I.Dageraad.Wel zoo! gij schoone dageraad!Wat zeggen ons de liên,Komt gij met rozen in uw’ mond?Dat mogt ik weleens zien!En plukt gij ieder’ knaap of maagd,Die langer slaapt dan gij,Een roosje van de volle wangWanneer ge gaat voorbij?En geeft gij ieder’ knaap of maagd,Die korter slaapt dan gij,Twee roosjes uit uw rijken schatWanneer ge gaat voorbij?—Op, kinders! op, het schemert al,Daar komt de Dageraad!—Hij houdt wel veel van bleek te zien,Die nu niet op en staat!Morgenlied.Kinderkens! ’t is uchtend!Komt ter slaapsteê uit!Hoort! de voglen zingenReeds met zoet geluid.’t Haantje roept u wakker,Hoort! hij kraait uw’ naam,En de boomtak tikt uTegen ’t vensterraam.Langer niet geslapen!Doopt uw hoofd in ’t nat,Dat het frissche waterOm uwe ooren spatt’:Veel moet nog begonnen,Veel is nog te doen;Kinderkens! wordt wakker;Al te ras is ’t Noen!11Noen: middag.Weddenschap.Ei roosje! kijk eens uit uw’ knop,Of ’t niet haast dag zal wezen!Kom, steek uw kopje veilig op,Ge hebt geen leed te vreezen;Of ziet ge mij niet voor u staan,Met al mijn beste kleêrtjes aan?Had Moeder gistren niet gewed,Dat gij al lang zoudt prijken,Eer ik, nog domlend in het bed,Uit mijn gordijn zou kijken!—Ei, sliep uit! ’k ben al lang gekleed,En gij zijt nog niet half gereed!Maar ’k ben ook vroeg naar bed gegaan:Daar zal het wel van komen,Dat ik het eerst nu op kon staan,En gij nog staat te droomen:—Och, Moederlief! och zeg me noû,Wie dacht u, dat het winnen zoû?Zons-opgang.Och! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Doch, naar ik gistren heb gelezenEn zoo mij Moeder heeft verteld,Daarbuiten, in het vrije veld,Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauwEn hier en daar blinkt nog een ster,Maar langzaam schemert er van verr’Wat rozenrood en hemelsblaauw;Dan ziet men witte wolkjes dwalen,Doortrokken met een purpren tint;Dan komt, als waar’ ’t een koningskind,De zon, met al haar gouden stralen.—Zie! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,Die knielde vast van blijdschap neêr,En zou voor onzen Lieven HeerWel duizendmaal zijn handjes vouwen.Winterkoning.Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,Waart gij, o Winterkoning!Wij hebben bang op u gestaard,Al kleumend aan den killen haardIn onze leege woning!Wat was het eten vreeslijk duur,Wat was het drinken schraaltjes;Wat was het buiten bitter guur,Wat was er binnen weinig vuur,Wat was de plunje kaaltjes.Welop dan, hartjes! weest nu blij,En zingt eens uit den treuren!Daar is het zoele jaargetijMet duizend bloempjes, rij aan rij,Met kleuren en met geuren.Gij kwaamt alweêr dien Winter doorEn ziet weêr de Aard zich tooijen:Dankt God er voor, in juichend koor...En—zoo ook stem en hart bevroor,Zij zullen wel ontdooijen!Schoolexamen.April, April,Doet wat hij wil,En geeft, naar zijn behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zingen wij met luider stemEen lied voor hem,En hopen, dat het dezer dagenWel enkel, klinkklaar zonneschijnVoor ons zal zijn.April, April,Doet wat hij wil;Maar wie zich goed gedragen,Die hebben thans wel niet te klagen;Wie ’t heele jaar heeft opgepast,Die weet wel vast,Dat hij een’ prijs hier weg zal dragen,En met een’ halfbeschaamden lachBedanken mag.April, April!Doe wat je wil,En geef, naar uw behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zullen wij voor al het goed’,Wat men ons doet,U dankbaar in ons hartje dragen,—En groeten u, met zoet gezang,Ons leven lang.Voorjaarsdag.De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,De schaapjes die springen door ’t groenende gras,Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?Die Winter dat vond ik zoo’n akelig ding;Toen had ik het koud in mijn’ duffelsên jas,En denk ’reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!Maar nu is het lekker en zacht op het land;Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,Wij schelden hem luilak, die ’t laatste daar was.Voorjaarskoelte.Zoele, koele Zuidewind,Bode! wien ons hart bemint,Draagt gij op uw vleuglenpaarNiet den schoonsten tijd van ’t jaar?Bloemengeuren, frisch en zoet,Brengt gij, als der Lente groet;Vogelfluiten, bladgeruisch,Smelten in uw wiekgesuis.Goede vriend, zoo lang verwacht!Zeg ons! waait ge dag en nacht?Kom dan ’s nachts ook zonder schroom,En omzweef ons in den droom!Van zeven kikkertjes.Daar zaten zeven kikkertjesAl in een boerensloot,De sloot was toegevroren,Ze lagen hallef dood,Ze kwekten niet, ze kwaakten nietVan honger en verdriet.De jongste, die een wijsneus was,Zei tot zijn kameraads:“Die malle nachtegalen,Wat hadden die een praats!Was eerst het ijs maar in den dooi,Wij zongen eens zoo mooi!”De milde, lieve Lente kwam;....Zij kwaakten de oude wijs:Als zij dat zingen noemen,Wensch ik ze weêr in ’t ijs;Ik geef die kikkers allemaalVoor éénen nachtegaal.Lentelied.Voelt ge wel de koeltjes zweven;Riekt ge wel den zoeten geur?Kindertjes! dat is een leven!Lente staat weêr voor de deur:Laat haar binnen, laat haar binnen;Lentelief, die wij beminnen!Hoort ge wel dat slepend fluiten,Dat door alle vensters dringt?Nachtegaaltje slaat daarbuiten;Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!Laat hem binnen, laat hem binnen,’t Zangertje, dat wij beminnen!Neen! zet deur en venster open,Hangt aan kapstok hoed en jas,Máár—om prettig vrij te loopenDoor het frissche, malsche gras:Lente! toef nog, kom niet binnen,Buiten zullen we u beminnen.Meimaand.De vogels springen door de hegEn zingen uit den treuren;De Mei strooit bloesems langs den wegEn klopt aan alle deuren,En zie! daar komt bij ’t blij geluidHet jonge volk de huizen uit.Gij, kinders! zat een winter langTe kleumen en te treuren;Nu lijkt die lieve vogelzangUw hartjes op te beuren;Komt, zingt en springt dan nu om strijd,Zoo flink alsof gij vogels zijt.En zingt gij laag en zingt gij hoog,En zingt gij uit den treuren,En ziet gij aan des Hemels boogDe voorjaarsnevlen scheuren,Denkt dan aan onzen lieven Heer,Die bloesems geeft en Lenteweêr.Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,Dat ’s beter dan te treuren!Zingt vrij en blij uw Lente doorBij zonneschijn en geuren,En denkt—ook als gij ouder zijt—“Na winterdag komt lentetijd!”Mei-regen.Wie graag sterk wil zijn en groot,Groeijen wil ter degen,Loop’ maar met zijn hoofdje blootIn den zoelen regen!Wees niet angstig voor een spat,Frisch er in gesprongen,Vrees niet voor een drop of wat,Dreumes van een’ jongen!Zie de blômmetjes maar aan,Hoe ze ’t buitje drinken!Kijk maar goed, hoe op de blaânAl die druppels blinken!In dat lekkre, zoele natLigt des Hemels zegen;Daarom, dreumes! rep je wat,Loop ’reis in den regen!Groen takje.Groen takje, dat uit de aarde spruit,Wat zal er van u groeijen?Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,Zult ge als een roos of anjer bloeijen,Of zult gij geven lekker fruit?—Jong volkje! nu nog klein en teêr,Wat zal er van u groeijen?Zult gij tot schande meer en meer,Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,En vruchten dragen, God ter eer?Doch ’t plantje—zij het kwaad of goed.Och! kan niet anders groeijen;Gij—kunt, naar ligchaam en gemoedIn kracht en kunde en vroomheid bloeijen...Wanneer ge er maar uw best toe doet!Als gij dus wandelt in den hofEn plant en kruid ziet groeijen,Dan geev’ ’t u ruime dankensstof,Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijenTot vreugde of smart—tot schande of lof!Onkruid.Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,Wat is er uw hofje toch keurig!Het mijne dat lijkt wel een wildernis,Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!—Wel, geef dan een’ zoen... en ik leer je gaauwUw tuintje zoo netjes te hoûen;Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,De handjes wel flink uit de mouwen,En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,Daar ga je maar vlijtig aan ’t harken en wiên.—Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;En daarom, dat rooi je maar alle daag,Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!—Bloemkweeken.Ik heb een’ kleinen, kleinen tuin,Daar kweek ik bloemen in;En als mijn aardig zusje komt,Dan zing ik blij van zin:—“Klein kleuterke, klein kleuterke!Wat doet gij in mijn’ hof?Gij plukt er al de bloemkens afEn maakt het veel te grof!”—En als zij dan die plantjes ziet,Met zooveel zorg gekweekt,Dan wed ik, dat het lieve kindGeen van de bloempjes breekt.Klimop.Groene bladen, spits van punt,Hoekig aan de randen!Zeg eens hoe ge groeijen kuntAan die naakte wanden?—’k Lag versmeten voor de deur,Vuil en overloopen;Vond ik hier of daar een scheur,’k Ben er in gekropen.Ieder straaltje, dat ik ving,Gaf mij kracht en leven,Ieder druppel, die er hing,Deed mij hooger streven.Dankend onzen Lieven HeerVoor zijn zon en regen,Groeide ik daaglijks meer en meerIn des Hemels zegen.—Wie het kleinste niet versmaadt,Wat hem God wil geven,Die kan groeijen naar zijn’ staatEn tevreden leven!Appelboom.Wel, appelboom! wat sta je rijk,Gij lijkt wel éénen bloesem!Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,’k Zie enkel, enkel bloesem;Ik zie geen tak, ik zie geen’ blad;Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!En toch, ’t is pas een’ dag of wat,Terwijl ik keek naar buiten,Of ’k zag uw takken kaal en gladDaar slingren voor mijn ruiten,En ’k vroeg al aan de tuinmansvrouw,Of je ook gestorven wezen zou?“Neen,” zei ze toen, “neen, lieve schat!”En kneep mij in mijn kaken;“Neen, wacht nog maar een’ dag of wat,Dan staat hij als een laken:—En als ge braaf zijt, kleine man!Dan krijgt ge er nog wel appels van.”Grazen.Pluk bloemen, pluk bloemen,Pluk bloemen en gras!En wrijf die elkaârDoor het haarBij het stoeijen:Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijenEn bloeijen!En wie er een knorrig gezigtjeBij trekt,Of wie er bij geeuwt,Of bij schreeuwtAls wij stoeijen,Die ’hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijenEn bloeijen.Hij trekk’ maar naar huisEn hij kruip’ in den hoek,De brompot, die mortEn die knortBij het stoeijen:Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijenEn bloeijen!Kersentijd.Nu eens in ’t rond gesprongen,Gesprongen hand aan hand,Nu vrolijk eens gezongen,De Zomer is in ’t land;De bloesem van de boomenVloog lang reeds wijd en zijd;De Zomer is gekomen:Nu is het kersentijd!Wat zal ze lekker smakenDie kers, waar wijn in zit;Wat zullen wij haar krakenDie harde kersenpit;Och! waren we al gezetenVoor boordevolle schaal,Wij zouden er van etenAl was het honderdmaal.Kersenplukken.Kersen, kersen, zacht en rood,Hangen tusschen groene bladen;o! De boom is rijk geladen;Vang bij ’t plukken, in uw schoot,Kersen, kersen zacht en rood!Kersen, kersen, rijp en frisch,Is ’t niet om te watertanden?Kom, ik pluk met volle handen,’t Meest krijgt wie het handigst is,Kersen, kersen, rijp en frisch!Kersen, kersen van de Mei,Iedre maand de rozen bloeijen,...Alle maanden moest ge groeijenVoor der kindren zoeten rei,—Kersen, kersen van de Mei!Vogelnestje.Jongens! ginder zitten spreeuwen!Laat ons klimmen om het best;Ziet, ze kijken over ’t nest:Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!’t Oudje dat vliegt af en ân,Net alsof hij ’t raden kan.Och! wat kijkt dat beest verslagen;’k Vind het wel een beetje naar:—Jongens! of ’t niet beter waar’,’t Arme dier maar niet te plagen?Denkt eens als er iemand kwam,Die ons zoo van Moeder nam!Jonge vogeltjes.Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,Ze sprongen en ze zongen,Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,En bragten ze aan hun’ jongen;En ’t kleine volk in ’t nestje riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”En ’k dacht, toen ’k dat zoo aardig vond:“Ben ’k ook zoo’n dankbre jongen?”—En ’k ben mijn Moedertje terstondEens om den hals gesprongen;En Moeder pakte mij, toen ’k riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”Vogelen-lied.Klein vogelijn, op groenen tak!Wat zingt ge een lustig lied!Wij vinden in ons heele boekZoo’n vrolijk wijsje niet;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,Zoo keurig in de maat,En ’t hart dat popelt ons van vreugd,Wanneer uw keeltje gaat;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?o! Zeker is ’t de goede God,Die ’t u heeft toebetrouwd,Opdat gij aan der blinden oorZijn goedheid melden zoudt;o Ja! wij weten ’t, aardig beest!Wie of uw meester is geweest.Duifje.Duifje met uw blanke veêren!Vlieg je niet door alle weêr,Kan geen regenbui u derenAls ge ronddwaalt heinde en veer?Altijd proper is uw kuif,Zijn uw pluimpjes, blanke duif!—Waait het al te hard daar buiten,Ik kan thuis zijn als ik wil;’k Vind er alle mijn kornuitenIn de warme duiventil:Maar ter vlugt of op het slag,’k Net mijn veêrtjes alle dag!—Opgenebt en gladgestrekenMet wat waters uit mijn’ pot,Ben ik waard te zijn bekekenIn de lucht en in het kot:....Kinders! nu ge ’t kunstje weet,’k Bidje, dat ge ’t niet vergeet!—Roodborstje.Roodborstje, roodborstje, geestige dief!Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?’t Kooitje van koper en ’t bakje vol eten:Aardige springer! wat heb ik je lief!Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?—Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,Was er mijn eten ook lekker en keurig,Buiten in ’t bosch is het eens nog zoo fleurig:Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingenZoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!—Nachtegaal.Hoort, kindren! wat een klaar geluidDringt ginder door de bladren heen!De vogels zijn allang in slaap,En zóó, zoo zingt er zeker geen.Wie of zóó heerlijk zingen kan?’t Is waar, mijn hartje klopt er van!Stil!—Dat is vast de nachtegaal,Daar Moeder lest zooveel van zeî;’k Wist niet, dat dàt te hooren wasWanneer men ons te slapen leî,’k Had anders Moeder lang verzocht,Of ik wat laat naar bed toe mogt?Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,’k Woû, dat het voorjaar dan begon;Dan hoorde ik vast den nachtegaalWanneer ik ’s nachts niet slapen kon!—Zeg, Moeder! zingt dat lieve beestWel niet voor zieke kindren meest?In ’t bosch.Gij, lieve vogels, schuw en wild!Wat zijt ge met uw liedren mild,Wat kweelt ge blijde zangen!’t Is of er ’t heele bosch van trilt,Die toonen op te vangen!Het ruischt en suist van ieder blad,Alsof het vol met ooren zatEn ’t lieflijk lied kon hooren;Alsof het duizend tongen hadEn meê zong in uw koren.Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,Al stemmen in uw wild gezangDer kindren vrome wijzen;Wij wenschen met u, vaak en lang,Den goeden God te prijzen.Wensch.Ik woû dat ik een vogel was,Een vogeltje met veêren,Wat zou me kunnen deren?Ik vloog maar hoog, ik vloog maar rasEn niemand kon me keeren:Geen school of bed kwam meer te pasAls ik een vrije vogel was!—Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,Hoe dikwijls op de stangenDe lijsters blijven hangen,....Wat vinkjes onder ’t net gebragt,Wat snipjes zijn gevangen,En dat er menig vooglaar wachtOp dat onnoozele geslacht?—Al vloog je hoog, al vloog je ras,....Die lastige gewerenZe zouden je wel keeren:Wat hielp dan of je een vogel was,Een vogeltje met veêren?Geloof me (’t komt nog best van pas):Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!—Honigbijen.Wel zoete honig zuigt de bijUit bloem en geurig kruid;Gij, lieve kinders! doet als zij:Gaat in uw lente niets voorbij,Of trekt er leering uit.En in haar huis van klevend wasDaar heeft ze zaâmgegaardAl wat ze vond in veld of kas;—De bloemkens, kindren! dorren ras!Wie wijs is, die bewaart!Doet ook zoo in uw blijde jeugd,Waar alles bloesem draagt;Wat is het, later dan, een vreugd,Als u op ouden dag nog heugt,Wat ge in uw jonkheid zaagt!’t Verdwaalde lam.Lammetje! loop je zoo eenzaam te blatenOver de hei?Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?Bleef je niet liever daarginds op de wei?Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,Hier is geen schaduw om onder te rusten,....En als je dan nog zoo klein maar niet was!—Kindren! ik had al zoo lang loopen spelenGinds op de weî;Altijd dat grazen begon te vervelen,’k Woû weleens zien hoe het was op de heî.Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,’k Zoek er mijn moedertje, ’k zoek er mijn vrinden,’k Zoek om wat gras en wat water te vinden:Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!—Schaapje! wij zullen den weg u wel leerenOver de hei,Ga maar met ons en geen leed zal je deren,Zeker! wij brengen u weêr op de weî.Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!De herder.Daarbuiten op de weideGaan lam’ren, klein en groot;Zij grazen van den morgenTot aan het avondrood.Opdat geen leed hen deren,Geen lam verdwalen zou,Bewaakt een wakkre herderDe kudde vroom en trouw!Maar meer nog dan de herderDe lammerkens bewaakt,Waakt God voor brave kindren,Dat hun geen onheil naakt;Hij ziet van uit den HemelBehoedend op ons neêr,En als we onwetend dwalen,Voert hij ten goede ons weêr!Kleeding.Lelie, met uw wit gewaad!Roosje, met uw purpren hoedje!De arme knaap en ’t meisje groet-je...En ze vinden, inderdaad,Dat uw tooi u prachtig staat.Ziet de knaap zijn halfsleets buisDigt bezaaid met menig lapje,Ziet het meisjen op haar kapje,Hier vol gleedjes,—daar vol pluis...Half bedroefd gaan zij naar huis!Maar als moeder dáár, zoo blij,Zit te naaijen en te stikken,Om die plunjes op te flikken,—Bloempjes! och dan vinden wijOns gelukkiger dan gij!Of men veel of weinig heeft....Ieder kunnen wij behagen,Als wij knap en dankbaar dragenWat de hand der liefde ons geeft;—Of men veel of weinig heeft!Geärmd.Honger, honger! leelijk woord,Als een leêge maag u hoort!Als de tanden watertanden,En men staat met leêge handen....Als ge op volle schaal of mandenGretig u een’ blik verstout,—Maar de maag vacantie houdt.Doch—hoe lastig gij soms zijt,Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,Zullen we u graag welkom heetenAls we happig zijn gezetenVoor een’ schotel lekker eten....Grage tand de spijs vermaalt,Zelf verdiend en zelf betaald!Daarom roept ons blij gezang:Lieve Honger! plaag ons lang!Rijk en ziek zou menigmalen(Kon het!) u met goud betalen—Ons zult gij zoo ligt niet falen;Maar verlangt gij dank en prijs,Kom dan (kan ’t!) geärmd met.... spijs!De kleine bedelaarster.Daar liep een meisje langs den weg;Haar oogjes waren rood:“Ik weet in ’t land geen heg of steg,Mijn vader en moeder zijn dood,Mijn oudste broêr die is soldaat;Och had ik maar werk, dan wist ik raad!”Dat zag een brave boerenvrouwEn zei: “Mijn lieve kind!Wat loop je barvoets in de koûEn huilt er uw kijkertjes blind!Wie werken wil, vindt altijd raad!Voor jou heb ik nog wel overdaad.”—Ze werkte laat, ze werkte vroegEn diende braaf en trouw;Een boertje flink en rijk genoegDie haalde haar thuis als zijn vrouw;Maar had ze toen ook overdaad,Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.Van glas.Wanneer het maar voor ’t geven was,Dan gaf ik ieder kind,Dat graag wou zijn bemind,Een hartje van het fijnste glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!“’t Is zaak dat ik er goed op pass’!”Dacht ieder dan (hoe klein!)“Want, houd ik het niet rein,Dan ziet men gaauw een smet op ’t glas;Op ’t glas.... op ’t glas?Ja wel op ’t glas!”En—heeft het eerst een barst of krasZij gaan er nooit weêr uitEn ’t geeft een valsch geluidWanneer er iemand tikt aan ’t glas;Aan ’t glas.... aan ’t glas!Ja wel aan ’t glas!Och! dat het maar voor ’t geven was....Doch zie! ’t is even goedWanneer ge, o kindren! doet,Alsòf uw hartje waar’ van glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!Nemen en geven.Ei! goeden morgen, Peereboom!Wat zijt ge rijk geladen;Ik zie, van welken kant ik koom’,Meer vruchten haast dan bladen;’t Is waarlijk, of zich blad bij bladIn peer bij peer veranderd had.En waar gij, lieve Peereboom!Zoo heerlijk staat te prijken,Roept Vader:—“Jongen! nu niet loomDaaronder staan te kijken;Kom flink er in—zoo’n groote schatBlijft groot nog, al verliest hij wat!”Dus, allerbeste Peereboom!Zal ’k maar niet lang meer temenEn van uw peertjes zonder schroomEen fermen zak vol nemen;En ’k geef dan elken buurknaap wat,Die zulk een milden boom niet had.Vlieger oplaten.Vieren, vieren!.... achteruit!....Zal uw vlieger stijgen kunnenMoet ge hem de strengen gunnen,Of de kans die is verbruid:Geef uw vlieger vrije lucht,Geef hem ruimte voor zijn vlugt.Loopen, loopen, wat je kan!Als uw vlieger neêr wil dalenMoet ge hem weêr op gaan halen,Met een strakker, straffer span:Zonder moeite geen plêzierMet dat vliegende papier.Palmen, palmen, wat je mag!Kunt ge hem niet boven houên,Zorg ten minste voor uw touwen....’t Is een les voor d’ ouden dag:Wie dat alles tijdig kan,Die wordt een verstandig man.Blindemannetje.Stoelen en stoven op ziĵ,Dat hij zijn voetjes niet stoot;’t Heeft geen nood!—Loop hem voorbij,Trek hem op ziĵ.Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.Kijk! wat hij rondloopt en tast!Sliep uit, dat ’s mis, kameraad!....’t Is te laat!Raagbol en kwast,Hoû ze maar vast!—Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.Meisjes! wat kraakt er uw kleed!Jongens! uw fluistren verraadtWaar je staat!Eer dat ge ’t weet,Heeft hij je beet!....Blindeman, Blindeman!Hoû wat je kan:Je bent weêr ziende, man!Onze manieren.Tusschen Keulen en ParijsLeît de weg naar Rome:Al die met ons meê wil gaan,Die moet onze manieren verstaan:Goeiĵe manieren,Zoete manieren,Zoo zijn onze manieren.Ben je klein of ben je groot,Altijd kan je leeren;Woudt ge gaarne zijn bemind,Houdt maar onze manieren te vrind:Brave manieren,Vrome manieren,Zoo zijn onze manieren.Ben je niet van Hollandsch bloed,Woudt ge dat niet blijven?Houdt dan, kindren! waar het past,Houdt dan Hollands manieren maar vast;Oûwe manieren,Trouwe manieren,Zoo zijn onze manieren.Voor de smidse.Heisa! dat hamert er lustig op toe,Smidje! vertel me ’reis, wordt ge niet moê?Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,Waart gij al lang aan het smeden en slaan;Oef! wat een werken en zweeten is dat,Wacht eens een omzien en rust ereis wat!—Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,Maar van het smeden versta je geen’ duit;’t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;Denkt er om, jongens! ’t is goed, dat ge ’t weet:IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!—Haasje.Haasje zat in ’t rijpend koren,Knabblend aan het groene kruid;—Haasje, haasje! kijk wat uit,Klonk daar niet een jagershoren?Klonk daar niet een paardedraf?Klonk daar niet een hondgeblaf?“Nog een blaadje, nog een kruidje,....Ik kan loopen, hard genoeg,’t Is, warempel! nog te vroeg,Nog dat ééne, kleine spruitje....”Paf!.... daar knalde het geweer,’t Haasje dat viel bloedend neêr!Haasje, haasje! ’t kan me spijten,Maar uw lot dat is verdiend:Waart ge minder gulzig, vriend!Zou de hond je nu niet bijten:Wie niet hoort naar goeden raad,Die beklaagt het zich te laat!’t Jagertje.Jaapje woû een veldhoen schieten,En hij trof zijns buurmans schaap.Ieder zeî: Wat domme knaap!—Jaapje liet zich ’t niet verdrieten,En hij laadde zijn geweerVoor een’ ander’ keer.Met zoo greep hij ’t in zijn handen,Schoot en trof een vetten haas;Ieder riep: Je bent een baas!—Jaapje liet ze watertanden,En hij bragt hem blij te moêNaar zijn’ buurman toe.—’k Heb in vroeger tijd gelezen:“Hans komt door zijn domheid voort!”’t Is niet altijd waar, dat woord,Mag ’t ook nu en dan eens wezen;Maar, wanneer ge een domheid doet,Maak haar gaauw weêr goed!October.Kijk! October is in ’t land!Vol van appels buigen, zakken,Knakken haast, de dikste takken,Geef een mand!Neen! geef duizend, duizend manden!Pluk en raap, met volle handen,Doe, van al dien overvloed,Nu uw buikje eens regt te goed.Maar, bedenk het, jonge borst!’t Is (hoeveel gij ook moogt garen)Goed—een appeltje te sparenVoor den dorst!Als de winter is gekomen,Vindt ge er geen meer aan de boomen,En uw al te grage tandBijt ligt in een leêge mand!Zoo ’t voor appel geldt en peer,Lieve kind!—in rijper jarenZult gij zien, dat zóó te sparenGeldt voor meer!....Wil dus vroeg en jong beginnenSteeds te sparen van uw winnen,Om te maken, dat gij, oud,Appels voor den dorst behoudt.Sint-Nicolaas.Zie, de maan schijnt door de boomen,Makkers! staakt uw wild geraas;’t Heerlijk avendje is gekomen,’t Avendje van Sint-Niclaas!Van verwachting klopt ons hart,Wie de koek krijgt, wie de gard!o! Wat pret zal ’t zijn te spelenMet dien bonten arlekijn!Eerlijk zullen we alles deelen,Suikergoed en marsepijn;Maar, o wee! wat bittre smart,Kregen wij voor koek, een gard!Doch ik vrees niet, dat wij klagen,Vader, Moeder zijn te goed!Waren we ook niet alle dagen,Véle waren wij toch zoet!Ban dus vrij de vrees van ’t hart,’k Wed, er ligt geen enkle gard!Sneeuwballen.Sneeuw bedekt de landen:Wascht de kille handenDat ze tintlend branden,Kneedt den sneeuwbal vast;Krachtig de’ arm geheven,Fiksch den bal gedreven:Ha! dat is een leven,Dat aan jongens past!Koudkleum mag zich warmenIn zijn Moeders armen,Schreijen om erbarmen,Als de bal hem raakt;Laat de kagchel gloeijen,....Ons zal door het stoeijen’t Bloed wel sneller vloeijen,Waar de sneeuwbal kraakt!Winteravond.Zoo’n winteravond mag ik wel,Al stormt het wat daarbuiten,Al klettert ook de hagel schelEn ram’lend langs de ruiten;Hierbinnen is een fiksche gloedEn chocolade, warm en zoet,En knappende beschuiten.Wij vroegen om dat lekkers niet,Maar laten het ons smaken,En zingen soms een vrolijk lied,Dat kindren kan vermaken;En leêgen menig groote schaal,En hooren menig vreemd verhaalVan allerhande zaken.Maar zijn we aan ’t einde van de pret,En wordt het vuurtje zwakker,Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,En groeten vriend en makker;Dan leggen wij ons dankbaar neêr,En bidden: “o! Behoed ons, Heer!En maak gezond ons wakker!”Naar bed.Kindertjes! zijt ge nog niet moê?—Of gij uw oogjes al wilt wrijven,Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;Vroeg je niet om ’reis op te blijven?Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;Kindertjes! komt, uw bedje wacht!Is het niet of uw hartje slaapt?—Worden uw koontjes niet al strakker?Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!Kleedt je dan uit en bidt den Heer;Kindertjes! komt, ’t is tijd en meer!Maneschijn.Die klare, heldre maneschijn,Wat houdt hij trouw de wacht!Ik kruip maar achter mijn gordijnEn slaap den heelen nacht.Kijk vrij door ’t venster met uw licht,Gij allerliefste maan!Ik knijp maar beî mijn oogjes digtEn laat je buiten staan.Als morgen vroeg de zon opgaat,Spring ik weêr voor den dag;En wensch dan, beste kameraad!Dat je ook eens slapen mag.Avondbede.Kinders! zult ge slapen gaan,Bidt met zulk een vroom gemoed,Of ge ’t voor het leste doetEn misschien niet op zult staan.Dankt voor ’t goeds, wat God u gaf,Hem, die ’t u geschonken heeft;Smeekt voor ’t kwaad, wat gij bedreeft,Onzen Heer vergeving af.De oogjes, door den slaap bezwaard,Mogen dan ter ruste gaan;Vrolijk zult ge ze openslaanIn den Hemel of op aard’.Engelen.In den Bijbel staat geschreven,Dat Gods Englen ons omzweven,En bewaken in den nacht;Dat geen boosheid ons kan hindrenEn dat alle vrome kindrenVeilig slapen in hun wacht!Dikwijls als ik had gebedenWas ’t, of op mijn oogeledenNog een nachtkus werd gedrukt:Zou dat niet een Engel wezen,Dacht ik—en met heilig vreezenHeb ik ’t hoofd ter rust gebukt.
I.Dageraad.Wel zoo! gij schoone dageraad!Wat zeggen ons de liên,Komt gij met rozen in uw’ mond?Dat mogt ik weleens zien!En plukt gij ieder’ knaap of maagd,Die langer slaapt dan gij,Een roosje van de volle wangWanneer ge gaat voorbij?En geeft gij ieder’ knaap of maagd,Die korter slaapt dan gij,Twee roosjes uit uw rijken schatWanneer ge gaat voorbij?—Op, kinders! op, het schemert al,Daar komt de Dageraad!—Hij houdt wel veel van bleek te zien,Die nu niet op en staat!Morgenlied.Kinderkens! ’t is uchtend!Komt ter slaapsteê uit!Hoort! de voglen zingenReeds met zoet geluid.’t Haantje roept u wakker,Hoort! hij kraait uw’ naam,En de boomtak tikt uTegen ’t vensterraam.Langer niet geslapen!Doopt uw hoofd in ’t nat,Dat het frissche waterOm uwe ooren spatt’:Veel moet nog begonnen,Veel is nog te doen;Kinderkens! wordt wakker;Al te ras is ’t Noen!11Noen: middag.Weddenschap.Ei roosje! kijk eens uit uw’ knop,Of ’t niet haast dag zal wezen!Kom, steek uw kopje veilig op,Ge hebt geen leed te vreezen;Of ziet ge mij niet voor u staan,Met al mijn beste kleêrtjes aan?Had Moeder gistren niet gewed,Dat gij al lang zoudt prijken,Eer ik, nog domlend in het bed,Uit mijn gordijn zou kijken!—Ei, sliep uit! ’k ben al lang gekleed,En gij zijt nog niet half gereed!Maar ’k ben ook vroeg naar bed gegaan:Daar zal het wel van komen,Dat ik het eerst nu op kon staan,En gij nog staat te droomen:—Och, Moederlief! och zeg me noû,Wie dacht u, dat het winnen zoû?Zons-opgang.Och! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Doch, naar ik gistren heb gelezenEn zoo mij Moeder heeft verteld,Daarbuiten, in het vrije veld,Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauwEn hier en daar blinkt nog een ster,Maar langzaam schemert er van verr’Wat rozenrood en hemelsblaauw;Dan ziet men witte wolkjes dwalen,Doortrokken met een purpren tint;Dan komt, als waar’ ’t een koningskind,De zon, met al haar gouden stralen.—Zie! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,Die knielde vast van blijdschap neêr,En zou voor onzen Lieven HeerWel duizendmaal zijn handjes vouwen.Winterkoning.Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,Waart gij, o Winterkoning!Wij hebben bang op u gestaard,Al kleumend aan den killen haardIn onze leege woning!Wat was het eten vreeslijk duur,Wat was het drinken schraaltjes;Wat was het buiten bitter guur,Wat was er binnen weinig vuur,Wat was de plunje kaaltjes.Welop dan, hartjes! weest nu blij,En zingt eens uit den treuren!Daar is het zoele jaargetijMet duizend bloempjes, rij aan rij,Met kleuren en met geuren.Gij kwaamt alweêr dien Winter doorEn ziet weêr de Aard zich tooijen:Dankt God er voor, in juichend koor...En—zoo ook stem en hart bevroor,Zij zullen wel ontdooijen!Schoolexamen.April, April,Doet wat hij wil,En geeft, naar zijn behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zingen wij met luider stemEen lied voor hem,En hopen, dat het dezer dagenWel enkel, klinkklaar zonneschijnVoor ons zal zijn.April, April,Doet wat hij wil;Maar wie zich goed gedragen,Die hebben thans wel niet te klagen;Wie ’t heele jaar heeft opgepast,Die weet wel vast,Dat hij een’ prijs hier weg zal dragen,En met een’ halfbeschaamden lachBedanken mag.April, April!Doe wat je wil,En geef, naar uw behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zullen wij voor al het goed’,Wat men ons doet,U dankbaar in ons hartje dragen,—En groeten u, met zoet gezang,Ons leven lang.Voorjaarsdag.De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,De schaapjes die springen door ’t groenende gras,Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?Die Winter dat vond ik zoo’n akelig ding;Toen had ik het koud in mijn’ duffelsên jas,En denk ’reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!Maar nu is het lekker en zacht op het land;Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,Wij schelden hem luilak, die ’t laatste daar was.Voorjaarskoelte.Zoele, koele Zuidewind,Bode! wien ons hart bemint,Draagt gij op uw vleuglenpaarNiet den schoonsten tijd van ’t jaar?Bloemengeuren, frisch en zoet,Brengt gij, als der Lente groet;Vogelfluiten, bladgeruisch,Smelten in uw wiekgesuis.Goede vriend, zoo lang verwacht!Zeg ons! waait ge dag en nacht?Kom dan ’s nachts ook zonder schroom,En omzweef ons in den droom!Van zeven kikkertjes.Daar zaten zeven kikkertjesAl in een boerensloot,De sloot was toegevroren,Ze lagen hallef dood,Ze kwekten niet, ze kwaakten nietVan honger en verdriet.De jongste, die een wijsneus was,Zei tot zijn kameraads:“Die malle nachtegalen,Wat hadden die een praats!Was eerst het ijs maar in den dooi,Wij zongen eens zoo mooi!”De milde, lieve Lente kwam;....Zij kwaakten de oude wijs:Als zij dat zingen noemen,Wensch ik ze weêr in ’t ijs;Ik geef die kikkers allemaalVoor éénen nachtegaal.Lentelied.Voelt ge wel de koeltjes zweven;Riekt ge wel den zoeten geur?Kindertjes! dat is een leven!Lente staat weêr voor de deur:Laat haar binnen, laat haar binnen;Lentelief, die wij beminnen!Hoort ge wel dat slepend fluiten,Dat door alle vensters dringt?Nachtegaaltje slaat daarbuiten;Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!Laat hem binnen, laat hem binnen,’t Zangertje, dat wij beminnen!Neen! zet deur en venster open,Hangt aan kapstok hoed en jas,Máár—om prettig vrij te loopenDoor het frissche, malsche gras:Lente! toef nog, kom niet binnen,Buiten zullen we u beminnen.Meimaand.De vogels springen door de hegEn zingen uit den treuren;De Mei strooit bloesems langs den wegEn klopt aan alle deuren,En zie! daar komt bij ’t blij geluidHet jonge volk de huizen uit.Gij, kinders! zat een winter langTe kleumen en te treuren;Nu lijkt die lieve vogelzangUw hartjes op te beuren;Komt, zingt en springt dan nu om strijd,Zoo flink alsof gij vogels zijt.En zingt gij laag en zingt gij hoog,En zingt gij uit den treuren,En ziet gij aan des Hemels boogDe voorjaarsnevlen scheuren,Denkt dan aan onzen lieven Heer,Die bloesems geeft en Lenteweêr.Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,Dat ’s beter dan te treuren!Zingt vrij en blij uw Lente doorBij zonneschijn en geuren,En denkt—ook als gij ouder zijt—“Na winterdag komt lentetijd!”Mei-regen.Wie graag sterk wil zijn en groot,Groeijen wil ter degen,Loop’ maar met zijn hoofdje blootIn den zoelen regen!Wees niet angstig voor een spat,Frisch er in gesprongen,Vrees niet voor een drop of wat,Dreumes van een’ jongen!Zie de blômmetjes maar aan,Hoe ze ’t buitje drinken!Kijk maar goed, hoe op de blaânAl die druppels blinken!In dat lekkre, zoele natLigt des Hemels zegen;Daarom, dreumes! rep je wat,Loop ’reis in den regen!Groen takje.Groen takje, dat uit de aarde spruit,Wat zal er van u groeijen?Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,Zult ge als een roos of anjer bloeijen,Of zult gij geven lekker fruit?—Jong volkje! nu nog klein en teêr,Wat zal er van u groeijen?Zult gij tot schande meer en meer,Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,En vruchten dragen, God ter eer?Doch ’t plantje—zij het kwaad of goed.Och! kan niet anders groeijen;Gij—kunt, naar ligchaam en gemoedIn kracht en kunde en vroomheid bloeijen...Wanneer ge er maar uw best toe doet!Als gij dus wandelt in den hofEn plant en kruid ziet groeijen,Dan geev’ ’t u ruime dankensstof,Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijenTot vreugde of smart—tot schande of lof!Onkruid.Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,Wat is er uw hofje toch keurig!Het mijne dat lijkt wel een wildernis,Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!—Wel, geef dan een’ zoen... en ik leer je gaauwUw tuintje zoo netjes te hoûen;Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,De handjes wel flink uit de mouwen,En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,Daar ga je maar vlijtig aan ’t harken en wiên.—Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;En daarom, dat rooi je maar alle daag,Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!—Bloemkweeken.Ik heb een’ kleinen, kleinen tuin,Daar kweek ik bloemen in;En als mijn aardig zusje komt,Dan zing ik blij van zin:—“Klein kleuterke, klein kleuterke!Wat doet gij in mijn’ hof?Gij plukt er al de bloemkens afEn maakt het veel te grof!”—En als zij dan die plantjes ziet,Met zooveel zorg gekweekt,Dan wed ik, dat het lieve kindGeen van de bloempjes breekt.Klimop.Groene bladen, spits van punt,Hoekig aan de randen!Zeg eens hoe ge groeijen kuntAan die naakte wanden?—’k Lag versmeten voor de deur,Vuil en overloopen;Vond ik hier of daar een scheur,’k Ben er in gekropen.Ieder straaltje, dat ik ving,Gaf mij kracht en leven,Ieder druppel, die er hing,Deed mij hooger streven.Dankend onzen Lieven HeerVoor zijn zon en regen,Groeide ik daaglijks meer en meerIn des Hemels zegen.—Wie het kleinste niet versmaadt,Wat hem God wil geven,Die kan groeijen naar zijn’ staatEn tevreden leven!Appelboom.Wel, appelboom! wat sta je rijk,Gij lijkt wel éénen bloesem!Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,’k Zie enkel, enkel bloesem;Ik zie geen tak, ik zie geen’ blad;Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!En toch, ’t is pas een’ dag of wat,Terwijl ik keek naar buiten,Of ’k zag uw takken kaal en gladDaar slingren voor mijn ruiten,En ’k vroeg al aan de tuinmansvrouw,Of je ook gestorven wezen zou?“Neen,” zei ze toen, “neen, lieve schat!”En kneep mij in mijn kaken;“Neen, wacht nog maar een’ dag of wat,Dan staat hij als een laken:—En als ge braaf zijt, kleine man!Dan krijgt ge er nog wel appels van.”Grazen.Pluk bloemen, pluk bloemen,Pluk bloemen en gras!En wrijf die elkaârDoor het haarBij het stoeijen:Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijenEn bloeijen!En wie er een knorrig gezigtjeBij trekt,Of wie er bij geeuwt,Of bij schreeuwtAls wij stoeijen,Die ’hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijenEn bloeijen.Hij trekk’ maar naar huisEn hij kruip’ in den hoek,De brompot, die mortEn die knortBij het stoeijen:Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijenEn bloeijen!Kersentijd.Nu eens in ’t rond gesprongen,Gesprongen hand aan hand,Nu vrolijk eens gezongen,De Zomer is in ’t land;De bloesem van de boomenVloog lang reeds wijd en zijd;De Zomer is gekomen:Nu is het kersentijd!Wat zal ze lekker smakenDie kers, waar wijn in zit;Wat zullen wij haar krakenDie harde kersenpit;Och! waren we al gezetenVoor boordevolle schaal,Wij zouden er van etenAl was het honderdmaal.Kersenplukken.Kersen, kersen, zacht en rood,Hangen tusschen groene bladen;o! De boom is rijk geladen;Vang bij ’t plukken, in uw schoot,Kersen, kersen zacht en rood!Kersen, kersen, rijp en frisch,Is ’t niet om te watertanden?Kom, ik pluk met volle handen,’t Meest krijgt wie het handigst is,Kersen, kersen, rijp en frisch!Kersen, kersen van de Mei,Iedre maand de rozen bloeijen,...Alle maanden moest ge groeijenVoor der kindren zoeten rei,—Kersen, kersen van de Mei!Vogelnestje.Jongens! ginder zitten spreeuwen!Laat ons klimmen om het best;Ziet, ze kijken over ’t nest:Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!’t Oudje dat vliegt af en ân,Net alsof hij ’t raden kan.Och! wat kijkt dat beest verslagen;’k Vind het wel een beetje naar:—Jongens! of ’t niet beter waar’,’t Arme dier maar niet te plagen?Denkt eens als er iemand kwam,Die ons zoo van Moeder nam!Jonge vogeltjes.Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,Ze sprongen en ze zongen,Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,En bragten ze aan hun’ jongen;En ’t kleine volk in ’t nestje riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”En ’k dacht, toen ’k dat zoo aardig vond:“Ben ’k ook zoo’n dankbre jongen?”—En ’k ben mijn Moedertje terstondEens om den hals gesprongen;En Moeder pakte mij, toen ’k riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”Vogelen-lied.Klein vogelijn, op groenen tak!Wat zingt ge een lustig lied!Wij vinden in ons heele boekZoo’n vrolijk wijsje niet;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,Zoo keurig in de maat,En ’t hart dat popelt ons van vreugd,Wanneer uw keeltje gaat;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?o! Zeker is ’t de goede God,Die ’t u heeft toebetrouwd,Opdat gij aan der blinden oorZijn goedheid melden zoudt;o Ja! wij weten ’t, aardig beest!Wie of uw meester is geweest.Duifje.Duifje met uw blanke veêren!Vlieg je niet door alle weêr,Kan geen regenbui u derenAls ge ronddwaalt heinde en veer?Altijd proper is uw kuif,Zijn uw pluimpjes, blanke duif!—Waait het al te hard daar buiten,Ik kan thuis zijn als ik wil;’k Vind er alle mijn kornuitenIn de warme duiventil:Maar ter vlugt of op het slag,’k Net mijn veêrtjes alle dag!—Opgenebt en gladgestrekenMet wat waters uit mijn’ pot,Ben ik waard te zijn bekekenIn de lucht en in het kot:....Kinders! nu ge ’t kunstje weet,’k Bidje, dat ge ’t niet vergeet!—Roodborstje.Roodborstje, roodborstje, geestige dief!Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?’t Kooitje van koper en ’t bakje vol eten:Aardige springer! wat heb ik je lief!Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?—Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,Was er mijn eten ook lekker en keurig,Buiten in ’t bosch is het eens nog zoo fleurig:Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingenZoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!—Nachtegaal.Hoort, kindren! wat een klaar geluidDringt ginder door de bladren heen!De vogels zijn allang in slaap,En zóó, zoo zingt er zeker geen.Wie of zóó heerlijk zingen kan?’t Is waar, mijn hartje klopt er van!Stil!—Dat is vast de nachtegaal,Daar Moeder lest zooveel van zeî;’k Wist niet, dat dàt te hooren wasWanneer men ons te slapen leî,’k Had anders Moeder lang verzocht,Of ik wat laat naar bed toe mogt?Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,’k Woû, dat het voorjaar dan begon;Dan hoorde ik vast den nachtegaalWanneer ik ’s nachts niet slapen kon!—Zeg, Moeder! zingt dat lieve beestWel niet voor zieke kindren meest?In ’t bosch.Gij, lieve vogels, schuw en wild!Wat zijt ge met uw liedren mild,Wat kweelt ge blijde zangen!’t Is of er ’t heele bosch van trilt,Die toonen op te vangen!Het ruischt en suist van ieder blad,Alsof het vol met ooren zatEn ’t lieflijk lied kon hooren;Alsof het duizend tongen hadEn meê zong in uw koren.Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,Al stemmen in uw wild gezangDer kindren vrome wijzen;Wij wenschen met u, vaak en lang,Den goeden God te prijzen.Wensch.Ik woû dat ik een vogel was,Een vogeltje met veêren,Wat zou me kunnen deren?Ik vloog maar hoog, ik vloog maar rasEn niemand kon me keeren:Geen school of bed kwam meer te pasAls ik een vrije vogel was!—Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,Hoe dikwijls op de stangenDe lijsters blijven hangen,....Wat vinkjes onder ’t net gebragt,Wat snipjes zijn gevangen,En dat er menig vooglaar wachtOp dat onnoozele geslacht?—Al vloog je hoog, al vloog je ras,....Die lastige gewerenZe zouden je wel keeren:Wat hielp dan of je een vogel was,Een vogeltje met veêren?Geloof me (’t komt nog best van pas):Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!—Honigbijen.Wel zoete honig zuigt de bijUit bloem en geurig kruid;Gij, lieve kinders! doet als zij:Gaat in uw lente niets voorbij,Of trekt er leering uit.En in haar huis van klevend wasDaar heeft ze zaâmgegaardAl wat ze vond in veld of kas;—De bloemkens, kindren! dorren ras!Wie wijs is, die bewaart!Doet ook zoo in uw blijde jeugd,Waar alles bloesem draagt;Wat is het, later dan, een vreugd,Als u op ouden dag nog heugt,Wat ge in uw jonkheid zaagt!’t Verdwaalde lam.Lammetje! loop je zoo eenzaam te blatenOver de hei?Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?Bleef je niet liever daarginds op de wei?Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,Hier is geen schaduw om onder te rusten,....En als je dan nog zoo klein maar niet was!—Kindren! ik had al zoo lang loopen spelenGinds op de weî;Altijd dat grazen begon te vervelen,’k Woû weleens zien hoe het was op de heî.Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,’k Zoek er mijn moedertje, ’k zoek er mijn vrinden,’k Zoek om wat gras en wat water te vinden:Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!—Schaapje! wij zullen den weg u wel leerenOver de hei,Ga maar met ons en geen leed zal je deren,Zeker! wij brengen u weêr op de weî.Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!De herder.Daarbuiten op de weideGaan lam’ren, klein en groot;Zij grazen van den morgenTot aan het avondrood.Opdat geen leed hen deren,Geen lam verdwalen zou,Bewaakt een wakkre herderDe kudde vroom en trouw!Maar meer nog dan de herderDe lammerkens bewaakt,Waakt God voor brave kindren,Dat hun geen onheil naakt;Hij ziet van uit den HemelBehoedend op ons neêr,En als we onwetend dwalen,Voert hij ten goede ons weêr!Kleeding.Lelie, met uw wit gewaad!Roosje, met uw purpren hoedje!De arme knaap en ’t meisje groet-je...En ze vinden, inderdaad,Dat uw tooi u prachtig staat.Ziet de knaap zijn halfsleets buisDigt bezaaid met menig lapje,Ziet het meisjen op haar kapje,Hier vol gleedjes,—daar vol pluis...Half bedroefd gaan zij naar huis!Maar als moeder dáár, zoo blij,Zit te naaijen en te stikken,Om die plunjes op te flikken,—Bloempjes! och dan vinden wijOns gelukkiger dan gij!Of men veel of weinig heeft....Ieder kunnen wij behagen,Als wij knap en dankbaar dragenWat de hand der liefde ons geeft;—Of men veel of weinig heeft!Geärmd.Honger, honger! leelijk woord,Als een leêge maag u hoort!Als de tanden watertanden,En men staat met leêge handen....Als ge op volle schaal of mandenGretig u een’ blik verstout,—Maar de maag vacantie houdt.Doch—hoe lastig gij soms zijt,Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,Zullen we u graag welkom heetenAls we happig zijn gezetenVoor een’ schotel lekker eten....Grage tand de spijs vermaalt,Zelf verdiend en zelf betaald!Daarom roept ons blij gezang:Lieve Honger! plaag ons lang!Rijk en ziek zou menigmalen(Kon het!) u met goud betalen—Ons zult gij zoo ligt niet falen;Maar verlangt gij dank en prijs,Kom dan (kan ’t!) geärmd met.... spijs!De kleine bedelaarster.Daar liep een meisje langs den weg;Haar oogjes waren rood:“Ik weet in ’t land geen heg of steg,Mijn vader en moeder zijn dood,Mijn oudste broêr die is soldaat;Och had ik maar werk, dan wist ik raad!”Dat zag een brave boerenvrouwEn zei: “Mijn lieve kind!Wat loop je barvoets in de koûEn huilt er uw kijkertjes blind!Wie werken wil, vindt altijd raad!Voor jou heb ik nog wel overdaad.”—Ze werkte laat, ze werkte vroegEn diende braaf en trouw;Een boertje flink en rijk genoegDie haalde haar thuis als zijn vrouw;Maar had ze toen ook overdaad,Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.Van glas.Wanneer het maar voor ’t geven was,Dan gaf ik ieder kind,Dat graag wou zijn bemind,Een hartje van het fijnste glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!“’t Is zaak dat ik er goed op pass’!”Dacht ieder dan (hoe klein!)“Want, houd ik het niet rein,Dan ziet men gaauw een smet op ’t glas;Op ’t glas.... op ’t glas?Ja wel op ’t glas!”En—heeft het eerst een barst of krasZij gaan er nooit weêr uitEn ’t geeft een valsch geluidWanneer er iemand tikt aan ’t glas;Aan ’t glas.... aan ’t glas!Ja wel aan ’t glas!Och! dat het maar voor ’t geven was....Doch zie! ’t is even goedWanneer ge, o kindren! doet,Alsòf uw hartje waar’ van glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!Nemen en geven.Ei! goeden morgen, Peereboom!Wat zijt ge rijk geladen;Ik zie, van welken kant ik koom’,Meer vruchten haast dan bladen;’t Is waarlijk, of zich blad bij bladIn peer bij peer veranderd had.En waar gij, lieve Peereboom!Zoo heerlijk staat te prijken,Roept Vader:—“Jongen! nu niet loomDaaronder staan te kijken;Kom flink er in—zoo’n groote schatBlijft groot nog, al verliest hij wat!”Dus, allerbeste Peereboom!Zal ’k maar niet lang meer temenEn van uw peertjes zonder schroomEen fermen zak vol nemen;En ’k geef dan elken buurknaap wat,Die zulk een milden boom niet had.Vlieger oplaten.Vieren, vieren!.... achteruit!....Zal uw vlieger stijgen kunnenMoet ge hem de strengen gunnen,Of de kans die is verbruid:Geef uw vlieger vrije lucht,Geef hem ruimte voor zijn vlugt.Loopen, loopen, wat je kan!Als uw vlieger neêr wil dalenMoet ge hem weêr op gaan halen,Met een strakker, straffer span:Zonder moeite geen plêzierMet dat vliegende papier.Palmen, palmen, wat je mag!Kunt ge hem niet boven houên,Zorg ten minste voor uw touwen....’t Is een les voor d’ ouden dag:Wie dat alles tijdig kan,Die wordt een verstandig man.Blindemannetje.Stoelen en stoven op ziĵ,Dat hij zijn voetjes niet stoot;’t Heeft geen nood!—Loop hem voorbij,Trek hem op ziĵ.Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.Kijk! wat hij rondloopt en tast!Sliep uit, dat ’s mis, kameraad!....’t Is te laat!Raagbol en kwast,Hoû ze maar vast!—Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.Meisjes! wat kraakt er uw kleed!Jongens! uw fluistren verraadtWaar je staat!Eer dat ge ’t weet,Heeft hij je beet!....Blindeman, Blindeman!Hoû wat je kan:Je bent weêr ziende, man!Onze manieren.Tusschen Keulen en ParijsLeît de weg naar Rome:Al die met ons meê wil gaan,Die moet onze manieren verstaan:Goeiĵe manieren,Zoete manieren,Zoo zijn onze manieren.Ben je klein of ben je groot,Altijd kan je leeren;Woudt ge gaarne zijn bemind,Houdt maar onze manieren te vrind:Brave manieren,Vrome manieren,Zoo zijn onze manieren.Ben je niet van Hollandsch bloed,Woudt ge dat niet blijven?Houdt dan, kindren! waar het past,Houdt dan Hollands manieren maar vast;Oûwe manieren,Trouwe manieren,Zoo zijn onze manieren.Voor de smidse.Heisa! dat hamert er lustig op toe,Smidje! vertel me ’reis, wordt ge niet moê?Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,Waart gij al lang aan het smeden en slaan;Oef! wat een werken en zweeten is dat,Wacht eens een omzien en rust ereis wat!—Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,Maar van het smeden versta je geen’ duit;’t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;Denkt er om, jongens! ’t is goed, dat ge ’t weet:IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!—Haasje.Haasje zat in ’t rijpend koren,Knabblend aan het groene kruid;—Haasje, haasje! kijk wat uit,Klonk daar niet een jagershoren?Klonk daar niet een paardedraf?Klonk daar niet een hondgeblaf?“Nog een blaadje, nog een kruidje,....Ik kan loopen, hard genoeg,’t Is, warempel! nog te vroeg,Nog dat ééne, kleine spruitje....”Paf!.... daar knalde het geweer,’t Haasje dat viel bloedend neêr!Haasje, haasje! ’t kan me spijten,Maar uw lot dat is verdiend:Waart ge minder gulzig, vriend!Zou de hond je nu niet bijten:Wie niet hoort naar goeden raad,Die beklaagt het zich te laat!’t Jagertje.Jaapje woû een veldhoen schieten,En hij trof zijns buurmans schaap.Ieder zeî: Wat domme knaap!—Jaapje liet zich ’t niet verdrieten,En hij laadde zijn geweerVoor een’ ander’ keer.Met zoo greep hij ’t in zijn handen,Schoot en trof een vetten haas;Ieder riep: Je bent een baas!—Jaapje liet ze watertanden,En hij bragt hem blij te moêNaar zijn’ buurman toe.—’k Heb in vroeger tijd gelezen:“Hans komt door zijn domheid voort!”’t Is niet altijd waar, dat woord,Mag ’t ook nu en dan eens wezen;Maar, wanneer ge een domheid doet,Maak haar gaauw weêr goed!October.Kijk! October is in ’t land!Vol van appels buigen, zakken,Knakken haast, de dikste takken,Geef een mand!Neen! geef duizend, duizend manden!Pluk en raap, met volle handen,Doe, van al dien overvloed,Nu uw buikje eens regt te goed.Maar, bedenk het, jonge borst!’t Is (hoeveel gij ook moogt garen)Goed—een appeltje te sparenVoor den dorst!Als de winter is gekomen,Vindt ge er geen meer aan de boomen,En uw al te grage tandBijt ligt in een leêge mand!Zoo ’t voor appel geldt en peer,Lieve kind!—in rijper jarenZult gij zien, dat zóó te sparenGeldt voor meer!....Wil dus vroeg en jong beginnenSteeds te sparen van uw winnen,Om te maken, dat gij, oud,Appels voor den dorst behoudt.Sint-Nicolaas.Zie, de maan schijnt door de boomen,Makkers! staakt uw wild geraas;’t Heerlijk avendje is gekomen,’t Avendje van Sint-Niclaas!Van verwachting klopt ons hart,Wie de koek krijgt, wie de gard!o! Wat pret zal ’t zijn te spelenMet dien bonten arlekijn!Eerlijk zullen we alles deelen,Suikergoed en marsepijn;Maar, o wee! wat bittre smart,Kregen wij voor koek, een gard!Doch ik vrees niet, dat wij klagen,Vader, Moeder zijn te goed!Waren we ook niet alle dagen,Véle waren wij toch zoet!Ban dus vrij de vrees van ’t hart,’k Wed, er ligt geen enkle gard!Sneeuwballen.Sneeuw bedekt de landen:Wascht de kille handenDat ze tintlend branden,Kneedt den sneeuwbal vast;Krachtig de’ arm geheven,Fiksch den bal gedreven:Ha! dat is een leven,Dat aan jongens past!Koudkleum mag zich warmenIn zijn Moeders armen,Schreijen om erbarmen,Als de bal hem raakt;Laat de kagchel gloeijen,....Ons zal door het stoeijen’t Bloed wel sneller vloeijen,Waar de sneeuwbal kraakt!Winteravond.Zoo’n winteravond mag ik wel,Al stormt het wat daarbuiten,Al klettert ook de hagel schelEn ram’lend langs de ruiten;Hierbinnen is een fiksche gloedEn chocolade, warm en zoet,En knappende beschuiten.Wij vroegen om dat lekkers niet,Maar laten het ons smaken,En zingen soms een vrolijk lied,Dat kindren kan vermaken;En leêgen menig groote schaal,En hooren menig vreemd verhaalVan allerhande zaken.Maar zijn we aan ’t einde van de pret,En wordt het vuurtje zwakker,Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,En groeten vriend en makker;Dan leggen wij ons dankbaar neêr,En bidden: “o! Behoed ons, Heer!En maak gezond ons wakker!”Naar bed.Kindertjes! zijt ge nog niet moê?—Of gij uw oogjes al wilt wrijven,Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;Vroeg je niet om ’reis op te blijven?Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;Kindertjes! komt, uw bedje wacht!Is het niet of uw hartje slaapt?—Worden uw koontjes niet al strakker?Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!Kleedt je dan uit en bidt den Heer;Kindertjes! komt, ’t is tijd en meer!Maneschijn.Die klare, heldre maneschijn,Wat houdt hij trouw de wacht!Ik kruip maar achter mijn gordijnEn slaap den heelen nacht.Kijk vrij door ’t venster met uw licht,Gij allerliefste maan!Ik knijp maar beî mijn oogjes digtEn laat je buiten staan.Als morgen vroeg de zon opgaat,Spring ik weêr voor den dag;En wensch dan, beste kameraad!Dat je ook eens slapen mag.Avondbede.Kinders! zult ge slapen gaan,Bidt met zulk een vroom gemoed,Of ge ’t voor het leste doetEn misschien niet op zult staan.Dankt voor ’t goeds, wat God u gaf,Hem, die ’t u geschonken heeft;Smeekt voor ’t kwaad, wat gij bedreeft,Onzen Heer vergeving af.De oogjes, door den slaap bezwaard,Mogen dan ter ruste gaan;Vrolijk zult ge ze openslaanIn den Hemel of op aard’.Engelen.In den Bijbel staat geschreven,Dat Gods Englen ons omzweven,En bewaken in den nacht;Dat geen boosheid ons kan hindrenEn dat alle vrome kindrenVeilig slapen in hun wacht!Dikwijls als ik had gebedenWas ’t, of op mijn oogeledenNog een nachtkus werd gedrukt:Zou dat niet een Engel wezen,Dacht ik—en met heilig vreezenHeb ik ’t hoofd ter rust gebukt.
Dageraad.Wel zoo! gij schoone dageraad!Wat zeggen ons de liên,Komt gij met rozen in uw’ mond?Dat mogt ik weleens zien!En plukt gij ieder’ knaap of maagd,Die langer slaapt dan gij,Een roosje van de volle wangWanneer ge gaat voorbij?En geeft gij ieder’ knaap of maagd,Die korter slaapt dan gij,Twee roosjes uit uw rijken schatWanneer ge gaat voorbij?—Op, kinders! op, het schemert al,Daar komt de Dageraad!—Hij houdt wel veel van bleek te zien,Die nu niet op en staat!
Wel zoo! gij schoone dageraad!Wat zeggen ons de liên,Komt gij met rozen in uw’ mond?Dat mogt ik weleens zien!
Wel zoo! gij schoone dageraad!
Wat zeggen ons de liên,
Komt gij met rozen in uw’ mond?
Dat mogt ik weleens zien!
En plukt gij ieder’ knaap of maagd,Die langer slaapt dan gij,Een roosje van de volle wangWanneer ge gaat voorbij?
En plukt gij ieder’ knaap of maagd,
Die langer slaapt dan gij,
Een roosje van de volle wang
Wanneer ge gaat voorbij?
En geeft gij ieder’ knaap of maagd,Die korter slaapt dan gij,Twee roosjes uit uw rijken schatWanneer ge gaat voorbij?—
En geeft gij ieder’ knaap of maagd,
Die korter slaapt dan gij,
Twee roosjes uit uw rijken schat
Wanneer ge gaat voorbij?—
Op, kinders! op, het schemert al,Daar komt de Dageraad!—Hij houdt wel veel van bleek te zien,Die nu niet op en staat!
Op, kinders! op, het schemert al,
Daar komt de Dageraad!—
Hij houdt wel veel van bleek te zien,
Die nu niet op en staat!
Morgenlied.Kinderkens! ’t is uchtend!Komt ter slaapsteê uit!Hoort! de voglen zingenReeds met zoet geluid.’t Haantje roept u wakker,Hoort! hij kraait uw’ naam,En de boomtak tikt uTegen ’t vensterraam.Langer niet geslapen!Doopt uw hoofd in ’t nat,Dat het frissche waterOm uwe ooren spatt’:Veel moet nog begonnen,Veel is nog te doen;Kinderkens! wordt wakker;Al te ras is ’t Noen!11Noen: middag.
Kinderkens! ’t is uchtend!Komt ter slaapsteê uit!Hoort! de voglen zingenReeds met zoet geluid.’t Haantje roept u wakker,Hoort! hij kraait uw’ naam,En de boomtak tikt uTegen ’t vensterraam.
Kinderkens! ’t is uchtend!
Komt ter slaapsteê uit!
Hoort! de voglen zingen
Reeds met zoet geluid.
’t Haantje roept u wakker,
Hoort! hij kraait uw’ naam,
En de boomtak tikt u
Tegen ’t vensterraam.
Langer niet geslapen!Doopt uw hoofd in ’t nat,Dat het frissche waterOm uwe ooren spatt’:Veel moet nog begonnen,Veel is nog te doen;Kinderkens! wordt wakker;Al te ras is ’t Noen!1
Langer niet geslapen!
Doopt uw hoofd in ’t nat,
Dat het frissche water
Om uwe ooren spatt’:
Veel moet nog begonnen,
Veel is nog te doen;
Kinderkens! wordt wakker;
Al te ras is ’t Noen!1
1Noen: middag.
1Noen: middag.
Weddenschap.Ei roosje! kijk eens uit uw’ knop,Of ’t niet haast dag zal wezen!Kom, steek uw kopje veilig op,Ge hebt geen leed te vreezen;Of ziet ge mij niet voor u staan,Met al mijn beste kleêrtjes aan?Had Moeder gistren niet gewed,Dat gij al lang zoudt prijken,Eer ik, nog domlend in het bed,Uit mijn gordijn zou kijken!—Ei, sliep uit! ’k ben al lang gekleed,En gij zijt nog niet half gereed!Maar ’k ben ook vroeg naar bed gegaan:Daar zal het wel van komen,Dat ik het eerst nu op kon staan,En gij nog staat te droomen:—Och, Moederlief! och zeg me noû,Wie dacht u, dat het winnen zoû?
Ei roosje! kijk eens uit uw’ knop,Of ’t niet haast dag zal wezen!Kom, steek uw kopje veilig op,Ge hebt geen leed te vreezen;Of ziet ge mij niet voor u staan,Met al mijn beste kleêrtjes aan?
Ei roosje! kijk eens uit uw’ knop,
Of ’t niet haast dag zal wezen!
Kom, steek uw kopje veilig op,
Ge hebt geen leed te vreezen;
Of ziet ge mij niet voor u staan,
Met al mijn beste kleêrtjes aan?
Had Moeder gistren niet gewed,Dat gij al lang zoudt prijken,Eer ik, nog domlend in het bed,Uit mijn gordijn zou kijken!—Ei, sliep uit! ’k ben al lang gekleed,En gij zijt nog niet half gereed!
Had Moeder gistren niet gewed,
Dat gij al lang zoudt prijken,
Eer ik, nog domlend in het bed,
Uit mijn gordijn zou kijken!—
Ei, sliep uit! ’k ben al lang gekleed,
En gij zijt nog niet half gereed!
Maar ’k ben ook vroeg naar bed gegaan:Daar zal het wel van komen,Dat ik het eerst nu op kon staan,En gij nog staat te droomen:—Och, Moederlief! och zeg me noû,Wie dacht u, dat het winnen zoû?
Maar ’k ben ook vroeg naar bed gegaan:
Daar zal het wel van komen,
Dat ik het eerst nu op kon staan,
En gij nog staat te droomen:—
Och, Moederlief! och zeg me noû,
Wie dacht u, dat het winnen zoû?
Zons-opgang.Och! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Doch, naar ik gistren heb gelezenEn zoo mij Moeder heeft verteld,Daarbuiten, in het vrije veld,Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauwEn hier en daar blinkt nog een ster,Maar langzaam schemert er van verr’Wat rozenrood en hemelsblaauw;Dan ziet men witte wolkjes dwalen,Doortrokken met een purpren tint;Dan komt, als waar’ ’t een koningskind,De zon, met al haar gouden stralen.—Zie! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,Die knielde vast van blijdschap neêr,En zou voor onzen Lieven HeerWel duizendmaal zijn handjes vouwen.
Och! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Doch, naar ik gistren heb gelezenEn zoo mij Moeder heeft verteld,Daarbuiten, in het vrije veld,Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.
Och! ’t is wel aardig in mijn’ tuin
Als ’s morgens vroeg de zon opgaat,
Maar ’k woon zoo midden in een straat,
Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—
Doch, naar ik gistren heb gelezen
En zoo mij Moeder heeft verteld,
Daarbuiten, in het vrije veld,
Dáár, kindren! moet dat heerlijk wezen.
Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauwEn hier en daar blinkt nog een ster,Maar langzaam schemert er van verr’Wat rozenrood en hemelsblaauw;Dan ziet men witte wolkjes dwalen,Doortrokken met een purpren tint;Dan komt, als waar’ ’t een koningskind,De zon, met al haar gouden stralen.—
Dan, zeî ze, is eerst de lucht nog graauw
En hier en daar blinkt nog een ster,
Maar langzaam schemert er van verr’
Wat rozenrood en hemelsblaauw;
Dan ziet men witte wolkjes dwalen,
Doortrokken met een purpren tint;
Dan komt, als waar’ ’t een koningskind,
De zon, met al haar gouden stralen.—
Zie! ’t is wel aardig in mijn’ tuinAls ’s morgens vroeg de zon opgaat,Maar ’k woon zoo midden in een straat,Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,Die knielde vast van blijdschap neêr,En zou voor onzen Lieven HeerWel duizendmaal zijn handjes vouwen.
Zie! ’t is wel aardig in mijn’ tuin
Als ’s morgens vroeg de zon opgaat,
Maar ’k woon zoo midden in een straat,
Zoo tusschen muren, grijs en bruin:—
Och! wie dat buiten mogt aanschouwen,
Die knielde vast van blijdschap neêr,
En zou voor onzen Lieven Heer
Wel duizendmaal zijn handjes vouwen.
Winterkoning.Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,Waart gij, o Winterkoning!Wij hebben bang op u gestaard,Al kleumend aan den killen haardIn onze leege woning!Wat was het eten vreeslijk duur,Wat was het drinken schraaltjes;Wat was het buiten bitter guur,Wat was er binnen weinig vuur,Wat was de plunje kaaltjes.Welop dan, hartjes! weest nu blij,En zingt eens uit den treuren!Daar is het zoele jaargetijMet duizend bloempjes, rij aan rij,Met kleuren en met geuren.Gij kwaamt alweêr dien Winter doorEn ziet weêr de Aard zich tooijen:Dankt God er voor, in juichend koor...En—zoo ook stem en hart bevroor,Zij zullen wel ontdooijen!
Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,Waart gij, o Winterkoning!Wij hebben bang op u gestaard,Al kleumend aan den killen haardIn onze leege woning!
Hoe grijs van haar, hoe wit van baard,
Waart gij, o Winterkoning!
Wij hebben bang op u gestaard,
Al kleumend aan den killen haard
In onze leege woning!
Wat was het eten vreeslijk duur,Wat was het drinken schraaltjes;Wat was het buiten bitter guur,Wat was er binnen weinig vuur,Wat was de plunje kaaltjes.
Wat was het eten vreeslijk duur,
Wat was het drinken schraaltjes;
Wat was het buiten bitter guur,
Wat was er binnen weinig vuur,
Wat was de plunje kaaltjes.
Welop dan, hartjes! weest nu blij,En zingt eens uit den treuren!Daar is het zoele jaargetijMet duizend bloempjes, rij aan rij,Met kleuren en met geuren.
Welop dan, hartjes! weest nu blij,
En zingt eens uit den treuren!
Daar is het zoele jaargetij
Met duizend bloempjes, rij aan rij,
Met kleuren en met geuren.
Gij kwaamt alweêr dien Winter doorEn ziet weêr de Aard zich tooijen:Dankt God er voor, in juichend koor...En—zoo ook stem en hart bevroor,Zij zullen wel ontdooijen!
Gij kwaamt alweêr dien Winter door
En ziet weêr de Aard zich tooijen:
Dankt God er voor, in juichend koor...
En—zoo ook stem en hart bevroor,
Zij zullen wel ontdooijen!
Schoolexamen.April, April,Doet wat hij wil,En geeft, naar zijn behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zingen wij met luider stemEen lied voor hem,En hopen, dat het dezer dagenWel enkel, klinkklaar zonneschijnVoor ons zal zijn.April, April,Doet wat hij wil;Maar wie zich goed gedragen,Die hebben thans wel niet te klagen;Wie ’t heele jaar heeft opgepast,Die weet wel vast,Dat hij een’ prijs hier weg zal dragen,En met een’ halfbeschaamden lachBedanken mag.April, April!Doe wat je wil,En geef, naar uw behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zullen wij voor al het goed’,Wat men ons doet,U dankbaar in ons hartje dragen,—En groeten u, met zoet gezang,Ons leven lang.
April, April,Doet wat hij wil,En geeft, naar zijn behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zingen wij met luider stemEen lied voor hem,En hopen, dat het dezer dagenWel enkel, klinkklaar zonneschijnVoor ons zal zijn.
April, April,
Doet wat hij wil,
En geeft, naar zijn behagen,
Ons zonneschijn of hagelvlagen;
Toch zingen wij met luider stem
Een lied voor hem,
En hopen, dat het dezer dagen
Wel enkel, klinkklaar zonneschijn
Voor ons zal zijn.
April, April,Doet wat hij wil;Maar wie zich goed gedragen,Die hebben thans wel niet te klagen;Wie ’t heele jaar heeft opgepast,Die weet wel vast,Dat hij een’ prijs hier weg zal dragen,En met een’ halfbeschaamden lachBedanken mag.
April, April,
Doet wat hij wil;
Maar wie zich goed gedragen,
Die hebben thans wel niet te klagen;
Wie ’t heele jaar heeft opgepast,
Die weet wel vast,
Dat hij een’ prijs hier weg zal dragen,
En met een’ halfbeschaamden lach
Bedanken mag.
April, April!Doe wat je wil,En geef, naar uw behagen,Ons zonneschijn of hagelvlagen;Toch zullen wij voor al het goed’,Wat men ons doet,U dankbaar in ons hartje dragen,—En groeten u, met zoet gezang,Ons leven lang.
April, April!
Doe wat je wil,
En geef, naar uw behagen,
Ons zonneschijn of hagelvlagen;
Toch zullen wij voor al het goed’,
Wat men ons doet,
U dankbaar in ons hartje dragen,—
En groeten u, met zoet gezang,
Ons leven lang.
Voorjaarsdag.De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,De schaapjes die springen door ’t groenende gras,Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?Die Winter dat vond ik zoo’n akelig ding;Toen had ik het koud in mijn’ duffelsên jas,En denk ’reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!Maar nu is het lekker en zacht op het land;Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,Wij schelden hem luilak, die ’t laatste daar was.
De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,De schaapjes die springen door ’t groenende gras,Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.
De boomen ontluiken, de bloesem komt uit,
De vogeltjes zingen met lieflijk geluid,
De schaapjes die springen door ’t groenende gras,
Ik spring met ze meê, of ik zelf er een was.
En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?Die Winter dat vond ik zoo’n akelig ding;Toen had ik het koud in mijn’ duffelsên jas,En denk ’reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!
En weet ge, wáárom ik zoo spring en zoo zing?
Die Winter dat vond ik zoo’n akelig ding;
Toen had ik het koud in mijn’ duffelsên jas,
En denk ’reis, hoe koud dan een beedlaar wel was!
Maar nu is het lekker en zacht op het land;Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,Wij schelden hem luilak, die ’t laatste daar was.
Maar nu is het lekker en zacht op het land;
Weg, mantel en das! in de kas aan den wand;
Komt, jongens! naar buiten, en houdt je maar kras,
Wij schelden hem luilak, die ’t laatste daar was.
Voorjaarskoelte.Zoele, koele Zuidewind,Bode! wien ons hart bemint,Draagt gij op uw vleuglenpaarNiet den schoonsten tijd van ’t jaar?Bloemengeuren, frisch en zoet,Brengt gij, als der Lente groet;Vogelfluiten, bladgeruisch,Smelten in uw wiekgesuis.Goede vriend, zoo lang verwacht!Zeg ons! waait ge dag en nacht?Kom dan ’s nachts ook zonder schroom,En omzweef ons in den droom!
Zoele, koele Zuidewind,Bode! wien ons hart bemint,Draagt gij op uw vleuglenpaarNiet den schoonsten tijd van ’t jaar?
Zoele, koele Zuidewind,
Bode! wien ons hart bemint,
Draagt gij op uw vleuglenpaar
Niet den schoonsten tijd van ’t jaar?
Bloemengeuren, frisch en zoet,Brengt gij, als der Lente groet;Vogelfluiten, bladgeruisch,Smelten in uw wiekgesuis.
Bloemengeuren, frisch en zoet,
Brengt gij, als der Lente groet;
Vogelfluiten, bladgeruisch,
Smelten in uw wiekgesuis.
Goede vriend, zoo lang verwacht!Zeg ons! waait ge dag en nacht?Kom dan ’s nachts ook zonder schroom,En omzweef ons in den droom!
Goede vriend, zoo lang verwacht!
Zeg ons! waait ge dag en nacht?
Kom dan ’s nachts ook zonder schroom,
En omzweef ons in den droom!
Van zeven kikkertjes.Daar zaten zeven kikkertjesAl in een boerensloot,De sloot was toegevroren,Ze lagen hallef dood,Ze kwekten niet, ze kwaakten nietVan honger en verdriet.De jongste, die een wijsneus was,Zei tot zijn kameraads:“Die malle nachtegalen,Wat hadden die een praats!Was eerst het ijs maar in den dooi,Wij zongen eens zoo mooi!”De milde, lieve Lente kwam;....Zij kwaakten de oude wijs:Als zij dat zingen noemen,Wensch ik ze weêr in ’t ijs;Ik geef die kikkers allemaalVoor éénen nachtegaal.
Daar zaten zeven kikkertjesAl in een boerensloot,De sloot was toegevroren,Ze lagen hallef dood,Ze kwekten niet, ze kwaakten nietVan honger en verdriet.
Daar zaten zeven kikkertjes
Al in een boerensloot,
De sloot was toegevroren,
Ze lagen hallef dood,
Ze kwekten niet, ze kwaakten niet
Van honger en verdriet.
De jongste, die een wijsneus was,Zei tot zijn kameraads:“Die malle nachtegalen,Wat hadden die een praats!Was eerst het ijs maar in den dooi,Wij zongen eens zoo mooi!”
De jongste, die een wijsneus was,
Zei tot zijn kameraads:
“Die malle nachtegalen,
Wat hadden die een praats!
Was eerst het ijs maar in den dooi,
Wij zongen eens zoo mooi!”
De milde, lieve Lente kwam;....Zij kwaakten de oude wijs:Als zij dat zingen noemen,Wensch ik ze weêr in ’t ijs;Ik geef die kikkers allemaalVoor éénen nachtegaal.
De milde, lieve Lente kwam;....
Zij kwaakten de oude wijs:
Als zij dat zingen noemen,
Wensch ik ze weêr in ’t ijs;
Ik geef die kikkers allemaal
Voor éénen nachtegaal.
Lentelied.Voelt ge wel de koeltjes zweven;Riekt ge wel den zoeten geur?Kindertjes! dat is een leven!Lente staat weêr voor de deur:Laat haar binnen, laat haar binnen;Lentelief, die wij beminnen!Hoort ge wel dat slepend fluiten,Dat door alle vensters dringt?Nachtegaaltje slaat daarbuiten;Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!Laat hem binnen, laat hem binnen,’t Zangertje, dat wij beminnen!Neen! zet deur en venster open,Hangt aan kapstok hoed en jas,Máár—om prettig vrij te loopenDoor het frissche, malsche gras:Lente! toef nog, kom niet binnen,Buiten zullen we u beminnen.
Voelt ge wel de koeltjes zweven;Riekt ge wel den zoeten geur?Kindertjes! dat is een leven!Lente staat weêr voor de deur:Laat haar binnen, laat haar binnen;Lentelief, die wij beminnen!
Voelt ge wel de koeltjes zweven;
Riekt ge wel den zoeten geur?
Kindertjes! dat is een leven!
Lente staat weêr voor de deur:
Laat haar binnen, laat haar binnen;
Lentelief, die wij beminnen!
Hoort ge wel dat slepend fluiten,Dat door alle vensters dringt?Nachtegaaltje slaat daarbuiten;Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!Laat hem binnen, laat hem binnen,’t Zangertje, dat wij beminnen!
Hoort ge wel dat slepend fluiten,
Dat door alle vensters dringt?
Nachtegaaltje slaat daarbuiten;
Hoort, hoe zuiver dat hij zingt!
Laat hem binnen, laat hem binnen,
’t Zangertje, dat wij beminnen!
Neen! zet deur en venster open,Hangt aan kapstok hoed en jas,Máár—om prettig vrij te loopenDoor het frissche, malsche gras:Lente! toef nog, kom niet binnen,Buiten zullen we u beminnen.
Neen! zet deur en venster open,
Hangt aan kapstok hoed en jas,
Máár—om prettig vrij te loopen
Door het frissche, malsche gras:
Lente! toef nog, kom niet binnen,
Buiten zullen we u beminnen.
Meimaand.De vogels springen door de hegEn zingen uit den treuren;De Mei strooit bloesems langs den wegEn klopt aan alle deuren,En zie! daar komt bij ’t blij geluidHet jonge volk de huizen uit.Gij, kinders! zat een winter langTe kleumen en te treuren;Nu lijkt die lieve vogelzangUw hartjes op te beuren;Komt, zingt en springt dan nu om strijd,Zoo flink alsof gij vogels zijt.En zingt gij laag en zingt gij hoog,En zingt gij uit den treuren,En ziet gij aan des Hemels boogDe voorjaarsnevlen scheuren,Denkt dan aan onzen lieven Heer,Die bloesems geeft en Lenteweêr.Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,Dat ’s beter dan te treuren!Zingt vrij en blij uw Lente doorBij zonneschijn en geuren,En denkt—ook als gij ouder zijt—“Na winterdag komt lentetijd!”
De vogels springen door de hegEn zingen uit den treuren;De Mei strooit bloesems langs den wegEn klopt aan alle deuren,En zie! daar komt bij ’t blij geluidHet jonge volk de huizen uit.
De vogels springen door de heg
En zingen uit den treuren;
De Mei strooit bloesems langs den weg
En klopt aan alle deuren,
En zie! daar komt bij ’t blij geluid
Het jonge volk de huizen uit.
Gij, kinders! zat een winter langTe kleumen en te treuren;Nu lijkt die lieve vogelzangUw hartjes op te beuren;Komt, zingt en springt dan nu om strijd,Zoo flink alsof gij vogels zijt.
Gij, kinders! zat een winter lang
Te kleumen en te treuren;
Nu lijkt die lieve vogelzang
Uw hartjes op te beuren;
Komt, zingt en springt dan nu om strijd,
Zoo flink alsof gij vogels zijt.
En zingt gij laag en zingt gij hoog,En zingt gij uit den treuren,En ziet gij aan des Hemels boogDe voorjaarsnevlen scheuren,Denkt dan aan onzen lieven Heer,Die bloesems geeft en Lenteweêr.
En zingt gij laag en zingt gij hoog,
En zingt gij uit den treuren,
En ziet gij aan des Hemels boog
De voorjaarsnevlen scheuren,
Denkt dan aan onzen lieven Heer,
Die bloesems geeft en Lenteweêr.
Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,Dat ’s beter dan te treuren!Zingt vrij en blij uw Lente doorBij zonneschijn en geuren,En denkt—ook als gij ouder zijt—“Na winterdag komt lentetijd!”
Mijn vogelkoor, mijn kinderkoor,
Dat ’s beter dan te treuren!
Zingt vrij en blij uw Lente door
Bij zonneschijn en geuren,
En denkt—ook als gij ouder zijt—
“Na winterdag komt lentetijd!”
Mei-regen.Wie graag sterk wil zijn en groot,Groeijen wil ter degen,Loop’ maar met zijn hoofdje blootIn den zoelen regen!Wees niet angstig voor een spat,Frisch er in gesprongen,Vrees niet voor een drop of wat,Dreumes van een’ jongen!Zie de blômmetjes maar aan,Hoe ze ’t buitje drinken!Kijk maar goed, hoe op de blaânAl die druppels blinken!In dat lekkre, zoele natLigt des Hemels zegen;Daarom, dreumes! rep je wat,Loop ’reis in den regen!
Wie graag sterk wil zijn en groot,Groeijen wil ter degen,Loop’ maar met zijn hoofdje blootIn den zoelen regen!Wees niet angstig voor een spat,Frisch er in gesprongen,Vrees niet voor een drop of wat,Dreumes van een’ jongen!
Wie graag sterk wil zijn en groot,
Groeijen wil ter degen,
Loop’ maar met zijn hoofdje bloot
In den zoelen regen!
Wees niet angstig voor een spat,
Frisch er in gesprongen,
Vrees niet voor een drop of wat,
Dreumes van een’ jongen!
Zie de blômmetjes maar aan,Hoe ze ’t buitje drinken!Kijk maar goed, hoe op de blaânAl die druppels blinken!In dat lekkre, zoele natLigt des Hemels zegen;Daarom, dreumes! rep je wat,Loop ’reis in den regen!
Zie de blômmetjes maar aan,
Hoe ze ’t buitje drinken!
Kijk maar goed, hoe op de blaân
Al die druppels blinken!
In dat lekkre, zoele nat
Ligt des Hemels zegen;
Daarom, dreumes! rep je wat,
Loop ’reis in den regen!
Groen takje.Groen takje, dat uit de aarde spruit,Wat zal er van u groeijen?Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,Zult ge als een roos of anjer bloeijen,Of zult gij geven lekker fruit?—Jong volkje! nu nog klein en teêr,Wat zal er van u groeijen?Zult gij tot schande meer en meer,Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,En vruchten dragen, God ter eer?Doch ’t plantje—zij het kwaad of goed.Och! kan niet anders groeijen;Gij—kunt, naar ligchaam en gemoedIn kracht en kunde en vroomheid bloeijen...Wanneer ge er maar uw best toe doet!Als gij dus wandelt in den hofEn plant en kruid ziet groeijen,Dan geev’ ’t u ruime dankensstof,Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijenTot vreugde of smart—tot schande of lof!
Groen takje, dat uit de aarde spruit,Wat zal er van u groeijen?Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,Zult ge als een roos of anjer bloeijen,Of zult gij geven lekker fruit?—
Groen takje, dat uit de aarde spruit,
Wat zal er van u groeijen?
Wordt gij onnut of schaadlijk kruid,
Zult ge als een roos of anjer bloeijen,
Of zult gij geven lekker fruit?—
Jong volkje! nu nog klein en teêr,Wat zal er van u groeijen?Zult gij tot schande meer en meer,Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,En vruchten dragen, God ter eer?
Jong volkje! nu nog klein en teêr,
Wat zal er van u groeijen?
Zult gij tot schande meer en meer,
Of wel tot heerlijk sieraad bloeijen,
En vruchten dragen, God ter eer?
Doch ’t plantje—zij het kwaad of goed.Och! kan niet anders groeijen;Gij—kunt, naar ligchaam en gemoedIn kracht en kunde en vroomheid bloeijen...Wanneer ge er maar uw best toe doet!
Doch ’t plantje—zij het kwaad of goed.
Och! kan niet anders groeijen;
Gij—kunt, naar ligchaam en gemoed
In kracht en kunde en vroomheid bloeijen...
Wanneer ge er maar uw best toe doet!
Als gij dus wandelt in den hofEn plant en kruid ziet groeijen,Dan geev’ ’t u ruime dankensstof,Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijenTot vreugde of smart—tot schande of lof!
Als gij dus wandelt in den hof
En plant en kruid ziet groeijen,
Dan geev’ ’t u ruime dankensstof,
Dat gij, naar vrije keus, kunt bloeijen
Tot vreugde of smart—tot schande of lof!
Onkruid.Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,Wat is er uw hofje toch keurig!Het mijne dat lijkt wel een wildernis,Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!—Wel, geef dan een’ zoen... en ik leer je gaauwUw tuintje zoo netjes te hoûen;Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,De handjes wel flink uit de mouwen,En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,Daar ga je maar vlijtig aan ’t harken en wiên.—Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;En daarom, dat rooi je maar alle daag,Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!—
Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,Wat is er uw hofje toch keurig!Het mijne dat lijkt wel een wildernis,Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!
Zeg, Baasje! wat staat er uw tuintje frisch,
Wat is er uw hofje toch keurig!
Het mijne dat lijkt wel een wildernis,
Mijn bloempjes zijn half niet zoo fleurig;
Zoo wit is uw zand en zoo groen is uw gras;
Ik gaf er wat om, als het mijne zoo was!
—Wel, geef dan een’ zoen... en ik leer je gaauwUw tuintje zoo netjes te hoûen;Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,De handjes wel flink uit de mouwen,En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,Daar ga je maar vlijtig aan ’t harken en wiên.
—Wel, geef dan een’ zoen... en ik leer je gaauw
Uw tuintje zoo netjes te hoûen;
Maar dan uit de veêren vóór dag en dauw,
De handjes wel flink uit de mouwen,
En waar ge dan spruitjes van onkruid mogt zien,
Daar ga je maar vlijtig aan ’t harken en wiên.
—Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;En daarom, dat rooi je maar alle daag,Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!—
—Dat Onkruid, melievert! daar zit de plaag,
Daar kunnen geen bloempjes in groeijen;
En daarom, dat rooi je maar alle daag,
Dan zal eerst uw tuintje gaan bloeijen!
En, groeit in uw hartje misschien van dat kruid....
Och! doe me plêzier, trek meteen het maar uit!—
Bloemkweeken.Ik heb een’ kleinen, kleinen tuin,Daar kweek ik bloemen in;En als mijn aardig zusje komt,Dan zing ik blij van zin:—“Klein kleuterke, klein kleuterke!Wat doet gij in mijn’ hof?Gij plukt er al de bloemkens afEn maakt het veel te grof!”—En als zij dan die plantjes ziet,Met zooveel zorg gekweekt,Dan wed ik, dat het lieve kindGeen van de bloempjes breekt.
Ik heb een’ kleinen, kleinen tuin,Daar kweek ik bloemen in;En als mijn aardig zusje komt,Dan zing ik blij van zin:
Ik heb een’ kleinen, kleinen tuin,
Daar kweek ik bloemen in;
En als mijn aardig zusje komt,
Dan zing ik blij van zin:
—“Klein kleuterke, klein kleuterke!Wat doet gij in mijn’ hof?Gij plukt er al de bloemkens afEn maakt het veel te grof!”—
—“Klein kleuterke, klein kleuterke!
Wat doet gij in mijn’ hof?
Gij plukt er al de bloemkens af
En maakt het veel te grof!”—
En als zij dan die plantjes ziet,Met zooveel zorg gekweekt,Dan wed ik, dat het lieve kindGeen van de bloempjes breekt.
En als zij dan die plantjes ziet,
Met zooveel zorg gekweekt,
Dan wed ik, dat het lieve kind
Geen van de bloempjes breekt.
Klimop.Groene bladen, spits van punt,Hoekig aan de randen!Zeg eens hoe ge groeijen kuntAan die naakte wanden?—’k Lag versmeten voor de deur,Vuil en overloopen;Vond ik hier of daar een scheur,’k Ben er in gekropen.Ieder straaltje, dat ik ving,Gaf mij kracht en leven,Ieder druppel, die er hing,Deed mij hooger streven.Dankend onzen Lieven HeerVoor zijn zon en regen,Groeide ik daaglijks meer en meerIn des Hemels zegen.—Wie het kleinste niet versmaadt,Wat hem God wil geven,Die kan groeijen naar zijn’ staatEn tevreden leven!
Groene bladen, spits van punt,Hoekig aan de randen!Zeg eens hoe ge groeijen kuntAan die naakte wanden?
Groene bladen, spits van punt,
Hoekig aan de randen!
Zeg eens hoe ge groeijen kunt
Aan die naakte wanden?
—’k Lag versmeten voor de deur,Vuil en overloopen;Vond ik hier of daar een scheur,’k Ben er in gekropen.
—’k Lag versmeten voor de deur,
Vuil en overloopen;
Vond ik hier of daar een scheur,
’k Ben er in gekropen.
Ieder straaltje, dat ik ving,Gaf mij kracht en leven,Ieder druppel, die er hing,Deed mij hooger streven.
Ieder straaltje, dat ik ving,
Gaf mij kracht en leven,
Ieder druppel, die er hing,
Deed mij hooger streven.
Dankend onzen Lieven HeerVoor zijn zon en regen,Groeide ik daaglijks meer en meerIn des Hemels zegen.—
Dankend onzen Lieven Heer
Voor zijn zon en regen,
Groeide ik daaglijks meer en meer
In des Hemels zegen.—
Wie het kleinste niet versmaadt,Wat hem God wil geven,Die kan groeijen naar zijn’ staatEn tevreden leven!
Wie het kleinste niet versmaadt,
Wat hem God wil geven,
Die kan groeijen naar zijn’ staat
En tevreden leven!
Appelboom.Wel, appelboom! wat sta je rijk,Gij lijkt wel éénen bloesem!Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,’k Zie enkel, enkel bloesem;Ik zie geen tak, ik zie geen’ blad;Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!En toch, ’t is pas een’ dag of wat,Terwijl ik keek naar buiten,Of ’k zag uw takken kaal en gladDaar slingren voor mijn ruiten,En ’k vroeg al aan de tuinmansvrouw,Of je ook gestorven wezen zou?“Neen,” zei ze toen, “neen, lieve schat!”En kneep mij in mijn kaken;“Neen, wacht nog maar een’ dag of wat,Dan staat hij als een laken:—En als ge braaf zijt, kleine man!Dan krijgt ge er nog wel appels van.”
Wel, appelboom! wat sta je rijk,Gij lijkt wel éénen bloesem!Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,’k Zie enkel, enkel bloesem;Ik zie geen tak, ik zie geen’ blad;Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!
Wel, appelboom! wat sta je rijk,
Gij lijkt wel éénen bloesem!
Waar dat ik tuur, waar dat ik kijk,
’k Zie enkel, enkel bloesem;
Ik zie geen tak, ik zie geen’ blad;
Me dunkt, gij hebt ze nooit gehad!
En toch, ’t is pas een’ dag of wat,Terwijl ik keek naar buiten,Of ’k zag uw takken kaal en gladDaar slingren voor mijn ruiten,En ’k vroeg al aan de tuinmansvrouw,Of je ook gestorven wezen zou?
En toch, ’t is pas een’ dag of wat,
Terwijl ik keek naar buiten,
Of ’k zag uw takken kaal en glad
Daar slingren voor mijn ruiten,
En ’k vroeg al aan de tuinmansvrouw,
Of je ook gestorven wezen zou?
“Neen,” zei ze toen, “neen, lieve schat!”En kneep mij in mijn kaken;“Neen, wacht nog maar een’ dag of wat,Dan staat hij als een laken:—En als ge braaf zijt, kleine man!Dan krijgt ge er nog wel appels van.”
“Neen,” zei ze toen, “neen, lieve schat!”
En kneep mij in mijn kaken;
“Neen, wacht nog maar een’ dag of wat,
Dan staat hij als een laken:—
En als ge braaf zijt, kleine man!
Dan krijgt ge er nog wel appels van.”
Grazen.Pluk bloemen, pluk bloemen,Pluk bloemen en gras!En wrijf die elkaârDoor het haarBij het stoeijen:Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijenEn bloeijen!En wie er een knorrig gezigtjeBij trekt,Of wie er bij geeuwt,Of bij schreeuwtAls wij stoeijen,Die ’hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijenEn bloeijen.Hij trekk’ maar naar huisEn hij kruip’ in den hoek,De brompot, die mortEn die knortBij het stoeijen:Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijenEn bloeijen!
Pluk bloemen, pluk bloemen,Pluk bloemen en gras!En wrijf die elkaârDoor het haarBij het stoeijen:Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijenEn bloeijen!
Pluk bloemen, pluk bloemen,
Pluk bloemen en gras!
En wrijf die elkaâr
Door het haar
Bij het stoeijen:
Waar anders zou gras en waar bloemen voor groeijen
En bloeijen!
En wie er een knorrig gezigtjeBij trekt,Of wie er bij geeuwt,Of bij schreeuwtAls wij stoeijen,Die ’hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijenEn bloeijen.
En wie er een knorrig gezigtje
Bij trekt,
Of wie er bij geeuwt,
Of bij schreeuwt
Als wij stoeijen,
Die ’hoeft niet te zien hoe de bloemkens al groeijen
En bloeijen.
Hij trekk’ maar naar huisEn hij kruip’ in den hoek,De brompot, die mortEn die knortBij het stoeijen:Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijenEn bloeijen!
Hij trekk’ maar naar huis
En hij kruip’ in den hoek,
De brompot, die mort
En die knort
Bij het stoeijen:
Voor hem is het niet, dat de bloemkens zoo groeijen
En bloeijen!
Kersentijd.Nu eens in ’t rond gesprongen,Gesprongen hand aan hand,Nu vrolijk eens gezongen,De Zomer is in ’t land;De bloesem van de boomenVloog lang reeds wijd en zijd;De Zomer is gekomen:Nu is het kersentijd!Wat zal ze lekker smakenDie kers, waar wijn in zit;Wat zullen wij haar krakenDie harde kersenpit;Och! waren we al gezetenVoor boordevolle schaal,Wij zouden er van etenAl was het honderdmaal.
Nu eens in ’t rond gesprongen,Gesprongen hand aan hand,Nu vrolijk eens gezongen,De Zomer is in ’t land;De bloesem van de boomenVloog lang reeds wijd en zijd;De Zomer is gekomen:Nu is het kersentijd!
Nu eens in ’t rond gesprongen,
Gesprongen hand aan hand,
Nu vrolijk eens gezongen,
De Zomer is in ’t land;
De bloesem van de boomen
Vloog lang reeds wijd en zijd;
De Zomer is gekomen:
Nu is het kersentijd!
Wat zal ze lekker smakenDie kers, waar wijn in zit;Wat zullen wij haar krakenDie harde kersenpit;Och! waren we al gezetenVoor boordevolle schaal,Wij zouden er van etenAl was het honderdmaal.
Wat zal ze lekker smaken
Die kers, waar wijn in zit;
Wat zullen wij haar kraken
Die harde kersenpit;
Och! waren we al gezeten
Voor boordevolle schaal,
Wij zouden er van eten
Al was het honderdmaal.
Kersenplukken.Kersen, kersen, zacht en rood,Hangen tusschen groene bladen;o! De boom is rijk geladen;Vang bij ’t plukken, in uw schoot,Kersen, kersen zacht en rood!Kersen, kersen, rijp en frisch,Is ’t niet om te watertanden?Kom, ik pluk met volle handen,’t Meest krijgt wie het handigst is,Kersen, kersen, rijp en frisch!Kersen, kersen van de Mei,Iedre maand de rozen bloeijen,...Alle maanden moest ge groeijenVoor der kindren zoeten rei,—Kersen, kersen van de Mei!
Kersen, kersen, zacht en rood,Hangen tusschen groene bladen;o! De boom is rijk geladen;Vang bij ’t plukken, in uw schoot,Kersen, kersen zacht en rood!
Kersen, kersen, zacht en rood,
Hangen tusschen groene bladen;
o! De boom is rijk geladen;
Vang bij ’t plukken, in uw schoot,
Kersen, kersen zacht en rood!
Kersen, kersen, rijp en frisch,Is ’t niet om te watertanden?Kom, ik pluk met volle handen,’t Meest krijgt wie het handigst is,Kersen, kersen, rijp en frisch!
Kersen, kersen, rijp en frisch,
Is ’t niet om te watertanden?
Kom, ik pluk met volle handen,
’t Meest krijgt wie het handigst is,
Kersen, kersen, rijp en frisch!
Kersen, kersen van de Mei,Iedre maand de rozen bloeijen,...Alle maanden moest ge groeijenVoor der kindren zoeten rei,—Kersen, kersen van de Mei!
Kersen, kersen van de Mei,
Iedre maand de rozen bloeijen,...
Alle maanden moest ge groeijen
Voor der kindren zoeten rei,—
Kersen, kersen van de Mei!
Vogelnestje.Jongens! ginder zitten spreeuwen!Laat ons klimmen om het best;Ziet, ze kijken over ’t nest:Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!’t Oudje dat vliegt af en ân,Net alsof hij ’t raden kan.Och! wat kijkt dat beest verslagen;’k Vind het wel een beetje naar:—Jongens! of ’t niet beter waar’,’t Arme dier maar niet te plagen?Denkt eens als er iemand kwam,Die ons zoo van Moeder nam!
Jongens! ginder zitten spreeuwen!Laat ons klimmen om het best;Ziet, ze kijken over ’t nest:Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!’t Oudje dat vliegt af en ân,Net alsof hij ’t raden kan.
Jongens! ginder zitten spreeuwen!
Laat ons klimmen om het best;
Ziet, ze kijken over ’t nest:
Hoort dat jonge goed eens schreeuwen!
’t Oudje dat vliegt af en ân,
Net alsof hij ’t raden kan.
Och! wat kijkt dat beest verslagen;’k Vind het wel een beetje naar:—Jongens! of ’t niet beter waar’,’t Arme dier maar niet te plagen?Denkt eens als er iemand kwam,Die ons zoo van Moeder nam!
Och! wat kijkt dat beest verslagen;
’k Vind het wel een beetje naar:—
Jongens! of ’t niet beter waar’,
’t Arme dier maar niet te plagen?
Denkt eens als er iemand kwam,
Die ons zoo van Moeder nam!
Jonge vogeltjes.Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,Ze sprongen en ze zongen,Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,En bragten ze aan hun’ jongen;En ’t kleine volk in ’t nestje riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”En ’k dacht, toen ’k dat zoo aardig vond:“Ben ’k ook zoo’n dankbre jongen?”—En ’k ben mijn Moedertje terstondEens om den hals gesprongen;En Moeder pakte mij, toen ’k riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”
Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,Ze sprongen en ze zongen,Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,En bragten ze aan hun’ jongen;En ’t kleine volk in ’t nestje riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”
Ze vlogen hoog, ze vlogen laag,
Ze sprongen en ze zongen,
Ze pikten wurmpjes gaauw en graag,
En bragten ze aan hun’ jongen;
En ’t kleine volk in ’t nestje riep:
“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”
En ’k dacht, toen ’k dat zoo aardig vond:“Ben ’k ook zoo’n dankbre jongen?”—En ’k ben mijn Moedertje terstondEens om den hals gesprongen;En Moeder pakte mij, toen ’k riep:“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”
En ’k dacht, toen ’k dat zoo aardig vond:
“Ben ’k ook zoo’n dankbre jongen?”—
En ’k ben mijn Moedertje terstond
Eens om den hals gesprongen;
En Moeder pakte mij, toen ’k riep:
“Piep, piep.... ’k bedankje wel.—Piep, piep!”
Vogelen-lied.Klein vogelijn, op groenen tak!Wat zingt ge een lustig lied!Wij vinden in ons heele boekZoo’n vrolijk wijsje niet;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,Zoo keurig in de maat,En ’t hart dat popelt ons van vreugd,Wanneer uw keeltje gaat;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?o! Zeker is ’t de goede God,Die ’t u heeft toebetrouwd,Opdat gij aan der blinden oorZijn goedheid melden zoudt;o Ja! wij weten ’t, aardig beest!Wie of uw meester is geweest.
Klein vogelijn, op groenen tak!Wat zingt ge een lustig lied!Wij vinden in ons heele boekZoo’n vrolijk wijsje niet;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?
Klein vogelijn, op groenen tak!
Wat zingt ge een lustig lied!
Wij vinden in ons heele boek
Zoo’n vrolijk wijsje niet;
o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!
Wie of uw meester is geweest?
Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,Zoo keurig in de maat,En ’t hart dat popelt ons van vreugd,Wanneer uw keeltje gaat;o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!Wie of uw meester is geweest?
Zoo zuiver zingt gij en zoo hoog,
Zoo keurig in de maat,
En ’t hart dat popelt ons van vreugd,
Wanneer uw keeltje gaat;
o! Zeg ons, zeg ons, aardig beest!
Wie of uw meester is geweest?
o! Zeker is ’t de goede God,Die ’t u heeft toebetrouwd,Opdat gij aan der blinden oorZijn goedheid melden zoudt;o Ja! wij weten ’t, aardig beest!Wie of uw meester is geweest.
o! Zeker is ’t de goede God,
Die ’t u heeft toebetrouwd,
Opdat gij aan der blinden oor
Zijn goedheid melden zoudt;
o Ja! wij weten ’t, aardig beest!
Wie of uw meester is geweest.
Duifje.Duifje met uw blanke veêren!Vlieg je niet door alle weêr,Kan geen regenbui u derenAls ge ronddwaalt heinde en veer?Altijd proper is uw kuif,Zijn uw pluimpjes, blanke duif!—Waait het al te hard daar buiten,Ik kan thuis zijn als ik wil;’k Vind er alle mijn kornuitenIn de warme duiventil:Maar ter vlugt of op het slag,’k Net mijn veêrtjes alle dag!—Opgenebt en gladgestrekenMet wat waters uit mijn’ pot,Ben ik waard te zijn bekekenIn de lucht en in het kot:....Kinders! nu ge ’t kunstje weet,’k Bidje, dat ge ’t niet vergeet!—
Duifje met uw blanke veêren!Vlieg je niet door alle weêr,Kan geen regenbui u derenAls ge ronddwaalt heinde en veer?Altijd proper is uw kuif,Zijn uw pluimpjes, blanke duif!
Duifje met uw blanke veêren!
Vlieg je niet door alle weêr,
Kan geen regenbui u deren
Als ge ronddwaalt heinde en veer?
Altijd proper is uw kuif,
Zijn uw pluimpjes, blanke duif!
—Waait het al te hard daar buiten,Ik kan thuis zijn als ik wil;’k Vind er alle mijn kornuitenIn de warme duiventil:Maar ter vlugt of op het slag,’k Net mijn veêrtjes alle dag!
—Waait het al te hard daar buiten,
Ik kan thuis zijn als ik wil;
’k Vind er alle mijn kornuiten
In de warme duiventil:
Maar ter vlugt of op het slag,
’k Net mijn veêrtjes alle dag!
—Opgenebt en gladgestrekenMet wat waters uit mijn’ pot,Ben ik waard te zijn bekekenIn de lucht en in het kot:....Kinders! nu ge ’t kunstje weet,’k Bidje, dat ge ’t niet vergeet!—
—Opgenebt en gladgestreken
Met wat waters uit mijn’ pot,
Ben ik waard te zijn bekeken
In de lucht en in het kot:....
Kinders! nu ge ’t kunstje weet,
’k Bidje, dat ge ’t niet vergeet!—
Roodborstje.Roodborstje, roodborstje, geestige dief!Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?’t Kooitje van koper en ’t bakje vol eten:Aardige springer! wat heb ik je lief!Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?—Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,Was er mijn eten ook lekker en keurig,Buiten in ’t bosch is het eens nog zoo fleurig:Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingenZoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!—
Roodborstje, roodborstje, geestige dief!Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?’t Kooitje van koper en ’t bakje vol eten:Aardige springer! wat heb ik je lief!Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?
Roodborstje, roodborstje, geestige dief!
Hebje wel ooit zoo te pronken gezeten?
’t Kooitje van koper en ’t bakje vol eten:
Aardige springer! wat heb ik je lief!
Toch kweelt uw keeltje geen lustige zangen,
Vogeltje! zeg me, wat is er gebeurd,
Dat ge de veêrtjes zoo slapjes laat hangen,
Roodborstje! zeg me waarom dat ge treurt?
—Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,Was er mijn eten ook lekker en keurig,Buiten in ’t bosch is het eens nog zoo fleurig:Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingenZoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!—
—Knaapje lief, knaapje lief! was er mijn kooi,
Was er mijn eten ook lekker en keurig,
Buiten in ’t bosch is het eens nog zoo fleurig:
Vrij te zijn, lievert! is beter dan mooi!
Och! laat mij los, laat in vrijheid mij springen,
Ginds op dien boom, waar geen tralie mij stoort;
Vriendje! dan zal ik een lied voor u zingen
Zoo als ge nimmer of nooit hebt gehoord!—
Nachtegaal.Hoort, kindren! wat een klaar geluidDringt ginder door de bladren heen!De vogels zijn allang in slaap,En zóó, zoo zingt er zeker geen.Wie of zóó heerlijk zingen kan?’t Is waar, mijn hartje klopt er van!Stil!—Dat is vast de nachtegaal,Daar Moeder lest zooveel van zeî;’k Wist niet, dat dàt te hooren wasWanneer men ons te slapen leî,’k Had anders Moeder lang verzocht,Of ik wat laat naar bed toe mogt?Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,’k Woû, dat het voorjaar dan begon;Dan hoorde ik vast den nachtegaalWanneer ik ’s nachts niet slapen kon!—Zeg, Moeder! zingt dat lieve beestWel niet voor zieke kindren meest?
Hoort, kindren! wat een klaar geluidDringt ginder door de bladren heen!De vogels zijn allang in slaap,En zóó, zoo zingt er zeker geen.Wie of zóó heerlijk zingen kan?’t Is waar, mijn hartje klopt er van!
Hoort, kindren! wat een klaar geluid
Dringt ginder door de bladren heen!
De vogels zijn allang in slaap,
En zóó, zoo zingt er zeker geen.
Wie of zóó heerlijk zingen kan?
’t Is waar, mijn hartje klopt er van!
Stil!—Dat is vast de nachtegaal,Daar Moeder lest zooveel van zeî;’k Wist niet, dat dàt te hooren wasWanneer men ons te slapen leî,’k Had anders Moeder lang verzocht,Of ik wat laat naar bed toe mogt?
Stil!—Dat is vast de nachtegaal,
Daar Moeder lest zooveel van zeî;
’k Wist niet, dat dàt te hooren was
Wanneer men ons te slapen leî,
’k Had anders Moeder lang verzocht,
Of ik wat laat naar bed toe mogt?
Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,’k Woû, dat het voorjaar dan begon;Dan hoorde ik vast den nachtegaalWanneer ik ’s nachts niet slapen kon!—Zeg, Moeder! zingt dat lieve beestWel niet voor zieke kindren meest?
Och! zoo ik ooit weêr ziek mogt zijn,
’k Woû, dat het voorjaar dan begon;
Dan hoorde ik vast den nachtegaal
Wanneer ik ’s nachts niet slapen kon!—
Zeg, Moeder! zingt dat lieve beest
Wel niet voor zieke kindren meest?
In ’t bosch.Gij, lieve vogels, schuw en wild!Wat zijt ge met uw liedren mild,Wat kweelt ge blijde zangen!’t Is of er ’t heele bosch van trilt,Die toonen op te vangen!Het ruischt en suist van ieder blad,Alsof het vol met ooren zatEn ’t lieflijk lied kon hooren;Alsof het duizend tongen hadEn meê zong in uw koren.Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,Al stemmen in uw wild gezangDer kindren vrome wijzen;Wij wenschen met u, vaak en lang,Den goeden God te prijzen.
Gij, lieve vogels, schuw en wild!Wat zijt ge met uw liedren mild,Wat kweelt ge blijde zangen!’t Is of er ’t heele bosch van trilt,Die toonen op te vangen!
Gij, lieve vogels, schuw en wild!
Wat zijt ge met uw liedren mild,
Wat kweelt ge blijde zangen!
’t Is of er ’t heele bosch van trilt,
Die toonen op te vangen!
Het ruischt en suist van ieder blad,Alsof het vol met ooren zatEn ’t lieflijk lied kon hooren;Alsof het duizend tongen hadEn meê zong in uw koren.
Het ruischt en suist van ieder blad,
Alsof het vol met ooren zat
En ’t lieflijk lied kon hooren;
Alsof het duizend tongen had
En meê zong in uw koren.
Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,Al stemmen in uw wild gezangDer kindren vrome wijzen;Wij wenschen met u, vaak en lang,Den goeden God te prijzen.
Gij, schuwe vogels! zijt niet bang,
Al stemmen in uw wild gezang
Der kindren vrome wijzen;
Wij wenschen met u, vaak en lang,
Den goeden God te prijzen.
Wensch.Ik woû dat ik een vogel was,Een vogeltje met veêren,Wat zou me kunnen deren?Ik vloog maar hoog, ik vloog maar rasEn niemand kon me keeren:Geen school of bed kwam meer te pasAls ik een vrije vogel was!—Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,Hoe dikwijls op de stangenDe lijsters blijven hangen,....Wat vinkjes onder ’t net gebragt,Wat snipjes zijn gevangen,En dat er menig vooglaar wachtOp dat onnoozele geslacht?—Al vloog je hoog, al vloog je ras,....Die lastige gewerenZe zouden je wel keeren:Wat hielp dan of je een vogel was,Een vogeltje met veêren?Geloof me (’t komt nog best van pas):Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!—
Ik woû dat ik een vogel was,Een vogeltje met veêren,Wat zou me kunnen deren?Ik vloog maar hoog, ik vloog maar rasEn niemand kon me keeren:Geen school of bed kwam meer te pasAls ik een vrije vogel was!
Ik woû dat ik een vogel was,
Een vogeltje met veêren,
Wat zou me kunnen deren?
Ik vloog maar hoog, ik vloog maar ras
En niemand kon me keeren:
Geen school of bed kwam meer te pas
Als ik een vrije vogel was!
—Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,Hoe dikwijls op de stangenDe lijsters blijven hangen,....Wat vinkjes onder ’t net gebragt,Wat snipjes zijn gevangen,En dat er menig vooglaar wachtOp dat onnoozele geslacht?
—Zeg, vrindje! hebje wel bedacht,
Hoe dikwijls op de stangen
De lijsters blijven hangen,....
Wat vinkjes onder ’t net gebragt,
Wat snipjes zijn gevangen,
En dat er menig vooglaar wacht
Op dat onnoozele geslacht?
—Al vloog je hoog, al vloog je ras,....Die lastige gewerenZe zouden je wel keeren:Wat hielp dan of je een vogel was,Een vogeltje met veêren?Geloof me (’t komt nog best van pas):Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!—
—Al vloog je hoog, al vloog je ras,....
Die lastige geweren
Ze zouden je wel keeren:
Wat hielp dan of je een vogel was,
Een vogeltje met veêren?
Geloof me (’t komt nog best van pas):
Wie wijs is, blijft hetgeen hij was!—
Honigbijen.Wel zoete honig zuigt de bijUit bloem en geurig kruid;Gij, lieve kinders! doet als zij:Gaat in uw lente niets voorbij,Of trekt er leering uit.En in haar huis van klevend wasDaar heeft ze zaâmgegaardAl wat ze vond in veld of kas;—De bloemkens, kindren! dorren ras!Wie wijs is, die bewaart!Doet ook zoo in uw blijde jeugd,Waar alles bloesem draagt;Wat is het, later dan, een vreugd,Als u op ouden dag nog heugt,Wat ge in uw jonkheid zaagt!
Wel zoete honig zuigt de bijUit bloem en geurig kruid;Gij, lieve kinders! doet als zij:Gaat in uw lente niets voorbij,Of trekt er leering uit.
Wel zoete honig zuigt de bij
Uit bloem en geurig kruid;
Gij, lieve kinders! doet als zij:
Gaat in uw lente niets voorbij,
Of trekt er leering uit.
En in haar huis van klevend wasDaar heeft ze zaâmgegaardAl wat ze vond in veld of kas;—De bloemkens, kindren! dorren ras!Wie wijs is, die bewaart!
En in haar huis van klevend was
Daar heeft ze zaâmgegaard
Al wat ze vond in veld of kas;—
De bloemkens, kindren! dorren ras!
Wie wijs is, die bewaart!
Doet ook zoo in uw blijde jeugd,Waar alles bloesem draagt;Wat is het, later dan, een vreugd,Als u op ouden dag nog heugt,Wat ge in uw jonkheid zaagt!
Doet ook zoo in uw blijde jeugd,
Waar alles bloesem draagt;
Wat is het, later dan, een vreugd,
Als u op ouden dag nog heugt,
Wat ge in uw jonkheid zaagt!
’t Verdwaalde lam.Lammetje! loop je zoo eenzaam te blatenOver de hei?Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?Bleef je niet liever daarginds op de wei?Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,Hier is geen schaduw om onder te rusten,....En als je dan nog zoo klein maar niet was!—Kindren! ik had al zoo lang loopen spelenGinds op de weî;Altijd dat grazen begon te vervelen,’k Woû weleens zien hoe het was op de heî.Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,’k Zoek er mijn moedertje, ’k zoek er mijn vrinden,’k Zoek om wat gras en wat water te vinden:Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!—Schaapje! wij zullen den weg u wel leerenOver de hei,Ga maar met ons en geen leed zal je deren,Zeker! wij brengen u weêr op de weî.Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
Lammetje! loop je zoo eenzaam te blatenOver de hei?Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?Bleef je niet liever daarginds op de wei?Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,Hier is geen schaduw om onder te rusten,....En als je dan nog zoo klein maar niet was!
Lammetje! loop je zoo eenzaam te blaten
Over de hei?
Hoe kom je hier, zoo van allen verlaten?
Bleef je niet liever daarginds op de wei?
Lammetje! hier groeijen bloemen noch gras,
Hier is geen watertje, dat ge zoudt lusten,
Hier is geen schaduw om onder te rusten,....
En als je dan nog zoo klein maar niet was!
—Kindren! ik had al zoo lang loopen spelenGinds op de weî;Altijd dat grazen begon te vervelen,’k Woû weleens zien hoe het was op de heî.Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,’k Zoek er mijn moedertje, ’k zoek er mijn vrinden,’k Zoek om wat gras en wat water te vinden:Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!—
—Kindren! ik had al zoo lang loopen spelen
Ginds op de weî;
Altijd dat grazen begon te vervelen,
’k Woû weleens zien hoe het was op de heî.
Ach! nu verdwaalde ik al verder en meer,
’k Zoek er mijn moedertje, ’k zoek er mijn vrinden,
’k Zoek om wat gras en wat water te vinden:
Was ik eens thuis, ik verliet het niet weêr!—
Schaapje! wij zullen den weg u wel leerenOver de hei,Ga maar met ons en geen leed zal je deren,Zeker! wij brengen u weêr op de weî.Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
Schaapje! wij zullen den weg u wel leeren
Over de hei,
Ga maar met ons en geen leed zal je deren,
Zeker! wij brengen u weêr op de weî.
Maar, maak dan voort, of wij laten je staan,
Moeder ziet zeker al uit, waar wij toeven,
Waarlijk, ik woû haar niet graag zóó bedroeven,
Als gij uw moeder vandaag hebt gedaan!
De herder.Daarbuiten op de weideGaan lam’ren, klein en groot;Zij grazen van den morgenTot aan het avondrood.Opdat geen leed hen deren,Geen lam verdwalen zou,Bewaakt een wakkre herderDe kudde vroom en trouw!Maar meer nog dan de herderDe lammerkens bewaakt,Waakt God voor brave kindren,Dat hun geen onheil naakt;Hij ziet van uit den HemelBehoedend op ons neêr,En als we onwetend dwalen,Voert hij ten goede ons weêr!
Daarbuiten op de weideGaan lam’ren, klein en groot;Zij grazen van den morgenTot aan het avondrood.Opdat geen leed hen deren,Geen lam verdwalen zou,Bewaakt een wakkre herderDe kudde vroom en trouw!
Daarbuiten op de weide
Gaan lam’ren, klein en groot;
Zij grazen van den morgen
Tot aan het avondrood.
Opdat geen leed hen deren,
Geen lam verdwalen zou,
Bewaakt een wakkre herder
De kudde vroom en trouw!
Maar meer nog dan de herderDe lammerkens bewaakt,Waakt God voor brave kindren,Dat hun geen onheil naakt;Hij ziet van uit den HemelBehoedend op ons neêr,En als we onwetend dwalen,Voert hij ten goede ons weêr!
Maar meer nog dan de herder
De lammerkens bewaakt,
Waakt God voor brave kindren,
Dat hun geen onheil naakt;
Hij ziet van uit den Hemel
Behoedend op ons neêr,
En als we onwetend dwalen,
Voert hij ten goede ons weêr!
Kleeding.Lelie, met uw wit gewaad!Roosje, met uw purpren hoedje!De arme knaap en ’t meisje groet-je...En ze vinden, inderdaad,Dat uw tooi u prachtig staat.Ziet de knaap zijn halfsleets buisDigt bezaaid met menig lapje,Ziet het meisjen op haar kapje,Hier vol gleedjes,—daar vol pluis...Half bedroefd gaan zij naar huis!Maar als moeder dáár, zoo blij,Zit te naaijen en te stikken,Om die plunjes op te flikken,—Bloempjes! och dan vinden wijOns gelukkiger dan gij!Of men veel of weinig heeft....Ieder kunnen wij behagen,Als wij knap en dankbaar dragenWat de hand der liefde ons geeft;—Of men veel of weinig heeft!
Lelie, met uw wit gewaad!Roosje, met uw purpren hoedje!De arme knaap en ’t meisje groet-je...En ze vinden, inderdaad,Dat uw tooi u prachtig staat.
Lelie, met uw wit gewaad!
Roosje, met uw purpren hoedje!
De arme knaap en ’t meisje groet-je...
En ze vinden, inderdaad,
Dat uw tooi u prachtig staat.
Ziet de knaap zijn halfsleets buisDigt bezaaid met menig lapje,Ziet het meisjen op haar kapje,Hier vol gleedjes,—daar vol pluis...Half bedroefd gaan zij naar huis!
Ziet de knaap zijn halfsleets buis
Digt bezaaid met menig lapje,
Ziet het meisjen op haar kapje,
Hier vol gleedjes,—daar vol pluis...
Half bedroefd gaan zij naar huis!
Maar als moeder dáár, zoo blij,Zit te naaijen en te stikken,Om die plunjes op te flikken,—Bloempjes! och dan vinden wijOns gelukkiger dan gij!
Maar als moeder dáár, zoo blij,
Zit te naaijen en te stikken,
Om die plunjes op te flikken,—
Bloempjes! och dan vinden wij
Ons gelukkiger dan gij!
Of men veel of weinig heeft....Ieder kunnen wij behagen,Als wij knap en dankbaar dragenWat de hand der liefde ons geeft;—Of men veel of weinig heeft!
Of men veel of weinig heeft....
Ieder kunnen wij behagen,
Als wij knap en dankbaar dragen
Wat de hand der liefde ons geeft;—
Of men veel of weinig heeft!
Geärmd.Honger, honger! leelijk woord,Als een leêge maag u hoort!Als de tanden watertanden,En men staat met leêge handen....Als ge op volle schaal of mandenGretig u een’ blik verstout,—Maar de maag vacantie houdt.Doch—hoe lastig gij soms zijt,Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,Zullen we u graag welkom heetenAls we happig zijn gezetenVoor een’ schotel lekker eten....Grage tand de spijs vermaalt,Zelf verdiend en zelf betaald!Daarom roept ons blij gezang:Lieve Honger! plaag ons lang!Rijk en ziek zou menigmalen(Kon het!) u met goud betalen—Ons zult gij zoo ligt niet falen;Maar verlangt gij dank en prijs,Kom dan (kan ’t!) geärmd met.... spijs!
Honger, honger! leelijk woord,Als een leêge maag u hoort!Als de tanden watertanden,En men staat met leêge handen....Als ge op volle schaal of mandenGretig u een’ blik verstout,—Maar de maag vacantie houdt.
Honger, honger! leelijk woord,
Als een leêge maag u hoort!
Als de tanden watertanden,
En men staat met leêge handen....
Als ge op volle schaal of manden
Gretig u een’ blik verstout,—
Maar de maag vacantie houdt.
Doch—hoe lastig gij soms zijt,Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,Zullen we u graag welkom heetenAls we happig zijn gezetenVoor een’ schotel lekker eten....Grage tand de spijs vermaalt,Zelf verdiend en zelf betaald!
Doch—hoe lastig gij soms zijt,
Toch maakt ge ons ook dubbel blijd,
Zullen we u graag welkom heeten
Als we happig zijn gezeten
Voor een’ schotel lekker eten....
Grage tand de spijs vermaalt,
Zelf verdiend en zelf betaald!
Daarom roept ons blij gezang:Lieve Honger! plaag ons lang!Rijk en ziek zou menigmalen(Kon het!) u met goud betalen—Ons zult gij zoo ligt niet falen;Maar verlangt gij dank en prijs,Kom dan (kan ’t!) geärmd met.... spijs!
Daarom roept ons blij gezang:
Lieve Honger! plaag ons lang!
Rijk en ziek zou menigmalen
(Kon het!) u met goud betalen—
Ons zult gij zoo ligt niet falen;
Maar verlangt gij dank en prijs,
Kom dan (kan ’t!) geärmd met.... spijs!
De kleine bedelaarster.Daar liep een meisje langs den weg;Haar oogjes waren rood:“Ik weet in ’t land geen heg of steg,Mijn vader en moeder zijn dood,Mijn oudste broêr die is soldaat;Och had ik maar werk, dan wist ik raad!”Dat zag een brave boerenvrouwEn zei: “Mijn lieve kind!Wat loop je barvoets in de koûEn huilt er uw kijkertjes blind!Wie werken wil, vindt altijd raad!Voor jou heb ik nog wel overdaad.”—Ze werkte laat, ze werkte vroegEn diende braaf en trouw;Een boertje flink en rijk genoegDie haalde haar thuis als zijn vrouw;Maar had ze toen ook overdaad,Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.
Daar liep een meisje langs den weg;Haar oogjes waren rood:“Ik weet in ’t land geen heg of steg,Mijn vader en moeder zijn dood,Mijn oudste broêr die is soldaat;Och had ik maar werk, dan wist ik raad!”
Daar liep een meisje langs den weg;
Haar oogjes waren rood:
“Ik weet in ’t land geen heg of steg,
Mijn vader en moeder zijn dood,
Mijn oudste broêr die is soldaat;
Och had ik maar werk, dan wist ik raad!”
Dat zag een brave boerenvrouwEn zei: “Mijn lieve kind!Wat loop je barvoets in de koûEn huilt er uw kijkertjes blind!Wie werken wil, vindt altijd raad!Voor jou heb ik nog wel overdaad.”—
Dat zag een brave boerenvrouw
En zei: “Mijn lieve kind!
Wat loop je barvoets in de koû
En huilt er uw kijkertjes blind!
Wie werken wil, vindt altijd raad!
Voor jou heb ik nog wel overdaad.”—
Ze werkte laat, ze werkte vroegEn diende braaf en trouw;Een boertje flink en rijk genoegDie haalde haar thuis als zijn vrouw;Maar had ze toen ook overdaad,Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.
Ze werkte laat, ze werkte vroeg
En diende braaf en trouw;
Een boertje flink en rijk genoeg
Die haalde haar thuis als zijn vrouw;
Maar had ze toen ook overdaad,
Toch bleef ze nog vlijtig vroeg en laat.
Van glas.Wanneer het maar voor ’t geven was,Dan gaf ik ieder kind,Dat graag wou zijn bemind,Een hartje van het fijnste glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!“’t Is zaak dat ik er goed op pass’!”Dacht ieder dan (hoe klein!)“Want, houd ik het niet rein,Dan ziet men gaauw een smet op ’t glas;Op ’t glas.... op ’t glas?Ja wel op ’t glas!”En—heeft het eerst een barst of krasZij gaan er nooit weêr uitEn ’t geeft een valsch geluidWanneer er iemand tikt aan ’t glas;Aan ’t glas.... aan ’t glas!Ja wel aan ’t glas!Och! dat het maar voor ’t geven was....Doch zie! ’t is even goedWanneer ge, o kindren! doet,Alsòf uw hartje waar’ van glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!
Wanneer het maar voor ’t geven was,Dan gaf ik ieder kind,Dat graag wou zijn bemind,Een hartje van het fijnste glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!
Wanneer het maar voor ’t geven was,
Dan gaf ik ieder kind,
Dat graag wou zijn bemind,
Een hartje van het fijnste glas;
Van glas.... van glas?
Ja wel van glas!
“’t Is zaak dat ik er goed op pass’!”Dacht ieder dan (hoe klein!)“Want, houd ik het niet rein,Dan ziet men gaauw een smet op ’t glas;Op ’t glas.... op ’t glas?Ja wel op ’t glas!”
“’t Is zaak dat ik er goed op pass’!”
Dacht ieder dan (hoe klein!)
“Want, houd ik het niet rein,
Dan ziet men gaauw een smet op ’t glas;
Op ’t glas.... op ’t glas?
Ja wel op ’t glas!”
En—heeft het eerst een barst of krasZij gaan er nooit weêr uitEn ’t geeft een valsch geluidWanneer er iemand tikt aan ’t glas;Aan ’t glas.... aan ’t glas!Ja wel aan ’t glas!
En—heeft het eerst een barst of kras
Zij gaan er nooit weêr uit
En ’t geeft een valsch geluid
Wanneer er iemand tikt aan ’t glas;
Aan ’t glas.... aan ’t glas!
Ja wel aan ’t glas!
Och! dat het maar voor ’t geven was....Doch zie! ’t is even goedWanneer ge, o kindren! doet,Alsòf uw hartje waar’ van glas;Van glas.... van glas?Ja wel van glas!
Och! dat het maar voor ’t geven was....
Doch zie! ’t is even goed
Wanneer ge, o kindren! doet,
Alsòf uw hartje waar’ van glas;
Van glas.... van glas?
Ja wel van glas!
Nemen en geven.Ei! goeden morgen, Peereboom!Wat zijt ge rijk geladen;Ik zie, van welken kant ik koom’,Meer vruchten haast dan bladen;’t Is waarlijk, of zich blad bij bladIn peer bij peer veranderd had.En waar gij, lieve Peereboom!Zoo heerlijk staat te prijken,Roept Vader:—“Jongen! nu niet loomDaaronder staan te kijken;Kom flink er in—zoo’n groote schatBlijft groot nog, al verliest hij wat!”Dus, allerbeste Peereboom!Zal ’k maar niet lang meer temenEn van uw peertjes zonder schroomEen fermen zak vol nemen;En ’k geef dan elken buurknaap wat,Die zulk een milden boom niet had.
Ei! goeden morgen, Peereboom!Wat zijt ge rijk geladen;Ik zie, van welken kant ik koom’,Meer vruchten haast dan bladen;’t Is waarlijk, of zich blad bij bladIn peer bij peer veranderd had.
Ei! goeden morgen, Peereboom!
Wat zijt ge rijk geladen;
Ik zie, van welken kant ik koom’,
Meer vruchten haast dan bladen;
’t Is waarlijk, of zich blad bij blad
In peer bij peer veranderd had.
En waar gij, lieve Peereboom!Zoo heerlijk staat te prijken,Roept Vader:—“Jongen! nu niet loomDaaronder staan te kijken;Kom flink er in—zoo’n groote schatBlijft groot nog, al verliest hij wat!”
En waar gij, lieve Peereboom!
Zoo heerlijk staat te prijken,
Roept Vader:—“Jongen! nu niet loom
Daaronder staan te kijken;
Kom flink er in—zoo’n groote schat
Blijft groot nog, al verliest hij wat!”
Dus, allerbeste Peereboom!Zal ’k maar niet lang meer temenEn van uw peertjes zonder schroomEen fermen zak vol nemen;En ’k geef dan elken buurknaap wat,Die zulk een milden boom niet had.
Dus, allerbeste Peereboom!
Zal ’k maar niet lang meer temen
En van uw peertjes zonder schroom
Een fermen zak vol nemen;
En ’k geef dan elken buurknaap wat,
Die zulk een milden boom niet had.
Vlieger oplaten.Vieren, vieren!.... achteruit!....Zal uw vlieger stijgen kunnenMoet ge hem de strengen gunnen,Of de kans die is verbruid:Geef uw vlieger vrije lucht,Geef hem ruimte voor zijn vlugt.Loopen, loopen, wat je kan!Als uw vlieger neêr wil dalenMoet ge hem weêr op gaan halen,Met een strakker, straffer span:Zonder moeite geen plêzierMet dat vliegende papier.Palmen, palmen, wat je mag!Kunt ge hem niet boven houên,Zorg ten minste voor uw touwen....’t Is een les voor d’ ouden dag:Wie dat alles tijdig kan,Die wordt een verstandig man.
Vieren, vieren!.... achteruit!....Zal uw vlieger stijgen kunnenMoet ge hem de strengen gunnen,Of de kans die is verbruid:Geef uw vlieger vrije lucht,Geef hem ruimte voor zijn vlugt.
Vieren, vieren!.... achteruit!....
Zal uw vlieger stijgen kunnen
Moet ge hem de strengen gunnen,
Of de kans die is verbruid:
Geef uw vlieger vrije lucht,
Geef hem ruimte voor zijn vlugt.
Loopen, loopen, wat je kan!Als uw vlieger neêr wil dalenMoet ge hem weêr op gaan halen,Met een strakker, straffer span:Zonder moeite geen plêzierMet dat vliegende papier.
Loopen, loopen, wat je kan!
Als uw vlieger neêr wil dalen
Moet ge hem weêr op gaan halen,
Met een strakker, straffer span:
Zonder moeite geen plêzier
Met dat vliegende papier.
Palmen, palmen, wat je mag!Kunt ge hem niet boven houên,Zorg ten minste voor uw touwen....’t Is een les voor d’ ouden dag:Wie dat alles tijdig kan,Die wordt een verstandig man.
Palmen, palmen, wat je mag!
Kunt ge hem niet boven houên,
Zorg ten minste voor uw touwen....
’t Is een les voor d’ ouden dag:
Wie dat alles tijdig kan,
Die wordt een verstandig man.
Blindemannetje.Stoelen en stoven op ziĵ,Dat hij zijn voetjes niet stoot;’t Heeft geen nood!—Loop hem voorbij,Trek hem op ziĵ.Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.Kijk! wat hij rondloopt en tast!Sliep uit, dat ’s mis, kameraad!....’t Is te laat!Raagbol en kwast,Hoû ze maar vast!—Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.Meisjes! wat kraakt er uw kleed!Jongens! uw fluistren verraadtWaar je staat!Eer dat ge ’t weet,Heeft hij je beet!....Blindeman, Blindeman!Hoû wat je kan:Je bent weêr ziende, man!
Stoelen en stoven op ziĵ,Dat hij zijn voetjes niet stoot;’t Heeft geen nood!—Loop hem voorbij,Trek hem op ziĵ.Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.
Stoelen en stoven op ziĵ,
Dat hij zijn voetjes niet stoot;
’t Heeft geen nood!—
Loop hem voorbij,
Trek hem op ziĵ.
Blindeman, Blindeman!
Pak me maar ân,
Als je me krijgen kan.
Kijk! wat hij rondloopt en tast!Sliep uit, dat ’s mis, kameraad!....’t Is te laat!Raagbol en kwast,Hoû ze maar vast!—Blindeman, Blindeman!Pak me maar ân,Als je me krijgen kan.
Kijk! wat hij rondloopt en tast!
Sliep uit, dat ’s mis, kameraad!....
’t Is te laat!
Raagbol en kwast,
Hoû ze maar vast!—
Blindeman, Blindeman!
Pak me maar ân,
Als je me krijgen kan.
Meisjes! wat kraakt er uw kleed!Jongens! uw fluistren verraadtWaar je staat!Eer dat ge ’t weet,Heeft hij je beet!....Blindeman, Blindeman!Hoû wat je kan:Je bent weêr ziende, man!
Meisjes! wat kraakt er uw kleed!
Jongens! uw fluistren verraadt
Waar je staat!
Eer dat ge ’t weet,
Heeft hij je beet!....
Blindeman, Blindeman!
Hoû wat je kan:
Je bent weêr ziende, man!
Onze manieren.Tusschen Keulen en ParijsLeît de weg naar Rome:Al die met ons meê wil gaan,Die moet onze manieren verstaan:Goeiĵe manieren,Zoete manieren,Zoo zijn onze manieren.Ben je klein of ben je groot,Altijd kan je leeren;Woudt ge gaarne zijn bemind,Houdt maar onze manieren te vrind:Brave manieren,Vrome manieren,Zoo zijn onze manieren.Ben je niet van Hollandsch bloed,Woudt ge dat niet blijven?Houdt dan, kindren! waar het past,Houdt dan Hollands manieren maar vast;Oûwe manieren,Trouwe manieren,Zoo zijn onze manieren.
Tusschen Keulen en ParijsLeît de weg naar Rome:Al die met ons meê wil gaan,Die moet onze manieren verstaan:Goeiĵe manieren,Zoete manieren,Zoo zijn onze manieren.
Tusschen Keulen en Parijs
Leît de weg naar Rome:
Al die met ons meê wil gaan,
Die moet onze manieren verstaan:
Goeiĵe manieren,
Zoete manieren,
Zoo zijn onze manieren.
Ben je klein of ben je groot,Altijd kan je leeren;Woudt ge gaarne zijn bemind,Houdt maar onze manieren te vrind:Brave manieren,Vrome manieren,Zoo zijn onze manieren.
Ben je klein of ben je groot,
Altijd kan je leeren;
Woudt ge gaarne zijn bemind,
Houdt maar onze manieren te vrind:
Brave manieren,
Vrome manieren,
Zoo zijn onze manieren.
Ben je niet van Hollandsch bloed,Woudt ge dat niet blijven?Houdt dan, kindren! waar het past,Houdt dan Hollands manieren maar vast;Oûwe manieren,Trouwe manieren,Zoo zijn onze manieren.
Ben je niet van Hollandsch bloed,
Woudt ge dat niet blijven?
Houdt dan, kindren! waar het past,
Houdt dan Hollands manieren maar vast;
Oûwe manieren,
Trouwe manieren,
Zoo zijn onze manieren.
Voor de smidse.Heisa! dat hamert er lustig op toe,Smidje! vertel me ’reis, wordt ge niet moê?Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,Waart gij al lang aan het smeden en slaan;Oef! wat een werken en zweeten is dat,Wacht eens een omzien en rust ereis wat!—Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,Maar van het smeden versta je geen’ duit;’t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;Denkt er om, jongens! ’t is goed, dat ge ’t weet:IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!—
Heisa! dat hamert er lustig op toe,Smidje! vertel me ’reis, wordt ge niet moê?Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,Waart gij al lang aan het smeden en slaan;Oef! wat een werken en zweeten is dat,Wacht eens een omzien en rust ereis wat!
Heisa! dat hamert er lustig op toe,
Smidje! vertel me ’reis, wordt ge niet moê?
Toen wij van morgen naar school zijn gegaan,
Waart gij al lang aan het smeden en slaan;
Oef! wat een werken en zweeten is dat,
Wacht eens een omzien en rust ereis wat!
—Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,Maar van het smeden versta je geen’ duit;’t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;Denkt er om, jongens! ’t is goed, dat ge ’t weet:IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!—
—Maatjes! je ziet er zoo dom nog niet uit,
Maar van het smeden versta je geen’ duit;
’t IJzer is gloeijend, zoo als jelui ziet;
Wacht ik een beetje, dan deugt het weêr niet;
Denkt er om, jongens! ’t is goed, dat ge ’t weet:
IJzer, dat deugd houdt, moet gloeijend gesmeed!—
Haasje.Haasje zat in ’t rijpend koren,Knabblend aan het groene kruid;—Haasje, haasje! kijk wat uit,Klonk daar niet een jagershoren?Klonk daar niet een paardedraf?Klonk daar niet een hondgeblaf?“Nog een blaadje, nog een kruidje,....Ik kan loopen, hard genoeg,’t Is, warempel! nog te vroeg,Nog dat ééne, kleine spruitje....”Paf!.... daar knalde het geweer,’t Haasje dat viel bloedend neêr!Haasje, haasje! ’t kan me spijten,Maar uw lot dat is verdiend:Waart ge minder gulzig, vriend!Zou de hond je nu niet bijten:Wie niet hoort naar goeden raad,Die beklaagt het zich te laat!
Haasje zat in ’t rijpend koren,Knabblend aan het groene kruid;—Haasje, haasje! kijk wat uit,Klonk daar niet een jagershoren?Klonk daar niet een paardedraf?Klonk daar niet een hondgeblaf?
Haasje zat in ’t rijpend koren,
Knabblend aan het groene kruid;—
Haasje, haasje! kijk wat uit,
Klonk daar niet een jagershoren?
Klonk daar niet een paardedraf?
Klonk daar niet een hondgeblaf?
“Nog een blaadje, nog een kruidje,....Ik kan loopen, hard genoeg,’t Is, warempel! nog te vroeg,Nog dat ééne, kleine spruitje....”Paf!.... daar knalde het geweer,’t Haasje dat viel bloedend neêr!
“Nog een blaadje, nog een kruidje,....
Ik kan loopen, hard genoeg,
’t Is, warempel! nog te vroeg,
Nog dat ééne, kleine spruitje....”
Paf!.... daar knalde het geweer,
’t Haasje dat viel bloedend neêr!
Haasje, haasje! ’t kan me spijten,Maar uw lot dat is verdiend:Waart ge minder gulzig, vriend!Zou de hond je nu niet bijten:Wie niet hoort naar goeden raad,Die beklaagt het zich te laat!
Haasje, haasje! ’t kan me spijten,
Maar uw lot dat is verdiend:
Waart ge minder gulzig, vriend!
Zou de hond je nu niet bijten:
Wie niet hoort naar goeden raad,
Die beklaagt het zich te laat!
’t Jagertje.Jaapje woû een veldhoen schieten,En hij trof zijns buurmans schaap.Ieder zeî: Wat domme knaap!—Jaapje liet zich ’t niet verdrieten,En hij laadde zijn geweerVoor een’ ander’ keer.Met zoo greep hij ’t in zijn handen,Schoot en trof een vetten haas;Ieder riep: Je bent een baas!—Jaapje liet ze watertanden,En hij bragt hem blij te moêNaar zijn’ buurman toe.—’k Heb in vroeger tijd gelezen:“Hans komt door zijn domheid voort!”’t Is niet altijd waar, dat woord,Mag ’t ook nu en dan eens wezen;Maar, wanneer ge een domheid doet,Maak haar gaauw weêr goed!
Jaapje woû een veldhoen schieten,En hij trof zijns buurmans schaap.Ieder zeî: Wat domme knaap!—Jaapje liet zich ’t niet verdrieten,En hij laadde zijn geweerVoor een’ ander’ keer.
Jaapje woû een veldhoen schieten,
En hij trof zijns buurmans schaap.
Ieder zeî: Wat domme knaap!—
Jaapje liet zich ’t niet verdrieten,
En hij laadde zijn geweer
Voor een’ ander’ keer.
Met zoo greep hij ’t in zijn handen,Schoot en trof een vetten haas;Ieder riep: Je bent een baas!—Jaapje liet ze watertanden,En hij bragt hem blij te moêNaar zijn’ buurman toe.—
Met zoo greep hij ’t in zijn handen,
Schoot en trof een vetten haas;
Ieder riep: Je bent een baas!—
Jaapje liet ze watertanden,
En hij bragt hem blij te moê
Naar zijn’ buurman toe.—
’k Heb in vroeger tijd gelezen:“Hans komt door zijn domheid voort!”’t Is niet altijd waar, dat woord,Mag ’t ook nu en dan eens wezen;Maar, wanneer ge een domheid doet,Maak haar gaauw weêr goed!
’k Heb in vroeger tijd gelezen:
“Hans komt door zijn domheid voort!”
’t Is niet altijd waar, dat woord,
Mag ’t ook nu en dan eens wezen;
Maar, wanneer ge een domheid doet,
Maak haar gaauw weêr goed!
October.Kijk! October is in ’t land!Vol van appels buigen, zakken,Knakken haast, de dikste takken,Geef een mand!Neen! geef duizend, duizend manden!Pluk en raap, met volle handen,Doe, van al dien overvloed,Nu uw buikje eens regt te goed.Maar, bedenk het, jonge borst!’t Is (hoeveel gij ook moogt garen)Goed—een appeltje te sparenVoor den dorst!Als de winter is gekomen,Vindt ge er geen meer aan de boomen,En uw al te grage tandBijt ligt in een leêge mand!Zoo ’t voor appel geldt en peer,Lieve kind!—in rijper jarenZult gij zien, dat zóó te sparenGeldt voor meer!....Wil dus vroeg en jong beginnenSteeds te sparen van uw winnen,Om te maken, dat gij, oud,Appels voor den dorst behoudt.
Kijk! October is in ’t land!Vol van appels buigen, zakken,Knakken haast, de dikste takken,Geef een mand!Neen! geef duizend, duizend manden!Pluk en raap, met volle handen,Doe, van al dien overvloed,Nu uw buikje eens regt te goed.
Kijk! October is in ’t land!
Vol van appels buigen, zakken,
Knakken haast, de dikste takken,
Geef een mand!
Neen! geef duizend, duizend manden!
Pluk en raap, met volle handen,
Doe, van al dien overvloed,
Nu uw buikje eens regt te goed.
Maar, bedenk het, jonge borst!’t Is (hoeveel gij ook moogt garen)Goed—een appeltje te sparenVoor den dorst!Als de winter is gekomen,Vindt ge er geen meer aan de boomen,En uw al te grage tandBijt ligt in een leêge mand!
Maar, bedenk het, jonge borst!
’t Is (hoeveel gij ook moogt garen)
Goed—een appeltje te sparen
Voor den dorst!
Als de winter is gekomen,
Vindt ge er geen meer aan de boomen,
En uw al te grage tand
Bijt ligt in een leêge mand!
Zoo ’t voor appel geldt en peer,Lieve kind!—in rijper jarenZult gij zien, dat zóó te sparenGeldt voor meer!....Wil dus vroeg en jong beginnenSteeds te sparen van uw winnen,Om te maken, dat gij, oud,Appels voor den dorst behoudt.
Zoo ’t voor appel geldt en peer,
Lieve kind!—in rijper jaren
Zult gij zien, dat zóó te sparen
Geldt voor meer!....
Wil dus vroeg en jong beginnen
Steeds te sparen van uw winnen,
Om te maken, dat gij, oud,
Appels voor den dorst behoudt.
Sint-Nicolaas.Zie, de maan schijnt door de boomen,Makkers! staakt uw wild geraas;’t Heerlijk avendje is gekomen,’t Avendje van Sint-Niclaas!Van verwachting klopt ons hart,Wie de koek krijgt, wie de gard!o! Wat pret zal ’t zijn te spelenMet dien bonten arlekijn!Eerlijk zullen we alles deelen,Suikergoed en marsepijn;Maar, o wee! wat bittre smart,Kregen wij voor koek, een gard!Doch ik vrees niet, dat wij klagen,Vader, Moeder zijn te goed!Waren we ook niet alle dagen,Véle waren wij toch zoet!Ban dus vrij de vrees van ’t hart,’k Wed, er ligt geen enkle gard!
Zie, de maan schijnt door de boomen,Makkers! staakt uw wild geraas;’t Heerlijk avendje is gekomen,’t Avendje van Sint-Niclaas!Van verwachting klopt ons hart,Wie de koek krijgt, wie de gard!
Zie, de maan schijnt door de boomen,
Makkers! staakt uw wild geraas;
’t Heerlijk avendje is gekomen,
’t Avendje van Sint-Niclaas!
Van verwachting klopt ons hart,
Wie de koek krijgt, wie de gard!
o! Wat pret zal ’t zijn te spelenMet dien bonten arlekijn!Eerlijk zullen we alles deelen,Suikergoed en marsepijn;Maar, o wee! wat bittre smart,Kregen wij voor koek, een gard!
o! Wat pret zal ’t zijn te spelen
Met dien bonten arlekijn!
Eerlijk zullen we alles deelen,
Suikergoed en marsepijn;
Maar, o wee! wat bittre smart,
Kregen wij voor koek, een gard!
Doch ik vrees niet, dat wij klagen,Vader, Moeder zijn te goed!Waren we ook niet alle dagen,Véle waren wij toch zoet!Ban dus vrij de vrees van ’t hart,’k Wed, er ligt geen enkle gard!
Doch ik vrees niet, dat wij klagen,
Vader, Moeder zijn te goed!
Waren we ook niet alle dagen,
Véle waren wij toch zoet!
Ban dus vrij de vrees van ’t hart,
’k Wed, er ligt geen enkle gard!
Sneeuwballen.Sneeuw bedekt de landen:Wascht de kille handenDat ze tintlend branden,Kneedt den sneeuwbal vast;Krachtig de’ arm geheven,Fiksch den bal gedreven:Ha! dat is een leven,Dat aan jongens past!Koudkleum mag zich warmenIn zijn Moeders armen,Schreijen om erbarmen,Als de bal hem raakt;Laat de kagchel gloeijen,....Ons zal door het stoeijen’t Bloed wel sneller vloeijen,Waar de sneeuwbal kraakt!
Sneeuw bedekt de landen:Wascht de kille handenDat ze tintlend branden,Kneedt den sneeuwbal vast;Krachtig de’ arm geheven,Fiksch den bal gedreven:Ha! dat is een leven,Dat aan jongens past!
Sneeuw bedekt de landen:
Wascht de kille handen
Dat ze tintlend branden,
Kneedt den sneeuwbal vast;
Krachtig de’ arm geheven,
Fiksch den bal gedreven:
Ha! dat is een leven,
Dat aan jongens past!
Koudkleum mag zich warmenIn zijn Moeders armen,Schreijen om erbarmen,Als de bal hem raakt;Laat de kagchel gloeijen,....Ons zal door het stoeijen’t Bloed wel sneller vloeijen,Waar de sneeuwbal kraakt!
Koudkleum mag zich warmen
In zijn Moeders armen,
Schreijen om erbarmen,
Als de bal hem raakt;
Laat de kagchel gloeijen,....
Ons zal door het stoeijen
’t Bloed wel sneller vloeijen,
Waar de sneeuwbal kraakt!
Winteravond.Zoo’n winteravond mag ik wel,Al stormt het wat daarbuiten,Al klettert ook de hagel schelEn ram’lend langs de ruiten;Hierbinnen is een fiksche gloedEn chocolade, warm en zoet,En knappende beschuiten.Wij vroegen om dat lekkers niet,Maar laten het ons smaken,En zingen soms een vrolijk lied,Dat kindren kan vermaken;En leêgen menig groote schaal,En hooren menig vreemd verhaalVan allerhande zaken.Maar zijn we aan ’t einde van de pret,En wordt het vuurtje zwakker,Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,En groeten vriend en makker;Dan leggen wij ons dankbaar neêr,En bidden: “o! Behoed ons, Heer!En maak gezond ons wakker!”
Zoo’n winteravond mag ik wel,Al stormt het wat daarbuiten,Al klettert ook de hagel schelEn ram’lend langs de ruiten;Hierbinnen is een fiksche gloedEn chocolade, warm en zoet,En knappende beschuiten.
Zoo’n winteravond mag ik wel,
Al stormt het wat daarbuiten,
Al klettert ook de hagel schel
En ram’lend langs de ruiten;
Hierbinnen is een fiksche gloed
En chocolade, warm en zoet,
En knappende beschuiten.
Wij vroegen om dat lekkers niet,Maar laten het ons smaken,En zingen soms een vrolijk lied,Dat kindren kan vermaken;En leêgen menig groote schaal,En hooren menig vreemd verhaalVan allerhande zaken.
Wij vroegen om dat lekkers niet,
Maar laten het ons smaken,
En zingen soms een vrolijk lied,
Dat kindren kan vermaken;
En leêgen menig groote schaal,
En hooren menig vreemd verhaal
Van allerhande zaken.
Maar zijn we aan ’t einde van de pret,En wordt het vuurtje zwakker,Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,En groeten vriend en makker;Dan leggen wij ons dankbaar neêr,En bidden: “o! Behoed ons, Heer!En maak gezond ons wakker!”
Maar zijn we aan ’t einde van de pret,
En wordt het vuurtje zwakker,
Dan gaan wij vrolijk naar ons bed,
En groeten vriend en makker;
Dan leggen wij ons dankbaar neêr,
En bidden: “o! Behoed ons, Heer!
En maak gezond ons wakker!”
Naar bed.Kindertjes! zijt ge nog niet moê?—Of gij uw oogjes al wilt wrijven,Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;Vroeg je niet om ’reis op te blijven?Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;Kindertjes! komt, uw bedje wacht!Is het niet of uw hartje slaapt?—Worden uw koontjes niet al strakker?Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!Kleedt je dan uit en bidt den Heer;Kindertjes! komt, ’t is tijd en meer!
Kindertjes! zijt ge nog niet moê?—Of gij uw oogjes al wilt wrijven,Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;Vroeg je niet om ’reis op te blijven?Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;Kindertjes! komt, uw bedje wacht!
Kindertjes! zijt ge nog niet moê?—
Of gij uw oogjes al wilt wrijven,
Ziet! ze vallen zoo zachtkens toe;
Vroeg je niet om ’reis op te blijven?
Hadt ge maar om Klaas Vaak gedacht;
Kindertjes! komt, uw bedje wacht!
Is het niet of uw hartje slaapt?—Worden uw koontjes niet al strakker?Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!Kleedt je dan uit en bidt den Heer;Kindertjes! komt, ’t is tijd en meer!
Is het niet of uw hartje slaapt?—
Worden uw koontjes niet al strakker?
Foei, hoe dat er uw mondje gaapt!
Zingt maar eens meê, dan wordt ge wakker!
Kleedt je dan uit en bidt den Heer;
Kindertjes! komt, ’t is tijd en meer!
Maneschijn.Die klare, heldre maneschijn,Wat houdt hij trouw de wacht!Ik kruip maar achter mijn gordijnEn slaap den heelen nacht.Kijk vrij door ’t venster met uw licht,Gij allerliefste maan!Ik knijp maar beî mijn oogjes digtEn laat je buiten staan.Als morgen vroeg de zon opgaat,Spring ik weêr voor den dag;En wensch dan, beste kameraad!Dat je ook eens slapen mag.
Die klare, heldre maneschijn,Wat houdt hij trouw de wacht!Ik kruip maar achter mijn gordijnEn slaap den heelen nacht.
Die klare, heldre maneschijn,
Wat houdt hij trouw de wacht!
Ik kruip maar achter mijn gordijn
En slaap den heelen nacht.
Kijk vrij door ’t venster met uw licht,Gij allerliefste maan!Ik knijp maar beî mijn oogjes digtEn laat je buiten staan.
Kijk vrij door ’t venster met uw licht,
Gij allerliefste maan!
Ik knijp maar beî mijn oogjes digt
En laat je buiten staan.
Als morgen vroeg de zon opgaat,Spring ik weêr voor den dag;En wensch dan, beste kameraad!Dat je ook eens slapen mag.
Als morgen vroeg de zon opgaat,
Spring ik weêr voor den dag;
En wensch dan, beste kameraad!
Dat je ook eens slapen mag.
Avondbede.Kinders! zult ge slapen gaan,Bidt met zulk een vroom gemoed,Of ge ’t voor het leste doetEn misschien niet op zult staan.Dankt voor ’t goeds, wat God u gaf,Hem, die ’t u geschonken heeft;Smeekt voor ’t kwaad, wat gij bedreeft,Onzen Heer vergeving af.De oogjes, door den slaap bezwaard,Mogen dan ter ruste gaan;Vrolijk zult ge ze openslaanIn den Hemel of op aard’.
Kinders! zult ge slapen gaan,Bidt met zulk een vroom gemoed,Of ge ’t voor het leste doetEn misschien niet op zult staan.
Kinders! zult ge slapen gaan,
Bidt met zulk een vroom gemoed,
Of ge ’t voor het leste doet
En misschien niet op zult staan.
Dankt voor ’t goeds, wat God u gaf,Hem, die ’t u geschonken heeft;Smeekt voor ’t kwaad, wat gij bedreeft,Onzen Heer vergeving af.
Dankt voor ’t goeds, wat God u gaf,
Hem, die ’t u geschonken heeft;
Smeekt voor ’t kwaad, wat gij bedreeft,
Onzen Heer vergeving af.
De oogjes, door den slaap bezwaard,Mogen dan ter ruste gaan;Vrolijk zult ge ze openslaanIn den Hemel of op aard’.
De oogjes, door den slaap bezwaard,
Mogen dan ter ruste gaan;
Vrolijk zult ge ze openslaan
In den Hemel of op aard’.
Engelen.In den Bijbel staat geschreven,Dat Gods Englen ons omzweven,En bewaken in den nacht;Dat geen boosheid ons kan hindrenEn dat alle vrome kindrenVeilig slapen in hun wacht!Dikwijls als ik had gebedenWas ’t, of op mijn oogeledenNog een nachtkus werd gedrukt:Zou dat niet een Engel wezen,Dacht ik—en met heilig vreezenHeb ik ’t hoofd ter rust gebukt.
In den Bijbel staat geschreven,Dat Gods Englen ons omzweven,En bewaken in den nacht;Dat geen boosheid ons kan hindrenEn dat alle vrome kindrenVeilig slapen in hun wacht!
In den Bijbel staat geschreven,
Dat Gods Englen ons omzweven,
En bewaken in den nacht;
Dat geen boosheid ons kan hindren
En dat alle vrome kindren
Veilig slapen in hun wacht!
Dikwijls als ik had gebedenWas ’t, of op mijn oogeledenNog een nachtkus werd gedrukt:Zou dat niet een Engel wezen,Dacht ik—en met heilig vreezenHeb ik ’t hoofd ter rust gebukt.
Dikwijls als ik had gebeden
Was ’t, of op mijn oogeleden
Nog een nachtkus werd gedrukt:
Zou dat niet een Engel wezen,
Dacht ik—en met heilig vreezen
Heb ik ’t hoofd ter rust gebukt.