III.Bij ’t ontwaken.Zonneschijntje, morgenlicht,Als ge tintelt op de ramenEn weêr blinkt in ons gezigt,Vouwen wij de handen zamenEn wij danken, met ontzag,Voor dien nieuwen, schoonen dag.Zie! wij leggen ’s avonds ’t hoofdAltijd maar zoo rustig neder,Alsof iedereen gelooft:Morgen komt het zonlicht weder!—Niemand onzer denkt er aan,Dat ge ook eens niet op kondt staan.Niemand mooglijk heeft gedacht,Dat, zoo gij al weêr mogt komen,Ons misschien geen morgen wachtNa ons slapen, uit ons droomen....Daarom, schoone morgengloed,Wees met blijden dank gegroet.Vroeg op.Vroeg op, vroeg op, in alle ding,Dat maakt een’ domme tot een’ wijze,Dat maakt aanzienlijk van gering,Dat maakt een’ jongling van een’ grijze,Een’ grijsaard van een’ jongeling.Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,Vroeg op, gij maagden en gij knapen!Dan kunt gij, als ge moede zijt,Met een geruste ziel gaan slapen,Hetzij voor eens of voor altijd.Morgenlied.Komt de dag en wijkt de nacht,Waak dan op tot frissche kracht,Klaar van oogen en verstand,Blank van hart en rein van hand.Roep, met vromen kinderzin,Dan des Vaders zegen in;Hij, die van zijn’ HemeltroonD’arbeid krachten geeft en loon.En bedenk, als—zwaar of ligt,Gij uw taak en werk verrigt:Dat geen Eeuwigheid hergeeft’t Uur, hier ongebruikt doorleefd.Leeuwrik.Wat zijt gij vroeg al in de weêr,Wat vliegt gij juichend af en aan!Hoe vroeg of ik ook op moog’ staan,Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!Wat jaagt zoo gaauw u ’t leger uit,En wat beduidt uw blij geluid?—Wel, kind! als in de heldre luchtHet ochtendlicht zijn stralen giet,Dan houdt mijn bed mij langer nietEn ’k stijg omhoog met snelle vlugt;En, zwevend naar des hemels boog,Rijst ook mijn lied tot God omhoog.Geloof me, ik weet het, lieve kind!Hem gaat het daaglijks zeker goed,Die ’t eerst het morgenlicht begroetEn met Gods lof den dag begint...Al blijft dat lied ook laag bij de aard’,Gods Englen dragen ’t Hemelwaart.—Handjes wasschen.Wie zijn handjes schoon wil wasschen,Moet ze wasschen met elkaâr;’t Baat je niet, probeer het maar,Om met een voor een te plassen:Als ge niet ze zamen wrijft,Wed ik, dat er vuil aan blijft.Wascht ge dan zoo de een door de ander’,Leer er uit: dat, vroeg of laat,’t In de wereld ook zoo gaat:Helpen moeten wij elkander!—Wie maar werken wil voor loon,Krijgt zijn handen nimmer schoon.Zamen.Roggebrood en wittebroodDat ’hoort op elkander!Eet ge ’t een vóór ’t ander,Och! gij brengt u zelv’ in nood!Roggebrood moet óók gegeten;Is er ’t wittebrood doorheen,Dan, gij dient het maar te weten,Eet ge ’t roggebrood alléén.Rust en werk—en werk en rust’Hooren bij elkander!Doet gij ’t een vóór ’t ander,Och! gij maakt u last van lust!Ieders taak moet afgeweven:Wie te gaauw te rusten tracht,Loopt gevaar zijn heele leven,Dat hem nooit weêr rust verwacht.Dauw.Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!’t Is of ze huilden van den nacht!Zie eens! daar ligt een heele vrachtVan druppeltjes op ieder blad:Zeg, moeder!—wàt ze schelen zou?Kan het ook wezen van de koû?—Ja, liefje! zeker weet ik ’t niet,Wat of de bloempjes deren kan;Maar, moet ik ’t zeggen, kleine man,’t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;Die druppels doen de bloempjes goed...’t Is dauw, die ’t plantje laaft en voedt.Zoo zal ’t u nog wel dikwijls gaan!Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,Wat heil op ons wordt uitgestortIn menig’, schijnbaar droeven, traanEn hoediedauw, in ons gemoed,De Hemelbloemen groeijen doet.Hebt gij ’t gehoord?Zeg, kindren! hebt gij ’t al gehoord?De Lente is weêr verschenen!Zij joeg den boozen Winter voort,En grommend trok hij henen.Nu strooit ze bloempjes hier en daarEn leert de vogels kwelen,En roept de kinders bij elkaârOm lustig weêr te spelen.Kijk! hoe de beestjes ginds en hierNu zingen en nu springen;—Me dunkt, we moesten voor plêzierNu ook een liedje zingen:—o Lieve Lente! wees gegroetEn leer ons, als we u prijzenVoor ’t goede, dat men aan ons doet,Den Schepper dank bewijzen!Al te vroeg.De zon scheen koestrend op het kruid,De Lente was gekomen,En alle knopjes liepen uit,Als waar’ er niets te schromen;Ze dachten, dat de WintervorstBij zonneschijn niet keeren dorst.Maar toen de zon ter ruste lag,Toen kwam, met sneeuw beladen,De Winter eensklaps voor den dag,En knakte steng en bladen;En al de bloempjes wit en roodDie waren ’s morgens ziek of dood.Het leed woont meestal naast de vreugd,De koû naast lentedagen;En wie het spoedigst zich verheugt,Moet vaak het langste klagen;Vertrouw dus, als ik bidden mag,Vertrouw geen’ eersten lentedag.Een prijs.De lieve Mei staat voor de deur,Wij roepen al: kom binnen!Zij geeft ons bloempjes zacht van kleurEn zoet van geur,En opgeruimde zinnen;Want wie van ’t jaar zijn best hier deê,Dien brengt ze alligt een prijsje meê,—Kom binnen!Dat ware ook wel een stoute gast,Die roepen dorst: blijf buiten!’k Wed, hij had wis niet opgepast,En dacht wel vast:’k Moet naar mijn’ prijs toch fluiten!Doch was er onder ons zoo’n guit.....De Mei er in, en hij er uit:Blijf buiten!Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;Hoor, ieder roept: kom binnen!En, prijs òf niet, wij toonen maar,Wat wij van ’t jaarAan knapheid mogten winnen:Kom, lieve Mei! en hoor het lied,Dat dankbaar uit ons harte vliet:Kom binnen!Vergeet-mij-nietje.Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!Hoe komt het toch, als aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, niet vragen durf en wenschen:“Vergeet mij niet!”Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...Maar ’k bidje, zoo ik ’t u vertel,Vergeet het snel...Ik zou op véle, véle dagenMet angst en schaamte moeten vragen:“Vergeet mij wel!”Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!’k Beloof ’t u—als weêr aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, durf vragen en durf wenschen:“Vergeet mij niet!”Vlasbloemetje.“Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,Blaauw bloemetje van ’t groene vlas!De zon rees pas ter middaghoogte;Van morgen stondt ge in volle praal,En nu reeds zijt ge dor en vaalEn zaâmgeschrompeld van de droogte;Kijk! onbewimpeld zeg ik ’t maar,Als Ik zoo’n aardig bloempje waar’,Dan bloeide ik vast het heele jaar!”—Ja! dat is allerliefst bedacht,Als men maar leeft voor pret en pracht,En niet tot werken en tot winnen;De mooije bloempjes, die ge ziet,Die zijn bij mij ’t voornaamste niet....Ik maak de draadjes voor uw linnenEn oliezaden tot gerijf....En als ik nu maar bloeijen blijf,Dan krijg je ligt geen hemd aan ’t lijf.Wanneer de winter komt in ’t land,Dan zult gij menig ijdle plantVertreden op den mesthoop vinden;Maar ik, al ben ik tweemaal dood,Dan leef ik nog voor klein en groot,Want linnen wordt papier, mêvrinden!Daarop leest ieder dan de leer:“Och bloei wat minder, werk wat meer...Van nut zijn, is de kostlijkste eer!”—Maandrozen.Dat is groeijen uit den treuren,Dat is bloeijen, altijd klaar!Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,Of er nooit een einde aan waar’.Staat het windeken in ’t zuiĵen,Maandroos bloeit in volle pracht;Plundren haar de hagelbuijen....Eer ze er iets van laat verluiĵen,Bloeit ze weêr in volle kracht.Altijd bloemen, altijd geuren,Altijd knoppen, altijd meer....Maandroos! mogt het ons gebeuren,Onder juichen, onder treuren,Zóó te bloeijen, God ter eer!Een woud-bloempje.Eenzaam bloempjen in het bosch,Diep verscholen onder ’t mos,Niemand slaat uw bloeijen gade;Maar gij bloeit toch evenzeerGod ter eer,En gij dankt voor zijn genadeHem, der Schepping wijzen Heer!Als een bij, in ’t woud verdwaald,Op uw knopjes nederdaalt,Sluit ge uw kelkjes wijder open;En gij denkt in uw gemoed,Hoe uw zoet’t Moêgevlogen, moêgekropenDiertje nu verkwikken moet!o Dan juicht gij, dat Gods handU zoo eenzaam heeft geplant,Om uw laafnis dáár te geven,Waar de bij op ’t doornig pad,Moede en mat,Zeker van gebrek zou sneven,Als zij geen verkwikking had.—Vrome! die, in nedrigheid,Heil op ’t eenzaam pad verspreidt,In uw lot en stand tevreden...Ruil ze niet voor ijdlen schijn,Bloemelijn!—Zalig hij, die, hierbeneden,’t Eenzaam bloempje in ’t woud mag zijn!Gebroken.Dat ruikertje staat mooi genoeg,’t Staat allerliefst.... o maagdelijn!Maar weet ge wel, dat morgen vroegDe geur en kleur verwelkt zal zijn?Och! dat gij niet méér meêlij hadtMet zooveel kostlijk bloesemblad!Zoo ’t bloempje op stam gebleven was,Het waar’ misschien tot vrucht gegroeid,En zelfs met water in een glasHad het nog dagen lang gebloeid;Maar nu—een uur of wat—hoe kort!En ’t arme bloempjen is verdord.Zoo is ’t ook met des levens vreugd!....Wie al te veel op eens begeert,Die ziet al spoedig, lieve jeugd!Hoe gaauw ’t verflenst is en verteerd!Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...Zoo breek de bloem niet van den boom.Korenbloemen.Blaauwe bloemetjes in ’t koren!Aardig staat gij tusschen ’t graan;Maar een plekje gaat verloren,Waar een rijke halm kon staan.Lieflijk sieraad moogt ge wezen;Maar, zoo ge al te welig groeit,Zou ik (en met reden) vreezen,Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.Als de landman in de vorenKostbre korrels heeft gezaaid,En, in plaats van voedzaam koren,Niet dan blaauwe bloempjes maait,Zal hij ’t land onvruchtbaar noemen,Dat zoo schralen oogst hem gaf—En hij snijdt met regt uw bloemenAls verdervend onkruid af.Daarom, bloemetjes in ’t koren,Weest een siersel, niet een last!’t Best van d’akker gaat verloren,Waar gij al te welig wast.Wilt ook ons de leering geven:“Nut moet vóór genoegen gaan,En ’t vermaak in ieders levenZij eene enkle bloem in ’t graan!”Korenären.Korentje, dat er zoo weelderig wast!Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?’k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,Schoon er hun lengte niet half bij u past;Toch staat ge lekker in ’t kleijige land,En ’t is daar ginder meest allemaal zand.’k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,D’akker en ’t oogsten en dorschen onwaard’;Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,Mooglijk uw halmen in ’t vuur gooit bij ’t kaf.’t Vette der aarde, dat was u gegund,Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;Niet, om te worden tot nutteloos stroo,Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.Korentje, dat er zoo weelderig wast!Mogten toch velen uit dorpen en stedenMet me dat paadje langs je akker betreden,Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:Ik voor het minste, dat staat bij me vast,Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.De kromme boom.Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!’t Is haast, alsof gij om wilt zakken;En hoe verward zijn al uw takken,Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;’t Is waar (ik zeg het zonder schroom)Ik vind je leelijk, kromme boom!—Ja, kind! het is zoo als gij zegt,Ik moet mij zelv’ óók leelijk vinden:Had ik mij vroeger laten binden,Dan was ik nu niet krom, maar regt;’k Was dan misschien een pronk van ’t woud...Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.Nog gistren (’k hoorde ’t met verdriet)Zeî tuinman: “Waart ge jong gebogen,Dan stondt gij als een lust der oogen;Nu zijt ge brandhout, anders niet!”Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....Zorg, dat geen mensch ’t ook U eens vind’.—De wijnrank.Gij, arme wijnrank! lig je daarZoo vuil te slingren langs den grond?Wat zijn uw druifjes klein en naar,Onrijp, en zeker ongezond!Kom, als ik je aan de schutting bond,Dan raakte je misschien weêr klaar.—Neen! ’k vrees, mijn kind! ’t is nu te laat....Wanneer dat iemand had gedaan,Toen ’k jong en sterk was—en in staatOm frisch mijn ranken uit te slaan,Dan zou ik nu vol vruchten staan,Zoo zoet en geurig als muskaat.Och! ’t gaat me als menig’ armen man,Die niet in tijds geholpen wordt:Die hulp komt later soms—maar danSchiet moed en lust en kracht te kort....Steun dus de wijnrank eer zij dort,En d’Arme, wen ’t nog baten kan.—Bloemen en vogels.De kleine bloempjes op de heide,De kleine vogels in het nest,Zij hebben ’t óók niet altoos best,Maar worden dan toch groot op ’t lest...De Heer des Hemels zorgt voor beide;En dikwijls waakt een vrome handVoor vogelijn en heideplant.Dàn kunnen ze onbekommerd groeijenEn krachten putten uit den nood:Des vogels lied juicht: “God is groot”!...De plant geeft bloesems, wit en rood,En zoete geuren onder ’t bloeijen;En beide danken God den Heer,En wie hen kweekte, Hem ter eer.Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!Gij wilde vogels, plantjes teêr!Ook u beschermt des Hemels Heer;Zijn Geest daalt in de harten neêr,Opdat ze u hulp en schuts verleenen.o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,Gij wilde vogels—plantjes teêr!Haantje.Haantje, haantje, koekeloer!Wat een stappen,Wat een grappenMaak je, voor een handje voêr!’k Denk, als Ik zoo’n spuls moest maken,Eer ik wat te bikken had,Eer ik aan den kost kon raken....Dat ik liever nooit weêr at.—Dwaze knaap, onnoozle bloed!Al dat pratenZoudt ge laten,Waren je ouders niet zoo goed;’k Zal, als te avond of te morgenOok Uw disch niet is gedekt,En ge eens voor u zelv’ moet zorgen,Zien, wat voor gezigt gij trekt.Als gij de ouders eens verliest,Die u gevenOm te leven,Zal het blijken wat gij kiest;’k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!Zoo ge ondankbaar blijft en traag,Nog wel àndre kromme sprongenVoor het vullen van uw maag.—De mieren.Wilt gij in uw jonge jarenWijsheid gâren,Komt dan, kinders, komt dan hier!Ziet die rappe, kleine mierSlaven, draven, gâren, sparen,Of ze ’t deed voor haar plêzier....Jongens! wat een aardig dier!Zoo te werken, zoo te zwoegen,Is genoegenOm te zien en om te doen:Voorraad, in het goed saizoen,Voor den winter zaâm te voegen,Als er vruchten zijn noch groen....Kinders! ’k raad je ’t ook te doen.Luije meisjes, luije knapen!Gapen, slapen.....Doet gij ’t in uw’ jonger’ tijd,’k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.—Leert ge dus geen voorraad rapen,’k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)Dommer dan de mieren zijt.Zoet en bitter.De bij gaart uit den zoeten knopEn uit het bittre kruidDe reinste en beste sappen opEn puurt er zuivren honig uit:’k Hoop niet, dat iemand dommer zij,Mijn kind! dan zulk een kleine bij!De goede God gaf u verstand,En kloekheid van gemoed,Een scherpziend oog, een rappe hand,Een fijn gehoor, een’ vluggen voet....En wat de bij, onwetend, kan,Daar weet Gij doel en oorzaak van.Dus—ziet gij ’t aardig diertjen aan,En hoe ’t zijn taak verrigt,Zorg dan om niet beschaamd te staan,Maar doe, met dubblen lust, Uw’ pligt;En vindt ge zoet of bitter kruid,Och, puur er steeds den honig uit!Het doode mugje.Dood is het mugje!.... met uw handHebt gij ’t, o knaapje! doodgeslagen;Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!Hoe of ’t u zelven zou behagen,Wanneer nu eens een olifantU ’t zelfde deed, met snuit of tand?Ja, zie! nu doet het u verdriet;Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-evenDat arme beest niet leven liet.Voor ditmaal zij het u vergeven!—Maar doe dan ook een’ ander’ nietWat gij niet wilt, dat u geschied’.Glimworm.Gij mooije glimworm, die in ’t woudDes nachts zoo helder blinkt door ’t hout,Alsof het sappig groen der bladenMet diamanten is beladen,Och! zeg me eens (zoo ik ’t weten mag)Waarom glim je ook niet over dag?Als Ik zoo prachtig licht kon geven,Dan deed ik ’t vast mijn heele leven,En niet alleen, dat waar’ gewis,Als ’t donker is.—Wel, kind! ik zeg ’t je met plêzier;En, ben ik maar een simpel dier,Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...Wanneer de warme zonnestralenEen stroom van licht, een stroom van goudDoen vloeijen over veld en woud,Zou ’k vreezen heel verwaand te ’lijkenAls ik mijn’ zwakken glans liet kijken;En deed ik ’t al... ’k wed, dat bij dagToch niemand ’t zag.Och! denk om mij, mijn lieve kind!Als gij bij andren u bevindt,Die, als een zon, met warme stralenVan liefheid, deugd of kennis pralen;Hoû dan bescheiden ’t mondje toeEn wacht, gelijk ik zelf het doe,Tot gij, wanneer die andren zwijgen,In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,Geef dan uw licht.—Zwaantje.Zwaantje, met uw witte pluimen,Met uw vlerken groot en wijd!’k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,Als ge ’t water zoo doet schuimen!Al de vogels klein en teêrJaagt gij weg van beek en vlieten,En de schuchtre vischjes schietenHaastig in de diepte neêr.Mooi, dat zijt ge boven velen,Slank en statig buiten kijf;Kostbaar dons bedekt uw lijf;Maar, wat kan dat andren schelen?Zie dien kleinen nachtegaal,Graauw en pover in de veêren,—Maar wat kan hij kwinkeleren....Zwaanlief! hè! dat ’s meer dan praal?Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,’k Wed, dat gij, door heel de streek,Als het siersel van de beekWordt bewonderd en geprezen:Maar blijft gij zoo trotsch en fier,’k Zeg dan, als ik u hoor gagglenEn op ganzenpoot zie wagglen....Och, ’t is toch een ak’lig dier!Ooijevaar.Ooijevaar, lepelaar!’k Zit zoo graag naar u te kijken,Als gij (dragend dat ge zweet)Door de heldre lucht komt strijken—En van rust noch poozen weet,Voor’ uw nest, geheel gereed,Hoog in d’eikenboom mag prijken.Ooijevaar, lepelaar!Als ge dan nog vele wekenZoo geduldig de eijers broedt,En—als ’t jong er uit komt breken,’t Met zoo trouwe liefde voedt,Zie, dan vind ik u zóó goed,Dat ik ’t haast niet uit kan spreken!—Lieve vrind, aardig kind!’k Dank u voor uw vriendlijkheden!Maar, hebt gij weleens bedacht,Wat Uw Ouders voor U dedenSinds men u ter wereld bragt,En hoe ze altijd, dag en nacht,Nòg hun moeite aan u besteden?Lieve vrind, aardig kind!Breng het telkens u te binnen:Ik zorg weinig maanden maar,Zie!.... doch de ouders, die u minnen,Zorgen reeds zoo ménig jaar....Dàt is liefde en trouw, voorwaar!Die ’t van mijne ver nog winnen!—Een middagslaapje.Wie rusten wil in ’t groene woud,Wie rusten wil met lusten,Hij kieze een plekje, digt in ’t houtEn vlijê zich tot rusten;Een peluwtje van mollig mos,Een kussentje van varenEn een gordijn van blâren.....Geeft zoeten middagslaap in ’t bosch.De hemel van het ledekantBlinkt prachtig-blaauw door ’t loover,De heesters slingren om den rand,De bloesem hangt er over;Het koeltje fluistert met de vliet,De dartle vlinders spelen,De nachtegalen kwelen....Is ’t niet eenlieflijkwiegelied?En ’t best is: dat het groene woudMet koelte en rust u lavend,Van u geen zilver vraagt of goud,Al slaapt gij tot den avend;’t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...De slaapsteê is voor allen!En is ze u goed bevallen,Dan krijgt gij ’t avondgoud nog toe!Doen en laten.Wat ge doet of niet en doet,Flinke jongens, knappe meiden!Laat Voorzigtigheid den SpoedZachtjes bij de hand geleiden;Maar denkt altijd, dat gij ’t KwaadHaast wel nooit te langzaam laat.Wat ge laat of niet en laat,Knappe deerens, flinke knapen!Haastig geef Voorzigtig raad,Niet, bij ondeugd, in te slapen;Och! denkt altijd, dat gij ’t GoedHaast wel nooit te langzaam doet.Wat ge laat of wat ge doet,Flinke jongens, knappe meiden!Zij niet sneller dan het moet:Doch, wil iemand u verleidenTot iets boos—zegt dàn, met spoed:“’k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!”Zwemmen.Wilt ge koeling voor den gloedVan de felle Zomerzon?In het vocht van de bron,In den stroom, in den vloed...Knapen!—in de frissche wellenVoelt ge uw kracht zich weêr herstellen,Als het natU omspat!Duik omlaag en spring omhoog,Klief den stroom met forsche spier,Wend en keer, zwenk en zwier....Als een pijl van den boogKnapen! moogt ge voorwaarts schieten;’t Zal u kracht in de aders gieten,Als het natU omspat.Blijv’ de bloodaard aan het strand,Blijv’ de lafaard op den dijk,Waterland, Waterland,Gij zijt ons Koninkrijk!Uit het diepste van de stroomenIs Oud-Neêrlands kracht gekomen;Haal dien schatWeêr uit ’t nat!Regtop.Regtop van lijf, regtop van ziel,Dat is een stand naar mijn behagen.’t Zij, dat ge een’ staatsierok moogt dragen,’t Zij, dat ge een’ buis draagt of een kiel...Regtop van lijf, regtop van ziel!En buig’ men ooit zijn hoofd of knie,’t Zij dan alleen voor God, den Heere!Voor elk, wien men als braver eere,Voor ieder, dien men wijzer zie....Voordieslechts buig’ men hoofd of knie.Maar anders—regt van lijf en ziel,In vreugd of leed, door heel ons leven!Niet links, niet regts, maar ’t hoofd geheven,Wat of er buig’, wat of er kniel’....Dat ’s Nederlandsch, naar lijf en ziel!De langste dag.Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men mij om raad woû vragen,Maakte ik honderd langste dagen.—Wie het eerst ten bedde uit was,Maakt den langsten dag;Wie het knapst en vlijtig was,Maakt den langsten dag;Wie de liefste en braafste was,Maakt den langsten dag.Dat kan je immers alle dagen,Driemaal honderd zestig keer,Ja, al was het vijfmaal meer,Zonder d’Almanak te vragen:Deedt gij ’t flink en met verstand,Ware ’t ook maar honderd malen,Laat ons dan in koor herhalen,Vrolijk dansend hand aan hand:Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men ons om raad wil vragen.Zijn er honderd langste dagen!Medicijn.Weet ge ’t?—bitter in den mondIs voor ’t kranke hart gezond!Ril niet voor dat leelijk drankje;Slik het kloek en handig door,Laat geen’ druppel gaan te loor;’k Wed, ten laatste zeg je: dank je!Weet ge ’t?—bitter voor ’t gemoedIs der kranke ziele goed!Moog’ ook ’t slikken moeilijk wezen,Als ge beter weêr zult zijn,Dankt gij voor die medicijn,Die zoo goed u heeft genezen!Voorzigtig.Kindren, brandt je bekje niet!Beter is ’t wat hard geblazen,Kleine bazen!En een beetje meer geduld,Dan te krijgen door uw schuldHier een blaar en daar een’ bult.Kindren, brandt je handjes niet!Beter is ’t niets aan te raken,Kleine snaken!Dan te merken naderhand,Tot uw schaê en tot uw schand’,Dat ge uw pootjes hebt gebrand.Kindren, brandt je hartjes niet!Dat zou ’k nog het ergste vinden,Kleine vrinden!Dat geeft vlekken, bruin en zwart,Dat geeft plekken, ruw en hard,Dat geeft eeuw’ge rouw en smart.Smakelijk eten.Wie ’t lekkerst eet en altijd graag.....Dàt weet ik en ter dege:—Die daaglijks van zijn volle maagIets afhoudt voor een leêge!Het beste middel tot aptijt,Dat ’k ooit nog heb geweten,Dat is: een’ man, die honger lijdt,Eens smaaklijk te zien eten!Of gij dus weinig hebt of veel....Mogt gij regt smullen willen,Laat dan het halfjen of een deelDer armren honger stillen.Matig.Al te veel is ongezond!Lieverts, zult gij ’t niet vergeten?Watertandt uw kleine mondBij een’ schotel lekker eten,Hangt de tak tot aan den grond,Moogt ge plukken naar behagen....Denkt er om, gij, grage magen!Al te veel is ongezond.Nu zal Moeders vriendlijk oogU nog wel met zorg bewaken(Welk een trek uw hart bewoog)Dat gij ’t niet te bont zult maken;Maar, wanneer gij grooter zijt,En niet jong hebt willen leerenMaat te houden in ’t begeeren,Raakt ge lust en welvaart kwijt.Al te veel is ongezond!Zie, dat geldt voor alle zaken,Die eens op dit wereldrondU begeerig zullen maken:Waakt dan over oog en mond,Waakt dan over hart en zinnen,En brengt telkens u te binnen:Al te veel is ongezond!Van een aapje.Ik ken een aapje, loos en vlug,Een baasjen onder de apen;Een rokjen dekt zijn’ slanken rug,Een hoedje dekt zijn slapen;Wanneer hij voor zijn hokje staat,Denkt gij een’ Heer te groeten,Maar als hij aan het klimmen gaat,Ziet gij zijn bloote voeten:—En wat ge dan nog verder ziet, Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.Gij, aardige aapjes, klein en groot!Die hoedjes draagt en rokken,Och! denkt’reis aan uw beentjes blootEn blijft wat bij uw hokken:—Wie hooger zijn wil dan zijn staat,Of meer dan zijns gelijken,(Gij kunt er vast op gaan) die laatZijn bloote beenen kijken:En wat ge dan nog verder ziet,Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.Duinlied.Lustig gesprongen door ’t mullige duin,Lustig gezongen op helling en kruin;Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:’t Bruisen der zee en het ruischen der beek.Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hartDaar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,Waar al de schat van uw’ weligen tuinGrenst aan de dorheid van ’t stuivende duin.Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;Wat u belaag’ op den vloed of op ’t land,Zwichte, als de golven voor ’t schuttende zand!Vaderlandsch lied.Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koorDen grond, die uw wieg heeft gedragen;Uw lied klink’ de beemden van ’t Vaderland door,Dat de oogen op u houdt geslagen:Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,Was ’t eenmaal het sieraad der aarde;Die glorie verbleekte; maar ’t wacht van Uw jeugd,Dat gij het herstelt in zijn waarde:Dan—als gij het eert en verheerlijkt als nu,Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.Kloek en blank.Kloek van ligchaam, kloek van geest,Zijn de Nederlandsche knapenSteeds geweest!Op dan, Jongen, niet geslapen!Oefen oog en oor en hand,Rek uw pezen, staal uw spieren,Streef naar kennis en verstand!—Goede zeden, goê manieren,Scherpe zinnen, sterke spieren,Zijn de steunsels van een Land!Blank van ligchaam, blank van ziel,Was het, wat in Neêrlands maagdenSteeds geviel!Meisje!—wie er Gistren klaagden:“t Was slechts zóó in Ouden tijd!”Doe hun ’t Heden anders blijken!Laat die nijders, tot hun spijt,Hoe ze turen, hoe ze kijken,Schaamrood vonnis moeten strijken:Dat ge zonder smetjes zijt!Och! bedenk het, jong geslacht!In Uw harten, in Uw handen,Ligt de kracht,Ligt het heil der Nederlanden!Houd dan beiden kloek en blank...’t Land, waarin gij zijt geboren,Geeft ge nimmer beter dank,Voor het goede aan u beschoren,Dan, dat we als uw lofspraak hooren:Kloek is ’t ligchaam,—’t hart is blank!Volhouden.Stapje voor stapje, dat vordert toch:Denk het in ’t goede, denk het in ’t kwade,Denk het bij voordeel, denk het bij schade:Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,Wat ik moog’ praten en raden en bidden.Drupje voor drupje, waar ’t vallen kan,Maakt wel een kuiltjen in ’t hart van de steenen;Gudst er het nat in een’ stroom overhenen,Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.Een vijand.Jongens! als een Vijand kwamOm ons Neêrland te overheeren,Iedre jongen, wed ik, nam(Vond hij sabels noch geweren)Tang of asschop in de handTot behoud van ’t Vaderland.Durven Meisjes ook niet veel....’k Denk dat zij (in zulke tijden)Toch nog met een bezemsteelVoor ons Neêrland zouden strijden;Ja zelfs met een ragebolJoegen zij ’t gespuis op hol.Zeg eens, kindren!—zoudt ge niet?Nu.... dan zal ik ’t U maar zeggenDat mijn oog een Vijand ziet....Die (met listig overleggen)Reeds ons arme VaderlandLang, ter sluips, heeft aangerand.Wilt gij weten, wie hij is?....’t Kwaad, dat insloop in uw zielen!Dat, als ’t overwint, gewisEens ons Neêrland zal vernielen!Op dan—helpt het Land uit nood,Kindren! slaat den Vijand dood!Treuzeltje.Treuzelaartje! treuzelaartje!Altoos, altoos tijds genoeg....Schaam je wat—als iemand vroeg:Heb je een aardje naar je vaârtje?Was je moederlief zoo traag?....Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?—Maar, voor ’t antwoord (had ik ’t graag)Dien ik zelf nog wel te zorgen,Want ook dáárin zijt ge traag!.....’t Luidt:—“Kom ik er niet van daag,Och! dan kom ik er toch morgen!”Neen, mijn liefje!... met geteuterKomt ge er ook op morgen niet!—’t Geeft u eens nog zielsverdrietDat gepeuter en geleuter!Als ge nadert aan den dag,Die nog nooit een morgen zag,Zal, in vruchteloos geklag,De verloren tijd u rouwen....Liefje! nu ’t nog wezen mag,Och! gebruik nu uur en dag,Steek de handen uit de mouwen!Treuzelaartje, treuzelaartje!Anders zijt ge lief en goed;Maar, ik bid je, maak wat spoed:Of dat snaartje heeft een staartje!’t Klinkt nu nog als jokkernij;Maar, arm kind! voor u en mijKwam er vreeslijke ernst wel bij,Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....’k Smeek dus: maak me haastig blij!En—moeter getreuzel bij....Treuzel enkel.... in ’t bedroeven!Kringetjes in ’t water.Kittelsteentje, rond en glad,Als gij plompt in ’t klare nat,En het waterMet geklaterPaarlend uit elkander spat,Zijt ge pas der hand ontgleden,Of ge wiggelt naar beneden.Doch, waar ’t vocht u heeft omvat,Komt een kringetjen op ’t nat;Verder vloeit het,Lang nog groeit het,Eer het uit elkander spat:’t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen’t Plekje, waar gij zijt gevallen.Elk onthoû het steeds—het gaatEven zoo met goed en kwaad:Uren, Dagen,Jaren, dragenNog het teeken van uw daad.Och, onthoû het toch, mêvrinden,’t Plekje is lang nog weêr te vinden!Beurtzang.In het groene looverZit een vogelijn,Onder ’t groene looverZit een maagdelijn;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.In de kruidjes luistertAl het wollig vee,In de blaadjes fluistertIeder koeltje meê;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.’t Vogelkeeltje ontglippenLiedren God ter eer,En de maagdenlippenDanken God den Heer;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.In tijds.Is uw vlerkje stuk geslagen,Vogel, toen de stormwind kwam;Bleef uw wol, onnoozel Lam,Hangen aan de dorenhagen?Vogel, ’k bid je, schuil dan watAls de stormwind zich doet hooren—Schaapje, pas wat op den doren,En zoek u een ander pad!Wilde vogels, woeste knapen,’k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,Meisjes-lief, onnoosle schapen!—’k Bid dan, dat ge willig hoort,Dat ge intijds hoort naar vermanen;Zuchten spaart het u en tranen....Meisjes, Knapen, zegt het voort!Sneeuwliedje.Blanke vlokjes, fijn en zacht,Doe uw duizend-duizendtallenSpoedig vallen....De Aard’ heeft u al lang gewacht.Dek haar digt en warmpjes toe,Dat ze eens van haar last en lustenUit moog’ rusten....Och! ze was zoo bitter moê.Had ze niet het heele jaarOnder zorg voor bloem en vruchtenZitten zuchten—Of het nimmer rusttijd waar’?Eindlijk viel het arme schaapTusschen al ’t verdorde looverAchterover....En in diepen, vasten slaap.Ligt ze daar nu bloot en kaal,Als de Winter met zijn vlagenAan komt jagen—Dan bevriest zij heelemaal.Daarom, vlokjes, fijn en zacht,Dekt haar, tot ze moog’ ontwaken,Met uw laken,Dekt haar met uw warme vacht.Als het dan weêr Voorjaar is,Springt zij uit uw donsen veêrenIn de kleêren,Even flink en even frisch!De holle boom.Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,Dat gij de zwakste zijt van allen,Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?’k Zie om u heen een heele laanVan jonge, regte, gave boomen staan,—Gij, uitgehold aan alle zijden,Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!—Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;’k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,En ’k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;Ja, zelfs die holten in mijn’ stam,Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,Weet—dat ze, als in eensgrijsaardsarmen,Nog menigeen’ beschutten en verwarmen.Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,Waar, rustig, ’t jong gebroed kan tieren,Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwermDe diepe kloof met honig in komt zwieren;Hoe, aan mijn’ voet, het wegebladDe holte dekt, waar ’t haasje veilig zat,En, in mijn’ wortel, tusschen rozen,Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,Al neigt de dorre kruin ter aarde,Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....Dus, kind! zoo lang ik leven mag,Verheug ik mij in iedren schoonen dag;En (moet het!) ik zal willig vallen,Als ’k, dood en levend, nuttig ware aan allen.—Vroeg verwelkt.Een Roosje zag ik bloeijen,Geen schooner kan er zijn;Een Maagdlijn zag ik stoeijen,Het liefste maagdelijn!....Wat was er te avond over?Een lijk.... en dorrend loover!Ach! dat de schoonste bloemenZoo broos en teeder zijn!—Wilt dan zoo stout niet roemenGij Roos, gij Maagdelijn....Maar denk, hoe snel uw vervenVerkleuren en versterven!En—mogt ons bij uw sneven,O Roos, o Maagdelijn!De hoop in ’t harte leven,Dat gij wèl waard’ zult zijn,Verplant in ’s Hemels Hoven,Er eeuwig God te loven!Winternacht.Goede God! uw liefde en magtStraalt ook in den winternacht;Ook in sneeuw en hageljagtSpreekt tot ons uw liefde en magt.Gij bewaart der aarde kracht,Hult het woud in donsen vacht,Dekt met sneeuw, fluweelig zacht,’t Zaad, dat op de Lente wacht.Komt dan, na den winternacht,Lente weêr, in reine pracht,Och! hoe geurig-fleurig lachtDan die aarde in frissche kracht!Eens rijst ook voor Ons geslachtHemellicht uit Aardschen nacht:—o Dat steeds ons hart bedacht,Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht!
III.Bij ’t ontwaken.Zonneschijntje, morgenlicht,Als ge tintelt op de ramenEn weêr blinkt in ons gezigt,Vouwen wij de handen zamenEn wij danken, met ontzag,Voor dien nieuwen, schoonen dag.Zie! wij leggen ’s avonds ’t hoofdAltijd maar zoo rustig neder,Alsof iedereen gelooft:Morgen komt het zonlicht weder!—Niemand onzer denkt er aan,Dat ge ook eens niet op kondt staan.Niemand mooglijk heeft gedacht,Dat, zoo gij al weêr mogt komen,Ons misschien geen morgen wachtNa ons slapen, uit ons droomen....Daarom, schoone morgengloed,Wees met blijden dank gegroet.Vroeg op.Vroeg op, vroeg op, in alle ding,Dat maakt een’ domme tot een’ wijze,Dat maakt aanzienlijk van gering,Dat maakt een’ jongling van een’ grijze,Een’ grijsaard van een’ jongeling.Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,Vroeg op, gij maagden en gij knapen!Dan kunt gij, als ge moede zijt,Met een geruste ziel gaan slapen,Hetzij voor eens of voor altijd.Morgenlied.Komt de dag en wijkt de nacht,Waak dan op tot frissche kracht,Klaar van oogen en verstand,Blank van hart en rein van hand.Roep, met vromen kinderzin,Dan des Vaders zegen in;Hij, die van zijn’ HemeltroonD’arbeid krachten geeft en loon.En bedenk, als—zwaar of ligt,Gij uw taak en werk verrigt:Dat geen Eeuwigheid hergeeft’t Uur, hier ongebruikt doorleefd.Leeuwrik.Wat zijt gij vroeg al in de weêr,Wat vliegt gij juichend af en aan!Hoe vroeg of ik ook op moog’ staan,Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!Wat jaagt zoo gaauw u ’t leger uit,En wat beduidt uw blij geluid?—Wel, kind! als in de heldre luchtHet ochtendlicht zijn stralen giet,Dan houdt mijn bed mij langer nietEn ’k stijg omhoog met snelle vlugt;En, zwevend naar des hemels boog,Rijst ook mijn lied tot God omhoog.Geloof me, ik weet het, lieve kind!Hem gaat het daaglijks zeker goed,Die ’t eerst het morgenlicht begroetEn met Gods lof den dag begint...Al blijft dat lied ook laag bij de aard’,Gods Englen dragen ’t Hemelwaart.—Handjes wasschen.Wie zijn handjes schoon wil wasschen,Moet ze wasschen met elkaâr;’t Baat je niet, probeer het maar,Om met een voor een te plassen:Als ge niet ze zamen wrijft,Wed ik, dat er vuil aan blijft.Wascht ge dan zoo de een door de ander’,Leer er uit: dat, vroeg of laat,’t In de wereld ook zoo gaat:Helpen moeten wij elkander!—Wie maar werken wil voor loon,Krijgt zijn handen nimmer schoon.Zamen.Roggebrood en wittebroodDat ’hoort op elkander!Eet ge ’t een vóór ’t ander,Och! gij brengt u zelv’ in nood!Roggebrood moet óók gegeten;Is er ’t wittebrood doorheen,Dan, gij dient het maar te weten,Eet ge ’t roggebrood alléén.Rust en werk—en werk en rust’Hooren bij elkander!Doet gij ’t een vóór ’t ander,Och! gij maakt u last van lust!Ieders taak moet afgeweven:Wie te gaauw te rusten tracht,Loopt gevaar zijn heele leven,Dat hem nooit weêr rust verwacht.Dauw.Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!’t Is of ze huilden van den nacht!Zie eens! daar ligt een heele vrachtVan druppeltjes op ieder blad:Zeg, moeder!—wàt ze schelen zou?Kan het ook wezen van de koû?—Ja, liefje! zeker weet ik ’t niet,Wat of de bloempjes deren kan;Maar, moet ik ’t zeggen, kleine man,’t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;Die druppels doen de bloempjes goed...’t Is dauw, die ’t plantje laaft en voedt.Zoo zal ’t u nog wel dikwijls gaan!Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,Wat heil op ons wordt uitgestortIn menig’, schijnbaar droeven, traanEn hoediedauw, in ons gemoed,De Hemelbloemen groeijen doet.Hebt gij ’t gehoord?Zeg, kindren! hebt gij ’t al gehoord?De Lente is weêr verschenen!Zij joeg den boozen Winter voort,En grommend trok hij henen.Nu strooit ze bloempjes hier en daarEn leert de vogels kwelen,En roept de kinders bij elkaârOm lustig weêr te spelen.Kijk! hoe de beestjes ginds en hierNu zingen en nu springen;—Me dunkt, we moesten voor plêzierNu ook een liedje zingen:—o Lieve Lente! wees gegroetEn leer ons, als we u prijzenVoor ’t goede, dat men aan ons doet,Den Schepper dank bewijzen!Al te vroeg.De zon scheen koestrend op het kruid,De Lente was gekomen,En alle knopjes liepen uit,Als waar’ er niets te schromen;Ze dachten, dat de WintervorstBij zonneschijn niet keeren dorst.Maar toen de zon ter ruste lag,Toen kwam, met sneeuw beladen,De Winter eensklaps voor den dag,En knakte steng en bladen;En al de bloempjes wit en roodDie waren ’s morgens ziek of dood.Het leed woont meestal naast de vreugd,De koû naast lentedagen;En wie het spoedigst zich verheugt,Moet vaak het langste klagen;Vertrouw dus, als ik bidden mag,Vertrouw geen’ eersten lentedag.Een prijs.De lieve Mei staat voor de deur,Wij roepen al: kom binnen!Zij geeft ons bloempjes zacht van kleurEn zoet van geur,En opgeruimde zinnen;Want wie van ’t jaar zijn best hier deê,Dien brengt ze alligt een prijsje meê,—Kom binnen!Dat ware ook wel een stoute gast,Die roepen dorst: blijf buiten!’k Wed, hij had wis niet opgepast,En dacht wel vast:’k Moet naar mijn’ prijs toch fluiten!Doch was er onder ons zoo’n guit.....De Mei er in, en hij er uit:Blijf buiten!Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;Hoor, ieder roept: kom binnen!En, prijs òf niet, wij toonen maar,Wat wij van ’t jaarAan knapheid mogten winnen:Kom, lieve Mei! en hoor het lied,Dat dankbaar uit ons harte vliet:Kom binnen!Vergeet-mij-nietje.Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!Hoe komt het toch, als aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, niet vragen durf en wenschen:“Vergeet mij niet!”Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...Maar ’k bidje, zoo ik ’t u vertel,Vergeet het snel...Ik zou op véle, véle dagenMet angst en schaamte moeten vragen:“Vergeet mij wel!”Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!’k Beloof ’t u—als weêr aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, durf vragen en durf wenschen:“Vergeet mij niet!”Vlasbloemetje.“Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,Blaauw bloemetje van ’t groene vlas!De zon rees pas ter middaghoogte;Van morgen stondt ge in volle praal,En nu reeds zijt ge dor en vaalEn zaâmgeschrompeld van de droogte;Kijk! onbewimpeld zeg ik ’t maar,Als Ik zoo’n aardig bloempje waar’,Dan bloeide ik vast het heele jaar!”—Ja! dat is allerliefst bedacht,Als men maar leeft voor pret en pracht,En niet tot werken en tot winnen;De mooije bloempjes, die ge ziet,Die zijn bij mij ’t voornaamste niet....Ik maak de draadjes voor uw linnenEn oliezaden tot gerijf....En als ik nu maar bloeijen blijf,Dan krijg je ligt geen hemd aan ’t lijf.Wanneer de winter komt in ’t land,Dan zult gij menig ijdle plantVertreden op den mesthoop vinden;Maar ik, al ben ik tweemaal dood,Dan leef ik nog voor klein en groot,Want linnen wordt papier, mêvrinden!Daarop leest ieder dan de leer:“Och bloei wat minder, werk wat meer...Van nut zijn, is de kostlijkste eer!”—Maandrozen.Dat is groeijen uit den treuren,Dat is bloeijen, altijd klaar!Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,Of er nooit een einde aan waar’.Staat het windeken in ’t zuiĵen,Maandroos bloeit in volle pracht;Plundren haar de hagelbuijen....Eer ze er iets van laat verluiĵen,Bloeit ze weêr in volle kracht.Altijd bloemen, altijd geuren,Altijd knoppen, altijd meer....Maandroos! mogt het ons gebeuren,Onder juichen, onder treuren,Zóó te bloeijen, God ter eer!Een woud-bloempje.Eenzaam bloempjen in het bosch,Diep verscholen onder ’t mos,Niemand slaat uw bloeijen gade;Maar gij bloeit toch evenzeerGod ter eer,En gij dankt voor zijn genadeHem, der Schepping wijzen Heer!Als een bij, in ’t woud verdwaald,Op uw knopjes nederdaalt,Sluit ge uw kelkjes wijder open;En gij denkt in uw gemoed,Hoe uw zoet’t Moêgevlogen, moêgekropenDiertje nu verkwikken moet!o Dan juicht gij, dat Gods handU zoo eenzaam heeft geplant,Om uw laafnis dáár te geven,Waar de bij op ’t doornig pad,Moede en mat,Zeker van gebrek zou sneven,Als zij geen verkwikking had.—Vrome! die, in nedrigheid,Heil op ’t eenzaam pad verspreidt,In uw lot en stand tevreden...Ruil ze niet voor ijdlen schijn,Bloemelijn!—Zalig hij, die, hierbeneden,’t Eenzaam bloempje in ’t woud mag zijn!Gebroken.Dat ruikertje staat mooi genoeg,’t Staat allerliefst.... o maagdelijn!Maar weet ge wel, dat morgen vroegDe geur en kleur verwelkt zal zijn?Och! dat gij niet méér meêlij hadtMet zooveel kostlijk bloesemblad!Zoo ’t bloempje op stam gebleven was,Het waar’ misschien tot vrucht gegroeid,En zelfs met water in een glasHad het nog dagen lang gebloeid;Maar nu—een uur of wat—hoe kort!En ’t arme bloempjen is verdord.Zoo is ’t ook met des levens vreugd!....Wie al te veel op eens begeert,Die ziet al spoedig, lieve jeugd!Hoe gaauw ’t verflenst is en verteerd!Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...Zoo breek de bloem niet van den boom.Korenbloemen.Blaauwe bloemetjes in ’t koren!Aardig staat gij tusschen ’t graan;Maar een plekje gaat verloren,Waar een rijke halm kon staan.Lieflijk sieraad moogt ge wezen;Maar, zoo ge al te welig groeit,Zou ik (en met reden) vreezen,Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.Als de landman in de vorenKostbre korrels heeft gezaaid,En, in plaats van voedzaam koren,Niet dan blaauwe bloempjes maait,Zal hij ’t land onvruchtbaar noemen,Dat zoo schralen oogst hem gaf—En hij snijdt met regt uw bloemenAls verdervend onkruid af.Daarom, bloemetjes in ’t koren,Weest een siersel, niet een last!’t Best van d’akker gaat verloren,Waar gij al te welig wast.Wilt ook ons de leering geven:“Nut moet vóór genoegen gaan,En ’t vermaak in ieders levenZij eene enkle bloem in ’t graan!”Korenären.Korentje, dat er zoo weelderig wast!Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?’k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,Schoon er hun lengte niet half bij u past;Toch staat ge lekker in ’t kleijige land,En ’t is daar ginder meest allemaal zand.’k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,D’akker en ’t oogsten en dorschen onwaard’;Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,Mooglijk uw halmen in ’t vuur gooit bij ’t kaf.’t Vette der aarde, dat was u gegund,Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;Niet, om te worden tot nutteloos stroo,Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.Korentje, dat er zoo weelderig wast!Mogten toch velen uit dorpen en stedenMet me dat paadje langs je akker betreden,Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:Ik voor het minste, dat staat bij me vast,Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.De kromme boom.Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!’t Is haast, alsof gij om wilt zakken;En hoe verward zijn al uw takken,Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;’t Is waar (ik zeg het zonder schroom)Ik vind je leelijk, kromme boom!—Ja, kind! het is zoo als gij zegt,Ik moet mij zelv’ óók leelijk vinden:Had ik mij vroeger laten binden,Dan was ik nu niet krom, maar regt;’k Was dan misschien een pronk van ’t woud...Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.Nog gistren (’k hoorde ’t met verdriet)Zeî tuinman: “Waart ge jong gebogen,Dan stondt gij als een lust der oogen;Nu zijt ge brandhout, anders niet!”Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....Zorg, dat geen mensch ’t ook U eens vind’.—De wijnrank.Gij, arme wijnrank! lig je daarZoo vuil te slingren langs den grond?Wat zijn uw druifjes klein en naar,Onrijp, en zeker ongezond!Kom, als ik je aan de schutting bond,Dan raakte je misschien weêr klaar.—Neen! ’k vrees, mijn kind! ’t is nu te laat....Wanneer dat iemand had gedaan,Toen ’k jong en sterk was—en in staatOm frisch mijn ranken uit te slaan,Dan zou ik nu vol vruchten staan,Zoo zoet en geurig als muskaat.Och! ’t gaat me als menig’ armen man,Die niet in tijds geholpen wordt:Die hulp komt later soms—maar danSchiet moed en lust en kracht te kort....Steun dus de wijnrank eer zij dort,En d’Arme, wen ’t nog baten kan.—Bloemen en vogels.De kleine bloempjes op de heide,De kleine vogels in het nest,Zij hebben ’t óók niet altoos best,Maar worden dan toch groot op ’t lest...De Heer des Hemels zorgt voor beide;En dikwijls waakt een vrome handVoor vogelijn en heideplant.Dàn kunnen ze onbekommerd groeijenEn krachten putten uit den nood:Des vogels lied juicht: “God is groot”!...De plant geeft bloesems, wit en rood,En zoete geuren onder ’t bloeijen;En beide danken God den Heer,En wie hen kweekte, Hem ter eer.Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!Gij wilde vogels, plantjes teêr!Ook u beschermt des Hemels Heer;Zijn Geest daalt in de harten neêr,Opdat ze u hulp en schuts verleenen.o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,Gij wilde vogels—plantjes teêr!Haantje.Haantje, haantje, koekeloer!Wat een stappen,Wat een grappenMaak je, voor een handje voêr!’k Denk, als Ik zoo’n spuls moest maken,Eer ik wat te bikken had,Eer ik aan den kost kon raken....Dat ik liever nooit weêr at.—Dwaze knaap, onnoozle bloed!Al dat pratenZoudt ge laten,Waren je ouders niet zoo goed;’k Zal, als te avond of te morgenOok Uw disch niet is gedekt,En ge eens voor u zelv’ moet zorgen,Zien, wat voor gezigt gij trekt.Als gij de ouders eens verliest,Die u gevenOm te leven,Zal het blijken wat gij kiest;’k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!Zoo ge ondankbaar blijft en traag,Nog wel àndre kromme sprongenVoor het vullen van uw maag.—De mieren.Wilt gij in uw jonge jarenWijsheid gâren,Komt dan, kinders, komt dan hier!Ziet die rappe, kleine mierSlaven, draven, gâren, sparen,Of ze ’t deed voor haar plêzier....Jongens! wat een aardig dier!Zoo te werken, zoo te zwoegen,Is genoegenOm te zien en om te doen:Voorraad, in het goed saizoen,Voor den winter zaâm te voegen,Als er vruchten zijn noch groen....Kinders! ’k raad je ’t ook te doen.Luije meisjes, luije knapen!Gapen, slapen.....Doet gij ’t in uw’ jonger’ tijd,’k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.—Leert ge dus geen voorraad rapen,’k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)Dommer dan de mieren zijt.Zoet en bitter.De bij gaart uit den zoeten knopEn uit het bittre kruidDe reinste en beste sappen opEn puurt er zuivren honig uit:’k Hoop niet, dat iemand dommer zij,Mijn kind! dan zulk een kleine bij!De goede God gaf u verstand,En kloekheid van gemoed,Een scherpziend oog, een rappe hand,Een fijn gehoor, een’ vluggen voet....En wat de bij, onwetend, kan,Daar weet Gij doel en oorzaak van.Dus—ziet gij ’t aardig diertjen aan,En hoe ’t zijn taak verrigt,Zorg dan om niet beschaamd te staan,Maar doe, met dubblen lust, Uw’ pligt;En vindt ge zoet of bitter kruid,Och, puur er steeds den honig uit!Het doode mugje.Dood is het mugje!.... met uw handHebt gij ’t, o knaapje! doodgeslagen;Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!Hoe of ’t u zelven zou behagen,Wanneer nu eens een olifantU ’t zelfde deed, met snuit of tand?Ja, zie! nu doet het u verdriet;Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-evenDat arme beest niet leven liet.Voor ditmaal zij het u vergeven!—Maar doe dan ook een’ ander’ nietWat gij niet wilt, dat u geschied’.Glimworm.Gij mooije glimworm, die in ’t woudDes nachts zoo helder blinkt door ’t hout,Alsof het sappig groen der bladenMet diamanten is beladen,Och! zeg me eens (zoo ik ’t weten mag)Waarom glim je ook niet over dag?Als Ik zoo prachtig licht kon geven,Dan deed ik ’t vast mijn heele leven,En niet alleen, dat waar’ gewis,Als ’t donker is.—Wel, kind! ik zeg ’t je met plêzier;En, ben ik maar een simpel dier,Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...Wanneer de warme zonnestralenEen stroom van licht, een stroom van goudDoen vloeijen over veld en woud,Zou ’k vreezen heel verwaand te ’lijkenAls ik mijn’ zwakken glans liet kijken;En deed ik ’t al... ’k wed, dat bij dagToch niemand ’t zag.Och! denk om mij, mijn lieve kind!Als gij bij andren u bevindt,Die, als een zon, met warme stralenVan liefheid, deugd of kennis pralen;Hoû dan bescheiden ’t mondje toeEn wacht, gelijk ik zelf het doe,Tot gij, wanneer die andren zwijgen,In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,Geef dan uw licht.—Zwaantje.Zwaantje, met uw witte pluimen,Met uw vlerken groot en wijd!’k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,Als ge ’t water zoo doet schuimen!Al de vogels klein en teêrJaagt gij weg van beek en vlieten,En de schuchtre vischjes schietenHaastig in de diepte neêr.Mooi, dat zijt ge boven velen,Slank en statig buiten kijf;Kostbaar dons bedekt uw lijf;Maar, wat kan dat andren schelen?Zie dien kleinen nachtegaal,Graauw en pover in de veêren,—Maar wat kan hij kwinkeleren....Zwaanlief! hè! dat ’s meer dan praal?Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,’k Wed, dat gij, door heel de streek,Als het siersel van de beekWordt bewonderd en geprezen:Maar blijft gij zoo trotsch en fier,’k Zeg dan, als ik u hoor gagglenEn op ganzenpoot zie wagglen....Och, ’t is toch een ak’lig dier!Ooijevaar.Ooijevaar, lepelaar!’k Zit zoo graag naar u te kijken,Als gij (dragend dat ge zweet)Door de heldre lucht komt strijken—En van rust noch poozen weet,Voor’ uw nest, geheel gereed,Hoog in d’eikenboom mag prijken.Ooijevaar, lepelaar!Als ge dan nog vele wekenZoo geduldig de eijers broedt,En—als ’t jong er uit komt breken,’t Met zoo trouwe liefde voedt,Zie, dan vind ik u zóó goed,Dat ik ’t haast niet uit kan spreken!—Lieve vrind, aardig kind!’k Dank u voor uw vriendlijkheden!Maar, hebt gij weleens bedacht,Wat Uw Ouders voor U dedenSinds men u ter wereld bragt,En hoe ze altijd, dag en nacht,Nòg hun moeite aan u besteden?Lieve vrind, aardig kind!Breng het telkens u te binnen:Ik zorg weinig maanden maar,Zie!.... doch de ouders, die u minnen,Zorgen reeds zoo ménig jaar....Dàt is liefde en trouw, voorwaar!Die ’t van mijne ver nog winnen!—Een middagslaapje.Wie rusten wil in ’t groene woud,Wie rusten wil met lusten,Hij kieze een plekje, digt in ’t houtEn vlijê zich tot rusten;Een peluwtje van mollig mos,Een kussentje van varenEn een gordijn van blâren.....Geeft zoeten middagslaap in ’t bosch.De hemel van het ledekantBlinkt prachtig-blaauw door ’t loover,De heesters slingren om den rand,De bloesem hangt er over;Het koeltje fluistert met de vliet,De dartle vlinders spelen,De nachtegalen kwelen....Is ’t niet eenlieflijkwiegelied?En ’t best is: dat het groene woudMet koelte en rust u lavend,Van u geen zilver vraagt of goud,Al slaapt gij tot den avend;’t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...De slaapsteê is voor allen!En is ze u goed bevallen,Dan krijgt gij ’t avondgoud nog toe!Doen en laten.Wat ge doet of niet en doet,Flinke jongens, knappe meiden!Laat Voorzigtigheid den SpoedZachtjes bij de hand geleiden;Maar denkt altijd, dat gij ’t KwaadHaast wel nooit te langzaam laat.Wat ge laat of niet en laat,Knappe deerens, flinke knapen!Haastig geef Voorzigtig raad,Niet, bij ondeugd, in te slapen;Och! denkt altijd, dat gij ’t GoedHaast wel nooit te langzaam doet.Wat ge laat of wat ge doet,Flinke jongens, knappe meiden!Zij niet sneller dan het moet:Doch, wil iemand u verleidenTot iets boos—zegt dàn, met spoed:“’k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!”Zwemmen.Wilt ge koeling voor den gloedVan de felle Zomerzon?In het vocht van de bron,In den stroom, in den vloed...Knapen!—in de frissche wellenVoelt ge uw kracht zich weêr herstellen,Als het natU omspat!Duik omlaag en spring omhoog,Klief den stroom met forsche spier,Wend en keer, zwenk en zwier....Als een pijl van den boogKnapen! moogt ge voorwaarts schieten;’t Zal u kracht in de aders gieten,Als het natU omspat.Blijv’ de bloodaard aan het strand,Blijv’ de lafaard op den dijk,Waterland, Waterland,Gij zijt ons Koninkrijk!Uit het diepste van de stroomenIs Oud-Neêrlands kracht gekomen;Haal dien schatWeêr uit ’t nat!Regtop.Regtop van lijf, regtop van ziel,Dat is een stand naar mijn behagen.’t Zij, dat ge een’ staatsierok moogt dragen,’t Zij, dat ge een’ buis draagt of een kiel...Regtop van lijf, regtop van ziel!En buig’ men ooit zijn hoofd of knie,’t Zij dan alleen voor God, den Heere!Voor elk, wien men als braver eere,Voor ieder, dien men wijzer zie....Voordieslechts buig’ men hoofd of knie.Maar anders—regt van lijf en ziel,In vreugd of leed, door heel ons leven!Niet links, niet regts, maar ’t hoofd geheven,Wat of er buig’, wat of er kniel’....Dat ’s Nederlandsch, naar lijf en ziel!De langste dag.Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men mij om raad woû vragen,Maakte ik honderd langste dagen.—Wie het eerst ten bedde uit was,Maakt den langsten dag;Wie het knapst en vlijtig was,Maakt den langsten dag;Wie de liefste en braafste was,Maakt den langsten dag.Dat kan je immers alle dagen,Driemaal honderd zestig keer,Ja, al was het vijfmaal meer,Zonder d’Almanak te vragen:Deedt gij ’t flink en met verstand,Ware ’t ook maar honderd malen,Laat ons dan in koor herhalen,Vrolijk dansend hand aan hand:Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men ons om raad wil vragen.Zijn er honderd langste dagen!Medicijn.Weet ge ’t?—bitter in den mondIs voor ’t kranke hart gezond!Ril niet voor dat leelijk drankje;Slik het kloek en handig door,Laat geen’ druppel gaan te loor;’k Wed, ten laatste zeg je: dank je!Weet ge ’t?—bitter voor ’t gemoedIs der kranke ziele goed!Moog’ ook ’t slikken moeilijk wezen,Als ge beter weêr zult zijn,Dankt gij voor die medicijn,Die zoo goed u heeft genezen!Voorzigtig.Kindren, brandt je bekje niet!Beter is ’t wat hard geblazen,Kleine bazen!En een beetje meer geduld,Dan te krijgen door uw schuldHier een blaar en daar een’ bult.Kindren, brandt je handjes niet!Beter is ’t niets aan te raken,Kleine snaken!Dan te merken naderhand,Tot uw schaê en tot uw schand’,Dat ge uw pootjes hebt gebrand.Kindren, brandt je hartjes niet!Dat zou ’k nog het ergste vinden,Kleine vrinden!Dat geeft vlekken, bruin en zwart,Dat geeft plekken, ruw en hard,Dat geeft eeuw’ge rouw en smart.Smakelijk eten.Wie ’t lekkerst eet en altijd graag.....Dàt weet ik en ter dege:—Die daaglijks van zijn volle maagIets afhoudt voor een leêge!Het beste middel tot aptijt,Dat ’k ooit nog heb geweten,Dat is: een’ man, die honger lijdt,Eens smaaklijk te zien eten!Of gij dus weinig hebt of veel....Mogt gij regt smullen willen,Laat dan het halfjen of een deelDer armren honger stillen.Matig.Al te veel is ongezond!Lieverts, zult gij ’t niet vergeten?Watertandt uw kleine mondBij een’ schotel lekker eten,Hangt de tak tot aan den grond,Moogt ge plukken naar behagen....Denkt er om, gij, grage magen!Al te veel is ongezond.Nu zal Moeders vriendlijk oogU nog wel met zorg bewaken(Welk een trek uw hart bewoog)Dat gij ’t niet te bont zult maken;Maar, wanneer gij grooter zijt,En niet jong hebt willen leerenMaat te houden in ’t begeeren,Raakt ge lust en welvaart kwijt.Al te veel is ongezond!Zie, dat geldt voor alle zaken,Die eens op dit wereldrondU begeerig zullen maken:Waakt dan over oog en mond,Waakt dan over hart en zinnen,En brengt telkens u te binnen:Al te veel is ongezond!Van een aapje.Ik ken een aapje, loos en vlug,Een baasjen onder de apen;Een rokjen dekt zijn’ slanken rug,Een hoedje dekt zijn slapen;Wanneer hij voor zijn hokje staat,Denkt gij een’ Heer te groeten,Maar als hij aan het klimmen gaat,Ziet gij zijn bloote voeten:—En wat ge dan nog verder ziet, Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.Gij, aardige aapjes, klein en groot!Die hoedjes draagt en rokken,Och! denkt’reis aan uw beentjes blootEn blijft wat bij uw hokken:—Wie hooger zijn wil dan zijn staat,Of meer dan zijns gelijken,(Gij kunt er vast op gaan) die laatZijn bloote beenen kijken:En wat ge dan nog verder ziet,Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.Duinlied.Lustig gesprongen door ’t mullige duin,Lustig gezongen op helling en kruin;Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:’t Bruisen der zee en het ruischen der beek.Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hartDaar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,Waar al de schat van uw’ weligen tuinGrenst aan de dorheid van ’t stuivende duin.Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;Wat u belaag’ op den vloed of op ’t land,Zwichte, als de golven voor ’t schuttende zand!Vaderlandsch lied.Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koorDen grond, die uw wieg heeft gedragen;Uw lied klink’ de beemden van ’t Vaderland door,Dat de oogen op u houdt geslagen:Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,Was ’t eenmaal het sieraad der aarde;Die glorie verbleekte; maar ’t wacht van Uw jeugd,Dat gij het herstelt in zijn waarde:Dan—als gij het eert en verheerlijkt als nu,Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.Kloek en blank.Kloek van ligchaam, kloek van geest,Zijn de Nederlandsche knapenSteeds geweest!Op dan, Jongen, niet geslapen!Oefen oog en oor en hand,Rek uw pezen, staal uw spieren,Streef naar kennis en verstand!—Goede zeden, goê manieren,Scherpe zinnen, sterke spieren,Zijn de steunsels van een Land!Blank van ligchaam, blank van ziel,Was het, wat in Neêrlands maagdenSteeds geviel!Meisje!—wie er Gistren klaagden:“t Was slechts zóó in Ouden tijd!”Doe hun ’t Heden anders blijken!Laat die nijders, tot hun spijt,Hoe ze turen, hoe ze kijken,Schaamrood vonnis moeten strijken:Dat ge zonder smetjes zijt!Och! bedenk het, jong geslacht!In Uw harten, in Uw handen,Ligt de kracht,Ligt het heil der Nederlanden!Houd dan beiden kloek en blank...’t Land, waarin gij zijt geboren,Geeft ge nimmer beter dank,Voor het goede aan u beschoren,Dan, dat we als uw lofspraak hooren:Kloek is ’t ligchaam,—’t hart is blank!Volhouden.Stapje voor stapje, dat vordert toch:Denk het in ’t goede, denk het in ’t kwade,Denk het bij voordeel, denk het bij schade:Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,Wat ik moog’ praten en raden en bidden.Drupje voor drupje, waar ’t vallen kan,Maakt wel een kuiltjen in ’t hart van de steenen;Gudst er het nat in een’ stroom overhenen,Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.Een vijand.Jongens! als een Vijand kwamOm ons Neêrland te overheeren,Iedre jongen, wed ik, nam(Vond hij sabels noch geweren)Tang of asschop in de handTot behoud van ’t Vaderland.Durven Meisjes ook niet veel....’k Denk dat zij (in zulke tijden)Toch nog met een bezemsteelVoor ons Neêrland zouden strijden;Ja zelfs met een ragebolJoegen zij ’t gespuis op hol.Zeg eens, kindren!—zoudt ge niet?Nu.... dan zal ik ’t U maar zeggenDat mijn oog een Vijand ziet....Die (met listig overleggen)Reeds ons arme VaderlandLang, ter sluips, heeft aangerand.Wilt gij weten, wie hij is?....’t Kwaad, dat insloop in uw zielen!Dat, als ’t overwint, gewisEens ons Neêrland zal vernielen!Op dan—helpt het Land uit nood,Kindren! slaat den Vijand dood!Treuzeltje.Treuzelaartje! treuzelaartje!Altoos, altoos tijds genoeg....Schaam je wat—als iemand vroeg:Heb je een aardje naar je vaârtje?Was je moederlief zoo traag?....Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?—Maar, voor ’t antwoord (had ik ’t graag)Dien ik zelf nog wel te zorgen,Want ook dáárin zijt ge traag!.....’t Luidt:—“Kom ik er niet van daag,Och! dan kom ik er toch morgen!”Neen, mijn liefje!... met geteuterKomt ge er ook op morgen niet!—’t Geeft u eens nog zielsverdrietDat gepeuter en geleuter!Als ge nadert aan den dag,Die nog nooit een morgen zag,Zal, in vruchteloos geklag,De verloren tijd u rouwen....Liefje! nu ’t nog wezen mag,Och! gebruik nu uur en dag,Steek de handen uit de mouwen!Treuzelaartje, treuzelaartje!Anders zijt ge lief en goed;Maar, ik bid je, maak wat spoed:Of dat snaartje heeft een staartje!’t Klinkt nu nog als jokkernij;Maar, arm kind! voor u en mijKwam er vreeslijke ernst wel bij,Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....’k Smeek dus: maak me haastig blij!En—moeter getreuzel bij....Treuzel enkel.... in ’t bedroeven!Kringetjes in ’t water.Kittelsteentje, rond en glad,Als gij plompt in ’t klare nat,En het waterMet geklaterPaarlend uit elkander spat,Zijt ge pas der hand ontgleden,Of ge wiggelt naar beneden.Doch, waar ’t vocht u heeft omvat,Komt een kringetjen op ’t nat;Verder vloeit het,Lang nog groeit het,Eer het uit elkander spat:’t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen’t Plekje, waar gij zijt gevallen.Elk onthoû het steeds—het gaatEven zoo met goed en kwaad:Uren, Dagen,Jaren, dragenNog het teeken van uw daad.Och, onthoû het toch, mêvrinden,’t Plekje is lang nog weêr te vinden!Beurtzang.In het groene looverZit een vogelijn,Onder ’t groene looverZit een maagdelijn;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.In de kruidjes luistertAl het wollig vee,In de blaadjes fluistertIeder koeltje meê;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.’t Vogelkeeltje ontglippenLiedren God ter eer,En de maagdenlippenDanken God den Heer;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.In tijds.Is uw vlerkje stuk geslagen,Vogel, toen de stormwind kwam;Bleef uw wol, onnoozel Lam,Hangen aan de dorenhagen?Vogel, ’k bid je, schuil dan watAls de stormwind zich doet hooren—Schaapje, pas wat op den doren,En zoek u een ander pad!Wilde vogels, woeste knapen,’k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,Meisjes-lief, onnoosle schapen!—’k Bid dan, dat ge willig hoort,Dat ge intijds hoort naar vermanen;Zuchten spaart het u en tranen....Meisjes, Knapen, zegt het voort!Sneeuwliedje.Blanke vlokjes, fijn en zacht,Doe uw duizend-duizendtallenSpoedig vallen....De Aard’ heeft u al lang gewacht.Dek haar digt en warmpjes toe,Dat ze eens van haar last en lustenUit moog’ rusten....Och! ze was zoo bitter moê.Had ze niet het heele jaarOnder zorg voor bloem en vruchtenZitten zuchten—Of het nimmer rusttijd waar’?Eindlijk viel het arme schaapTusschen al ’t verdorde looverAchterover....En in diepen, vasten slaap.Ligt ze daar nu bloot en kaal,Als de Winter met zijn vlagenAan komt jagen—Dan bevriest zij heelemaal.Daarom, vlokjes, fijn en zacht,Dekt haar, tot ze moog’ ontwaken,Met uw laken,Dekt haar met uw warme vacht.Als het dan weêr Voorjaar is,Springt zij uit uw donsen veêrenIn de kleêren,Even flink en even frisch!De holle boom.Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,Dat gij de zwakste zijt van allen,Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?’k Zie om u heen een heele laanVan jonge, regte, gave boomen staan,—Gij, uitgehold aan alle zijden,Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!—Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;’k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,En ’k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;Ja, zelfs die holten in mijn’ stam,Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,Weet—dat ze, als in eensgrijsaardsarmen,Nog menigeen’ beschutten en verwarmen.Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,Waar, rustig, ’t jong gebroed kan tieren,Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwermDe diepe kloof met honig in komt zwieren;Hoe, aan mijn’ voet, het wegebladDe holte dekt, waar ’t haasje veilig zat,En, in mijn’ wortel, tusschen rozen,Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,Al neigt de dorre kruin ter aarde,Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....Dus, kind! zoo lang ik leven mag,Verheug ik mij in iedren schoonen dag;En (moet het!) ik zal willig vallen,Als ’k, dood en levend, nuttig ware aan allen.—Vroeg verwelkt.Een Roosje zag ik bloeijen,Geen schooner kan er zijn;Een Maagdlijn zag ik stoeijen,Het liefste maagdelijn!....Wat was er te avond over?Een lijk.... en dorrend loover!Ach! dat de schoonste bloemenZoo broos en teeder zijn!—Wilt dan zoo stout niet roemenGij Roos, gij Maagdelijn....Maar denk, hoe snel uw vervenVerkleuren en versterven!En—mogt ons bij uw sneven,O Roos, o Maagdelijn!De hoop in ’t harte leven,Dat gij wèl waard’ zult zijn,Verplant in ’s Hemels Hoven,Er eeuwig God te loven!Winternacht.Goede God! uw liefde en magtStraalt ook in den winternacht;Ook in sneeuw en hageljagtSpreekt tot ons uw liefde en magt.Gij bewaart der aarde kracht,Hult het woud in donsen vacht,Dekt met sneeuw, fluweelig zacht,’t Zaad, dat op de Lente wacht.Komt dan, na den winternacht,Lente weêr, in reine pracht,Och! hoe geurig-fleurig lachtDan die aarde in frissche kracht!Eens rijst ook voor Ons geslachtHemellicht uit Aardschen nacht:—o Dat steeds ons hart bedacht,Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht!
Bij ’t ontwaken.Zonneschijntje, morgenlicht,Als ge tintelt op de ramenEn weêr blinkt in ons gezigt,Vouwen wij de handen zamenEn wij danken, met ontzag,Voor dien nieuwen, schoonen dag.Zie! wij leggen ’s avonds ’t hoofdAltijd maar zoo rustig neder,Alsof iedereen gelooft:Morgen komt het zonlicht weder!—Niemand onzer denkt er aan,Dat ge ook eens niet op kondt staan.Niemand mooglijk heeft gedacht,Dat, zoo gij al weêr mogt komen,Ons misschien geen morgen wachtNa ons slapen, uit ons droomen....Daarom, schoone morgengloed,Wees met blijden dank gegroet.
Zonneschijntje, morgenlicht,Als ge tintelt op de ramenEn weêr blinkt in ons gezigt,Vouwen wij de handen zamenEn wij danken, met ontzag,Voor dien nieuwen, schoonen dag.
Zonneschijntje, morgenlicht,
Als ge tintelt op de ramen
En weêr blinkt in ons gezigt,
Vouwen wij de handen zamen
En wij danken, met ontzag,
Voor dien nieuwen, schoonen dag.
Zie! wij leggen ’s avonds ’t hoofdAltijd maar zoo rustig neder,Alsof iedereen gelooft:Morgen komt het zonlicht weder!—Niemand onzer denkt er aan,Dat ge ook eens niet op kondt staan.
Zie! wij leggen ’s avonds ’t hoofd
Altijd maar zoo rustig neder,
Alsof iedereen gelooft:
Morgen komt het zonlicht weder!—
Niemand onzer denkt er aan,
Dat ge ook eens niet op kondt staan.
Niemand mooglijk heeft gedacht,Dat, zoo gij al weêr mogt komen,Ons misschien geen morgen wachtNa ons slapen, uit ons droomen....Daarom, schoone morgengloed,Wees met blijden dank gegroet.
Niemand mooglijk heeft gedacht,
Dat, zoo gij al weêr mogt komen,
Ons misschien geen morgen wacht
Na ons slapen, uit ons droomen....
Daarom, schoone morgengloed,
Wees met blijden dank gegroet.
Vroeg op.Vroeg op, vroeg op, in alle ding,Dat maakt een’ domme tot een’ wijze,Dat maakt aanzienlijk van gering,Dat maakt een’ jongling van een’ grijze,Een’ grijsaard van een’ jongeling.Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,Vroeg op, gij maagden en gij knapen!Dan kunt gij, als ge moede zijt,Met een geruste ziel gaan slapen,Hetzij voor eens of voor altijd.
Vroeg op, vroeg op, in alle ding,Dat maakt een’ domme tot een’ wijze,Dat maakt aanzienlijk van gering,Dat maakt een’ jongling van een’ grijze,Een’ grijsaard van een’ jongeling.
Vroeg op, vroeg op, in alle ding,
Dat maakt een’ domme tot een’ wijze,
Dat maakt aanzienlijk van gering,
Dat maakt een’ jongling van een’ grijze,
Een’ grijsaard van een’ jongeling.
Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,Vroeg op, gij maagden en gij knapen!Dan kunt gij, als ge moede zijt,Met een geruste ziel gaan slapen,Hetzij voor eens of voor altijd.
Vroeg op, vroeg op, in deugd en vlijt,
Vroeg op, gij maagden en gij knapen!
Dan kunt gij, als ge moede zijt,
Met een geruste ziel gaan slapen,
Hetzij voor eens of voor altijd.
Morgenlied.Komt de dag en wijkt de nacht,Waak dan op tot frissche kracht,Klaar van oogen en verstand,Blank van hart en rein van hand.Roep, met vromen kinderzin,Dan des Vaders zegen in;Hij, die van zijn’ HemeltroonD’arbeid krachten geeft en loon.En bedenk, als—zwaar of ligt,Gij uw taak en werk verrigt:Dat geen Eeuwigheid hergeeft’t Uur, hier ongebruikt doorleefd.
Komt de dag en wijkt de nacht,Waak dan op tot frissche kracht,Klaar van oogen en verstand,Blank van hart en rein van hand.
Komt de dag en wijkt de nacht,
Waak dan op tot frissche kracht,
Klaar van oogen en verstand,
Blank van hart en rein van hand.
Roep, met vromen kinderzin,Dan des Vaders zegen in;Hij, die van zijn’ HemeltroonD’arbeid krachten geeft en loon.
Roep, met vromen kinderzin,
Dan des Vaders zegen in;
Hij, die van zijn’ Hemeltroon
D’arbeid krachten geeft en loon.
En bedenk, als—zwaar of ligt,Gij uw taak en werk verrigt:Dat geen Eeuwigheid hergeeft’t Uur, hier ongebruikt doorleefd.
En bedenk, als—zwaar of ligt,
Gij uw taak en werk verrigt:
Dat geen Eeuwigheid hergeeft
’t Uur, hier ongebruikt doorleefd.
Leeuwrik.Wat zijt gij vroeg al in de weêr,Wat vliegt gij juichend af en aan!Hoe vroeg of ik ook op moog’ staan,Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!Wat jaagt zoo gaauw u ’t leger uit,En wat beduidt uw blij geluid?—Wel, kind! als in de heldre luchtHet ochtendlicht zijn stralen giet,Dan houdt mijn bed mij langer nietEn ’k stijg omhoog met snelle vlugt;En, zwevend naar des hemels boog,Rijst ook mijn lied tot God omhoog.Geloof me, ik weet het, lieve kind!Hem gaat het daaglijks zeker goed,Die ’t eerst het morgenlicht begroetEn met Gods lof den dag begint...Al blijft dat lied ook laag bij de aard’,Gods Englen dragen ’t Hemelwaart.—
Wat zijt gij vroeg al in de weêr,Wat vliegt gij juichend af en aan!Hoe vroeg of ik ook op moog’ staan,Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!Wat jaagt zoo gaauw u ’t leger uit,En wat beduidt uw blij geluid?
Wat zijt gij vroeg al in de weêr,
Wat vliegt gij juichend af en aan!
Hoe vroeg of ik ook op moog’ staan,
Gij, leeuwrik! wint het ieder keer!
Wat jaagt zoo gaauw u ’t leger uit,
En wat beduidt uw blij geluid?
—Wel, kind! als in de heldre luchtHet ochtendlicht zijn stralen giet,Dan houdt mijn bed mij langer nietEn ’k stijg omhoog met snelle vlugt;En, zwevend naar des hemels boog,Rijst ook mijn lied tot God omhoog.
—Wel, kind! als in de heldre lucht
Het ochtendlicht zijn stralen giet,
Dan houdt mijn bed mij langer niet
En ’k stijg omhoog met snelle vlugt;
En, zwevend naar des hemels boog,
Rijst ook mijn lied tot God omhoog.
Geloof me, ik weet het, lieve kind!Hem gaat het daaglijks zeker goed,Die ’t eerst het morgenlicht begroetEn met Gods lof den dag begint...Al blijft dat lied ook laag bij de aard’,Gods Englen dragen ’t Hemelwaart.—
Geloof me, ik weet het, lieve kind!
Hem gaat het daaglijks zeker goed,
Die ’t eerst het morgenlicht begroet
En met Gods lof den dag begint...
Al blijft dat lied ook laag bij de aard’,
Gods Englen dragen ’t Hemelwaart.—
Handjes wasschen.Wie zijn handjes schoon wil wasschen,Moet ze wasschen met elkaâr;’t Baat je niet, probeer het maar,Om met een voor een te plassen:Als ge niet ze zamen wrijft,Wed ik, dat er vuil aan blijft.Wascht ge dan zoo de een door de ander’,Leer er uit: dat, vroeg of laat,’t In de wereld ook zoo gaat:Helpen moeten wij elkander!—Wie maar werken wil voor loon,Krijgt zijn handen nimmer schoon.
Wie zijn handjes schoon wil wasschen,Moet ze wasschen met elkaâr;’t Baat je niet, probeer het maar,Om met een voor een te plassen:Als ge niet ze zamen wrijft,Wed ik, dat er vuil aan blijft.
Wie zijn handjes schoon wil wasschen,
Moet ze wasschen met elkaâr;
’t Baat je niet, probeer het maar,
Om met een voor een te plassen:
Als ge niet ze zamen wrijft,
Wed ik, dat er vuil aan blijft.
Wascht ge dan zoo de een door de ander’,Leer er uit: dat, vroeg of laat,’t In de wereld ook zoo gaat:Helpen moeten wij elkander!—Wie maar werken wil voor loon,Krijgt zijn handen nimmer schoon.
Wascht ge dan zoo de een door de ander’,
Leer er uit: dat, vroeg of laat,
’t In de wereld ook zoo gaat:
Helpen moeten wij elkander!—
Wie maar werken wil voor loon,
Krijgt zijn handen nimmer schoon.
Zamen.Roggebrood en wittebroodDat ’hoort op elkander!Eet ge ’t een vóór ’t ander,Och! gij brengt u zelv’ in nood!Roggebrood moet óók gegeten;Is er ’t wittebrood doorheen,Dan, gij dient het maar te weten,Eet ge ’t roggebrood alléén.Rust en werk—en werk en rust’Hooren bij elkander!Doet gij ’t een vóór ’t ander,Och! gij maakt u last van lust!Ieders taak moet afgeweven:Wie te gaauw te rusten tracht,Loopt gevaar zijn heele leven,Dat hem nooit weêr rust verwacht.
Roggebrood en wittebroodDat ’hoort op elkander!Eet ge ’t een vóór ’t ander,Och! gij brengt u zelv’ in nood!Roggebrood moet óók gegeten;Is er ’t wittebrood doorheen,Dan, gij dient het maar te weten,Eet ge ’t roggebrood alléén.
Roggebrood en wittebrood
Dat ’hoort op elkander!
Eet ge ’t een vóór ’t ander,
Och! gij brengt u zelv’ in nood!
Roggebrood moet óók gegeten;
Is er ’t wittebrood doorheen,
Dan, gij dient het maar te weten,
Eet ge ’t roggebrood alléén.
Rust en werk—en werk en rust’Hooren bij elkander!Doet gij ’t een vóór ’t ander,Och! gij maakt u last van lust!Ieders taak moet afgeweven:Wie te gaauw te rusten tracht,Loopt gevaar zijn heele leven,Dat hem nooit weêr rust verwacht.
Rust en werk—en werk en rust
’Hooren bij elkander!
Doet gij ’t een vóór ’t ander,
Och! gij maakt u last van lust!
Ieders taak moet afgeweven:
Wie te gaauw te rusten tracht,
Loopt gevaar zijn heele leven,
Dat hem nooit weêr rust verwacht.
Dauw.Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!’t Is of ze huilden van den nacht!Zie eens! daar ligt een heele vrachtVan druppeltjes op ieder blad:Zeg, moeder!—wàt ze schelen zou?Kan het ook wezen van de koû?—Ja, liefje! zeker weet ik ’t niet,Wat of de bloempjes deren kan;Maar, moet ik ’t zeggen, kleine man,’t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;Die druppels doen de bloempjes goed...’t Is dauw, die ’t plantje laaft en voedt.Zoo zal ’t u nog wel dikwijls gaan!Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,Wat heil op ons wordt uitgestortIn menig’, schijnbaar droeven, traanEn hoediedauw, in ons gemoed,De Hemelbloemen groeijen doet.
Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!’t Is of ze huilden van den nacht!Zie eens! daar ligt een heele vrachtVan druppeltjes op ieder blad:Zeg, moeder!—wàt ze schelen zou?Kan het ook wezen van de koû?
Och, kijk! wat zijn de bloempjes nat!
’t Is of ze huilden van den nacht!
Zie eens! daar ligt een heele vracht
Van druppeltjes op ieder blad:
Zeg, moeder!—wàt ze schelen zou?
Kan het ook wezen van de koû?
—Ja, liefje! zeker weet ik ’t niet,Wat of de bloempjes deren kan;Maar, moet ik ’t zeggen, kleine man,’t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;Die druppels doen de bloempjes goed...’t Is dauw, die ’t plantje laaft en voedt.
—Ja, liefje! zeker weet ik ’t niet,
Wat of de bloempjes deren kan;
Maar, moet ik ’t zeggen, kleine man,
’t Zijn ook geen traantjes, die gij ziet;
Die druppels doen de bloempjes goed...
’t Is dauw, die ’t plantje laaft en voedt.
Zoo zal ’t u nog wel dikwijls gaan!Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,Wat heil op ons wordt uitgestortIn menig’, schijnbaar droeven, traanEn hoediedauw, in ons gemoed,De Hemelbloemen groeijen doet.
Zoo zal ’t u nog wel dikwijls gaan!
Zoo ziet ge, eerst als gij ouder wordt,
Wat heil op ons wordt uitgestort
In menig’, schijnbaar droeven, traan
En hoediedauw, in ons gemoed,
De Hemelbloemen groeijen doet.
Hebt gij ’t gehoord?Zeg, kindren! hebt gij ’t al gehoord?De Lente is weêr verschenen!Zij joeg den boozen Winter voort,En grommend trok hij henen.Nu strooit ze bloempjes hier en daarEn leert de vogels kwelen,En roept de kinders bij elkaârOm lustig weêr te spelen.Kijk! hoe de beestjes ginds en hierNu zingen en nu springen;—Me dunkt, we moesten voor plêzierNu ook een liedje zingen:—o Lieve Lente! wees gegroetEn leer ons, als we u prijzenVoor ’t goede, dat men aan ons doet,Den Schepper dank bewijzen!
Zeg, kindren! hebt gij ’t al gehoord?De Lente is weêr verschenen!Zij joeg den boozen Winter voort,En grommend trok hij henen.
Zeg, kindren! hebt gij ’t al gehoord?
De Lente is weêr verschenen!
Zij joeg den boozen Winter voort,
En grommend trok hij henen.
Nu strooit ze bloempjes hier en daarEn leert de vogels kwelen,En roept de kinders bij elkaârOm lustig weêr te spelen.
Nu strooit ze bloempjes hier en daar
En leert de vogels kwelen,
En roept de kinders bij elkaâr
Om lustig weêr te spelen.
Kijk! hoe de beestjes ginds en hierNu zingen en nu springen;—Me dunkt, we moesten voor plêzierNu ook een liedje zingen:—
Kijk! hoe de beestjes ginds en hier
Nu zingen en nu springen;—
Me dunkt, we moesten voor plêzier
Nu ook een liedje zingen:—
o Lieve Lente! wees gegroetEn leer ons, als we u prijzenVoor ’t goede, dat men aan ons doet,Den Schepper dank bewijzen!
o Lieve Lente! wees gegroet
En leer ons, als we u prijzen
Voor ’t goede, dat men aan ons doet,
Den Schepper dank bewijzen!
Al te vroeg.De zon scheen koestrend op het kruid,De Lente was gekomen,En alle knopjes liepen uit,Als waar’ er niets te schromen;Ze dachten, dat de WintervorstBij zonneschijn niet keeren dorst.Maar toen de zon ter ruste lag,Toen kwam, met sneeuw beladen,De Winter eensklaps voor den dag,En knakte steng en bladen;En al de bloempjes wit en roodDie waren ’s morgens ziek of dood.Het leed woont meestal naast de vreugd,De koû naast lentedagen;En wie het spoedigst zich verheugt,Moet vaak het langste klagen;Vertrouw dus, als ik bidden mag,Vertrouw geen’ eersten lentedag.
De zon scheen koestrend op het kruid,De Lente was gekomen,En alle knopjes liepen uit,Als waar’ er niets te schromen;Ze dachten, dat de WintervorstBij zonneschijn niet keeren dorst.
De zon scheen koestrend op het kruid,
De Lente was gekomen,
En alle knopjes liepen uit,
Als waar’ er niets te schromen;
Ze dachten, dat de Wintervorst
Bij zonneschijn niet keeren dorst.
Maar toen de zon ter ruste lag,Toen kwam, met sneeuw beladen,De Winter eensklaps voor den dag,En knakte steng en bladen;En al de bloempjes wit en roodDie waren ’s morgens ziek of dood.
Maar toen de zon ter ruste lag,
Toen kwam, met sneeuw beladen,
De Winter eensklaps voor den dag,
En knakte steng en bladen;
En al de bloempjes wit en rood
Die waren ’s morgens ziek of dood.
Het leed woont meestal naast de vreugd,De koû naast lentedagen;En wie het spoedigst zich verheugt,Moet vaak het langste klagen;Vertrouw dus, als ik bidden mag,Vertrouw geen’ eersten lentedag.
Het leed woont meestal naast de vreugd,
De koû naast lentedagen;
En wie het spoedigst zich verheugt,
Moet vaak het langste klagen;
Vertrouw dus, als ik bidden mag,
Vertrouw geen’ eersten lentedag.
Een prijs.De lieve Mei staat voor de deur,Wij roepen al: kom binnen!Zij geeft ons bloempjes zacht van kleurEn zoet van geur,En opgeruimde zinnen;Want wie van ’t jaar zijn best hier deê,Dien brengt ze alligt een prijsje meê,—Kom binnen!Dat ware ook wel een stoute gast,Die roepen dorst: blijf buiten!’k Wed, hij had wis niet opgepast,En dacht wel vast:’k Moet naar mijn’ prijs toch fluiten!Doch was er onder ons zoo’n guit.....De Mei er in, en hij er uit:Blijf buiten!Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;Hoor, ieder roept: kom binnen!En, prijs òf niet, wij toonen maar,Wat wij van ’t jaarAan knapheid mogten winnen:Kom, lieve Mei! en hoor het lied,Dat dankbaar uit ons harte vliet:Kom binnen!
De lieve Mei staat voor de deur,Wij roepen al: kom binnen!Zij geeft ons bloempjes zacht van kleurEn zoet van geur,En opgeruimde zinnen;Want wie van ’t jaar zijn best hier deê,Dien brengt ze alligt een prijsje meê,—Kom binnen!
De lieve Mei staat voor de deur,
Wij roepen al: kom binnen!
Zij geeft ons bloempjes zacht van kleur
En zoet van geur,
En opgeruimde zinnen;
Want wie van ’t jaar zijn best hier deê,
Dien brengt ze alligt een prijsje meê,—
Kom binnen!
Dat ware ook wel een stoute gast,Die roepen dorst: blijf buiten!’k Wed, hij had wis niet opgepast,En dacht wel vast:’k Moet naar mijn’ prijs toch fluiten!Doch was er onder ons zoo’n guit.....De Mei er in, en hij er uit:Blijf buiten!
Dat ware ook wel een stoute gast,
Die roepen dorst: blijf buiten!
’k Wed, hij had wis niet opgepast,
En dacht wel vast:
’k Moet naar mijn’ prijs toch fluiten!
Doch was er onder ons zoo’n guit.....
De Mei er in, en hij er uit:
Blijf buiten!
Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;Hoor, ieder roept: kom binnen!En, prijs òf niet, wij toonen maar,Wat wij van ’t jaarAan knapheid mogten winnen:Kom, lieve Mei! en hoor het lied,Dat dankbaar uit ons harte vliet:Kom binnen!
Maar neen! dat loopt wel geen gevaar;
Hoor, ieder roept: kom binnen!
En, prijs òf niet, wij toonen maar,
Wat wij van ’t jaar
Aan knapheid mogten winnen:
Kom, lieve Mei! en hoor het lied,
Dat dankbaar uit ons harte vliet:
Kom binnen!
Vergeet-mij-nietje.Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!Hoe komt het toch, als aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, niet vragen durf en wenschen:“Vergeet mij niet!”Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...Maar ’k bidje, zoo ik ’t u vertel,Vergeet het snel...Ik zou op véle, véle dagenMet angst en schaamte moeten vragen:“Vergeet mij wel!”Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!’k Beloof ’t u—als weêr aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, durf vragen en durf wenschen:“Vergeet mij niet!”
Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!Hoe komt het toch, als aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, niet vragen durf en wenschen:“Vergeet mij niet!”
Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!
Hoe komt het toch, als aan de vliet
Mijn oog u ziet,
Dat ik van alle lieve menschen,
Als gij, niet vragen durf en wenschen:
“Vergeet mij niet!”
Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...Maar ’k bidje, zoo ik ’t u vertel,Vergeet het snel...Ik zou op véle, véle dagenMet angst en schaamte moeten vragen:“Vergeet mij wel!”
Och, bloempje-lief, ik weet het wel!...
Maar ’k bidje, zoo ik ’t u vertel,
Vergeet het snel...
Ik zou op véle, véle dagen
Met angst en schaamte moeten vragen:
“Vergeet mij wel!”
Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!’k Beloof ’t u—als weêr aan de vlietMijn oog u ziet,Dat ik van alle lieve menschen,Als gij, durf vragen en durf wenschen:“Vergeet mij niet!”
Blaauw bloempje-lief, vergeet mij niet!
’k Beloof ’t u—als weêr aan de vliet
Mijn oog u ziet,
Dat ik van alle lieve menschen,
Als gij, durf vragen en durf wenschen:
“Vergeet mij niet!”
Vlasbloemetje.“Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,Blaauw bloemetje van ’t groene vlas!De zon rees pas ter middaghoogte;Van morgen stondt ge in volle praal,En nu reeds zijt ge dor en vaalEn zaâmgeschrompeld van de droogte;Kijk! onbewimpeld zeg ik ’t maar,Als Ik zoo’n aardig bloempje waar’,Dan bloeide ik vast het heele jaar!”—Ja! dat is allerliefst bedacht,Als men maar leeft voor pret en pracht,En niet tot werken en tot winnen;De mooije bloempjes, die ge ziet,Die zijn bij mij ’t voornaamste niet....Ik maak de draadjes voor uw linnenEn oliezaden tot gerijf....En als ik nu maar bloeijen blijf,Dan krijg je ligt geen hemd aan ’t lijf.Wanneer de winter komt in ’t land,Dan zult gij menig ijdle plantVertreden op den mesthoop vinden;Maar ik, al ben ik tweemaal dood,Dan leef ik nog voor klein en groot,Want linnen wordt papier, mêvrinden!Daarop leest ieder dan de leer:“Och bloei wat minder, werk wat meer...Van nut zijn, is de kostlijkste eer!”—
“Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,Blaauw bloemetje van ’t groene vlas!De zon rees pas ter middaghoogte;Van morgen stondt ge in volle praal,En nu reeds zijt ge dor en vaalEn zaâmgeschrompeld van de droogte;Kijk! onbewimpeld zeg ik ’t maar,Als Ik zoo’n aardig bloempje waar’,Dan bloeide ik vast het heele jaar!”
“Wat bloeit ge snel, wat welkt ge ras,
Blaauw bloemetje van ’t groene vlas!
De zon rees pas ter middaghoogte;
Van morgen stondt ge in volle praal,
En nu reeds zijt ge dor en vaal
En zaâmgeschrompeld van de droogte;
Kijk! onbewimpeld zeg ik ’t maar,
Als Ik zoo’n aardig bloempje waar’,
Dan bloeide ik vast het heele jaar!”
—Ja! dat is allerliefst bedacht,Als men maar leeft voor pret en pracht,En niet tot werken en tot winnen;De mooije bloempjes, die ge ziet,Die zijn bij mij ’t voornaamste niet....Ik maak de draadjes voor uw linnenEn oliezaden tot gerijf....En als ik nu maar bloeijen blijf,Dan krijg je ligt geen hemd aan ’t lijf.
—Ja! dat is allerliefst bedacht,
Als men maar leeft voor pret en pracht,
En niet tot werken en tot winnen;
De mooije bloempjes, die ge ziet,
Die zijn bij mij ’t voornaamste niet....
Ik maak de draadjes voor uw linnen
En oliezaden tot gerijf....
En als ik nu maar bloeijen blijf,
Dan krijg je ligt geen hemd aan ’t lijf.
Wanneer de winter komt in ’t land,Dan zult gij menig ijdle plantVertreden op den mesthoop vinden;Maar ik, al ben ik tweemaal dood,Dan leef ik nog voor klein en groot,Want linnen wordt papier, mêvrinden!Daarop leest ieder dan de leer:“Och bloei wat minder, werk wat meer...Van nut zijn, is de kostlijkste eer!”—
Wanneer de winter komt in ’t land,
Dan zult gij menig ijdle plant
Vertreden op den mesthoop vinden;
Maar ik, al ben ik tweemaal dood,
Dan leef ik nog voor klein en groot,
Want linnen wordt papier, mêvrinden!
Daarop leest ieder dan de leer:
“Och bloei wat minder, werk wat meer...
Van nut zijn, is de kostlijkste eer!”—
Maandrozen.Dat is groeijen uit den treuren,Dat is bloeijen, altijd klaar!Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,Of er nooit een einde aan waar’.Staat het windeken in ’t zuiĵen,Maandroos bloeit in volle pracht;Plundren haar de hagelbuijen....Eer ze er iets van laat verluiĵen,Bloeit ze weêr in volle kracht.Altijd bloemen, altijd geuren,Altijd knoppen, altijd meer....Maandroos! mogt het ons gebeuren,Onder juichen, onder treuren,Zóó te bloeijen, God ter eer!
Dat is groeijen uit den treuren,Dat is bloeijen, altijd klaar!Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,Of er nooit een einde aan waar’.
Dat is groeijen uit den treuren,
Dat is bloeijen, altijd klaar!
Nieuwe knoppen, nieuwe kleuren,
Nieuwe bloemen, nieuwe geuren,
Of er nooit een einde aan waar’.
Staat het windeken in ’t zuiĵen,Maandroos bloeit in volle pracht;Plundren haar de hagelbuijen....Eer ze er iets van laat verluiĵen,Bloeit ze weêr in volle kracht.
Staat het windeken in ’t zuiĵen,
Maandroos bloeit in volle pracht;
Plundren haar de hagelbuijen....
Eer ze er iets van laat verluiĵen,
Bloeit ze weêr in volle kracht.
Altijd bloemen, altijd geuren,Altijd knoppen, altijd meer....Maandroos! mogt het ons gebeuren,Onder juichen, onder treuren,Zóó te bloeijen, God ter eer!
Altijd bloemen, altijd geuren,
Altijd knoppen, altijd meer....
Maandroos! mogt het ons gebeuren,
Onder juichen, onder treuren,
Zóó te bloeijen, God ter eer!
Een woud-bloempje.Eenzaam bloempjen in het bosch,Diep verscholen onder ’t mos,Niemand slaat uw bloeijen gade;Maar gij bloeit toch evenzeerGod ter eer,En gij dankt voor zijn genadeHem, der Schepping wijzen Heer!Als een bij, in ’t woud verdwaald,Op uw knopjes nederdaalt,Sluit ge uw kelkjes wijder open;En gij denkt in uw gemoed,Hoe uw zoet’t Moêgevlogen, moêgekropenDiertje nu verkwikken moet!o Dan juicht gij, dat Gods handU zoo eenzaam heeft geplant,Om uw laafnis dáár te geven,Waar de bij op ’t doornig pad,Moede en mat,Zeker van gebrek zou sneven,Als zij geen verkwikking had.—Vrome! die, in nedrigheid,Heil op ’t eenzaam pad verspreidt,In uw lot en stand tevreden...Ruil ze niet voor ijdlen schijn,Bloemelijn!—Zalig hij, die, hierbeneden,’t Eenzaam bloempje in ’t woud mag zijn!
Eenzaam bloempjen in het bosch,Diep verscholen onder ’t mos,Niemand slaat uw bloeijen gade;Maar gij bloeit toch evenzeerGod ter eer,En gij dankt voor zijn genadeHem, der Schepping wijzen Heer!
Eenzaam bloempjen in het bosch,
Diep verscholen onder ’t mos,
Niemand slaat uw bloeijen gade;
Maar gij bloeit toch evenzeer
God ter eer,
En gij dankt voor zijn genade
Hem, der Schepping wijzen Heer!
Als een bij, in ’t woud verdwaald,Op uw knopjes nederdaalt,Sluit ge uw kelkjes wijder open;En gij denkt in uw gemoed,Hoe uw zoet’t Moêgevlogen, moêgekropenDiertje nu verkwikken moet!
Als een bij, in ’t woud verdwaald,
Op uw knopjes nederdaalt,
Sluit ge uw kelkjes wijder open;
En gij denkt in uw gemoed,
Hoe uw zoet
’t Moêgevlogen, moêgekropen
Diertje nu verkwikken moet!
o Dan juicht gij, dat Gods handU zoo eenzaam heeft geplant,Om uw laafnis dáár te geven,Waar de bij op ’t doornig pad,Moede en mat,Zeker van gebrek zou sneven,Als zij geen verkwikking had.—
o Dan juicht gij, dat Gods hand
U zoo eenzaam heeft geplant,
Om uw laafnis dáár te geven,
Waar de bij op ’t doornig pad,
Moede en mat,
Zeker van gebrek zou sneven,
Als zij geen verkwikking had.—
Vrome! die, in nedrigheid,Heil op ’t eenzaam pad verspreidt,In uw lot en stand tevreden...Ruil ze niet voor ijdlen schijn,Bloemelijn!—Zalig hij, die, hierbeneden,’t Eenzaam bloempje in ’t woud mag zijn!
Vrome! die, in nedrigheid,
Heil op ’t eenzaam pad verspreidt,
In uw lot en stand tevreden...
Ruil ze niet voor ijdlen schijn,
Bloemelijn!—
Zalig hij, die, hierbeneden,
’t Eenzaam bloempje in ’t woud mag zijn!
Gebroken.Dat ruikertje staat mooi genoeg,’t Staat allerliefst.... o maagdelijn!Maar weet ge wel, dat morgen vroegDe geur en kleur verwelkt zal zijn?Och! dat gij niet méér meêlij hadtMet zooveel kostlijk bloesemblad!Zoo ’t bloempje op stam gebleven was,Het waar’ misschien tot vrucht gegroeid,En zelfs met water in een glasHad het nog dagen lang gebloeid;Maar nu—een uur of wat—hoe kort!En ’t arme bloempjen is verdord.Zoo is ’t ook met des levens vreugd!....Wie al te veel op eens begeert,Die ziet al spoedig, lieve jeugd!Hoe gaauw ’t verflenst is en verteerd!Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...Zoo breek de bloem niet van den boom.
Dat ruikertje staat mooi genoeg,’t Staat allerliefst.... o maagdelijn!Maar weet ge wel, dat morgen vroegDe geur en kleur verwelkt zal zijn?Och! dat gij niet méér meêlij hadtMet zooveel kostlijk bloesemblad!
Dat ruikertje staat mooi genoeg,
’t Staat allerliefst.... o maagdelijn!
Maar weet ge wel, dat morgen vroeg
De geur en kleur verwelkt zal zijn?
Och! dat gij niet méér meêlij hadt
Met zooveel kostlijk bloesemblad!
Zoo ’t bloempje op stam gebleven was,Het waar’ misschien tot vrucht gegroeid,En zelfs met water in een glasHad het nog dagen lang gebloeid;Maar nu—een uur of wat—hoe kort!En ’t arme bloempjen is verdord.
Zoo ’t bloempje op stam gebleven was,
Het waar’ misschien tot vrucht gegroeid,
En zelfs met water in een glas
Had het nog dagen lang gebloeid;
Maar nu—een uur of wat—hoe kort!
En ’t arme bloempjen is verdord.
Zoo is ’t ook met des levens vreugd!....Wie al te veel op eens begeert,Die ziet al spoedig, lieve jeugd!Hoe gaauw ’t verflenst is en verteerd!Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...Zoo breek de bloem niet van den boom.
Zoo is ’t ook met des levens vreugd!....
Wie al te veel op eens begeert,
Die ziet al spoedig, lieve jeugd!
Hoe gaauw ’t verflenst is en verteerd!
Verlangt gij, dat er vrucht van koom?...
Zoo breek de bloem niet van den boom.
Korenbloemen.Blaauwe bloemetjes in ’t koren!Aardig staat gij tusschen ’t graan;Maar een plekje gaat verloren,Waar een rijke halm kon staan.Lieflijk sieraad moogt ge wezen;Maar, zoo ge al te welig groeit,Zou ik (en met reden) vreezen,Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.Als de landman in de vorenKostbre korrels heeft gezaaid,En, in plaats van voedzaam koren,Niet dan blaauwe bloempjes maait,Zal hij ’t land onvruchtbaar noemen,Dat zoo schralen oogst hem gaf—En hij snijdt met regt uw bloemenAls verdervend onkruid af.Daarom, bloemetjes in ’t koren,Weest een siersel, niet een last!’t Best van d’akker gaat verloren,Waar gij al te welig wast.Wilt ook ons de leering geven:“Nut moet vóór genoegen gaan,En ’t vermaak in ieders levenZij eene enkle bloem in ’t graan!”
Blaauwe bloemetjes in ’t koren!Aardig staat gij tusschen ’t graan;Maar een plekje gaat verloren,Waar een rijke halm kon staan.Lieflijk sieraad moogt ge wezen;Maar, zoo ge al te welig groeit,Zou ik (en met reden) vreezen,Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.
Blaauwe bloemetjes in ’t koren!
Aardig staat gij tusschen ’t graan;
Maar een plekje gaat verloren,
Waar een rijke halm kon staan.
Lieflijk sieraad moogt ge wezen;
Maar, zoo ge al te welig groeit,
Zou ik (en met reden) vreezen,
Dat ge gaauw wordt uitgeroeid.
Als de landman in de vorenKostbre korrels heeft gezaaid,En, in plaats van voedzaam koren,Niet dan blaauwe bloempjes maait,Zal hij ’t land onvruchtbaar noemen,Dat zoo schralen oogst hem gaf—En hij snijdt met regt uw bloemenAls verdervend onkruid af.
Als de landman in de voren
Kostbre korrels heeft gezaaid,
En, in plaats van voedzaam koren,
Niet dan blaauwe bloempjes maait,
Zal hij ’t land onvruchtbaar noemen,
Dat zoo schralen oogst hem gaf—
En hij snijdt met regt uw bloemen
Als verdervend onkruid af.
Daarom, bloemetjes in ’t koren,Weest een siersel, niet een last!’t Best van d’akker gaat verloren,Waar gij al te welig wast.Wilt ook ons de leering geven:“Nut moet vóór genoegen gaan,En ’t vermaak in ieders levenZij eene enkle bloem in ’t graan!”
Daarom, bloemetjes in ’t koren,
Weest een siersel, niet een last!
’t Best van d’akker gaat verloren,
Waar gij al te welig wast.
Wilt ook ons de leering geven:
“Nut moet vóór genoegen gaan,
En ’t vermaak in ieders leven
Zij eene enkle bloem in ’t graan!”
Korenären.Korentje, dat er zoo weelderig wast!Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?’k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,Schoon er hun lengte niet half bij u past;Toch staat ge lekker in ’t kleijige land,En ’t is daar ginder meest allemaal zand.’k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,D’akker en ’t oogsten en dorschen onwaard’;Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,Mooglijk uw halmen in ’t vuur gooit bij ’t kaf.’t Vette der aarde, dat was u gegund,Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;Niet, om te worden tot nutteloos stroo,Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.Korentje, dat er zoo weelderig wast!Mogten toch velen uit dorpen en stedenMet me dat paadje langs je akker betreden,Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:Ik voor het minste, dat staat bij me vast,Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.
Korentje, dat er zoo weelderig wast!Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?’k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,Schoon er hun lengte niet half bij u past;Toch staat ge lekker in ’t kleijige land,En ’t is daar ginder meest allemaal zand.
Korentje, dat er zoo weelderig wast!
Hoe zijn uw halmen zoo dun en zoo spichtig?
’k Zie ze daar ginder wel dubbel zoo wigtig,
Schoon er hun lengte niet half bij u past;
Toch staat ge lekker in ’t kleijige land,
En ’t is daar ginder meest allemaal zand.
’k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,D’akker en ’t oogsten en dorschen onwaard’;Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,Mooglijk uw halmen in ’t vuur gooit bij ’t kaf.
’k Vrees, als de landheer zijn koren vergaârt,
Dat hij niet eens u tot schoven laat binden;
Dat hij maar stroo en maar sprieten zal vinden,
D’akker en ’t oogsten en dorschen onwaard’;
Dat hij, te onvreden hoe weinig je gaf,
Mooglijk uw halmen in ’t vuur gooit bij ’t kaf.
’t Vette der aarde, dat was u gegund,Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;Niet, om te worden tot nutteloos stroo,Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.
’t Vette der aarde, dat was u gegund,
Mits ge ook een dubbeltal korrels zoudt geven;
Niet, om alleen voor u zelf maar te leven,
En om te groeijen zoo hoog als ge kunt;
Niet, om te worden tot nutteloos stroo,
Hadt ge die plek en dat akkertje zoo.
Korentje, dat er zoo weelderig wast!Mogten toch velen uit dorpen en stedenMet me dat paadje langs je akker betreden,Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:Ik voor het minste, dat staat bij me vast,Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.
Korentje, dat er zoo weelderig wast!
Mogten toch velen uit dorpen en steden
Met me dat paadje langs je akker betreden,
Ligt dat uw voorbeeld op enklen wel past:
Ik voor het minste, dat staat bij me vast,
Zal er om denken, hoe weeldrig gij wast.
De kromme boom.Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!’t Is haast, alsof gij om wilt zakken;En hoe verward zijn al uw takken,Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;’t Is waar (ik zeg het zonder schroom)Ik vind je leelijk, kromme boom!—Ja, kind! het is zoo als gij zegt,Ik moet mij zelv’ óók leelijk vinden:Had ik mij vroeger laten binden,Dan was ik nu niet krom, maar regt;’k Was dan misschien een pronk van ’t woud...Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.Nog gistren (’k hoorde ’t met verdriet)Zeî tuinman: “Waart ge jong gebogen,Dan stondt gij als een lust der oogen;Nu zijt ge brandhout, anders niet!”Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....Zorg, dat geen mensch ’t ook U eens vind’.—
Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!’t Is haast, alsof gij om wilt zakken;En hoe verward zijn al uw takken,Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;’t Is waar (ik zeg het zonder schroom)Ik vind je leelijk, kromme boom!
Wel, boom, wat zijt ge krom gegroeid!
’t Is haast, alsof gij om wilt zakken;
En hoe verward zijn al uw takken,
Alsof gij nooit nog waart gesnoeid;
’t Is waar (ik zeg het zonder schroom)
Ik vind je leelijk, kromme boom!
—Ja, kind! het is zoo als gij zegt,Ik moet mij zelv’ óók leelijk vinden:Had ik mij vroeger laten binden,Dan was ik nu niet krom, maar regt;’k Was dan misschien een pronk van ’t woud...Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.
—Ja, kind! het is zoo als gij zegt,
Ik moet mij zelv’ óók leelijk vinden:
Had ik mij vroeger laten binden,
Dan was ik nu niet krom, maar regt;
’k Was dan misschien een pronk van ’t woud...
Nu ben ik slechts onbruikbaar hout.
Nog gistren (’k hoorde ’t met verdriet)Zeî tuinman: “Waart ge jong gebogen,Dan stondt gij als een lust der oogen;Nu zijt ge brandhout, anders niet!”Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....Zorg, dat geen mensch ’t ook U eens vind’.—
Nog gistren (’k hoorde ’t met verdriet)
Zeî tuinman: “Waart ge jong gebogen,
Dan stondt gij als een lust der oogen;
Nu zijt ge brandhout, anders niet!”
Gij vindt mij leelijk, lieve kind!....
Zorg, dat geen mensch ’t ook U eens vind’.—
De wijnrank.Gij, arme wijnrank! lig je daarZoo vuil te slingren langs den grond?Wat zijn uw druifjes klein en naar,Onrijp, en zeker ongezond!Kom, als ik je aan de schutting bond,Dan raakte je misschien weêr klaar.—Neen! ’k vrees, mijn kind! ’t is nu te laat....Wanneer dat iemand had gedaan,Toen ’k jong en sterk was—en in staatOm frisch mijn ranken uit te slaan,Dan zou ik nu vol vruchten staan,Zoo zoet en geurig als muskaat.Och! ’t gaat me als menig’ armen man,Die niet in tijds geholpen wordt:Die hulp komt later soms—maar danSchiet moed en lust en kracht te kort....Steun dus de wijnrank eer zij dort,En d’Arme, wen ’t nog baten kan.—
Gij, arme wijnrank! lig je daarZoo vuil te slingren langs den grond?Wat zijn uw druifjes klein en naar,Onrijp, en zeker ongezond!Kom, als ik je aan de schutting bond,Dan raakte je misschien weêr klaar.
Gij, arme wijnrank! lig je daar
Zoo vuil te slingren langs den grond?
Wat zijn uw druifjes klein en naar,
Onrijp, en zeker ongezond!
Kom, als ik je aan de schutting bond,
Dan raakte je misschien weêr klaar.
—Neen! ’k vrees, mijn kind! ’t is nu te laat....Wanneer dat iemand had gedaan,Toen ’k jong en sterk was—en in staatOm frisch mijn ranken uit te slaan,Dan zou ik nu vol vruchten staan,Zoo zoet en geurig als muskaat.
—Neen! ’k vrees, mijn kind! ’t is nu te laat....
Wanneer dat iemand had gedaan,
Toen ’k jong en sterk was—en in staat
Om frisch mijn ranken uit te slaan,
Dan zou ik nu vol vruchten staan,
Zoo zoet en geurig als muskaat.
Och! ’t gaat me als menig’ armen man,Die niet in tijds geholpen wordt:Die hulp komt later soms—maar danSchiet moed en lust en kracht te kort....Steun dus de wijnrank eer zij dort,En d’Arme, wen ’t nog baten kan.—
Och! ’t gaat me als menig’ armen man,
Die niet in tijds geholpen wordt:
Die hulp komt later soms—maar dan
Schiet moed en lust en kracht te kort....
Steun dus de wijnrank eer zij dort,
En d’Arme, wen ’t nog baten kan.—
Bloemen en vogels.De kleine bloempjes op de heide,De kleine vogels in het nest,Zij hebben ’t óók niet altoos best,Maar worden dan toch groot op ’t lest...De Heer des Hemels zorgt voor beide;En dikwijls waakt een vrome handVoor vogelijn en heideplant.Dàn kunnen ze onbekommerd groeijenEn krachten putten uit den nood:Des vogels lied juicht: “God is groot”!...De plant geeft bloesems, wit en rood,En zoete geuren onder ’t bloeijen;En beide danken God den Heer,En wie hen kweekte, Hem ter eer.Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!Gij wilde vogels, plantjes teêr!Ook u beschermt des Hemels Heer;Zijn Geest daalt in de harten neêr,Opdat ze u hulp en schuts verleenen.o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,Gij wilde vogels—plantjes teêr!
De kleine bloempjes op de heide,De kleine vogels in het nest,Zij hebben ’t óók niet altoos best,Maar worden dan toch groot op ’t lest...De Heer des Hemels zorgt voor beide;En dikwijls waakt een vrome handVoor vogelijn en heideplant.
De kleine bloempjes op de heide,
De kleine vogels in het nest,
Zij hebben ’t óók niet altoos best,
Maar worden dan toch groot op ’t lest...
De Heer des Hemels zorgt voor beide;
En dikwijls waakt een vrome hand
Voor vogelijn en heideplant.
Dàn kunnen ze onbekommerd groeijenEn krachten putten uit den nood:Des vogels lied juicht: “God is groot”!...De plant geeft bloesems, wit en rood,En zoete geuren onder ’t bloeijen;En beide danken God den Heer,En wie hen kweekte, Hem ter eer.
Dàn kunnen ze onbekommerd groeijen
En krachten putten uit den nood:
Des vogels lied juicht: “God is groot”!...
De plant geeft bloesems, wit en rood,
En zoete geuren onder ’t bloeijen;
En beide danken God den Heer,
En wie hen kweekte, Hem ter eer.
Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!Gij wilde vogels, plantjes teêr!Ook u beschermt des Hemels Heer;Zijn Geest daalt in de harten neêr,Opdat ze u hulp en schuts verleenen.o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,Gij wilde vogels—plantjes teêr!
Gij knapen, meisjes, dartle kleenen!
Gij wilde vogels, plantjes teêr!
Ook u beschermt des Hemels Heer;
Zijn Geest daalt in de harten neêr,
Opdat ze u hulp en schuts verleenen.
o Zingt en bloeit dan Hem ter eer,
Gij wilde vogels—plantjes teêr!
Haantje.Haantje, haantje, koekeloer!Wat een stappen,Wat een grappenMaak je, voor een handje voêr!’k Denk, als Ik zoo’n spuls moest maken,Eer ik wat te bikken had,Eer ik aan den kost kon raken....Dat ik liever nooit weêr at.—Dwaze knaap, onnoozle bloed!Al dat pratenZoudt ge laten,Waren je ouders niet zoo goed;’k Zal, als te avond of te morgenOok Uw disch niet is gedekt,En ge eens voor u zelv’ moet zorgen,Zien, wat voor gezigt gij trekt.Als gij de ouders eens verliest,Die u gevenOm te leven,Zal het blijken wat gij kiest;’k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!Zoo ge ondankbaar blijft en traag,Nog wel àndre kromme sprongenVoor het vullen van uw maag.—
Haantje, haantje, koekeloer!Wat een stappen,Wat een grappenMaak je, voor een handje voêr!’k Denk, als Ik zoo’n spuls moest maken,Eer ik wat te bikken had,Eer ik aan den kost kon raken....Dat ik liever nooit weêr at.
Haantje, haantje, koekeloer!
Wat een stappen,
Wat een grappen
Maak je, voor een handje voêr!
’k Denk, als Ik zoo’n spuls moest maken,
Eer ik wat te bikken had,
Eer ik aan den kost kon raken....
Dat ik liever nooit weêr at.
—Dwaze knaap, onnoozle bloed!Al dat pratenZoudt ge laten,Waren je ouders niet zoo goed;’k Zal, als te avond of te morgenOok Uw disch niet is gedekt,En ge eens voor u zelv’ moet zorgen,Zien, wat voor gezigt gij trekt.
—Dwaze knaap, onnoozle bloed!
Al dat praten
Zoudt ge laten,
Waren je ouders niet zoo goed;
’k Zal, als te avond of te morgen
Ook Uw disch niet is gedekt,
En ge eens voor u zelv’ moet zorgen,
Zien, wat voor gezigt gij trekt.
Als gij de ouders eens verliest,Die u gevenOm te leven,Zal het blijken wat gij kiest;’k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!Zoo ge ondankbaar blijft en traag,Nog wel àndre kromme sprongenVoor het vullen van uw maag.—
Als gij de ouders eens verliest,
Die u geven
Om te leven,
Zal het blijken wat gij kiest;
’k Denk, dan maakt ge, onnoozle jongen!
Zoo ge ondankbaar blijft en traag,
Nog wel àndre kromme sprongen
Voor het vullen van uw maag.—
De mieren.Wilt gij in uw jonge jarenWijsheid gâren,Komt dan, kinders, komt dan hier!Ziet die rappe, kleine mierSlaven, draven, gâren, sparen,Of ze ’t deed voor haar plêzier....Jongens! wat een aardig dier!Zoo te werken, zoo te zwoegen,Is genoegenOm te zien en om te doen:Voorraad, in het goed saizoen,Voor den winter zaâm te voegen,Als er vruchten zijn noch groen....Kinders! ’k raad je ’t ook te doen.Luije meisjes, luije knapen!Gapen, slapen.....Doet gij ’t in uw’ jonger’ tijd,’k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.—Leert ge dus geen voorraad rapen,’k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)Dommer dan de mieren zijt.
Wilt gij in uw jonge jarenWijsheid gâren,Komt dan, kinders, komt dan hier!Ziet die rappe, kleine mierSlaven, draven, gâren, sparen,Of ze ’t deed voor haar plêzier....Jongens! wat een aardig dier!
Wilt gij in uw jonge jaren
Wijsheid gâren,
Komt dan, kinders, komt dan hier!
Ziet die rappe, kleine mier
Slaven, draven, gâren, sparen,
Of ze ’t deed voor haar plêzier....
Jongens! wat een aardig dier!
Zoo te werken, zoo te zwoegen,Is genoegenOm te zien en om te doen:Voorraad, in het goed saizoen,Voor den winter zaâm te voegen,Als er vruchten zijn noch groen....Kinders! ’k raad je ’t ook te doen.
Zoo te werken, zoo te zwoegen,
Is genoegen
Om te zien en om te doen:
Voorraad, in het goed saizoen,
Voor den winter zaâm te voegen,
Als er vruchten zijn noch groen....
Kinders! ’k raad je ’t ook te doen.
Luije meisjes, luije knapen!Gapen, slapen.....Doet gij ’t in uw’ jonger’ tijd,’k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.—Leert ge dus geen voorraad rapen,’k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)Dommer dan de mieren zijt.
Luije meisjes, luije knapen!
Gapen, slapen.....
Doet gij ’t in uw’ jonger’ tijd,
’k Vrees, dat ge ouder honger lijdt.—
Leert ge dus geen voorraad rapen,
’k Zeg u: dat ge (tot mijn spijt)
Dommer dan de mieren zijt.
Zoet en bitter.De bij gaart uit den zoeten knopEn uit het bittre kruidDe reinste en beste sappen opEn puurt er zuivren honig uit:’k Hoop niet, dat iemand dommer zij,Mijn kind! dan zulk een kleine bij!De goede God gaf u verstand,En kloekheid van gemoed,Een scherpziend oog, een rappe hand,Een fijn gehoor, een’ vluggen voet....En wat de bij, onwetend, kan,Daar weet Gij doel en oorzaak van.Dus—ziet gij ’t aardig diertjen aan,En hoe ’t zijn taak verrigt,Zorg dan om niet beschaamd te staan,Maar doe, met dubblen lust, Uw’ pligt;En vindt ge zoet of bitter kruid,Och, puur er steeds den honig uit!
De bij gaart uit den zoeten knopEn uit het bittre kruidDe reinste en beste sappen opEn puurt er zuivren honig uit:’k Hoop niet, dat iemand dommer zij,Mijn kind! dan zulk een kleine bij!
De bij gaart uit den zoeten knop
En uit het bittre kruid
De reinste en beste sappen op
En puurt er zuivren honig uit:
’k Hoop niet, dat iemand dommer zij,
Mijn kind! dan zulk een kleine bij!
De goede God gaf u verstand,En kloekheid van gemoed,Een scherpziend oog, een rappe hand,Een fijn gehoor, een’ vluggen voet....En wat de bij, onwetend, kan,Daar weet Gij doel en oorzaak van.
De goede God gaf u verstand,
En kloekheid van gemoed,
Een scherpziend oog, een rappe hand,
Een fijn gehoor, een’ vluggen voet....
En wat de bij, onwetend, kan,
Daar weet Gij doel en oorzaak van.
Dus—ziet gij ’t aardig diertjen aan,En hoe ’t zijn taak verrigt,Zorg dan om niet beschaamd te staan,Maar doe, met dubblen lust, Uw’ pligt;En vindt ge zoet of bitter kruid,Och, puur er steeds den honig uit!
Dus—ziet gij ’t aardig diertjen aan,
En hoe ’t zijn taak verrigt,
Zorg dan om niet beschaamd te staan,
Maar doe, met dubblen lust, Uw’ pligt;
En vindt ge zoet of bitter kruid,
Och, puur er steeds den honig uit!
Het doode mugje.Dood is het mugje!.... met uw handHebt gij ’t, o knaapje! doodgeslagen;Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!Hoe of ’t u zelven zou behagen,Wanneer nu eens een olifantU ’t zelfde deed, met snuit of tand?Ja, zie! nu doet het u verdriet;Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-evenDat arme beest niet leven liet.Voor ditmaal zij het u vergeven!—Maar doe dan ook een’ ander’ nietWat gij niet wilt, dat u geschied’.
Dood is het mugje!.... met uw handHebt gij ’t, o knaapje! doodgeslagen;Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!Hoe of ’t u zelven zou behagen,Wanneer nu eens een olifantU ’t zelfde deed, met snuit of tand?
Dood is het mugje!.... met uw hand
Hebt gij ’t, o knaapje! doodgeslagen;
Maar dacht ge wel, mijn jonge kwant!
Hoe of ’t u zelven zou behagen,
Wanneer nu eens een olifant
U ’t zelfde deed, met snuit of tand?
Ja, zie! nu doet het u verdriet;Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-evenDat arme beest niet leven liet.Voor ditmaal zij het u vergeven!—Maar doe dan ook een’ ander’ nietWat gij niet wilt, dat u geschied’.
Ja, zie! nu doet het u verdriet;
Nu hebt ge rouw, dat gij zoo-even
Dat arme beest niet leven liet.
Voor ditmaal zij het u vergeven!—
Maar doe dan ook een’ ander’ niet
Wat gij niet wilt, dat u geschied’.
Glimworm.Gij mooije glimworm, die in ’t woudDes nachts zoo helder blinkt door ’t hout,Alsof het sappig groen der bladenMet diamanten is beladen,Och! zeg me eens (zoo ik ’t weten mag)Waarom glim je ook niet over dag?Als Ik zoo prachtig licht kon geven,Dan deed ik ’t vast mijn heele leven,En niet alleen, dat waar’ gewis,Als ’t donker is.—Wel, kind! ik zeg ’t je met plêzier;En, ben ik maar een simpel dier,Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...Wanneer de warme zonnestralenEen stroom van licht, een stroom van goudDoen vloeijen over veld en woud,Zou ’k vreezen heel verwaand te ’lijkenAls ik mijn’ zwakken glans liet kijken;En deed ik ’t al... ’k wed, dat bij dagToch niemand ’t zag.Och! denk om mij, mijn lieve kind!Als gij bij andren u bevindt,Die, als een zon, met warme stralenVan liefheid, deugd of kennis pralen;Hoû dan bescheiden ’t mondje toeEn wacht, gelijk ik zelf het doe,Tot gij, wanneer die andren zwijgen,In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,Geef dan uw licht.—
Gij mooije glimworm, die in ’t woudDes nachts zoo helder blinkt door ’t hout,Alsof het sappig groen der bladenMet diamanten is beladen,Och! zeg me eens (zoo ik ’t weten mag)Waarom glim je ook niet over dag?Als Ik zoo prachtig licht kon geven,Dan deed ik ’t vast mijn heele leven,En niet alleen, dat waar’ gewis,Als ’t donker is.
Gij mooije glimworm, die in ’t woud
Des nachts zoo helder blinkt door ’t hout,
Alsof het sappig groen der bladen
Met diamanten is beladen,
Och! zeg me eens (zoo ik ’t weten mag)
Waarom glim je ook niet over dag?
Als Ik zoo prachtig licht kon geven,
Dan deed ik ’t vast mijn heele leven,
En niet alleen, dat waar’ gewis,
Als ’t donker is.
—Wel, kind! ik zeg ’t je met plêzier;En, ben ik maar een simpel dier,Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...Wanneer de warme zonnestralenEen stroom van licht, een stroom van goudDoen vloeijen over veld en woud,Zou ’k vreezen heel verwaand te ’lijkenAls ik mijn’ zwakken glans liet kijken;En deed ik ’t al... ’k wed, dat bij dagToch niemand ’t zag.
—Wel, kind! ik zeg ’t je met plêzier;
En, ben ik maar een simpel dier,
Toch kunt ge er mooglijk nut uit halen...
Wanneer de warme zonnestralen
Een stroom van licht, een stroom van goud
Doen vloeijen over veld en woud,
Zou ’k vreezen heel verwaand te ’lijken
Als ik mijn’ zwakken glans liet kijken;
En deed ik ’t al... ’k wed, dat bij dag
Toch niemand ’t zag.
Och! denk om mij, mijn lieve kind!Als gij bij andren u bevindt,Die, als een zon, met warme stralenVan liefheid, deugd of kennis pralen;Hoû dan bescheiden ’t mondje toeEn wacht, gelijk ik zelf het doe,Tot gij, wanneer die andren zwijgen,In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,Geef dan uw licht.—
Och! denk om mij, mijn lieve kind!
Als gij bij andren u bevindt,
Die, als een zon, met warme stralen
Van liefheid, deugd of kennis pralen;
Hoû dan bescheiden ’t mondje toe
En wacht, gelijk ik zelf het doe,
Tot gij, wanneer die andren zwijgen,
In ootmoed ook een beurt kunt krijgen....
Slechts als ge er nut of vreugd door sticht,
Geef dan uw licht.—
Zwaantje.Zwaantje, met uw witte pluimen,Met uw vlerken groot en wijd!’k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,Als ge ’t water zoo doet schuimen!Al de vogels klein en teêrJaagt gij weg van beek en vlieten,En de schuchtre vischjes schietenHaastig in de diepte neêr.Mooi, dat zijt ge boven velen,Slank en statig buiten kijf;Kostbaar dons bedekt uw lijf;Maar, wat kan dat andren schelen?Zie dien kleinen nachtegaal,Graauw en pover in de veêren,—Maar wat kan hij kwinkeleren....Zwaanlief! hè! dat ’s meer dan praal?Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,’k Wed, dat gij, door heel de streek,Als het siersel van de beekWordt bewonderd en geprezen:Maar blijft gij zoo trotsch en fier,’k Zeg dan, als ik u hoor gagglenEn op ganzenpoot zie wagglen....Och, ’t is toch een ak’lig dier!
Zwaantje, met uw witte pluimen,Met uw vlerken groot en wijd!’k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,Als ge ’t water zoo doet schuimen!Al de vogels klein en teêrJaagt gij weg van beek en vlieten,En de schuchtre vischjes schietenHaastig in de diepte neêr.
Zwaantje, met uw witte pluimen,
Met uw vlerken groot en wijd!
’k Zie het wel, hoe trotsch ge zijt,
Als ge ’t water zoo doet schuimen!
Al de vogels klein en teêr
Jaagt gij weg van beek en vlieten,
En de schuchtre vischjes schieten
Haastig in de diepte neêr.
Mooi, dat zijt ge boven velen,Slank en statig buiten kijf;Kostbaar dons bedekt uw lijf;Maar, wat kan dat andren schelen?Zie dien kleinen nachtegaal,Graauw en pover in de veêren,—Maar wat kan hij kwinkeleren....Zwaanlief! hè! dat ’s meer dan praal?
Mooi, dat zijt ge boven velen,
Slank en statig buiten kijf;
Kostbaar dons bedekt uw lijf;
Maar, wat kan dat andren schelen?
Zie dien kleinen nachtegaal,
Graauw en pover in de veêren,—
Maar wat kan hij kwinkeleren....
Zwaanlief! hè! dat ’s meer dan praal?
Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,’k Wed, dat gij, door heel de streek,Als het siersel van de beekWordt bewonderd en geprezen:Maar blijft gij zoo trotsch en fier,’k Zeg dan, als ik u hoor gagglenEn op ganzenpoot zie wagglen....Och, ’t is toch een ak’lig dier!
Zwaantje! wilt gij nedrig wezen,
’k Wed, dat gij, door heel de streek,
Als het siersel van de beek
Wordt bewonderd en geprezen:
Maar blijft gij zoo trotsch en fier,
’k Zeg dan, als ik u hoor gagglen
En op ganzenpoot zie wagglen....
Och, ’t is toch een ak’lig dier!
Ooijevaar.Ooijevaar, lepelaar!’k Zit zoo graag naar u te kijken,Als gij (dragend dat ge zweet)Door de heldre lucht komt strijken—En van rust noch poozen weet,Voor’ uw nest, geheel gereed,Hoog in d’eikenboom mag prijken.Ooijevaar, lepelaar!Als ge dan nog vele wekenZoo geduldig de eijers broedt,En—als ’t jong er uit komt breken,’t Met zoo trouwe liefde voedt,Zie, dan vind ik u zóó goed,Dat ik ’t haast niet uit kan spreken!—Lieve vrind, aardig kind!’k Dank u voor uw vriendlijkheden!Maar, hebt gij weleens bedacht,Wat Uw Ouders voor U dedenSinds men u ter wereld bragt,En hoe ze altijd, dag en nacht,Nòg hun moeite aan u besteden?Lieve vrind, aardig kind!Breng het telkens u te binnen:Ik zorg weinig maanden maar,Zie!.... doch de ouders, die u minnen,Zorgen reeds zoo ménig jaar....Dàt is liefde en trouw, voorwaar!Die ’t van mijne ver nog winnen!—
Ooijevaar, lepelaar!’k Zit zoo graag naar u te kijken,Als gij (dragend dat ge zweet)Door de heldre lucht komt strijken—En van rust noch poozen weet,Voor’ uw nest, geheel gereed,Hoog in d’eikenboom mag prijken.
Ooijevaar, lepelaar!
’k Zit zoo graag naar u te kijken,
Als gij (dragend dat ge zweet)
Door de heldre lucht komt strijken—
En van rust noch poozen weet,
Voor’ uw nest, geheel gereed,
Hoog in d’eikenboom mag prijken.
Ooijevaar, lepelaar!Als ge dan nog vele wekenZoo geduldig de eijers broedt,En—als ’t jong er uit komt breken,’t Met zoo trouwe liefde voedt,Zie, dan vind ik u zóó goed,Dat ik ’t haast niet uit kan spreken!
Ooijevaar, lepelaar!
Als ge dan nog vele weken
Zoo geduldig de eijers broedt,
En—als ’t jong er uit komt breken,
’t Met zoo trouwe liefde voedt,
Zie, dan vind ik u zóó goed,
Dat ik ’t haast niet uit kan spreken!
—Lieve vrind, aardig kind!’k Dank u voor uw vriendlijkheden!Maar, hebt gij weleens bedacht,Wat Uw Ouders voor U dedenSinds men u ter wereld bragt,En hoe ze altijd, dag en nacht,Nòg hun moeite aan u besteden?
—Lieve vrind, aardig kind!
’k Dank u voor uw vriendlijkheden!
Maar, hebt gij weleens bedacht,
Wat Uw Ouders voor U deden
Sinds men u ter wereld bragt,
En hoe ze altijd, dag en nacht,
Nòg hun moeite aan u besteden?
Lieve vrind, aardig kind!Breng het telkens u te binnen:Ik zorg weinig maanden maar,Zie!.... doch de ouders, die u minnen,Zorgen reeds zoo ménig jaar....Dàt is liefde en trouw, voorwaar!Die ’t van mijne ver nog winnen!—
Lieve vrind, aardig kind!
Breng het telkens u te binnen:
Ik zorg weinig maanden maar,
Zie!.... doch de ouders, die u minnen,
Zorgen reeds zoo ménig jaar....
Dàt is liefde en trouw, voorwaar!
Die ’t van mijne ver nog winnen!—
Een middagslaapje.Wie rusten wil in ’t groene woud,Wie rusten wil met lusten,Hij kieze een plekje, digt in ’t houtEn vlijê zich tot rusten;Een peluwtje van mollig mos,Een kussentje van varenEn een gordijn van blâren.....Geeft zoeten middagslaap in ’t bosch.De hemel van het ledekantBlinkt prachtig-blaauw door ’t loover,De heesters slingren om den rand,De bloesem hangt er over;Het koeltje fluistert met de vliet,De dartle vlinders spelen,De nachtegalen kwelen....Is ’t niet eenlieflijkwiegelied?En ’t best is: dat het groene woudMet koelte en rust u lavend,Van u geen zilver vraagt of goud,Al slaapt gij tot den avend;’t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...De slaapsteê is voor allen!En is ze u goed bevallen,Dan krijgt gij ’t avondgoud nog toe!
Wie rusten wil in ’t groene woud,Wie rusten wil met lusten,Hij kieze een plekje, digt in ’t houtEn vlijê zich tot rusten;Een peluwtje van mollig mos,Een kussentje van varenEn een gordijn van blâren.....Geeft zoeten middagslaap in ’t bosch.
Wie rusten wil in ’t groene woud,
Wie rusten wil met lusten,
Hij kieze een plekje, digt in ’t hout
En vlijê zich tot rusten;
Een peluwtje van mollig mos,
Een kussentje van varen
En een gordijn van blâren.....
Geeft zoeten middagslaap in ’t bosch.
De hemel van het ledekantBlinkt prachtig-blaauw door ’t loover,De heesters slingren om den rand,De bloesem hangt er over;Het koeltje fluistert met de vliet,De dartle vlinders spelen,De nachtegalen kwelen....Is ’t niet eenlieflijkwiegelied?
De hemel van het ledekant
Blinkt prachtig-blaauw door ’t loover,
De heesters slingren om den rand,
De bloesem hangt er over;
Het koeltje fluistert met de vliet,
De dartle vlinders spelen,
De nachtegalen kwelen....
Is ’t niet eenlieflijkwiegelied?
En ’t best is: dat het groene woudMet koelte en rust u lavend,Van u geen zilver vraagt of goud,Al slaapt gij tot den avend;’t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...De slaapsteê is voor allen!En is ze u goed bevallen,Dan krijgt gij ’t avondgoud nog toe!
En ’t best is: dat het groene woud
Met koelte en rust u lavend,
Van u geen zilver vraagt of goud,
Al slaapt gij tot den avend;
’t Vraagt enkel: zijt gij mat, of moê?...
De slaapsteê is voor allen!
En is ze u goed bevallen,
Dan krijgt gij ’t avondgoud nog toe!
Doen en laten.Wat ge doet of niet en doet,Flinke jongens, knappe meiden!Laat Voorzigtigheid den SpoedZachtjes bij de hand geleiden;Maar denkt altijd, dat gij ’t KwaadHaast wel nooit te langzaam laat.Wat ge laat of niet en laat,Knappe deerens, flinke knapen!Haastig geef Voorzigtig raad,Niet, bij ondeugd, in te slapen;Och! denkt altijd, dat gij ’t GoedHaast wel nooit te langzaam doet.Wat ge laat of wat ge doet,Flinke jongens, knappe meiden!Zij niet sneller dan het moet:Doch, wil iemand u verleidenTot iets boos—zegt dàn, met spoed:“’k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!”
Wat ge doet of niet en doet,Flinke jongens, knappe meiden!Laat Voorzigtigheid den SpoedZachtjes bij de hand geleiden;Maar denkt altijd, dat gij ’t KwaadHaast wel nooit te langzaam laat.
Wat ge doet of niet en doet,
Flinke jongens, knappe meiden!
Laat Voorzigtigheid den Spoed
Zachtjes bij de hand geleiden;
Maar denkt altijd, dat gij ’t Kwaad
Haast wel nooit te langzaam laat.
Wat ge laat of niet en laat,Knappe deerens, flinke knapen!Haastig geef Voorzigtig raad,Niet, bij ondeugd, in te slapen;Och! denkt altijd, dat gij ’t GoedHaast wel nooit te langzaam doet.
Wat ge laat of niet en laat,
Knappe deerens, flinke knapen!
Haastig geef Voorzigtig raad,
Niet, bij ondeugd, in te slapen;
Och! denkt altijd, dat gij ’t Goed
Haast wel nooit te langzaam doet.
Wat ge laat of wat ge doet,Flinke jongens, knappe meiden!Zij niet sneller dan het moet:Doch, wil iemand u verleidenTot iets boos—zegt dàn, met spoed:“’k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!”
Wat ge laat of wat ge doet,
Flinke jongens, knappe meiden!
Zij niet sneller dan het moet:
Doch, wil iemand u verleiden
Tot iets boos—zegt dàn, met spoed:
“’k Ben, voor kwaad doen, veel te goed!”
Zwemmen.Wilt ge koeling voor den gloedVan de felle Zomerzon?In het vocht van de bron,In den stroom, in den vloed...Knapen!—in de frissche wellenVoelt ge uw kracht zich weêr herstellen,Als het natU omspat!Duik omlaag en spring omhoog,Klief den stroom met forsche spier,Wend en keer, zwenk en zwier....Als een pijl van den boogKnapen! moogt ge voorwaarts schieten;’t Zal u kracht in de aders gieten,Als het natU omspat.Blijv’ de bloodaard aan het strand,Blijv’ de lafaard op den dijk,Waterland, Waterland,Gij zijt ons Koninkrijk!Uit het diepste van de stroomenIs Oud-Neêrlands kracht gekomen;Haal dien schatWeêr uit ’t nat!
Wilt ge koeling voor den gloedVan de felle Zomerzon?In het vocht van de bron,In den stroom, in den vloed...Knapen!—in de frissche wellenVoelt ge uw kracht zich weêr herstellen,Als het natU omspat!
Wilt ge koeling voor den gloed
Van de felle Zomerzon?
In het vocht van de bron,
In den stroom, in den vloed...
Knapen!—in de frissche wellen
Voelt ge uw kracht zich weêr herstellen,
Als het nat
U omspat!
Duik omlaag en spring omhoog,Klief den stroom met forsche spier,Wend en keer, zwenk en zwier....Als een pijl van den boogKnapen! moogt ge voorwaarts schieten;’t Zal u kracht in de aders gieten,Als het natU omspat.
Duik omlaag en spring omhoog,
Klief den stroom met forsche spier,
Wend en keer, zwenk en zwier....
Als een pijl van den boog
Knapen! moogt ge voorwaarts schieten;
’t Zal u kracht in de aders gieten,
Als het nat
U omspat.
Blijv’ de bloodaard aan het strand,Blijv’ de lafaard op den dijk,Waterland, Waterland,Gij zijt ons Koninkrijk!Uit het diepste van de stroomenIs Oud-Neêrlands kracht gekomen;Haal dien schatWeêr uit ’t nat!
Blijv’ de bloodaard aan het strand,
Blijv’ de lafaard op den dijk,
Waterland, Waterland,
Gij zijt ons Koninkrijk!
Uit het diepste van de stroomen
Is Oud-Neêrlands kracht gekomen;
Haal dien schat
Weêr uit ’t nat!
Regtop.Regtop van lijf, regtop van ziel,Dat is een stand naar mijn behagen.’t Zij, dat ge een’ staatsierok moogt dragen,’t Zij, dat ge een’ buis draagt of een kiel...Regtop van lijf, regtop van ziel!En buig’ men ooit zijn hoofd of knie,’t Zij dan alleen voor God, den Heere!Voor elk, wien men als braver eere,Voor ieder, dien men wijzer zie....Voordieslechts buig’ men hoofd of knie.Maar anders—regt van lijf en ziel,In vreugd of leed, door heel ons leven!Niet links, niet regts, maar ’t hoofd geheven,Wat of er buig’, wat of er kniel’....Dat ’s Nederlandsch, naar lijf en ziel!
Regtop van lijf, regtop van ziel,Dat is een stand naar mijn behagen.’t Zij, dat ge een’ staatsierok moogt dragen,’t Zij, dat ge een’ buis draagt of een kiel...Regtop van lijf, regtop van ziel!
Regtop van lijf, regtop van ziel,
Dat is een stand naar mijn behagen.
’t Zij, dat ge een’ staatsierok moogt dragen,
’t Zij, dat ge een’ buis draagt of een kiel...
Regtop van lijf, regtop van ziel!
En buig’ men ooit zijn hoofd of knie,’t Zij dan alleen voor God, den Heere!Voor elk, wien men als braver eere,Voor ieder, dien men wijzer zie....Voordieslechts buig’ men hoofd of knie.
En buig’ men ooit zijn hoofd of knie,
’t Zij dan alleen voor God, den Heere!
Voor elk, wien men als braver eere,
Voor ieder, dien men wijzer zie....
Voordieslechts buig’ men hoofd of knie.
Maar anders—regt van lijf en ziel,In vreugd of leed, door heel ons leven!Niet links, niet regts, maar ’t hoofd geheven,Wat of er buig’, wat of er kniel’....Dat ’s Nederlandsch, naar lijf en ziel!
Maar anders—regt van lijf en ziel,
In vreugd of leed, door heel ons leven!
Niet links, niet regts, maar ’t hoofd geheven,
Wat of er buig’, wat of er kniel’....
Dat ’s Nederlandsch, naar lijf en ziel!
De langste dag.Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men mij om raad woû vragen,Maakte ik honderd langste dagen.—Wie het eerst ten bedde uit was,Maakt den langsten dag;Wie het knapst en vlijtig was,Maakt den langsten dag;Wie de liefste en braafste was,Maakt den langsten dag.Dat kan je immers alle dagen,Driemaal honderd zestig keer,Ja, al was het vijfmaal meer,Zonder d’Almanak te vragen:Deedt gij ’t flink en met verstand,Ware ’t ook maar honderd malen,Laat ons dan in koor herhalen,Vrolijk dansend hand aan hand:Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men ons om raad wil vragen.Zijn er honderd langste dagen!
Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men mij om raad woû vragen,Maakte ik honderd langste dagen.—
Almanak,
Leugenzak!
Och, ’t is klaar,
Je fopt ons maar;
Slechts één langste dag in ’t jaar?
Als men mij om raad woû vragen,
Maakte ik honderd langste dagen.—
Wie het eerst ten bedde uit was,Maakt den langsten dag;Wie het knapst en vlijtig was,Maakt den langsten dag;Wie de liefste en braafste was,Maakt den langsten dag.
Wie het eerst ten bedde uit was,
Maakt den langsten dag;
Wie het knapst en vlijtig was,
Maakt den langsten dag;
Wie de liefste en braafste was,
Maakt den langsten dag.
Dat kan je immers alle dagen,Driemaal honderd zestig keer,Ja, al was het vijfmaal meer,Zonder d’Almanak te vragen:
Dat kan je immers alle dagen,
Driemaal honderd zestig keer,
Ja, al was het vijfmaal meer,
Zonder d’Almanak te vragen:
Deedt gij ’t flink en met verstand,Ware ’t ook maar honderd malen,Laat ons dan in koor herhalen,Vrolijk dansend hand aan hand:
Deedt gij ’t flink en met verstand,
Ware ’t ook maar honderd malen,
Laat ons dan in koor herhalen,
Vrolijk dansend hand aan hand:
Almanak,Leugenzak!Och, ’t is klaar,Je fopt ons maar;Slechts één langste dag in ’t jaar?Als men ons om raad wil vragen.Zijn er honderd langste dagen!
Almanak,
Leugenzak!
Och, ’t is klaar,
Je fopt ons maar;
Slechts één langste dag in ’t jaar?
Als men ons om raad wil vragen.
Zijn er honderd langste dagen!
Medicijn.Weet ge ’t?—bitter in den mondIs voor ’t kranke hart gezond!Ril niet voor dat leelijk drankje;Slik het kloek en handig door,Laat geen’ druppel gaan te loor;’k Wed, ten laatste zeg je: dank je!Weet ge ’t?—bitter voor ’t gemoedIs der kranke ziele goed!Moog’ ook ’t slikken moeilijk wezen,Als ge beter weêr zult zijn,Dankt gij voor die medicijn,Die zoo goed u heeft genezen!
Weet ge ’t?—bitter in den mondIs voor ’t kranke hart gezond!Ril niet voor dat leelijk drankje;Slik het kloek en handig door,Laat geen’ druppel gaan te loor;’k Wed, ten laatste zeg je: dank je!
Weet ge ’t?—bitter in den mond
Is voor ’t kranke hart gezond!
Ril niet voor dat leelijk drankje;
Slik het kloek en handig door,
Laat geen’ druppel gaan te loor;
’k Wed, ten laatste zeg je: dank je!
Weet ge ’t?—bitter voor ’t gemoedIs der kranke ziele goed!Moog’ ook ’t slikken moeilijk wezen,Als ge beter weêr zult zijn,Dankt gij voor die medicijn,Die zoo goed u heeft genezen!
Weet ge ’t?—bitter voor ’t gemoed
Is der kranke ziele goed!
Moog’ ook ’t slikken moeilijk wezen,
Als ge beter weêr zult zijn,
Dankt gij voor die medicijn,
Die zoo goed u heeft genezen!
Voorzigtig.Kindren, brandt je bekje niet!Beter is ’t wat hard geblazen,Kleine bazen!En een beetje meer geduld,Dan te krijgen door uw schuldHier een blaar en daar een’ bult.Kindren, brandt je handjes niet!Beter is ’t niets aan te raken,Kleine snaken!Dan te merken naderhand,Tot uw schaê en tot uw schand’,Dat ge uw pootjes hebt gebrand.Kindren, brandt je hartjes niet!Dat zou ’k nog het ergste vinden,Kleine vrinden!Dat geeft vlekken, bruin en zwart,Dat geeft plekken, ruw en hard,Dat geeft eeuw’ge rouw en smart.
Kindren, brandt je bekje niet!Beter is ’t wat hard geblazen,Kleine bazen!En een beetje meer geduld,Dan te krijgen door uw schuldHier een blaar en daar een’ bult.
Kindren, brandt je bekje niet!
Beter is ’t wat hard geblazen,
Kleine bazen!
En een beetje meer geduld,
Dan te krijgen door uw schuld
Hier een blaar en daar een’ bult.
Kindren, brandt je handjes niet!Beter is ’t niets aan te raken,Kleine snaken!Dan te merken naderhand,Tot uw schaê en tot uw schand’,Dat ge uw pootjes hebt gebrand.
Kindren, brandt je handjes niet!
Beter is ’t niets aan te raken,
Kleine snaken!
Dan te merken naderhand,
Tot uw schaê en tot uw schand’,
Dat ge uw pootjes hebt gebrand.
Kindren, brandt je hartjes niet!Dat zou ’k nog het ergste vinden,Kleine vrinden!Dat geeft vlekken, bruin en zwart,Dat geeft plekken, ruw en hard,Dat geeft eeuw’ge rouw en smart.
Kindren, brandt je hartjes niet!
Dat zou ’k nog het ergste vinden,
Kleine vrinden!
Dat geeft vlekken, bruin en zwart,
Dat geeft plekken, ruw en hard,
Dat geeft eeuw’ge rouw en smart.
Smakelijk eten.Wie ’t lekkerst eet en altijd graag.....Dàt weet ik en ter dege:—Die daaglijks van zijn volle maagIets afhoudt voor een leêge!Het beste middel tot aptijt,Dat ’k ooit nog heb geweten,Dat is: een’ man, die honger lijdt,Eens smaaklijk te zien eten!Of gij dus weinig hebt of veel....Mogt gij regt smullen willen,Laat dan het halfjen of een deelDer armren honger stillen.
Wie ’t lekkerst eet en altijd graag.....Dàt weet ik en ter dege:—Die daaglijks van zijn volle maagIets afhoudt voor een leêge!
Wie ’t lekkerst eet en altijd graag.....
Dàt weet ik en ter dege:—
Die daaglijks van zijn volle maag
Iets afhoudt voor een leêge!
Het beste middel tot aptijt,Dat ’k ooit nog heb geweten,Dat is: een’ man, die honger lijdt,Eens smaaklijk te zien eten!
Het beste middel tot aptijt,
Dat ’k ooit nog heb geweten,
Dat is: een’ man, die honger lijdt,
Eens smaaklijk te zien eten!
Of gij dus weinig hebt of veel....Mogt gij regt smullen willen,Laat dan het halfjen of een deelDer armren honger stillen.
Of gij dus weinig hebt of veel....
Mogt gij regt smullen willen,
Laat dan het halfjen of een deel
Der armren honger stillen.
Matig.Al te veel is ongezond!Lieverts, zult gij ’t niet vergeten?Watertandt uw kleine mondBij een’ schotel lekker eten,Hangt de tak tot aan den grond,Moogt ge plukken naar behagen....Denkt er om, gij, grage magen!Al te veel is ongezond.Nu zal Moeders vriendlijk oogU nog wel met zorg bewaken(Welk een trek uw hart bewoog)Dat gij ’t niet te bont zult maken;Maar, wanneer gij grooter zijt,En niet jong hebt willen leerenMaat te houden in ’t begeeren,Raakt ge lust en welvaart kwijt.Al te veel is ongezond!Zie, dat geldt voor alle zaken,Die eens op dit wereldrondU begeerig zullen maken:Waakt dan over oog en mond,Waakt dan over hart en zinnen,En brengt telkens u te binnen:Al te veel is ongezond!
Al te veel is ongezond!Lieverts, zult gij ’t niet vergeten?Watertandt uw kleine mondBij een’ schotel lekker eten,Hangt de tak tot aan den grond,Moogt ge plukken naar behagen....Denkt er om, gij, grage magen!Al te veel is ongezond.
Al te veel is ongezond!
Lieverts, zult gij ’t niet vergeten?
Watertandt uw kleine mond
Bij een’ schotel lekker eten,
Hangt de tak tot aan den grond,
Moogt ge plukken naar behagen....
Denkt er om, gij, grage magen!
Al te veel is ongezond.
Nu zal Moeders vriendlijk oogU nog wel met zorg bewaken(Welk een trek uw hart bewoog)Dat gij ’t niet te bont zult maken;Maar, wanneer gij grooter zijt,En niet jong hebt willen leerenMaat te houden in ’t begeeren,Raakt ge lust en welvaart kwijt.
Nu zal Moeders vriendlijk oog
U nog wel met zorg bewaken
(Welk een trek uw hart bewoog)
Dat gij ’t niet te bont zult maken;
Maar, wanneer gij grooter zijt,
En niet jong hebt willen leeren
Maat te houden in ’t begeeren,
Raakt ge lust en welvaart kwijt.
Al te veel is ongezond!Zie, dat geldt voor alle zaken,Die eens op dit wereldrondU begeerig zullen maken:Waakt dan over oog en mond,Waakt dan over hart en zinnen,En brengt telkens u te binnen:Al te veel is ongezond!
Al te veel is ongezond!
Zie, dat geldt voor alle zaken,
Die eens op dit wereldrond
U begeerig zullen maken:
Waakt dan over oog en mond,
Waakt dan over hart en zinnen,
En brengt telkens u te binnen:
Al te veel is ongezond!
Van een aapje.Ik ken een aapje, loos en vlug,Een baasjen onder de apen;Een rokjen dekt zijn’ slanken rug,Een hoedje dekt zijn slapen;Wanneer hij voor zijn hokje staat,Denkt gij een’ Heer te groeten,Maar als hij aan het klimmen gaat,Ziet gij zijn bloote voeten:—En wat ge dan nog verder ziet, Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.Gij, aardige aapjes, klein en groot!Die hoedjes draagt en rokken,Och! denkt’reis aan uw beentjes blootEn blijft wat bij uw hokken:—Wie hooger zijn wil dan zijn staat,Of meer dan zijns gelijken,(Gij kunt er vast op gaan) die laatZijn bloote beenen kijken:En wat ge dan nog verder ziet,Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.
Ik ken een aapje, loos en vlug,Een baasjen onder de apen;Een rokjen dekt zijn’ slanken rug,Een hoedje dekt zijn slapen;Wanneer hij voor zijn hokje staat,Denkt gij een’ Heer te groeten,Maar als hij aan het klimmen gaat,Ziet gij zijn bloote voeten:—En wat ge dan nog verder ziet, Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.
Ik ken een aapje, loos en vlug,
Een baasjen onder de apen;
Een rokjen dekt zijn’ slanken rug,
Een hoedje dekt zijn slapen;
Wanneer hij voor zijn hokje staat,
Denkt gij een’ Heer te groeten,
Maar als hij aan het klimmen gaat,
Ziet gij zijn bloote voeten:—
En wat ge dan nog verder ziet, Dat zeg ik niet....
Of waarom zou ik woorden spillen?....
Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,
Als apen hoogop klimmen willen.
Gij, aardige aapjes, klein en groot!Die hoedjes draagt en rokken,Och! denkt’reis aan uw beentjes blootEn blijft wat bij uw hokken:—Wie hooger zijn wil dan zijn staat,Of meer dan zijns gelijken,(Gij kunt er vast op gaan) die laatZijn bloote beenen kijken:En wat ge dan nog verder ziet,Dat zeg ik niet....Of waarom zou ik woorden spillen?....Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,Als apen hoogop klimmen willen.
Gij, aardige aapjes, klein en groot!
Die hoedjes draagt en rokken,
Och! denkt’reis aan uw beentjes bloot
En blijft wat bij uw hokken:—
Wie hooger zijn wil dan zijn staat,
Of meer dan zijns gelijken,
(Gij kunt er vast op gaan) die laat
Zijn bloote beenen kijken:
En wat ge dan nog verder ziet,
Dat zeg ik niet....
Of waarom zou ik woorden spillen?....
Gij weet toch, Jongens (Meisjes)! wat men ziet,
Als apen hoogop klimmen willen.
Duinlied.Lustig gesprongen door ’t mullige duin,Lustig gezongen op helling en kruin;Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:’t Bruisen der zee en het ruischen der beek.Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hartDaar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,Waar al de schat van uw’ weligen tuinGrenst aan de dorheid van ’t stuivende duin.Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;Wat u belaag’ op den vloed of op ’t land,Zwichte, als de golven voor ’t schuttende zand!
Lustig gesprongen door ’t mullige duin,Lustig gezongen op helling en kruin;Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:’t Bruisen der zee en het ruischen der beek.
Lustig gesprongen door ’t mullige duin,
Lustig gezongen op helling en kruin;
Hoor, in ons lied stemt het lied van de streek:
’t Bruisen der zee en het ruischen der beek.
Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hartDaar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,Waar al de schat van uw’ weligen tuinGrenst aan de dorheid van ’t stuivende duin.
Holland, zoet Holland! hoe zwelt ons het hart
Daar, waar uw duinwand de zeevloeden tart,
Waar al de schat van uw’ weligen tuin
Grenst aan de dorheid van ’t stuivende duin.
Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;Wat u belaag’ op den vloed of op ’t land,Zwichte, als de golven voor ’t schuttende zand!
Nedrig van buiten, maar rijk in uw borst,
Zijt ge, zoet Holland! door duinen omschorst;
Wat u belaag’ op den vloed of op ’t land,
Zwichte, als de golven voor ’t schuttende zand!
Vaderlandsch lied.Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koorDen grond, die uw wieg heeft gedragen;Uw lied klink’ de beemden van ’t Vaderland door,Dat de oogen op u houdt geslagen:Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,Was ’t eenmaal het sieraad der aarde;Die glorie verbleekte; maar ’t wacht van Uw jeugd,Dat gij het herstelt in zijn waarde:Dan—als gij het eert en verheerlijkt als nu,Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.
Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koorDen grond, die uw wieg heeft gedragen;Uw lied klink’ de beemden van ’t Vaderland door,Dat de oogen op u houdt geslagen:Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.
Komt, knapen en meisjes! verheft nu in koor
Den grond, die uw wieg heeft gedragen;
Uw lied klink’ de beemden van ’t Vaderland door,
Dat de oogen op u houdt geslagen:
Dat Vaderland eert en verheerlijkt gij nu,
Eens, hopen wij, eens zal het fier zijn op u.
In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,Was ’t eenmaal het sieraad der aarde;Die glorie verbleekte; maar ’t wacht van Uw jeugd,Dat gij het herstelt in zijn waarde:Dan—als gij het eert en verheerlijkt als nu,Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.
In moed en in kennis, in vroomheid en deugd,
Was ’t eenmaal het sieraad der aarde;
Die glorie verbleekte; maar ’t wacht van Uw jeugd,
Dat gij het herstelt in zijn waarde:
Dan—als gij het eert en verheerlijkt als nu,
Dan zal eens dat Vaderland fier zijn op u.
Kloek en blank.Kloek van ligchaam, kloek van geest,Zijn de Nederlandsche knapenSteeds geweest!Op dan, Jongen, niet geslapen!Oefen oog en oor en hand,Rek uw pezen, staal uw spieren,Streef naar kennis en verstand!—Goede zeden, goê manieren,Scherpe zinnen, sterke spieren,Zijn de steunsels van een Land!Blank van ligchaam, blank van ziel,Was het, wat in Neêrlands maagdenSteeds geviel!Meisje!—wie er Gistren klaagden:“t Was slechts zóó in Ouden tijd!”Doe hun ’t Heden anders blijken!Laat die nijders, tot hun spijt,Hoe ze turen, hoe ze kijken,Schaamrood vonnis moeten strijken:Dat ge zonder smetjes zijt!Och! bedenk het, jong geslacht!In Uw harten, in Uw handen,Ligt de kracht,Ligt het heil der Nederlanden!Houd dan beiden kloek en blank...’t Land, waarin gij zijt geboren,Geeft ge nimmer beter dank,Voor het goede aan u beschoren,Dan, dat we als uw lofspraak hooren:Kloek is ’t ligchaam,—’t hart is blank!
Kloek van ligchaam, kloek van geest,Zijn de Nederlandsche knapenSteeds geweest!Op dan, Jongen, niet geslapen!Oefen oog en oor en hand,Rek uw pezen, staal uw spieren,Streef naar kennis en verstand!—Goede zeden, goê manieren,Scherpe zinnen, sterke spieren,Zijn de steunsels van een Land!
Kloek van ligchaam, kloek van geest,
Zijn de Nederlandsche knapen
Steeds geweest!
Op dan, Jongen, niet geslapen!
Oefen oog en oor en hand,
Rek uw pezen, staal uw spieren,
Streef naar kennis en verstand!—
Goede zeden, goê manieren,
Scherpe zinnen, sterke spieren,
Zijn de steunsels van een Land!
Blank van ligchaam, blank van ziel,Was het, wat in Neêrlands maagdenSteeds geviel!Meisje!—wie er Gistren klaagden:“t Was slechts zóó in Ouden tijd!”Doe hun ’t Heden anders blijken!Laat die nijders, tot hun spijt,Hoe ze turen, hoe ze kijken,Schaamrood vonnis moeten strijken:Dat ge zonder smetjes zijt!
Blank van ligchaam, blank van ziel,
Was het, wat in Neêrlands maagden
Steeds geviel!
Meisje!—wie er Gistren klaagden:
“t Was slechts zóó in Ouden tijd!”
Doe hun ’t Heden anders blijken!
Laat die nijders, tot hun spijt,
Hoe ze turen, hoe ze kijken,
Schaamrood vonnis moeten strijken:
Dat ge zonder smetjes zijt!
Och! bedenk het, jong geslacht!In Uw harten, in Uw handen,Ligt de kracht,Ligt het heil der Nederlanden!Houd dan beiden kloek en blank...’t Land, waarin gij zijt geboren,Geeft ge nimmer beter dank,Voor het goede aan u beschoren,Dan, dat we als uw lofspraak hooren:Kloek is ’t ligchaam,—’t hart is blank!
Och! bedenk het, jong geslacht!
In Uw harten, in Uw handen,
Ligt de kracht,
Ligt het heil der Nederlanden!
Houd dan beiden kloek en blank...
’t Land, waarin gij zijt geboren,
Geeft ge nimmer beter dank,
Voor het goede aan u beschoren,
Dan, dat we als uw lofspraak hooren:
Kloek is ’t ligchaam,—’t hart is blank!
Volhouden.Stapje voor stapje, dat vordert toch:Denk het in ’t goede, denk het in ’t kwade,Denk het bij voordeel, denk het bij schade:Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,Wat ik moog’ praten en raden en bidden.Drupje voor drupje, waar ’t vallen kan,Maakt wel een kuiltjen in ’t hart van de steenen;Gudst er het nat in een’ stroom overhenen,Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.
Stapje voor stapje, dat vordert toch:Denk het in ’t goede, denk het in ’t kwade,Denk het bij voordeel, denk het bij schade:Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,Wat ik moog’ praten en raden en bidden.
Stapje voor stapje, dat vordert toch:
Denk het in ’t goede, denk het in ’t kwade,
Denk het bij voordeel, denk het bij schade:
Meestal, mê-jongen, vergat gij het nog!
Vliegen of stilstaan... gij kent maar geen midden,
Wat ik moog’ praten en raden en bidden.
Drupje voor drupje, waar ’t vallen kan,Maakt wel een kuiltjen in ’t hart van de steenen;Gudst er het nat in een’ stroom overhenen,Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.
Drupje voor drupje, waar ’t vallen kan,
Maakt wel een kuiltjen in ’t hart van de steenen;
Gudst er het nat in een’ stroom overhenen,
Och, het loopt weg en gij ziet er niet van;
Daarom bedenk het, bij al uw beginnen:
Sparen doet gâren... wie volhoudt, moet winnen.
Een vijand.Jongens! als een Vijand kwamOm ons Neêrland te overheeren,Iedre jongen, wed ik, nam(Vond hij sabels noch geweren)Tang of asschop in de handTot behoud van ’t Vaderland.Durven Meisjes ook niet veel....’k Denk dat zij (in zulke tijden)Toch nog met een bezemsteelVoor ons Neêrland zouden strijden;Ja zelfs met een ragebolJoegen zij ’t gespuis op hol.Zeg eens, kindren!—zoudt ge niet?Nu.... dan zal ik ’t U maar zeggenDat mijn oog een Vijand ziet....Die (met listig overleggen)Reeds ons arme VaderlandLang, ter sluips, heeft aangerand.Wilt gij weten, wie hij is?....’t Kwaad, dat insloop in uw zielen!Dat, als ’t overwint, gewisEens ons Neêrland zal vernielen!Op dan—helpt het Land uit nood,Kindren! slaat den Vijand dood!
Jongens! als een Vijand kwamOm ons Neêrland te overheeren,Iedre jongen, wed ik, nam(Vond hij sabels noch geweren)Tang of asschop in de handTot behoud van ’t Vaderland.
Jongens! als een Vijand kwam
Om ons Neêrland te overheeren,
Iedre jongen, wed ik, nam
(Vond hij sabels noch geweren)
Tang of asschop in de hand
Tot behoud van ’t Vaderland.
Durven Meisjes ook niet veel....’k Denk dat zij (in zulke tijden)Toch nog met een bezemsteelVoor ons Neêrland zouden strijden;Ja zelfs met een ragebolJoegen zij ’t gespuis op hol.
Durven Meisjes ook niet veel....
’k Denk dat zij (in zulke tijden)
Toch nog met een bezemsteel
Voor ons Neêrland zouden strijden;
Ja zelfs met een ragebol
Joegen zij ’t gespuis op hol.
Zeg eens, kindren!—zoudt ge niet?Nu.... dan zal ik ’t U maar zeggenDat mijn oog een Vijand ziet....Die (met listig overleggen)Reeds ons arme VaderlandLang, ter sluips, heeft aangerand.
Zeg eens, kindren!—zoudt ge niet?
Nu.... dan zal ik ’t U maar zeggen
Dat mijn oog een Vijand ziet....
Die (met listig overleggen)
Reeds ons arme Vaderland
Lang, ter sluips, heeft aangerand.
Wilt gij weten, wie hij is?....’t Kwaad, dat insloop in uw zielen!Dat, als ’t overwint, gewisEens ons Neêrland zal vernielen!Op dan—helpt het Land uit nood,Kindren! slaat den Vijand dood!
Wilt gij weten, wie hij is?....’t Kwaad, dat insloop in uw zielen!
Dat, als ’t overwint, gewis
Eens ons Neêrland zal vernielen!
Op dan—helpt het Land uit nood,
Kindren! slaat den Vijand dood!
Treuzeltje.Treuzelaartje! treuzelaartje!Altoos, altoos tijds genoeg....Schaam je wat—als iemand vroeg:Heb je een aardje naar je vaârtje?Was je moederlief zoo traag?....Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?—Maar, voor ’t antwoord (had ik ’t graag)Dien ik zelf nog wel te zorgen,Want ook dáárin zijt ge traag!.....’t Luidt:—“Kom ik er niet van daag,Och! dan kom ik er toch morgen!”Neen, mijn liefje!... met geteuterKomt ge er ook op morgen niet!—’t Geeft u eens nog zielsverdrietDat gepeuter en geleuter!Als ge nadert aan den dag,Die nog nooit een morgen zag,Zal, in vruchteloos geklag,De verloren tijd u rouwen....Liefje! nu ’t nog wezen mag,Och! gebruik nu uur en dag,Steek de handen uit de mouwen!Treuzelaartje, treuzelaartje!Anders zijt ge lief en goed;Maar, ik bid je, maak wat spoed:Of dat snaartje heeft een staartje!’t Klinkt nu nog als jokkernij;Maar, arm kind! voor u en mijKwam er vreeslijke ernst wel bij,Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....’k Smeek dus: maak me haastig blij!En—moeter getreuzel bij....Treuzel enkel.... in ’t bedroeven!
Treuzelaartje! treuzelaartje!Altoos, altoos tijds genoeg....Schaam je wat—als iemand vroeg:Heb je een aardje naar je vaârtje?Was je moederlief zoo traag?....Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?—Maar, voor ’t antwoord (had ik ’t graag)Dien ik zelf nog wel te zorgen,Want ook dáárin zijt ge traag!.....’t Luidt:—“Kom ik er niet van daag,Och! dan kom ik er toch morgen!”
Treuzelaartje! treuzelaartje!
Altoos, altoos tijds genoeg....
Schaam je wat—als iemand vroeg:
Heb je een aardje naar je vaârtje?
Was je moederlief zoo traag?....
Zeg, wat antwoordt ge op die vraag?—
Maar, voor ’t antwoord (had ik ’t graag)
Dien ik zelf nog wel te zorgen,
Want ook dáárin zijt ge traag!.....
’t Luidt:—“Kom ik er niet van daag,
Och! dan kom ik er toch morgen!”
Neen, mijn liefje!... met geteuterKomt ge er ook op morgen niet!—’t Geeft u eens nog zielsverdrietDat gepeuter en geleuter!Als ge nadert aan den dag,Die nog nooit een morgen zag,Zal, in vruchteloos geklag,De verloren tijd u rouwen....Liefje! nu ’t nog wezen mag,Och! gebruik nu uur en dag,Steek de handen uit de mouwen!
Neen, mijn liefje!... met geteuter
Komt ge er ook op morgen niet!—
’t Geeft u eens nog zielsverdriet
Dat gepeuter en geleuter!
Als ge nadert aan den dag,
Die nog nooit een morgen zag,
Zal, in vruchteloos geklag,
De verloren tijd u rouwen....
Liefje! nu ’t nog wezen mag,
Och! gebruik nu uur en dag,
Steek de handen uit de mouwen!
Treuzelaartje, treuzelaartje!Anders zijt ge lief en goed;Maar, ik bid je, maak wat spoed:Of dat snaartje heeft een staartje!’t Klinkt nu nog als jokkernij;Maar, arm kind! voor u en mijKwam er vreeslijke ernst wel bij,Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....’k Smeek dus: maak me haastig blij!En—moeter getreuzel bij....Treuzel enkel.... in ’t bedroeven!
Treuzelaartje, treuzelaartje!
Anders zijt ge lief en goed;
Maar, ik bid je, maak wat spoed:
Of dat snaartje heeft een staartje!
’t Klinkt nu nog als jokkernij;
Maar, arm kind! voor u en mij
Kwam er vreeslijke ernst wel bij,
Zoudt ge eens Andrer hulp behoeven....
’k Smeek dus: maak me haastig blij!
En—moeter getreuzel bij....
Treuzel enkel.... in ’t bedroeven!
Kringetjes in ’t water.Kittelsteentje, rond en glad,Als gij plompt in ’t klare nat,En het waterMet geklaterPaarlend uit elkander spat,Zijt ge pas der hand ontgleden,Of ge wiggelt naar beneden.Doch, waar ’t vocht u heeft omvat,Komt een kringetjen op ’t nat;Verder vloeit het,Lang nog groeit het,Eer het uit elkander spat:’t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen’t Plekje, waar gij zijt gevallen.Elk onthoû het steeds—het gaatEven zoo met goed en kwaad:Uren, Dagen,Jaren, dragenNog het teeken van uw daad.Och, onthoû het toch, mêvrinden,’t Plekje is lang nog weêr te vinden!
Kittelsteentje, rond en glad,Als gij plompt in ’t klare nat,En het waterMet geklaterPaarlend uit elkander spat,Zijt ge pas der hand ontgleden,Of ge wiggelt naar beneden.
Kittelsteentje, rond en glad,
Als gij plompt in ’t klare nat,
En het water
Met geklater
Paarlend uit elkander spat,
Zijt ge pas der hand ontgleden,
Of ge wiggelt naar beneden.
Doch, waar ’t vocht u heeft omvat,Komt een kringetjen op ’t nat;Verder vloeit het,Lang nog groeit het,Eer het uit elkander spat:’t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen’t Plekje, waar gij zijt gevallen.
Doch, waar ’t vocht u heeft omvat,
Komt een kringetjen op ’t nat;
Verder vloeit het,
Lang nog groeit het,
Eer het uit elkander spat:
’t Wijst, hoe snel ge ook zinkt, aan allen
’t Plekje, waar gij zijt gevallen.
Elk onthoû het steeds—het gaatEven zoo met goed en kwaad:Uren, Dagen,Jaren, dragenNog het teeken van uw daad.Och, onthoû het toch, mêvrinden,’t Plekje is lang nog weêr te vinden!
Elk onthoû het steeds—het gaat
Even zoo met goed en kwaad:
Uren, Dagen,
Jaren, dragen
Nog het teeken van uw daad.
Och, onthoû het toch, mêvrinden,
’t Plekje is lang nog weêr te vinden!
Beurtzang.In het groene looverZit een vogelijn,Onder ’t groene looverZit een maagdelijn;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.In de kruidjes luistertAl het wollig vee,In de blaadjes fluistertIeder koeltje meê;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.’t Vogelkeeltje ontglippenLiedren God ter eer,En de maagdenlippenDanken God den Heer;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.
In het groene looverZit een vogelijn,Onder ’t groene looverZit een maagdelijn;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.
In het groene loover
Zit een vogelijn,
Onder ’t groene loover
Zit een maagdelijn;
’t Vogeltje zingt boven,
’t Meisje zingt beneên
Weltevreên!
En hun zoete stemmen
Smelten zacht ineen.
In de kruidjes luistertAl het wollig vee,In de blaadjes fluistertIeder koeltje meê;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.
In de kruidjes luistert
Al het wollig vee,
In de blaadjes fluistert
Ieder koeltje meê;
’t Vogeltje zingt boven,
’t Meisje zingt beneên
Weltevreên!
En hun zoete stemmen
Smelten zacht ineen.
’t Vogelkeeltje ontglippenLiedren God ter eer,En de maagdenlippenDanken God den Heer;’t Vogeltje zingt boven,’t Meisje zingt beneênWeltevreên!En hun zoete stemmenSmelten zacht ineen.
’t Vogelkeeltje ontglippen
Liedren God ter eer,
En de maagdenlippen
Danken God den Heer;
’t Vogeltje zingt boven,
’t Meisje zingt beneên
Weltevreên!
En hun zoete stemmen
Smelten zacht ineen.
In tijds.Is uw vlerkje stuk geslagen,Vogel, toen de stormwind kwam;Bleef uw wol, onnoozel Lam,Hangen aan de dorenhagen?Vogel, ’k bid je, schuil dan watAls de stormwind zich doet hooren—Schaapje, pas wat op den doren,En zoek u een ander pad!Wilde vogels, woeste knapen,’k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,Meisjes-lief, onnoosle schapen!—’k Bid dan, dat ge willig hoort,Dat ge intijds hoort naar vermanen;Zuchten spaart het u en tranen....Meisjes, Knapen, zegt het voort!
Is uw vlerkje stuk geslagen,Vogel, toen de stormwind kwam;Bleef uw wol, onnoozel Lam,Hangen aan de dorenhagen?Vogel, ’k bid je, schuil dan watAls de stormwind zich doet hooren—Schaapje, pas wat op den doren,En zoek u een ander pad!
Is uw vlerkje stuk geslagen,
Vogel, toen de stormwind kwam;
Bleef uw wol, onnoozel Lam,
Hangen aan de dorenhagen?
Vogel, ’k bid je, schuil dan wat
Als de stormwind zich doet hooren—
Schaapje, pas wat op den doren,
En zoek u een ander pad!
Wilde vogels, woeste knapen,’k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,Meisjes-lief, onnoosle schapen!—’k Bid dan, dat ge willig hoort,Dat ge intijds hoort naar vermanen;Zuchten spaart het u en tranen....Meisjes, Knapen, zegt het voort!
Wilde vogels, woeste knapen,
’k Zie wel, hoe ontvlerkt gij zijt....
Och! wat zijt ge al vlokjes kwijt,
Meisjes-lief, onnoosle schapen!—
’k Bid dan, dat ge willig hoort,
Dat ge intijds hoort naar vermanen;
Zuchten spaart het u en tranen....
Meisjes, Knapen, zegt het voort!
Sneeuwliedje.Blanke vlokjes, fijn en zacht,Doe uw duizend-duizendtallenSpoedig vallen....De Aard’ heeft u al lang gewacht.Dek haar digt en warmpjes toe,Dat ze eens van haar last en lustenUit moog’ rusten....Och! ze was zoo bitter moê.Had ze niet het heele jaarOnder zorg voor bloem en vruchtenZitten zuchten—Of het nimmer rusttijd waar’?Eindlijk viel het arme schaapTusschen al ’t verdorde looverAchterover....En in diepen, vasten slaap.Ligt ze daar nu bloot en kaal,Als de Winter met zijn vlagenAan komt jagen—Dan bevriest zij heelemaal.Daarom, vlokjes, fijn en zacht,Dekt haar, tot ze moog’ ontwaken,Met uw laken,Dekt haar met uw warme vacht.Als het dan weêr Voorjaar is,Springt zij uit uw donsen veêrenIn de kleêren,Even flink en even frisch!
Blanke vlokjes, fijn en zacht,Doe uw duizend-duizendtallenSpoedig vallen....De Aard’ heeft u al lang gewacht.
Blanke vlokjes, fijn en zacht,
Doe uw duizend-duizendtallen
Spoedig vallen....
De Aard’ heeft u al lang gewacht.
Dek haar digt en warmpjes toe,Dat ze eens van haar last en lustenUit moog’ rusten....Och! ze was zoo bitter moê.
Dek haar digt en warmpjes toe,
Dat ze eens van haar last en lusten
Uit moog’ rusten....
Och! ze was zoo bitter moê.
Had ze niet het heele jaarOnder zorg voor bloem en vruchtenZitten zuchten—Of het nimmer rusttijd waar’?
Had ze niet het heele jaar
Onder zorg voor bloem en vruchten
Zitten zuchten—
Of het nimmer rusttijd waar’?
Eindlijk viel het arme schaapTusschen al ’t verdorde looverAchterover....En in diepen, vasten slaap.
Eindlijk viel het arme schaap
Tusschen al ’t verdorde loover
Achterover....
En in diepen, vasten slaap.
Ligt ze daar nu bloot en kaal,Als de Winter met zijn vlagenAan komt jagen—Dan bevriest zij heelemaal.
Ligt ze daar nu bloot en kaal,
Als de Winter met zijn vlagen
Aan komt jagen—
Dan bevriest zij heelemaal.
Daarom, vlokjes, fijn en zacht,Dekt haar, tot ze moog’ ontwaken,Met uw laken,Dekt haar met uw warme vacht.
Daarom, vlokjes, fijn en zacht,
Dekt haar, tot ze moog’ ontwaken,
Met uw laken,
Dekt haar met uw warme vacht.
Als het dan weêr Voorjaar is,Springt zij uit uw donsen veêrenIn de kleêren,Even flink en even frisch!
Als het dan weêr Voorjaar is,
Springt zij uit uw donsen veêren
In de kleêren,
Even flink en even frisch!
De holle boom.Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,Dat gij de zwakste zijt van allen,Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?’k Zie om u heen een heele laanVan jonge, regte, gave boomen staan,—Gij, uitgehold aan alle zijden,Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!—Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;’k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,En ’k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;Ja, zelfs die holten in mijn’ stam,Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,Weet—dat ze, als in eensgrijsaardsarmen,Nog menigeen’ beschutten en verwarmen.Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,Waar, rustig, ’t jong gebroed kan tieren,Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwermDe diepe kloof met honig in komt zwieren;Hoe, aan mijn’ voet, het wegebladDe holte dekt, waar ’t haasje veilig zat,En, in mijn’ wortel, tusschen rozen,Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,Al neigt de dorre kruin ter aarde,Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....Dus, kind! zoo lang ik leven mag,Verheug ik mij in iedren schoonen dag;En (moet het!) ik zal willig vallen,Als ’k, dood en levend, nuttig ware aan allen.—
Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,Dat gij de zwakste zijt van allen,Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?’k Zie om u heen een heele laanVan jonge, regte, gave boomen staan,—Gij, uitgehold aan alle zijden,Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!
Wel, oude boom! zeg, zijt gij niet bedroefd,
Dat gij de zwakste zijt van allen,
Dat gij van zooveel kloven zijt doorgroefd,
En, enkel schors, bijna dreigt om te vallen?
’k Zie om u heen een heele laan
Van jonge, regte, gave boomen staan,—
Gij, uitgehold aan alle zijden,
Gij, dunkt mij, moet hun frischheid wel benijden!
—Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;’k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,En ’k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;Ja, zelfs die holten in mijn’ stam,Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,Weet—dat ze, als in eensgrijsaardsarmen,Nog menigeen’ beschutten en verwarmen.
—Och neen, mijn kind! ik heb al véél doorleefd;
’k Heb zestigmaal al vrucht gegeven,
En ’k heb gezien, wat kalme vreugd het geeft,
Zoo ge, even dankbaar, leert te sterven als te leven;
Ja, zelfs die holten in mijn’ stam,
Waaruit de tijd mijn beste sappen nam,
Weet—dat ze, als in eensgrijsaardsarmen,
Nog menigeen’ beschutten en verwarmen.
Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,Waar, rustig, ’t jong gebroed kan tieren,Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwermDe diepe kloof met honig in komt zwieren;
Zie, in mijn kruin, hoe ik een nest bescherm,
Waar, rustig, ’t jong gebroed kan tieren,
Hoe, lager weêr, een wilde bijenzwerm
De diepe kloof met honig in komt zwieren;
Hoe, aan mijn’ voet, het wegebladDe holte dekt, waar ’t haasje veilig zat,En, in mijn’ wortel, tusschen rozen,Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.
Hoe, aan mijn’ voet, het wegeblad
De holte dekt, waar ’t haasje veilig zat,
En, in mijn’ wortel, tusschen rozen,
Het veldhoen zich een schuilplaats heeft gekozen.
Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,Al neigt de dorre kruin ter aarde,Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....Dus, kind! zoo lang ik leven mag,Verheug ik mij in iedren schoonen dag;En (moet het!) ik zal willig vallen,Als ’k, dood en levend, nuttig ware aan allen.—
Zoo heeft ook de Ouderdom zijn troost en vreugd,
Al neigt de dorre kruin ter aarde,
Wanneer zijn hart nog deelneemt in de jeugd,
Zijn rijpe ervaring haar voor leed bewaarde....
Dus, kind! zoo lang ik leven mag,
Verheug ik mij in iedren schoonen dag;
En (moet het!) ik zal willig vallen,
Als ’k, dood en levend, nuttig ware aan allen.—
Vroeg verwelkt.Een Roosje zag ik bloeijen,Geen schooner kan er zijn;Een Maagdlijn zag ik stoeijen,Het liefste maagdelijn!....Wat was er te avond over?Een lijk.... en dorrend loover!Ach! dat de schoonste bloemenZoo broos en teeder zijn!—Wilt dan zoo stout niet roemenGij Roos, gij Maagdelijn....Maar denk, hoe snel uw vervenVerkleuren en versterven!En—mogt ons bij uw sneven,O Roos, o Maagdelijn!De hoop in ’t harte leven,Dat gij wèl waard’ zult zijn,Verplant in ’s Hemels Hoven,Er eeuwig God te loven!
Een Roosje zag ik bloeijen,Geen schooner kan er zijn;Een Maagdlijn zag ik stoeijen,Het liefste maagdelijn!....Wat was er te avond over?Een lijk.... en dorrend loover!
Een Roosje zag ik bloeijen,
Geen schooner kan er zijn;
Een Maagdlijn zag ik stoeijen,
Het liefste maagdelijn!....
Wat was er te avond over?
Een lijk.... en dorrend loover!
Ach! dat de schoonste bloemenZoo broos en teeder zijn!—Wilt dan zoo stout niet roemenGij Roos, gij Maagdelijn....Maar denk, hoe snel uw vervenVerkleuren en versterven!
Ach! dat de schoonste bloemen
Zoo broos en teeder zijn!—
Wilt dan zoo stout niet roemen
Gij Roos, gij Maagdelijn....
Maar denk, hoe snel uw verven
Verkleuren en versterven!
En—mogt ons bij uw sneven,O Roos, o Maagdelijn!De hoop in ’t harte leven,Dat gij wèl waard’ zult zijn,Verplant in ’s Hemels Hoven,Er eeuwig God te loven!
En—mogt ons bij uw sneven,
O Roos, o Maagdelijn!
De hoop in ’t harte leven,
Dat gij wèl waard’ zult zijn,
Verplant in ’s Hemels Hoven,
Er eeuwig God te loven!
Winternacht.Goede God! uw liefde en magtStraalt ook in den winternacht;Ook in sneeuw en hageljagtSpreekt tot ons uw liefde en magt.Gij bewaart der aarde kracht,Hult het woud in donsen vacht,Dekt met sneeuw, fluweelig zacht,’t Zaad, dat op de Lente wacht.Komt dan, na den winternacht,Lente weêr, in reine pracht,Och! hoe geurig-fleurig lachtDan die aarde in frissche kracht!Eens rijst ook voor Ons geslachtHemellicht uit Aardschen nacht:—o Dat steeds ons hart bedacht,Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht!
Goede God! uw liefde en magtStraalt ook in den winternacht;Ook in sneeuw en hageljagtSpreekt tot ons uw liefde en magt.
Goede God! uw liefde en magt
Straalt ook in den winternacht;
Ook in sneeuw en hageljagt
Spreekt tot ons uw liefde en magt.
Gij bewaart der aarde kracht,Hult het woud in donsen vacht,Dekt met sneeuw, fluweelig zacht,’t Zaad, dat op de Lente wacht.
Gij bewaart der aarde kracht,
Hult het woud in donsen vacht,
Dekt met sneeuw, fluweelig zacht,
’t Zaad, dat op de Lente wacht.
Komt dan, na den winternacht,Lente weêr, in reine pracht,Och! hoe geurig-fleurig lachtDan die aarde in frissche kracht!
Komt dan, na den winternacht,
Lente weêr, in reine pracht,
Och! hoe geurig-fleurig lacht
Dan die aarde in frissche kracht!
Eens rijst ook voor Ons geslachtHemellicht uit Aardschen nacht:—o Dat steeds ons hart bedacht,Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht!
Eens rijst ook voor Ons geslacht
Hemellicht uit Aardschen nacht:—
o Dat steeds ons hart bedacht,
Hoe eene Eeuwge Lente ons wacht!