Aladdin met moeder aan tafel, bediend door geest.Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin’s moeder nog niet tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was, haar water in ’t gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen; maar ’t zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren, ’t zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets toe bijdroeg, in ’t kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.“Lieve moeder”, zeide Aladdin tot haar, “er gebeurt verder niets meer, sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken entevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke spijzen niet koud laten worden, maar eten.”Aladdin’s moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal, de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit alle schotels opsteeg.“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “waar komt deze overvloed vandaan, en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons thans aan tafel zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben.”Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak, als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene tafel bevonden hadden.Onder den maaltijd kon Aladdin’s moeder niet ophouden, de schaal en de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen te nuttigen, zaten op ’t uur van ’t middagmaal nog aan tafel. De heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen, wanneerzij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was, bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.Toen Aladdin’s moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats en zeide tot hem: “Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult.”Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht tusschen den geest en hem voorgevallen was.Aladdin’s moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal van haar zoon en de verschijning van den geest.“Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?” vroeg zij. “Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het schattenhol verschenen is?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “de geest, die aan u verschenen is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren, dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik aan denvinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide, dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof echter niet, dat u ’t gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in onmacht viel, zoodra hij begon te spreken.”“Wat!” riep Aladdin’s moeder, “dus je lamp is schuld, dat deze verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels en onze profeet heeft het gezegd.”“Met uw verlof, lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “zal ik er thans wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn, te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet, wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik, zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toevalons haar geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan, als ik haar noodig heb, wijl gij zulk ’n grooten angst voor de geesten hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien, en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!” Daar Aladdin’s opmerking zeer juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.“Lieve zoon”, zeide zij tot hem, “je kunt doen, wat je voor goed houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit meer met je daarover spreken zal.”Den volgenden dag, na ’t avondeten, was er van al de heerlijke spijzen, die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.De koopman, een sluwe en doortrapte kerel,onderzocht hem, en daar hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin, wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel ’t best zou weten wat ’t ding waard was, en dat hij zich heelemaal op zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid door Aladdin’s openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam ’t geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat hij Aladdin’s volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel, en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan, kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor deneersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen; deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op, welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond verscheen weer dezelfde geest, die zich reedseenmaal vertoond had; wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder, sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger: “Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik, als de andere slaven der lamp.”Aladdin antwoordde hem: “Ik heb honger; breng mij te eten.” De geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en verdween weder.Aladdin’s moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende, met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman, dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte hem, en riep hem toe, binnen te treden.“Mijn zoon”, zeide hij toen tot Aladdin, “ik heb je reeds verscheidene malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien koopman opzoeken en spoedig daarna met leegehanden terugkomen. Dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag, en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien, wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen.”In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem den goudsmid. De grijsaard, die op ’t eerste gezicht al zag, dat hij van ’t fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.“Ha! die schurk!” riep de goudsmid uit. “Mijn zoon”, voegde hij erbij, “wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken; maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel, die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft.”De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.“Daar heb je”, zeide hij, “het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is, dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk.”Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo’n groot voordeel getrokken had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar ’t gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten, zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had, lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels dervoornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen, kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten, welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had, een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet, en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk te danken, tot hetwelk wij hem in ’t vervolg onzer geschiedenis zullen zien opklimmen.Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest, totdat de prinses Bedroelboedoer4, de dochter van den sultan, die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn.5Omroeper roept leest het bevel des sultans voor.Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel, dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht tot aangezicht zien moest.Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon, zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord, dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de onjuistheid in van zijn totnog toe gekoesterde meening, dat alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond, rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied inboezemde.Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning, en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was, en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te verlaten en zich te verwijderen.Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet zoo verbergen, dat zijnmoeder er niets van merkte. Zij was zeer verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten, voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was, plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg, zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak van deze buitengewone verandering mede te deelen.Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in ’t minst tevreden gesteld te hebben.Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen, dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn moeder, die tegenoverhem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het volgende gesprek aanving.“Lieve moeder”, zeide hij tot haar, “ik wil thans het stilzwijgen verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan, dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.“Het is”, ging Aladdin voort, “in deze buurt niet bekend geworden, en zoo kan u ’t ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het, toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit, dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid, haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge, moeder, dat is de oorzaak van dentoestand, waarin gij mij gisteren gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt, zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben, haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken.”Aladdin’s moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide tot hem:“Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat je zulke dingen zeggen kunt?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik kan u verzekeren, dat ik niet waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen.”“Waarlijk mijn zoon,” antwoordde de moeder zeer ernstig, “ik kan niet nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je het kan wagen, je verzoek te laten doen.”“Door niemand anders dan door uzelf,” antwoordde de zoon zonder bedenken.“Door mij!” riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; “en aan den sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk ’n onderneming in te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen”, voer zij voort, “dat je de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering te komen?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik heb u reeds gezegd, dat ik alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden, noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren, wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male het leven te schenken.”Aladdin’s moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan vasthield.“Mijn zoon”, zeide zij nogmaals tot hem, “ik ben je moeder en als een goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig was, voor jou de dochter vaneen onzer buren tot vrouw te begeeren, die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en je armoede te denken, wil je je op ’t hoogste toppunt van het geluk verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft, want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had, ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan, wanneer men om gerechtigheidsmeekt, en dat hij ze zijn onderdanen gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook, dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt, zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man, jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon, waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan, wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat, dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben, in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert, dat je onmogelijk verkrijgen kunt.”Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk het woord en sprak: “Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang, bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht, welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen, wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.“U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe, dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft, dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer zeker veel vreugde zullen bereiden.Ik spreek namelijk van de steenen in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven: alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat, en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn, dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past; breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken.”Aladdin’s moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking, welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden; want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts als speelgoed beschouwd en ze alleen om dezereden meegenomen zonder eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden, nam Aladdin weder het woord en zeide: “U heeft thans geen uitvlucht meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal.”Ofschoon Aladdin’s moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam zij steeds weer op Aladdin’s verzoek terug, dat door het geschenk gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.“Mijn zoon”, sprak zij tot hem, “ik begrijp wel, dat je geschenk een goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal; maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.“Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen, dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en je zult zien, dat het zoo uitkomt.”“Maar”, liet zij erop volgen, “onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt, dan zal toch zeer zeker desultan zich vroolijk over mij maken en mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn.”Aladdin’s moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen, dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “wanneer de sultan mij zoo welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan denkt naar je vermogen en je stand te vragen—en dat zal hij voor alles wenschen te vernemen—zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons niet van te voren om een zaak bekommeren,die wellicht heelemaal niet zal voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat, wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal.”Aladdin’s moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide tot haar: “In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen.”Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin’s gemoed vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.Moeder van Aladdin op weg naar het paleis.Aladdin’s moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen ensneeuwwitten, en toen in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden, was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang; zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen, op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend, en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist, tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terugnaar zijn kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in ’t ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak in een volgende zitting zou voorkomen.Aladdins moeder bij sultan.Toen Aladdin’s moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in ’t eerst niet, wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw, die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en oprechtheid aldus tot hem sprak: “Mijn zoon, ik heb den sultan gezien en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op ’t laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren, die nog met hem wildenspreken. Ik was daarover zeer verheugd, want ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van ’t lange staan buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren; morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer zoo druk.”Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin’s boezem brandde, hij moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien, dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden, moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.Den volgenden morgen ging Aladdin’s moeder weer even vroeg met haar geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs, want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: “Reeds sindseenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?”De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter het antwoord niet schuldig blijven. “Heer”, zeide hij, “het is u zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan heeft, dat van even weinig belang is.” De sultan was met dit antwoord niet tevreden en zeide: “Wanneer deze vrouw in de volgende zitting weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik haar kan hooren.” De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken, als hij dit niet uitvoerde.Aladdin’s moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed, alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de sultan Aladdin’s moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had aangezien, roerde hem. “Opdat je het niet vergeet”, zeide hij tot den grootvizier, “daar staat weerde vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en haar zaak in ’t reine brengen.”Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin’s moeder en gaf haar een teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon, waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te gaan innemen.Aladdin’s moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen zij opgestaan was, sprak hij tot haar: “Goede vrouw, ik zie je reeds langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde, bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?”Aladdin’s moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij: “Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees koester, het mijn sultan mee te deelen.”Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen, zich uit de divan teverwijderen en hem met den grootvizier alleen te laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.Aladdin’s moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel vreezen moest.“Groote koning”, zeide zij, opnieuw het woord nemend, “ik waag ook nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in ’t minste aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en genade schenkt.”“Wat het ook zijn mag”, antwoordde de sultan, “ik vergeef het je nu al, en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!”Nadat Aladdin’s moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde, vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe zij hem alles onder ’t oog gebracht had, om hem van een hartstocht af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, “inplaats van naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer ik weigeren zou tot u tegaan en voor hem om de hand der prinses te vragen.Desnietteminheeft het mij ’n zeer groote zelfoverwinning gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal, groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis na te streven.”De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en goedheid aan, zonder in ’t minste toorn en tegenzin te verraden, of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen, onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke, kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was, nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich zelven van vreugde: “Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!” Nadat hij alle steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en naar hun meest in ’t oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem: “Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele wereld niets kostbaarders en meer volmaaktsvinden kan.” De vizier was eveneens geheel betooverd.
Aladdin met moeder aan tafel, bediend door geest.Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin’s moeder nog niet tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was, haar water in ’t gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen; maar ’t zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren, ’t zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets toe bijdroeg, in ’t kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.“Lieve moeder”, zeide Aladdin tot haar, “er gebeurt verder niets meer, sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken entevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke spijzen niet koud laten worden, maar eten.”Aladdin’s moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal, de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit alle schotels opsteeg.“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “waar komt deze overvloed vandaan, en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons thans aan tafel zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben.”Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak, als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene tafel bevonden hadden.Onder den maaltijd kon Aladdin’s moeder niet ophouden, de schaal en de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen te nuttigen, zaten op ’t uur van ’t middagmaal nog aan tafel. De heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen, wanneerzij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was, bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.Toen Aladdin’s moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats en zeide tot hem: “Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult.”Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht tusschen den geest en hem voorgevallen was.Aladdin’s moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal van haar zoon en de verschijning van den geest.“Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?” vroeg zij. “Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het schattenhol verschenen is?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “de geest, die aan u verschenen is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren, dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik aan denvinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide, dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof echter niet, dat u ’t gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in onmacht viel, zoodra hij begon te spreken.”“Wat!” riep Aladdin’s moeder, “dus je lamp is schuld, dat deze verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels en onze profeet heeft het gezegd.”“Met uw verlof, lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “zal ik er thans wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn, te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet, wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik, zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toevalons haar geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan, als ik haar noodig heb, wijl gij zulk ’n grooten angst voor de geesten hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien, en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!” Daar Aladdin’s opmerking zeer juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.“Lieve zoon”, zeide zij tot hem, “je kunt doen, wat je voor goed houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit meer met je daarover spreken zal.”Den volgenden dag, na ’t avondeten, was er van al de heerlijke spijzen, die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.De koopman, een sluwe en doortrapte kerel,onderzocht hem, en daar hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin, wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel ’t best zou weten wat ’t ding waard was, en dat hij zich heelemaal op zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid door Aladdin’s openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam ’t geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat hij Aladdin’s volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel, en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan, kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor deneersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen; deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op, welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond verscheen weer dezelfde geest, die zich reedseenmaal vertoond had; wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder, sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger: “Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik, als de andere slaven der lamp.”Aladdin antwoordde hem: “Ik heb honger; breng mij te eten.” De geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en verdween weder.Aladdin’s moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende, met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman, dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte hem, en riep hem toe, binnen te treden.“Mijn zoon”, zeide hij toen tot Aladdin, “ik heb je reeds verscheidene malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien koopman opzoeken en spoedig daarna met leegehanden terugkomen. Dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag, en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien, wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen.”In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem den goudsmid. De grijsaard, die op ’t eerste gezicht al zag, dat hij van ’t fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.“Ha! die schurk!” riep de goudsmid uit. “Mijn zoon”, voegde hij erbij, “wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken; maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel, die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft.”De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.“Daar heb je”, zeide hij, “het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is, dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk.”Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo’n groot voordeel getrokken had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar ’t gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten, zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had, lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels dervoornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen, kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten, welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had, een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet, en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk te danken, tot hetwelk wij hem in ’t vervolg onzer geschiedenis zullen zien opklimmen.Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest, totdat de prinses Bedroelboedoer4, de dochter van den sultan, die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn.5Omroeper roept leest het bevel des sultans voor.Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel, dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht tot aangezicht zien moest.Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon, zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord, dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de onjuistheid in van zijn totnog toe gekoesterde meening, dat alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond, rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied inboezemde.Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning, en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was, en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te verlaten en zich te verwijderen.Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet zoo verbergen, dat zijnmoeder er niets van merkte. Zij was zeer verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten, voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was, plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg, zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak van deze buitengewone verandering mede te deelen.Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in ’t minst tevreden gesteld te hebben.Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen, dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn moeder, die tegenoverhem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het volgende gesprek aanving.“Lieve moeder”, zeide hij tot haar, “ik wil thans het stilzwijgen verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan, dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.“Het is”, ging Aladdin voort, “in deze buurt niet bekend geworden, en zoo kan u ’t ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het, toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit, dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid, haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge, moeder, dat is de oorzaak van dentoestand, waarin gij mij gisteren gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt, zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben, haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken.”Aladdin’s moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide tot hem:“Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat je zulke dingen zeggen kunt?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik kan u verzekeren, dat ik niet waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen.”“Waarlijk mijn zoon,” antwoordde de moeder zeer ernstig, “ik kan niet nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je het kan wagen, je verzoek te laten doen.”“Door niemand anders dan door uzelf,” antwoordde de zoon zonder bedenken.“Door mij!” riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; “en aan den sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk ’n onderneming in te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen”, voer zij voort, “dat je de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering te komen?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik heb u reeds gezegd, dat ik alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden, noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren, wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male het leven te schenken.”Aladdin’s moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan vasthield.“Mijn zoon”, zeide zij nogmaals tot hem, “ik ben je moeder en als een goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig was, voor jou de dochter vaneen onzer buren tot vrouw te begeeren, die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en je armoede te denken, wil je je op ’t hoogste toppunt van het geluk verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft, want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had, ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan, wanneer men om gerechtigheidsmeekt, en dat hij ze zijn onderdanen gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook, dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt, zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man, jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon, waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan, wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat, dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben, in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert, dat je onmogelijk verkrijgen kunt.”Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk het woord en sprak: “Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang, bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht, welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen, wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.“U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe, dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft, dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer zeker veel vreugde zullen bereiden.Ik spreek namelijk van de steenen in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven: alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat, en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn, dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past; breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken.”Aladdin’s moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking, welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden; want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts als speelgoed beschouwd en ze alleen om dezereden meegenomen zonder eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden, nam Aladdin weder het woord en zeide: “U heeft thans geen uitvlucht meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal.”Ofschoon Aladdin’s moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam zij steeds weer op Aladdin’s verzoek terug, dat door het geschenk gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.“Mijn zoon”, sprak zij tot hem, “ik begrijp wel, dat je geschenk een goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal; maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.“Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen, dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en je zult zien, dat het zoo uitkomt.”“Maar”, liet zij erop volgen, “onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt, dan zal toch zeer zeker desultan zich vroolijk over mij maken en mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn.”Aladdin’s moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen, dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “wanneer de sultan mij zoo welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan denkt naar je vermogen en je stand te vragen—en dat zal hij voor alles wenschen te vernemen—zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons niet van te voren om een zaak bekommeren,die wellicht heelemaal niet zal voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat, wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal.”Aladdin’s moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide tot haar: “In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen.”Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin’s gemoed vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.Moeder van Aladdin op weg naar het paleis.Aladdin’s moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen ensneeuwwitten, en toen in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden, was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang; zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen, op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend, en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist, tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terugnaar zijn kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in ’t ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak in een volgende zitting zou voorkomen.Aladdins moeder bij sultan.Toen Aladdin’s moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in ’t eerst niet, wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw, die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en oprechtheid aldus tot hem sprak: “Mijn zoon, ik heb den sultan gezien en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op ’t laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren, die nog met hem wildenspreken. Ik was daarover zeer verheugd, want ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van ’t lange staan buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren; morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer zoo druk.”Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin’s boezem brandde, hij moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien, dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden, moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.Den volgenden morgen ging Aladdin’s moeder weer even vroeg met haar geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs, want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: “Reeds sindseenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?”De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter het antwoord niet schuldig blijven. “Heer”, zeide hij, “het is u zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan heeft, dat van even weinig belang is.” De sultan was met dit antwoord niet tevreden en zeide: “Wanneer deze vrouw in de volgende zitting weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik haar kan hooren.” De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken, als hij dit niet uitvoerde.Aladdin’s moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed, alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de sultan Aladdin’s moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had aangezien, roerde hem. “Opdat je het niet vergeet”, zeide hij tot den grootvizier, “daar staat weerde vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en haar zaak in ’t reine brengen.”Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin’s moeder en gaf haar een teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon, waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te gaan innemen.Aladdin’s moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen zij opgestaan was, sprak hij tot haar: “Goede vrouw, ik zie je reeds langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde, bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?”Aladdin’s moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij: “Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees koester, het mijn sultan mee te deelen.”Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen, zich uit de divan teverwijderen en hem met den grootvizier alleen te laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.Aladdin’s moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel vreezen moest.“Groote koning”, zeide zij, opnieuw het woord nemend, “ik waag ook nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in ’t minste aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en genade schenkt.”“Wat het ook zijn mag”, antwoordde de sultan, “ik vergeef het je nu al, en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!”Nadat Aladdin’s moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde, vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe zij hem alles onder ’t oog gebracht had, om hem van een hartstocht af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, “inplaats van naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer ik weigeren zou tot u tegaan en voor hem om de hand der prinses te vragen.Desnietteminheeft het mij ’n zeer groote zelfoverwinning gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal, groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis na te streven.”De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en goedheid aan, zonder in ’t minste toorn en tegenzin te verraden, of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen, onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke, kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was, nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich zelven van vreugde: “Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!” Nadat hij alle steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en naar hun meest in ’t oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem: “Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele wereld niets kostbaarders en meer volmaaktsvinden kan.” De vizier was eveneens geheel betooverd.
Aladdin met moeder aan tafel, bediend door geest.Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin’s moeder nog niet tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was, haar water in ’t gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen; maar ’t zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren, ’t zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets toe bijdroeg, in ’t kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.“Lieve moeder”, zeide Aladdin tot haar, “er gebeurt verder niets meer, sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken entevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke spijzen niet koud laten worden, maar eten.”Aladdin’s moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal, de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit alle schotels opsteeg.“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “waar komt deze overvloed vandaan, en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons thans aan tafel zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben.”Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak, als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene tafel bevonden hadden.Onder den maaltijd kon Aladdin’s moeder niet ophouden, de schaal en de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen te nuttigen, zaten op ’t uur van ’t middagmaal nog aan tafel. De heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen, wanneerzij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was, bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.Toen Aladdin’s moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats en zeide tot hem: “Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult.”Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht tusschen den geest en hem voorgevallen was.Aladdin’s moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal van haar zoon en de verschijning van den geest.“Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?” vroeg zij. “Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het schattenhol verschenen is?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “de geest, die aan u verschenen is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren, dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik aan denvinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide, dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof echter niet, dat u ’t gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in onmacht viel, zoodra hij begon te spreken.”“Wat!” riep Aladdin’s moeder, “dus je lamp is schuld, dat deze verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels en onze profeet heeft het gezegd.”“Met uw verlof, lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “zal ik er thans wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn, te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet, wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik, zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toevalons haar geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan, als ik haar noodig heb, wijl gij zulk ’n grooten angst voor de geesten hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien, en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!” Daar Aladdin’s opmerking zeer juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.“Lieve zoon”, zeide zij tot hem, “je kunt doen, wat je voor goed houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit meer met je daarover spreken zal.”Den volgenden dag, na ’t avondeten, was er van al de heerlijke spijzen, die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.De koopman, een sluwe en doortrapte kerel,onderzocht hem, en daar hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin, wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel ’t best zou weten wat ’t ding waard was, en dat hij zich heelemaal op zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid door Aladdin’s openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam ’t geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat hij Aladdin’s volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel, en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan, kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor deneersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen; deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op, welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond verscheen weer dezelfde geest, die zich reedseenmaal vertoond had; wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder, sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger: “Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik, als de andere slaven der lamp.”Aladdin antwoordde hem: “Ik heb honger; breng mij te eten.” De geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en verdween weder.Aladdin’s moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende, met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman, dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte hem, en riep hem toe, binnen te treden.“Mijn zoon”, zeide hij toen tot Aladdin, “ik heb je reeds verscheidene malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien koopman opzoeken en spoedig daarna met leegehanden terugkomen. Dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag, en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien, wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen.”In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem den goudsmid. De grijsaard, die op ’t eerste gezicht al zag, dat hij van ’t fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.“Ha! die schurk!” riep de goudsmid uit. “Mijn zoon”, voegde hij erbij, “wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken; maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel, die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft.”De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.“Daar heb je”, zeide hij, “het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is, dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk.”Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo’n groot voordeel getrokken had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar ’t gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten, zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had, lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels dervoornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen, kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten, welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had, een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet, en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk te danken, tot hetwelk wij hem in ’t vervolg onzer geschiedenis zullen zien opklimmen.Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest, totdat de prinses Bedroelboedoer4, de dochter van den sultan, die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn.5Omroeper roept leest het bevel des sultans voor.Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel, dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht tot aangezicht zien moest.Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon, zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord, dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de onjuistheid in van zijn totnog toe gekoesterde meening, dat alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond, rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied inboezemde.Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning, en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was, en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te verlaten en zich te verwijderen.Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet zoo verbergen, dat zijnmoeder er niets van merkte. Zij was zeer verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten, voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was, plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg, zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak van deze buitengewone verandering mede te deelen.Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in ’t minst tevreden gesteld te hebben.Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen, dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn moeder, die tegenoverhem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het volgende gesprek aanving.“Lieve moeder”, zeide hij tot haar, “ik wil thans het stilzwijgen verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan, dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.“Het is”, ging Aladdin voort, “in deze buurt niet bekend geworden, en zoo kan u ’t ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het, toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit, dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid, haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge, moeder, dat is de oorzaak van dentoestand, waarin gij mij gisteren gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt, zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben, haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken.”Aladdin’s moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide tot hem:“Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat je zulke dingen zeggen kunt?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik kan u verzekeren, dat ik niet waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen.”“Waarlijk mijn zoon,” antwoordde de moeder zeer ernstig, “ik kan niet nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je het kan wagen, je verzoek te laten doen.”“Door niemand anders dan door uzelf,” antwoordde de zoon zonder bedenken.“Door mij!” riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; “en aan den sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk ’n onderneming in te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen”, voer zij voort, “dat je de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering te komen?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik heb u reeds gezegd, dat ik alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden, noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren, wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male het leven te schenken.”Aladdin’s moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan vasthield.“Mijn zoon”, zeide zij nogmaals tot hem, “ik ben je moeder en als een goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig was, voor jou de dochter vaneen onzer buren tot vrouw te begeeren, die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en je armoede te denken, wil je je op ’t hoogste toppunt van het geluk verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft, want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had, ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan, wanneer men om gerechtigheidsmeekt, en dat hij ze zijn onderdanen gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook, dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt, zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man, jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon, waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan, wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat, dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben, in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert, dat je onmogelijk verkrijgen kunt.”Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk het woord en sprak: “Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang, bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht, welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen, wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.“U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe, dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft, dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer zeker veel vreugde zullen bereiden.Ik spreek namelijk van de steenen in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven: alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat, en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn, dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past; breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken.”Aladdin’s moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking, welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden; want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts als speelgoed beschouwd en ze alleen om dezereden meegenomen zonder eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden, nam Aladdin weder het woord en zeide: “U heeft thans geen uitvlucht meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal.”Ofschoon Aladdin’s moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam zij steeds weer op Aladdin’s verzoek terug, dat door het geschenk gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.“Mijn zoon”, sprak zij tot hem, “ik begrijp wel, dat je geschenk een goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal; maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.“Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen, dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en je zult zien, dat het zoo uitkomt.”“Maar”, liet zij erop volgen, “onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt, dan zal toch zeer zeker desultan zich vroolijk over mij maken en mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn.”Aladdin’s moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen, dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “wanneer de sultan mij zoo welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan denkt naar je vermogen en je stand te vragen—en dat zal hij voor alles wenschen te vernemen—zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?”“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons niet van te voren om een zaak bekommeren,die wellicht heelemaal niet zal voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat, wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal.”Aladdin’s moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide tot haar: “In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen.”Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin’s gemoed vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.Moeder van Aladdin op weg naar het paleis.Aladdin’s moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen ensneeuwwitten, en toen in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden, was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang; zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen, op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend, en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist, tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terugnaar zijn kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in ’t ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak in een volgende zitting zou voorkomen.Aladdins moeder bij sultan.Toen Aladdin’s moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in ’t eerst niet, wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw, die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en oprechtheid aldus tot hem sprak: “Mijn zoon, ik heb den sultan gezien en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op ’t laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren, die nog met hem wildenspreken. Ik was daarover zeer verheugd, want ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van ’t lange staan buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren; morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer zoo druk.”Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin’s boezem brandde, hij moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien, dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden, moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.Den volgenden morgen ging Aladdin’s moeder weer even vroeg met haar geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs, want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: “Reeds sindseenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?”De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter het antwoord niet schuldig blijven. “Heer”, zeide hij, “het is u zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan heeft, dat van even weinig belang is.” De sultan was met dit antwoord niet tevreden en zeide: “Wanneer deze vrouw in de volgende zitting weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik haar kan hooren.” De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken, als hij dit niet uitvoerde.Aladdin’s moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed, alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de sultan Aladdin’s moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had aangezien, roerde hem. “Opdat je het niet vergeet”, zeide hij tot den grootvizier, “daar staat weerde vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en haar zaak in ’t reine brengen.”Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin’s moeder en gaf haar een teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon, waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te gaan innemen.Aladdin’s moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen zij opgestaan was, sprak hij tot haar: “Goede vrouw, ik zie je reeds langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde, bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?”Aladdin’s moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij: “Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees koester, het mijn sultan mee te deelen.”Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen, zich uit de divan teverwijderen en hem met den grootvizier alleen te laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.Aladdin’s moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel vreezen moest.“Groote koning”, zeide zij, opnieuw het woord nemend, “ik waag ook nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in ’t minste aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en genade schenkt.”“Wat het ook zijn mag”, antwoordde de sultan, “ik vergeef het je nu al, en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!”Nadat Aladdin’s moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde, vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe zij hem alles onder ’t oog gebracht had, om hem van een hartstocht af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, “inplaats van naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer ik weigeren zou tot u tegaan en voor hem om de hand der prinses te vragen.Desnietteminheeft het mij ’n zeer groote zelfoverwinning gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal, groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis na te streven.”De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en goedheid aan, zonder in ’t minste toorn en tegenzin te verraden, of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen, onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke, kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was, nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich zelven van vreugde: “Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!” Nadat hij alle steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en naar hun meest in ’t oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem: “Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele wereld niets kostbaarders en meer volmaaktsvinden kan.” De vizier was eveneens geheel betooverd.
Aladdin met moeder aan tafel, bediend door geest.
Dit geschiedde in zoo korten tijd, dat Aladdin’s moeder nog niet tot haar bewustzijn was gekomen, toen de geest voor de tweede maal verdween. Aladdin, die intusschen, maar zonder gevolg, begonnen was, haar water in ’t gezicht te sprenkelen, wilde dit juist weer herhalen; maar ’t zij dat hare ontvloden levensgeesten weer teruggekomen waren, ’t zij dat de geur der spijzen, welke de geest gebracht had, er iets toe bijdroeg, in ’t kort, zij kwam oogenblikkelijk weer tot zichzelf.
“Lieve moeder”, zeide Aladdin tot haar, “er gebeurt verder niets meer, sta op en eet; hier zijn dingen genoeg, om uw hart te sterken entevens mijn grooten honger te bevredigen. Wij willen deze heerlijke spijzen niet koud laten worden, maar eten.”
Aladdin’s moeder was buitengewoon verbaasd, toen zij de groote schaal, de twaalf schotels, de zes brooden, de twee flesschen benevens de twee drinkschalen ontdekte en den heerlijken geur inademde, die uit alle schotels opsteeg.
“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “waar komt deze overvloed vandaan, en wien moeten wij voor zulk een rijk geschenk bedanken? Zou wellicht de sultan van onze armoede gehoord en zich over ons erbarmd hebben?”
“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons thans aan tafel zetten en eten; gij hebt dat evenzeer noodig als ik; uw vraag zal ik beantwoorden, wanneer wij ontbeten hebben.”
Zij zetten zich aan tafel, en spijsden met des te grooter smaak, als beiden, moeder en zoon, zich nooit aan zulk een welvoorziene tafel bevonden hadden.
Onder den maaltijd kon Aladdin’s moeder niet ophouden, de schaal en de schotels te beschouwen en te bewonderen, ofschoon zij niet goed wist of zij van zilver of van een ander metaal waren; zoo ongewoon was haar de aanblik van dergelijke dingen. Eigenlijk was het alleen de nieuwheid en niet de waarde daarvan, wat haar zoo in bewondering bracht, want zij wist er even weinig van als haar zoon Aladdin.
Aladdin en zijn moeder, die slechts een eenvoudig ontbijt hadden meenen te nuttigen, zaten op ’t uur van ’t middagmaal nog aan tafel. De heerlijke spijzen hadden hun eetlust in hooge mate opgewekt, en daar ze nog warm waren, geloofden zij er geen kwaad aan te doen, wanneerzij beide maaltijden maar te zamen gebruikten, in plaats van tweemaal aan tafel te gaan. Nadat de dubbele maaltijd geëindigd was, bleef er nog zooveel over, dat zij niet alleen voor dien avond, maar ook nog voor twee maaltijden op den volgenden dag ruim genoeg hadden.
Toen Aladdin’s moeder afgenomen en het vleesch, dat onaangeroerd was gebleven, weggezet had, nam zij naast haar zoon op de sofa plaats en zeide tot hem: “Aladdin, ik verwacht thans van je, dat je mijn nieuwsgierigheid bevredigen en mij de beloofde opheldering geven zult.”
Aladdin vertelde haar omslachtig alles, wat gedurende haar onmacht tusschen den geest en hem voorgevallen was.
Aladdin’s moeder geraakte in de hoogste verbazing over het verhaal van haar zoon en de verschijning van den geest.
“Maar jongen, wat wil je toch eigenlijk zeggen met je geesten?” vroeg zij. “Zoolang ik leef, heb ik nog nooit hooren zeggen, dat iemand van al mijn kennissen een geest gezien heeft. Door welk toeval is deze vreeselijke geest bij mij gekomen? Waarom heeft hij zich tot mij gewend en niet tot jou, daar hij je toch al reeds eenmaal in het schattenhol verschenen is?”
“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “de geest, die aan u verschenen is, is niet dezelfde, die aan mij verscheen. Zij hebben wel eenige gelijkenis, wat hun reuzengestalte betreft, maar in de gezichtstrekken en in hun kleeding zijn ze heelemaal van elkander verschillend en behooren ook aan verschillende meesters. U zult u nog herinneren, dat degene, dien ik zag, zich een slaaf van den ring noemde, dien ik aan denvinger heb, terwijl die daar zooeven verschenen is, zeide, dat hij een slaaf van de lamp is, die u in de hand hield; ik geloof echter niet, dat u ’t gehoord hebt, want ik geloof, dat u reeds in onmacht viel, zoodra hij begon te spreken.”
“Wat!” riep Aladdin’s moeder, “dus je lamp is schuld, dat deze verwenschte geest zich tot mij gewend heeft, in plaats van tot jou? Ach, beste jongen, breng ze toch terstond uit mijne oogen, en verkoop haar, waar ge wilt; ik wil haar niet meer aanraken. Eerder laat ik ze weggooien of verkoopen, dan dat ik gevaar loop, bij haar aanraking van angst te sterven. Luister naar me, en doe ook dien ring af. Men moet geen verkeer met geesten hebben; het zijn duivels en onze profeet heeft het gezegd.”
“Met uw verlof, lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “zal ik er thans wel voor oppassen, een lamp, die zoo nuttig voor ons beiden kan zijn, te verkoopen, zooals ik daareven nog van plan was. Ziet u dan niet, wat ze ons voor eenige oogenblikken nog verschaft heeft? Zij moet ons thans voortdurend voeding en levensonderhoud bezorgen. Gij kunt u, evenals ik, gemakkelijk denken, dat mijn afschuwelijke valsche oom zich niet zonder grond zooveel moeite gegeven en een zoo verre en moeitevolle reis ondernomen heeft, dat hij naar het bezit dezer wonderlamp streefde, welke hij hooger schatte dan al het goud en zilver, dat, zooals hij wist, in de zalen opgehoopt lag, en dat ik, zooals hij het mij beschreven had, met mijn eigen oogen zag. Hij kende de waarde en de heerlijke eigenschappen dezer lamp te goed, om nog iets van de overige rijke schatten te wenschen. Daar nu het toevalons haar geheime kracht ontdekt heeft, zoo willen wij het voordeeligst mogelijke gebruik er van maken, maar zonder opzien te baren, opdat onze naburen niet nijdig en ijverzuchtig worden. Ik wil haar overigens gaarne buiten uwe oogen houden, en op een plek verbergen, waar ik ze vinden kan, als ik haar noodig heb, wijl gij zulk ’n grooten angst voor de geesten hebt. Ook kan ik onmogelijk besluiten, den ring weg te werpen. Zonder dezen ring hadt u mij nooit weergezien, en zonder hem zou ik thans of niet meer, of hoogstens nog voor eenige oogenblikken leven. U zult me dus veroorloven, dat ik hem blijf behouden, en hem met de grootste behoedzaamheid aan den vinger drage. Wie weet, of mij niet eenmaal een ander gevaar bedreigt, dat wij beiden niet kunnen vooruit zien, en waaruit hij mij wellicht bevrijdt!” Daar Aladdin’s opmerking zeer juist scheen, wist zijn moeder er niets meer tegen in te brengen.
“Lieve zoon”, zeide zij tot hem, “je kunt doen, wat je voor goed houdt. Wat mij betreft, ik wil met geesten niets te maken hebben. Ik verklaar je hierbij, dat ik mijn handen in onschuld wasch en nooit meer met je daarover spreken zal.”
Den volgenden dag, na ’t avondeten, was er van al de heerlijke spijzen, die de geest gebracht had, niets meer over. Aladdin, die niet zoo lang wilde wachten, tot de honger hem noodzaakte, nam daarom den derden morgen een der zilveren schotels onder zijn kleeren, en ging uit, om hem te verkoopen. Hij sprak een koopman aan, die hem ontmoette, nam hem even ter zijde, toonde hem den schotel en vroeg, of hij er zin in had.
De koopman, een sluwe en doortrapte kerel,onderzocht hem, en daar hij merkte, dat de schotel van echt zilver was, vroeg hij Aladdin, wat hij er voor verlangde. Aladdin, die van de waarde niets afwist en nooit met zulke zaken handel had gedreven, zeide alleen, dat hij wel ’t best zou weten wat ’t ding waard was, en dat hij zich heelemaal op zijn eerlijkheid verliet. De koopman geraakte werkelijk in verlegenheid door Aladdin’s openhartigheid. Daar hij niet wist, of Aladdin de waarde zijner goederen werkelijk kende of niet, haalde hij een goudstuk uit zijn beurs, dat hoogstens het twee-en-zeventigste deel van de werkelijke waarde van den schotel had en bood het hem aan. Aladdin nam ’t geldstuk met een verheugd gezicht, en zoodra hij het in de hand hield, liep hij zoo hard weg, dat de koopman met zijn ongehoorde winst bij dezen koop niet tevreden, zich zeer daarover ergerde, dat hij Aladdin’s volkomen onbekendheid met de waarde van den schotel niet beter geraden en hem nog veel minder geboden had. Hij kwam in verzoeking den jongen na te loopen, of hij wellicht niet nog iets van zijn goudstuk terug zou kunnen krijgen; maar Aladdin ging snel, en was reeds zoover weg, dat hij hem bezwaarlijk had kunnen inhalen.
Op den weg naar huis bleef Aladdin voor een bakkerswinkel staan, kocht een voorraad brood en betaalde met het goudstuk, dat de bakker voor hem wisselde. Toen hij thuiskwam, gaf hij het overige geld aan zijn moeder, die naar de markt ging, om voor hen beiden de noodige levensmiddelen voor eenige dagen in te slaan.
Zoo leefden zij een tijd lang voort, d.w.z. Aladdin verkocht achtereenvolgens alle twaalf schotels aan den koopman. Deze, die voor deneersten een goudstuk gegeven had, waagde het niet, voor de overige minder te bieden, en betaalde alle met dezelfde munt, om zulk een goeden handel niet te verliezen. Toen nu het geld van den laatsten schotel uitgegeven was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de groote schaal, die alleen tienmaal zooveel woog als elke schotel. Hij wilde haar aan een gewonen koopman brengen, maar zij was hem te zwaar. Toen moest hij den eerste wel weer opzoeken en hem mee naar zijn huis nemen; deze onderzocht het gewicht der schaal en betaalde hem terstond tien goudstukken, waarmee Aladdin ook tevreden was.
Zoo lang er goudstukken waren, werden zij voor de dagelijksche uitgaven der huishouding uitgegeven. Aladdin had intusschen, ofschoon hij aan lediggang gewoon was, sedert zijn avontuur met den Afrikaanschen toovenaar niet meer met jongelieden van zijn leeftijd gespeeld. Hij bracht zijn dagen met wandelen door, of onderhield zich met andere menschen, met wie hij kennis gemaakt had. Vaak bleef hij ook voor de winkels der groote kooplieden staan en luisterde opmerkzaam naar de gesprekken van aanzienlijke mannen, die zich hier een poos ophielden, of elkander hier besteld hadden, en deze gesprekken gaven hem langzamerhand een vernisje van wereldkennis.
Toen van de tien goudstukken niets meer over was, nam Aladdin zijn toevlucht tot de lamp. Hij nam haar in de hand, zocht de plaats op, welke zijn moeder aangeraakt had, en toen hij ze aan den indruk van het zand herkende, wreef hij haar evenzoo, als zij gedaan had. Terstond verscheen weer dezelfde geest, die zich reedseenmaal vertoond had; wijl echter Aladdin de lamp zachter gewreven had, dan zijn moeder, sprak hij ditmaal op milderen toon dezelfde woorden van vroeger: “Wat wilt gij? ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van al degenen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik, als de andere slaven der lamp.”
Aladdin antwoordde hem: “Ik heb honger; breng mij te eten.” De geest verdween en verscheen binnen eenige oogenblikken weder met een zelfden maaltijd als de eerste maal, plaatste alles op de sopha en verdween weder.
Aladdin’s moeder was, wijl ze het voornemen van haar zoon kende, met opzet uitgegaan, om bij de verschijning van den geest niet thuis te zijn. Zij kwam spoedig daarop terug, en daar ze de tafel zoo goed bezet zag, verbaasde zij zich over de wonderbare werking der lamp bijna evenzoo, als de eerste maal. Aladdin en zijn moeder zetten zich aan tafel, en na den maaltijd bleef hun nog zooveel over, dat zij er de beide volgende dagen behaaglijk van leven konden.
Toen Aladdin zag, dat er noch brood, noch levensmiddelen, noch geld meer in huis was, nam hij een zilveren schotel en zocht den koopman, dien hij kende, op, om hem te verkoopen. Op den weg daarheen, kwam hij voorbij den winkel van een goudsmid, die door zijn ouderdom eerwaardig en tevens een eerlijk en rechtschapen man was. De goudsmid bemerkte hem, en riep hem toe, binnen te treden.
“Mijn zoon”, zeide hij toen tot Aladdin, “ik heb je reeds verscheidene malen met dezelfde waar als thans zien voorbijgaan, dien en dien koopman opzoeken en spoedig daarna met leegehanden terugkomen. Dat heeft mij op de gedachte gebracht, dat gij dat, wat gij draagt, iederen keer aan hem verkoopt. Maar jij weet wellicht niet, dat deze kerel een bedrieger en wel een erger bedrieger is dan andere van zijn slag, en dat niemand, die hem kent, met hem te doen wil hebben. Ik zeg je dit alleen om je van dienst te zijn. Wanneer je mij wilt laten zien, wat je daar in de hand hebt, en het te koop is, dan wil ik je de juiste waarde eerlijk uitbetalen, indien ik het gebruiken kan; zoo niet, dan wil ik je andere kooplieden aanwijzen, die je niet bedriegen zullen.”
In de hoop, nog meer geld voor zijn schotel te ontvangen, haalde Aladdin hem terstond uit zijn kleederen te voorschijn en toonde hem den goudsmid. De grijsaard, die op ’t eerste gezicht al zag, dat hij van ’t fijnste zilver was, vroeg hem, of hij reeds zulke schotels aan den ander verkocht, en wat hij van hem daarvoor ontvangen had. Aladdin vertelde openhartig, dat hij er reeds twaalf van verkocht, en de man hem voor elk een enkel goudstuk gegeven had.
“Ha! die schurk!” riep de goudsmid uit. “Mijn zoon”, voegde hij erbij, “wat gebeurd is, is gebeurd, en men moet er niet meer aan denken; maar wanneer ik je thans de werkelijke waarde van je schotels meedeel, die van het fijnste zilver zijn, dat ooit door ons verwerkt geworden is, dan zult gij inzien, hoezeer de kerel je bedrogen heeft.”
De goudsmid nam zijn weegschaal, woog den schotel en nadat hij Aladdin de waarde en de verdeeling van het geld had uiteengezet, maakte hij hem duidelijk, dat deze schotel naar zijn gewicht twee-en-zeventig goudstukken waard was, welke hij hem terstond uitbetaalde.
“Daar heb je”, zeide hij, “het juiste bedrag voor je schotel. Wanneer je er nog aan twijfelt, dan kun je je naar welgevallen tot een van onze goudsmeden wenden, en wanneer die je zegt, dat hij meer waard is, dan ben ik bereid je het dubbele daarvoor te betalen. Wij verdienen op het zilverwerk, dat wij koopen, niets dan den arbeid en den vorm, en daarmee stelt zich die ander niet tevreden, al is hij nog zoo eerlijk.”
Aladdin bedankte den goudsmid hartelijk voor den goeden raad, dien hij hem gegeven had, en waarvan hij reeds zoo’n groot voordeel getrokken had. Voortaan verkocht hij ook de overige schotels, zoowel als de schaal, alleen nog aan hem en kreeg van alles de volle waarde al naar ’t gewicht. Ofschoon nu Aladdin en zijne moeder een onuitputtelijke geldbron in hun lamp bezaten, door welker kracht zij zich naar hartelust van geld voorzien konden, zoodra zij weer zonder zaten, zoo leefden zij toch aldoor even matig, als te voren; alleen legde Aladdin wat op zij, om fatsoenlijk voor den dag te kunnen komen en verschillende benoodigdheden voor hun kleine huishouding aan te schaffen. Zijn moeder daarentegen gebruikte voor haar kleeding niets meer, dan wat zij met boomwolspinnen verdiende. Bij deze nuchtere leefwijze is het gemakkelijk te begrijpen, dat het goud, dat Aladdin voor zijn twaalf schotels en de schaal van den goudsmid ontvangen had, lang voldoende was. Zoo leefden zij dus verscheidene jaren lang van het goede gebruik, dat Aladdin van tijd tot tijd van zijn lamp maakte.
In dien tusschentijd had Aladdin, die niet naliet, tegenwoordig te zijn bij de bijeenkomsten der aanzienlijke personen in de winkels dervoornaamste kooplieden, die in goud, zilver, zijden stoffen, kostbare sluiers en juweelen handelden, en zelfs een enkele maal aan hun gesprekken deel te nemen, zijn opvoeding voltooid en langzamerhand alle manieren der voorname wereld aangenomen. In het bizonder bij de juweliers genas hij van den waan, dat de doorzichtige vruchten, welke hij in den tuin, waar de wonderlamp stond, geplukt had, niets dan bontgekleurd glas waren; hier vernam hij, dat het zeer kostbare edelgesteenten waren. Daar hij dagelijks in deze winkels alle soorten van zulke edelgesteenten zag koopen en verkoopen, leerde hij ze naar hunne waarde kennen en schatten; daar hij nergens zulke groote en mooie ontdekte, als de zijne waren, zoo begreep hij ook wel, dat hij in plaats van de glasscherven, die hij als kleinigheden beschouwd had, een schat van onmetelijke waarde bezat. Intusschen was hij verstandig genoeg, er niemand iets van te zeggen, zelfs aan zijn moeder niet, en zonder twijfel had hij aan deze stilzwijgendheid het hooge geluk te danken, tot hetwelk wij hem in ’t vervolg onzer geschiedenis zullen zien opklimmen.
Op zekeren dag, toen hij in de stad ging wandelen, hoorde Aladdin met luider stem een bevel des sultans uitroepen, dat iedereen zijn winkel en zijn huisdeur sluiten, en zich binnen in zijne woning begeven moest, totdat de prinses Bedroelboedoer4, de dochter van den sultan, die zich wilde baden, voorbijgegaan en weer teruggekeerd zou zijn.5
Omroeper roept leest het bevel des sultans voor.
Dit openlijke bevel wekte in Aladdin den wensch op, de prinses ontsluierd te zien. Hij moest hiervoor het huis van een bekende opzoeken en daar achter een tralievenster postvatten; dit was hem echter niet voldoende, wijl de prinses, volgens de zeden, op haar weg naar het bad een sluier voor het gezicht moest hebben. Om zijn nieuwsgierigheid te bevredigen, verzon hij eindelijk een middel, dat hem gelukte. Hij plaatste zich namelijk achter de deur van het badhuis, dat zoo ingericht was, dat hij haar onfeilbaar van aangezicht tot aangezicht zien moest.
Aladdin behoefde niet lang te wachten; de prinses verscheen, en hij beschouwde haar door een reet, die groot genoeg was, dat hij zien kon, zonder zelf gezien te worden. Zij kwam in begeleiding van een groot aantal harer vrouwen en slaven, die deels naast haar, deels achter haar liepen. Drie of vier schreden van de deur van het badhuis nam zij den sluier af, die haar gezicht bedekte en haar zeer hinderlijk was, en op deze wijze zag Aladdin haar des te beter, als zij juist op hem toekwam. Aladdin had tot op dit oogenblik nooit een vrouw met ontsluierd gezicht gezien, dan zijn moeder, die reeds oud en ook nooit zoo hupsch geweest was, dat hij van haar een gevolgtrekking op de schoonheid van andere vrouwen had kunnen maken. Wel had hij gehoord, dat er vrouwen van buitengewone schoonheid bestonden, maar alle ook nog zoo geestdriftige schilderingen van een schoonheid kunnen nimmer zulk een indruk maken als haar aanblik zelve.
Toen Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien had, zag hij de onjuistheid in van zijn totnog toe gekoesterde meening, dat alle vrouwen meer of minder op zijn moeder geleken. Geheel andere gevoelens stegen in hem op, en zijn hart kon het betooverende meisje de hoogste genegenheid niet onthouden. En werkelijk was de prinses ook de schoonste brunette, die men slechts op de wereld zien kon. Zij had groote, regelmatige, levendige en vurige oogen, een zachten en zedigen blik, een welgevormden, vlekkeloozen neus, een kleinen mond, rozeroode en door hun schoone evenredigheid in waarheid betooverende lippen; met één woord, al haar gelaatstrekken waren hoogst bekoorlijk en regelmatig. Wat wonder, dat Aladdin bij den aanblik eener zoo zeldzame vereeniging van bekoorlijkheden, welke hem heelemaal nieuw waren, verblind werd en bijna buiten zichzelven geraakte! Behalve deze volkomenheden had de prinses een volle gestalte en een majestueuze houding, welker aanblik alleen reeds den haar verschuldigden eerbied inboezemde.
Toen de prinses het badhuis was binnengegaan, bleef Aladdin een poos geheel verward en als verrukt staan, terwijl hij zich voortdurend het heerlijke beeld voor oogen riep, dat hem in het binnenste van zijn hart geroerd en betooverd had. Eindelijk kwam hij weer tot bezinning, en daar hij er aan dacht, dat de prinses al reeds voorbij gegaan was, en hij vergeefs langer op zijn post zou blijven wachten, om haar bij het terugkeeren uit het bad weder te zien, wijl zij hem dan den rug toekeeren en gesluierd zijn zou, zoo besloot hij, de plaats te verlaten en zich te verwijderen.
Toen Aladdin thuiskwam, kon hij zijn ontroering en onrust niet zoo verbergen, dat zijnmoeder er niets van merkte. Zij was zeer verbaasd hem tegen zijn gewoonte, zoo treurig en nadenkend te zien en vroeg hem, of hem iets onaangenaams overkomen was, of dat hij zich onwel gevoelde. Aladdin gaf echter geen antwoord, maar zette zich op de sofa neer, en bleef daar in onveranderlijke houding zitten, voortdurend daarmede bezig, zich het bekoorlijke beeld der prinses Bedroelboedoer voor den geest te halen. Zijn moeder zorgde voor het avondeten en drong niet verder bij hem aan. Toen het maal gereed was, plaatste zij het naast hem op de sofa en zette zich aan tafel. Daar zij echter zag, dat haar zoon er hoegenaamd geen acht op sloeg, zoo spoorde zij hem aan, toch iets te eten, en slechts met groote moeite gelukte het haar hem zoover te brengen, dat hij van houding veranderde. Hij at veel minder dan gewoonlijk, hield zijn oogen immer terneergeslagen en bleef in zulk een diep stilzwijgen volharden, dat het zijn moeder onmogelijk was, ook maar een enkel woord uit hem te krijgen, hoe dringend zij hem ook aanspoorde, haar toch de oorzaak van deze buitengewone verandering mede te deelen.
Na het avondeten begon zij opnieuw hem te vragen, waarom hij dan toch zoo zwaarmoedig was, maar zij kon niets uit hem krijgen, en Aladdin ging naar bed zonder zijn moeder in ’t minst tevreden gesteld te hebben.
Wij willen niet nagaan, hoe Aladdin, wien de schoonheid en bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer het hoofd op hol gebracht hadden, den nacht doorbracht; slechts zooveel willen wij zeggen, dat hij zich den volgenden morgen weer op de sofa zette en met zijn moeder, die tegenoverhem zat en als gewoonlijk boomwol spon, het volgende gesprek aanving.
“Lieve moeder”, zeide hij tot haar, “ik wil thans het stilzwijgen verbreken, dat ik sedert mijn thuiskomst gisteravond in acht genomen heb. Het heeft u kommer veroorzaakt en dat is mij niet ontgaan. Maar zooveel kan ik u zeggen, dat dat, wat ik gevoelde en wat ik nog voortdurend gevoel, iets veel ergers is, dan een ziekte. Wel weet ik niet goed, hoe men dit kwaad noemt, maar ik twijfel er niet aan, dat u het wel zal begrijpen uit wat ik u thans zeggen ga.
“Het is”, ging Aladdin voort, “in deze buurt niet bekend geworden, en zoo kan u ’t ook niet weten, dat prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan, gisternamiddag naar het bad gegaan is. Ik vernam het, toen ik in de stad rondwandelde. Men riep namelijk het bevel uit, dat alle winkels gesloten zouden worden en ieder zich in zijn huis begeven moest, om de prinses de haar toekomende eer te bewijzen en haar in de straten, waardoor zij ging, vrijen doortocht te laten. Daar ik niet ver van het badhuis af was, zoo bracht mij de nieuwsgierigheid, haar met ontsluierd gelaat te zien, op den inval, mij achter de deur van het badhuis te verbergen; want ik dacht, dat zij wellicht nog voor het badhuis in te gaan, den sluier zou afnemen. Gij weet hoe de deur geplaatst is, en kunt daarom licht begrijpen, dat ik haar gemakkelijk zien moest, als dit gebeurde, wat ik vermoedde. Werkelijk deed zij voor het naar binnen gaan den sluier af en ik had het geluk, tot mijn onuitsprekelijk genoegen deze lieftallige prinses te zien. Ziet ge, moeder, dat is de oorzaak van dentoestand, waarin gij mij gisteren gezien hebt, toen ik thuis kwam, en daarom heb ik tot heden den mond niet opengedaan. Ik bemin de prinses met een vuur, dat ik u niet beschrijven kan, en daar mijn hartstocht met elk oogenblik toeneemt, zoo voel ik wel, dat ze slechts door het bezit der bekoorlijke prinses Bedroelboedoer bevredigd worden kan; vandaar dat ik ook besloten ben, haar van den sultan tot mijn vrouw te verzoeken.”
Aladdin’s moeder had de rede van haar zoon tot de laatste woorden met groote opmerkzaamheid aangehoord; toen zij echter vernam, dat hij van plan was, naar de hand der prinses Bedroelboedoer te dingen, kon zij niet nalaten, hem door een schaterend gelach te onderbreken. Aladdin wilde voortgaan, maar zij liet hem niet aan het woord komen en zeide tot hem:
“Ei ei, mijn zoon, wat valt je in? Ben je waanzinnig geworden, dat je zulke dingen zeggen kunt?”
“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik kan u verzekeren, dat ik niet waanzinnig, maar goed bij mijn verstand ben. Ik heb van te voren gedacht, dat gij mij dwaas en onnoozel zoudt noemen; maar dit zal me toch niet weerhouden, u nog eens te verklaren, dat mijn besluit vaststaat, den sultan om de hand der prinses Bedroelboedoer te vragen.”
“Waarlijk mijn zoon,” antwoordde de moeder zeer ernstig, “ik kan niet nalaten, je te zeggen, dat je niet weet, wat je doet; en wanneer jij ook je besluit wilt uitvoeren, zoo begrijp ik nog niet, door wien je het kan wagen, je verzoek te laten doen.”
“Door niemand anders dan door uzelf,” antwoordde de zoon zonder bedenken.
“Door mij!” riep de moeder ten hoogste verbaasd en verrast; “en aan den sultan? O, ik zal er wel voor oppassen, mij met zulk ’n onderneming in te laten. En wie ben jij dan, mijn jongen”, voer zij voort, “dat je de koenheid durft hebben, je gedachten naar de dochter van den sultan op te heffen? Ben je vergeten, dat je de zoon van een der geringste kleermakers zijner hoofdstad en ook van moederszijde niet van hoogere afkomst bent? Weet je dan niet, dat sultans hunne dochters zelfs aan sultanszonen weigeren, die geen hoop hebben, eens aan de regeering te komen?”
“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “ik heb u reeds gezegd, dat ik alles vooruitgezien heb, wat u mij zooeven gezegd hebt, en evenzoo weet ik alles, wat u er wellicht nog aan toevoegen kan. Noch uw woorden, noch uw tegenwerpingen zullen mij van mijn besluit afbrengen. Ik heb u gezegd, dat ik door uw bemiddeling om de hand der prinses Bedroelboedoer verzoeken wil; dit is de eenige dienst, waarom ik u met allen schuldigen eerbied verzoek, en u kan hem mij niet weigeren, wanneer ge mij niet liever ziet sterven, dan mij ten tweeden male het leven te schenken.”
Aladdin’s moeder verkeerde in groote verlegenheid, toen zij de hardnekkigheid zag, waarmee hij aan een zoo onverstandig plan vasthield.
“Mijn zoon”, zeide zij nogmaals tot hem, “ik ben je moeder en als een goede moeder ben ik bereid, uit liefde voor jou alles te doen, wat verstandig en voor mijn en jouw stand passend is. Wanneer het noodig was, voor jou de dochter vaneen onzer buren tot vrouw te begeeren, die van gelijken of ten minste van niet veel hoogeren stand was als jij, dan zou ik niets onbeproefd laten, en van harte gaarne alles doen, wat in mijn macht stond; maar ook dan moest gij eenig vermogen of inkomsten bezitten of een beroep geleerd hebben, om je doel te bereiken. Wanneer arme lieden als wij, trouwen willen, zoo is het eerste, waaraan zij denken moeten, of zij ook iets hebben om er van te leven. Maar zonder aan je lage afkomst, aan je geringen stand en je armoede te denken, wil je je op ’t hoogste toppunt van het geluk verheffen en verlangt niets geringers, dan de dochter van je heer en gebieder, die slechts één woord behoeft te zeggen, om je te verderven en te verpletteren. Ik wil hier niet aanvoeren, wat jezelf betreft, want dat moet je in je eigen binnenste in overweging nemen, indien je maar half bij je verstand bent. Ik wil slechts spreken van dat, wat mij aangaat. Hoe is zoo een wonderlijke gedachte in je hoofd kunnen opkomen, dat ik naar den Sultan gaan zou en hem het verzoek doen, je zijn dochter, de prinses, tot vrouw te geven? Neem eens aan, ik had, ik wil niet zeggen de koenheid, maar de onbeschaamdheid voor zijn geheiligden persoon te verschijnen om een zoo ongerijmd verzoek over te brengen, tot wien moest ik mij dan wel eerst wenden, om slechts toegelaten te worden? Geloof je dan niet, dat de eerste, dien ik aansprak, mij als zottin behandelen en mij met smaad en schimp weg jagen zou, zooals ik het ook verdiende? Wij willen echter ook eens aannemen, dat het geen moeite zou kosten, audiëntie bij den Sultan te verkrijgen, want ik weet, dat men gemakkelijk bij hem komen kan, wanneer men om gerechtigheidsmeekt, en dat hij ze zijn onderdanen gaarne verschaft, zoodra zij hem daarom verzoeken; ik weet ook, dat hij met genoegen een genade verleent, waarom men hem bidt, zoodra hij ziet, dat men ze verdiend heeft en haar waardig is, maar verkeer jij dan in zulk een geval en geloof je de genade verdient te hebben, welke ik voor jou vragen moet? Ben je haar waardig? Wat heb je dan voor je Vorst of voor je Vaderland gedaan, en waardoor heb je je onderscheiden? Wanneer je nu niets gedaan hebt, om zulk een hooge genade te verdienen, en ook overigens haar niet waardig bent, hoe zou ik dan daarom kunnen verzoeken? Hoe zou ik slechts den mond kunnen openen, om den Sultan dit voorstel te doen? Zijn majestueuze aanblik en de glans van zijn hof zouden mij zelfs den mond doen dichthouden, mij, die reeds voor mijn gestorven man, jouw vader, sidderde, wanneer ik hem slechts om een kleinigheid vragen moest. Ook is er nog een andere grond voorhanden, mijn zoon, waaraan gij niet gedacht hebt, namelijk, dat men voor onzen Sultan, wanneer men hem iets verzoeken wil, niet verschijnen mag zonder een geschenk in de hand te hebben. Die geschenken hebben tenminste dit goede, dat zij, wanneer zij ook om de een of ander reden het verzoek afslaan, den vragende tenminste zonder tegenzin aanhooren. Maar welk geschenk zou ik hem kunnen aanbieden? En wanneer je ook al iets bezat, dat in de oogen van een zoo grooten monarch eenige waarde kan hebben, in welke verhouding stond dan je geschenk tot dat verzoek, dat je aan hem doen wilt? Denk er eens over en je zult zien dat je iets begeert, dat je onmogelijk verkrijgen kunt.”
Aladdin hoorde alles wat zijn moeder tot hem zeide, om hem van zijn plan af te brengen, met groote gemoedskalmte aan, en nadat hij haar tegenwerpingen punt voor punt overwogen had, nam hij eindelijk het woord en sprak: “Ik stem toe, lieve moeder, dat het een groote vermetelheid van mij is, zoo hoog te willen klimmen, en tegelijk zeer ondoordacht, dat ik van u met zulk een vuur en overijling verlang, bij den sultan voor mij om zijn dochter te verzoeken, zonder vooraf de noodige maatregelen te nemen, om u gehoor en een gunstige ontvangst te verschaffen. Vergeef mij dezen keer. In het vuur van den hartstocht, welke zich van mij heeft meester gemaakt, moogt gij u niet verwonderen, wanneer ik niet in eens aan alles, wat mij de gewenschte rust geven kan, gedacht heb. Ik bemin de prinses Bedroelboedoer veel meer, dan gij u kunt voorstellen, en volhard bij mijn voornemen haar te trouwen. Ik ben het daarover volkomen met mijzelven eens. Overigens dank ik u voor de aanwijzing, welke gij mij zooeven gedaan hebt, want ik beschouw dat als den eersten stap naar den gelukkigen uitslag, dien ik mij beloof.
“U zegt mij, het is geen gebruik zonder een geschenk in de hand voor den sultan te verschijnen, en ik heb niets, wat zijner waardig zou zijn. Ik deel uw meening met betrekking tot het geschenk en stem toe, dat ik niet daaraan gedacht heb. Wat echter uw bewering betreft, dat ik niets bezit, dat hem overreikt kon worden, zoo geloof ik toch, dat de dingen, die ik uit het onderaardsch gewelf, waar mij een onvermijdelijke dood bedreigde, meegebracht heb, den sultan zeer zeker veel vreugde zullen bereiden.Ik spreek namelijk van de steenen in de twee zakken en in den gordel, die wij beiden aanvankelijk voor gekleurde glazen hielden; thans zijn mij de oogen opengegaan, en ik zeg u, lieve moeder, dat het juweelen van onschatbare waarde zijn, die slechts aan groote koningen toekomen. In de winkels der juweliers heb ik mij van hun waarde overtuigd en u kan mij op mijn woord gelooven: alle, die ik bij deze heeren gezien heb, komen niet in vergelijking met de onze, noch wat betreft hun grootte, noch wat hun schoonheid aangaat, en toch verkoopen zij ze tegen ongehoorde sommen. Wij kunnen wel is waar de juiste waarde van onze steenen niet opgeven, maar dat mag zijn zooals het wil, zooveel begrijp ik toch, om overtuigd te zijn, dat het geschenk den sultan de grootste vreugde geven moet. U heeft daar een tamelijk groote porseleinen vaas, die er juist bij past; breng ze eens hier, en laat ons zien, welke werking ze hebben, als wij ze naar hun onderscheidene kleuren rangschikken.”
Aladdin’s moeder bracht de vaas, en Aladdin nam de edelgesteenten uit de beide zakken, en legde ze er in de beste orde in. De werking, welke zij door de menigvuldigheid hunner kleuren en hun stralenden glans in het heldere daglicht hadden, was zoo groot, dat moeder en zoon er bijna verblind door werden en zich ten hoogste verwonderden; want zij hadden ze tot nog toe slechts bij het schijnsel van een lamp gezien. Aladdin had ze wel aan de boomen gezien, waar zij hem vruchten toeleken, die een heerlijken aanblik boden; maar hij was destijds nog een kind geweest en had deze edelgesteenten slechts als speelgoed beschouwd en ze alleen om dezereden meegenomen zonder eenig denkbeeld van hun waarde te hebben.
Nadat zij de schoonheid van het geschenk een poosje beschouwd hadden, nam Aladdin weder het woord en zeide: “U heeft thans geen uitvlucht meer lieve moeder, en kunt u niet daarmee verontschuldigen, dat wij geen passend geschenk aan te bieden hebben. Hier is er een, dat u zeker een recht vriendelijke ontvangst verzekeren zal.”
Ofschoon Aladdin’s moeder dit geschenk, ondanks zijn schoonheid en zijn glans, niet van zooveel waarde achtte als haar zoon, zoo dacht ze toch, dat het wellicht aangenomen kon worden, en zag in, dat in dit opzicht geen tegenwerpingen meer te maken waren. Daarentegen kwam zij steeds weer op Aladdin’s verzoek terug, dat door het geschenk gesteund moest worden, en dit veroorzaakte haar veel onrust.
“Mijn zoon”, sprak zij tot hem, “ik begrijp wel, dat je geschenk een goede uitwerking hebben en genade in de oogen des sultans vinden zal; maar wanneer ik dan je verzoek zal moeten voordragen, dan weet ik van te voren, dat ik daartoe geen kracht hebben en stom blijven zal.
“Op deze wijze zal niet alleen mijn reis vruchteloos, maar ook het geschenk, dat naar je bewering zoo buitengewoon kostbaar is, verloren zijn, en ik zal met smaad moeten aftrekken, om je te verkondigen, dat je je in je hoop bedrogen hebt. Ik heb het je al eens gezegd en je zult zien, dat het zoo uitkomt.”
“Maar”, liet zij erop volgen, “onderstel ook, dat ik mij zooveel geweld kan aandoen, om mij naar je wenschen te schikken, en ik had kracht genoeg, om een zoodanige bede te wagen, welke je van mij verlangt, dan zal toch zeer zeker desultan zich vroolijk over mij maken en mij als een zottin naar huis zenden, of hij zal in gerechten toorn uitbreken, welks offers onfeilbaar wij beiden zullen zijn.”
Aladdin’s moeder voerde nog meer van zulke gronden aan, om haar zoon op andere gedachten te brengen, maar de bekoorlijkheid der prinses Bedroelboedoer had een te sterken indruk op zijn hart gemaakt, dan dat hij zich van zijn plan had laten afbrengen. Aladdin volhardde daarom bij zijn verzoek, en deels uit liefde, deels uit vrees dat hij den een of anderen dollen streek kon uitvoeren, overwon zijn moeder haar tegenzin en kwam er eindelijk toe, naar zijn wensch te handelen.
Daar het reeds laat, en de tijd, om naar het paleis te gaan en voor den sultan te verschijnen, op dezen dag al voorbij was, zoo werd de zaak tot den volgenden dag uitgesteld. Moeder en zoon spraken van niets anders meer, en Aladdin spande zijn heele denkvermogen in, om zijn moeder in haar besluit te versterken. Maar trots alle overredingskunsten van den zoon kon zich de moeder toch niet overtuigen, dat haar plan gelukken zou, en men moet werkelijk erkennen, dat zij alle reden had, daaraan te twijfelen.
“Mijn zoon”, zeide zij tot Aladdin, “wanneer de sultan mij zoo welwillend toelaat, als ik het uit liefde voor jou wensch, wanneer hij ook het voorstel, dat ik hem doen zal, kalm aanhoort, maar dan er aan denkt naar je vermogen en je stand te vragen—en dat zal hij voor alles wenschen te vernemen—zeg mij, wat ik hem dan zal moeten antwoorden?”
“Lieve moeder”, antwoordde Aladdin, “wij willen ons niet van te voren om een zaak bekommeren,die wellicht heelemaal niet zal voorkomen. Wij moeten thans afwachten, hoe de sultan u ontvangt en welk een antwoord hij u geeft. Wanneer hij dan werkelijk over dat, wat u zegt, inlichtingen verlangt, zal ik wel een antwoord weten te vinden, en ik geloof vast, dat de lamp, die ons reeds sedert eenige jaren onderhoudt, mij in den nood niet verlaten zal.”
Aladdin’s moeder wist daarop niets te antwoorden, want zij dacht, dat de lamp, waarvan hij sprak, ook nog veel grootere wonderen verrichten kon, dan hun alleen levensonderhoud te verschaffen. Dit stelde haar gerust en verdreef in haar binnenste alle bezwaren, die haar er nog van hadden kunnen afhouden, haar zoon den beloofden dienst bij den sultan te bewijzen. Aladdin, die de gedachten zijner moeder raadde, zeide tot haar: “In elk geval, lieve moeder, houdt de zaak geheim; daarvan hangt de gansche gelukkige uitslag af, dien wij verwachten kunnen.”
Hierna scheidden zij, om naar bed te gaan; maar de groote liefde en de grootsche, onmetelijke geluksplannen, welke Aladdin’s gemoed vervulden, deden hem geen rust vinden. Hij stond voor dag en dauw op, wekte terstond zijn moeder en drong er op aan, dat zij zich ten spoedigste zou aankleeden, naar de poort van het koninklijk paleis gaan en, tegelijk met den grootvizier, de ondergeschikte vizieren en de overige staatsdienaars naar binnen treden, die zich naar de zitting van den divan begeven, welke de sultan steeds in persoon bijwoonde.
Moeder van Aladdin op weg naar het paleis.
Aladdin’s moeder deed alles, wat haar zoon wenschte. Zij nam de met edelgesteenten gevulde porseleinen vaas en wikkelde haar in een dubbelen linnen doek, eerst in een zeer fijnen ensneeuwwitten, en toen in een minder fijnen, dien zij met de vier punten bijeen bond, om de vaas gemakkelijker te kunnen dragen. Eindelijk ging zij tot vreugde van Aladdin heen en nam haar weg naar het paleis van den sultan. De grootvizier, benevens de overige vizieren en de aanzienlijkste heeren van het hof waren reeds naar binnen gegaan, toen zij aan de poort kwam. Het aantal dergenen, die bij den divan iets te zoeken hadden, was zeer groot. Men opende en zij ging met hen de zaal in. Deze was bovenmate mooi, diep en ruim en had een grooten, prachtigen ingang; zij plaatste zich zoo, dat zij den sultan recht tegenover zich, den grootvizier en de overige heeren, die in den raad zaten, rechts en links had. Men riep de verschillende personen, den een na den anderen, op, in de orde, waarin zij hun verzoekschriften hadden ingediend, en hun aangelegenheden werden voorgedragen, behandeld en beslist, tot aan het uur, dat de divan als naar gewoonte, gesloten werd. Dan stond de sultan op, sloot de vergadering, en ging terugnaar zijn kamer, waarin de grootvizier hem volgde. De overige vizieren en leden van den staatsraad begaven zich naar huis; evenzoo zij, die wegens particuliere zaken verschenen waren; de eenen vergenoegd, dat zij hun proces gewonnen hadden, de anderen ontevreden, wijl zij in ’t ongelijk gesteld waren, en nog anderen in de hoop, dat hun zaak in een volgende zitting zou voorkomen.
Aladdins moeder bij sultan.
Toen Aladdin’s moeder zag, dat de sultan opstond en wegging, maakte zij daaruit op, dat hij op dezen dag wel niet meer verschijnen zou, en ging, evenals vele anderen, naar huis. Aladdin, die haar zag terugkomen met het voor den sultan bestemde geschenk, wist in ’t eerst niet, wat hij van den uitslag zijner zending denken moest. Hij vreesde een slechte boodschap te hooren en had nauwelijks kracht genoeg, den mond te openen en haar te vragen, welk bericht zij bracht. De goede vrouw, die nooit een voet in het paleis van den sultan gezet en er geen flauw begrip van had, wat daar het gebruik was, maakte aan de verlegenheid van haar zoon een einde, terwijl zij met groote trouwhartigheid en oprechtheid aldus tot hem sprak: “Mijn zoon, ik heb den sultan gezien en ben vast overtuigd, dat hij mij ook gezien heeft. Ik stond recht tegenover hem en niemand hinderde mij, hem te zien; maar hij was te druk bezig met hen, die links en rechts van hem zaten, zoodat ik medelijden met hem kreeg, toen ik zag, met welk een moeite en geduld hij naar hen luisterde. Dit duurde zoolang, dat het hem geloof ik, op ’t laatst begon te vervelen, want hij stond in eens heel onverwacht op en ging snel heen, zonder een menigte andere menschen aan te hooren, die nog met hem wildenspreken. Ik was daarover zeer verheugd, want ik begon werkelijk mijn geduld te verliezen en was van ’t lange staan buitengewoon moe geworden. Er is ondertusschen nog niets verloren; morgen zal ik weder gaan, dan heeft de sultan het wellicht niet meer zoo druk.”
Hoe heftig ook het vuur der liefde in Aladdin’s boezem brandde, hij moest toch wel met deze verontschuldiging genoegen nemen en zich met geduld wapenen. Hij had tenminste de genoegdoening, te zien, dat zijn moeder toch al den zwaarsten stap gedaan en den aanblik van den sultan doorstaan had, en zoo kon hij dus hopen dat zij, evenals de anderen, die in haar tegenwoordigheid met hem gesproken hadden, moed genoeg zou hebben, zich van haar opdracht te kwijten, zoodra het gunstige oogenblik tot spreken gekomen zou zijn.
Den volgenden morgen ging Aladdin’s moeder weer even vroeg met haar geschenk naar het paleis van den sultan, maar haar gang was vergeefs, want zij vond de deur van den divan gesloten en vernam, dat er slechts om den anderen dag zitting was en zij alzoo den volgenden dag weer terugkomen moest. Zij keerde terug en bracht deze tijding aan haar zoon, die dus opnieuw geduld moest oefenen. Nog zesmaal achter elkaar ging zij op de vastgestelde dagen naar het paleis, maar steeds met even weinig gevolg, en wellicht had zij nog honderdmaal vergeefs dien tocht kunnen maken, als niet de sultan die haar bij elke zitting tegenover zich zag, eindelijk opmerkzaam op haar geworden was.
Op dezen dag nu zeide de sultan, toen hij na het sluiten der zitting in zijn vertrekken teruggekeerd was, tot zijn grootvizier: “Reeds sindseenigen tijd merk ik een zekere vrouw op, die geregeld elken dag, dat ik zitting houd, komt en iets in linnen gehuld in de hand heeft. Zij blijft van het begin tot het einde der zitting staan en wel altijd recht tegenover mij. Weet gij ook, wat ze verlangt?”
De grootvizier, die het net zoo min wist als de sultan, wilde echter het antwoord niet schuldig blijven. “Heer”, zeide hij, “het is u zeker bekend, dat de vrouwen vaak over onbeduidende zaken klachten inbrengen. Die daar komt blijkbaar om zich bij u te beklagen, dat men haar wellicht slecht meel verkocht of haar een ander onrecht aangedaan heeft, dat van even weinig belang is.” De sultan was met dit antwoord niet tevreden en zeide: “Wanneer deze vrouw in de volgende zitting weer verschijnt, vergeet dan niet, haar te laten roepen, opdat ik haar kan hooren.” De grootvizier kuste zijn hand en legde haar op zijn hoofd, ten teeken, dat hij bereid was, haar te laten afhakken, als hij dit niet uitvoerde.
Aladdin’s moeder was er reeds zoo zeer aan gewoon, in de divan voor den sultan te verschijnen, dat zij haar moeite niet meerekende, indien zij slechts haar zoon kon laten zien, hoe zeer zij haar best deed, alles voor hem te doen, wat in haar vermogen was. Zij ging dus op den zittingdag weer naar het paleis en plaatste zich als gewoonlijk bij den ingang van de divan, tegenover den sultan.
De grootvizier had zijn voordracht nog niet begonnen, toen de sultan Aladdin’s moeder opmerkte. Dit lange geduld, dat hij zelf had aangezien, roerde hem. “Opdat je het niet vergeet”, zeide hij tot den grootvizier, “daar staat weerde vrouw, waarvan ik je onlangs gezegd heb: laat zij voor mij komen, dan willen wij haar eerst aanhooren en haar zaak in ’t reine brengen.”
Terstond wees de grootvizier de vrouw den opperkamerdienaar aan, die te zijner beschikking gereed stond, en beval hem, haar nader te brengen.
De opperkamerdienaar kwam naar Aladdin’s moeder en gaf haar een teeken; zij volgde hem tot aan den voet van den koninklijken troon, waar hij haar verliet, om weer zijn plaats naast den grootvizier te gaan innemen.
Aladdin’s moeder volgde het voorbeeld van anderen, die zij met den sultan had zien spreken: zij wierp zich op den grond, beroerde met haar voorhoofd het tapijt, dat de treden van den troon bedekte, en bleef in deze houding tot de sultan haar beval, op te staan. Toen zij opgestaan was, sprak hij tot haar: “Goede vrouw, ik zie je reeds langen tijd in mijn divan komen en van het begin tot het einde, bij den ingang staan. Welke zaak voert je hierheen?”
Aladdin’s moeder wierp zich, toen zij deze woorden hoorde, ten tweeden male op den grond, en nadat zij was opgestaan, zeide zij: “Verhevenste aller koningen der aarde, alvorens ik u de buitengewone en bijna ongelooflijke zaak vertel, die mij voor uwen hoogen troon voert, bid ik u, mij de vermetelheid, ja ik mocht wel zeggen de onbeschaamdheid van het verzoek te vergeven, dat ik u wensch voor te dragen. Het is zoo ongewoon, dat ik sidder en beef, en groote vrees koester, het mijn sultan mee te deelen.”
Om haar volle vrijheid te geven, beval de sultan allen aanwezigen, zich uit de divan teverwijderen en hem met den grootvizier alleen te laten; toen zeide hij tot haar, dat zij thans zonder vrees kon spreken.
Aladdin’s moeder vergenoegde zich niet met deze goedheid van den sultan, die haar de verlegenheid voor de gansche vergadering te moeten spreken, bespaard had; zij wilde zich ook nog de veiligheid voor zijn toorn verzekeren, dien zij bij zulk een zeldzaam voorstel vreezen moest.
“Groote koning”, zeide zij, opnieuw het woord nemend, “ik waag ook nog, u te smeeken, dat gij mij, in geval gij mijn bede in ’t minste aanstootelijk of beleedigend vinden zult, bij voorbaat vergeving en genade schenkt.”
“Wat het ook zijn mag”, antwoordde de sultan, “ik vergeef het je nu al, en er zal je niet het geringste leed geschieden. Spreek zonder vrees!”
Nadat Aladdin’s moeder al deze voorzorgen genomen had, wijl zij den vollen toorn van den sultan voor haar zeldzaam verzoek vreesde, vertelde zij hem trouwhartig, bij welke gelegenheid Aladdin de prinses Bedroelboedoer gezien, welke hevige liefde hem dit onzalige oogenblik ingeboezemd, welke bekentenissen hij haar daarover gedaan en hoe zij hem alles onder ’t oog gebracht had, om hem van een hartstocht af te brengen, die zoowel voor den sultan, als voor zijn dochter in de hoogste mate beleedigend was. Maar, vervolgde zij, “inplaats van naar deze vermaningen te luisteren, en de onbeschaamdheid van zijn verlangen in te zien, bleef mijn zoon halsstarrig op zijn stuk staan en dreigde zelfs, de een of andere wanhopige daad te begaan, wanneer ik weigeren zou tot u tegaan en voor hem om de hand der prinses te vragen.Desnietteminheeft het mij ’n zeer groote zelfoverwinning gekost, eer ik aan zijn verlangen toegaf, en ik smeek u nog eenmaal, groote koning, om niet alleen mij, maar ook mijn zoon Aladdin te willen vergeven, voor de vermetelheid om zulk een hooge verbintenis na te streven.”
De sultan hoorde de heele voordracht met veel welwillendheid en goedheid aan, zonder in ’t minste toorn en tegenzin te verraden, of ook zelfs de zaak spottend op te nemen. Eer hij echter de goede vrouw antwoordde, vroeg hij haar, wat zij toch wel in haar linnen doek verborgen had. Dadelijk nam zij de porseleinen vaas, plaatste haar aan den voet van den troon, en nadat zij zich had nedergeworpen, onthulde zij de vaas en overhandigde haar den sultan.
Het is onmogelijk, de verrassing en verbazing des sultans te beschrijven, toen hij in deze vaas zooveel aanzienlijke, kostbare, volmaakte en schitterende edelgesteenten ontdekte, en wel allemaal van een grootte, zooals hij ze nog nimmer gezien had. Zijn verwondering was zoo groot, dat hij een poosje onbeweeglijk bleef zitten kijken. Eindelijk, toen hij weer tot bezinning gekomen was, nam hij het geschenk uit de handen der vrouw aan en riep buiten zich zelven van vreugde: “Ei, hoe mooi, hoe heerlijk!” Nadat hij alle steenen, den een na den anderen, in de hand genomen, bewonderd en naar hun meest in ’t oog vallende eigenschappen geprezen had, wendde hij zich tot zijn grootvizier, toonde hem de vaas en zeide tegen hem: “Zie dat eens aan en gij zult moeten bekennen, dat men op de heele wereld niets kostbaarders en meer volmaaktsvinden kan.” De vizier was eveneens geheel betooverd.