhoude ik mij gaarne met die dweepers. De verschillende wijze waarop de menschen zich hunne betrekking tot den oneindigen grond van het Al voorstellen, is meerendeels wel uit boeken te ontdekken; maar het levend woord van de belijders zelven der onderscheiden gezindheden leert ons menigmaal toch nog meer.
—Ongetwijfeld!—antwoordde Feizi;—maar wat nu dat voortdurend beroep op gezag en openbaring aangaat, is het niet natuurlijk en onvermijdelijk bij allen, die, niet te vrede met hetgeen rede en ervaring ons leeren, de oplossing der wereldraadsels in voortbrengselen van hun eigen verbeelding zoeken? Toont men hun nu de ongegrondheid of ook de onzinnigheid van vele dier voorstellingen, dan rest hun niet anders dan zich te beroepen op het gezag eener openbaring, die hen of hun voorgangers met hunne ingebeelde waarheden moet hebben bekend gemaakt. Doch, zonderling voorwaar! dat de tegenspraak hen zoo zelden tot eigen onderzoek en rustige beoordeeling hunner opgeschroefde leeringen voert. Konden ze daartoe besluiten, ze zouden spoedig genoeg de ijlheid dier theoriën leeren inzien. Hoog en trotsch inderdaad verheffen zich de pijlers en tinnen hunner tempels tot in de wolken; maar onderzoek de grondvesten, en gij ontdekt aldra, dat ze staan te waggelen op het stuifzand der phantasie.
Niet aanstonds sprak Akbar, toen Feizi zweeg. Eenige oogenblikken dacht hij na, en zeide toen:
—Ik geloof dat gij gelijk hebt, Feizi! Maar toch, ik betrap mij zelf wel eens op iets diergelijks als gij dien lieden verwijt, ook al erken ik in 't eind weer geen ander gezag dan onze eigene rede. En of ons nu, in oogenblikken van geestvervoering, de dichterlijke verbeelding niet soms tot de ontdekking van waarheden kon leiden, die wij later door de uitkomsten der wetenschap mogten bevestigd zien? Doch daarover nader! Wij hebben thans nog andere zaken te bespreken; en straks komt Aboel Fazl, om ons, naar ik verwacht, eenige niet onbelangrijke mededeelingen te doen.
In een ander gedeelte van Agra had, een avond later, mede eene zamenkomst plaats, maar die overigens met de zoo aanstonds beschrevene niets anders gemeen had dan dat ze eveneens eene heimelijke, voor onbescheiden oogen en ooren wél verborgene was.
Reeds meer dan eens had Siddha in de dagen die onmiddelijk op zijn eerste bezoek bij Rezia volgden, naar de dienares omgezien, die hem toenmaals naar hare woning had geleid. Ten laatste had hij de vertrouwde nogmaals in den omtrek der Keizerlijke tuinen ontmoet, en van haar op nieuw eene uitnoodiging van hare meesteres ontvangen, waaraan hij ook wederom zich gehaast had te voldoen. Sinds dien tijd herhaalden zich telkens die bezoeken en volgden al sneller en sneller op elkaar, totdat eindelijk de dag aan Siddha ledig scheen, waarop hij niet nevens Rezia aan de veranda was gezeten geweest. Wat ook Agra schoons en aangenaams bieden mogt, hoezeer hem ook de meer dan eens reeds gebleken gunst van Aboel Fazl en later ook die des Keizers verblijdde, en hoeveel wezenlijk genoegen hij ook in zijne gesprekken met Feizi smaakte, wiens woning voor hem openstond en die hem wezenlijk als een vertrouwd vriend behandelde, of zoo goed hij zich ook vermaakte met den jongeren Parviz en zijne levenslustige kameraden, toch was er niets wat zoo onweerstaanbaar hem trok als het stille paviljoen der bevallige Armenische. Dat het beeld van Iravati daarbij meer en meer op den achtergrond geraakte, was zeker niet vreemd, en evenmin dat Rezia voor hem al spoedig iets meer dan eene aangename en onderhoudende kennis werd, terwijl zijzelve ook gansch niet ongevoelig voor de onverholen hulde van den jongen edelman scheen. Wel had eensklaps een gevoel van schrik zich van hem meester gemaakt toen hij tot het vol bewustzijn kwam, dat zij hem niet enkel dierbaar was geworden als eene lieve vriendin, maar dat hij met een hartstogt haar beminde geljk hij dien tot heden nog nooit had gekend; doch al vrij spoedig ook was hij aan die gedachte gewoon, en geen andere heheerschte ten slotte zijn gemoed dan de voortaan door niets meer te beteugelen begeerte om haar de zijne te mogen noemen en zijne liefde door haar beantwoord te zien.
Op den bewusten avond dan had nogmaals Siddha nevens zijne verleidelijke gastvrouw op den divan plaats genomen, waarvoor nu een kleine en lage, sierlijk gebeeldhouwde tafel met frissche vruchten en gouden, met tintelenden wijn gevulde drinkschalen was gesteld. En verlokkender scheen zij in dit oogenblik hem dan ooit, en weelderiger hare schoone bevallige vormen, en dieper van uitdrukking de blik harer zachte blauwe oogen, die nu eens met weeke teederheid, dan weer met onbeschrijfelijken gloed naar hem opzagen om haastig straks in de schaduw der donkere wimpers weer schuil te gaan. En liefelijke geuren van rozen en jasmijn stegen er op uit den bloemenhof en een heldere maan wierp hare stralen als getemperd daglicht op het balkon en in het vertrek, en overtoog met hellen zilverglans de boomgroepen en fonteinen daar omlaag.
—Siddha!—sprak Rezia eensklaps ernstig na eenig meer onverschillig en schertsend onderhoud,—gij hebt mij voorheen reeds een dienst bewezen door mijn brief veilig naar Kaçmir te doen overbrengen; zou ik nu nog een tweede van u mogen vergen, maar die, ik zeg het u vooruit, van vrij wat meer beteekenis ook voor uzelf kan zijn?
—Gebied, en ik gehoorzaam!—antwoordde Siddha zonder weifelen;— wat het ook zijn mag wat gij verlangt, wees overtuigd, en gij weet hoezeer 't mij ernst is, ik zal trachten het te volbrengen.
—Voorzigtig, mijn vriend!—hernam Rezia, den wijsvinger schalks omhoog heffend;—gij verbindt u reeds alvorens te weten wat ik u van zou kunnen vergen? Dat komt omdat gij, in uw wezenlijk aanzienlijken rang, en verzekerd van uw benijdenswaardige stelling ten hove, eigenlijk wat laag neerziet op een eenvoudige vrouw zooals ik, en dus meent al heel gemakkelijk eene of andere mijner grillen te kunnen bevredigen. Maar dat kon u toch wel eens tegenvallen.
—Ik zweer u,—was het nog al driftig antwoord,—zoo iets kwam in de verte zelfs niet bij mij op. Nogmaals dan: eisch wat gij wilt, en ik gehoorzaam uw bevel!
—Nu dan,—hervatte Rezia, terwijl zij nog ietwat vertrouwelijker naar de zijde van haar thans wel verklaarden aanbidder neigde,— wat ik te verlangen zou hebben is, wél bezien, eigenlijk evenzeer in uw belang als in het mijne. Gij verbeeldt u alligt dat ik, zoo stil en eenzaam hier levend, niets weet van 't geen er omgaat in de paleizen van Agra en in 's Keizers raad verhandeld wordt. Toevallige betrekking met enkele personen, die goed op de hoogte zijn, stelt mij evenwel in de gelegenheid er iets meer van te weten dan gij waarschijnlijk vermoedt. Iets meer ook misschien dan uzelf bekend is, en u toch in uw eigen belang, althans in dat van uw land en uw geslacht, bekend behoorde te zijn.
—Ik geloof,—sprak Siddha,—dat ik u reeds begrijp. Gij bedoelt zekere plannen die tegen de onafhankelijkheid van Kaçmir gesmeed konden worden, indien de aldaar weer aangevangen binnenlandsche twisten ze soms voor uitvoering vatbaar mogten maken.
—Volkomen juist!—was het antwoord,—maar wat gij toch niet schijnt te weten is, dat diezelfde plannen al vrij wel gerijpt zijn, dat de Keizerlijke legermagt tot den inval gereed wordt gemaakt, en—dat gijzelf met de uwen bestemd zijt om tot hulp te dienen tegen uw land en volk, door middel van uw invloed op de trouw aan u gehechte Radjpoet's en van uw welklinkenden naam in Kaçmir zelf; altijd, wel te verstaan, indien gij blindelings blijft gehoorzamen aan 't geen u door Akbar of van zijnentwege geboden wordt.
—Maar, lieve Rezia!—vroeg Siddha met een flauwe poging om onder schijnbaar luchthartigen toon de onrust te verbergen, die zich van hem meester maakte,—al mogt dat alles nu zoo zijn, wat is het u? En wat kan u bewegen mij daarover in dit oogenblik te onderhouden?
—Mijn wezenlijk eigenbelang, maar tevens ook belangstelling in het uwe, mijn vriend! Ik sprak u vroeger van een vriendin, gelijk gij u zult herinneren, die hier aan zekere vervolging zou zijn blootgesteld. Maar, nu oprecht gesproken, ik misleidde u! Niet die vriendin gold het, maar mijzelve. Die echtgenoot, aan wien een wreed bevel mijns vaders mij eenmaal kluisterde, en wiens tirannie ik verfoei, keert werkelijk spoedig terug. Hem te ontvlugten, vrij te zijn, eenmaal in veiligheid mij te kunnen verbinden met dengene die later welligt de man mijner keuze zijn zal, blijft mijn doel. En om dat te bereiken, zocht ik Kaçmir als toevlugtsoord en knoopte er verbindingen met enkele uwer vrienden aan. Maar wordt nu ook dat land aan Akbar's vér strekkende magt onderworpen, dan ontgaat mij ook weer die mogelijkheid en weet ik niet waarheen voortaan mij te wenden. Spoedig zie ik mij dan weder in de magt van den man, die te beschikken heeft over mijn lot, en—met onze genoegelijke en vrolijke zamenkomsten is het uit mijn vriend! en Rezia heeft opgehouden voor u te bestaan, even als gij—'t werd met een ligte zucht er aan toegevoegd,—ook voor haar!
—Dat niet!—riep Siddha hartstogtelijk uit,—dat zal niet gebeuren! Maar wat wilt gij dan? Wat middel weet gij? Wat eischt ge van mij?
—Anders niet—antwoordde Rezia bedaard,—dan dat ge u niet tot werktuig laat gebruiken tegen uw eigen land, tegen uzelf, tegen mij! Blijf uw dapperen aanvoeren als tot heden, maar leid ze, den beslissenden dag, niet op tegen ons, en weet hen, als het oogenblik zal gekomen zijn, op geschikte wijze te doen overgaan tot diegenen der onzen, voor wie ze steeds bij alle uiterlijk vertoon van trouw en onderdanigheid aan den Keizer, uit den aard van hun stam en oud-adelijke geslachten een geheime neiging hebben. Dan zal een magtige partij in Kaçmir zelf u bijvallen, u steunen door haar invloed, u verheffen tot de hoogste eer; en dan zult gij in 't eind, ook al is dat nu van minder belang, een veilige wijkplaats hebben bereid aan mij arme, die ten allen tijde u dankbaar zal blijven voor de bescherming haar verleend!
—Maar,—stamelde Siddha, bij al die plannen en vooruitzigten nauw meer den draad zijner eigene gedachten vattend,—dat is toch verraad, en verraad van de ergste soort jegens den Keizer, die mij vertrouwt!
—Zeer zeker verraad!—antwoordde Rezia met een minachtenden lach,—de Keizer heeft natuurlijk volkomen regt, u als werktuig te gebruiken tegen uw eigen land en volk, onder den schijn van u gunsten te willen bewijzen; maar gij, gij mist het regt, hem te betalen met gelijke munt! Nu, daarvoor zijt ge dan ook onderdaan, of—slaaf! Doch handel zooals gij verkiest! Uwe betuiging van daar straks, dat gij alles zoudt willen doen wat ik vroeg, blijkt mij nu eene ijdele pligtpleging te zijn geweest, zooals men die wel eens meer jegens onnoozele vrouwen uit. Maar genoeg! En laat ons onderhoud thans liever geëindigd zijn; niet omdat mij dat aangenaam ware, maar omdat ik beter vind, op eens met kloek besluit van elkaar te scheiden dan onze kennismaking nog verder voort te zetten, en ze dan morgen of een dag later toch onvermijdelijk en tegen onzen wil te zien afgebroken.
—Nog eens,—sprak Siddha, terwijl Rezia als gebogen onder haar smart zich van hem afwendde,—dat nooit, dat in geen geval! En ik loog ook niet al aarzelde ik straks een oogenblik, toen ik zeide te willen doen wat gij zoudt eischen. Ik herhaal het: Gebied, en ik gehoorzaam!
—Uw woord!
—Mijn woord als edelman! Doch waarom het nog verlangd? Gij weet immers dat ik niet anders kan, dat ik toch doen zou wat gij maar eischen mogt. En waarom ook verder nog verzwegen wat u al lang bekend is? Laat mij dan vrij het betuigen, laat mij 't eindelijk zeggen, dat gij mij dierbaar zijt boven alles, dierbaar boven het leven en zelfs boven de eer, en dat ik met een hartstogt u bemin zooals ik tot nu toe nooit mogelijk of ook maar denkbaar had geacht! Ik meende te weten wat liefde was, maar 't was een kinderlijke genegenheid die ik er voor aanzag. Gij hebt mij anders geleerd. Maar leer mij meer nog! Leer mij, wat het zegt, eene liefde als de mijne te zien beantwoord! Geen slaaf kan onderdaniger aan zijn meester zich toonen dan ik het zijn wil jegens u; nooit de slaaf van Akbar of van wien ook, zooals gij meendet, maar wel de uwe! Al wat ik heb en ooit nog verwerven mogt, rijkdom, aanzien, rang, behoort u alleen, en de magt die gij over mij bezit kunt gij gebruiken en misbruiken naar welgevallen. Maar wees de mijne, Rezia! de mijne zoolang ons te leven rest!
—Neen, Siddha!—sprak zij zacht, terwijl zij de hand afweerde waarmee hij de hare zocht te vatten,—neen! mij voegt het niet, zulke taal van u aan te hooren, noch u, ze tot mij te uiten. Bedenk het, ik ben nog niet vrij, en ook gijzelf niet; want andere banden, gij verhaaldet 't mij zelf, houden u gevangen.
—Andere banden!—riep Siddha driftig uit,—ik verbreek ze! Of liever, ik heb ze al lang verbroken! En kon ik dat niet, ik zou den dag vloeken, waarop ze mij werden aangelegd. En gij! moogt ge ook heden niet vrij zijn, ik ben het die 't weldra u maken zal! Naar Kaçmir trekken wij heen, naar het afgelegene maar schoone Noorden, waar Siddha Rama's naam, gelijk gij wél zegt, nog invloed heeft, en waar niemand ligt zou wagen, die gehate echtgenoot zoo min als een ander, haar te beleedigen, die nu eenmaal mijn bescherming geniet.
—En zou die bescherming ook voldoende zijn tegen een Akbar en zijn gunstelingen?—vroeg Rezia.
—Tegen hem en de zijnen, wie ook, als tegen alle anderen!—was het overmoedig antwoord;—ook tegen hemzelf zullen wij Kaçmir weten vrij te vechten, al ware 't alleen om het tot een wijkplaats te behouden voor u en voor mij.
—Toch mag ik u niet blijven aanhooren,—hernam Rezia;—in waarheid, het is mij leed dat gij tot mij gesproken hebt als dezen avond. Gij hadt mij en uzelf dit alles moeten sparen. Dan had onze vriendschappelijke omgang mogelijk nog kunnen voortduren, en later misschien tot eene andere verbindtenis kunnen leiden. Thans moet alles ophouden, zoozeer mij dat ook bedroeft. Ga nu, zeg mij vaarwel en vergeet mij; het is beter voor u, en…ook voor mij, die gij zegt lief te hebben!
Inderdaad!—sprak Siddha, terwijl hij opstond en, 't hoofd op de borst gezonken, eenige passen terugtrad,—een spoedige scheiding zal nog wel het verstandigste zijn. Ik zie het maar al te goed; mijn liefde wordt versmaad. Wat dan nog langer hier te toeven? 't Is waar, zonder u is er voor mij geen leven, geen geluk meer denkbaar; en toch, de voortdurende marteling, u telkens te moeten zien en van dag tot dag inniger lief te hebben, en dan te weten dat gij dien gehaten, dien gevloekten vreemde blijft toebehooren, is mij onduldbaar. Nieuwe onlusten nu zijn er, naar ik verneem, in het Zuiden, in Dekkan, uitgebroken en de Keizer roept derwaarts verscheiden zijner legerbenden; ik wil hem smeeken, mij daarheen te zenden, en in den strijd met wilde bergstammen vind ik spoedig, zoo niet vergetelheid, want die is onmogelijk, dan toch een tijdigen, nu wel gewenschten dood.
—Ach, Siddha!—klonk het droef klagend en in den zoetsten toon der liefelijke welluidende stem,—ach! waartoe nu een hevigheid zooals ik ze nog nooit van u ondervond? Waartoe, indien een zwakke vrouw, die maar al te zeer de moeijelijkheid van den strijd tegen haarzelve en haar eigen hartstogt ondervindt, nog een oogenblik de kracht zoekt te behouden om uw aandrang te weerstaan? Het is zoo, gelijk gij zegt: het ware beter mij te verlaten. En toch … ik kan u nog niet laten gaan! Blijf al is 't maar een korte poos; zet u nog eenmaal aan mijne zijde, en verheugen wij ons, al ware 't ook voor het laatst, nog eenige oogenblikken in die meer rustige, door onbedwongen hartstogt niet verstoorde gesprekken, waarin ook gij toch als ik te voren zooveel genoegen vondt.
En eer Siddha tot bewustzijn van zijn handeling kwam was hij nogmaals nevens de vrouw gezeten, die heel zijn verstand en zinnen had vermeesterd; en, op haar verlangen de luit grijpend, die daar nevens hem lag, begon hij te zoeken in zijn herinnering naar een der liederen van zijn land, om wier voordragt zij met hare gewone innemendheid hem gebeden had.
Maar of hij al zocht, en soms aanving en dan weer ophield, om straks op nieuw te beginnen en nogmaals te blijven steken, zijn geheugen faalde, en mismoedig legde hij de nuttelooze luit ter zijde.
—Ik weet niets meer,—zeide hij,—ik kan mij niets meer herinneren, ik denk niet meer!…
—Hoe nu, mijn zanger!—sprak Rezia lagchend,—moet ik het dan zijn, die u voorga? Welaan! Maar drinken wij eerst elkander toe!—En een der drinkschalen opvattend, deed zij Siddha ook de zijne ledigen en begon toen met zachte, smeltende stem een zoetvloeiend Perzisch minnelied, dat ook spoedig genoeg zijne verbeelding weer te verlevendigen wist.
—Nu dan!—riep hij weer opgewonden uit toen Rezia had geëindigd, en beschreef, naar Kalidasa's Jaargetijden, de ontvangst van den minnaar door de, voor hem bij den terugkeer van den zomer getooide bruid:
"In 't loofpriëel, van bloemengeur doortrokken,Drinkt hij den wijn, ligt door haar mond beroerd;Een lieflijk lied weet Kama hem te ontlokken,Door teedre min tot dartel spel vervoerd.
De boezem rijk met parelen omwonden,Het zijden kleed om slanke heup geplooid,De lokken los met bloemen opgebonden,Ontvangt zij hem, als bruid voor hem getooid.
Wie voelt zich niet van blijden lust doordringenWaar, ligt van tred, als zwanengang, een voetDoor zachten klank der rinkelende ringenAan d' enkel steeds, rooskleurig, denken doet?
Waar 't geel saffraan den glans verhoogt der lokken,En gouden gordel slanke leest omsnoert,En luchtig gaas, van sandelgeur doortrokken,Den boezem dekt, dien minnelust ontroert?
Weg dan 't gewaad, dat te eng die slanke leden,Met ligte dauw bepareld, nog omhult!Het nijdig kleed, dat, halfweg afgegleden,Des jonglings hart met wangunst nog vervult!…
Zoo wekt de wind, die in de blaadren fluistert,En rimplend 't meer en 't murmlend beekjen kust,Zoo wekt ook 't lied, dat 's dichters oor beluistert,Den God der Liefde uit lange winterrust…"
De zanger zweeg, en zij die hem aanhoorde, en zich al digter en digter aan zijne zijde had gevleid, sprak niet, maar zag naar hem op met hare betooverende oogen, stralend ditmaal van een ongewonen gloed. Toen vatte hij eensklaps hare beide handen, en trok haar tot zich met thans bijkans onweerstaanbare kracht.
—Rezia! sprak hij,—Rezia! wees mij Kalidasa's bruid!… Voor nu en voor altijd mijn!
En zacht fluisterde zij Siddha's naam, en hare armen om zijn hals slaande, zonk zij magteloos aan zijne borst….
Meer dan eens sloop sinds dien avond, in 't late van den, liefst donkeren, nacht eene mannelijke gestalte langs de cactuslaan, die tot de woning der Armenische leidde, en spoedde zich, bedachtzaam rondziende, voort…. De lotusbloem van Iravati was gekanteld met het ranke vaartuig waarop hij zich bevond; een zoele windvlaag had het omgeworpen.
Een verzoeker
Nogmaals was de jeugdige kasteleinesse van Allahabad aan het balkon van den burgt gezeten, en zag uit naar de verre gebergten, vanwaar, nu geruimen tijd reeds geleden, de toen lang verbeide gekomen was. In het landschap daar omlaag had niets zich veranderd sinds dien tijd; dezelfde kalme, zilveren wateren en bosschaadjen daar beneden, en bergtoppen aan den verren overkant; en dezelfde onbewolkte zonneschijn, die toen het landschap had verlicht. Of ook in hem niets veranderd mogt zijn, die nu zeker een ijverig deel nam aan de verstrooijingen van het hof en de velerlei vermaken der groote stad? Of hij nog steeds aan haar dacht, en dagelijks hare beeldtenis bezag, gelijk zij de zijne? De twijfel, soms haars ondanks bij haar oprijzend, scheen Iravati niettemin bij eenig nadenken eene beleediging jegens den man, dien zij niet minder hoogachtte dan lief had en die nog bij zijn laatste bezoek op zoo innige en tevens plegtige wijze zijn woord van trouw aan haar verpandde en in zijne brieven ook daarna zijne gelofte nog had herhaald. Maar deze hadden sinds eenigen tijd opgehouden. En waarom keerde hij niet spoedig eens weder, al was 't dan vooreerst maar tijdelijk? Kon hij zoolang van haar gescheiden blijven zonder gelegenheid te zoeken, ware 't slechts voor een enkelen dag haar weer te zien? Ongetwijfeld hield strenge dienstpligt hem terug, en kon hem zoo aanstonds geen verlof worden gegeven tot eene afwezigheid. Maar wat de tijd inmiddels lang viel, wat de uren en dagen schenen voort te kruipen voor haar die eenzaam hier wachten moest!
Als dien anderen morgen werd zij in hare mijmering ook weder gestoord door de verschijning van haar vader, den Goeverneur.
—Iravati!—sprak deze op den gewonen afgemeten toon, dien hij waar hem dat paste wist aan te slaan,—een gast brengt ons heden bezoek ….
Hij was dan gekomen! hij wachtte ginds! En in zichzelve juichte de ongeduldige, schoon zij uiterlijk het niet blijken liet.
—Een gast,—vervolgde Salhana,—dien het u zeker even aangenaam als vereerend zal zijn te ontmoeten. Het is Selim, de Kroonprins, die op verlangen zijns vaders eenigen tijd in Allahabad komt vertoeven.
Niet dan met de grootste inspanning wist Iravati hare bittere teleurstelling te verbergen; maar iets te antwoorden scheen haar onmogelijk.
—Welnu?—vroeg Salhana,—is het berigt u niet welkom? Daar is er menigeen, die heel wat zou geven om de eer te mogen genieten die u wacht. Voor 't overige begeer ik natuurlijk niet dat iemand van 's Prinsen gevolg u zien zal; maar met den aanstaanden Keizer is het heel iets anders. Ook kan het voor mij en ook voor Siddha van belang zijn, indien gij u zijne gunst weet te verwerven. Volg mij nu!
Toen Iravati met haar vader de galerij binnentrad waar op dat oogenblik Selim zich alleen bevond, ging deze haar een paar schreden te gemoet en wilde haar op zijne gewone luchthartige schoon hoffelijke wijze toespreken; doch eensklaps begaf hem al zijne vrijmoedigheid, en zwijgend bleef hij staan. Eene zoo edele houding aan zooveel bescheidenheid tevens gepaard, eene zoo ernstige schoonheid bij zoo innemende en lieftallige uitdrukking van gelaat, herinnerde hij zich niet bij eenige vrouw nog ooit te hebben aanschouwd. En tegen zijne gewoonte wachtte hij met zijne begroeting tot Salhana vormelijk zijne dochter aan hem had voorgesteld.
—Ik ben u verpligt, edele jonkvrouw!—sprak hij toen,—dat gij u de moeite getroost, mij als gast te komen begroeten. Ik heb reeds meer dan eens van u gehoord, en…,—eene beleefdheidsphrase die hem op de lippen zweefde, scheen hem te laf en te onbeduidend dan dat ze niet moest blijven steken,—en…,—vervolgde hij, voor 't oogenblik niets anders vindend,—het is mij aangenaam thans persoonlijk uwe kennis te mogen maken.
—De eer, mij en mijn vader door Uwe Hoogheid bewezen, stel ik bijzonder op prijs!—antwoordde Iravati;—en ik wil hopen dat het stil verblijf in Allahabad u niet te zeer moge tegenvallen in vergelijking met het leven der hofstad, dat aan afwisseling zeker wel heel wat rijker zal zijn.
—Indien—sprak Selim,—de edele dochter van den Goeverneur mij nu en dan het genoegen van haar bijzijn gunt, dan ben ik voorzeker niet bevreesd dat het verblijf mij lang zal vallen. Maar ik hoor u van de residentie spreken; gij kent die toch, wil ik hopen?
—Ik ben nog nooit in Agra geweest?—luidde het antwoord.
—Niet?—vroeg Selim;—maar, waardige Salhana!—vervolgde hij,— het wordt dan toch waarlijk tijd dat ge uw rijkbegaafde dochter eens wat meer van de wereld laat zien dan hier in dezen afgelegen burgt haar vertoond kan worden!
—Die tijd,—antwoordde de Goeverneur,—zal gekomen zijn als mijne dochter zich eenmaal ouder de hoede van haar aanstaanden echtgenoot, mijn toekomstigen, nog onlangs door Uwe Hoogheid met zooveel welwillendheid ontvangen schoonzoon, zal bevinden.
Waarom die herinnering den Prins niet bijzonder welkom scheen, viel bezwaarlijk te ontdekken; maar in elk geval zweeg hij onmiddelijk, terwijl zijn donkere wenkbrauwen zich fronsten; en een oogenblik daarna bragt hij 't gesprek op andere onderwerpen over. Een tijdlang werd het nog voortgezet, en daarop vroeg Salhana voor zijne dochter verlof zich naar hare vertrekken terug te begeven. Met een eerbiedige neiging verwijderde zich Iravati, weltevrede dat het weinig vermakelijk onderhoud was afgeloopen, en geen anderen indruk van den zoon des Keizers medenemend dan dat hij verbazend prachtig was gekleed, schoon op dat oogenblik Selim's kostuum voor hemzelf nog niets anders dan een eenvoudig reisgewaad vertegenwoordigde.
Eenige oogenblikken later was Selim met den Goeverneur en nog een derden persoon in een der tegen alle indringers en luisteraars wel verzekerde vertrekken van den burgt gezeten, blijkbaar om te beraadslagen over belangrijker vragen dan die, hoe men 't best in Allahabad zich den tijd zou korten. Die derde was Gorakh, de Doerga-priester.
—Het doel waarnaar wij streven, mijne vrienden!—dus begon de Prins,— schijnt weldra door ons genaderd. Doch laat ons voorzigtig zijn vóór alles! En niet onverstandig doen wij, naar 't mij voorkomt, als wij thans aanvangen met den stand onzer plannen te overzien, om dan te onderzoeken wat er nog tot verdere voorbereiding dient beraamd te worden. Gij nu, Salhana! zijt, geloof ik, daarvan nog 't best van ons drieën op de hoogte. Wat mij betreft, ge weet dat men aan 't hof het een en ander is gaan vermoeden, en van daar de wensch, dat wil dan zeggen het bevel mijns vaders om mij hierheen te begeven. Wie mij dat bezorgd heeft, weet ik heel wel; 't is weer die Aboel Fazl, vloeke hem Allah! Maar ik hoop 't hem bij gelegenheid wel eens betaald te zetten. En nu gij, Salhana!
—Tot heden,—begon deze,—kan ik niet anders zien of alles gaat naar wensch. In Agra, Delhi, Lahore en andere plaatsen zijn de echt Mohammedaansche Omrah's en de verdere grooten ten hevigste tegen den Keizer verbitterd, om de verachting waaraan hij nu al lang hunne godsdienst blootstelt en het verlies der voorregten welke hij hun ontnomen heeft. Zij zullen niets liever zien dan een omwentellng bij de eerste gelegenheid de beste, en velen zijn volkomen bereid daaraan mee te werken. Evenzoo meer dan één der hoogere Mansabdar's. Abdal Kadir helpt ons in dat alles niet weinig, maar al te zeer moet er toch niet op hem gebouwd worden; hij zou wel openlijk willen te werk gaan, 't geen natuurlijk een dwaasheid ware; maar hij heeft telkens weer bezwaren tegen 't geen hij verraad noemt.
—En uw neef?—vroeg Selim.
—Die komt geheel op onze zijde; hoe we dat nu gedaan hebben gekregen, doet niet ter zake; genoeg dat het zoo is. Ik had hem eerst als onzen spion bij Akbar willen gebruiken; maar 't is mij gebleken dat hij er niet voor deugt; hij is te onnoozel en te veel in de begrippen van dien Koelloeka opgevoed om de rol behoorlijk te spelen; en daarenboven pakt Akbar hem ook telkens op zijne bekende manier weer in, als hij hem soms ontmoet; 't is dus maar beter dat hij den Keizer niet al te dikwijls ziet. Daarentegen zal hij ons geheel andere en nog betere diensten kunnen bewijzen. Nog onlangs werd hij in rang als Mansabdar verhoogd, en spoedig heeft hij kans op nieuwe bevordering, zoodat hij tegen den bepaalden tijd een vrij belangrijk getal ruiters zal aanvoeren; over zijne Radjpoet's heeft hij ook persoonlijk veel te zeggen, en in Kaçmir heeft zijn naam grooten invloed. Wanneer wij dus het beraamde plan uitvoeren dan wordt ons zijn medewerking van niet gering nut. Op het gegeven oogenblik laat hij de zijnen omkeeren en zich tegen de Keizerlijken wenden, en geen twijfel of dat voorbeeld zal door de meerderheid der Radjpoet's en Patan's wel worden gevolgd.
—Maar nu het plan zelf, wat Kaçmir betreft?—vroeg Selim wederom.
—Wel, mij dunkt,—antwoordde Salhana,—dat het niet beter kon staan dan thans. De binnenlandsche twisten zijn, meerendeels door ons toedoen, tot een uiterste gekomen; de partijen staan gewapend tegenover elkander; de stroopers loopen het land af, en, wat hier wel 't belangrijkste is, ook Akbar's naburig gelegen rijken; zij geven hem dus de aanleiding aan de hand om met zijn leger naar het Noorden op te trekken, en tot herstel en blijvende verzekering der rust de verovering van Kaçmir te beproeven. Zijn legermagt staat dan ook al gereed; en, bedrieg ik mij niet, dan is zijn voornemen, na de aanstaande jaarlijksche viering van zijn geboortedag den togt te gaan ondernemen. Is nu eenmaal de strijd aan den gang, dan valt onze Siddha even als andere aanvoerders hem plotseling af, vereenigt zich met de onzen in het leger van Kaçmir en houdt Akbar genoeg bezig om hem vooreerst den terugtogt te beletten. Inmiddels hebben de onzen in Agra zelf de handen vrij, roepen Selim tot Keizer uit, en stellen zich in 't bezit van de vesting en de schatkist. Zoo dan Akbar ten laatste nog terugkeert, dan valt er misschien nog wat te vechten met zijne troepen, schoon ik 't niet onderstel; maar 't eind van de zaak moet toch zijn, dat hij ten gunste van den Kroonprins afstand doet van den troon.
—Alles,—sprak Selim,—volkomen goed berekend, en geheel overeenkomstig ons oorspronkelijk, en thans, naar ik met genoegen zie, meer tot rijpheid gekomen plan! Maar eene vraag toch! Bestaat er geen gevaar dat er iets van uitlekt? Is alles wel steeds voorzigtig aangelegd? Zoo bijvoorbeeld die brief, die naar Kaçmir verzonden zou worden; indien hij eens in verkeerde handen was geraakt?
—De brief—antwoordde Salhana,—is volkomen goed aan zijne bestemming teregtgekomen. Maar weet gij, wie hem meenam? Niemand anders dan onze vriend Koelloeka zelf.
—Wat?—riep Selim uit,—Koelloeka! Welk onvergeeflijk waagstuk!
—In 't minst niet,—hernam de ander bedaard;—het was juist de allerveiligste weg. De goede man wist zelf niet wat hij overbragt; het stuk was hem door Siddha ter hand gesteld, die ook niet wist wat er in stond; en in 't uiterste geval, indien hij bij de overbrenging betrapt ware geweest, hijzelf zou er 't ergste zijn ingeloopen zonder daarom nog eenige inlichting te kunnen geven; en wij, die natuurlijk in het stuk niet bij name genoemd werden, bleven toch buiten schot.
—Heel goed gevonden!—sprak Selim goedkeurend en hartelijk lagchend;—maar thans verder! Wij zijn u voorloopig dankbaar voor uwe mededeelingen, Salhana! Maar nu onze eerwaarde Gorakh! Heeft ook hij ons niet iets nieuws te vertellen?
—Ik geloof wel van ja!—antwoordde de Yogi, die tot dusver stilzwijgend had toegeluisterd;—althans ik heb van mijn kant ook niet stil gezeten. Zooals ik u vroeger reeds voorzegde, maar u toen nog onwaarschijnlijk voorkwam, heb ik mij den weg gebaand tot het paleis niet alleen, maar ook tot de binnenvertrekken van den Keizer. Gij weet, welke moeite hij zich geeft om alle stelsels van godsdienst en wijsbegeerte te leeren kennen, die maar eenigermate onder zijn bereik vallen. En zoo wilde hij dan ook volstrekt kennis maken met die aloude Yoga-leer, waarvan hij veel gehoord, maar weinig of niets naders vernomen had. Want hier schoot niet enkel Feizi's, maar ook Koelloeka's geleerdheid, als die der overige Brahmanen, wier hulp werd ingeroepen, te kort, en de weinige ingewijden, die er nog in Hindostan te vinden zijn, wisten zij hem niet aan te wijzen. Nu zorgde ik, door sommige vertrouwden hem 't een en ander omtrent mijne kennis van de Yoga-geheimen te laten verluiden; en niet lang of ik werd ten hove ontboden, en Akbar ontving heimelijk van mij eenige eerste aanduidingen omtrent de leer der concentratie, waardoor de sterveling zich al meer en meer in onmiddelijke betrekking tot het oneindig Alwezen weet te stellen, en, zijn denken en zijn in dat van het absolute oplossend, ook het oneindig bestaan deelachtig wordt, zoodat hij 't vermogen erlangt, zich naar willekeur tot op de verste afstanden te verplaatsen schijnbaar zonder de plek te verlaten waar hij zich bevindt, de grootste zoowel als de kleinste vormen aan te nemen en zich onzigtbaar of ook ligter te maken dan de lucht. Om nu ook kracht aan de zaak bij te zetten en 't niet bij verzekeringen te laten, bragt ik eens een mijner lieden mede, die bijzonder ver is in allerlei toeren, en deed hem een kunst verrigten, waarover de Keizer, niet zonder reden trouwens, verbaasd stond. De man zette zich op een lagen houten steel, waaraan een bamboe met een haak als van een wandelstok was bevestigd, liet toen een wit laken vóór zich uitspreiden zoodat men hem niet zien kon, en toen nu het laken werd weggetrokken, zat hij letterlijk in de lucht, een paar voet boven den stoel en enkel steunend met de eene, uitgestrekte hand op den haak van den bamboe. Een heel merkwaardige kunst, die ik u bij gelegenheid wel eens zal laten zien, als wij eens tijd hebben. Maar genoeg! Akbar was niet alleen verwonderd, maar ook hoe langer hoe meer begeerig, in onze geheimen te worden ingewijd. En hij is dat nog. Gij begrijpt dat ik mij wel wachtte, hem iets meer te vertellen dan noodig was om telkens sterker zijn nieuwsgierigheid te wekken; en zoo komt het, dat ik nu altijd gelegenheid heb om bij hem, die niets liever wenscht, te worden toegelaten. Ik maak er een spaarzaam gebruik van, maar, dat wil ik wél verzekeren, een goed! Met de mijnen neem ik behoorlijk steeds alles op wat voor ons en onze zaak van eenig belang kan zijn; en Akbar's paleizen en eigen geheime vertrekken zijn op die wijze met lieden vervuld, die alles uitvorschen wat er omgaat, terwijl hijzelf in hen niets anders dan volgelingen van een godsdienstig dweeper en asceet vermoedt. Vandaar ook dat ik u, Selim! en ook onzen vriend Salhana reeds omtrent menige zaak kon onderrigten, die anders niet zoo gemakkelijk door u ontdekt had kunnen zijn. Over Kaçmir straks nader!
—Inderdaad!—sprak Selim, toen de Yogi zweeg,—wij moeten erkennen, dat gij een knap toovenaar zijt. Maar zeg mij nu eens ronduit, ten minste als zoo iets met uwe gewoonten is overeen te brengen, wat verlangt gij eigenlijk als belooning voor de diensten welke gij ons bewijst? Salhana, wij weten het, wenscht eenmaal, als ons gezag bevestigd zal zijn, tot Onderkoning van Kaçmir te worden verheven; en dat billijk verlangen zal, gelijk hem bekend is, als alles wel gaat ook bevredigd worden. Niets om niets! zeg ik met hem. Maar gij nu! wat wilt gij van ons? Ik acht het nuttig, dat te vernemen opdat wij vooraf behoorlijk onze voorwaarden kunnen stellen.
—Grootmagtig Vorst!… vergun mij reeds bij voorbaat u zoo te noemen!…, antwoordde Gorakh,—van u verlang ik… eenvoudig niets! Dat verbaast u, niet waar? Welnu, ik wil trachten 't u duidelijk te maken. Wat verlangt gij, vraag ik van mijn kant, voor uzelven? Gij hebt reeds, zou men meenen, al wat het hart begeeren kan. Gij hebt schatten, paleizen, schoone vrouwen die u te dienste staan, vrolijke gastvrienden, de heerlijkste wijnen, en na den Keizer zijt gij de eerste man van dit magtig en bloeijend rijk, met de zekerheid zelf eenmaal de alleenheerscher te zijn. Toch zwoegt gij bijkans zonder pozen, en roept onze hulp en die van anderen, uwe minderen, in ter verwezenlijking van duistere, moeijelijke en ook gevaarvolle plannen. Waarom? Omdat gij heerschen wilt en niet kunt wachten tot de dood van uw vader den troon voor u beschikbaar stelt. Zie nu! wat gij wilt voor uzelven, dat verlang ik ook voor mij: te heerschen! En terwijl gij tot heden nog zoo goed als niets te gebieden hebt, doe ik het al lang, schoon ik nog altijd blijf streven naar steeds uitgebreider magt. Ik, de arme, onbekende, door velen verachte priester, ik bezit een gezag zooals gij in al uwe grootheid het niet kunt magtig worden. Honderden, waarvan ieder in zekere omstandigheden een leger waard zou zijn voor de grooten der aarde, gehoorzamen onvoorwaardelijk en zonder navraag, zonder aarzeling, zonder vrees tot den geringste mijner wenken. En door welke magt zijn ze aan mij onderwerpen? Door die waartegen niets bestand is, en waardoor de rede wordt uitgedoofd, en de wil verlamd, totdat de mensch een levend en wandelend lijk wordt: de magt van het godsdienstig fanatisme. Eén vingerwijzing van mij naar wie ik maar wil, naar u of naar een ander, is genoeg om een of meer der hunnen te doen begrijpen, welk nieuw offer aan de nooit verzadigde Doerga het meest welkom zal zijn; en te meer welkom is haar dat van den hooger gestelde onder de menschen. Laat nu ook de aangewezene zelf vooraf zijn gewaarschuwd, laat hij voorzorgen nemen zooveel hij wil, en zich omringen met dienaren en wachten, toch ontkomt hij nauw anders dan door een wonder het voorbeschikte lot. Overal in zijne nabijheid en onmiddelijke omgeving zwerven onder allerlei vermomming mijne getrouwen om hem heen; en als het regte oogenblik gekomen is, dan, in de stilte meest van den nacht, voelt hij eensklaps zonder vooraf eenig geluid of geridsel vernomen te hebben, het worgkoord om den hals, en eer hij een kreet of zucht heeft kunnen slaken is de lange reeks der offeranden vermeerderd met een nieuw. 't Is waar, een enkele keer, schoon zelden, vindt de indringer zich betrapt, maar de aangevallene die hem grijpt en tracht vast te houden, voelt een glad ligchaam, als van een slang, door zijn handen glijden, en even snel en onhoorbaar als het kwam, is het aanstonds weer verdwenen. En in 't uiterste geval, als een mijner Worgers dan toch werkelijk gevat wordt, welnu, dan kan men hem dooden en dan sterft hij met de onwrikbare overtuiging, terstond de oneindige zaligheid deelachtig te worden; maar dan staan er ook weer honderd anderen gereed aan wie op nieuw de proef kan worden bevolen, en wél vreemd zoo die vroeg of laat niet gelukken mogt.
De Yogi zweeg een oogenblik, maar geen zijner beide toehoorders nam het woord. Salhana, met de medegedeelde bijzonderheden reeds wel bekend, had vrij onverschillig toegeluisterd en vond geen reden er iets aan toe te voegen. Maar Selim was onder de beschrijving van den priester verbleekt, schoon 't hem anders niet aan persoonlijken moed ontbrak, en peinzend bleef hij vóór zich staren.
—Zóó dan—hervatte Gorakh,—heersch ook ik, doch op mijne wijze. Die mij tegenstaan ruim ik onbemerkt door anderen uit den weg; en zij die mijne magt kennen, vreezen mij en doen gemeenlijk in 't eind, ze mogen hoog of laag geplaatst zijn, wat ik van hen begeer. En meent gij dan dat deze wijze van magtsoefening niet evengoed als de uwe hare behagelijkheid kan hebben? Of zou het geen vleijend en trotsch gevoel zijn, door de menschen zich geminacht en vernederd te zien, maar tevens te weten dat men over hen, over hunne handelingen, over hun leven en dood naar willekeur te beschikken heeft? En ik ben niet de eenige, die er zoo over denkt. Ik weet het, daar zijn er ook anderen en ook in gansch andere en vér van hier gelegen landen, die eveneens in stilte en in het duister trachten te heerschen over hen, die het hoogste gebied voeren in 't oog der wereld. Meer dan eens heb ik in Agra en elders onder eene behoorlijke vermomming met die mannen gesproken, die hier uit het verre Westen komen om volgelingen te winnen voor hunne leer, en, onder den schijn van een gewillig oor te leenen aan hunne prediking, hen langzamerhand uitgehoord. En uit hun mededeelingen en die hunner landgenooten, onder anderen ook omtrent de inrigting en werking der Orde waartoe zij behooren, heb ik ontdekt, dat zij of althans hunne opperhoofden een gelijk doel najagen als ik en mijns gelijken, al zoeken zij langs anderen weg het te bereiken. Hunne middelen, zeg ik, zijn andere, hoewel daarom nog niet altijd zachtzinniger dan de onze; wij hier laten de menschen worgen, zij ginds laten ze levend verbranden; maar het doel blijft in elk geval hetzelfde. En ook zij worden in hun eigen streken dikwijls weinig opgemerkt en weinig geteld, menigmaal ook bestreden en vervolgd, en toch weten ook zij in naam van het zoogezegd geloof te gebieden over wereldlijke magthebbers niet alleen, maar zelfs over het geestelijk Opperhoofd hunner eigene kerk, terwijl zij veinzen met onvoorwaardelijke onderworpenheid zijne bevelen te gehoorzamen! Zoo ziet gij dan, hoe vreemd het eerst u ook scheen, dat het wezen en het genot der magt nog geenszins voor allen, zooals voor u, in het uitwendig vertoon en in de openlijke erkenning door anderen behoeft gelegen te zijn.
Nog bleef Selim zwijgen, nadat Gorakh geëindigd had. Maar de blik, welken hij dezen toewierp, zeide meer dan woorden.
De priester lachte.—Ik begrijp zeer goed,—sprak hij langzaam,— welke gedachten op dit oogenblik uwe Hoogheid bezig houden. Een bondgenoot als ik kon wel eens een gevaarlijke worden, en zoo mogt het dan de vraag zijn of 't niet maar zaak ware, zich terstond van hem te ontslaan. Maar ik ben immers niet onnoozel genoeg om mij in 't hol van den tijger te wagen, als ik niet zeker was er veilig weer uit te komen. Mijne getrouwen nu wachten mij ginds in den tempel op den berg; keer ik vóór morgen er niet terug, dan weten ze ook, wien de Godin als zoenoffer voor den dood van haar gewijden priester heeft aangewezen.
—Nu, dat is met uwe gewone omzigtigheid gehandeld,—sprak thans Selim;—maar, waarde Gorakh! uw voorzorg was toch inderdaad overbodig. Wij hebben uwe hulp wezenlijk in menig geval van noode, en zonder reden zou ik mij daarvan toch zelf niet gaan versteken. Maar we zijn, geloof ik, een weinig afgedwaald van 't eigenlijk onderwerp onzer beraadslaging. En omtrent ééne zaak nu ben ik niet volkomen gerust. Wat staat ons, Salhana! van uw broeder, den Minister in Kaçmir, te wachten? Zal hij onze zijde kiezen, of, zoo niet, kan hij ons wezenlijk nadeel toebrengen?
—Het laatste vrees ik maar al te zeer,—antwoordde de Goeverneur,—hij zal de zijde van den tegenwoordigen Koning niet verlaten, en zoo deze ten onder wordt gebragt, zich veel liever nog tot Akbar keeren dan tot de onzen, van wien hij niet dan onheil voor het land en het volk voorziet.
—Laat hem in dat geval aan mij over!—zei Gorakh.
—Wat bedoelt gij?
—Vraag toch niet langer! Ik zeg u: laat hem aan mij, en hij zal u niet lang in den weg staan. Maar er is nog een ander punt en van veel meer gewigt. Ik heb alle reden om te vermoeden dat een zeker, in Kaçmir bijzonder beteekenend persoon, dien wij allen lang dood waanden, maar die, als hij 't eens niet was in zijn land terugkeerde, al onze plannen in duigen kon doen vallen, inderdaad nog tot de levenden behoort.
—Wie, wat?—vroeg Salhana in de uiterste ongerustheid,—gij meent toch niet….
—Ik meen juist dengene, dien gij onderstelt. Ik bedoelNandigoepta.
—Nandigoepta! Maar dat kan immers niet zijn!
—En waarom niet? Hebben wij ooit eenige zekerheid gehad omtrent zijn dood? In 't minste niet. Wij weten dat hij plotseling verdween en dat er niets meer van hem vernomen werd, ziedaar alles. En nu ben ik voor eenigen tijd tot de ontdekking gekomen, dat er in het Himâlaya-gebergte, in de nabijheid van den Bhadrinâth, een kluizenaar woont, die, wat uiterlijk voorkomen betreft, bijzonder op den vroegeren Koning gelijken moet, en wien, let wel! Koelloeka met Siddha Rama op zijn reis herwaarts een bezoek heeft gebragt.
—Dat ziet er inderdaad heel bedenkelijk uit!—zei nu ook Selim.
—Ik heb inmiddels—hervatte Gorakh,—enkelen der mijnen op de zaak afgezonden, zij zullen wel alles nasporen wat ons tot de ontdekking der waarheid kan leiden; en, blijft mijn vermoeden juist, dan,—en hier maakte de Yogi zeker teeken, dat zijn beide toehoorders maar al te goed begrepen,—dan wijst hem Doerga gewis als een dergenen aan, die haar welkom zouden zijn. Doch 't zal nu mijn tijd worden om naar mijn getrouwen terug te keeren. Uwe Hoogheid zal mij dus zeker wel willen veroorlooven mij te verwijderen?
Selim knikte toestemmend, hoewel hij misschien wel gewenscht zou hebben, dat de priester nooit meer een voet buiten 't kasteel mogt hebben gezet. En voorloopig ging het drietal uiteen.
Avond aan avond vernam na dien eersten dag Iravati, wanneer zij eenzaam in de lanen van het park doolde, het feestgedruisch, dat uit de hooge en bij die gelegenheden hel verlichte zalen van den burgt weerklonk. Daar vermaakte zich de aanstaande Keizer van Hindostan met zijn gastvrienden en danseressen, en trachtte zich op die wijze schadeloos te stellen voor de verveling van den dag en voor een wijl de zorgen te vergeten, waarmede zijn eigen eerzucht hem beladen had. En de getrouwe Nipoenika, die menigmaal, in hare nederige betrekking weinig of niet opgemerkt en tusschen de overige bedienden zich inmengend, het een en ander van die festijnen zag, kwam dan niet zelden ook aan hare meesteresse bijzonderheden daaromtrent meedeelen, die der reine en van zulke dingen nog onkundige jonkvrouw het bloed naar de wangen deden stijgen en het stilzwijgen opleggen aan hare dienares. Of ook Siddha wel eens daar in Agra deelnam aan feestelijkheden van dien aard? En die Selim, de toekomstige beheerscher van een wereldrijk en eenmaal de nagenoeg onbeperkte gebieder over het lot zooveler volken! Hoe laag hij niet scheen gezonken, ondanks het hooge standpunt, waarop de fortuin hem had geplaatst!
En toch vond Iravati geen reden om den Prins te minachten wanneer zij bij wijlen, gelijk nog al dikwijls gebeurde, 't zij dan met haar vader, 't zij ook alleen zich in zijne tegenwoordigheid bevond. De wijze waarop hij gewoon was met haar te spreken was steeds die van een volmaakt edelman; en wel verre van zich ooit de geringste vrijpostigheid jegens haar te veroorlooven, bejegende hij haar met een eerbied en ontzag gelijk de meest hooggeplaatste vorstin die niet anders had kunnen verlangen. Geen zweem ook van vleijende doch niets zeggende hoffelijkheid in de woorden die hij tot haar rigtte; maar alles eenvoudig, ongedwongen, natuurlijk, terwijl ook in menig opzigt zijne gesprekken werkelijk onderhoudend bleken te zijn en getuigden van een lang niet gewone geestbeschaving en tamelijk uitgebreide kennis.—Och! of die jonge, zoo hooggestelde man—zoo overlegde zij menigmaal bij zichzelve,—wat beter van zijne velerlei gaven gebruik mogt maken, en, het treflijk voorbeeld van zijn edelen vader voor oogen, zich op andere wijze dan nu wist voor te bereiden tot de grootsche taak die ook hij eenmaal te vervullen had!
Eens op een avond, terwijl Iravati in gedachten verzonken op een der rustbanken in het park zich had nedergezet, bleef tot hare verwondering niet alleen rondom, maar ook in den burgt zelf de meest volkomen stilte heerschen, en geen licht bijkans vertoonde zich aan de hooge vensters en in de galerijen van het paleis. Een zachte en zoele wind alleen ruischte er door het gebladerte en bewoog de toppen der boomen, en uit de vallei daar omlaag klonk nu en dan de toon eener fluit of het ligt gerinkel van het klokkenspel, dat eene vrolijke dorpsjeugd begeleidde bij hare landelijke dansen.
Een geluid van voetstappen brak op eens de stilte, en in de avondschemering werd een mannelijke gestalte zigtbaar, die de plek naderde waar de dochter van Salhana gezeten was. Met een gevoel van schrik rees zij, bij dergelijke hier wel ongewone verschijning op, toen zij tot haar verwondering in den vermeenden indringer den Prins herkende, die, naderbij gekomen, op zijn gewone eerbiedig hoffelijke wijze haar begroette.
—Vergeef mij, edele jonkvrouw!—zeide hij,—indien ik, onbewust van uwe tegenwoordigheid op deze plek, onwillekeurig u kom storen. Wil mijn avondgroet ontvangen, en ik zal u niet verder lastig vallen.
—De stoornis—antwoordde Iravati beleefd,—kan mij wel niet anders dan aangenaam zijn. Maar inderdaad ik wil wel bekennen, dat zij mij een weinig verrast. Ik meende dat Uwe Hoogheid gewoon was op andere en meer vrolijke wijze den avond te korten dan met stille en eenzame wandelingen.
—Zoo was het,—sprak Selim,—en ik gevoel volkomen dat ik u daarmee reden genoeg heb gegeven tot billijke ergernis, en meer eerbied had moeten betoonen voor de woning waarin gij uw verblijf houdt. Maar laat voorbij zijn wat voorbij is! Voortaan zal geen onpassend feestgedruisch in dit uw paleis u meer hinderen, noch de stilte breken van den nacht.
Niet zonder verwondering hoorde Iravati den spreker aan. Waartoe die verklaringen? En vanwaar die plotselinge omkeer?
—Eene verandering,—ging Selim voort,—en naar ik geloof een niet geringe is er, hoewel binnen betrekkelijk korte tijd, met mij voorgevallen. Tot heden was ik… hoor mij aan, en treed niet terug! ik wil u alles zeggen… tot nu dan was ik een woestaard, een wellusteling, ja een dronkaard zelfs, ik verberg u niets! Maar ik heb opgehouden dat te zijn; ik heb gebroken met mijn voorleden, en de Selim van thans is een andere geworden dan hij gisteren zich misschien nog betoonde. Ik wil leven voortaan voor pligt en voor eer, voor het heil der volken die eenmaal aan mijne zorgen mogten zijn toevertrouwd; ik wil vaarwel zeggen aan alle eerzuchtige en ongeoorloofde voornemens en bovenal ook aan die nietswaardige, verlagende verstrooijingen, waarin ik tot heden wel geen wezenlijk genoegen maar toch een soort van uitspanning vond. Ik wil dat alles, indien… indien een wensch wordt voldaan, van welks vervulling mijn geluk, mijne toekomst, en voor een deel welligt ook die van mijn rijk afhankelijk zal zijn! Die vervulling is in uwe hand!
—Ik begrijp u niet, Heer!—sprak Iravati, wie het angstig te moede werd, en die geen vrouw ware geweest als zij niet maar al te wel tot het besef was gekomen, waarheen de rede van den Kroonprins strekken moest.
—Gij zult mij spoedig begrijpen,—antwoordde deze,—als ik u zeg, wie die verandering in mijn wezen zoo plotseling heeft teweeg gebragt. Of liever, behoeft gij nog te gissen en te raden, en hebt gij niet lang reeds uit al mijn woorden verstaan, dat het niemand anders zijn kon dan gij en gij alleen?—En zoo is het,—ging hij met steeds klimmende, doch altijd binnen de grenzen eener eerbiedige bewondering gehouden geestdrift voort;—sinds het eerste oogenblik dat ik u aanschouwde, wist ik, althans gevoelde ik, dat gij een invloed, en een belangrijken, moest hebben op mijn lot. Ik, die nooit nog voor iemand, wie ook, de oogen had neergeslagen, ik deed het onmiddelijk voor u, en gevoelde mij klein en nietig in uwe tegenwoordigheid. En telkens, wanneer ik u terugzag en met u sprak, en u nader leerde kennen, werd het mij duidelijker dat gij over mijne toekomst te beslissen zoudt hebben. Ik begon een afkeer te krijgen van mijzelf en van mijn levenswijs en die zoogenaamde vrienden, die mij op zoo onwaardige wijze den avond en dikwijls den nacht hielpen doorbrengen. Toch kon ik nog niet besluiten, zoo op eens met dat alles te breken, en als dan onze feesten weer aan den gang waren, ja, dan, ik beken het openhartig, verdween ook menigmaal uw beeld voor mijn geest, als de wijn dien weer begon te benevelen. Maar welk een gevoel van schaamte en van onwil tegen mijzelven dan weder, zoodra ik 's anderen daags u weer ontmoette! Heden dan werd mijn besluit genomen en, gelijk gij ziet, ook volvoerd. Alles is stil, de feestklanken zwijgen, mijne danseressen heb ik weggezonden en de meesten mijner gasten zijn heden vertrokken of denken morgen Allahabad te verlaten. Dat alles is uw werk; moge 't door meer en beter nog gevolgd worden! Maar daartoe is ééne voorwaarde onmisbaar! Wij mogen geen vreemden blijven tegenover elkander; een nadere band dan eene toevallige en weer voorbijgaande kennismaking moet ons vereenen. Iravati! kan het nog noodig zijn u duidelijker te verklaren wat ik voor u gevoel? Welnu dan! ik….
—Ach neen, neen, Heer!—riep Iravati hartstogtelijk, en de handen smeekend omhoog heffend, uit,—zwijg dat woord dat gij gereed waart te spreken, maar dat ik niet mag aanhooren!
—Niet mag?—herhaalde Selim vragend—of niet wil? Mij dunkt dat er van mogen niet te spreken valt, waar een bede tot u gerigt wordt door mij!
—Beide dan,—antwoordde Iravati met vaste stem,—niet mag en niet wil! Ik mag niet, omdat mijn woord van trouw mij aan een ander heeft verbonden; en mogt ik, toch zou ik niet willen en ook niet kunnen wat gij verlangt, omdat mijn hart, mijn gansche leven nu eenmaal dien anderen toebehoort.
Gelukkig voor haar dat de toenemende duisternis haar belette de sombere en woeste uitdrukking op te merken, die bij deze vrij onvoorzigtige woorden op het bleek gelaat van den Prins te lezen stond. Want had zij 't gezien, zij mogt gesidderd hebben bij de gedachte aan dien andere en aan hetgeen hem welligt van zulk een medeminnaar te wachten stond.
—Bedenk het wél,—sprak Selim, na een wijl gezwegen te hebben, bedenk het wat gij roekeloos dus versmaadt ter wille van een jonkman, die u eenmaal misschien dierbaar was en voor 't oogenblik nog schijnt te zijn, maar die, zoo hijzelf u al trouw bleef, toch nimmer u kan aanbieden wat de toekomstige beheerscher van het rijk der Mogols u verzekeren wil! Ik spreek u niet van de schatten die uw eigendom zouden zijn en van de weelde waarin ge u baden mogt, wanneer gij eenmaal, aan mijne zijde gezeten, mogt gebieden over de rijken en vorsten van Hindostan. Te goed is mij bekend, hoe weinig uw edeler en boven dat alles verheven geest voor dergelijke verlokking vatbaar ware. En toch blijft ook dit niet te verachten! Gij meent te weten wat rijkdom en weelde is; maar wat gij tot heden daarvan gezien hebt, is niet dan ellendig klatergoud tegen de wezenlijke pracht, die de paleizen en lusthoven van Agra en Delhi u eenmaal bieden konden. Doch laat dat zijn! Maar bedenk, zeg ik, wat schitterende toekomst gij verwerpt, indien gij liever de vrouw wordt van een onbekend en niets beteekenend edelman dan de magtige Sultane, die den onbeperkten monarch in al zijn doen en laten beheerscht, en alle grooten en edelen voor hare voeten ziet buigen, en naar welgevallen over het lot van millioenen beschikt! Want, zooals ik heden het mijne in uwe handen stel, zoo doe ik, dat zweer ik met een duren eed! ook van heden af met dat mijner toekomstige onderdanen. Wat gij wilt en beslist zal mij eene wet, een gebod zijn, waaraan ik mij niet zal vermogen te onttrekken; want dit weet ik, niets dan wat edel en goed en verstandig is zal mij door u worden aangeraden, en geen regtvaardige en geen onregtvaardig verdrukte ook in het gansche rijk of hij zal steun en bescherming vinden bij u!
Te vergeefs bleef de heerscher van morgen, smeekeling nu, op een antwoord wachten. Iravai zweeg, maar haar stilzwijgen gaf blijkbaar genoeg geenerlei toestemming te kennen; zij had zich afgewend en als in stille smart zich met gebogen hoofd het gelaat met de handen bedekt. Ook het schitterend vooruitzigt haar voorgespiegeld, had dus geen indruk gemaakt op haar gemoed.
—Iravati!—sprak Selim weder en nu met diep bewogen stem,—laat de vrede mij niet aanstonds weer zijn geroofd, die bij uwe verschijning zoo weldadig was neergedaald in mijne ziel! Door u ben ik een ander mensch geworden; laat mij niet weder terugkeeren tot wat ik eenmaal was! Heb medelijden met mij, en met die talloozen ook, die een weldoener in mij zullen vinden als gij mij ter zijde staat, maar ook een tiran misschien als gij mij blijft versmaden! Ik ben zwak, dat weet ik; maar ik zou sterk, ik zou een held, ook in het zedelijke, zijn, als ik aan uw woord, aan uw aanblik mijne kracht mogt ontleenen. Waarom mij dat dan ontzegd? Eén woord slechts behoeft het u te kosten, en de kroon van Indië ligt aan uwe voeten, en gij hebt de hand slechts uit te strekken om ze te plaatsen op uw eigen hoofd!—Maar ik zie het,—ging hij driftig voort, toen Iravati nog altijd bleef zwijgen,—mijn eerbied, mijne bewondering, mijne tot alles bereide liefde is u niets, en gij versmaadt den Vorst voor den onbeduidenden avonturier aan wien gij door onbedachtzaam eenmaal gesmeede ketenen u gebonden waant! Doch bedenk ook wel wat gij doet, wat gij waagt, welk lot u zou kunnen treffen, en ook hem, als eenmaal de liefde van den magthebber verkeeren mogt in toorn en in haat!… —Maar ik spreek waanzinnige woorden,—zeide hij weder mismoedig, terwijl hij het hoofd op de borst liet zinken;—wat reden ook en wat regt heb ik om uwe wederliefde te eischen? Ik ben, hoe hoog ook eenmaal mijn staat, toch uwer niet meer waardig; ik ben oud en afgeleefd vóór mijn tijd; en hij, die andere is jong en schoon en nog onbedorven van hart. Wat reden dan voor mij tot klagten? Wat ik ben geworden, dat heb ik mijzelf gemaakt of een ongelukkig lot dat mij in een toestand plaatste, waarvoor ik niet berekend was. En toch, hoe anders, anders had het kunnen zijn, indien datzelfde lot u vroeger dan heden op mijn weg had gevoerd! Maar te laat nu, te laat!…
—Mijn Vorst!—sprak thans Iravati zacht,—gij doet uzelven onregt! Gij hebt reden tot zelfbeschuldiging, maar niet daarom nog tot dergelijke zelfverachting. En wees verzekerd, ik veracht en versmaad u niet, al kan ik ook nooit de uwe zijn. Inderdaad, had ik u vroeger leeren kennen, ook zooals gij thans zijt, maar eer nog een ander mijne liefde wou en mijn woord van trouw erlangde, ik had misschien uwe genegenheid kunnen beantwoorden.
Thans kan zij niet anders dan mij leed doen, ook terwijl ze mij vereert. Gijzelf trouwens kunt in ernst niet verlangen, dat ik mijn gegeven woord zou verbreken; en deed ik het, gij zoudt immers de achting voor mij verliezen, waarop uwe genegenheid steunt. Maar zelfs in dat geval, dat nu niet meer mogelijk is, had iets moeten zijn wat toch weer niet denkbaar ware geweest: uw hooge rang had niet moeten bestaan. Want dien zou ik nooit met u kunnen deelen. De weelde en de pracht, in wier midden gij u beweegt, zou nooit mijn levenselement kunnen zijn, en de geduchte verantwoordelijkheid zou ik niet weten te dragen, die gij geneigd waart op mijne schouders te leggen. Doch wat er ook van zijn mogt, het is nu eenmaal alles anders. En waarom ons dus te verliezen in overdenkingen, omtrent hetgeen misschien had kunnen gebeuren, maar toch niet is? De magtige Deva's, de ongeziene krachten die ons lot beheerschen, hebben het blijkbaar anders gewild; onderwerpen wij ons aan hunne voorzeker wijze beslissing, gij zoowel als ik! En zoo laat mij dan, mijn genadige Vorst en Heer! in den nederigen staat waarin gij mij gevonden hebt; ga en zie niet meer naar mij om; vergeet mij voor nu en voor altijd, of zoo ge soms u mijner nog herinnert, het zij dan om tevens aan het oogenblik te denken, waarop gij aan edeler gevoelens en verhevener voornemens u gewonnen gaaft dan te voren uw gemoed hadden vervuld! Wat mij betreft, ik wil u gedenken, u volgen met mijne gedachten in al uwe handelingen, in uwe toekomstige, zoo ik hoop en vertrouw, eenmaal roemrijke daden en gelukkige regering, als gij den troon van den grooten Keizer bestegen zult hebben; en wees verzekerd dat geen uwer tallooze onderdanen met meer wezenlijke en hartelijke belangstelling het oog op u gevestigd zal houden dan zij, die thans u smeekt haar te verlaten en haar te ontslaan van den moeijelijken pligt om ongehoorzaam aan uwe wenschen te zijn!