II.Ochtenddank.Wij, kindren, knielen dankend neêr,En loven U, o Lieve Heer!Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.Uw hand maakte onze peluw zacht,Uwe Englen waakten heel den nacht,Dat ons geen onheil mogt genaken;En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:—o Vader! U zij dank gebragt!Zondag-morgen.Nu roept de kerkklok met zacht geluidDe kindren alle ter woning uit;Naar ’t Huis des Heeren gaat groot en kleen,In stillen eerbied, aandachtig heen.Om Hem te danken, die zoo veel goedAan alle menschen en kindren doet;Om Hem te bidden, dat Hij vergeev’,Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.o Lieve Heere, Gij, goede God!o Leer ons leven naar uw gebod!En ieder kerkgang zij ons een feest,Waarop we U loven met blijden geest.Meesters verjaardag.Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?Kijk uit, langs weî en akker,De bloempjes worden wakker,—Ontwaak, ontwaak, ontwaak!Ei, bloempjes! dat is mis geweest,Dat dien-je maar te weten!Wij hadden ’t niet vergetenDat blijde, blijde feest.Neen, lang al zijn wij kant en klaar,Van ’t hoofd tot aan de voeten,Om Meester-lief te groeten,Te groeten paar aan paar.En als ter school hij binnentreedt,Dan zullen wij met zangenEn versjes hem ontvangenVoor ’t goed dat hij ons deed.Dan bidden we onzen Lieven Heer:“o Mogt uw gunst ons geven,Om hem tot vreugd te leven,En U, o God! tot eer!”Des morgens vroeg.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Al lig ik warm nog in mijn bed,Dan weet ik, dat mijn MoederliefDe deur en vensters openzet;Dan staat mijn melk en boterhamAl netjes op de tafel reê,En Moeder gaat al vroeg aan ’t werkEn neemt hare eigen bótrâm meê.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Wanneer mij Moeder heeft gekust,Dan sluipt zij op haar toontjes wegEn fluistert: “Slaap nog maar gerust!”Maar ’k zorg wel, dat ik knap en blijEn tijds genoeg naar school toe ga,En als ik eerst gebeden heb,Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Als ik gegroeid ben tot een’ man (vrouw),Springikhet eerst de veêren uit,Dat Moederlief wat rusten kan (zou);Dan zet ik eersthaarbótrâm klaar,En als ik haar dan heb gekust,Dan sluip ik zacht ons huisjen uitEn denk: “Slaap gij nu maar gerust!”Naar school.“Naar school, naar school! de klok sloeg acht!”Ei kijk! op alle wegen,Van stoep en trap, langs straat en gracht,Komt ons een troepje tegen;Wel koud, maar rein van wang en hand;Wel arm, maar helder als een brand;En aan hunne oogjes zie-je ’t aan,Dat zij wàt graag naar school toe gaan.Eerst stoeit en lacht de blijde schaarEn springt op stoep en steenen;Dan ziet ge zachtjes paar aan paarZich tot een rij vereenen;En is er hier of daar een guit,Ze voeren toch geene ondeugd uit:—Daar mag een ziertje pret op staanVoor wie zoo graag naar school toe gaan.Maar dan naar school,—en opgepast!De les moet flink gelezen,Het schrift moet netjes in de kast,De som in orde wezen;En denkt bij alles op het lest,Het is toch tot mijn eigen best:—Want zijt ge zóó ter school gegaan,Dan komt ge er wijs en braaf van daan.Kis-kassen.Kom nu, mijn gladde kittelsteen,Ik zal-je gooijen, scherp en plat!Kom, huppel over ’t water heen,En kis-kas langs het vlak van ’t nat,Totdat ge, haast als een Pailjas,Een sprong maakt tot in ’t groene gras!Hei, jongens! opgepast—hij gaat!Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,Nog eens... plomp!... Mis is ’t, kameraad!—Een andre... plomp!... dat’s daadlijk mis!Nog eens—wat goed is, gaat in drie!...Daar springt hij—hoep!—daar is hij... zie!Hoezee!—of hij een vogel was,Zoo scheerde hij het spiegelvlak!En kijk! een heel eind in het gras,Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...Heb dank, mijn gladde kittelsteen!Als gij spring ’k—maar naar School nu, heen!Klein zusje.Mijn allerliefste zusje,Dat zit op Moeders schoot;Ik geef haar van mijn eten,Dan wordt ze spoedig groot;Ik zing haar al mijn liedjes,Dan wordt ze spoedig zoet;Ik leer haar al mijn lesjes,Dan wordt ze wijs en goed.Mijn allerliefste zusje!Wat zal dat aardig staan,Als wij met ons twee beidjesTe zaam naar school toe gaan!Dan op de kleine steentjesParmantig voortgestapt,Ik zal wel op u passen,Dat ge in geen plassen trapt.Mijn allerliefste zusje!Och, zeg! geloof-je nouHoe dat ik in mijn hartjeZoo magtig van u hoû?Toe, lach ’reis tegen broertje (zusje)En geef me ’reis een’ kus,En pak me eens in je boutjes,Mijne allerliefste zus!Stukjes-draaijen.Hé! dat ’s wat anders, als op schoolTe muffen op die harde banken,Te kijken naar die zwarte planken,En zoet te zijn als domme Jool!Kom, kom! dat leeren is maar wind,’k Denk, dat ik tòch mijn’ kost wel vind!...Wat woû-je, man?... een’ halve cent?Ik heb er waarlijk geen’ te geven....Maar kunt ge van uw werk niet leven,En moet ge beedlen, arme vent?Gij lijkt toch anders groot en sterk,Hoe komt het—heb-je dan geen werk?“Och, lieve kind! toen ’k jonger was,Toen woû ik mij niet goed gedragenEn ging, als ’t schooluur was geslagen,Uit slentren in het groene gras;Ik wou niet leeren toen ik môst,En moet nu beedlen voor den kost.”Och, arme man! ik schrik er van:Ik was daar juist aan ’t stukjes-draaijen;Maar ’k laat mij door uw voorbeeld raaiĵen.Kom morgen maar ’reis bij ons ân:—Als Moeder ’t mij vergeven heeft,Is ’t vast, dat ze u een bótrâm geeft.Opgepast.Ik wou wel als een vogeltjeZoo vliegen en zoo springen;Ik woû wel als een vogeltjeEen vrolijk liedje zingen,En iedereen’ vertelde ik graag,Dat ik zoo vrolijk ben van daag!En wilt ge weten hoe dat komt?Och, luister dan maar even!Ik heb het best mijn les gekend,Het best mijn schrift geschreven:En Moeder trok mij op haar’ schootEn zoende beî mijn wangen rood.Kerk-examen.Och Lentelief, och hartedief!Hoe prachtig zijn uw kleêren,Gestikt met bloempjes wit en blaauwEn paereltjes van morgendauwEn bonte vogelveêren!Wat ben je mooi, wat ben je mooi,Mijn lievert! in dien rijken tooi.En God de Heer, die tot zijn eer,o Lente! u zoo woû kleeden,Zal zeker aan het arme kind,Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,Nog grooter zorg besteden.Zijn goedheid geeft der schaamle jeugdDen tooi van kennis en van deugd.Rijk jaargetij! dat mogen wijVan daag weêr dankbaar toonen(Zij ’t met versleten jurk en buis),Nu liefde ons in des Heeren HuisVoor deugd en vlijt wil loonen;Die liefde ziet op pronk noch tooi,Maar denkt: “De hartjes zijn toch mooi!”Nieuwsgierig.De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt—En duizend bloemenknopjesVerheffen weêr hun kopjesEn kijken langs ’t ontluikend veld;Half, ja! met welbehagen—Maar half met schuchter vragen:“Zeg! is de Lente ver genoeg,Dat wij het durven wagen...Of komen wij te vroeg?”Gij lieve bloempjes, wit en rood,Gij teêre madeliefjes,Och! wees voorzigtig, diefjes!Gij zat zoo goed in Moeders schoot!Geen winter kon u deren....En als met donzen veêrenDekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:Wat kondt ge méér begeerenGij bloempjes van de weî?“Begeeren, ja!... begeeren, neen!Maar toch, wat rond te kijkenDat zou ons wel eens lijken!”...’t Is goed!—Ik ben er meê te vreên;Ik antwoordde op uw vraagjes:Doch schijnt de zon nog traagjes—En komt weêr sneeuw en ijs...Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!Door schande en schaê maar wijs!De lente kwam.De winterkoû is weggejaagd:Zie maar! wat bloemen, overal,De hof, de haag, de boomgaard draagt.’k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!En dat ’k geen andre sneeuw meer zie,Dan dieAls witte bloesem sneeuwt!Of haast de zwaluw komen zal?—Met stroo en fijngekamde wolMaakte ik de nestjes, in den stalEn onder aan de dakgoot, vol.Ik denk: ’t doet vast het trouwe dierPlêzier,Dat ’k zóóveel van hem hoû!En komt onze ooijevaar dan weêr,De langpoot met zijn langen bek,Dan zal ’t een pret zijn!—vrij wat meer,Dan, toen hij stond op zijn vertrek,En ieder droevig keek naar ’t dakEn sprak:“Hij neemt den zomer meê!”Zoo klink’ het dan, aan allen kant,Terwijl we ons scharen tot een dans,“Hoezee!—de Lente kwam in ’t land,Vlecht haar een madelievenkrans!”—En de Armoê roept, nog eens zoo blijAls wij:“Koû en gebrek zijn nu voorbij!”In Mei.In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En waar ze zitten broeijen,Daar zullen we niet stoeijen.In Mei,Dan kruipt een heel klein vogeltjeDoor ’t ei!Wie zou het willen deren?Het heeft geen eens nog veêren.In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En wie die beestjes hindren,Dat zijn wel booze kindren.Boterblômmetje.Ik moet u toch ’reis roemen,Mijn kleine boterblôm!Al keken de andre bloemenDaar nog zoo knorrig om;Gij staat zoo glinstrend in het hout,Alsof ge waart van klinkklaar goud.De bloempjes in de potten,De bloempjes in de kast,Die hebben mak’lijk spotten,Zij worden opgepast;Gij staat in alle wind en weêrEn groeit en bloeit toch evenzeer.Ik kon wel van u leeren,Heeft Vader mij gezeîd:Meer dan de mooiste kleêrenSiert ons tevredenheid;—Zoodat een arm en dankbaar kindVerdient, dat men het dubbel mint!Och Heer!Geen van de bloempjes heeft zijn’ knop meer toe,Het lieve zonnetje lacht weltemoê,De dartle vogels springen hoog en laag;Och Heer! wat is het alles mooi van daag!Och Heer!... foei! ’k zeî dat woord daar onbedacht,—En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;Ja alles roemt de goedheid van den Heer,En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.En ik, die zoo veel goeds genieten mag,Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,Niet denken aan den Gever van dat goed,Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...Vergeef’t, o Heer! en moog’ mijn liefde en dankUw goedheid prijzen heel mijn leven lank;En iedren dag zeg’ biddend mijn gemoed:Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!’t Viooltje.Viooltje, zacht van kleuren!Gij siert mijn’ kleinen hof,Viooltje, zoet van geuren!Ik zing ’reis tot uw’ lof;Als alle bloempjes rustenEn sluimren in heur’ knop,Dan snuif ik nog met lustenUw lekkre geurtjes op.En daarom steek uw kopjeGerust maar uit het gras,Zoo goed alsof-je een knopjeVan roos of lelie was.Ei, waarom weg te schuilen,Mijn kleine hartedief!Zeg, waarom zou-je pruilen?Ik heb u net zoo lief!Wie lieflijk is van wezenEn nedrig van gemoed,(Dat heb ik laatst gelezen)Is dubbel schoon en goed:En daarom, zedig bloempje!Zing ik nu tot uw’ lof,En prijs u als het roempje,Het roempje van mijn’ hof.Brandneteltje.Ai, ai, mijn heele handje brandt!....Of heeft me een beest gebeten?Wel neen! dat is die booze plant,Hoe of ze wel mag heeten?Dat stoute kruid,—Het zag er toch zoo aardig uit!“Brandneteltje, me-lieve kind!Zoo is dat kruid geheeten,En waart ge niet zoo haastig, vrind!Het had u niet gebeten:Dat beetje pijnDat leer-je nu voorzigtig zijn!”“Al wat ge voor het eerste ziet (Gij moogt het wel onthouên!),Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,Want bitter kon ’t u rouwen:Dus niets gewaagd,Of ’t eerst aan wijzer luî gevraagd.”Niet plukken.Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,Ik meen, gij heetVergeetMij niet!Als ’k wist dat ik U plukken dorst,Ik zou u steken op mijn borst;Dan zag ikDen heelen dag uw kleurenpracht!En ’k droomde er van den heelen nacht;Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?“Lief meisje! zoo ge ’t heel graag deedt,Pluk voor plêzierMij hier—Doch weet,Als ge mij vaststeekt op uw borst,Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...Zal ’k bloeijenBij ’t felle stralen van de zon,Dan moet het water van de bronMijn worteltjes besproeijen!”“Laat mij dus hier, bij ’t frissche nat!...Maar wacht, mijn kind!Ik vindNog wat!Graaf, om mijn worteltjes, een kluitMet aarde, heel voorzigtig, uit,En zet mij,Begoten, op een koele plekIn ’t vensterbank van uw vertrek,Dan leef ’k nog lang—wat wedt gij?”Het meisje groef met zachte handDe wortels uitVan ’t kruidDer plant,En liep naar huis, en zette haarIn een regt beeldig vaasje daarOp ’t plankje,Aan ’t kleine raam—en week op weekBloeit daar ’t Vergeet-mij-niet der beekEn fluistert daaglijks: “’k Dank je!”’t Verflenste bloempje.Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,Uw blaadjes rimplen aan den steel;Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!Zeg, bloemken! is ’t aan water, dat het schort?Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?—Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!’k Word frisscher weêr bij iedren drop,En al mijn blaadjes luiken op:Och, ’t is zoo naar, als men verwelken moet,Terwijl een weinig water uit de bron,Zoo ’t iemand geven woû, ons helpen kon.En ’t doet u zelv’ plêzier, zeg! doet het niet?Gij voelt uw hartje blijder slaanNu dat ge mij hebt welgedaan:Och! denk om mij, als ge eens een’ Arme ziet:Ligt helpt den stumpert uit zijn’ diepen nood Één teugje water en één bete brood.—Verwelkte rozen.Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,’k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,—Nu zijn de meeste verlept en verdord;Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,Niets dan de bottels is overgebleven....Moeder! ik vond, dat het aardiger waar’,Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!—Liefje! ’t heeft alles zijn beurt en zijn’ dag.Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?’k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!’t Is met de kindertjes net als de rozen:Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,“Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;Spelen en werken, ’t heeft ieder zijn’ tijd!”—De vlinder.Och! zou het waar zijn, dartel beest!Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,Dat gij een rupsje zijt geweest(Gij, die nu rondzweeft over ’t veld!)En kruipen moest langs tak en bladOf in een pop verscholen zat?Wat moet ge, als ’t waar is, vrolijk zijn,Nu je zoo prettig vliegen mag,En nu ge uit rozen en jasmijnUw’ maaltijd ophaalt alle dag....En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!—En in ’t priëel zat Grootemoê.....Zij trok me zachtkens aan haar’ schootEn sloot hare oogen biddend toe,En zeî: “Zoo zal eens, na den dood,Verlost van aardschen strijd en pijn,De brave mensch een Engel zijn!“In de weî.Lieve beestjes in de weî!Vindt ge hier niet allerlei?Bloempjes, klaver, gras en kruid,Ieder zoekt zijn gading uit;Op dat groene tafelkleedStaat voor allen wat gereed.Luister hoe die vogel zingt,Kijk eens hoe dat veulen springt,’t Koetje loeit en ’t schaapje blaat,Ieder spreekt er naar zijn’ staat,Ieder dankt er in zijn taalVoor dat kostelijke maal.Foei! dat ik beschaamd moet staan,Die aan ’t eten ben gegaan(Och! te dikwijls en te lank)Zonder bidden, zonder dank!—Hoor! nu eet ik nimmer weêr,Of ik dank ons’ Lieven Heer!Lijsterbessen.Lijstertje, zoo zwart van veêren,Met uw’ snavel geel als goud!’k Hoor u daaglijks kwinkelerenIn de toppen van het hout;Hoog en droog zingt gij uw lied,—Kom ’reis hier... of durf-je niet?Zie-je niet die roode bessen,Daar ge toch zooveel van houdt?Kijk, ze slingren zich als tressenOm de heesters van het woud;Kijk maar, proef maar, kom eens hier,Kom, mijn allerliefste dier!—Ei! ge dacht me fijn te foppen,Knaapje!... maar ik hoû me doof!’k Zag maar al te goed de stroppenDaar verborgen tusschen ’t loof:Dwaas is, wie voor lekkernijZich laat vangen:—ik blijf vrij!—Nachtegaals-liedje.Een nachtegaal zit in den boom,Die voor mijn venster staat;Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,Ik hoor hem ’s nachts nog in mijn’ droom;En ’s morgens roept zijn heldre zang:“Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!”Wel, lieve, kleine nachtegaal!Zeg, slaap-je zelf dan niet?En ’s nachts, wie hoort dan naar uw lied?De menschen slapen allemaal!Of zingt ge mooglijk voor den wacht.Omdat hij oppast in den nacht?De Meester zeît, als ’t winter wordt,Dan trekt ge ver van hier;Och, kom maar binnen, aardig dier,Als ’t dan aan dek of eten schort!Ik zal u koestren aan mijn ziĵ,En ’k laat u ’s zomers vrank en vrij!’t Binnenst.Hoorde ik vogels kwinkelerenIn het stille, koele woud,’k Zag dan eertijds naar hun veêren:—’k Dacht, dat purper, blaauw of goudOm het gorgeltje moest spelen,Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.Maar—mijn lieve nachtegaaltjesOch! ze leerden mij alras,Dat een keeltje graauw en vaaltjes’t Volst met schoone liedren was,En bij ’t heerlijkst klankgetoover’t Zedigst wegschool in het loover.Zijt ge pover in de kleêren,Arme knaap, arm maagdelijn!’k Wil u lieven toch en eeren,Toont ge, in ’t hart, wat flinks te zijn:’k Mogt van ’t nachtegaaltje leeren,Dat het niet zit in de.... veêren!Klein spinnekopje.Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,En niet als ik een bedje, waarin ge u ’s avonds leît?—Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?Spinneweb.Of er de wind ook uw webbetje scheurt,Of er een hommel doorhenen komt strijken,En of het nogeens en nogeens gebeurt,Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:—“’t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!”Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan ’t werkEn maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo rasMaar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....’t Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,Of ’t is wel ergens nog nut voor geweest!De bijenkorf.Foei! stoute bij!Wat steek-je mij!Ik deed u toch geen kwaad:Ik keek maar even hoe het gaatEn hoe het met uw korfje staat,En of ge voor de winterdagenAl menig vette honigraatHebt zaâmgedragen.—Ja, kind! ik gaârHet halve jaarMijn’ honig en mijn was;Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,En zoek de bloempjes in het grasEn op de hoogste heuveltoppen,En zuig mijn’ honig en mijn wasUit alle knoppen.En als ik dan,Mijn kleine man!Vermoeid naar huis toe dril,En ’k zie daar sluipen, zacht en stil,Een’ knaap, die heimlijk snoepen wil,Dan ben ik ’t steken niet vergeten....Want ’k meen, dat wie niet werken wil,Ook niet mag eten.—Ons poesje.Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,Uw pootjes, die lijken fluweel,Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:—Wat let me, dat ik je ’reis zoen!Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!Maar krabben, dat moet ge niet doen!—Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweelDaar strijk ik mijn haartjes meê glad;Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,Wie speelt er toch graag met een morsige kat?En ’k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;Och, geef me gerust maar een’ zoen:En krabben, mijn vrind!—Gij zijt een zoet kind,Dat zou ik de Stouterts maar doen.—Lorretje.“Lorretje, kaporretje, kapoe!....”Foei, ik hoû mijne ooren toe,—Wat geschreeuw en wat getier,Leelijk dier!Hè! mijn heele hoofd is moê....“Lorretje, kaporretje, kapoe!”—Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,Ik heb anders niet geleerd;Maar een kind, dat beter weet, En vergeetHoe zijn snappen andren deert....Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.—Draaitol.Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,Geef-je van ’t loopen en draaijen den brui;Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!Vader! och, geef mij een’ tol, die blijft staan,Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!—Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,Geeft ge van lessen en schriften den brui;Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;Waarlijk, ik vrees,—als het langer zoo duurt,Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.—Hobbelpaard.Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!Nu moet gij rijden met een vaart;Want och! ik heb zoo’n groote haast,Ik moet wat halen van hiernaast;—Daar is door Moeder, om de pret,Een bord met kersen neêrgezet,En als ge nu niet voort en maakt,Misschien is ’t bord dan leêggeraakt:Dus rep-je, rep-je, wat je kan,Dan krijg-je er ook een kersje van;Want Vader zeît:‘een vlijtig paardDat is de haver dubbel waard’.Luilekkerland.’k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!Om er te komen, dat dient ge te weten,Moet men door bergen van rijstepap eten:Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,Eten en drinken, dat loopt je in den mond!Jongens!—hoe aardig het is om te lezen,’k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;Neen! als men arbeidt met ijver en lust,Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!Honger.Honger is de beste saus;Draven, slaven, zwoegen, zweeten,Geeft den regten trek tot eten;Wie gewerkt heeft flink en goed,Smaken raauwe boonen zoet.Honger is de beste saus!Had-je taarten en pastijen,Had-je ’s werelds lekkernijen,Och wat hielp het u, mijn schat!Als ge toch geen’ honger hadt.Honger is de beste saus!Loopt het somtijds op een schraaltje,—Denk, wat baat het beste maaltjeAan een’ luijen lekkerbek.....Groote schotels, kleine trek!’t Een en ’t ander.Eten, is een kostlijk ding!Doch, zoo u de spijs zal smaken,—Acht den honger niet gering,Die de saus er op moet maken!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Òf geen honger, òf geen eten...Och! dan dient gij maar te weten,Ik kies honger... kort en goed!Rusten, is een kostlijk ding!Doch, zult gij het welkom heeten—Acht het werken niet gering,Dat den prijs er van doet weten!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Meest te werken... meest te rusten...Och! trots al de zoetste lusten,Ik kies werken... kort en goed!Rijkdom, is een kostlijk ding!Doch, wilt gij hem goed waarderen,Acht het arm zijn niet geringOm u ’t regt gebruik te leeren!Waarlijk—zoo ik kiezen moet,Altijd rijk... soms arm te wezen,Och! ik zeg het zonder vreezen,Ik kies arm zijn... kort en goed!Vogelverschrikker.Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,Dat ge alle wegvliegt als ge ’t ziet!....Het is een pop en anders niet,Met menig’ ouden lap er om:Kijk! of ge ’em pikt en of ge ’em slaat,Hij blijft een doode, kameraad!En doet u zeker leed noch kwaad.—Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,Gij zijt toch ook zoo’n slimmert niet;Want, als ge ’s avonds eens wat ziet,Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,En vreest voor spook of ander kwaad....En keek-je eens op de keper, maat!Dan was ’t verbeelding, kameraad!—Onpartijdig.Braaf is braaf en slecht is slecht!Of het vrind of vijand doet;Daarom, jongens! hoû-je goed,Dat ge trouw uw meening zegt,Dat ge spreken durft in ’t regt:“Dat is braaf, en dat is slecht.”Heb-je een’ goeijen kameraad,Daar ge magtig veel van houdt,En hij is soms boos of stout,Zeg hem dan: “Mijn beste maat!“Dat is slecht”,—of, “dat is kwaad!”’k Wed, dat hij het verder laat.Vond-je er één’ een’ raren kwant,Maar ge zaagt er, nu of dan,Eens wat braafs of nobels van,Geef hem dan uw regterhandEn vertel aan allen kant:“Hij is toch een ferme klant!”Maar bedenk u eigen goed,Eer ge tot een’ ander’ spreekt,Of je zelv’ ook wat ontbreekt,Dat ge nog verhelpen moet:—Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:“Dàt was kwaad, en dàt was goed.”Een klein jokkentje.Een klein, klein jokkentje,Zou dat wel zonde wezen?Me dunkt, het heeft geen’ nood....Maar—kleine kindren worden groot,Dat heb ik laatst gelezen;En zijn ze jonk een beetje kwaad,Me dunkt, dat men van zelv’ al raadt,Wat ze ouder zullen wezen.Een klein, klein jokkentje,Al was het nog zoo’n diefje,Groeit tot een boozen gast,En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,Dat geef ik je op een briefje;—En menig brave man of vrouwHeeft van zoo’n jokkentje berouwHun heele leven,—liefje!Krachtig en zedig.Kort en krachtig in het goede,Kort en krachtig tegen ’t kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel flink als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, kameraad!Zult ge zien, dat—kort en krachtigMeer nog is, dan rijk en magtig.Stil en zedig in het goede,Stil en zedig bij het kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel zacht als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, meisjemaat!Zult ge zien, hoe—stil en zedig,’t Best eens ieders wensch bevredig’.Knapen, Meisjes!—Uitgelezen,Vol van heil en vol van vreê,Zou de heele wereld wezen,Hoorde een ieder naar mijn beê;Doch!—doen ze Allen ligt niet meê,’k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,Stil en zedig, kort en krachtig!Schoudermanteltje.Een lapje hier, een lapje daar,Waar ik ze maar kan vinden,Die gaâr ik netjes bij malkaarVan buurtjes en van vrinden;En geef voor chits,—ja, voor katoen,Een hand, een lachje, en soms een’ zoen.Een lapje hier, een lapje daar,Die snij ik dan tot ruiten,En stik ze netjes aan malkaâr,De mooiste ziĵ naar buiten;En, zijn dan alle hoekjes vol,Dan voer ik ze met warme wol.Een lapje hier, een lapje daarGing anders toch verloren....Nu ben ik menig’ winter klaarEn warm me naar behooren:—’k Ben met dien mantel dubbel blijd’,Want ’k heb hem door mijne eigen vlijt.Nieuwe klompjes.Mijn Kees-oom is een timmerman,Daar is geen knapper op de werf;Hij maakt in huis en op het erfAl wat-je zien of denken kan;Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,Maar ’k ben daarom niet bang voor hem.Hij kneep me lestmaal in mijn oorEn zeî: “Nu, als ge vlijtig leert,Uw’ Vader en uw Moeder eert,Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!”En tintelde ook mijn oor er van,Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.En denk ’reis wat hij heeft gebragt?....Een nieuw paar klompjes, puik en net,Met zilvren neusjes afgezet,Gevoerd met witte schapenvacht....En binnen in daar lag een brief,Waar op stond: “Voor mijn Neefje-lief!”En Moeder zeî me, met een’ lach:“Nu ziet ge maar, mijn beste maat!Hoe of het zoete kindren gaat;’k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!”En ’k gaf mijn Moeder-lief een’ zoenEn zeî: dat ik mijn best zou doen!Winter.Och winter, barre winter,Wat zijt ge bitter koud!Ik woû, ik had een’ gulden,Dan kocht ik turf en hout.Een vuurtje zou ik bouwenAls onze plaat zoo groot,En ’k vroeg mijne arme buurtjesOp koffij en op brood.Wat zouden ze dan smullenIn ’t hoekje van den haard!Voor mij wierd zachts een plaatsjeEn ook wat brood bewaard:Och had ik maar een’ gulden....Maar toen ik Moeder vroeg,Toen zeî ze: “Kind! we hebbenPas voor ons zelv’ genoeg.”Hoor, Jongens! als ik groot ben,Dan zult ge ’reis wat zien:Een’ cent wil ik bewarenVan wat ik daags verdien;Dan heb ik een’ drieguldenMet Nieuwejaar bespaard,En ’k vraag mijne arme buurtjesIn ’t hoekje van mijn’ haard.Broodkruimels.Wat pikt er tegen ’t vensterglas,Alsof het vroeg: doe open!—Zoo ’t eens die kleine vogel was,Die ’k op de plaats zag loopen!Och ja! daar zit hij, koud en stram;Hoe sjilpt hij om wat eten....Och, dat ik nu mijn boterhamMaar niet had opgegeten!Of had ik al de kruimels maar,Die Moeder weg moest vegen,Dan was het arme diertje klaarEn ik stond niet verlegen!—Och, Moeder! help mij uit den nood,En ’k zal het nooit vergeten,Dat ook geen krûmmeltje van broodMag worden weggesmeten.In de kaars.“Wat danst ge vrolijk om het licht,Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,Of schemert het voor uw gezigt?Zoo menig is er ingevlogen,Die half verbrand te spartlen ligt,En, ’k moet het waarlijk vreezen,’t Zal straks met u wel ook zoo wezen!”Doch, wat de huisvrouw zeî of deêEn of zij ’t beestje al weg woû jagen,Het hoorde naar vermaan noch beêMaar volgde blind zijn welbehagen:—En ’t duurde pas een tel of twee,Of zie! tot straf van ’t dartlen,Daar lag het in de kaars te spartlen!Ik woû wel, dat een zeker kind(Ik zal zijn’ naam hier maar niet zeggen!)Dat waanwijs mugje, zoo verblind,Daar in die heete kaars zag lêggen!—Maar ’t beestje is dood, eer ik hem vind....Misschien kan ’t nog genezen,Als ik er handig bij wil wezen!In ’t donker.Gij kruipt vergeefs in struik en heg,Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;Gij dacht misschien:“Het is toch donker op den wegEn niemand zag me bij mijn vlugt!”—Kijk eens naar boven, naar de lucht....De Sterren hebben het gezien!Nu zijt ge ’s avonds, vroeg of laat,Voor iedren struik en iedren boomIn angst en schroom;Want waar ge zit, of waar ge staat,Daar kijken u de Sterren aanEn roepen: “Gij hebt kwaad gedaan!....”En ’s nachts nog hoort ge ’t in uw’ droom.Maar is dan ’t hartje droef te moêEn voelt ge regt berouw en leed,Omdat ge ’t deedt,Dan lagchen u de Sterren toe,En zeggen: “Doe ’t maar nimmer weêr,Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!”Slaap wel nu—mits ge ’t nooit vergeet!Twee schildwachts.Of ge deur en venster sluit,Booze dieven, booze boeven,Die berooven en bedroeven,Weert ge daarmeê ’t huis niet uit!Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,Wilt ge geld noch rust verliezen.“Arbeid” sta getrouw op postOm voor “buitenshuis” te zorgen;Wakend van den vroegen morgen,’s Avonds laat pas afgelost;—“Liefde” hoû, met kalme zinnen,Vroom en ijvrig wacht “van binnen.”Waar die beiden staan op wacht,En de blanke wapens trekkenAls ze boef of dief ontdekken,Zijt ge veilig, dag en nacht!Kunt gij roepen, zonder schromen:“Laat het booze volk maar komen!”In den maneschijn.Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt een beetje hier!Zingt eens lustig met elkaâr,Zingt wat voor plêzier!Liedjes kent ge toch genoeg,’k Hoor u laat en ’k hoor u vroeg,Komt nu haastig hier!Als het werk is afgedaanEn de taak volbragt,Mag er wel een liedje op staan;’t Klinkt zoo mooi bij nacht!Open gaat er menig raam,Al de buurtjes scholen zaam;Zingt nu rein en zacht!Zingt vooreerst maar, hoe een kindLeerzaam wordt en zoet!Dan een liedje, welbemind,Van “Wien Neêrlandsch bloed!”Dan hoe men zijne ouders eer’,En hoe onze lieve HeerMagtig is en goed!Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt nu allen hier!Zingt eens lustig met elkaâr.Zingt wat voor plêzier!Spoedig roept de wacht: naar bed!Daarom zingt nu voor de pret,Komt maar haastig hier!Des avonds laat.Des avonds laat, des avonds laat,Dan komt mijn Vader, loof en moê,En dikwijls straat en grachten ver,Van ’t werk af naar ons huisje toe;Dan sta ik voor ons kleine raamTe hunkren of ik hem bespeur’,En als hij dan den hoek omslaat,Dan loop ik haastig naar de deur.Des avonds laat, des avonds laat,Als Moeder koffij heeft gezet,Schuif ik mijn Vaders leuningstoelIn ’t hoekje tusschen haard en bed;Ik zet zijn sloffen op de plaatEn dan, voorzigtig opgepast,Krijg ik mijn Vaders lange pijpEn zijn’ tabakspot van de kast.Des avonds laat, des avonds laat,Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,Dan geeft hij mij een lekkren zoenEn vraagt: “Wel, heb je braaf geleerd?”Dan val ik Vader om zijn’ halsEn zeg: “Ik heb mijn best gedaan,Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,Om flink voor u naar werk te gaan!”Sterretjes.Sterretjes! zie ik u blinken en staan,Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,Waar komt ge ’s avonds toch wel van daan,Waar gaat ge ’s morgens weêr henen,—Vindt ge den weg zoo alleenen?Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,Wie u laat schijnen in duistren nacht;Menschen die kunnen ’t niet wezen,Zijt ge zoo groot als wij lezen!o Dat moet God zijn, die groot is en goed,Die uit zijn’ Hemel de kinderkens hoedt,Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;Leer ons Hem danken en prijzen,Of ge moogt dalen of rijzen.Ter ruste.Eer wij ’t hoofd ter ruste buigen,Waar ons leger is gespreid,Willen we onze dankbaarheidAan den goeden God betuigenVoor den zegen ons bereid:Wil, o Vader! ons vergevenWat, in onbedachtzaamheid,Door uw kindren is misdreven:—Laat ons droomen heel den nachtVan Uw liefde, van Uw magt!
II.Ochtenddank.Wij, kindren, knielen dankend neêr,En loven U, o Lieve Heer!Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.Uw hand maakte onze peluw zacht,Uwe Englen waakten heel den nacht,Dat ons geen onheil mogt genaken;En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:—o Vader! U zij dank gebragt!Zondag-morgen.Nu roept de kerkklok met zacht geluidDe kindren alle ter woning uit;Naar ’t Huis des Heeren gaat groot en kleen,In stillen eerbied, aandachtig heen.Om Hem te danken, die zoo veel goedAan alle menschen en kindren doet;Om Hem te bidden, dat Hij vergeev’,Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.o Lieve Heere, Gij, goede God!o Leer ons leven naar uw gebod!En ieder kerkgang zij ons een feest,Waarop we U loven met blijden geest.Meesters verjaardag.Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?Kijk uit, langs weî en akker,De bloempjes worden wakker,—Ontwaak, ontwaak, ontwaak!Ei, bloempjes! dat is mis geweest,Dat dien-je maar te weten!Wij hadden ’t niet vergetenDat blijde, blijde feest.Neen, lang al zijn wij kant en klaar,Van ’t hoofd tot aan de voeten,Om Meester-lief te groeten,Te groeten paar aan paar.En als ter school hij binnentreedt,Dan zullen wij met zangenEn versjes hem ontvangenVoor ’t goed dat hij ons deed.Dan bidden we onzen Lieven Heer:“o Mogt uw gunst ons geven,Om hem tot vreugd te leven,En U, o God! tot eer!”Des morgens vroeg.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Al lig ik warm nog in mijn bed,Dan weet ik, dat mijn MoederliefDe deur en vensters openzet;Dan staat mijn melk en boterhamAl netjes op de tafel reê,En Moeder gaat al vroeg aan ’t werkEn neemt hare eigen bótrâm meê.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Wanneer mij Moeder heeft gekust,Dan sluipt zij op haar toontjes wegEn fluistert: “Slaap nog maar gerust!”Maar ’k zorg wel, dat ik knap en blijEn tijds genoeg naar school toe ga,En als ik eerst gebeden heb,Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Als ik gegroeid ben tot een’ man (vrouw),Springikhet eerst de veêren uit,Dat Moederlief wat rusten kan (zou);Dan zet ik eersthaarbótrâm klaar,En als ik haar dan heb gekust,Dan sluip ik zacht ons huisjen uitEn denk: “Slaap gij nu maar gerust!”Naar school.“Naar school, naar school! de klok sloeg acht!”Ei kijk! op alle wegen,Van stoep en trap, langs straat en gracht,Komt ons een troepje tegen;Wel koud, maar rein van wang en hand;Wel arm, maar helder als een brand;En aan hunne oogjes zie-je ’t aan,Dat zij wàt graag naar school toe gaan.Eerst stoeit en lacht de blijde schaarEn springt op stoep en steenen;Dan ziet ge zachtjes paar aan paarZich tot een rij vereenen;En is er hier of daar een guit,Ze voeren toch geene ondeugd uit:—Daar mag een ziertje pret op staanVoor wie zoo graag naar school toe gaan.Maar dan naar school,—en opgepast!De les moet flink gelezen,Het schrift moet netjes in de kast,De som in orde wezen;En denkt bij alles op het lest,Het is toch tot mijn eigen best:—Want zijt ge zóó ter school gegaan,Dan komt ge er wijs en braaf van daan.Kis-kassen.Kom nu, mijn gladde kittelsteen,Ik zal-je gooijen, scherp en plat!Kom, huppel over ’t water heen,En kis-kas langs het vlak van ’t nat,Totdat ge, haast als een Pailjas,Een sprong maakt tot in ’t groene gras!Hei, jongens! opgepast—hij gaat!Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,Nog eens... plomp!... Mis is ’t, kameraad!—Een andre... plomp!... dat’s daadlijk mis!Nog eens—wat goed is, gaat in drie!...Daar springt hij—hoep!—daar is hij... zie!Hoezee!—of hij een vogel was,Zoo scheerde hij het spiegelvlak!En kijk! een heel eind in het gras,Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...Heb dank, mijn gladde kittelsteen!Als gij spring ’k—maar naar School nu, heen!Klein zusje.Mijn allerliefste zusje,Dat zit op Moeders schoot;Ik geef haar van mijn eten,Dan wordt ze spoedig groot;Ik zing haar al mijn liedjes,Dan wordt ze spoedig zoet;Ik leer haar al mijn lesjes,Dan wordt ze wijs en goed.Mijn allerliefste zusje!Wat zal dat aardig staan,Als wij met ons twee beidjesTe zaam naar school toe gaan!Dan op de kleine steentjesParmantig voortgestapt,Ik zal wel op u passen,Dat ge in geen plassen trapt.Mijn allerliefste zusje!Och, zeg! geloof-je nouHoe dat ik in mijn hartjeZoo magtig van u hoû?Toe, lach ’reis tegen broertje (zusje)En geef me ’reis een’ kus,En pak me eens in je boutjes,Mijne allerliefste zus!Stukjes-draaijen.Hé! dat ’s wat anders, als op schoolTe muffen op die harde banken,Te kijken naar die zwarte planken,En zoet te zijn als domme Jool!Kom, kom! dat leeren is maar wind,’k Denk, dat ik tòch mijn’ kost wel vind!...Wat woû-je, man?... een’ halve cent?Ik heb er waarlijk geen’ te geven....Maar kunt ge van uw werk niet leven,En moet ge beedlen, arme vent?Gij lijkt toch anders groot en sterk,Hoe komt het—heb-je dan geen werk?“Och, lieve kind! toen ’k jonger was,Toen woû ik mij niet goed gedragenEn ging, als ’t schooluur was geslagen,Uit slentren in het groene gras;Ik wou niet leeren toen ik môst,En moet nu beedlen voor den kost.”Och, arme man! ik schrik er van:Ik was daar juist aan ’t stukjes-draaijen;Maar ’k laat mij door uw voorbeeld raaiĵen.Kom morgen maar ’reis bij ons ân:—Als Moeder ’t mij vergeven heeft,Is ’t vast, dat ze u een bótrâm geeft.Opgepast.Ik wou wel als een vogeltjeZoo vliegen en zoo springen;Ik woû wel als een vogeltjeEen vrolijk liedje zingen,En iedereen’ vertelde ik graag,Dat ik zoo vrolijk ben van daag!En wilt ge weten hoe dat komt?Och, luister dan maar even!Ik heb het best mijn les gekend,Het best mijn schrift geschreven:En Moeder trok mij op haar’ schootEn zoende beî mijn wangen rood.Kerk-examen.Och Lentelief, och hartedief!Hoe prachtig zijn uw kleêren,Gestikt met bloempjes wit en blaauwEn paereltjes van morgendauwEn bonte vogelveêren!Wat ben je mooi, wat ben je mooi,Mijn lievert! in dien rijken tooi.En God de Heer, die tot zijn eer,o Lente! u zoo woû kleeden,Zal zeker aan het arme kind,Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,Nog grooter zorg besteden.Zijn goedheid geeft der schaamle jeugdDen tooi van kennis en van deugd.Rijk jaargetij! dat mogen wijVan daag weêr dankbaar toonen(Zij ’t met versleten jurk en buis),Nu liefde ons in des Heeren HuisVoor deugd en vlijt wil loonen;Die liefde ziet op pronk noch tooi,Maar denkt: “De hartjes zijn toch mooi!”Nieuwsgierig.De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt—En duizend bloemenknopjesVerheffen weêr hun kopjesEn kijken langs ’t ontluikend veld;Half, ja! met welbehagen—Maar half met schuchter vragen:“Zeg! is de Lente ver genoeg,Dat wij het durven wagen...Of komen wij te vroeg?”Gij lieve bloempjes, wit en rood,Gij teêre madeliefjes,Och! wees voorzigtig, diefjes!Gij zat zoo goed in Moeders schoot!Geen winter kon u deren....En als met donzen veêrenDekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:Wat kondt ge méér begeerenGij bloempjes van de weî?“Begeeren, ja!... begeeren, neen!Maar toch, wat rond te kijkenDat zou ons wel eens lijken!”...’t Is goed!—Ik ben er meê te vreên;Ik antwoordde op uw vraagjes:Doch schijnt de zon nog traagjes—En komt weêr sneeuw en ijs...Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!Door schande en schaê maar wijs!De lente kwam.De winterkoû is weggejaagd:Zie maar! wat bloemen, overal,De hof, de haag, de boomgaard draagt.’k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!En dat ’k geen andre sneeuw meer zie,Dan dieAls witte bloesem sneeuwt!Of haast de zwaluw komen zal?—Met stroo en fijngekamde wolMaakte ik de nestjes, in den stalEn onder aan de dakgoot, vol.Ik denk: ’t doet vast het trouwe dierPlêzier,Dat ’k zóóveel van hem hoû!En komt onze ooijevaar dan weêr,De langpoot met zijn langen bek,Dan zal ’t een pret zijn!—vrij wat meer,Dan, toen hij stond op zijn vertrek,En ieder droevig keek naar ’t dakEn sprak:“Hij neemt den zomer meê!”Zoo klink’ het dan, aan allen kant,Terwijl we ons scharen tot een dans,“Hoezee!—de Lente kwam in ’t land,Vlecht haar een madelievenkrans!”—En de Armoê roept, nog eens zoo blijAls wij:“Koû en gebrek zijn nu voorbij!”In Mei.In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En waar ze zitten broeijen,Daar zullen we niet stoeijen.In Mei,Dan kruipt een heel klein vogeltjeDoor ’t ei!Wie zou het willen deren?Het heeft geen eens nog veêren.In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En wie die beestjes hindren,Dat zijn wel booze kindren.Boterblômmetje.Ik moet u toch ’reis roemen,Mijn kleine boterblôm!Al keken de andre bloemenDaar nog zoo knorrig om;Gij staat zoo glinstrend in het hout,Alsof ge waart van klinkklaar goud.De bloempjes in de potten,De bloempjes in de kast,Die hebben mak’lijk spotten,Zij worden opgepast;Gij staat in alle wind en weêrEn groeit en bloeit toch evenzeer.Ik kon wel van u leeren,Heeft Vader mij gezeîd:Meer dan de mooiste kleêrenSiert ons tevredenheid;—Zoodat een arm en dankbaar kindVerdient, dat men het dubbel mint!Och Heer!Geen van de bloempjes heeft zijn’ knop meer toe,Het lieve zonnetje lacht weltemoê,De dartle vogels springen hoog en laag;Och Heer! wat is het alles mooi van daag!Och Heer!... foei! ’k zeî dat woord daar onbedacht,—En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;Ja alles roemt de goedheid van den Heer,En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.En ik, die zoo veel goeds genieten mag,Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,Niet denken aan den Gever van dat goed,Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...Vergeef’t, o Heer! en moog’ mijn liefde en dankUw goedheid prijzen heel mijn leven lank;En iedren dag zeg’ biddend mijn gemoed:Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!’t Viooltje.Viooltje, zacht van kleuren!Gij siert mijn’ kleinen hof,Viooltje, zoet van geuren!Ik zing ’reis tot uw’ lof;Als alle bloempjes rustenEn sluimren in heur’ knop,Dan snuif ik nog met lustenUw lekkre geurtjes op.En daarom steek uw kopjeGerust maar uit het gras,Zoo goed alsof-je een knopjeVan roos of lelie was.Ei, waarom weg te schuilen,Mijn kleine hartedief!Zeg, waarom zou-je pruilen?Ik heb u net zoo lief!Wie lieflijk is van wezenEn nedrig van gemoed,(Dat heb ik laatst gelezen)Is dubbel schoon en goed:En daarom, zedig bloempje!Zing ik nu tot uw’ lof,En prijs u als het roempje,Het roempje van mijn’ hof.Brandneteltje.Ai, ai, mijn heele handje brandt!....Of heeft me een beest gebeten?Wel neen! dat is die booze plant,Hoe of ze wel mag heeten?Dat stoute kruid,—Het zag er toch zoo aardig uit!“Brandneteltje, me-lieve kind!Zoo is dat kruid geheeten,En waart ge niet zoo haastig, vrind!Het had u niet gebeten:Dat beetje pijnDat leer-je nu voorzigtig zijn!”“Al wat ge voor het eerste ziet (Gij moogt het wel onthouên!),Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,Want bitter kon ’t u rouwen:Dus niets gewaagd,Of ’t eerst aan wijzer luî gevraagd.”Niet plukken.Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,Ik meen, gij heetVergeetMij niet!Als ’k wist dat ik U plukken dorst,Ik zou u steken op mijn borst;Dan zag ikDen heelen dag uw kleurenpracht!En ’k droomde er van den heelen nacht;Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?“Lief meisje! zoo ge ’t heel graag deedt,Pluk voor plêzierMij hier—Doch weet,Als ge mij vaststeekt op uw borst,Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...Zal ’k bloeijenBij ’t felle stralen van de zon,Dan moet het water van de bronMijn worteltjes besproeijen!”“Laat mij dus hier, bij ’t frissche nat!...Maar wacht, mijn kind!Ik vindNog wat!Graaf, om mijn worteltjes, een kluitMet aarde, heel voorzigtig, uit,En zet mij,Begoten, op een koele plekIn ’t vensterbank van uw vertrek,Dan leef ’k nog lang—wat wedt gij?”Het meisje groef met zachte handDe wortels uitVan ’t kruidDer plant,En liep naar huis, en zette haarIn een regt beeldig vaasje daarOp ’t plankje,Aan ’t kleine raam—en week op weekBloeit daar ’t Vergeet-mij-niet der beekEn fluistert daaglijks: “’k Dank je!”’t Verflenste bloempje.Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,Uw blaadjes rimplen aan den steel;Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!Zeg, bloemken! is ’t aan water, dat het schort?Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?—Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!’k Word frisscher weêr bij iedren drop,En al mijn blaadjes luiken op:Och, ’t is zoo naar, als men verwelken moet,Terwijl een weinig water uit de bron,Zoo ’t iemand geven woû, ons helpen kon.En ’t doet u zelv’ plêzier, zeg! doet het niet?Gij voelt uw hartje blijder slaanNu dat ge mij hebt welgedaan:Och! denk om mij, als ge eens een’ Arme ziet:Ligt helpt den stumpert uit zijn’ diepen nood Één teugje water en één bete brood.—Verwelkte rozen.Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,’k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,—Nu zijn de meeste verlept en verdord;Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,Niets dan de bottels is overgebleven....Moeder! ik vond, dat het aardiger waar’,Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!—Liefje! ’t heeft alles zijn beurt en zijn’ dag.Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?’k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!’t Is met de kindertjes net als de rozen:Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,“Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;Spelen en werken, ’t heeft ieder zijn’ tijd!”—De vlinder.Och! zou het waar zijn, dartel beest!Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,Dat gij een rupsje zijt geweest(Gij, die nu rondzweeft over ’t veld!)En kruipen moest langs tak en bladOf in een pop verscholen zat?Wat moet ge, als ’t waar is, vrolijk zijn,Nu je zoo prettig vliegen mag,En nu ge uit rozen en jasmijnUw’ maaltijd ophaalt alle dag....En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!—En in ’t priëel zat Grootemoê.....Zij trok me zachtkens aan haar’ schootEn sloot hare oogen biddend toe,En zeî: “Zoo zal eens, na den dood,Verlost van aardschen strijd en pijn,De brave mensch een Engel zijn!“In de weî.Lieve beestjes in de weî!Vindt ge hier niet allerlei?Bloempjes, klaver, gras en kruid,Ieder zoekt zijn gading uit;Op dat groene tafelkleedStaat voor allen wat gereed.Luister hoe die vogel zingt,Kijk eens hoe dat veulen springt,’t Koetje loeit en ’t schaapje blaat,Ieder spreekt er naar zijn’ staat,Ieder dankt er in zijn taalVoor dat kostelijke maal.Foei! dat ik beschaamd moet staan,Die aan ’t eten ben gegaan(Och! te dikwijls en te lank)Zonder bidden, zonder dank!—Hoor! nu eet ik nimmer weêr,Of ik dank ons’ Lieven Heer!Lijsterbessen.Lijstertje, zoo zwart van veêren,Met uw’ snavel geel als goud!’k Hoor u daaglijks kwinkelerenIn de toppen van het hout;Hoog en droog zingt gij uw lied,—Kom ’reis hier... of durf-je niet?Zie-je niet die roode bessen,Daar ge toch zooveel van houdt?Kijk, ze slingren zich als tressenOm de heesters van het woud;Kijk maar, proef maar, kom eens hier,Kom, mijn allerliefste dier!—Ei! ge dacht me fijn te foppen,Knaapje!... maar ik hoû me doof!’k Zag maar al te goed de stroppenDaar verborgen tusschen ’t loof:Dwaas is, wie voor lekkernijZich laat vangen:—ik blijf vrij!—Nachtegaals-liedje.Een nachtegaal zit in den boom,Die voor mijn venster staat;Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,Ik hoor hem ’s nachts nog in mijn’ droom;En ’s morgens roept zijn heldre zang:“Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!”Wel, lieve, kleine nachtegaal!Zeg, slaap-je zelf dan niet?En ’s nachts, wie hoort dan naar uw lied?De menschen slapen allemaal!Of zingt ge mooglijk voor den wacht.Omdat hij oppast in den nacht?De Meester zeît, als ’t winter wordt,Dan trekt ge ver van hier;Och, kom maar binnen, aardig dier,Als ’t dan aan dek of eten schort!Ik zal u koestren aan mijn ziĵ,En ’k laat u ’s zomers vrank en vrij!’t Binnenst.Hoorde ik vogels kwinkelerenIn het stille, koele woud,’k Zag dan eertijds naar hun veêren:—’k Dacht, dat purper, blaauw of goudOm het gorgeltje moest spelen,Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.Maar—mijn lieve nachtegaaltjesOch! ze leerden mij alras,Dat een keeltje graauw en vaaltjes’t Volst met schoone liedren was,En bij ’t heerlijkst klankgetoover’t Zedigst wegschool in het loover.Zijt ge pover in de kleêren,Arme knaap, arm maagdelijn!’k Wil u lieven toch en eeren,Toont ge, in ’t hart, wat flinks te zijn:’k Mogt van ’t nachtegaaltje leeren,Dat het niet zit in de.... veêren!Klein spinnekopje.Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,En niet als ik een bedje, waarin ge u ’s avonds leît?—Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?Spinneweb.Of er de wind ook uw webbetje scheurt,Of er een hommel doorhenen komt strijken,En of het nogeens en nogeens gebeurt,Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:—“’t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!”Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan ’t werkEn maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo rasMaar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....’t Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,Of ’t is wel ergens nog nut voor geweest!De bijenkorf.Foei! stoute bij!Wat steek-je mij!Ik deed u toch geen kwaad:Ik keek maar even hoe het gaatEn hoe het met uw korfje staat,En of ge voor de winterdagenAl menig vette honigraatHebt zaâmgedragen.—Ja, kind! ik gaârHet halve jaarMijn’ honig en mijn was;Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,En zoek de bloempjes in het grasEn op de hoogste heuveltoppen,En zuig mijn’ honig en mijn wasUit alle knoppen.En als ik dan,Mijn kleine man!Vermoeid naar huis toe dril,En ’k zie daar sluipen, zacht en stil,Een’ knaap, die heimlijk snoepen wil,Dan ben ik ’t steken niet vergeten....Want ’k meen, dat wie niet werken wil,Ook niet mag eten.—Ons poesje.Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,Uw pootjes, die lijken fluweel,Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:—Wat let me, dat ik je ’reis zoen!Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!Maar krabben, dat moet ge niet doen!—Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweelDaar strijk ik mijn haartjes meê glad;Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,Wie speelt er toch graag met een morsige kat?En ’k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;Och, geef me gerust maar een’ zoen:En krabben, mijn vrind!—Gij zijt een zoet kind,Dat zou ik de Stouterts maar doen.—Lorretje.“Lorretje, kaporretje, kapoe!....”Foei, ik hoû mijne ooren toe,—Wat geschreeuw en wat getier,Leelijk dier!Hè! mijn heele hoofd is moê....“Lorretje, kaporretje, kapoe!”—Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,Ik heb anders niet geleerd;Maar een kind, dat beter weet, En vergeetHoe zijn snappen andren deert....Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.—Draaitol.Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,Geef-je van ’t loopen en draaijen den brui;Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!Vader! och, geef mij een’ tol, die blijft staan,Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!—Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,Geeft ge van lessen en schriften den brui;Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;Waarlijk, ik vrees,—als het langer zoo duurt,Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.—Hobbelpaard.Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!Nu moet gij rijden met een vaart;Want och! ik heb zoo’n groote haast,Ik moet wat halen van hiernaast;—Daar is door Moeder, om de pret,Een bord met kersen neêrgezet,En als ge nu niet voort en maakt,Misschien is ’t bord dan leêggeraakt:Dus rep-je, rep-je, wat je kan,Dan krijg-je er ook een kersje van;Want Vader zeît:‘een vlijtig paardDat is de haver dubbel waard’.Luilekkerland.’k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!Om er te komen, dat dient ge te weten,Moet men door bergen van rijstepap eten:Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,Eten en drinken, dat loopt je in den mond!Jongens!—hoe aardig het is om te lezen,’k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;Neen! als men arbeidt met ijver en lust,Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!Honger.Honger is de beste saus;Draven, slaven, zwoegen, zweeten,Geeft den regten trek tot eten;Wie gewerkt heeft flink en goed,Smaken raauwe boonen zoet.Honger is de beste saus!Had-je taarten en pastijen,Had-je ’s werelds lekkernijen,Och wat hielp het u, mijn schat!Als ge toch geen’ honger hadt.Honger is de beste saus!Loopt het somtijds op een schraaltje,—Denk, wat baat het beste maaltjeAan een’ luijen lekkerbek.....Groote schotels, kleine trek!’t Een en ’t ander.Eten, is een kostlijk ding!Doch, zoo u de spijs zal smaken,—Acht den honger niet gering,Die de saus er op moet maken!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Òf geen honger, òf geen eten...Och! dan dient gij maar te weten,Ik kies honger... kort en goed!Rusten, is een kostlijk ding!Doch, zult gij het welkom heeten—Acht het werken niet gering,Dat den prijs er van doet weten!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Meest te werken... meest te rusten...Och! trots al de zoetste lusten,Ik kies werken... kort en goed!Rijkdom, is een kostlijk ding!Doch, wilt gij hem goed waarderen,Acht het arm zijn niet geringOm u ’t regt gebruik te leeren!Waarlijk—zoo ik kiezen moet,Altijd rijk... soms arm te wezen,Och! ik zeg het zonder vreezen,Ik kies arm zijn... kort en goed!Vogelverschrikker.Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,Dat ge alle wegvliegt als ge ’t ziet!....Het is een pop en anders niet,Met menig’ ouden lap er om:Kijk! of ge ’em pikt en of ge ’em slaat,Hij blijft een doode, kameraad!En doet u zeker leed noch kwaad.—Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,Gij zijt toch ook zoo’n slimmert niet;Want, als ge ’s avonds eens wat ziet,Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,En vreest voor spook of ander kwaad....En keek-je eens op de keper, maat!Dan was ’t verbeelding, kameraad!—Onpartijdig.Braaf is braaf en slecht is slecht!Of het vrind of vijand doet;Daarom, jongens! hoû-je goed,Dat ge trouw uw meening zegt,Dat ge spreken durft in ’t regt:“Dat is braaf, en dat is slecht.”Heb-je een’ goeijen kameraad,Daar ge magtig veel van houdt,En hij is soms boos of stout,Zeg hem dan: “Mijn beste maat!“Dat is slecht”,—of, “dat is kwaad!”’k Wed, dat hij het verder laat.Vond-je er één’ een’ raren kwant,Maar ge zaagt er, nu of dan,Eens wat braafs of nobels van,Geef hem dan uw regterhandEn vertel aan allen kant:“Hij is toch een ferme klant!”Maar bedenk u eigen goed,Eer ge tot een’ ander’ spreekt,Of je zelv’ ook wat ontbreekt,Dat ge nog verhelpen moet:—Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:“Dàt was kwaad, en dàt was goed.”Een klein jokkentje.Een klein, klein jokkentje,Zou dat wel zonde wezen?Me dunkt, het heeft geen’ nood....Maar—kleine kindren worden groot,Dat heb ik laatst gelezen;En zijn ze jonk een beetje kwaad,Me dunkt, dat men van zelv’ al raadt,Wat ze ouder zullen wezen.Een klein, klein jokkentje,Al was het nog zoo’n diefje,Groeit tot een boozen gast,En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,Dat geef ik je op een briefje;—En menig brave man of vrouwHeeft van zoo’n jokkentje berouwHun heele leven,—liefje!Krachtig en zedig.Kort en krachtig in het goede,Kort en krachtig tegen ’t kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel flink als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, kameraad!Zult ge zien, dat—kort en krachtigMeer nog is, dan rijk en magtig.Stil en zedig in het goede,Stil en zedig bij het kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel zacht als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, meisjemaat!Zult ge zien, hoe—stil en zedig,’t Best eens ieders wensch bevredig’.Knapen, Meisjes!—Uitgelezen,Vol van heil en vol van vreê,Zou de heele wereld wezen,Hoorde een ieder naar mijn beê;Doch!—doen ze Allen ligt niet meê,’k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,Stil en zedig, kort en krachtig!Schoudermanteltje.Een lapje hier, een lapje daar,Waar ik ze maar kan vinden,Die gaâr ik netjes bij malkaarVan buurtjes en van vrinden;En geef voor chits,—ja, voor katoen,Een hand, een lachje, en soms een’ zoen.Een lapje hier, een lapje daar,Die snij ik dan tot ruiten,En stik ze netjes aan malkaâr,De mooiste ziĵ naar buiten;En, zijn dan alle hoekjes vol,Dan voer ik ze met warme wol.Een lapje hier, een lapje daarGing anders toch verloren....Nu ben ik menig’ winter klaarEn warm me naar behooren:—’k Ben met dien mantel dubbel blijd’,Want ’k heb hem door mijne eigen vlijt.Nieuwe klompjes.Mijn Kees-oom is een timmerman,Daar is geen knapper op de werf;Hij maakt in huis en op het erfAl wat-je zien of denken kan;Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,Maar ’k ben daarom niet bang voor hem.Hij kneep me lestmaal in mijn oorEn zeî: “Nu, als ge vlijtig leert,Uw’ Vader en uw Moeder eert,Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!”En tintelde ook mijn oor er van,Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.En denk ’reis wat hij heeft gebragt?....Een nieuw paar klompjes, puik en net,Met zilvren neusjes afgezet,Gevoerd met witte schapenvacht....En binnen in daar lag een brief,Waar op stond: “Voor mijn Neefje-lief!”En Moeder zeî me, met een’ lach:“Nu ziet ge maar, mijn beste maat!Hoe of het zoete kindren gaat;’k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!”En ’k gaf mijn Moeder-lief een’ zoenEn zeî: dat ik mijn best zou doen!Winter.Och winter, barre winter,Wat zijt ge bitter koud!Ik woû, ik had een’ gulden,Dan kocht ik turf en hout.Een vuurtje zou ik bouwenAls onze plaat zoo groot,En ’k vroeg mijne arme buurtjesOp koffij en op brood.Wat zouden ze dan smullenIn ’t hoekje van den haard!Voor mij wierd zachts een plaatsjeEn ook wat brood bewaard:Och had ik maar een’ gulden....Maar toen ik Moeder vroeg,Toen zeî ze: “Kind! we hebbenPas voor ons zelv’ genoeg.”Hoor, Jongens! als ik groot ben,Dan zult ge ’reis wat zien:Een’ cent wil ik bewarenVan wat ik daags verdien;Dan heb ik een’ drieguldenMet Nieuwejaar bespaard,En ’k vraag mijne arme buurtjesIn ’t hoekje van mijn’ haard.Broodkruimels.Wat pikt er tegen ’t vensterglas,Alsof het vroeg: doe open!—Zoo ’t eens die kleine vogel was,Die ’k op de plaats zag loopen!Och ja! daar zit hij, koud en stram;Hoe sjilpt hij om wat eten....Och, dat ik nu mijn boterhamMaar niet had opgegeten!Of had ik al de kruimels maar,Die Moeder weg moest vegen,Dan was het arme diertje klaarEn ik stond niet verlegen!—Och, Moeder! help mij uit den nood,En ’k zal het nooit vergeten,Dat ook geen krûmmeltje van broodMag worden weggesmeten.In de kaars.“Wat danst ge vrolijk om het licht,Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,Of schemert het voor uw gezigt?Zoo menig is er ingevlogen,Die half verbrand te spartlen ligt,En, ’k moet het waarlijk vreezen,’t Zal straks met u wel ook zoo wezen!”Doch, wat de huisvrouw zeî of deêEn of zij ’t beestje al weg woû jagen,Het hoorde naar vermaan noch beêMaar volgde blind zijn welbehagen:—En ’t duurde pas een tel of twee,Of zie! tot straf van ’t dartlen,Daar lag het in de kaars te spartlen!Ik woû wel, dat een zeker kind(Ik zal zijn’ naam hier maar niet zeggen!)Dat waanwijs mugje, zoo verblind,Daar in die heete kaars zag lêggen!—Maar ’t beestje is dood, eer ik hem vind....Misschien kan ’t nog genezen,Als ik er handig bij wil wezen!In ’t donker.Gij kruipt vergeefs in struik en heg,Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;Gij dacht misschien:“Het is toch donker op den wegEn niemand zag me bij mijn vlugt!”—Kijk eens naar boven, naar de lucht....De Sterren hebben het gezien!Nu zijt ge ’s avonds, vroeg of laat,Voor iedren struik en iedren boomIn angst en schroom;Want waar ge zit, of waar ge staat,Daar kijken u de Sterren aanEn roepen: “Gij hebt kwaad gedaan!....”En ’s nachts nog hoort ge ’t in uw’ droom.Maar is dan ’t hartje droef te moêEn voelt ge regt berouw en leed,Omdat ge ’t deedt,Dan lagchen u de Sterren toe,En zeggen: “Doe ’t maar nimmer weêr,Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!”Slaap wel nu—mits ge ’t nooit vergeet!Twee schildwachts.Of ge deur en venster sluit,Booze dieven, booze boeven,Die berooven en bedroeven,Weert ge daarmeê ’t huis niet uit!Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,Wilt ge geld noch rust verliezen.“Arbeid” sta getrouw op postOm voor “buitenshuis” te zorgen;Wakend van den vroegen morgen,’s Avonds laat pas afgelost;—“Liefde” hoû, met kalme zinnen,Vroom en ijvrig wacht “van binnen.”Waar die beiden staan op wacht,En de blanke wapens trekkenAls ze boef of dief ontdekken,Zijt ge veilig, dag en nacht!Kunt gij roepen, zonder schromen:“Laat het booze volk maar komen!”In den maneschijn.Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt een beetje hier!Zingt eens lustig met elkaâr,Zingt wat voor plêzier!Liedjes kent ge toch genoeg,’k Hoor u laat en ’k hoor u vroeg,Komt nu haastig hier!Als het werk is afgedaanEn de taak volbragt,Mag er wel een liedje op staan;’t Klinkt zoo mooi bij nacht!Open gaat er menig raam,Al de buurtjes scholen zaam;Zingt nu rein en zacht!Zingt vooreerst maar, hoe een kindLeerzaam wordt en zoet!Dan een liedje, welbemind,Van “Wien Neêrlandsch bloed!”Dan hoe men zijne ouders eer’,En hoe onze lieve HeerMagtig is en goed!Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt nu allen hier!Zingt eens lustig met elkaâr.Zingt wat voor plêzier!Spoedig roept de wacht: naar bed!Daarom zingt nu voor de pret,Komt maar haastig hier!Des avonds laat.Des avonds laat, des avonds laat,Dan komt mijn Vader, loof en moê,En dikwijls straat en grachten ver,Van ’t werk af naar ons huisje toe;Dan sta ik voor ons kleine raamTe hunkren of ik hem bespeur’,En als hij dan den hoek omslaat,Dan loop ik haastig naar de deur.Des avonds laat, des avonds laat,Als Moeder koffij heeft gezet,Schuif ik mijn Vaders leuningstoelIn ’t hoekje tusschen haard en bed;Ik zet zijn sloffen op de plaatEn dan, voorzigtig opgepast,Krijg ik mijn Vaders lange pijpEn zijn’ tabakspot van de kast.Des avonds laat, des avonds laat,Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,Dan geeft hij mij een lekkren zoenEn vraagt: “Wel, heb je braaf geleerd?”Dan val ik Vader om zijn’ halsEn zeg: “Ik heb mijn best gedaan,Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,Om flink voor u naar werk te gaan!”Sterretjes.Sterretjes! zie ik u blinken en staan,Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,Waar komt ge ’s avonds toch wel van daan,Waar gaat ge ’s morgens weêr henen,—Vindt ge den weg zoo alleenen?Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,Wie u laat schijnen in duistren nacht;Menschen die kunnen ’t niet wezen,Zijt ge zoo groot als wij lezen!o Dat moet God zijn, die groot is en goed,Die uit zijn’ Hemel de kinderkens hoedt,Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;Leer ons Hem danken en prijzen,Of ge moogt dalen of rijzen.Ter ruste.Eer wij ’t hoofd ter ruste buigen,Waar ons leger is gespreid,Willen we onze dankbaarheidAan den goeden God betuigenVoor den zegen ons bereid:Wil, o Vader! ons vergevenWat, in onbedachtzaamheid,Door uw kindren is misdreven:—Laat ons droomen heel den nachtVan Uw liefde, van Uw magt!
Ochtenddank.Wij, kindren, knielen dankend neêr,En loven U, o Lieve Heer!Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.Uw hand maakte onze peluw zacht,Uwe Englen waakten heel den nacht,Dat ons geen onheil mogt genaken;En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:—o Vader! U zij dank gebragt!
Wij, kindren, knielen dankend neêr,En loven U, o Lieve Heer!Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.Uw hand maakte onze peluw zacht,Uwe Englen waakten heel den nacht,Dat ons geen onheil mogt genaken;En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:—o Vader! U zij dank gebragt!
Wij, kindren, knielen dankend neêr,
En loven U, o Lieve Heer!
Nu wij uit zoeten slaap ontwaken.
Uw hand maakte onze peluw zacht,
Uwe Englen waakten heel den nacht,
Dat ons geen onheil mogt genaken;
En thans geeft Gij ons nieuwe kracht:—
o Vader! U zij dank gebragt!
Zondag-morgen.Nu roept de kerkklok met zacht geluidDe kindren alle ter woning uit;Naar ’t Huis des Heeren gaat groot en kleen,In stillen eerbied, aandachtig heen.Om Hem te danken, die zoo veel goedAan alle menschen en kindren doet;Om Hem te bidden, dat Hij vergeev’,Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.o Lieve Heere, Gij, goede God!o Leer ons leven naar uw gebod!En ieder kerkgang zij ons een feest,Waarop we U loven met blijden geest.
Nu roept de kerkklok met zacht geluidDe kindren alle ter woning uit;Naar ’t Huis des Heeren gaat groot en kleen,In stillen eerbied, aandachtig heen.
Nu roept de kerkklok met zacht geluid
De kindren alle ter woning uit;
Naar ’t Huis des Heeren gaat groot en kleen,
In stillen eerbied, aandachtig heen.
Om Hem te danken, die zoo veel goedAan alle menschen en kindren doet;Om Hem te bidden, dat Hij vergeev’,Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.
Om Hem te danken, die zoo veel goed
Aan alle menschen en kindren doet;
Om Hem te bidden, dat Hij vergeev’,
Wat ieder onzer voor kwaad bedreef.
o Lieve Heere, Gij, goede God!o Leer ons leven naar uw gebod!En ieder kerkgang zij ons een feest,Waarop we U loven met blijden geest.
o Lieve Heere, Gij, goede God!
o Leer ons leven naar uw gebod!
En ieder kerkgang zij ons een feest,
Waarop we U loven met blijden geest.
Meesters verjaardag.Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?Kijk uit, langs weî en akker,De bloempjes worden wakker,—Ontwaak, ontwaak, ontwaak!Ei, bloempjes! dat is mis geweest,Dat dien-je maar te weten!Wij hadden ’t niet vergetenDat blijde, blijde feest.Neen, lang al zijn wij kant en klaar,Van ’t hoofd tot aan de voeten,Om Meester-lief te groeten,Te groeten paar aan paar.En als ter school hij binnentreedt,Dan zullen wij met zangenEn versjes hem ontvangenVoor ’t goed dat hij ons deed.Dan bidden we onzen Lieven Heer:“o Mogt uw gunst ons geven,Om hem tot vreugd te leven,En U, o God! tot eer!”
Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?Kijk uit, langs weî en akker,De bloempjes worden wakker,—Ontwaak, ontwaak, ontwaak!
Hoe! zijn uwe oogjes nog vol vaak?
Kijk uit, langs weî en akker,
De bloempjes worden wakker,—
Ontwaak, ontwaak, ontwaak!
Ei, bloempjes! dat is mis geweest,Dat dien-je maar te weten!Wij hadden ’t niet vergetenDat blijde, blijde feest.
Ei, bloempjes! dat is mis geweest,
Dat dien-je maar te weten!
Wij hadden ’t niet vergeten
Dat blijde, blijde feest.
Neen, lang al zijn wij kant en klaar,Van ’t hoofd tot aan de voeten,Om Meester-lief te groeten,Te groeten paar aan paar.
Neen, lang al zijn wij kant en klaar,
Van ’t hoofd tot aan de voeten,
Om Meester-lief te groeten,
Te groeten paar aan paar.
En als ter school hij binnentreedt,Dan zullen wij met zangenEn versjes hem ontvangenVoor ’t goed dat hij ons deed.
En als ter school hij binnentreedt,
Dan zullen wij met zangen
En versjes hem ontvangen
Voor ’t goed dat hij ons deed.
Dan bidden we onzen Lieven Heer:“o Mogt uw gunst ons geven,Om hem tot vreugd te leven,En U, o God! tot eer!”
Dan bidden we onzen Lieven Heer:
“o Mogt uw gunst ons geven,
Om hem tot vreugd te leven,
En U, o God! tot eer!”
Des morgens vroeg.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Al lig ik warm nog in mijn bed,Dan weet ik, dat mijn MoederliefDe deur en vensters openzet;Dan staat mijn melk en boterhamAl netjes op de tafel reê,En Moeder gaat al vroeg aan ’t werkEn neemt hare eigen bótrâm meê.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Wanneer mij Moeder heeft gekust,Dan sluipt zij op haar toontjes wegEn fluistert: “Slaap nog maar gerust!”Maar ’k zorg wel, dat ik knap en blijEn tijds genoeg naar school toe ga,En als ik eerst gebeden heb,Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Als ik gegroeid ben tot een’ man (vrouw),Springikhet eerst de veêren uit,Dat Moederlief wat rusten kan (zou);Dan zet ik eersthaarbótrâm klaar,En als ik haar dan heb gekust,Dan sluip ik zacht ons huisjen uitEn denk: “Slaap gij nu maar gerust!”
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Al lig ik warm nog in mijn bed,Dan weet ik, dat mijn MoederliefDe deur en vensters openzet;Dan staat mijn melk en boterhamAl netjes op de tafel reê,En Moeder gaat al vroeg aan ’t werkEn neemt hare eigen bótrâm meê.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
Al lig ik warm nog in mijn bed,
Dan weet ik, dat mijn Moederlief
De deur en vensters openzet;
Dan staat mijn melk en boterham
Al netjes op de tafel reê,
En Moeder gaat al vroeg aan ’t werk
En neemt hare eigen bótrâm meê.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Wanneer mij Moeder heeft gekust,Dan sluipt zij op haar toontjes wegEn fluistert: “Slaap nog maar gerust!”Maar ’k zorg wel, dat ik knap en blijEn tijds genoeg naar school toe ga,En als ik eerst gebeden heb,Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
Wanneer mij Moeder heeft gekust,
Dan sluipt zij op haar toontjes weg
En fluistert: “Slaap nog maar gerust!”
Maar ’k zorg wel, dat ik knap en blij
En tijds genoeg naar school toe ga,
En als ik eerst gebeden heb,
Kijk ik nog gaauw mijn lessen na.
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,Als ik gegroeid ben tot een’ man (vrouw),Springikhet eerst de veêren uit,Dat Moederlief wat rusten kan (zou);Dan zet ik eersthaarbótrâm klaar,En als ik haar dan heb gekust,Dan sluip ik zacht ons huisjen uitEn denk: “Slaap gij nu maar gerust!”
Des morgens vroeg, des morgens vroeg,
Als ik gegroeid ben tot een’ man (vrouw),
Springikhet eerst de veêren uit,
Dat Moederlief wat rusten kan (zou);
Dan zet ik eersthaarbótrâm klaar,
En als ik haar dan heb gekust,
Dan sluip ik zacht ons huisjen uit
En denk: “Slaap gij nu maar gerust!”
Naar school.“Naar school, naar school! de klok sloeg acht!”Ei kijk! op alle wegen,Van stoep en trap, langs straat en gracht,Komt ons een troepje tegen;Wel koud, maar rein van wang en hand;Wel arm, maar helder als een brand;En aan hunne oogjes zie-je ’t aan,Dat zij wàt graag naar school toe gaan.Eerst stoeit en lacht de blijde schaarEn springt op stoep en steenen;Dan ziet ge zachtjes paar aan paarZich tot een rij vereenen;En is er hier of daar een guit,Ze voeren toch geene ondeugd uit:—Daar mag een ziertje pret op staanVoor wie zoo graag naar school toe gaan.Maar dan naar school,—en opgepast!De les moet flink gelezen,Het schrift moet netjes in de kast,De som in orde wezen;En denkt bij alles op het lest,Het is toch tot mijn eigen best:—Want zijt ge zóó ter school gegaan,Dan komt ge er wijs en braaf van daan.
“Naar school, naar school! de klok sloeg acht!”Ei kijk! op alle wegen,Van stoep en trap, langs straat en gracht,Komt ons een troepje tegen;Wel koud, maar rein van wang en hand;Wel arm, maar helder als een brand;En aan hunne oogjes zie-je ’t aan,Dat zij wàt graag naar school toe gaan.
“Naar school, naar school! de klok sloeg acht!”
Ei kijk! op alle wegen,
Van stoep en trap, langs straat en gracht,
Komt ons een troepje tegen;
Wel koud, maar rein van wang en hand;
Wel arm, maar helder als een brand;
En aan hunne oogjes zie-je ’t aan,
Dat zij wàt graag naar school toe gaan.
Eerst stoeit en lacht de blijde schaarEn springt op stoep en steenen;Dan ziet ge zachtjes paar aan paarZich tot een rij vereenen;En is er hier of daar een guit,Ze voeren toch geene ondeugd uit:—Daar mag een ziertje pret op staanVoor wie zoo graag naar school toe gaan.
Eerst stoeit en lacht de blijde schaar
En springt op stoep en steenen;
Dan ziet ge zachtjes paar aan paar
Zich tot een rij vereenen;
En is er hier of daar een guit,
Ze voeren toch geene ondeugd uit:—
Daar mag een ziertje pret op staan
Voor wie zoo graag naar school toe gaan.
Maar dan naar school,—en opgepast!De les moet flink gelezen,Het schrift moet netjes in de kast,De som in orde wezen;En denkt bij alles op het lest,Het is toch tot mijn eigen best:—Want zijt ge zóó ter school gegaan,Dan komt ge er wijs en braaf van daan.
Maar dan naar school,—en opgepast!
De les moet flink gelezen,
Het schrift moet netjes in de kast,
De som in orde wezen;
En denkt bij alles op het lest,
Het is toch tot mijn eigen best:—
Want zijt ge zóó ter school gegaan,
Dan komt ge er wijs en braaf van daan.
Kis-kassen.Kom nu, mijn gladde kittelsteen,Ik zal-je gooijen, scherp en plat!Kom, huppel over ’t water heen,En kis-kas langs het vlak van ’t nat,Totdat ge, haast als een Pailjas,Een sprong maakt tot in ’t groene gras!Hei, jongens! opgepast—hij gaat!Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,Nog eens... plomp!... Mis is ’t, kameraad!—Een andre... plomp!... dat’s daadlijk mis!Nog eens—wat goed is, gaat in drie!...Daar springt hij—hoep!—daar is hij... zie!Hoezee!—of hij een vogel was,Zoo scheerde hij het spiegelvlak!En kijk! een heel eind in het gras,Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...Heb dank, mijn gladde kittelsteen!Als gij spring ’k—maar naar School nu, heen!
Kom nu, mijn gladde kittelsteen,Ik zal-je gooijen, scherp en plat!Kom, huppel over ’t water heen,En kis-kas langs het vlak van ’t nat,Totdat ge, haast als een Pailjas,Een sprong maakt tot in ’t groene gras!
Kom nu, mijn gladde kittelsteen,
Ik zal-je gooijen, scherp en plat!
Kom, huppel over ’t water heen,
En kis-kas langs het vlak van ’t nat,
Totdat ge, haast als een Pailjas,
Een sprong maakt tot in ’t groene gras!
Hei, jongens! opgepast—hij gaat!Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,Nog eens... plomp!... Mis is ’t, kameraad!—Een andre... plomp!... dat’s daadlijk mis!Nog eens—wat goed is, gaat in drie!...Daar springt hij—hoep!—daar is hij... zie!
Hei, jongens! opgepast—hij gaat!
Kis-kas... één, twee, drie, vier! kas-kis,
Nog eens... plomp!... Mis is ’t, kameraad!—
Een andre... plomp!... dat’s daadlijk mis!
Nog eens—wat goed is, gaat in drie!...
Daar springt hij—hoep!—daar is hij... zie!
Hoezee!—of hij een vogel was,Zoo scheerde hij het spiegelvlak!En kijk! een heel eind in het gras,Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...Heb dank, mijn gladde kittelsteen!Als gij spring ’k—maar naar School nu, heen!
Hoezee!—of hij een vogel was,
Zoo scheerde hij het spiegelvlak!
En kijk! een heel eind in het gras,
Ligt hij, ginds, bij dien bruinen tak!...
Heb dank, mijn gladde kittelsteen!
Als gij spring ’k—maar naar School nu, heen!
Klein zusje.Mijn allerliefste zusje,Dat zit op Moeders schoot;Ik geef haar van mijn eten,Dan wordt ze spoedig groot;Ik zing haar al mijn liedjes,Dan wordt ze spoedig zoet;Ik leer haar al mijn lesjes,Dan wordt ze wijs en goed.Mijn allerliefste zusje!Wat zal dat aardig staan,Als wij met ons twee beidjesTe zaam naar school toe gaan!Dan op de kleine steentjesParmantig voortgestapt,Ik zal wel op u passen,Dat ge in geen plassen trapt.Mijn allerliefste zusje!Och, zeg! geloof-je nouHoe dat ik in mijn hartjeZoo magtig van u hoû?Toe, lach ’reis tegen broertje (zusje)En geef me ’reis een’ kus,En pak me eens in je boutjes,Mijne allerliefste zus!
Mijn allerliefste zusje,Dat zit op Moeders schoot;Ik geef haar van mijn eten,Dan wordt ze spoedig groot;Ik zing haar al mijn liedjes,Dan wordt ze spoedig zoet;Ik leer haar al mijn lesjes,Dan wordt ze wijs en goed.
Mijn allerliefste zusje,
Dat zit op Moeders schoot;
Ik geef haar van mijn eten,
Dan wordt ze spoedig groot;
Ik zing haar al mijn liedjes,
Dan wordt ze spoedig zoet;
Ik leer haar al mijn lesjes,
Dan wordt ze wijs en goed.
Mijn allerliefste zusje!Wat zal dat aardig staan,Als wij met ons twee beidjesTe zaam naar school toe gaan!Dan op de kleine steentjesParmantig voortgestapt,Ik zal wel op u passen,Dat ge in geen plassen trapt.
Mijn allerliefste zusje!
Wat zal dat aardig staan,
Als wij met ons twee beidjes
Te zaam naar school toe gaan!
Dan op de kleine steentjes
Parmantig voortgestapt,
Ik zal wel op u passen,
Dat ge in geen plassen trapt.
Mijn allerliefste zusje!Och, zeg! geloof-je nouHoe dat ik in mijn hartjeZoo magtig van u hoû?Toe, lach ’reis tegen broertje (zusje)En geef me ’reis een’ kus,En pak me eens in je boutjes,Mijne allerliefste zus!
Mijn allerliefste zusje!
Och, zeg! geloof-je nou
Hoe dat ik in mijn hartje
Zoo magtig van u hoû?
Toe, lach ’reis tegen broertje (zusje)
En geef me ’reis een’ kus,
En pak me eens in je boutjes,
Mijne allerliefste zus!
Stukjes-draaijen.Hé! dat ’s wat anders, als op schoolTe muffen op die harde banken,Te kijken naar die zwarte planken,En zoet te zijn als domme Jool!Kom, kom! dat leeren is maar wind,’k Denk, dat ik tòch mijn’ kost wel vind!...Wat woû-je, man?... een’ halve cent?Ik heb er waarlijk geen’ te geven....Maar kunt ge van uw werk niet leven,En moet ge beedlen, arme vent?Gij lijkt toch anders groot en sterk,Hoe komt het—heb-je dan geen werk?“Och, lieve kind! toen ’k jonger was,Toen woû ik mij niet goed gedragenEn ging, als ’t schooluur was geslagen,Uit slentren in het groene gras;Ik wou niet leeren toen ik môst,En moet nu beedlen voor den kost.”Och, arme man! ik schrik er van:Ik was daar juist aan ’t stukjes-draaijen;Maar ’k laat mij door uw voorbeeld raaiĵen.Kom morgen maar ’reis bij ons ân:—Als Moeder ’t mij vergeven heeft,Is ’t vast, dat ze u een bótrâm geeft.
Hé! dat ’s wat anders, als op schoolTe muffen op die harde banken,Te kijken naar die zwarte planken,En zoet te zijn als domme Jool!Kom, kom! dat leeren is maar wind,’k Denk, dat ik tòch mijn’ kost wel vind!...
Hé! dat ’s wat anders, als op school
Te muffen op die harde banken,
Te kijken naar die zwarte planken,
En zoet te zijn als domme Jool!
Kom, kom! dat leeren is maar wind,
’k Denk, dat ik tòch mijn’ kost wel vind!...
Wat woû-je, man?... een’ halve cent?Ik heb er waarlijk geen’ te geven....Maar kunt ge van uw werk niet leven,En moet ge beedlen, arme vent?Gij lijkt toch anders groot en sterk,Hoe komt het—heb-je dan geen werk?
Wat woû-je, man?... een’ halve cent?
Ik heb er waarlijk geen’ te geven....
Maar kunt ge van uw werk niet leven,
En moet ge beedlen, arme vent?
Gij lijkt toch anders groot en sterk,
Hoe komt het—heb-je dan geen werk?
“Och, lieve kind! toen ’k jonger was,Toen woû ik mij niet goed gedragenEn ging, als ’t schooluur was geslagen,Uit slentren in het groene gras;Ik wou niet leeren toen ik môst,En moet nu beedlen voor den kost.”
“Och, lieve kind! toen ’k jonger was,
Toen woû ik mij niet goed gedragen
En ging, als ’t schooluur was geslagen,
Uit slentren in het groene gras;
Ik wou niet leeren toen ik môst,
En moet nu beedlen voor den kost.”
Och, arme man! ik schrik er van:Ik was daar juist aan ’t stukjes-draaijen;Maar ’k laat mij door uw voorbeeld raaiĵen.Kom morgen maar ’reis bij ons ân:—Als Moeder ’t mij vergeven heeft,Is ’t vast, dat ze u een bótrâm geeft.
Och, arme man! ik schrik er van:
Ik was daar juist aan ’t stukjes-draaijen;
Maar ’k laat mij door uw voorbeeld raaiĵen.
Kom morgen maar ’reis bij ons ân:—
Als Moeder ’t mij vergeven heeft,
Is ’t vast, dat ze u een bótrâm geeft.
Opgepast.Ik wou wel als een vogeltjeZoo vliegen en zoo springen;Ik woû wel als een vogeltjeEen vrolijk liedje zingen,En iedereen’ vertelde ik graag,Dat ik zoo vrolijk ben van daag!En wilt ge weten hoe dat komt?Och, luister dan maar even!Ik heb het best mijn les gekend,Het best mijn schrift geschreven:En Moeder trok mij op haar’ schootEn zoende beî mijn wangen rood.
Ik wou wel als een vogeltjeZoo vliegen en zoo springen;Ik woû wel als een vogeltjeEen vrolijk liedje zingen,En iedereen’ vertelde ik graag,Dat ik zoo vrolijk ben van daag!
Ik wou wel als een vogeltje
Zoo vliegen en zoo springen;
Ik woû wel als een vogeltje
Een vrolijk liedje zingen,
En iedereen’ vertelde ik graag,
Dat ik zoo vrolijk ben van daag!
En wilt ge weten hoe dat komt?Och, luister dan maar even!Ik heb het best mijn les gekend,Het best mijn schrift geschreven:En Moeder trok mij op haar’ schootEn zoende beî mijn wangen rood.
En wilt ge weten hoe dat komt?
Och, luister dan maar even!
Ik heb het best mijn les gekend,
Het best mijn schrift geschreven:
En Moeder trok mij op haar’ schoot
En zoende beî mijn wangen rood.
Kerk-examen.Och Lentelief, och hartedief!Hoe prachtig zijn uw kleêren,Gestikt met bloempjes wit en blaauwEn paereltjes van morgendauwEn bonte vogelveêren!Wat ben je mooi, wat ben je mooi,Mijn lievert! in dien rijken tooi.En God de Heer, die tot zijn eer,o Lente! u zoo woû kleeden,Zal zeker aan het arme kind,Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,Nog grooter zorg besteden.Zijn goedheid geeft der schaamle jeugdDen tooi van kennis en van deugd.Rijk jaargetij! dat mogen wijVan daag weêr dankbaar toonen(Zij ’t met versleten jurk en buis),Nu liefde ons in des Heeren HuisVoor deugd en vlijt wil loonen;Die liefde ziet op pronk noch tooi,Maar denkt: “De hartjes zijn toch mooi!”
Och Lentelief, och hartedief!Hoe prachtig zijn uw kleêren,Gestikt met bloempjes wit en blaauwEn paereltjes van morgendauwEn bonte vogelveêren!Wat ben je mooi, wat ben je mooi,Mijn lievert! in dien rijken tooi.
Och Lentelief, och hartedief!
Hoe prachtig zijn uw kleêren,
Gestikt met bloempjes wit en blaauw
En paereltjes van morgendauw
En bonte vogelveêren!
Wat ben je mooi, wat ben je mooi,
Mijn lievert! in dien rijken tooi.
En God de Heer, die tot zijn eer,o Lente! u zoo woû kleeden,Zal zeker aan het arme kind,Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,Nog grooter zorg besteden.Zijn goedheid geeft der schaamle jeugdDen tooi van kennis en van deugd.
En God de Heer, die tot zijn eer,
o Lente! u zoo woû kleeden,
Zal zeker aan het arme kind,
Wiens mond Hem prijst, wiens hart Hem mint,
Nog grooter zorg besteden.
Zijn goedheid geeft der schaamle jeugd
Den tooi van kennis en van deugd.
Rijk jaargetij! dat mogen wijVan daag weêr dankbaar toonen(Zij ’t met versleten jurk en buis),Nu liefde ons in des Heeren HuisVoor deugd en vlijt wil loonen;Die liefde ziet op pronk noch tooi,Maar denkt: “De hartjes zijn toch mooi!”
Rijk jaargetij! dat mogen wij
Van daag weêr dankbaar toonen
(Zij ’t met versleten jurk en buis),
Nu liefde ons in des Heeren Huis
Voor deugd en vlijt wil loonen;
Die liefde ziet op pronk noch tooi,
Maar denkt: “De hartjes zijn toch mooi!”
Nieuwsgierig.De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt—En duizend bloemenknopjesVerheffen weêr hun kopjesEn kijken langs ’t ontluikend veld;Half, ja! met welbehagen—Maar half met schuchter vragen:“Zeg! is de Lente ver genoeg,Dat wij het durven wagen...Of komen wij te vroeg?”Gij lieve bloempjes, wit en rood,Gij teêre madeliefjes,Och! wees voorzigtig, diefjes!Gij zat zoo goed in Moeders schoot!Geen winter kon u deren....En als met donzen veêrenDekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:Wat kondt ge méér begeerenGij bloempjes van de weî?“Begeeren, ja!... begeeren, neen!Maar toch, wat rond te kijkenDat zou ons wel eens lijken!”...’t Is goed!—Ik ben er meê te vreên;Ik antwoordde op uw vraagjes:Doch schijnt de zon nog traagjes—En komt weêr sneeuw en ijs...Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!Door schande en schaê maar wijs!
De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt—En duizend bloemenknopjesVerheffen weêr hun kopjesEn kijken langs ’t ontluikend veld;Half, ja! met welbehagen—Maar half met schuchter vragen:“Zeg! is de Lente ver genoeg,Dat wij het durven wagen...Of komen wij te vroeg?”
De beek ontdooit, de sneeuwlaag smelt—
En duizend bloemenknopjes
Verheffen weêr hun kopjes
En kijken langs ’t ontluikend veld;
Half, ja! met welbehagen—
Maar half met schuchter vragen:
“Zeg! is de Lente ver genoeg,
Dat wij het durven wagen...
Of komen wij te vroeg?”
Gij lieve bloempjes, wit en rood,Gij teêre madeliefjes,Och! wees voorzigtig, diefjes!Gij zat zoo goed in Moeders schoot!Geen winter kon u deren....En als met donzen veêrenDekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:Wat kondt ge méér begeerenGij bloempjes van de weî?
Gij lieve bloempjes, wit en rood,
Gij teêre madeliefjes,
Och! wees voorzigtig, diefjes!
Gij zat zoo goed in Moeders schoot!
Geen winter kon u deren....
En als met donzen veêren
Dekte u de blanke sneeuwvlok-sprei:
Wat kondt ge méér begeeren
Gij bloempjes van de weî?
“Begeeren, ja!... begeeren, neen!Maar toch, wat rond te kijkenDat zou ons wel eens lijken!”...’t Is goed!—Ik ben er meê te vreên;Ik antwoordde op uw vraagjes:Doch schijnt de zon nog traagjes—En komt weêr sneeuw en ijs...Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!Door schande en schaê maar wijs!
“Begeeren, ja!... begeeren, neen!
Maar toch, wat rond te kijken
Dat zou ons wel eens lijken!”...
’t Is goed!—Ik ben er meê te vreên;
Ik antwoordde op uw vraagjes:
Doch schijnt de zon nog traagjes—
En komt weêr sneeuw en ijs...
Wordt dan, nieuwsgierige Aagjes!
Door schande en schaê maar wijs!
De lente kwam.De winterkoû is weggejaagd:Zie maar! wat bloemen, overal,De hof, de haag, de boomgaard draagt.’k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!En dat ’k geen andre sneeuw meer zie,Dan dieAls witte bloesem sneeuwt!Of haast de zwaluw komen zal?—Met stroo en fijngekamde wolMaakte ik de nestjes, in den stalEn onder aan de dakgoot, vol.Ik denk: ’t doet vast het trouwe dierPlêzier,Dat ’k zóóveel van hem hoû!En komt onze ooijevaar dan weêr,De langpoot met zijn langen bek,Dan zal ’t een pret zijn!—vrij wat meer,Dan, toen hij stond op zijn vertrek,En ieder droevig keek naar ’t dakEn sprak:“Hij neemt den zomer meê!”Zoo klink’ het dan, aan allen kant,Terwijl we ons scharen tot een dans,“Hoezee!—de Lente kwam in ’t land,Vlecht haar een madelievenkrans!”—En de Armoê roept, nog eens zoo blijAls wij:“Koû en gebrek zijn nu voorbij!”
De winterkoû is weggejaagd:Zie maar! wat bloemen, overal,De hof, de haag, de boomgaard draagt.’k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!En dat ’k geen andre sneeuw meer zie,Dan dieAls witte bloesem sneeuwt!
De winterkoû is weggejaagd:
Zie maar! wat bloemen, overal,
De hof, de haag, de boomgaard draagt.
’k Hoop, dat het niet meer vriezen zal!
En dat ’k geen andre sneeuw meer zie,
Dan die
Als witte bloesem sneeuwt!
Of haast de zwaluw komen zal?—Met stroo en fijngekamde wolMaakte ik de nestjes, in den stalEn onder aan de dakgoot, vol.Ik denk: ’t doet vast het trouwe dierPlêzier,Dat ’k zóóveel van hem hoû!
Of haast de zwaluw komen zal?—
Met stroo en fijngekamde wol
Maakte ik de nestjes, in den stal
En onder aan de dakgoot, vol.
Ik denk: ’t doet vast het trouwe dier
Plêzier,
Dat ’k zóóveel van hem hoû!
En komt onze ooijevaar dan weêr,De langpoot met zijn langen bek,Dan zal ’t een pret zijn!—vrij wat meer,Dan, toen hij stond op zijn vertrek,En ieder droevig keek naar ’t dakEn sprak:“Hij neemt den zomer meê!”
En komt onze ooijevaar dan weêr,
De langpoot met zijn langen bek,
Dan zal ’t een pret zijn!—vrij wat meer,
Dan, toen hij stond op zijn vertrek,
En ieder droevig keek naar ’t dak
En sprak:
“Hij neemt den zomer meê!”
Zoo klink’ het dan, aan allen kant,Terwijl we ons scharen tot een dans,“Hoezee!—de Lente kwam in ’t land,Vlecht haar een madelievenkrans!”—En de Armoê roept, nog eens zoo blijAls wij:“Koû en gebrek zijn nu voorbij!”
Zoo klink’ het dan, aan allen kant,
Terwijl we ons scharen tot een dans,
“Hoezee!—de Lente kwam in ’t land,
Vlecht haar een madelievenkrans!”—
En de Armoê roept, nog eens zoo blij
Als wij:
“Koû en gebrek zijn nu voorbij!”
In Mei.In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En waar ze zitten broeijen,Daar zullen we niet stoeijen.In Mei,Dan kruipt een heel klein vogeltjeDoor ’t ei!Wie zou het willen deren?Het heeft geen eens nog veêren.In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En wie die beestjes hindren,Dat zijn wel booze kindren.
In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En waar ze zitten broeijen,Daar zullen we niet stoeijen.
In Mei,
Dan leggen alle vogeltjes
Een ei!
En waar ze zitten broeijen,
Daar zullen we niet stoeijen.
In Mei,Dan kruipt een heel klein vogeltjeDoor ’t ei!Wie zou het willen deren?Het heeft geen eens nog veêren.
In Mei,
Dan kruipt een heel klein vogeltje
Door ’t ei!
Wie zou het willen deren?
Het heeft geen eens nog veêren.
In Mei,Dan leggen alle vogeltjesEen ei!En wie die beestjes hindren,Dat zijn wel booze kindren.
In Mei,
Dan leggen alle vogeltjes
Een ei!
En wie die beestjes hindren,
Dat zijn wel booze kindren.
Boterblômmetje.Ik moet u toch ’reis roemen,Mijn kleine boterblôm!Al keken de andre bloemenDaar nog zoo knorrig om;Gij staat zoo glinstrend in het hout,Alsof ge waart van klinkklaar goud.De bloempjes in de potten,De bloempjes in de kast,Die hebben mak’lijk spotten,Zij worden opgepast;Gij staat in alle wind en weêrEn groeit en bloeit toch evenzeer.Ik kon wel van u leeren,Heeft Vader mij gezeîd:Meer dan de mooiste kleêrenSiert ons tevredenheid;—Zoodat een arm en dankbaar kindVerdient, dat men het dubbel mint!
Ik moet u toch ’reis roemen,Mijn kleine boterblôm!Al keken de andre bloemenDaar nog zoo knorrig om;Gij staat zoo glinstrend in het hout,Alsof ge waart van klinkklaar goud.
Ik moet u toch ’reis roemen,
Mijn kleine boterblôm!
Al keken de andre bloemen
Daar nog zoo knorrig om;
Gij staat zoo glinstrend in het hout,
Alsof ge waart van klinkklaar goud.
De bloempjes in de potten,De bloempjes in de kast,Die hebben mak’lijk spotten,Zij worden opgepast;Gij staat in alle wind en weêrEn groeit en bloeit toch evenzeer.
De bloempjes in de potten,
De bloempjes in de kast,
Die hebben mak’lijk spotten,
Zij worden opgepast;
Gij staat in alle wind en weêr
En groeit en bloeit toch evenzeer.
Ik kon wel van u leeren,Heeft Vader mij gezeîd:Meer dan de mooiste kleêrenSiert ons tevredenheid;—Zoodat een arm en dankbaar kindVerdient, dat men het dubbel mint!
Ik kon wel van u leeren,
Heeft Vader mij gezeîd:
Meer dan de mooiste kleêren
Siert ons tevredenheid;—
Zoodat een arm en dankbaar kind
Verdient, dat men het dubbel mint!
Och Heer!Geen van de bloempjes heeft zijn’ knop meer toe,Het lieve zonnetje lacht weltemoê,De dartle vogels springen hoog en laag;Och Heer! wat is het alles mooi van daag!Och Heer!... foei! ’k zeî dat woord daar onbedacht,—En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;Ja alles roemt de goedheid van den Heer,En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.En ik, die zoo veel goeds genieten mag,Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,Niet denken aan den Gever van dat goed,Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...Vergeef’t, o Heer! en moog’ mijn liefde en dankUw goedheid prijzen heel mijn leven lank;En iedren dag zeg’ biddend mijn gemoed:Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!
Geen van de bloempjes heeft zijn’ knop meer toe,Het lieve zonnetje lacht weltemoê,De dartle vogels springen hoog en laag;Och Heer! wat is het alles mooi van daag!
Geen van de bloempjes heeft zijn’ knop meer toe,
Het lieve zonnetje lacht weltemoê,
De dartle vogels springen hoog en laag;
Och Heer! wat is het alles mooi van daag!
Och Heer!... foei! ’k zeî dat woord daar onbedacht,—En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;Ja alles roemt de goedheid van den Heer,En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.
Och Heer!... foei! ’k zeî dat woord daar onbedacht,—
En alles spreekt toch van Gods liefde en magt;
Ja alles roemt de goedheid van den Heer,
En bloeit en lacht en huppelt Hem ter eer.
En ik, die zoo veel goeds genieten mag,Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,Niet denken aan den Gever van dat goed,Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...
En ik, die zoo veel goeds genieten mag,
Ik zou Gods naam niet noemen met ontzag,
Niet denken aan den Gever van dat goed,
Die ook mijn jeugd zoo vaderlijk behoedt!...
Vergeef’t, o Heer! en moog’ mijn liefde en dankUw goedheid prijzen heel mijn leven lank;En iedren dag zeg’ biddend mijn gemoed:Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!
Vergeef’t, o Heer! en moog’ mijn liefde en dank
Uw goedheid prijzen heel mijn leven lank;
En iedren dag zeg’ biddend mijn gemoed:
Och, lieve Heer! wat zijt Ge groot en goed!
’t Viooltje.Viooltje, zacht van kleuren!Gij siert mijn’ kleinen hof,Viooltje, zoet van geuren!Ik zing ’reis tot uw’ lof;Als alle bloempjes rustenEn sluimren in heur’ knop,Dan snuif ik nog met lustenUw lekkre geurtjes op.En daarom steek uw kopjeGerust maar uit het gras,Zoo goed alsof-je een knopjeVan roos of lelie was.Ei, waarom weg te schuilen,Mijn kleine hartedief!Zeg, waarom zou-je pruilen?Ik heb u net zoo lief!Wie lieflijk is van wezenEn nedrig van gemoed,(Dat heb ik laatst gelezen)Is dubbel schoon en goed:En daarom, zedig bloempje!Zing ik nu tot uw’ lof,En prijs u als het roempje,Het roempje van mijn’ hof.
Viooltje, zacht van kleuren!Gij siert mijn’ kleinen hof,Viooltje, zoet van geuren!Ik zing ’reis tot uw’ lof;Als alle bloempjes rustenEn sluimren in heur’ knop,Dan snuif ik nog met lustenUw lekkre geurtjes op.
Viooltje, zacht van kleuren!
Gij siert mijn’ kleinen hof,
Viooltje, zoet van geuren!
Ik zing ’reis tot uw’ lof;
Als alle bloempjes rusten
En sluimren in heur’ knop,
Dan snuif ik nog met lusten
Uw lekkre geurtjes op.
En daarom steek uw kopjeGerust maar uit het gras,Zoo goed alsof-je een knopjeVan roos of lelie was.Ei, waarom weg te schuilen,Mijn kleine hartedief!Zeg, waarom zou-je pruilen?Ik heb u net zoo lief!
En daarom steek uw kopje
Gerust maar uit het gras,
Zoo goed alsof-je een knopje
Van roos of lelie was.
Ei, waarom weg te schuilen,
Mijn kleine hartedief!
Zeg, waarom zou-je pruilen?
Ik heb u net zoo lief!
Wie lieflijk is van wezenEn nedrig van gemoed,(Dat heb ik laatst gelezen)Is dubbel schoon en goed:En daarom, zedig bloempje!Zing ik nu tot uw’ lof,En prijs u als het roempje,Het roempje van mijn’ hof.
Wie lieflijk is van wezen
En nedrig van gemoed,
(Dat heb ik laatst gelezen)
Is dubbel schoon en goed:
En daarom, zedig bloempje!
Zing ik nu tot uw’ lof,
En prijs u als het roempje,
Het roempje van mijn’ hof.
Brandneteltje.Ai, ai, mijn heele handje brandt!....Of heeft me een beest gebeten?Wel neen! dat is die booze plant,Hoe of ze wel mag heeten?Dat stoute kruid,—Het zag er toch zoo aardig uit!“Brandneteltje, me-lieve kind!Zoo is dat kruid geheeten,En waart ge niet zoo haastig, vrind!Het had u niet gebeten:Dat beetje pijnDat leer-je nu voorzigtig zijn!”“Al wat ge voor het eerste ziet (Gij moogt het wel onthouên!),Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,Want bitter kon ’t u rouwen:Dus niets gewaagd,Of ’t eerst aan wijzer luî gevraagd.”
Ai, ai, mijn heele handje brandt!....Of heeft me een beest gebeten?Wel neen! dat is die booze plant,Hoe of ze wel mag heeten?Dat stoute kruid,—Het zag er toch zoo aardig uit!
Ai, ai, mijn heele handje brandt!....
Of heeft me een beest gebeten?
Wel neen! dat is die booze plant,
Hoe of ze wel mag heeten?
Dat stoute kruid,—
Het zag er toch zoo aardig uit!
“Brandneteltje, me-lieve kind!Zoo is dat kruid geheeten,En waart ge niet zoo haastig, vrind!Het had u niet gebeten:Dat beetje pijnDat leer-je nu voorzigtig zijn!”
“Brandneteltje, me-lieve kind!
Zoo is dat kruid geheeten,
En waart ge niet zoo haastig, vrind!
Het had u niet gebeten:
Dat beetje pijn
Dat leer-je nu voorzigtig zijn!”
“Al wat ge voor het eerste ziet (Gij moogt het wel onthouên!),Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,Want bitter kon ’t u rouwen:Dus niets gewaagd,Of ’t eerst aan wijzer luî gevraagd.”
“Al wat ge voor het eerste ziet (Gij moogt het wel onthouên!),
Dat grijp-, of proef- of ruik-je niet,
Want bitter kon ’t u rouwen:
Dus niets gewaagd,
Of ’t eerst aan wijzer luî gevraagd.”
Niet plukken.Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,Ik meen, gij heetVergeetMij niet!Als ’k wist dat ik U plukken dorst,Ik zou u steken op mijn borst;Dan zag ikDen heelen dag uw kleurenpracht!En ’k droomde er van den heelen nacht;Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?“Lief meisje! zoo ge ’t heel graag deedt,Pluk voor plêzierMij hier—Doch weet,Als ge mij vaststeekt op uw borst,Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...Zal ’k bloeijenBij ’t felle stralen van de zon,Dan moet het water van de bronMijn worteltjes besproeijen!”“Laat mij dus hier, bij ’t frissche nat!...Maar wacht, mijn kind!Ik vindNog wat!Graaf, om mijn worteltjes, een kluitMet aarde, heel voorzigtig, uit,En zet mij,Begoten, op een koele plekIn ’t vensterbank van uw vertrek,Dan leef ’k nog lang—wat wedt gij?”Het meisje groef met zachte handDe wortels uitVan ’t kruidDer plant,En liep naar huis, en zette haarIn een regt beeldig vaasje daarOp ’t plankje,Aan ’t kleine raam—en week op weekBloeit daar ’t Vergeet-mij-niet der beekEn fluistert daaglijks: “’k Dank je!”
Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,Ik meen, gij heetVergeetMij niet!Als ’k wist dat ik U plukken dorst,Ik zou u steken op mijn borst;Dan zag ikDen heelen dag uw kleurenpracht!En ’k droomde er van den heelen nacht;Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?
Blaauwbloempje, bloeijend aan den vliet,
Ik meen, gij heet
Vergeet
Mij niet!
Als ’k wist dat ik U plukken dorst,
Ik zou u steken op mijn borst;
Dan zag ik
Den heelen dag uw kleurenpracht!
En ’k droomde er van den heelen nacht;
Zeg, bloempjen-blaauw! zeg... mag ik?
“Lief meisje! zoo ge ’t heel graag deedt,Pluk voor plêzierMij hier—Doch weet,Als ge mij vaststeekt op uw borst,Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...Zal ’k bloeijenBij ’t felle stralen van de zon,Dan moet het water van de bronMijn worteltjes besproeijen!”
“Lief meisje! zoo ge ’t heel graag deedt,
Pluk voor plêzier
Mij hier—
Doch weet,
Als ge mij vaststeekt op uw borst,
Dan sterf ik dáár van hitte en dorst!...
Zal ’k bloeijen
Bij ’t felle stralen van de zon,
Dan moet het water van de bron
Mijn worteltjes besproeijen!”
“Laat mij dus hier, bij ’t frissche nat!...Maar wacht, mijn kind!Ik vindNog wat!Graaf, om mijn worteltjes, een kluitMet aarde, heel voorzigtig, uit,En zet mij,Begoten, op een koele plekIn ’t vensterbank van uw vertrek,Dan leef ’k nog lang—wat wedt gij?”
“Laat mij dus hier, bij ’t frissche nat!...
Maar wacht, mijn kind!
Ik vind
Nog wat!
Graaf, om mijn worteltjes, een kluit
Met aarde, heel voorzigtig, uit,
En zet mij,
Begoten, op een koele plek
In ’t vensterbank van uw vertrek,
Dan leef ’k nog lang—wat wedt gij?”
Het meisje groef met zachte handDe wortels uitVan ’t kruidDer plant,En liep naar huis, en zette haarIn een regt beeldig vaasje daarOp ’t plankje,Aan ’t kleine raam—en week op weekBloeit daar ’t Vergeet-mij-niet der beekEn fluistert daaglijks: “’k Dank je!”
Het meisje groef met zachte hand
De wortels uit
Van ’t kruid
Der plant,
En liep naar huis, en zette haar
In een regt beeldig vaasje daar
Op ’t plankje,
Aan ’t kleine raam—en week op week
Bloeit daar ’t Vergeet-mij-niet der beek
En fluistert daaglijks: “’k Dank je!”
’t Verflenste bloempje.Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,Uw blaadjes rimplen aan den steel;Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!Zeg, bloemken! is ’t aan water, dat het schort?Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?—Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!’k Word frisscher weêr bij iedren drop,En al mijn blaadjes luiken op:Och, ’t is zoo naar, als men verwelken moet,Terwijl een weinig water uit de bron,Zoo ’t iemand geven woû, ons helpen kon.En ’t doet u zelv’ plêzier, zeg! doet het niet?Gij voelt uw hartje blijder slaanNu dat ge mij hebt welgedaan:Och! denk om mij, als ge eens een’ Arme ziet:Ligt helpt den stumpert uit zijn’ diepen nood Één teugje water en één bete brood.—
Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,Uw blaadjes rimplen aan den steel;Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!Zeg, bloemken! is ’t aan water, dat het schort?Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?
Arm bloemetje! hoe staat ge zoo verdord,
Uw blaadjes rimplen aan den steel;
Wat zijn ze flets, wat zijn ze geel!
Zeg, bloemken! is ’t aan water, dat het schort?
Ei! wacht, dat ik u handig eens begiet....
Dat doet-je goed, hê, bloemken! doet het niet?
—Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!’k Word frisscher weêr bij iedren drop,En al mijn blaadjes luiken op:Och, ’t is zoo naar, als men verwelken moet,Terwijl een weinig water uit de bron,Zoo ’t iemand geven woû, ons helpen kon.
—Och, aardig kind! wat zijt ge lief en goed!
’k Word frisscher weêr bij iedren drop,
En al mijn blaadjes luiken op:
Och, ’t is zoo naar, als men verwelken moet,
Terwijl een weinig water uit de bron,
Zoo ’t iemand geven woû, ons helpen kon.
En ’t doet u zelv’ plêzier, zeg! doet het niet?Gij voelt uw hartje blijder slaanNu dat ge mij hebt welgedaan:Och! denk om mij, als ge eens een’ Arme ziet:Ligt helpt den stumpert uit zijn’ diepen nood Één teugje water en één bete brood.—
En ’t doet u zelv’ plêzier, zeg! doet het niet?
Gij voelt uw hartje blijder slaan
Nu dat ge mij hebt welgedaan:
Och! denk om mij, als ge eens een’ Arme ziet:
Ligt helpt den stumpert uit zijn’ diepen nood Één teugje water en één bete brood.—
Verwelkte rozen.Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,’k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,—Nu zijn de meeste verlept en verdord;Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,Niets dan de bottels is overgebleven....Moeder! ik vond, dat het aardiger waar’,Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!—Liefje! ’t heeft alles zijn beurt en zijn’ dag.Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?’k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!’t Is met de kindertjes net als de rozen:Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,“Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;Spelen en werken, ’t heeft ieder zijn’ tijd!”—
Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,’k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,—Nu zijn de meeste verlept en verdord;Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,Niets dan de bottels is overgebleven....Moeder! ik vond, dat het aardiger waar’,Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!
Moeder, wat bloeijen de roosjes toch kort!
Gistren, u weet het, hoe mooi dat ze stonden,
’k Had ze nog pas aan de stokjes gebonden,—
Nu zijn de meeste verlept en verdord;
Kijk, hoe de wind nu haar blaadjes doet zweven,
Niets dan de bottels is overgebleven....
Moeder! ik vond, dat het aardiger waar’,
Dat ze maar bloeiden tot laat in het jaar!
—Liefje! ’t heeft alles zijn beurt en zijn’ dag.Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?’k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!’t Is met de kindertjes net als de rozen:Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,“Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;Spelen en werken, ’t heeft ieder zijn’ tijd!”—
—Liefje! ’t heeft alles zijn beurt en zijn’ dag.
Hoe zou er zaad in de botteltjes groeijen,
Zoo al die roosjes niets deden dan bloeijen?
’k Wed, dat men spoedig geen een er meer zag!
’t Is met de kindertjes net als de rozen:
Denk, als het spelen uw koontjes doet blozen,
“Altijd te spelen, dat geeft geen profijt;
Spelen en werken, ’t heeft ieder zijn’ tijd!”—
De vlinder.Och! zou het waar zijn, dartel beest!Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,Dat gij een rupsje zijt geweest(Gij, die nu rondzweeft over ’t veld!)En kruipen moest langs tak en bladOf in een pop verscholen zat?Wat moet ge, als ’t waar is, vrolijk zijn,Nu je zoo prettig vliegen mag,En nu ge uit rozen en jasmijnUw’ maaltijd ophaalt alle dag....En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!—En in ’t priëel zat Grootemoê.....Zij trok me zachtkens aan haar’ schootEn sloot hare oogen biddend toe,En zeî: “Zoo zal eens, na den dood,Verlost van aardschen strijd en pijn,De brave mensch een Engel zijn!“
Och! zou het waar zijn, dartel beest!Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,Dat gij een rupsje zijt geweest(Gij, die nu rondzweeft over ’t veld!)En kruipen moest langs tak en bladOf in een pop verscholen zat?
Och! zou het waar zijn, dartel beest!
Wat Grootmoê straks mij heeft verteld,
Dat gij een rupsje zijt geweest
(Gij, die nu rondzweeft over ’t veld!)
En kruipen moest langs tak en blad
Of in een pop verscholen zat?
Wat moet ge, als ’t waar is, vrolijk zijn,Nu je zoo prettig vliegen mag,En nu ge uit rozen en jasmijnUw’ maaltijd ophaalt alle dag....En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!—
Wat moet ge, als ’t waar is, vrolijk zijn,
Nu je zoo prettig vliegen mag,
En nu ge uit rozen en jasmijn
Uw’ maaltijd ophaalt alle dag....
En nu de vlerkjes, waar ge op zwiert,
Zoo kostelijk mooi zijn opgesierd!—
En in ’t priëel zat Grootemoê.....Zij trok me zachtkens aan haar’ schootEn sloot hare oogen biddend toe,En zeî: “Zoo zal eens, na den dood,Verlost van aardschen strijd en pijn,De brave mensch een Engel zijn!“
En in ’t priëel zat Grootemoê.....
Zij trok me zachtkens aan haar’ schoot
En sloot hare oogen biddend toe,
En zeî: “Zoo zal eens, na den dood,
Verlost van aardschen strijd en pijn,
De brave mensch een Engel zijn!“
In de weî.Lieve beestjes in de weî!Vindt ge hier niet allerlei?Bloempjes, klaver, gras en kruid,Ieder zoekt zijn gading uit;Op dat groene tafelkleedStaat voor allen wat gereed.Luister hoe die vogel zingt,Kijk eens hoe dat veulen springt,’t Koetje loeit en ’t schaapje blaat,Ieder spreekt er naar zijn’ staat,Ieder dankt er in zijn taalVoor dat kostelijke maal.Foei! dat ik beschaamd moet staan,Die aan ’t eten ben gegaan(Och! te dikwijls en te lank)Zonder bidden, zonder dank!—Hoor! nu eet ik nimmer weêr,Of ik dank ons’ Lieven Heer!
Lieve beestjes in de weî!Vindt ge hier niet allerlei?Bloempjes, klaver, gras en kruid,Ieder zoekt zijn gading uit;Op dat groene tafelkleedStaat voor allen wat gereed.
Lieve beestjes in de weî!
Vindt ge hier niet allerlei?
Bloempjes, klaver, gras en kruid,
Ieder zoekt zijn gading uit;
Op dat groene tafelkleed
Staat voor allen wat gereed.
Luister hoe die vogel zingt,Kijk eens hoe dat veulen springt,’t Koetje loeit en ’t schaapje blaat,Ieder spreekt er naar zijn’ staat,Ieder dankt er in zijn taalVoor dat kostelijke maal.
Luister hoe die vogel zingt,
Kijk eens hoe dat veulen springt,
’t Koetje loeit en ’t schaapje blaat,
Ieder spreekt er naar zijn’ staat,
Ieder dankt er in zijn taal
Voor dat kostelijke maal.
Foei! dat ik beschaamd moet staan,Die aan ’t eten ben gegaan(Och! te dikwijls en te lank)Zonder bidden, zonder dank!—Hoor! nu eet ik nimmer weêr,Of ik dank ons’ Lieven Heer!
Foei! dat ik beschaamd moet staan,
Die aan ’t eten ben gegaan
(Och! te dikwijls en te lank)
Zonder bidden, zonder dank!—
Hoor! nu eet ik nimmer weêr,
Of ik dank ons’ Lieven Heer!
Lijsterbessen.Lijstertje, zoo zwart van veêren,Met uw’ snavel geel als goud!’k Hoor u daaglijks kwinkelerenIn de toppen van het hout;Hoog en droog zingt gij uw lied,—Kom ’reis hier... of durf-je niet?Zie-je niet die roode bessen,Daar ge toch zooveel van houdt?Kijk, ze slingren zich als tressenOm de heesters van het woud;Kijk maar, proef maar, kom eens hier,Kom, mijn allerliefste dier!—Ei! ge dacht me fijn te foppen,Knaapje!... maar ik hoû me doof!’k Zag maar al te goed de stroppenDaar verborgen tusschen ’t loof:Dwaas is, wie voor lekkernijZich laat vangen:—ik blijf vrij!—
Lijstertje, zoo zwart van veêren,Met uw’ snavel geel als goud!’k Hoor u daaglijks kwinkelerenIn de toppen van het hout;Hoog en droog zingt gij uw lied,—Kom ’reis hier... of durf-je niet?
Lijstertje, zoo zwart van veêren,
Met uw’ snavel geel als goud!
’k Hoor u daaglijks kwinkeleren
In de toppen van het hout;
Hoog en droog zingt gij uw lied,—
Kom ’reis hier... of durf-je niet?
Zie-je niet die roode bessen,Daar ge toch zooveel van houdt?Kijk, ze slingren zich als tressenOm de heesters van het woud;Kijk maar, proef maar, kom eens hier,Kom, mijn allerliefste dier!
Zie-je niet die roode bessen,
Daar ge toch zooveel van houdt?
Kijk, ze slingren zich als tressen
Om de heesters van het woud;
Kijk maar, proef maar, kom eens hier,
Kom, mijn allerliefste dier!
—Ei! ge dacht me fijn te foppen,Knaapje!... maar ik hoû me doof!’k Zag maar al te goed de stroppenDaar verborgen tusschen ’t loof:Dwaas is, wie voor lekkernijZich laat vangen:—ik blijf vrij!—
—Ei! ge dacht me fijn te foppen,
Knaapje!... maar ik hoû me doof!
’k Zag maar al te goed de stroppen
Daar verborgen tusschen ’t loof:
Dwaas is, wie voor lekkernij
Zich laat vangen:—ik blijf vrij!—
Nachtegaals-liedje.Een nachtegaal zit in den boom,Die voor mijn venster staat;Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,Ik hoor hem ’s nachts nog in mijn’ droom;En ’s morgens roept zijn heldre zang:“Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!”Wel, lieve, kleine nachtegaal!Zeg, slaap-je zelf dan niet?En ’s nachts, wie hoort dan naar uw lied?De menschen slapen allemaal!Of zingt ge mooglijk voor den wacht.Omdat hij oppast in den nacht?De Meester zeît, als ’t winter wordt,Dan trekt ge ver van hier;Och, kom maar binnen, aardig dier,Als ’t dan aan dek of eten schort!Ik zal u koestren aan mijn ziĵ,En ’k laat u ’s zomers vrank en vrij!
Een nachtegaal zit in den boom,Die voor mijn venster staat;Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,Ik hoor hem ’s nachts nog in mijn’ droom;En ’s morgens roept zijn heldre zang:“Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!”
Een nachtegaal zit in den boom,
Die voor mijn venster staat;
Hij zingt zoo vroeg, hij zingt zoo laat,
Ik hoor hem ’s nachts nog in mijn’ droom;
En ’s morgens roept zijn heldre zang:
“Wat slaap-je lang, wat slaap-je lang!”
Wel, lieve, kleine nachtegaal!Zeg, slaap-je zelf dan niet?En ’s nachts, wie hoort dan naar uw lied?De menschen slapen allemaal!Of zingt ge mooglijk voor den wacht.Omdat hij oppast in den nacht?
Wel, lieve, kleine nachtegaal!
Zeg, slaap-je zelf dan niet?
En ’s nachts, wie hoort dan naar uw lied?
De menschen slapen allemaal!
Of zingt ge mooglijk voor den wacht.
Omdat hij oppast in den nacht?
De Meester zeît, als ’t winter wordt,Dan trekt ge ver van hier;Och, kom maar binnen, aardig dier,Als ’t dan aan dek of eten schort!Ik zal u koestren aan mijn ziĵ,En ’k laat u ’s zomers vrank en vrij!
De Meester zeît, als ’t winter wordt,
Dan trekt ge ver van hier;
Och, kom maar binnen, aardig dier,
Als ’t dan aan dek of eten schort!
Ik zal u koestren aan mijn ziĵ,
En ’k laat u ’s zomers vrank en vrij!
’t Binnenst.Hoorde ik vogels kwinkelerenIn het stille, koele woud,’k Zag dan eertijds naar hun veêren:—’k Dacht, dat purper, blaauw of goudOm het gorgeltje moest spelen,Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.Maar—mijn lieve nachtegaaltjesOch! ze leerden mij alras,Dat een keeltje graauw en vaaltjes’t Volst met schoone liedren was,En bij ’t heerlijkst klankgetoover’t Zedigst wegschool in het loover.Zijt ge pover in de kleêren,Arme knaap, arm maagdelijn!’k Wil u lieven toch en eeren,Toont ge, in ’t hart, wat flinks te zijn:’k Mogt van ’t nachtegaaltje leeren,Dat het niet zit in de.... veêren!
Hoorde ik vogels kwinkelerenIn het stille, koele woud,’k Zag dan eertijds naar hun veêren:—’k Dacht, dat purper, blaauw of goudOm het gorgeltje moest spelen,Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.
Hoorde ik vogels kwinkeleren
In het stille, koele woud,
’k Zag dan eertijds naar hun veêren:—
’k Dacht, dat purper, blaauw of goud
Om het gorgeltje moest spelen,
Dat zoo hemelsch mooi kon kwelen.
Maar—mijn lieve nachtegaaltjesOch! ze leerden mij alras,Dat een keeltje graauw en vaaltjes’t Volst met schoone liedren was,En bij ’t heerlijkst klankgetoover’t Zedigst wegschool in het loover.
Maar—mijn lieve nachtegaaltjes
Och! ze leerden mij alras,
Dat een keeltje graauw en vaaltjes
’t Volst met schoone liedren was,
En bij ’t heerlijkst klankgetoover
’t Zedigst wegschool in het loover.
Zijt ge pover in de kleêren,Arme knaap, arm maagdelijn!’k Wil u lieven toch en eeren,Toont ge, in ’t hart, wat flinks te zijn:’k Mogt van ’t nachtegaaltje leeren,Dat het niet zit in de.... veêren!
Zijt ge pover in de kleêren,
Arme knaap, arm maagdelijn!
’k Wil u lieven toch en eeren,
Toont ge, in ’t hart, wat flinks te zijn:
’k Mogt van ’t nachtegaaltje leeren,
Dat het niet zit in de.... veêren!
Klein spinnekopje.Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,En niet als ik een bedje, waarin ge u ’s avonds leît?—Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?
Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,En niet als ik een bedje, waarin ge u ’s avonds leît?—Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?
Wel, aardig spinnekopje! wat ben-je bitter kleen!
Hoe durf-je zoo te loopen, en dat nog wel alleen?
Zeg, heb-je dan geen moeder, geen zuster of geen meid,
En niet als ik een bedje, waarin ge u ’s avonds leît?—
Wel, aardig spinnekopje! als ik je eens bij me nam,
En gaf je een rozenblaadje voor avond-boterham;
Maar zult ge dan beloven, wanneer ge grooter zijt,
Dat gij die kleine vliegjes niet meer zoo vinnig bijt?
Spinneweb.Of er de wind ook uw webbetje scheurt,Of er een hommel doorhenen komt strijken,En of het nogeens en nogeens gebeurt,Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:—“’t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!”Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan ’t werkEn maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo rasMaar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....’t Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,Of ’t is wel ergens nog nut voor geweest!
Of er de wind ook uw webbetje scheurt,Of er een hommel doorhenen komt strijken,En of het nogeens en nogeens gebeurt,Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:—“’t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!”Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan ’t werkEn maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.
Of er de wind ook uw webbetje scheurt,
Of er een hommel doorhenen komt strijken,
En of het nogeens en nogeens gebeurt,
Spinnetje! nooit zit ge lustloos te kijken:—
“’t Wordt niet weêr heel, of men pruttelt of treurt!”
Denkt gij, en tijgt maar weêr pootig aan ’t werk
En maakt uw webbetje dubbel zoo sterk.
Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo rasMaar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....’t Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,Of ’t is wel ergens nog nut voor geweest!
Hoor eens, ik woû, dat Ik altijd zóó was,
Wierd soms mijn arbeid bevlekt of bedorven.....
Dat ik zoo lustig, zoo handig, zoo ras
Maar weêr verhielp, wat een aêr had verkorven;
Waarlijk, uw voorbeeld dat komt me te pas....
’t Blijkt weêr: er is toch zoo leelijk geen beest,
Of ’t is wel ergens nog nut voor geweest!
De bijenkorf.Foei! stoute bij!Wat steek-je mij!Ik deed u toch geen kwaad:Ik keek maar even hoe het gaatEn hoe het met uw korfje staat,En of ge voor de winterdagenAl menig vette honigraatHebt zaâmgedragen.—Ja, kind! ik gaârHet halve jaarMijn’ honig en mijn was;Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,En zoek de bloempjes in het grasEn op de hoogste heuveltoppen,En zuig mijn’ honig en mijn wasUit alle knoppen.En als ik dan,Mijn kleine man!Vermoeid naar huis toe dril,En ’k zie daar sluipen, zacht en stil,Een’ knaap, die heimlijk snoepen wil,Dan ben ik ’t steken niet vergeten....Want ’k meen, dat wie niet werken wil,Ook niet mag eten.—
Foei! stoute bij!Wat steek-je mij!Ik deed u toch geen kwaad:Ik keek maar even hoe het gaatEn hoe het met uw korfje staat,En of ge voor de winterdagenAl menig vette honigraatHebt zaâmgedragen.
Foei! stoute bij!
Wat steek-je mij!
Ik deed u toch geen kwaad:
Ik keek maar even hoe het gaat
En hoe het met uw korfje staat,
En of ge voor de winterdagen
Al menig vette honigraat
Hebt zaâmgedragen.
—Ja, kind! ik gaârHet halve jaarMijn’ honig en mijn was;Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,En zoek de bloempjes in het grasEn op de hoogste heuveltoppen,En zuig mijn’ honig en mijn wasUit alle knoppen.
—Ja, kind! ik gaâr
Het halve jaar
Mijn’ honig en mijn was;
Ik zwerf en vlieg langs beemd en plas,
En zoek de bloempjes in het gras
En op de hoogste heuveltoppen,
En zuig mijn’ honig en mijn was
Uit alle knoppen.
En als ik dan,Mijn kleine man!Vermoeid naar huis toe dril,En ’k zie daar sluipen, zacht en stil,Een’ knaap, die heimlijk snoepen wil,Dan ben ik ’t steken niet vergeten....Want ’k meen, dat wie niet werken wil,Ook niet mag eten.—
En als ik dan,
Mijn kleine man!
Vermoeid naar huis toe dril,
En ’k zie daar sluipen, zacht en stil,
Een’ knaap, die heimlijk snoepen wil,
Dan ben ik ’t steken niet vergeten....
Want ’k meen, dat wie niet werken wil,
Ook niet mag eten.—
Ons poesje.Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,Uw pootjes, die lijken fluweel,Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:—Wat let me, dat ik je ’reis zoen!Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!Maar krabben, dat moet ge niet doen!—Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweelDaar strijk ik mijn haartjes meê glad;Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,Wie speelt er toch graag met een morsige kat?En ’k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;Och, geef me gerust maar een’ zoen:En krabben, mijn vrind!—Gij zijt een zoet kind,Dat zou ik de Stouterts maar doen.—
Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,Uw pootjes, die lijken fluweel,Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:—Wat let me, dat ik je ’reis zoen!Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!Maar krabben, dat moet ge niet doen!
Wel, poesje! wat is er uw velletje zacht,
Uw pootjes, die lijken fluweel,
Zoo wit is uw neus en zoo bont is uw vacht,
Gij spint er zoo goedig als ik met u speel,
Zoo aardige poesjes, die zijn er niet veel:—
Wat let me, dat ik je ’reis zoen!
Want weet-je, mijn dief! ik heb-je zoo lief!
Maar krabben, dat moet ge niet doen!
—Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweelDaar strijk ik mijn haartjes meê glad;Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,Wie speelt er toch graag met een morsige kat?En ’k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;Och, geef me gerust maar een’ zoen:En krabben, mijn vrind!—Gij zijt een zoet kind,Dat zou ik de Stouterts maar doen.—
—Wel, vrind! met mijn pootjes zoo zacht als fluweel
Daar strijk ik mijn haartjes meê glad;
Ik wasch me wel telkens, ik wasch me wel veel,
Wie speelt er toch graag met een morsige kat?
En ’k heb van uw melk ook zoo dikwijls gehad;
Och, geef me gerust maar een’ zoen:
En krabben, mijn vrind!—Gij zijt een zoet kind,
Dat zou ik de Stouterts maar doen.—
Lorretje.“Lorretje, kaporretje, kapoe!....”Foei, ik hoû mijne ooren toe,—Wat geschreeuw en wat getier,Leelijk dier!Hè! mijn heele hoofd is moê....“Lorretje, kaporretje, kapoe!”—Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,Ik heb anders niet geleerd;Maar een kind, dat beter weet, En vergeetHoe zijn snappen andren deert....Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.—
“Lorretje, kaporretje, kapoe!....”Foei, ik hoû mijne ooren toe,—Wat geschreeuw en wat getier,Leelijk dier!Hè! mijn heele hoofd is moê....“Lorretje, kaporretje, kapoe!”
“Lorretje, kaporretje, kapoe!....”
Foei, ik hoû mijne ooren toe,—
Wat geschreeuw en wat getier,
Leelijk dier!
Hè! mijn heele hoofd is moê....
“Lorretje, kaporretje, kapoe!”
—Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,Ik heb anders niet geleerd;Maar een kind, dat beter weet, En vergeetHoe zijn snappen andren deert....Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.—
—Ja, mijn kind! al vindt ge het verkeerd,
Ik heb anders niet geleerd;
Maar een kind, dat beter weet, En vergeet
Hoe zijn snappen andren deert....
Doet dan willens dubbel zoo verkeerd.—
Draaitol.Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,Geef-je van ’t loopen en draaijen den brui;Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!Vader! och, geef mij een’ tol, die blijft staan,Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!—Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,Geeft ge van lessen en schriften den brui;Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;Waarlijk, ik vrees,—als het langer zoo duurt,Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.—
Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,Geef-je van ’t loopen en draaijen den brui;Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!Vader! och, geef mij een’ tol, die blijft staan,Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!
Tolletje, tolletje! ben-je niet lui?
Als ik je niet met mijn zweep kom te raken,
Geef-je van ’t loopen en draaijen den brui;
Stoutert, je zult me nog tureluurs maken!
Vader! och, geef mij een’ tol, die blijft staan,
Weet u! met snoer en met knoopjes er aan,
Dan ben ik los van dat vliegen en slaan!
—Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,Geeft ge van lessen en schriften den brui;Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;Waarlijk, ik vrees,—als het langer zoo duurt,Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.—
—Jongetje, zeg eens! gij praat zoo van lui?
Maar zoo de Meester u niet komt vermanen,
Geeft ge van lessen en schriften den brui;
Jongen! het kost me wat zuchten en tranen;
Waarlijk, ik vrees,—als het langer zoo duurt,
Wordt ge met schande, ten spot van de buurt,
Lui als uw tol, naar de mieren gestuurd.—
Hobbelpaard.Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!Nu moet gij rijden met een vaart;Want och! ik heb zoo’n groote haast,Ik moet wat halen van hiernaast;—Daar is door Moeder, om de pret,Een bord met kersen neêrgezet,En als ge nu niet voort en maakt,Misschien is ’t bord dan leêggeraakt:Dus rep-je, rep-je, wat je kan,Dan krijg-je er ook een kersje van;Want Vader zeît:‘een vlijtig paardDat is de haver dubbel waard’.
Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!Nu moet gij rijden met een vaart;Want och! ik heb zoo’n groote haast,Ik moet wat halen van hiernaast;—Daar is door Moeder, om de pret,Een bord met kersen neêrgezet,En als ge nu niet voort en maakt,Misschien is ’t bord dan leêggeraakt:Dus rep-je, rep-je, wat je kan,Dan krijg-je er ook een kersje van;Want Vader zeît:‘een vlijtig paardDat is de haver dubbel waard’.
Hop, hop! mijn vrolijk hobbelpaard!
Nu moet gij rijden met een vaart;
Want och! ik heb zoo’n groote haast,
Ik moet wat halen van hiernaast;—
Daar is door Moeder, om de pret,
Een bord met kersen neêrgezet,
En als ge nu niet voort en maakt,
Misschien is ’t bord dan leêggeraakt:
Dus rep-je, rep-je, wat je kan,
Dan krijg-je er ook een kersje van;
Want Vader zeît:‘een vlijtig paard
Dat is de haver dubbel waard’.
Luilekkerland.’k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!Om er te komen, dat dient ge te weten,Moet men door bergen van rijstepap eten:Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,Eten en drinken, dat loopt je in den mond!Jongens!—hoe aardig het is om te lezen,’k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;Neen! als men arbeidt met ijver en lust,Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!
’k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!
’k Heb van Luilekkerland gistren gelezen,
Jongens! daar moet het wel wonderlijk wezen,
Dáár heb-je grachten van melk en van wijn,
Dáár heb-je straten, die theerandjes zijn!
Om er te komen, dat dient ge te weten,Moet men door bergen van rijstepap eten:Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,Eten en drinken, dat loopt je in den mond!
Om er te komen, dat dient ge te weten,
Moet men door bergen van rijstepap eten:
Ben-je er, dan leg-je maar lui op den grond,
Eten en drinken, dat loopt je in den mond!
Jongens!—hoe aardig het is om te lezen,’k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;Neen! als men arbeidt met ijver en lust,Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!
Jongens!—hoe aardig het is om te lezen,
’k Denk, dat die luiheid vervelend moet wezen;
Neen! als men arbeidt met ijver en lust,
Dan smaakt het eten, dan smaakt de rust!
Honger.Honger is de beste saus;Draven, slaven, zwoegen, zweeten,Geeft den regten trek tot eten;Wie gewerkt heeft flink en goed,Smaken raauwe boonen zoet.Honger is de beste saus!Had-je taarten en pastijen,Had-je ’s werelds lekkernijen,Och wat hielp het u, mijn schat!Als ge toch geen’ honger hadt.Honger is de beste saus!Loopt het somtijds op een schraaltje,—Denk, wat baat het beste maaltjeAan een’ luijen lekkerbek.....Groote schotels, kleine trek!
Honger is de beste saus;Draven, slaven, zwoegen, zweeten,Geeft den regten trek tot eten;Wie gewerkt heeft flink en goed,Smaken raauwe boonen zoet.
Honger is de beste saus;
Draven, slaven, zwoegen, zweeten,
Geeft den regten trek tot eten;
Wie gewerkt heeft flink en goed,
Smaken raauwe boonen zoet.
Honger is de beste saus!Had-je taarten en pastijen,Had-je ’s werelds lekkernijen,Och wat hielp het u, mijn schat!Als ge toch geen’ honger hadt.
Honger is de beste saus!
Had-je taarten en pastijen,
Had-je ’s werelds lekkernijen,
Och wat hielp het u, mijn schat!
Als ge toch geen’ honger hadt.
Honger is de beste saus!Loopt het somtijds op een schraaltje,—Denk, wat baat het beste maaltjeAan een’ luijen lekkerbek.....Groote schotels, kleine trek!
Honger is de beste saus!
Loopt het somtijds op een schraaltje,—
Denk, wat baat het beste maaltje
Aan een’ luijen lekkerbek.....
Groote schotels, kleine trek!
’t Een en ’t ander.Eten, is een kostlijk ding!Doch, zoo u de spijs zal smaken,—Acht den honger niet gering,Die de saus er op moet maken!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Òf geen honger, òf geen eten...Och! dan dient gij maar te weten,Ik kies honger... kort en goed!Rusten, is een kostlijk ding!Doch, zult gij het welkom heeten—Acht het werken niet gering,Dat den prijs er van doet weten!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Meest te werken... meest te rusten...Och! trots al de zoetste lusten,Ik kies werken... kort en goed!Rijkdom, is een kostlijk ding!Doch, wilt gij hem goed waarderen,Acht het arm zijn niet geringOm u ’t regt gebruik te leeren!Waarlijk—zoo ik kiezen moet,Altijd rijk... soms arm te wezen,Och! ik zeg het zonder vreezen,Ik kies arm zijn... kort en goed!
Eten, is een kostlijk ding!Doch, zoo u de spijs zal smaken,—Acht den honger niet gering,Die de saus er op moet maken!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Òf geen honger, òf geen eten...Och! dan dient gij maar te weten,Ik kies honger... kort en goed!
Eten, is een kostlijk ding!
Doch, zoo u de spijs zal smaken,—
Acht den honger niet gering,
Die de saus er op moet maken!
Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,
Òf geen honger, òf geen eten...
Och! dan dient gij maar te weten,
Ik kies honger... kort en goed!
Rusten, is een kostlijk ding!Doch, zult gij het welkom heeten—Acht het werken niet gering,Dat den prijs er van doet weten!Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,Meest te werken... meest te rusten...Och! trots al de zoetste lusten,Ik kies werken... kort en goed!
Rusten, is een kostlijk ding!
Doch, zult gij het welkom heeten—
Acht het werken niet gering,
Dat den prijs er van doet weten!
Waarlijk!—zoo ik kiezen moet,
Meest te werken... meest te rusten...
Och! trots al de zoetste lusten,
Ik kies werken... kort en goed!
Rijkdom, is een kostlijk ding!Doch, wilt gij hem goed waarderen,Acht het arm zijn niet geringOm u ’t regt gebruik te leeren!Waarlijk—zoo ik kiezen moet,Altijd rijk... soms arm te wezen,Och! ik zeg het zonder vreezen,Ik kies arm zijn... kort en goed!
Rijkdom, is een kostlijk ding!
Doch, wilt gij hem goed waarderen,
Acht het arm zijn niet gering
Om u ’t regt gebruik te leeren!
Waarlijk—zoo ik kiezen moet,
Altijd rijk... soms arm te wezen,
Och! ik zeg het zonder vreezen,
Ik kies arm zijn... kort en goed!
Vogelverschrikker.Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,Dat ge alle wegvliegt als ge ’t ziet!....Het is een pop en anders niet,Met menig’ ouden lap er om:Kijk! of ge ’em pikt en of ge ’em slaat,Hij blijft een doode, kameraad!En doet u zeker leed noch kwaad.—Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,Gij zijt toch ook zoo’n slimmert niet;Want, als ge ’s avonds eens wat ziet,Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,En vreest voor spook of ander kwaad....En keek-je eens op de keper, maat!Dan was ’t verbeelding, kameraad!—
Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,Dat ge alle wegvliegt als ge ’t ziet!....Het is een pop en anders niet,Met menig’ ouden lap er om:Kijk! of ge ’em pikt en of ge ’em slaat,Hij blijft een doode, kameraad!En doet u zeker leed noch kwaad.
Wel, vogeltjes! wat ben-je dom,
Dat ge alle wegvliegt als ge ’t ziet!....
Het is een pop en anders niet,
Met menig’ ouden lap er om:
Kijk! of ge ’em pikt en of ge ’em slaat,
Hij blijft een doode, kameraad!
En doet u zeker leed noch kwaad.
—Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,Gij zijt toch ook zoo’n slimmert niet;Want, als ge ’s avonds eens wat ziet,Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,En vreest voor spook of ander kwaad....En keek-je eens op de keper, maat!Dan was ’t verbeelding, kameraad!—
—Wel, jongelief! zijn wij zoo dom,
Gij zijt toch ook zoo’n slimmert niet;
Want, als ge ’s avonds eens wat ziet,
Dan schrikt ge er van, en loopt weêrom,
En vreest voor spook of ander kwaad....
En keek-je eens op de keper, maat!
Dan was ’t verbeelding, kameraad!—
Onpartijdig.Braaf is braaf en slecht is slecht!Of het vrind of vijand doet;Daarom, jongens! hoû-je goed,Dat ge trouw uw meening zegt,Dat ge spreken durft in ’t regt:“Dat is braaf, en dat is slecht.”Heb-je een’ goeijen kameraad,Daar ge magtig veel van houdt,En hij is soms boos of stout,Zeg hem dan: “Mijn beste maat!“Dat is slecht”,—of, “dat is kwaad!”’k Wed, dat hij het verder laat.Vond-je er één’ een’ raren kwant,Maar ge zaagt er, nu of dan,Eens wat braafs of nobels van,Geef hem dan uw regterhandEn vertel aan allen kant:“Hij is toch een ferme klant!”Maar bedenk u eigen goed,Eer ge tot een’ ander’ spreekt,Of je zelv’ ook wat ontbreekt,Dat ge nog verhelpen moet:—Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:“Dàt was kwaad, en dàt was goed.”
Braaf is braaf en slecht is slecht!Of het vrind of vijand doet;Daarom, jongens! hoû-je goed,Dat ge trouw uw meening zegt,Dat ge spreken durft in ’t regt:“Dat is braaf, en dat is slecht.”
Braaf is braaf en slecht is slecht!
Of het vrind of vijand doet;
Daarom, jongens! hoû-je goed,
Dat ge trouw uw meening zegt,
Dat ge spreken durft in ’t regt:
“Dat is braaf, en dat is slecht.”
Heb-je een’ goeijen kameraad,Daar ge magtig veel van houdt,En hij is soms boos of stout,Zeg hem dan: “Mijn beste maat!“Dat is slecht”,—of, “dat is kwaad!”’k Wed, dat hij het verder laat.
Heb-je een’ goeijen kameraad,
Daar ge magtig veel van houdt,
En hij is soms boos of stout,
Zeg hem dan: “Mijn beste maat!
“Dat is slecht”,—of, “dat is kwaad!”
’k Wed, dat hij het verder laat.
Vond-je er één’ een’ raren kwant,Maar ge zaagt er, nu of dan,Eens wat braafs of nobels van,Geef hem dan uw regterhandEn vertel aan allen kant:“Hij is toch een ferme klant!”
Vond-je er één’ een’ raren kwant,
Maar ge zaagt er, nu of dan,
Eens wat braafs of nobels van,
Geef hem dan uw regterhand
En vertel aan allen kant:
“Hij is toch een ferme klant!”
Maar bedenk u eigen goed,Eer ge tot een’ ander’ spreekt,Of je zelv’ ook wat ontbreekt,Dat ge nog verhelpen moet:—Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:“Dàt was kwaad, en dàt was goed.”
Maar bedenk u eigen goed,
Eer ge tot een’ ander’ spreekt,
Of je zelv’ ook wat ontbreekt,
Dat ge nog verhelpen moet:—
Zeg dan eerlijk, wat ge ook doet:
“Dàt was kwaad, en dàt was goed.”
Een klein jokkentje.Een klein, klein jokkentje,Zou dat wel zonde wezen?Me dunkt, het heeft geen’ nood....Maar—kleine kindren worden groot,Dat heb ik laatst gelezen;En zijn ze jonk een beetje kwaad,Me dunkt, dat men van zelv’ al raadt,Wat ze ouder zullen wezen.Een klein, klein jokkentje,Al was het nog zoo’n diefje,Groeit tot een boozen gast,En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,Dat geef ik je op een briefje;—En menig brave man of vrouwHeeft van zoo’n jokkentje berouwHun heele leven,—liefje!
Een klein, klein jokkentje,Zou dat wel zonde wezen?Me dunkt, het heeft geen’ nood....Maar—kleine kindren worden groot,Dat heb ik laatst gelezen;En zijn ze jonk een beetje kwaad,Me dunkt, dat men van zelv’ al raadt,Wat ze ouder zullen wezen.
Een klein, klein jokkentje,
Zou dat wel zonde wezen?
Me dunkt, het heeft geen’ nood....
Maar—kleine kindren worden groot,
Dat heb ik laatst gelezen;
En zijn ze jonk een beetje kwaad,
Me dunkt, dat men van zelv’ al raadt,
Wat ze ouder zullen wezen.
Een klein, klein jokkentje,Al was het nog zoo’n diefje,Groeit tot een boozen gast,En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,Dat geef ik je op een briefje;—En menig brave man of vrouwHeeft van zoo’n jokkentje berouwHun heele leven,—liefje!
Een klein, klein jokkentje,
Al was het nog zoo’n diefje,
Groeit tot een boozen gast,
En grijpt-je en knijpt-je en houdt-je vast,
Dat geef ik je op een briefje;—
En menig brave man of vrouw
Heeft van zoo’n jokkentje berouw
Hun heele leven,—liefje!
Krachtig en zedig.Kort en krachtig in het goede,Kort en krachtig tegen ’t kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel flink als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, kameraad!Zult ge zien, dat—kort en krachtigMeer nog is, dan rijk en magtig.Stil en zedig in het goede,Stil en zedig bij het kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel zacht als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, meisjemaat!Zult ge zien, hoe—stil en zedig,’t Best eens ieders wensch bevredig’.Knapen, Meisjes!—Uitgelezen,Vol van heil en vol van vreê,Zou de heele wereld wezen,Hoorde een ieder naar mijn beê;Doch!—doen ze Allen ligt niet meê,’k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,Stil en zedig, kort en krachtig!
Kort en krachtig in het goede,Kort en krachtig tegen ’t kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel flink als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, kameraad!Zult ge zien, dat—kort en krachtigMeer nog is, dan rijk en magtig.
Kort en krachtig in het goede,
Kort en krachtig tegen ’t kwaad,
In den voorspoed kalm te moede,
Dubbel flink als ’t kwalijk gaat....
Zoo ge dàt leert, kameraad!
Zult ge zien, dat—kort en krachtig
Meer nog is, dan rijk en magtig.
Stil en zedig in het goede,Stil en zedig bij het kwaad,In den voorspoed kalm te moede,Dubbel zacht als ’t kwalijk gaat....Zoo ge dàt leert, meisjemaat!Zult ge zien, hoe—stil en zedig,’t Best eens ieders wensch bevredig’.
Stil en zedig in het goede,
Stil en zedig bij het kwaad,
In den voorspoed kalm te moede,
Dubbel zacht als ’t kwalijk gaat....
Zoo ge dàt leert, meisjemaat!
Zult ge zien, hoe—stil en zedig,
’t Best eens ieders wensch bevredig’.
Knapen, Meisjes!—Uitgelezen,Vol van heil en vol van vreê,Zou de heele wereld wezen,Hoorde een ieder naar mijn beê;Doch!—doen ze Allen ligt niet meê,’k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,Stil en zedig, kort en krachtig!
Knapen, Meisjes!—Uitgelezen,
Vol van heil en vol van vreê,
Zou de heele wereld wezen,
Hoorde een ieder naar mijn beê;
Doch!—doen ze Allen ligt niet meê,
’k Waar tevreê, wierdt Gij, eendragtig,
Stil en zedig, kort en krachtig!
Schoudermanteltje.Een lapje hier, een lapje daar,Waar ik ze maar kan vinden,Die gaâr ik netjes bij malkaarVan buurtjes en van vrinden;En geef voor chits,—ja, voor katoen,Een hand, een lachje, en soms een’ zoen.Een lapje hier, een lapje daar,Die snij ik dan tot ruiten,En stik ze netjes aan malkaâr,De mooiste ziĵ naar buiten;En, zijn dan alle hoekjes vol,Dan voer ik ze met warme wol.Een lapje hier, een lapje daarGing anders toch verloren....Nu ben ik menig’ winter klaarEn warm me naar behooren:—’k Ben met dien mantel dubbel blijd’,Want ’k heb hem door mijne eigen vlijt.
Een lapje hier, een lapje daar,Waar ik ze maar kan vinden,Die gaâr ik netjes bij malkaarVan buurtjes en van vrinden;En geef voor chits,—ja, voor katoen,Een hand, een lachje, en soms een’ zoen.
Een lapje hier, een lapje daar,
Waar ik ze maar kan vinden,
Die gaâr ik netjes bij malkaar
Van buurtjes en van vrinden;
En geef voor chits,—ja, voor katoen,
Een hand, een lachje, en soms een’ zoen.
Een lapje hier, een lapje daar,Die snij ik dan tot ruiten,En stik ze netjes aan malkaâr,De mooiste ziĵ naar buiten;En, zijn dan alle hoekjes vol,Dan voer ik ze met warme wol.
Een lapje hier, een lapje daar,
Die snij ik dan tot ruiten,
En stik ze netjes aan malkaâr,
De mooiste ziĵ naar buiten;
En, zijn dan alle hoekjes vol,
Dan voer ik ze met warme wol.
Een lapje hier, een lapje daarGing anders toch verloren....Nu ben ik menig’ winter klaarEn warm me naar behooren:—’k Ben met dien mantel dubbel blijd’,Want ’k heb hem door mijne eigen vlijt.
Een lapje hier, een lapje daar
Ging anders toch verloren....
Nu ben ik menig’ winter klaar
En warm me naar behooren:—
’k Ben met dien mantel dubbel blijd’,
Want ’k heb hem door mijne eigen vlijt.
Nieuwe klompjes.Mijn Kees-oom is een timmerman,Daar is geen knapper op de werf;Hij maakt in huis en op het erfAl wat-je zien of denken kan;Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,Maar ’k ben daarom niet bang voor hem.Hij kneep me lestmaal in mijn oorEn zeî: “Nu, als ge vlijtig leert,Uw’ Vader en uw Moeder eert,Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!”En tintelde ook mijn oor er van,Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.En denk ’reis wat hij heeft gebragt?....Een nieuw paar klompjes, puik en net,Met zilvren neusjes afgezet,Gevoerd met witte schapenvacht....En binnen in daar lag een brief,Waar op stond: “Voor mijn Neefje-lief!”En Moeder zeî me, met een’ lach:“Nu ziet ge maar, mijn beste maat!Hoe of het zoete kindren gaat;’k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!”En ’k gaf mijn Moeder-lief een’ zoenEn zeî: dat ik mijn best zou doen!
Mijn Kees-oom is een timmerman,Daar is geen knapper op de werf;Hij maakt in huis en op het erfAl wat-je zien of denken kan;Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,Maar ’k ben daarom niet bang voor hem.
Mijn Kees-oom is een timmerman,
Daar is geen knapper op de werf;
Hij maakt in huis en op het erf
Al wat-je zien of denken kan;
Zijn hand is ruw, en grof zijn stem,
Maar ’k ben daarom niet bang voor hem.
Hij kneep me lestmaal in mijn oorEn zeî: “Nu, als ge vlijtig leert,Uw’ Vader en uw Moeder eert,Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!”En tintelde ook mijn oor er van,Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.
Hij kneep me lestmaal in mijn oor
En zeî: “Nu, als ge vlijtig leert,
Uw’ Vader en uw Moeder eert,
Dan krijgt ge er wat op Kerstijd voor!”
En tintelde ook mijn oor er van,
Toch keek ik Kees-oom vriendlijk ân.
En denk ’reis wat hij heeft gebragt?....Een nieuw paar klompjes, puik en net,Met zilvren neusjes afgezet,Gevoerd met witte schapenvacht....En binnen in daar lag een brief,Waar op stond: “Voor mijn Neefje-lief!”
En denk ’reis wat hij heeft gebragt?....
Een nieuw paar klompjes, puik en net,
Met zilvren neusjes afgezet,
Gevoerd met witte schapenvacht....
En binnen in daar lag een brief,
Waar op stond: “Voor mijn Neefje-lief!”
En Moeder zeî me, met een’ lach:“Nu ziet ge maar, mijn beste maat!Hoe of het zoete kindren gaat;’k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!”En ’k gaf mijn Moeder-lief een’ zoenEn zeî: dat ik mijn best zou doen!
En Moeder zeî me, met een’ lach:
“Nu ziet ge maar, mijn beste maat!
Hoe of het zoete kindren gaat;
’k Hoop, dat je nu zoo blijven mag!”
En ’k gaf mijn Moeder-lief een’ zoen
En zeî: dat ik mijn best zou doen!
Winter.Och winter, barre winter,Wat zijt ge bitter koud!Ik woû, ik had een’ gulden,Dan kocht ik turf en hout.Een vuurtje zou ik bouwenAls onze plaat zoo groot,En ’k vroeg mijne arme buurtjesOp koffij en op brood.Wat zouden ze dan smullenIn ’t hoekje van den haard!Voor mij wierd zachts een plaatsjeEn ook wat brood bewaard:Och had ik maar een’ gulden....Maar toen ik Moeder vroeg,Toen zeî ze: “Kind! we hebbenPas voor ons zelv’ genoeg.”Hoor, Jongens! als ik groot ben,Dan zult ge ’reis wat zien:Een’ cent wil ik bewarenVan wat ik daags verdien;Dan heb ik een’ drieguldenMet Nieuwejaar bespaard,En ’k vraag mijne arme buurtjesIn ’t hoekje van mijn’ haard.
Och winter, barre winter,Wat zijt ge bitter koud!Ik woû, ik had een’ gulden,Dan kocht ik turf en hout.Een vuurtje zou ik bouwenAls onze plaat zoo groot,En ’k vroeg mijne arme buurtjesOp koffij en op brood.
Och winter, barre winter,
Wat zijt ge bitter koud!
Ik woû, ik had een’ gulden,
Dan kocht ik turf en hout.
Een vuurtje zou ik bouwen
Als onze plaat zoo groot,
En ’k vroeg mijne arme buurtjes
Op koffij en op brood.
Wat zouden ze dan smullenIn ’t hoekje van den haard!Voor mij wierd zachts een plaatsjeEn ook wat brood bewaard:Och had ik maar een’ gulden....Maar toen ik Moeder vroeg,Toen zeî ze: “Kind! we hebbenPas voor ons zelv’ genoeg.”
Wat zouden ze dan smullen
In ’t hoekje van den haard!
Voor mij wierd zachts een plaatsje
En ook wat brood bewaard:
Och had ik maar een’ gulden....
Maar toen ik Moeder vroeg,
Toen zeî ze: “Kind! we hebben
Pas voor ons zelv’ genoeg.”
Hoor, Jongens! als ik groot ben,Dan zult ge ’reis wat zien:Een’ cent wil ik bewarenVan wat ik daags verdien;Dan heb ik een’ drieguldenMet Nieuwejaar bespaard,En ’k vraag mijne arme buurtjesIn ’t hoekje van mijn’ haard.
Hoor, Jongens! als ik groot ben,
Dan zult ge ’reis wat zien:
Een’ cent wil ik bewaren
Van wat ik daags verdien;
Dan heb ik een’ driegulden
Met Nieuwejaar bespaard,
En ’k vraag mijne arme buurtjes
In ’t hoekje van mijn’ haard.
Broodkruimels.Wat pikt er tegen ’t vensterglas,Alsof het vroeg: doe open!—Zoo ’t eens die kleine vogel was,Die ’k op de plaats zag loopen!Och ja! daar zit hij, koud en stram;Hoe sjilpt hij om wat eten....Och, dat ik nu mijn boterhamMaar niet had opgegeten!Of had ik al de kruimels maar,Die Moeder weg moest vegen,Dan was het arme diertje klaarEn ik stond niet verlegen!—Och, Moeder! help mij uit den nood,En ’k zal het nooit vergeten,Dat ook geen krûmmeltje van broodMag worden weggesmeten.
Wat pikt er tegen ’t vensterglas,Alsof het vroeg: doe open!—Zoo ’t eens die kleine vogel was,Die ’k op de plaats zag loopen!Och ja! daar zit hij, koud en stram;Hoe sjilpt hij om wat eten....Och, dat ik nu mijn boterhamMaar niet had opgegeten!
Wat pikt er tegen ’t vensterglas,
Alsof het vroeg: doe open!—
Zoo ’t eens die kleine vogel was,
Die ’k op de plaats zag loopen!
Och ja! daar zit hij, koud en stram;
Hoe sjilpt hij om wat eten....
Och, dat ik nu mijn boterham
Maar niet had opgegeten!
Of had ik al de kruimels maar,Die Moeder weg moest vegen,Dan was het arme diertje klaarEn ik stond niet verlegen!—Och, Moeder! help mij uit den nood,En ’k zal het nooit vergeten,Dat ook geen krûmmeltje van broodMag worden weggesmeten.
Of had ik al de kruimels maar,
Die Moeder weg moest vegen,
Dan was het arme diertje klaar
En ik stond niet verlegen!—
Och, Moeder! help mij uit den nood,
En ’k zal het nooit vergeten,
Dat ook geen krûmmeltje van brood
Mag worden weggesmeten.
In de kaars.“Wat danst ge vrolijk om het licht,Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,Of schemert het voor uw gezigt?Zoo menig is er ingevlogen,Die half verbrand te spartlen ligt,En, ’k moet het waarlijk vreezen,’t Zal straks met u wel ook zoo wezen!”Doch, wat de huisvrouw zeî of deêEn of zij ’t beestje al weg woû jagen,Het hoorde naar vermaan noch beêMaar volgde blind zijn welbehagen:—En ’t duurde pas een tel of twee,Of zie! tot straf van ’t dartlen,Daar lag het in de kaars te spartlen!Ik woû wel, dat een zeker kind(Ik zal zijn’ naam hier maar niet zeggen!)Dat waanwijs mugje, zoo verblind,Daar in die heete kaars zag lêggen!—Maar ’t beestje is dood, eer ik hem vind....Misschien kan ’t nog genezen,Als ik er handig bij wil wezen!
“Wat danst ge vrolijk om het licht,Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,Of schemert het voor uw gezigt?Zoo menig is er ingevlogen,Die half verbrand te spartlen ligt,En, ’k moet het waarlijk vreezen,’t Zal straks met u wel ook zoo wezen!”
“Wat danst ge vrolijk om het licht,
Zeg, mugje! heb-je dan geene oogen,
Of schemert het voor uw gezigt?
Zoo menig is er ingevlogen,
Die half verbrand te spartlen ligt,
En, ’k moet het waarlijk vreezen,
’t Zal straks met u wel ook zoo wezen!”
Doch, wat de huisvrouw zeî of deêEn of zij ’t beestje al weg woû jagen,Het hoorde naar vermaan noch beêMaar volgde blind zijn welbehagen:—En ’t duurde pas een tel of twee,Of zie! tot straf van ’t dartlen,Daar lag het in de kaars te spartlen!
Doch, wat de huisvrouw zeî of deê
En of zij ’t beestje al weg woû jagen,
Het hoorde naar vermaan noch beê
Maar volgde blind zijn welbehagen:—
En ’t duurde pas een tel of twee,
Of zie! tot straf van ’t dartlen,
Daar lag het in de kaars te spartlen!
Ik woû wel, dat een zeker kind(Ik zal zijn’ naam hier maar niet zeggen!)Dat waanwijs mugje, zoo verblind,Daar in die heete kaars zag lêggen!—Maar ’t beestje is dood, eer ik hem vind....Misschien kan ’t nog genezen,Als ik er handig bij wil wezen!
Ik woû wel, dat een zeker kind
(Ik zal zijn’ naam hier maar niet zeggen!)
Dat waanwijs mugje, zoo verblind,
Daar in die heete kaars zag lêggen!—
Maar ’t beestje is dood, eer ik hem vind....
Misschien kan ’t nog genezen,
Als ik er handig bij wil wezen!
In ’t donker.Gij kruipt vergeefs in struik en heg,Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;Gij dacht misschien:“Het is toch donker op den wegEn niemand zag me bij mijn vlugt!”—Kijk eens naar boven, naar de lucht....De Sterren hebben het gezien!Nu zijt ge ’s avonds, vroeg of laat,Voor iedren struik en iedren boomIn angst en schroom;Want waar ge zit, of waar ge staat,Daar kijken u de Sterren aanEn roepen: “Gij hebt kwaad gedaan!....”En ’s nachts nog hoort ge ’t in uw’ droom.Maar is dan ’t hartje droef te moêEn voelt ge regt berouw en leed,Omdat ge ’t deedt,Dan lagchen u de Sterren toe,En zeggen: “Doe ’t maar nimmer weêr,Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!”Slaap wel nu—mits ge ’t nooit vergeet!
Gij kruipt vergeefs in struik en heg,Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;Gij dacht misschien:“Het is toch donker op den wegEn niemand zag me bij mijn vlugt!”—Kijk eens naar boven, naar de lucht....De Sterren hebben het gezien!
Gij kruipt vergeefs in struik en heg,
Nu dat ge kwaad deedt aan de liên;
Gij dacht misschien:
“Het is toch donker op den weg
En niemand zag me bij mijn vlugt!”—
Kijk eens naar boven, naar de lucht....
De Sterren hebben het gezien!
Nu zijt ge ’s avonds, vroeg of laat,Voor iedren struik en iedren boomIn angst en schroom;Want waar ge zit, of waar ge staat,Daar kijken u de Sterren aanEn roepen: “Gij hebt kwaad gedaan!....”En ’s nachts nog hoort ge ’t in uw’ droom.
Nu zijt ge ’s avonds, vroeg of laat,
Voor iedren struik en iedren boom
In angst en schroom;
Want waar ge zit, of waar ge staat,
Daar kijken u de Sterren aan
En roepen: “Gij hebt kwaad gedaan!....”
En ’s nachts nog hoort ge ’t in uw’ droom.
Maar is dan ’t hartje droef te moêEn voelt ge regt berouw en leed,Omdat ge ’t deedt,Dan lagchen u de Sterren toe,En zeggen: “Doe ’t maar nimmer weêr,Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!”Slaap wel nu—mits ge ’t nooit vergeet!
Maar is dan ’t hartje droef te moê
En voelt ge regt berouw en leed,
Omdat ge ’t deedt,
Dan lagchen u de Sterren toe,
En zeggen: “Doe ’t maar nimmer weêr,
Zoo kijken wij weêr vriendlijk neêr!”
Slaap wel nu—mits ge ’t nooit vergeet!
Twee schildwachts.Of ge deur en venster sluit,Booze dieven, booze boeven,Die berooven en bedroeven,Weert ge daarmeê ’t huis niet uit!Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,Wilt ge geld noch rust verliezen.“Arbeid” sta getrouw op postOm voor “buitenshuis” te zorgen;Wakend van den vroegen morgen,’s Avonds laat pas afgelost;—“Liefde” hoû, met kalme zinnen,Vroom en ijvrig wacht “van binnen.”Waar die beiden staan op wacht,En de blanke wapens trekkenAls ze boef of dief ontdekken,Zijt ge veilig, dag en nacht!Kunt gij roepen, zonder schromen:“Laat het booze volk maar komen!”
Of ge deur en venster sluit,Booze dieven, booze boeven,Die berooven en bedroeven,Weert ge daarmeê ’t huis niet uit!Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,Wilt ge geld noch rust verliezen.
Of ge deur en venster sluit,
Booze dieven, booze boeven,
Die berooven en bedroeven,
Weert ge daarmeê ’t huis niet uit!
Neen! twee schildwachts moet ge kiezen,
Wilt ge geld noch rust verliezen.
“Arbeid” sta getrouw op postOm voor “buitenshuis” te zorgen;Wakend van den vroegen morgen,’s Avonds laat pas afgelost;—“Liefde” hoû, met kalme zinnen,Vroom en ijvrig wacht “van binnen.”
“Arbeid” sta getrouw op post
Om voor “buitenshuis” te zorgen;
Wakend van den vroegen morgen,
’s Avonds laat pas afgelost;—
“Liefde” hoû, met kalme zinnen,
Vroom en ijvrig wacht “van binnen.”
Waar die beiden staan op wacht,En de blanke wapens trekkenAls ze boef of dief ontdekken,Zijt ge veilig, dag en nacht!Kunt gij roepen, zonder schromen:“Laat het booze volk maar komen!”
Waar die beiden staan op wacht,
En de blanke wapens trekken
Als ze boef of dief ontdekken,
Zijt ge veilig, dag en nacht!
Kunt gij roepen, zonder schromen:
“Laat het booze volk maar komen!”
In den maneschijn.Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt een beetje hier!Zingt eens lustig met elkaâr,Zingt wat voor plêzier!Liedjes kent ge toch genoeg,’k Hoor u laat en ’k hoor u vroeg,Komt nu haastig hier!Als het werk is afgedaanEn de taak volbragt,Mag er wel een liedje op staan;’t Klinkt zoo mooi bij nacht!Open gaat er menig raam,Al de buurtjes scholen zaam;Zingt nu rein en zacht!Zingt vooreerst maar, hoe een kindLeerzaam wordt en zoet!Dan een liedje, welbemind,Van “Wien Neêrlandsch bloed!”Dan hoe men zijne ouders eer’,En hoe onze lieve HeerMagtig is en goed!Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt nu allen hier!Zingt eens lustig met elkaâr.Zingt wat voor plêzier!Spoedig roept de wacht: naar bed!Daarom zingt nu voor de pret,Komt maar haastig hier!
Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt een beetje hier!Zingt eens lustig met elkaâr,Zingt wat voor plêzier!Liedjes kent ge toch genoeg,’k Hoor u laat en ’k hoor u vroeg,Komt nu haastig hier!
Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:
Komt een beetje hier!
Zingt eens lustig met elkaâr,
Zingt wat voor plêzier!
Liedjes kent ge toch genoeg,
’k Hoor u laat en ’k hoor u vroeg,
Komt nu haastig hier!
Als het werk is afgedaanEn de taak volbragt,Mag er wel een liedje op staan;’t Klinkt zoo mooi bij nacht!Open gaat er menig raam,Al de buurtjes scholen zaam;Zingt nu rein en zacht!
Als het werk is afgedaan
En de taak volbragt,
Mag er wel een liedje op staan;
’t Klinkt zoo mooi bij nacht!
Open gaat er menig raam,
Al de buurtjes scholen zaam;
Zingt nu rein en zacht!
Zingt vooreerst maar, hoe een kindLeerzaam wordt en zoet!Dan een liedje, welbemind,Van “Wien Neêrlandsch bloed!”Dan hoe men zijne ouders eer’,En hoe onze lieve HeerMagtig is en goed!
Zingt vooreerst maar, hoe een kind
Leerzaam wordt en zoet!
Dan een liedje, welbemind,
Van “Wien Neêrlandsch bloed!”
Dan hoe men zijne ouders eer’,
En hoe onze lieve Heer
Magtig is en goed!
Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:Komt nu allen hier!Zingt eens lustig met elkaâr.Zingt wat voor plêzier!Spoedig roept de wacht: naar bed!Daarom zingt nu voor de pret,Komt maar haastig hier!
Kindren! kijk! de maan schijnt klaar:
Komt nu allen hier!
Zingt eens lustig met elkaâr.
Zingt wat voor plêzier!
Spoedig roept de wacht: naar bed!
Daarom zingt nu voor de pret,
Komt maar haastig hier!
Des avonds laat.Des avonds laat, des avonds laat,Dan komt mijn Vader, loof en moê,En dikwijls straat en grachten ver,Van ’t werk af naar ons huisje toe;Dan sta ik voor ons kleine raamTe hunkren of ik hem bespeur’,En als hij dan den hoek omslaat,Dan loop ik haastig naar de deur.Des avonds laat, des avonds laat,Als Moeder koffij heeft gezet,Schuif ik mijn Vaders leuningstoelIn ’t hoekje tusschen haard en bed;Ik zet zijn sloffen op de plaatEn dan, voorzigtig opgepast,Krijg ik mijn Vaders lange pijpEn zijn’ tabakspot van de kast.Des avonds laat, des avonds laat,Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,Dan geeft hij mij een lekkren zoenEn vraagt: “Wel, heb je braaf geleerd?”Dan val ik Vader om zijn’ halsEn zeg: “Ik heb mijn best gedaan,Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,Om flink voor u naar werk te gaan!”
Des avonds laat, des avonds laat,Dan komt mijn Vader, loof en moê,En dikwijls straat en grachten ver,Van ’t werk af naar ons huisje toe;Dan sta ik voor ons kleine raamTe hunkren of ik hem bespeur’,En als hij dan den hoek omslaat,Dan loop ik haastig naar de deur.
Des avonds laat, des avonds laat,
Dan komt mijn Vader, loof en moê,
En dikwijls straat en grachten ver,
Van ’t werk af naar ons huisje toe;
Dan sta ik voor ons kleine raam
Te hunkren of ik hem bespeur’,
En als hij dan den hoek omslaat,
Dan loop ik haastig naar de deur.
Des avonds laat, des avonds laat,Als Moeder koffij heeft gezet,Schuif ik mijn Vaders leuningstoelIn ’t hoekje tusschen haard en bed;Ik zet zijn sloffen op de plaatEn dan, voorzigtig opgepast,Krijg ik mijn Vaders lange pijpEn zijn’ tabakspot van de kast.
Des avonds laat, des avonds laat,
Als Moeder koffij heeft gezet,
Schuif ik mijn Vaders leuningstoel
In ’t hoekje tusschen haard en bed;
Ik zet zijn sloffen op de plaat
En dan, voorzigtig opgepast,
Krijg ik mijn Vaders lange pijp
En zijn’ tabakspot van de kast.
Des avonds laat, des avonds laat,Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,Dan geeft hij mij een lekkren zoenEn vraagt: “Wel, heb je braaf geleerd?”Dan val ik Vader om zijn’ halsEn zeg: “Ik heb mijn best gedaan,Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,Om flink voor u naar werk te gaan!”
Des avonds laat, des avonds laat,
Als zoo mijn Vader huiswaarts keert,
Dan geeft hij mij een lekkren zoen
En vraagt: “Wel, heb je braaf geleerd?”
Dan val ik Vader om zijn’ hals
En zeg: “Ik heb mijn best gedaan,
Omdat ik gaauw zoo knap woû zijn,
Om flink voor u naar werk te gaan!”
Sterretjes.Sterretjes! zie ik u blinken en staan,Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,Waar komt ge ’s avonds toch wel van daan,Waar gaat ge ’s morgens weêr henen,—Vindt ge den weg zoo alleenen?Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,Wie u laat schijnen in duistren nacht;Menschen die kunnen ’t niet wezen,Zijt ge zoo groot als wij lezen!o Dat moet God zijn, die groot is en goed,Die uit zijn’ Hemel de kinderkens hoedt,Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;Leer ons Hem danken en prijzen,Of ge moogt dalen of rijzen.
Sterretjes! zie ik u blinken en staan,Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,Waar komt ge ’s avonds toch wel van daan,Waar gaat ge ’s morgens weêr henen,—Vindt ge den weg zoo alleenen?
Sterretjes! zie ik u blinken en staan,
Is het mij vaak door mijn hoofdje gegaan,
Waar komt ge ’s avonds toch wel van daan,
Waar gaat ge ’s morgens weêr henen,—
Vindt ge den weg zoo alleenen?
Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,Wie u laat schijnen in duistren nacht;Menschen die kunnen ’t niet wezen,Zijt ge zoo groot als wij lezen!
Sterretjes! als ge zoo vriendelijk lacht,
Heb ik er menigmaal wel aan gedacht,
Wie u laat schijnen in duistren nacht;
Menschen die kunnen ’t niet wezen,
Zijt ge zoo groot als wij lezen!
o Dat moet God zijn, die groot is en goed,Die uit zijn’ Hemel de kinderkens hoedt,Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;Leer ons Hem danken en prijzen,Of ge moogt dalen of rijzen.
o Dat moet God zijn, die groot is en goed,
Die uit zijn’ Hemel de kinderkens hoedt,
Als zij Hem vreezen met vroom gemoed;
Leer ons Hem danken en prijzen,
Of ge moogt dalen of rijzen.
Ter ruste.Eer wij ’t hoofd ter ruste buigen,Waar ons leger is gespreid,Willen we onze dankbaarheidAan den goeden God betuigenVoor den zegen ons bereid:Wil, o Vader! ons vergevenWat, in onbedachtzaamheid,Door uw kindren is misdreven:—Laat ons droomen heel den nachtVan Uw liefde, van Uw magt!
Eer wij ’t hoofd ter ruste buigen,Waar ons leger is gespreid,Willen we onze dankbaarheidAan den goeden God betuigenVoor den zegen ons bereid:Wil, o Vader! ons vergevenWat, in onbedachtzaamheid,Door uw kindren is misdreven:—Laat ons droomen heel den nachtVan Uw liefde, van Uw magt!
Eer wij ’t hoofd ter ruste buigen,
Waar ons leger is gespreid,
Willen we onze dankbaarheid
Aan den goeden God betuigen
Voor den zegen ons bereid:
Wil, o Vader! ons vergeven
Wat, in onbedachtzaamheid,
Door uw kindren is misdreven:—
Laat ons droomen heel den nacht
Van Uw liefde, van Uw magt!