Sultan toont edelgesteenten aan vizier.“Welnu”, ging de sultan voort, “wat zeg je van dit geschenk? Is het de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?”Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij, en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde hem daarom en fluisterde hem in het oor: “Heer, ik moet bekennen, dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop, dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor dezen tijd haar een veel kostbaardergeschenk vereeren kan, dan deze Aladdin, dien gij heelemaal niet kent.”Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin’s moeder en zeide tegen haar: “Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan, voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug.”Aladdin’s moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten, een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op: ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede, wijl haar gezicht van vreugde straalde.“Ach, lieve moeder!” riep hij haar tegemoet, “mag ik hopen of moet ik uit wanhoop sterven?”Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en zeide toen tot hem:“Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken, maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben.”Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij voegde er aan toe: “uit ’t heele gedrag van den sultan kon ik afleiden, dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. “Ik had daarop des te minder gerekend”, ging zij voort,“als de grootvizier hem even te voren iets in ’t oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde, wilde afbrengen.”Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite, welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte, dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen, en toen zij in destad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid, zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht, wat dit alles beteekende.“Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?” gaf deze haar ten antwoord; “weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet, hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de plechtigheid gebeuren zal.”Aladdin’s moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis, dat zij bijna buiten adem aankwam. “Ach!” riep zij haar zoon tegemoet, die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid was, “alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van den sultan, maar er komt niets van.”Aladdin schrok hevig en antwoordde: “Lieve moeder, waarom zou de sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?”“Hedenavond nog”, antwoordde zijn moeder, “trouwt de zoon van den grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis.” Zij vertelde hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig alle bizonderheden mee, dathij er niet meer aan twijfelen kon. Bij deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: “Lieve moeder, de zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig, als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u intusschen voor het avondeten.”Aladdin’s moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning van den geest, die zijn moeder zoo ’n grooten schrik op ’t lijf had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: “Wat wil je? Ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp.”“Luister”, zei Aladdin, “je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo dikwijls ik ’t noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van echter zijn woord te houden,huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb ’t zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou, dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben, wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt.”“Mijn gebieder”, antwoordde de geest, “ik zal gehoorzamen. Heb je nog iets anders te bevelen?”“Voor ’t oogenblik niet”, antwoordde Aladdin en de geest verdween.Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de uitvoering van zijn bevel.Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De laatste, die naarbuiten ging, sloot de deur achter zich toe.Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters, tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en in een oogenblik op Aladdin’s kamer bracht.Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus: “Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in ’t geheim gemak, en kom morgen vroeg even voor ’t aanbreken van den dag weer terug.”Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op, bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat hij hem een geur had toegeademd, die hij van ’t hoofd tot de voeten bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: “Vrees niets, geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied, dien ik u verschuldigd ben.—Wanneer ik”, ging hij voort, “gedwongen geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen, dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan, uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen.”De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde niet goed naar Aladdin’s woorden en was niet in staat, hem iets te antwoorden.De schrik en de verbazing over dit plotselinge en onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht, en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven, om den geest op te roepen. Hij kwam op ’t aangewezen uur weer terug en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: “Hier ben ik, wat hebt gij mij te bevelen?”“Ga”, antwoordde Aladdin, “haal den zoon van den grootvizier hier, leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen.”De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit hij het gehaald had.Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maarnamen alleen de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van ’t eene oord naar ’t andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen, zooals licht te denken is.Nauwelijkshad de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet, of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen, stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar ’s lands gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden en hoe zij hem ontvangen had.De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker nog vermoeid was na de lange feesten. “Ik wil nu zelf naar haar toegaan”, voegde zij er bij, “en het zou me zeer verwonderen, als zij mij evenzoo ontving.”Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte, dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.“Lieve dochter”, zeide de sultane tot haar, “hoe komt het toch, dat gij al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid.”Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen zucht.“Ach, mijn zeer vereerde moeder”, riep zij, “vergeef mij, wanneer ik het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken.” Zij schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest, die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar gesproken had. ’s Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.“Dit alles”, voegde zij erbij, “was nauwelijks geschied, toen de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind.”De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan, wilde het echter niet gelooven.“Lieve dochter”, sprak zij tot haar, “je hebt er wel aan gedaan, dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op, er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een zottin houden, als men je zoo hoorde spreken.”“Vereerenswaardige moeder”, antwoordde de prinses, “ik verzeker u, dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn gemaal; hij zal u ’t zelfde vertellen.”“Ik zal er hem naar vragen,” antwoordde de sultane, “maar ook, wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven, en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan jezooëven gesproken hebt.” Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses, en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden, begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen, om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen; deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.“Mijn lieve zoon”, zeide de sultane tot hem, “zeg mij toch eens, heb je je dezelfde inbeelding in ’t hoofd gehaald, als je vrouw?”“Heerscheres”, antwoordde de zoon van den grootvizier, “zou ik eerst mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?”“Ik ben al tevreden”, zeide de sultane, “en behoef niets meer te weten; jij bent verstandiger dan je vrouw.”De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd, om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in, niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag, moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.Prinses Bedroelboedoer.Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden, trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen, en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan, waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin’s bevel den volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer van het paleis, waaruit hij het gehaald had.De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer, om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier, die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde, dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: “Nu,mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht hebt?”De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar vol toorn en met getrokken sabel toe: “Wanneer je mij niet bekent, wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!”De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel, brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: “Geliefde vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel.”Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde, vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de woorden: “Wanneer gij ook maar in ’t minst aan mijn verhaal twijfelt, dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal, als ik.”De sultan deelde den diepen kommer, waarinde prinses door een zoo zonderling avontuur gebracht moest worden.“Lieve dochter”, sprak hij tot haar, “het was zeer verkeerd van je, dat je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt, die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe.”Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den grootvizier roepen.“Vizier,” zeide hij tot hem, “heb je je zoon al gezien en heeft hij je niets verteld?”Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had, vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer vernomen had. “Ik twijfel niet”, zeide hij ten laatste “dat mijn dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem, wat er waars aan de zaak is.”De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee, wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets verbergen moest en zeggen, of alles waar was.“Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader”, antwoordde de zoon. “Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling,die ik in ’t bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht, zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses, mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen, dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet, of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultante verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt.”Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had, zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch, daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden, niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was; zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou blootgesteld blijven.Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken, en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en vermakelijkheden op.Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar hun eigen huis hadzien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag, dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen, om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.Aladdin’s moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen, of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden: “Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen, gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord.”De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en herkende eveneens Aladdin’s moeder. Terstond riep hij den overste der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.Aladdin’s moeder naderde den voet van den troon en wierp zich neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij begeerde.“Groote koning”, antwoordde zij, “ik verschijn ten tweeden male voor uw aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren, dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig, dat gij u de zaak moogt herinneren.”De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de armoede van Aladdin’s moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer lage afkomst zijn moest.De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te zeggen.“Heer”, antwoordde hij hem, “ik meen, dat er een onfeilbaar middel bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin, zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk overwogen heeft.”De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich tot Aladdin’s moeder enzeide na even nagedacht te hebben tot haar:“Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen, zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn, zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden, die door veertig andere buitengemeene schoone en op ’t prachtvolst aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter, te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord.”Aladdin’s moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze verlangen van haar zoon. “Waarachtig”, zeide zij, “waar zal hij zoo vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn.”Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen hem: “Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aaneen huwelijk met prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder ’t oog had gebracht, dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht, zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord, dat ik je thans zal mededeelen.”Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. “Mijn zoon”, sprak zij ten slotte, “hij verwacht een antwoord; maar onder ons gezegd”, ging zij lachend voort, “ik geloof, dat hij lang zal moeten wachten.”“Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt”, antwoordde Aladdin, “en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde eischen ’t mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht, of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen, moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan.”Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin de lamp en wreef haar.Terstond verscheen de geest, en vroeg met de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij bereid was hem te bedienen.Aladdin sprak tot hem: “De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter, tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde, slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit.” De geest zei, dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen, diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven,zoowel de blanke als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis, dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was, en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde, dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.Toen Aladdin’s moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich zeer, dat zij zooveelmenschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit niet toe.“Lieve moeder”, sprak hij tot haar, “wij hebben thans geen tijd te verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt, opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn schoonzoon te worden.”Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg, te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin’s woning, of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren, wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde, om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid,de schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de toeschouwers in zoo’n groote verbazing en bewondering, dat zij niet moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest blijven staan op de plaats, waar hij was.Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem, om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: “Wij zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is.”Zoo kwam de eerste slaaf aan ’t hoofd van den geheelen stoet op ’t tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen,die Aladdin’s geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was armelijk in vergelijking bij die van Aladdin’s afgezanten. Daar men den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven, ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen, waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.Ondertusschen naderde Aladdin’s moeder den voet van den troon, wierp zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: “Heer, mijn zoon Aladdin weet zeer goed, dat het geschenk, ’twelk hij u zendt, ver beneden blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij, dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt, na te komen.”De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin’s moeder met opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertiggouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste, schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven, die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van dus den groet van Aladdin’s moeder te beantwoorden, keerde hij zich tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele rijkdommen mochten gekomen zijn.“Welnu, vizier”, zeide hij luid tot hem, “wat denk je van hem, wie ’t ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt, zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig, mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?”Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon des sultans worden zou, zoo waagde hij ’t toch niet, zijn meening te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin’s geschenk meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak: “Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt, onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses, uwe dochter, kon opwegen.” De heeren van het hof, die de zitting bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen tekennen, dat zij evenzoo dachten als de grootvizier.De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden, de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter wenschte. Om daarom Aladdin’s moeder volkomen te bevredigen, zeide hij tot haar: “Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt, om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te meer zal hij mij plezier doen.”Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen sport van het geluk te zien, snelde Aladdin’s moeder naar huis; de sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit bevel werd terstond uitgevoerd.Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan, die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijnverhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin’s moeder met een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.“Mijn zoon”, zeide zij tot hem, “ge hebt alle reden om tevreden te zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet, wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb, ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen.”Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den dag. “Geest”, zei Aladdin tot hem, “ik heb je geroepen, opdat je me aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit een vorst gedragen heeft.” Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hiefhem op en droeg hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige, ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders, dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald, en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. “Ja”, antwoordde Aladdin, “ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek, het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die, welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg, ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ookvoor mijn moeder zes slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig, alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had; ga, en haast je.”Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin’s moeder, in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles aan Aladdin over.Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken; ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin zich gereed, dessultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij vaardigde een zijner slaven af—ik zal niet zeggen den schoonsten, want zij waren allen gelijk—naar het paleis, met het bevel zich tot den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo’n edele houding, dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval en bewondering door de lucht klonken, in ’t bijzonder, toen de zes slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers, die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen, herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder andere eigenschappen ook die bezat, harenbezitter langzamerhand alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk droegen en begeleidden. In ’t bijzonder werd ook het paard door kenners bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand, trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd, want hij scheen beide waardig te zijn.Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte, liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke en prachtige kleeding,zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als in ’t bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats te nemen.Hierop nam Aladdin het woord en sprak: “Heer, ik neem de eer, welke gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen; veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet, hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door ’t een of ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik, dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou, wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien.”“Mijn zoon”, antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde, “gij zoudt mij onrechtdoen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten.”Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de lucht van het geschal der hobo’s en pauken; tegelijkertijd voerde de sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen voortdurend op Aladdin gevestigd hield—want het deed hem buitengewoon veel genoegen, hem aan te zien—bracht het gesprek op verschillende onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den aanvang van hem gekregen had.Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne en zinrijke opmerkingen, waarmede dejongeling het gesprek kruidde, niet genoeg konden bewonderen.Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en de bruiloft nog heden vieren wilde. “Heer”, antwoordde Aladdin, “hoe ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde.” “Mijn zoon”, zei de sultan, “kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht, die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te meten.” Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet, waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het bijvalgeroep der massa’s, die hem alle mogelijke heil en zegen wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten aan. “Geest”,sprak Aladdin, “ik heb alle reden je stiptheid te roemen; je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres, gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen, of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn, zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten, robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens, voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, eneen behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses, hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga, en kom terug als je alles hebt gereed gebracht.”
Sultan toont edelgesteenten aan vizier.“Welnu”, ging de sultan voort, “wat zeg je van dit geschenk? Is het de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?”Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij, en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde hem daarom en fluisterde hem in het oor: “Heer, ik moet bekennen, dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop, dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor dezen tijd haar een veel kostbaardergeschenk vereeren kan, dan deze Aladdin, dien gij heelemaal niet kent.”Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin’s moeder en zeide tegen haar: “Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan, voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug.”Aladdin’s moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten, een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op: ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede, wijl haar gezicht van vreugde straalde.“Ach, lieve moeder!” riep hij haar tegemoet, “mag ik hopen of moet ik uit wanhoop sterven?”Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en zeide toen tot hem:“Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken, maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben.”Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij voegde er aan toe: “uit ’t heele gedrag van den sultan kon ik afleiden, dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. “Ik had daarop des te minder gerekend”, ging zij voort,“als de grootvizier hem even te voren iets in ’t oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde, wilde afbrengen.”Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite, welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte, dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen, en toen zij in destad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid, zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht, wat dit alles beteekende.“Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?” gaf deze haar ten antwoord; “weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet, hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de plechtigheid gebeuren zal.”Aladdin’s moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis, dat zij bijna buiten adem aankwam. “Ach!” riep zij haar zoon tegemoet, die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid was, “alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van den sultan, maar er komt niets van.”Aladdin schrok hevig en antwoordde: “Lieve moeder, waarom zou de sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?”“Hedenavond nog”, antwoordde zijn moeder, “trouwt de zoon van den grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis.” Zij vertelde hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig alle bizonderheden mee, dathij er niet meer aan twijfelen kon. Bij deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: “Lieve moeder, de zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig, als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u intusschen voor het avondeten.”Aladdin’s moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning van den geest, die zijn moeder zoo ’n grooten schrik op ’t lijf had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: “Wat wil je? Ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp.”“Luister”, zei Aladdin, “je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo dikwijls ik ’t noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van echter zijn woord te houden,huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb ’t zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou, dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben, wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt.”“Mijn gebieder”, antwoordde de geest, “ik zal gehoorzamen. Heb je nog iets anders te bevelen?”“Voor ’t oogenblik niet”, antwoordde Aladdin en de geest verdween.Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de uitvoering van zijn bevel.Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De laatste, die naarbuiten ging, sloot de deur achter zich toe.Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters, tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en in een oogenblik op Aladdin’s kamer bracht.Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus: “Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in ’t geheim gemak, en kom morgen vroeg even voor ’t aanbreken van den dag weer terug.”Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op, bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat hij hem een geur had toegeademd, die hij van ’t hoofd tot de voeten bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: “Vrees niets, geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied, dien ik u verschuldigd ben.—Wanneer ik”, ging hij voort, “gedwongen geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen, dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan, uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen.”De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde niet goed naar Aladdin’s woorden en was niet in staat, hem iets te antwoorden.De schrik en de verbazing over dit plotselinge en onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht, en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven, om den geest op te roepen. Hij kwam op ’t aangewezen uur weer terug en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: “Hier ben ik, wat hebt gij mij te bevelen?”“Ga”, antwoordde Aladdin, “haal den zoon van den grootvizier hier, leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen.”De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit hij het gehaald had.Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maarnamen alleen de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van ’t eene oord naar ’t andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen, zooals licht te denken is.Nauwelijkshad de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet, of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen, stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar ’s lands gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden en hoe zij hem ontvangen had.De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker nog vermoeid was na de lange feesten. “Ik wil nu zelf naar haar toegaan”, voegde zij er bij, “en het zou me zeer verwonderen, als zij mij evenzoo ontving.”Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte, dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.“Lieve dochter”, zeide de sultane tot haar, “hoe komt het toch, dat gij al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid.”Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen zucht.“Ach, mijn zeer vereerde moeder”, riep zij, “vergeef mij, wanneer ik het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken.” Zij schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest, die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar gesproken had. ’s Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.“Dit alles”, voegde zij erbij, “was nauwelijks geschied, toen de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind.”De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan, wilde het echter niet gelooven.“Lieve dochter”, sprak zij tot haar, “je hebt er wel aan gedaan, dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op, er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een zottin houden, als men je zoo hoorde spreken.”“Vereerenswaardige moeder”, antwoordde de prinses, “ik verzeker u, dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn gemaal; hij zal u ’t zelfde vertellen.”“Ik zal er hem naar vragen,” antwoordde de sultane, “maar ook, wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven, en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan jezooëven gesproken hebt.” Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses, en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden, begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen, om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen; deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.“Mijn lieve zoon”, zeide de sultane tot hem, “zeg mij toch eens, heb je je dezelfde inbeelding in ’t hoofd gehaald, als je vrouw?”“Heerscheres”, antwoordde de zoon van den grootvizier, “zou ik eerst mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?”“Ik ben al tevreden”, zeide de sultane, “en behoef niets meer te weten; jij bent verstandiger dan je vrouw.”De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd, om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in, niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag, moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.Prinses Bedroelboedoer.Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden, trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen, en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan, waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin’s bevel den volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer van het paleis, waaruit hij het gehaald had.De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer, om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier, die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde, dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: “Nu,mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht hebt?”De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar vol toorn en met getrokken sabel toe: “Wanneer je mij niet bekent, wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!”De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel, brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: “Geliefde vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel.”Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde, vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de woorden: “Wanneer gij ook maar in ’t minst aan mijn verhaal twijfelt, dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal, als ik.”De sultan deelde den diepen kommer, waarinde prinses door een zoo zonderling avontuur gebracht moest worden.“Lieve dochter”, sprak hij tot haar, “het was zeer verkeerd van je, dat je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt, die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe.”Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den grootvizier roepen.“Vizier,” zeide hij tot hem, “heb je je zoon al gezien en heeft hij je niets verteld?”Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had, vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer vernomen had. “Ik twijfel niet”, zeide hij ten laatste “dat mijn dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem, wat er waars aan de zaak is.”De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee, wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets verbergen moest en zeggen, of alles waar was.“Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader”, antwoordde de zoon. “Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling,die ik in ’t bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht, zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses, mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen, dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet, of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultante verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt.”Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had, zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch, daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden, niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was; zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou blootgesteld blijven.Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken, en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en vermakelijkheden op.Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar hun eigen huis hadzien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag, dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen, om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.Aladdin’s moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen, of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden: “Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen, gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord.”De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en herkende eveneens Aladdin’s moeder. Terstond riep hij den overste der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.Aladdin’s moeder naderde den voet van den troon en wierp zich neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij begeerde.“Groote koning”, antwoordde zij, “ik verschijn ten tweeden male voor uw aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren, dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig, dat gij u de zaak moogt herinneren.”De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de armoede van Aladdin’s moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer lage afkomst zijn moest.De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te zeggen.“Heer”, antwoordde hij hem, “ik meen, dat er een onfeilbaar middel bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin, zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk overwogen heeft.”De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich tot Aladdin’s moeder enzeide na even nagedacht te hebben tot haar:“Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen, zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn, zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden, die door veertig andere buitengemeene schoone en op ’t prachtvolst aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter, te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord.”Aladdin’s moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze verlangen van haar zoon. “Waarachtig”, zeide zij, “waar zal hij zoo vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn.”Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen hem: “Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aaneen huwelijk met prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder ’t oog had gebracht, dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht, zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord, dat ik je thans zal mededeelen.”Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. “Mijn zoon”, sprak zij ten slotte, “hij verwacht een antwoord; maar onder ons gezegd”, ging zij lachend voort, “ik geloof, dat hij lang zal moeten wachten.”“Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt”, antwoordde Aladdin, “en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde eischen ’t mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht, of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen, moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan.”Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin de lamp en wreef haar.Terstond verscheen de geest, en vroeg met de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij bereid was hem te bedienen.Aladdin sprak tot hem: “De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter, tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde, slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit.” De geest zei, dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen, diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven,zoowel de blanke als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis, dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was, en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde, dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.Toen Aladdin’s moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich zeer, dat zij zooveelmenschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit niet toe.“Lieve moeder”, sprak hij tot haar, “wij hebben thans geen tijd te verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt, opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn schoonzoon te worden.”Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg, te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin’s woning, of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren, wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde, om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid,de schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de toeschouwers in zoo’n groote verbazing en bewondering, dat zij niet moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest blijven staan op de plaats, waar hij was.Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem, om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: “Wij zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is.”Zoo kwam de eerste slaaf aan ’t hoofd van den geheelen stoet op ’t tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen,die Aladdin’s geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was armelijk in vergelijking bij die van Aladdin’s afgezanten. Daar men den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven, ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen, waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.Ondertusschen naderde Aladdin’s moeder den voet van den troon, wierp zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: “Heer, mijn zoon Aladdin weet zeer goed, dat het geschenk, ’twelk hij u zendt, ver beneden blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij, dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt, na te komen.”De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin’s moeder met opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertiggouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste, schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven, die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van dus den groet van Aladdin’s moeder te beantwoorden, keerde hij zich tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele rijkdommen mochten gekomen zijn.“Welnu, vizier”, zeide hij luid tot hem, “wat denk je van hem, wie ’t ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt, zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig, mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?”Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon des sultans worden zou, zoo waagde hij ’t toch niet, zijn meening te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin’s geschenk meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak: “Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt, onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses, uwe dochter, kon opwegen.” De heeren van het hof, die de zitting bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen tekennen, dat zij evenzoo dachten als de grootvizier.De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden, de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter wenschte. Om daarom Aladdin’s moeder volkomen te bevredigen, zeide hij tot haar: “Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt, om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te meer zal hij mij plezier doen.”Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen sport van het geluk te zien, snelde Aladdin’s moeder naar huis; de sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit bevel werd terstond uitgevoerd.Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan, die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijnverhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin’s moeder met een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.“Mijn zoon”, zeide zij tot hem, “ge hebt alle reden om tevreden te zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet, wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb, ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen.”Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den dag. “Geest”, zei Aladdin tot hem, “ik heb je geroepen, opdat je me aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit een vorst gedragen heeft.” Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hiefhem op en droeg hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige, ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders, dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald, en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. “Ja”, antwoordde Aladdin, “ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek, het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die, welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg, ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ookvoor mijn moeder zes slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig, alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had; ga, en haast je.”Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin’s moeder, in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles aan Aladdin over.Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken; ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin zich gereed, dessultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij vaardigde een zijner slaven af—ik zal niet zeggen den schoonsten, want zij waren allen gelijk—naar het paleis, met het bevel zich tot den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo’n edele houding, dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval en bewondering door de lucht klonken, in ’t bijzonder, toen de zes slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers, die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen, herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder andere eigenschappen ook die bezat, harenbezitter langzamerhand alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk droegen en begeleidden. In ’t bijzonder werd ook het paard door kenners bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand, trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd, want hij scheen beide waardig te zijn.Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte, liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke en prachtige kleeding,zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als in ’t bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats te nemen.Hierop nam Aladdin het woord en sprak: “Heer, ik neem de eer, welke gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen; veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet, hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door ’t een of ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik, dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou, wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien.”“Mijn zoon”, antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde, “gij zoudt mij onrechtdoen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten.”Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de lucht van het geschal der hobo’s en pauken; tegelijkertijd voerde de sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen voortdurend op Aladdin gevestigd hield—want het deed hem buitengewoon veel genoegen, hem aan te zien—bracht het gesprek op verschillende onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den aanvang van hem gekregen had.Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne en zinrijke opmerkingen, waarmede dejongeling het gesprek kruidde, niet genoeg konden bewonderen.Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en de bruiloft nog heden vieren wilde. “Heer”, antwoordde Aladdin, “hoe ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde.” “Mijn zoon”, zei de sultan, “kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht, die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te meten.” Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet, waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het bijvalgeroep der massa’s, die hem alle mogelijke heil en zegen wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten aan. “Geest”,sprak Aladdin, “ik heb alle reden je stiptheid te roemen; je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres, gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen, of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn, zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten, robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens, voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, eneen behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses, hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga, en kom terug als je alles hebt gereed gebracht.”
Sultan toont edelgesteenten aan vizier.“Welnu”, ging de sultan voort, “wat zeg je van dit geschenk? Is het de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?”Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij, en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde hem daarom en fluisterde hem in het oor: “Heer, ik moet bekennen, dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop, dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor dezen tijd haar een veel kostbaardergeschenk vereeren kan, dan deze Aladdin, dien gij heelemaal niet kent.”Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin’s moeder en zeide tegen haar: “Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan, voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug.”Aladdin’s moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten, een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op: ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede, wijl haar gezicht van vreugde straalde.“Ach, lieve moeder!” riep hij haar tegemoet, “mag ik hopen of moet ik uit wanhoop sterven?”Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en zeide toen tot hem:“Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken, maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben.”Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij voegde er aan toe: “uit ’t heele gedrag van den sultan kon ik afleiden, dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. “Ik had daarop des te minder gerekend”, ging zij voort,“als de grootvizier hem even te voren iets in ’t oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde, wilde afbrengen.”Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite, welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte, dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen, en toen zij in destad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid, zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht, wat dit alles beteekende.“Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?” gaf deze haar ten antwoord; “weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet, hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de plechtigheid gebeuren zal.”Aladdin’s moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis, dat zij bijna buiten adem aankwam. “Ach!” riep zij haar zoon tegemoet, die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid was, “alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van den sultan, maar er komt niets van.”Aladdin schrok hevig en antwoordde: “Lieve moeder, waarom zou de sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?”“Hedenavond nog”, antwoordde zijn moeder, “trouwt de zoon van den grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis.” Zij vertelde hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig alle bizonderheden mee, dathij er niet meer aan twijfelen kon. Bij deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: “Lieve moeder, de zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig, als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u intusschen voor het avondeten.”Aladdin’s moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning van den geest, die zijn moeder zoo ’n grooten schrik op ’t lijf had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: “Wat wil je? Ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp.”“Luister”, zei Aladdin, “je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo dikwijls ik ’t noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van echter zijn woord te houden,huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb ’t zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou, dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben, wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt.”“Mijn gebieder”, antwoordde de geest, “ik zal gehoorzamen. Heb je nog iets anders te bevelen?”“Voor ’t oogenblik niet”, antwoordde Aladdin en de geest verdween.Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de uitvoering van zijn bevel.Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De laatste, die naarbuiten ging, sloot de deur achter zich toe.Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters, tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en in een oogenblik op Aladdin’s kamer bracht.Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus: “Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in ’t geheim gemak, en kom morgen vroeg even voor ’t aanbreken van den dag weer terug.”Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op, bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat hij hem een geur had toegeademd, die hij van ’t hoofd tot de voeten bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: “Vrees niets, geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied, dien ik u verschuldigd ben.—Wanneer ik”, ging hij voort, “gedwongen geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen, dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan, uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen.”De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde niet goed naar Aladdin’s woorden en was niet in staat, hem iets te antwoorden.De schrik en de verbazing over dit plotselinge en onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht, en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven, om den geest op te roepen. Hij kwam op ’t aangewezen uur weer terug en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: “Hier ben ik, wat hebt gij mij te bevelen?”“Ga”, antwoordde Aladdin, “haal den zoon van den grootvizier hier, leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen.”De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit hij het gehaald had.Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maarnamen alleen de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van ’t eene oord naar ’t andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen, zooals licht te denken is.Nauwelijkshad de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet, of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen, stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar ’s lands gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden en hoe zij hem ontvangen had.De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker nog vermoeid was na de lange feesten. “Ik wil nu zelf naar haar toegaan”, voegde zij er bij, “en het zou me zeer verwonderen, als zij mij evenzoo ontving.”Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte, dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.“Lieve dochter”, zeide de sultane tot haar, “hoe komt het toch, dat gij al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid.”Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen zucht.“Ach, mijn zeer vereerde moeder”, riep zij, “vergeef mij, wanneer ik het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken.” Zij schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest, die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar gesproken had. ’s Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.“Dit alles”, voegde zij erbij, “was nauwelijks geschied, toen de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind.”De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan, wilde het echter niet gelooven.“Lieve dochter”, sprak zij tot haar, “je hebt er wel aan gedaan, dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op, er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een zottin houden, als men je zoo hoorde spreken.”“Vereerenswaardige moeder”, antwoordde de prinses, “ik verzeker u, dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn gemaal; hij zal u ’t zelfde vertellen.”“Ik zal er hem naar vragen,” antwoordde de sultane, “maar ook, wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven, en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan jezooëven gesproken hebt.” Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses, en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden, begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen, om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen; deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.“Mijn lieve zoon”, zeide de sultane tot hem, “zeg mij toch eens, heb je je dezelfde inbeelding in ’t hoofd gehaald, als je vrouw?”“Heerscheres”, antwoordde de zoon van den grootvizier, “zou ik eerst mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?”“Ik ben al tevreden”, zeide de sultane, “en behoef niets meer te weten; jij bent verstandiger dan je vrouw.”De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd, om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in, niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag, moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.Prinses Bedroelboedoer.Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden, trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen, en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan, waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin’s bevel den volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer van het paleis, waaruit hij het gehaald had.De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer, om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier, die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde, dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: “Nu,mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht hebt?”De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar vol toorn en met getrokken sabel toe: “Wanneer je mij niet bekent, wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!”De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel, brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: “Geliefde vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel.”Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde, vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de woorden: “Wanneer gij ook maar in ’t minst aan mijn verhaal twijfelt, dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal, als ik.”De sultan deelde den diepen kommer, waarinde prinses door een zoo zonderling avontuur gebracht moest worden.“Lieve dochter”, sprak hij tot haar, “het was zeer verkeerd van je, dat je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt, die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe.”Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den grootvizier roepen.“Vizier,” zeide hij tot hem, “heb je je zoon al gezien en heeft hij je niets verteld?”Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had, vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer vernomen had. “Ik twijfel niet”, zeide hij ten laatste “dat mijn dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem, wat er waars aan de zaak is.”De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee, wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets verbergen moest en zeggen, of alles waar was.“Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader”, antwoordde de zoon. “Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling,die ik in ’t bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht, zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses, mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen, dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet, of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultante verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt.”Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had, zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch, daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden, niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was; zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou blootgesteld blijven.Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken, en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en vermakelijkheden op.Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar hun eigen huis hadzien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag, dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen, om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.Aladdin’s moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen, of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden: “Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen, gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord.”De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en herkende eveneens Aladdin’s moeder. Terstond riep hij den overste der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.Aladdin’s moeder naderde den voet van den troon en wierp zich neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij begeerde.“Groote koning”, antwoordde zij, “ik verschijn ten tweeden male voor uw aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren, dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig, dat gij u de zaak moogt herinneren.”De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de armoede van Aladdin’s moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer lage afkomst zijn moest.De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te zeggen.“Heer”, antwoordde hij hem, “ik meen, dat er een onfeilbaar middel bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin, zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk overwogen heeft.”De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich tot Aladdin’s moeder enzeide na even nagedacht te hebben tot haar:“Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen, zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn, zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden, die door veertig andere buitengemeene schoone en op ’t prachtvolst aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter, te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord.”Aladdin’s moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze verlangen van haar zoon. “Waarachtig”, zeide zij, “waar zal hij zoo vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn.”Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen hem: “Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aaneen huwelijk met prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder ’t oog had gebracht, dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht, zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord, dat ik je thans zal mededeelen.”Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. “Mijn zoon”, sprak zij ten slotte, “hij verwacht een antwoord; maar onder ons gezegd”, ging zij lachend voort, “ik geloof, dat hij lang zal moeten wachten.”“Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt”, antwoordde Aladdin, “en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde eischen ’t mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht, of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen, moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan.”Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin de lamp en wreef haar.Terstond verscheen de geest, en vroeg met de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij bereid was hem te bedienen.Aladdin sprak tot hem: “De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter, tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde, slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit.” De geest zei, dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen, diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven,zoowel de blanke als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis, dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was, en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde, dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.Toen Aladdin’s moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich zeer, dat zij zooveelmenschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit niet toe.“Lieve moeder”, sprak hij tot haar, “wij hebben thans geen tijd te verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt, opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn schoonzoon te worden.”Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg, te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin’s woning, of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren, wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde, om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid,de schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de toeschouwers in zoo’n groote verbazing en bewondering, dat zij niet moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest blijven staan op de plaats, waar hij was.Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem, om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: “Wij zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is.”Zoo kwam de eerste slaaf aan ’t hoofd van den geheelen stoet op ’t tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen,die Aladdin’s geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was armelijk in vergelijking bij die van Aladdin’s afgezanten. Daar men den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven, ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen, waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.Ondertusschen naderde Aladdin’s moeder den voet van den troon, wierp zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: “Heer, mijn zoon Aladdin weet zeer goed, dat het geschenk, ’twelk hij u zendt, ver beneden blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij, dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt, na te komen.”De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin’s moeder met opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertiggouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste, schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven, die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van dus den groet van Aladdin’s moeder te beantwoorden, keerde hij zich tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele rijkdommen mochten gekomen zijn.“Welnu, vizier”, zeide hij luid tot hem, “wat denk je van hem, wie ’t ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt, zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig, mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?”Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon des sultans worden zou, zoo waagde hij ’t toch niet, zijn meening te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin’s geschenk meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak: “Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt, onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses, uwe dochter, kon opwegen.” De heeren van het hof, die de zitting bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen tekennen, dat zij evenzoo dachten als de grootvizier.De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden, de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter wenschte. Om daarom Aladdin’s moeder volkomen te bevredigen, zeide hij tot haar: “Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt, om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te meer zal hij mij plezier doen.”Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen sport van het geluk te zien, snelde Aladdin’s moeder naar huis; de sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit bevel werd terstond uitgevoerd.Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan, die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijnverhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin’s moeder met een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.“Mijn zoon”, zeide zij tot hem, “ge hebt alle reden om tevreden te zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet, wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb, ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen.”Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den dag. “Geest”, zei Aladdin tot hem, “ik heb je geroepen, opdat je me aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit een vorst gedragen heeft.” Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hiefhem op en droeg hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige, ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders, dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald, en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. “Ja”, antwoordde Aladdin, “ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek, het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die, welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg, ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ookvoor mijn moeder zes slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig, alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had; ga, en haast je.”Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin’s moeder, in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles aan Aladdin over.Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken; ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin zich gereed, dessultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij vaardigde een zijner slaven af—ik zal niet zeggen den schoonsten, want zij waren allen gelijk—naar het paleis, met het bevel zich tot den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo’n edele houding, dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval en bewondering door de lucht klonken, in ’t bijzonder, toen de zes slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers, die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen, herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder andere eigenschappen ook die bezat, harenbezitter langzamerhand alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk droegen en begeleidden. In ’t bijzonder werd ook het paard door kenners bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand, trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd, want hij scheen beide waardig te zijn.Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte, liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke en prachtige kleeding,zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als in ’t bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats te nemen.Hierop nam Aladdin het woord en sprak: “Heer, ik neem de eer, welke gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen; veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet, hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door ’t een of ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik, dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou, wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien.”“Mijn zoon”, antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde, “gij zoudt mij onrechtdoen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten.”Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de lucht van het geschal der hobo’s en pauken; tegelijkertijd voerde de sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen voortdurend op Aladdin gevestigd hield—want het deed hem buitengewoon veel genoegen, hem aan te zien—bracht het gesprek op verschillende onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den aanvang van hem gekregen had.Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne en zinrijke opmerkingen, waarmede dejongeling het gesprek kruidde, niet genoeg konden bewonderen.Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en de bruiloft nog heden vieren wilde. “Heer”, antwoordde Aladdin, “hoe ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde.” “Mijn zoon”, zei de sultan, “kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht, die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te meten.” Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet, waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het bijvalgeroep der massa’s, die hem alle mogelijke heil en zegen wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten aan. “Geest”,sprak Aladdin, “ik heb alle reden je stiptheid te roemen; je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres, gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen, of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn, zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten, robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens, voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, eneen behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses, hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga, en kom terug als je alles hebt gereed gebracht.”
Sultan toont edelgesteenten aan vizier.
“Welnu”, ging de sultan voort, “wat zeg je van dit geschenk? Is het de prinses, mijne dochter, niet waardig, en kan ik haar tegen dezen prijs niet aan den man geven, die om haar hand laat verzoeken?”
Deze woorden brachten den grootvizier in een pijnlijke verlegenheid. De sultan had hem namelijk voor eenigen tijd te verstaan gegeven, dat hij de prinses aan zijn zoon dacht te geven. Nu echter vreesde hij, en niet zonder reden, dat de sultan, door dit rijke en buitengewone geschenk verblind, een ander besluit mocht gaan nemen. Hij naderde hem daarom en fluisterde hem in het oor: “Heer, ik moet bekennen, dat het geschenk der prinses waardig is. Maar ik smeek u, mij drie maanden tijd te gunnen, alvorens gij een beslissing neemt. Ik hoop, dat mijn zoon, op wien gij vroeger uw oogen geslagen hebt, nog voor dezen tijd haar een veel kostbaardergeschenk vereeren kan, dan deze Aladdin, dien gij heelemaal niet kent.”
Hoezeer nu ook de sultan overtuigd was, dat het den grootvizier onmogelijk was zijn zoon der prinses een geschenk van gelijke waarde te laten aanbieden, zoo stemde hij nochtans toe in den wensch van zijn grootvizier. Hij wendde zich dus tot Aladdin’s moeder en zeide tegen haar: “Ga naar huis, goede vrouw, en bericht je zoon, dat ik toestem in het voorstel, dat gij mij uit zijn naam gedaan hebt; dat ik echter de prinses, mijn dochter, onmogelijk uithuwelijken kan, voor ik haar een uitzet bezorgd heb, dat eerst over drie maanden gereed kan zijn. Kom dus tegen dien tijd terug.”
Aladdin’s moeder ging met des te grootere vreugde naar huis, als zij het aanvankelijk voor onmogelijk gehouden had, wegens haar stand toegang tot den sultan te verkrijgen, en nu was haar, inplaats van een beschamend, afwijzend antwoord, dat zij had moeten verwachten, een zoo gunstig bescheid ten deel gevallen. Toen Aladdin zijn moeder zag terugkomen, maakte hij uit twee zaken een goede boodschap op: ten eerste, wijl zij vroeger dan gewoonlijk kwam, en ten tweede, wijl haar gezicht van vreugde straalde.
“Ach, lieve moeder!” riep hij haar tegemoet, “mag ik hopen of moet ik uit wanhoop sterven?”
Zij legde haar sluier af, zette zich naast hem op de sofa neder en zeide toen tot hem:
“Lieve zoon, om je niet langer in onzekerheid te houden, wil ik je terstond zeggen, dat je niet alleen niet aan sterven behoeft te denken, maar integendeel alle reden hebt, goeden moed te hebben.”
Hierop vertelde zij hem, hoe zij voor alle anderen toegang verkregen had, waarom zij ook zoo spoedig teruggekomen was, welke voorzorgen zij genomen had, om den sultan, zonder hem te vertoornen, een huwelijk tusschen hem en de prinses Bedroelboedoer voor te stellen, en welk gunstig antwoord zij uit des sultans eigen mond ontvangen had. Zij voegde er aan toe: “uit ’t heele gedrag van den sultan kon ik afleiden, dat het geschenk een buitengewoon machtigen indruk op zijn gemoed gemaakt en hem tot dit welwillende antwoord gestemd had. “Ik had daarop des te minder gerekend”, ging zij voort,“als de grootvizier hem even te voren iets in ’t oor gefluisterd had en ik moest vreezen, dat hij hem wellicht van de gunstige meening, welke hij jegens je koesterde, wilde afbrengen.”
Toen Aladdin dit alles hoorde, hield hij zichzelf voor den gelukkigste aller stervelingen. Hij bedankte zijn moeder voor de vele moeite, welke zij zich voor zijne aangelegenheid gegeven had, welker gelukkige uitslag voor zijn rust van zooveel gewicht was. En ofschoon hem bij zijn ongeduldig verlangen naar het voorwerp zijner liefde drie maanden ontzettend lang toeschenen, zoo nam hij zich toch voor, met geduld te wachten en op het woord van den sultan te vertrouwen, dat hij voor onverbreekbaar hield. Ondertusschen telde hij in afwachting van het vurig verlangde doel, niet alleen weken, dagen en uren, maar zelfs minuten, en er waren ongeveer twee maanden verstreken, toen zijn moeder op zekeren avond de lamp wilde aansteken en ontdekte, dat er geen olie meer in huis was. Zij ging uit, om wat te koopen, en toen zij in destad kwam, zag zij dat alles feestelijk versierd was. De winkels waren geopend, men versierde ze met bloemkransen en maakte aanstalten voor een feestelijke verlichting, waarbij de een het van den ander trachtte te winnen in pracht en praal, om zijn ijver aan den dag te leggen. Op alle gezichten straalde vreugde en vroolijkheid, zelfs de straten waren vol van hovelingen in feestgewaden, die op rijk versierde paarden zaten en door een groote menigte bedienden te voet omgeven waren. Zij vroeg aan den koopman, bij wien zij de olie kocht, wat dit alles beteekende.
“Vanwaar komt gij dan, lieve vrouw?” gaf deze haar ten antwoord; “weet gij alleen niet, dat de zoon van den grootvizier hedenavond trouwt met prinses Bedroelboedoer, de dochter van den sultan? Zij zal spoedig uit het bad komen en de voorname heeren, die gij hier ziet, hebben zich verzameld, om haar naar het paleis te geleiden, waar de plechtigheid gebeuren zal.”
Aladdin’s moeder wilde niets meer hooren. Zij liep zoo snel naar huis, dat zij bijna buiten adem aankwam. “Ach!” riep zij haar zoon tegemoet, die op niets minder, dan op zulk een onaangename tijding voorbereid was, “alles is voor jou verloren. Je rekende op de mooie belofte van den sultan, maar er komt niets van.”
Aladdin schrok hevig en antwoordde: “Lieve moeder, waarom zou de sultan dan zijn woord niet houden? hoe weet u dat?”
“Hedenavond nog”, antwoordde zijn moeder, “trouwt de zoon van den grootvizier met prinses Bedroelboedoer in het paleis.” Zij vertelde hem daarop, hoe zij het vernomen had, en deelde hem zoo nauwkeurig alle bizonderheden mee, dathij er niet meer aan twijfelen kon. Bij deze tijding stond Aladdin als door den bliksem geslagen. Ieder ander dan hij ware van verdriet gestorven, maar een geheime ijverzucht wekte de werkzaamheid van zijn geest spoedig weer op. Hij dacht thans aan de lamp, die hem tot heden zoo nuttig geweest was, en zonder met groote woorden tegen den sultan, den grootvizier of den zoon van dezen minister uit te varen, zeide hij alleen: “Lieve moeder, de zoon van den grootvizier is hedennacht wellicht niet zoo gelukkig, als hij hoopt. Ik wil een oogenblik naar mijn kamer gaan, zorgt u intusschen voor het avondeten.”
Aladdin’s moeder begreep wel, dat haar zoon van de lamp gebruik wilde maken, om het huwelijk van den zoon des grootviziers zoo mogelijk te verhinderen, en zij vergiste zich ook niet. Aladdin nam, zoodra hij op zijn kamer was, de wonderlamp, die hij sedert de verschijning van den geest, die zijn moeder zoo ’n grooten schrik op ’t lijf had gejaagd, hier gebracht had, en wreef haar op dezelfde plaats als vroeger. Terstond verscheen de geest en sprak tot hem: “Wat wil je? Ik ben bereid, je te gehoorzamen als je slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben, zoowel ik als alle andere slaven der lamp.”
“Luister”, zei Aladdin, “je hebt mij tot nu toe eten gebracht, zoo dikwijls ik ’t noodig had, thans echter heb ik je een opdracht van veel grooter belang te geven. Ik heb bij den sultan om de hand zijner dochter, prinses Bedroelboedoer, laten vragen. Hij heeft haar mij beloofd en slechts een uitstel van drie maanden verlangd. Inplaats van echter zijn woord te houden,huwt hij haar hedenavond uit, nog vóór afloop van den termijn, aan den zoon van den grootvizier. Ik heb ’t zoo juist vernomen en de zaak is heel zeker. Nu verlang ik van jou, dat je bruid en bruidegom, zoodra zij zich te bed gelegd hebben, wegdraagt en allebei in hun bed hierheen brengt.”
“Mijn gebieder”, antwoordde de geest, “ik zal gehoorzamen. Heb je nog iets anders te bevelen?”
“Voor ’t oogenblik niet”, antwoordde Aladdin en de geest verdween.
Aladdin ging weer naar zijn moeder terug en gebruikte zoo kalm als altijd, het avondmaal met haar. Aan het eten sprak bij nog een poosje over het huwelijk der prinses, als over een zaak, die hem heelemaal niets aanging. Daarna keerde hij naar zijn kamer terug, opdat zijn moeder ongestoord naar bed kon gaan. Hijzelf legde zich intusschen niet tot slapen, maar wachtte op de terugkomst van den geest en de uitvoering van zijn bevel.
Ondertusschen waren in het paleis van den sultan met ongehoorde pracht alle voorbereidingen tot de huwelijksplechtigheid der prinses getroffen geworden, en de feestelijkheden en vermakelijkheden duurden tot in den nacht. Toen alles voorbij was, verwijderde zich de zoon van den grootvizier ongemerkt op een teeken, dat hem de overste der slaven van de prinses gaf; deze geleidde hem ook naar de woning der prinses en in de kamer, waar het huwelijksbed gereed stond. Hij legde zich het eerst neder. Spoedig daarop bracht de sultane, vergezeld van de vrouwen van haar gevolg en die van de prinses de bruid binnen. De laatste, die naarbuiten ging, sloot de deur achter zich toe.
Nauwelijks was de deur gesloten, toen de geest, een trouwe slaaf der lamp en nauwgezette uitvoerder van alle bevelen haars bezitters, tot groote verbazing van beiden het bed, waarin zij lagen, opnam en in een oogenblik op Aladdin’s kamer bracht.
Deze, die dit oogenblik vol ongeduld verwacht had, sprak tot den reus: “Neem dezen jongen echtgenoot, sluit hem op in ’t geheim gemak, en kom morgen vroeg even voor ’t aanbreken van den dag weer terug.”
Terstond nam de geest den zoon des grootviziers uit zijn bed op, bracht hem op de aangeduide plaats en liet hem daar alleen, nadat hij hem een geur had toegeademd, die hij van ’t hoofd tot de voeten bespeurde, en die hem verhinderde, zich van de plaats te bewegen.
Toen Aladdin zich nu alleen met de prinses bevond, begon hij haar gerust te stellen, en zei op zeer teederen toon tot haar: “Vrees niets, geliefde prinses; gij zijt hier veilig, en hoe geweldig ook de liefde is, die ik voor uw schoonheid en uwe bekoorlijkheid koester, zoo zal ik toch nimmer de grenzen overschrijden van den diepen eerbied, dien ik u verschuldigd ben.—Wanneer ik”, ging hij voort, “gedwongen geworden ben, tot dezen uitersten maatregel mijn toevlucht te nemen, dan geschiedde dit niet met de bedoeling u te beleedigen, maar ik wilde slechts een medeminnaar, trots de belofte, die de sultan, uw vader, mij gegeven heeft, verhinderen u in bezit te nemen.”
De prinses, die van de heele geschiedenis niets afwist, luisterde niet goed naar Aladdin’s woorden en was niet in staat, hem iets te antwoorden.De schrik en de verbazing over dit plotselinge en onverwachte avontuur had haar in zulk een toestand gebracht, dat Aladdin geen enkel woord uit haar krijgen kon. Deze verwijderde zich eerbiedig, legde zich rustig voor de deur der slaapkamer en sliep heel kalm in. Anders de prinses Bedroelboedoer: zij had in haar leven nog niet zulk een verdrietigen en onaangenamen nacht doorgebracht, en wanneer men de plaats en den toestand bedenkt, waarin de geest den zoon van den grootvizier verlaten had, dan kan men gemakkelijk begrijpen, dat hij voor den jongen bruigom nog veel naargeestiger was.
Den volgenden morgen behoefde Aladdin niet eerst de lamp te wrijven, om den geest op te roepen. Hij kwam op ’t aangewezen uur weer terug en zeide tegen Aladdin, terwijl deze zich aankleedde: “Hier ben ik, wat hebt gij mij te bevelen?”
“Ga”, antwoordde Aladdin, “haal den zoon van den grootvizier hier, leg hem weer in het bed en breng hem naar het paleis van den sultan op dezelfde plaats terug, vanwaar gij hem hebt meegenomen.”
De geest loste den zoon des grootviziers van zijn post af, legde den jongen echtgenoot naast de prinses en droeg het huwelijksbed in een oogenblik naar hetzelfde vertrek van het koninklijke paleis, waaruit hij het gehaald had.
Vermeld moet nog worden, dat de geest noch door de prinses, noch door den zoon van den grootvizier gezien werd; zijn afschuwelijke gestalte had haar gemakkelijk van schrik kunnen doen sterven. Evenmin hoorden zij iets van de gesprekken tusschen Aladdin en hem, maarnamen alleen de bewegingen van hun bed en de verplaatsing van ’t eene oord naar ’t andere waar; dit alleen kon hun reeds genoeg schrik aanjagen, zooals licht te denken is.
Nauwelijkshad de geest het bruidsbed weder op zijn plaats gezet, of de sultan kwam de kamer in, om zijn dochter goeden morgen te wenschen. De zoon van den grootvizier, die den heelen nacht in de kou had moeten staan en nog geen tijd had gehad zich te verwarmen, stond, toen de deur geopend werd, terstond op en begaf zich in het voorvertrek, waar hij zich den vorigen avond had ontkleed.
De sultan naderde het bed der prinses, kuste haar naar ’s lands gebruik tusschen de oogen, wenschte haar goeden morgen en vroeg haar hoe zij zich dien nacht bevonden had? Toen hij haar echter opmerkzamer beschouwde, vond hij haar tot zijn groote verbazing in een diepe zwaarmoedigheid verzonken. Zij wierp hem een zeer treurigen blik toe, die grooten kommer of groote ontstemming verraadde. Hij sprak nog enkele woorden tot haar; daar hij echter zag, dat hij geen antwoord uit haar krijgen kon, verwijderde hij zich. Desondanks kwam het vermoeden bij hem op, dat dit stilzwijgen een zeer bizonderen grond moest hebben; daarom ging hij terstond naar de vertrekken der sultane en vertelde haar, in welken toestand hij de prinses gevonden en hoe zij hem ontvangen had.
De sultane stelde hem echter gerust, en zeide dat de prinses zeker nog vermoeid was na de lange feesten. “Ik wil nu zelf naar haar toegaan”, voegde zij er bij, “en het zou me zeer verwonderen, als zij mij evenzoo ontving.”
Toen de sultane aangekleed was, begaf zij zich naar de vertrekken der prinses, die nog te bed lag. Zij naderde haar, kuste haar en wenschte haar goeden morgen; maar hoe groot was haar verbazing, toen zij niet alleen geen antwoord van haar ontving, maar ook bij nadere beschouwing een diepe neerslachtigheid bij haar bespeurde, waaruit zij opmaakte, dat haar iets moest overkomen zijn, dat zij niet raden kon.
“Lieve dochter”, zeide de sultane tot haar, “hoe komt het toch, dat gij al mijn liefkoozingen zoo slecht beantwoordt? Voor je moeder behoef je toch niets te verbergen. Er is iets buitengewoons met je gebeurd: beken het mij vrij, en laat mij niet zoo lang in deze pijnlijke onzekerheid.”
Prinses Bedroelboedoer verbrak eindelijk haar zwijgen met een diepen zucht.
“Ach, mijn zeer vereerde moeder”, riep zij, “vergeef mij, wanneer ik het aan den verschuldigden eerbied ontbreken liet. Er zijn mij heden nacht zulke buitengewone dingen overkomen, dat ik nog niet van mijn schrik en verbazing bekomen ben, ja nauwelijks mijzelf nog herken.” Zij schilderde haar daarop met de levendigste kleuren, hoe, terstond nadat zij zich met haar man had neergelegd, het bed opgenomen en in een oogenblik in een vuile en donkere kamer verplaatst was, waar zij zich heelemaal alleen, gescheiden van haar man, gezien had, zonder te weten, wat er van hem geworden was. Er was daar een jonge man geweest, die eenige woorden, welke zij van schrik niet verstaan had, tegen haar gesproken had. ’s Morgens was haar toen weer haar man teruggegeven en het bed in een korten tijd op zijn plaats teruggebracht geworden.
“Dit alles”, voegde zij erbij, “was nauwelijks geschied, toen de sultan, mijn vader, in mijn kamer trad. Ik was zoo van kommer terneergeslagen, dat ik niet in staat was, hem met een enkel woord te antwoorden. Hij is ongetwijfeld boos op mij, dat ik de eer, welke hij mij bewees, zoo slecht beloond heb; maar ik hoop, dat hij mij vergeven zal, wanneer hij mijn droevig avontuur en den beklagenswaardigen toestand verneemt, waarin ik mij thans nog bevind.”
De sultane hoorde alles, wat de prinses haar vertelde, zeer rustig aan, wilde het echter niet gelooven.
“Lieve dochter”, sprak zij tot haar, “je hebt er wel aan gedaan, dat je den sultan, je vader, niets van dat alles gezegd hebt. Pas op, er tegen iemand anders een woord van te zeggen; men zou je voor een zottin houden, als men je zoo hoorde spreken.”
“Vereerenswaardige moeder”, antwoordde de prinses, “ik verzeker u, dat ik heel goed bij mijn verstand ben. Vraag het slechts aan mijn gemaal; hij zal u ’t zelfde vertellen.”
“Ik zal er hem naar vragen,” antwoordde de sultane, “maar ook, wanneer hij precies hetzelfde vertelde als jij, dan zou me dit nog altijd niet kunnen overtuigen. Sta maar op en verdrijf die gedachten uit je hoofd. Dat zou een mooie geschiedenis worden, wanneer je door zulke inbeeldingen de feesten, ter eere van je huwelijk gegeven, en die zoowel in het koninklijke paleis als in het heele rijk nog meerdere dagen zullen duren, zoudt storen. Hoor je niet reeds de pauken en trompetten, de schellen en trommels? Dat alles moet je blij en vergenoegd maken en je moet die droombeelden vergeten, waarvan jezooëven gesproken hebt.” Tevens riep de sultane de vrouwen der prinses, en toen zij zag, dat zij opgestaan was en zich begon aan te kleeden, begaf zij zich naar de vertrekken van den sultan en zeide hem, dat haar dochter werkelijk iets door het hoofd gegaan was; het had echter weinig te beteekenen. Toen liet zij den zoon van den grootvizier roepen, om van hem iets naders omtrent het verhaal der prinses te vernemen; deze echter, die zich door de verwantschap met den sultan zeer geëerd gevoelde, had zich voorgenomen, de zaak geheim te houden.
“Mijn lieve zoon”, zeide de sultane tot hem, “zeg mij toch eens, heb je je dezelfde inbeelding in ’t hoofd gehaald, als je vrouw?”
“Heerscheres”, antwoordde de zoon van den grootvizier, “zou ik eerst mogen weten, wat die vraag beteekenen moet?”
“Ik ben al tevreden”, zeide de sultane, “en behoef niets meer te weten; jij bent verstandiger dan je vrouw.”
De feestelijkheden in het paleis duurden den ganschen dag door, en de sultane, die niet van de zijde der prinses week, liet niets onbeproefd, om haar tot vroolijkheid en tot deelneming aan de genoegens en vermakelijkheden op te wekken, die te harer eere ingericht waren; maar de gebeurtenis van den vorigen nacht had zulk een geweldigen indruk op haar gemaakt, dat zij voor niets anders zin had en voortdurend daarmee bezig was. De zoon van den grootvizier voelde zich door dezen bangen nacht eveneens zeer verzwakt; maar hij stelde er een eer in, niemand iets daarvan te laten merken, en wanneer men hem aanzag, moest men wel gelooven, dat hij een zeer gelukkige echtgenoot was.
Prinses Bedroelboedoer.
Aladdin, die van alles, wat er in het paleis voorviel, zeer goed onderricht was, twijfelde er niet aan, of de pasgetrouwden zouden, trots hun treurig avontuur in den eersten nacht, zich weder te zamen naar bed begeven, en had geen lust, hen met rust te laten. Zoodra de nacht even was aangebroken, wreef hij zijn lamp; de geest verscheen, en bood hem met dezelfde woorden als vroeger, zijn diensten aan, waarop Aladdin hem een gelijk bevel gaf als den vorigen avond.
De geest gehoorzaamde Aladdin even trouw en nauwgezet, als de eerste maal. De zoon van den grootvizier bracht den nacht weer even koud en onaangenaam door, als de bruiloftsnacht, en de prinses was nog meer ontdaan dan den eersten keer. De geest kwam op Aladdin’s bevel den volgenden morgen terug, legde den echtgenoot naast zijn vrouw, nam toen het bed met het paar op en droeg het weer naar dezelfde kamer van het paleis, waaruit hij het gehaald had.
De sultan, die na de ontvangst, welke hij den vorigen morgen bij prinses Bedroelboedoer gevonden had, zeer nieuwsgierig was, hoe zij den tweeden nacht doorgebracht had, en of zij hem nogmaals zoo slecht ontvangen zou, begaf zich weer net zoo vroeg naar haar kamer, om zich daarvan op de hoogte te stellen. De zoon van den grootvizier, die zich over zijn ongeluk in dezen nacht nog meer schaamde en ergerde, dan de eerste maal, hoorde hem nauwelijks komen, of hij stond haastig op en verdween in de aangrenzende kleedkamer.
De sultan naderde het bed der prinses, wenschte haar goeden morgen en zeide toen na dezelfde liefkoozingen, als den vorigen dag: “Nu,mijn lieve dochter, ben je vanmorgen ook weer zoo slecht geluimd als gisteren? Wil je mij wel vertellen, hoe je den nacht doorgebracht hebt?”
De prinses bewaarde hetzelfde zwijgen en de sultan vond, dat ze nog veel bedroefder en onrustiger was, dan de eerste maal. Hij twijfelde er thans niet meer aan, dat haar iets buitengewoons moest overkomen zijn, ergerde zich echter over haar stilzwijgendheid en riep haar vol toorn en met getrokken sabel toe: “Wanneer je mij niet bekent, wat je verbergen wilt, dan houw ik je terstond het hoofd af!”
De prinses, die over den toon en het dreigement van den beleedigden sultan nog meer schrok, dan over den aanblik van den blanken sabel, brak eindelijk haar stilzwijgen en riep onder tranen uit: “Geliefde vader en koning! ik smeek u om vergiffenis, wanneer ik u beleedigd heb; ik hoop echter van uw goedheid en mildheid, dat medelijden in de plaats van den toorn komen zal, zoodra ik u den beklagenswaardigen en treurigen toestand, waarin ik mij zoowel dezen als den vorigen nacht bevonden heb, naar waarheid mededeel.”
Na deze inleiding, die den sultan wat gerust stelde en kalmer stemde, vertelde zij hem alles, wat er met haar gedurende die twee verdrietige nachten gebeurd was, zoo getrouw en roerend, dat hij bovenmate bedroefd werd, want hij beminde zijn dochter zeer teeder. Zij eindigde met de woorden: “Wanneer gij ook maar in ’t minst aan mijn verhaal twijfelt, dan kunt gij den echtgenoot vragen, dien gij mij gegeven hebt; ik ben overtuigd, dat hij de waarheid der zaak evenzoo bevestigen zal, als ik.”
De sultan deelde den diepen kommer, waarinde prinses door een zoo zonderling avontuur gebracht moest worden.
“Lieve dochter”, sprak hij tot haar, “het was zeer verkeerd van je, dat je mij deze wonderlijke geschiedenis niet reeds gisteren verteld hebt, die voor mij van even veel belang moet zijn als jou. Ik heb je niet uitgehuwd met de bedoeling, je ongelukkig te maken, maar ik dacht je integendeel daardoor al het geluk te bezorgen, dat je verdient, en bij een man, die voor jou scheen te passen, ook hopen mocht. Verban slechts uit je gemoed al de treurige gedachten aan alles, wat je mij zooëven verteld hebt. Ik zal terstond bevelen geven, dat je voortaan geen zulke onaangename en ondragelijke nachten meer hebt, als tot nu toe.”
Zoodra de sultan in zijne vertrekken teruggekeerd was, liet hij den grootvizier roepen.
“Vizier,” zeide hij tot hem, “heb je je zoon al gezien en heeft hij je niets verteld?”
Toen de grootvizier antwoordde dat hij zijn zoon nog niet gezien had, vertelde hem de sultan alles, wat hij van prinses Bedroelboedoer vernomen had. “Ik twijfel niet”, zeide hij ten laatste “dat mijn dochter mij de waarheid bericht heeft; ondertusschen zou het mij zeer aangenaam zijn, als je zoon het bevestigde. Ga en vraag hem, wat er waars aan de zaak is.”
De grootvizier begaf zich terstond naar zijn zoon, deelde hem mee, wat de sultan hem gezegd had, en scherpte hem in, dat hij toch niets verbergen moest en zeggen, of alles waar was.
“Ik wil u de waarheid bekennen, mijn vader”, antwoordde de zoon. “Alles, wat de prinses aan den sultan verteld heeft, is maar al te zeer de treurige waarheid; maar de slechte behandeling,die ik in ’t bijzonder ondergaan heb, weet zij zelf niet eens. De zaak is namelijk deze: sedert mijn huwelijk heb ik twee nachten doorgebracht, zoo verschrikkelijk, als men zich niet kan voorstellen; ik vind geen woorden, om de pijnen, die ik uitgestaan heb, naar behooren en met alle bijzonderheden te schilderen. Ik wil niet eens spreken van de ontzetting, welke mij aangreep, toen ik viermaal in mijn bed omhoog getild werd, zonder dat ik zag, wie het bed ophief en van de eene plaats naar de andere bracht, en zonder te begrijpen, hoe het toch mogelijk was. Gij kunt u mijn treurigen toestand voorstellen, wanneer ik u zeg, dat ik twee nachten staande en alleen met mijn hemd aan in een smal, geheim gemak doorbrengen moest, zonder mij van de plaats te kunnen bewegen of ook maar de minste beweging te maken, hoewel ik eigenlijk niets zag, dat mij daarvan had kunnen afhouden. Ik behoef u niet breedvoerig uiteen te zetten, wat ik daarbij uitgestaan heb, en kan u niet verbergen, dat ik desniettegenstaande jegens de prinses, mijn vrouw, alle gevoelens van liefde, eerbied en dankbaarheid koester, welke zij verdient. Maar toch moet ik u eerlijk bekennen, dat ik, hoe eervol en schitterend het huwelijk met de dochter des sultans ook voor mij is, liever sterf, dan langer in zulk een hooge verwantschap blijven wil, wanneer ik mij nog langer aan zulk een onaangename behandeling zou moeten blootstellen. Ik betwijfel niet, of de prinses evenzoo denken zal, als ik, en zij zal gemakkelijk toegeven, dat een scheiding voor hare rust even noodzakelijk is als voor de mijne; daarom, lieve vader, smeek ik u bij de liefde, welke u bewogen heeft, mij deze hooge eer te verschaffen, van den sultante verkrijgen, dat ons huwelijk voor ongeldig verklaard wordt.”
Hoezeer het nu ook de eerzucht van den grootvizier gestreeld had, zijn zoon als schoonzoon des sultans te zien, zoo hield hij het toch, daar deze vast besloten was, zich van de prinses te laten scheiden, niet voor raadzaam, hem ten minste nog voor eenige dagen tot geduld aan te manen, om af te wachten, of deze onaangenaamheid niet vanzelf zou ophouden. Hij verliet hem daarom, om den sultan verslag uit te brengen, en bekende hem oprecht, dat de zaak maar al te waar was; zijn zoon had hem alles verteld. Zonder eerst af te wachten, dat de sultan zelf van de scheiding begon te spreken, waartoe hij hem zeer geneigd zag, verzocht hij dezen hierop of zijn zoon zich uit het paleis verwijderen en naar zijn huis terugkeeren mocht, wijl het in de hoogste mate verkeerd zou zijn, indien de prinses om zijnentwil ook maar een oogenblik langer aan deze vreeselijke behandeling zou blootgesteld blijven.
Het kostte den grootvizier niet veel moeite, de toestemming tot zijn verzoek te verkrijgen. De sultan, die alreeds dit besluit genomen had, gaf oogenblikkelijk bevel, de feestelijkheden in het paleis en in de stad, zoowel als in zijn gansche gebied te doen staken, en binnen korten tijd hielden alle publieke vreugdebewijzen en vermakelijkheden op.
Deze plotselinge en onverwachte verandering gaf tot allerlei praatjes aanleiding. De menschen vroegen zich af, wat er wel de oorzaak van mocht zijn, maar niemand wist meer te zeggen, dan dat men den grootvizier en zijn zoon beiden zeer treurig uit het paleis naar hun eigen huis hadzien gaan. Aladdin alleen kende het geheim en verheugde zich in zijn binnenste zeer over den gelukkigen uitslag, dien het gebruik zijner lamp hem verschaft had. Daar hij thans met zekerheid wist, dat zijn medeminnaar het paleis verlaten had en het huwelijk tusschen hem en de prinses heelemaal ontbonden was, had hij niet meer noodig, de lamp te wrijven en den geest op te roepen, om de voltrekking daarvan te verhinderen. Het merkwaardigste van de geheele zaak was, dat noch de sultan, noch de grootvizier, die beiden Aladdin en zijn aanzoek al lang vergeten waren, ook maar in de verte op de gedachte kwamen, dat hij aan de tooverij, welke de ontbinding van het huwelijk der prinses had veroorzaakt, eenig aandeel hebben kon.
Aladdin liet intusschen de drie maanden ten volle verloopen, die de sultan als termijn voor zijn huwelijk met prinses Bedroelboedoer bepaald had. Hij had nauwkeurig elken dag geteld, en toen zij verstreken waren, zond hij ook den volgenden morgen zijn moeder naar het paleis, om den sultan aan zijn belofte te herinneren.
Aladdin’s moeder ging naar het paleis, zooals haar zoon haar gezegd had, en plaatste zich bij den ingang van den divan weer op dezelfde plek als vroeger. Nauwelijks had de sultan een blik op haar geworpen, of hij herkende haar ook weer en herinnerde zich haar bede, zoowel als den tijd, waarmee hij haar getroost had. De grootvizier droeg hem juist een zaak voor. De sultan onderbrak hem met de woorden: “Vizier, ik bemerk daar die goede vrouw weer, die ons eenige maanden geleden zoo een prachtig geschenk aanbood: laat ze naderbij komen, gij kunt uw bericht vervolgen, als ik haar heb aangehoord.”
De grootvizier wierp een blik naar den ingang van den divan en herkende eveneens Aladdin’s moeder. Terstond riep hij den overste der deurwachters, wees hem haar en beval, haar te laten voorkomen.
Aladdin’s moeder naderde den voet van den troon en wierp zich neder. Toen zij weder opgestaan was, vroeg haar de sultan, wat zij begeerde.
“Groote koning”, antwoordde zij, “ik verschijn ten tweeden male voor uw aangezicht, om u in naam van mijn zoon Aladdin er aan te herinneren, dat de drie maanden om zijn, waarmee gij hem op zijn aanzoek, dat ik de eer had u voor te dragen, getroost hebt. Ik smeek u deemoedig, dat gij u de zaak moogt herinneren.”
De sultan had dezen termijn van drie maanden den eersten keer slechts daarom bepaald, wijl hij geloofde, dat er dan geen sprake meer zou zijn van een huwelijk, dat hem voor de prinses, zijn dochter, volstrekt niet waardig genoeg leek, met het oog op den nederigen stand en de armoede van Aladdin’s moeder, die in een zeer armoedig gewaad voor hem verscheen. Deze herinnering aan zijn belofte bracht hem thans in verlegenheid. Om zich in de zaak niet te overijlen, vroeg hij zijn grootvizier om raad en gaf hem zijn tegenzin te kennen, om de prinses aan een onbekende uit te huwen, die klaarblijkelijk van zeer lage afkomst zijn moest.
De grootvizier draalde niet, den sultan zijn meening hierover te zeggen.
“Heer”, antwoordde hij hem, “ik meen, dat er een onfeilbaar middel bestaat, dit niet passende huwelijk tegen te gaan, zonder dat Aladdin, zelfs wanneer hij u bekend was, zich er over beklagen kon. Gij moet slechts zulk een hoogen prijs voor de prinses verlangen, dat zijn rijkdommen, al mogen zij nog zoo groot zijn, daarvoor niet zullen toereiken. Op deze wijze zult gij hem van zijn koen, ja ik mag wel zeggen, vermetel aanzoek afbrengen, dat hij blijkbaar niet behoorlijk overwogen heeft.”
De sultan vond den raad van den grootvizier goed. Hij wendde zich tot Aladdin’s moeder enzeide na even nagedacht te hebben tot haar:
“Beste vrouw, een sultan moet steeds zijn eens gegeven woord houden, en ik ben bereid, mijn belofte te vervullen en je zoon met de hand mijner dochter gelukkig te maken. Daar ik haar echter niet kan uithuwen, zonder te weten, welke voordeelen voor haar daaraan verbonden zijn, zult gij uw zoon melden, dat ik mijn belofte houden zal, zoodra hij mij veertig groote schalen van gedreven goud, van boven tot beneden gevuld met dezelfde kostbaarheden, zooals gij mij reeds eenmaal uit zijn naam gebracht hebt, door veertig zwarte slaven laat zenden, die door veertig andere buitengemeene schoone en op ’t prachtvolst aangekleede jonge blanke slaven geleid moeten worden. Dit zijn de voorwaarden, onder welke ik bereid ben, hem de prinses, mijne dochter, te geven. Ga nu, goede vrouw, breng mij spoedig weer antwoord.”
Aladdin’s moeder wierp zich nogmaals voor den troon van den sultan neer en verwijderde zich. Onderweg lachte zij inwendig over het dwaze verlangen van haar zoon. “Waarachtig”, zeide zij, “waar zal hij zoo vele gouden schalen en zulk een menigte gekleurde glazen vandaan halen, om ze daarmee te vullen? Zal hij weer in het onderaardsche gewelf moeten afdalen, welks ingang gesloten is, om ze van de boomen te plukken? en hoe moet hij aan al die hupsche slaven komen, die de sultan verlangt? Nu is hij toch zeker ver van zijn doel verwijderd en ik geloof niet, dat hij met mijne boodschap tevreden zal zijn.”
Toen zij nu met deze, naar zij meende, voor Aladdin volkomen troostlooze gedachten in haar hoofd naar huis kwam, zeide zij tegen hem: “Mijn zoon, ik raad je aan, denk niet meer aaneen huwelijk met prinses Bedroelboedoer. De sultan heeft mij wel is waar zeer genadig ontvangen, en ik geloof dat hij goed jegens je gezind was, maar de grootvizier heeft hem, als ik mij niet bedrieg, tot andere gedachten gebracht, zooals je terstond zult kunnen opmaken uit hetgeen ik je thans vertellen ga. Nadat ik den sultan onder ’t oog had gebracht, dat de drie maanden verstreken waren, en hem nu uit jouw naam verzocht, zich zijn belofte te herinneren, zag ik, dat hij een poosje heel zacht met den grootvizier sprak, en toen eerst gaf hij mij het antwoord, dat ik je thans zal mededeelen.”
Zij vertelde nu haar zoon zeer uitvoerig alles, wat de sultan haar gezegd had, en noemde hem de voorwaarden, op welke hij in de verbintenis der prinses, zijn dochter, met hem wilde toestemmen. “Mijn zoon”, sprak zij ten slotte, “hij verwacht een antwoord; maar onder ons gezegd”, ging zij lachend voort, “ik geloof, dat hij lang zal moeten wachten.”
“Niet zoo lang, lieve moeder, als gij denkt”, antwoordde Aladdin, “en de sultan dwaalt heel erg, als hij meent, door zijn ongehoorde eischen ’t mij onmogelijk te maken aan de prinses Bedroelboedoer te denken. Ik had heel andere onoverkomelijke bezwaren verwacht, of ten minste een veel hoogeren prijs voor mijn onvergelijkelijke prinses. Thans ben ik echter zeer tevreden, want wat hij verlangt is een kleinigheid bij dat, wat ik hem voor haar bezit zou kunnen aanbieden. Terwijl ik er nu aan ga denken, hem tevreden te stellen, moet u het middageten voor ons bezorgen en mij slechts laten begaan.”
Zoodra zijn moeder om levensmiddelen was uitgegaan, nam Aladdin de lamp en wreef haar.Terstond verscheen de geest, en vroeg met de gebruikelijke woorden, wat hij had te bevelen, en zeide dat hij bereid was hem te bedienen.
Aladdin sprak tot hem: “De sultan geeft mij de prinses, zijn dochter, tot vrouw; vooraf echter verlangt hij van mij veertig groote schalen van gedreven goud, tot aan den rand gevuld met de vruchten uit den tuin, waar ik de lamp gehaald heb, welker slaaf gij zijt. Verder verlangt hij, dat deze veertig gouden schalen door even zooveel zwarte slaven gedragen zullen worden, voorafgegaan door veertig welgevormde, slanke en prachtvol gekleede jonge blanke slaven. Ga en bezorg mij zoo spoedig mogelijk dit geschenk hier, opdat ik het den sultan zenden kan, alvorens hij de zitting van den divan sluit.” De geest zei, dat zijn bevel onmiddellijk zou uitgevoerd worden en verdween.
Een korte poos daarop liet de geest zich weder zien, vergezeld van veertig zwarte slaven, van wie ieder een groote zware schaal van gedegen[**gedreven? ] goud op het hoofd droeg, gevuld met paarlen, diamanten, robijnen en smaragden, in grootte en schoonheid nog verre overtreffend wat de sultan reeds ontvangen had. Elk der schalen was met goud gebloemd zilverstof overdekt. Deze slaven,zoowel de blanke als de zwarte met de gouden schalen, vulden bijna het gansche huis, dat tamelijk klein was, benevens de kleine plaats er vóór en het tuintje er achter. De geest vroeg Aladdin, of hij tevreden was, en of hij hem nog iets anders te bevelen had. Aladdin antwoordde, dat hij niets meer verlangde, en de geest verdween.
Toen Aladdin’s moeder van de markt terugkeerde, verwonderde zij zich zeer, dat zij zooveelmenschen en kostbaarheden zag. Nadat zij de eetwaren, die ze meegebracht had, op de tafel gelegd had, wilde zij den sluier, die haar gezicht bedekte, afdoen, maar Aladdin stond dit niet toe.
“Lieve moeder”, sprak hij tot haar, “wij hebben thans geen tijd te verliezen. Het is van groot belang, dat gij, nog voor dat de sultan den divan sluit, in het paleis terugkeert, en het verlangde geschenk benevens de morgengave voor de prinses Bedroelboedoer daarheen brengt, opdat hij uit mijn haast en stiptheid het brandende en oprechte verlangen kan leeren kennen, waarmee ik streef naar de eer, zijn schoonzoon te worden.”
Zonder het antwoord zijner moeder af te wachten, opende Aladdin de deur naar de straat en liet al zijn slaven bij paren, steeds een blanken met een zwarten, die een gouden schaal op het hoofd droeg, te zamen naar buiten treden. Toen nu zijn moeder, achter den laatsten slaaf gaande, eveneens buiten was, sloot hij de deur en bleef rustig op zijn kamer, in de zoete hoop, dat de sultan hem eindelijk na dit geschenk, dat hij zelf verlangd had, zijn dochter zou geven.
Nauwelijks stond de eerste blanke slaaf voor Aladdin’s woning, of alle voorbijgangers, die hem zagen, bleven staan, en eer nog alle tachtig slaven, de blanke en de zwarte te zamen, buiten waren, wemelde de straat van een massa volk, dat van alle kanten toestroomde, om dit prachtige en buitengewone schouwspel aan te zien. De kleeding der slaven bestond uit zulke kostbare stoffen, en was zoo rijk met edelgesteenten versierd, dat de beste kenners niet te veel geloofden te zeggen, wanneer zij elk pak op meer dan een millioen schatten. De pracht en de keurigheid der kleederen, de edele voornaamheid,de schoonheid, de welgevormde en statige gestalten der slaven, hun feestelijke optocht in gelijkmatige, afgemeten tusschenruimten, de glans der buitengewoon groote edelgesteenten, die in de schoonste harmonie om hunne gordels gerangschikt waren, en de rozen aan hun tulbanden, die eveneens uit edelgesteenten samengesteld en in bijzondere mate smaakvol bewerkt waren, dit alles bracht de toeschouwers in zoo’n groote verbazing en bewondering, dat zij niet moede werden er naar te kijken en den stoet zoo ver mogelijk na te zien. De straten waren zoo vol gehoopt met menschen, dat ieder moest blijven staan op de plaats, waar hij was.
Daar men door verscheidene straten gaan moest, om aan het paleis te komen, zoo kon een groot deel der stad en menschen uit alle klassen en standen den prachtvollen stoet zien. Eindelijk had de eerste van de tachtig slaven de poort van het voorste slotplein bereikt. De dienaren, die daar de wacht hielden, hadden zich bij de aankomst van dezen wondervollen stoet in twee rijen opgesteld; zij hielden hem voor een koning, zoo rijk en prachtig was hij gekleed, en naderden hem, om den zoom van zijn kleed te kussen. De slaaf echter, dien de geest vooraf zijn rol had geleerd, liet dit niet toe en sprak plechtig: “Wij zijn slechts slaven, onze meester zal verschijnen zoodra het tijd is.”
Zoo kwam de eerste slaaf aan ’t hoofd van den geheelen stoet op ’t tweede plein, dat zeer ruim was en waar zich de hofstoet des sultans tijdens de zitting van den divan opgesteld had. De aanvoerders der verschillende afdeelingen waren wel prachtvol gekleed, werden echter ver in de schaduw gesteld toen de tachtig slaven verschenen,die Aladdin’s geschenk brachten en zelf daarbij behoorden. In den ganschen hofstoet des sultans was er niets zoo heerlijks en schitterends te zien, en alle pracht der hem omringende heeren van het hof was armelijk in vergelijking bij die van Aladdin’s afgezanten. Daar men den sultan de aankomst dezer slaven gemeld had, had hij bevel gegeven, ze te laten binnentreden. Toen zij dan ook verschenen, vonden zij den ingang naar den divan geopend en zij trokken in de beste orde naar binnen, een deel naar links, een ander deel naar rechts. Nadat zij allen binnen waren en voor den troon des sultans een grooten halven cirkel gevormd hadden, plaatsten de zwarte slaven de schalen, die zij droegen, op het vloertapijt, wierpen zich toen allen tegelijk neder en raakten het tapijt met hun voorhoofd aan. De blanke slaven deden tegelijkertijd hetzelfde. Hierna stonden zij allen te zamen weer op, en de zwarte onthulden daarbij zeer behendig de voor hen staande schalen, waarna zij allen met gekruiste armen in grooten eerbied bleven staan.
Ondertusschen naderde Aladdin’s moeder den voet van den troon, wierp zich daarvoor neder en sprak tot den sultan: “Heer, mijn zoon Aladdin weet zeer goed, dat het geschenk, ’twelk hij u zendt, ver beneden blijft bij wat prinses Bedroelboedoer verdient. Niettemin hoopt hij, dat gij het genadig zult willen aannemen en dat ook de prinses het niet versmaden zal; hij hoopt dit met des te meer vertrouwen, als hij er naar gestreefd heeft, de voorwaarde, welke gij hem gesteld hebt, na te komen.”
De sultan was niet in staat, de begroeting van Aladdin’s moeder met opmerkzaamheid aan te hooren. Reeds bij den eersten blik op de veertiggouden schalen, die tot den rand toe gevuld waren met de stralendste, schitterendste en kostbaarste edelgesteenten, en op de tachtig slaven, die men om hun edel voorkomen, den rijkdom en de merkwaardige pracht hunner kleedij voor koningen had kunnen houden, was hij zoo verrast geworden, dat hij niet van zijn verbazing bekomen kon. Inplaats van dus den groet van Aladdin’s moeder te beantwoorden, keerde hij zich tot den grootvizier, die al evenmin begrijpen kon, vanwaar zoo vele rijkdommen mochten gekomen zijn.
“Welnu, vizier”, zeide hij luid tot hem, “wat denk je van hem, wie ’t ook zijn mag, die mij zulk een rijk en buitengewoon geschenk stuurt, zonder dat wij beiden hem kennen? Houdt gij hem voor onwaardig, mijn dochter, de prinses Bedroelboedoer, te trouwen?”
Hoe smartelijk het nu ook voor den grootvizier was, te zien, dat een onbekende de voorkeur boven zijn zoon verkrijgen en de schoonzoon des sultans worden zou, zoo waagde hij ’t toch niet, zijn meening te verbergen. Het was maar al te duidelijk, dat Aladdin’s geschenk meer dan voldoende was, hem deze hooge eer waardig te maken. Hij antwoordde daarom den sultan heelemaal naar zijn zin en sprak: “Heer, het zij verre van mij, te gelooven, dat degene, die u een zoo waardig geschenk gestuurd heeft, de eer, welke gij hem toedenkt, onwaardig zou zijn; ja, ik zou zelfs wagen te beweren, dat hij nog veel meer verdiende, als ik niet overtuigd was, dat er op de gansche wereld geen zoo kostbare schat te vinden is die tegen de prinses, uwe dochter, kon opwegen.” De heeren van het hof, die de zitting bijwoonden, gaven door hun bijvalsbetuigingen tekennen, dat zij evenzoo dachten als de grootvizier.
De sultan stelde de zaak thans niet langer meer uit en onderzocht niet eens, of Aladdin ook de overige noodige hoedanigheden bezat om zijn schoonzoon te kunnen worden. Reeds de aanblik dezer onmetelijke rijkdommen en de snelheid, waarmee Aladdin aan zijn verlangen voldaan had, zonder in de ongehoorde voorwaarden, welke hem gesteld werden, de minste moeilijkheid te vinden, was hem bewijs genoeg, dat deze de volmaakte echtgenoot moest zijn, welke hij voor zijn dochter wenschte. Om daarom Aladdin’s moeder volkomen te bevredigen, zeide hij tot haar: “Ga thans, goede vrouw, en zeg je zoon, dat ik hem verwacht en met open armen ontvangen zal; hoe spoediger hij komt, om de prinses, mijne dochter, uit mijne hand te ontvangen, des te meer zal hij mij plezier doen.”
Hoogelijk verheugd, haar zoon tegen alle verwachting op zulk een hoogen sport van het geluk te zien, snelde Aladdin’s moeder naar huis; de sultan echter sloot voor heden de zitting, stond van zijn troon op en beval dat de dienaren der prinses de gouden schalen opnemen en naar de vertrekken hunner meesteres brengen moesten, waarheen hij zelf ook ging, om ze op zijn gemak nader te kunnen beschouwen. Dit bevel werd terstond uitgevoerd.
Ook de tachtig blanke en zwarte slaven werden niet vergeten. Men liet ze binnen het paleis komen, en spoedig beval nu de sultan, die prinses Bedroelboedoer van hun prachtige verschijning verteld had, hen voor hare vertrekken op te stellen, opdat zij hen door de tralievensters kon aanschouwen en zich overtuigen, dat hij in zijnverhaal niet alleen niets overdreven, maar zelfs veel minder gezegd had, dan werkelijk waar was. Intusschen kwam Aladdin’s moeder met een gezicht waarop de goede tijding te lezen was, tehuis.
“Mijn zoon”, zeide zij tot hem, “ge hebt alle reden om tevreden te zijn. Tegen mijn verwachting zijn al je wenschen vervuld; want je weet, wat ik altijd tegen je gezegd heb. Ik zal je niet lang in onzekerheid laten: de sultan heeft onder bijval van het heele hof verklaard, dat je waardig bent, prinses Bedroelboedoer te bezitten. Hij verwacht je om je te omarmen en het echtverbond te sluiten. Bereid je behoorlijk voor op deze samenkomst, opdat hij bevestigd worde in de hooge meening, die hij reeds van je heeft. Na de wonderen, die ik al van je gezien heb, ben ik vast overtuigd, dat je het aan niets zult laten ontbreken. Ik mag intusschen niet vergeten je te zeggen, dat de sultan je met ongeduld verwacht; verlies alzoo geen tijd, je bij hem te vervoegen.”
Aladdin, die over deze tijding ten zeerste verheugd was en zich alleen bezighield met het voorwerp dat hem betooverd had, gaf zijn moeder een kort antwoord en ging in zijn kamer. Hij nam de lamp, die hem tot dusver in elken nood en bij elken wensch zoo trouw geholpen had, en nauwelijks had hij haar gewreven, of de geest legde door zijn oogenblikkelijk verschijnen zijn voortdurende gehoorzaamheid aan den dag. “Geest”, zei Aladdin tot hem, “ik heb je geroepen, opdat je me aanstonds een bad zult bereiden, en zoodra ik het genomen heb, wil ik, dat je me de rijkste en prachtigste kleeding brengt, die nog ooit een vorst gedragen heeft.” Nauwelijks had hij dit gezegd, of de geest maakte hem, zoowel als zichzelven, onzichtbaar, hiefhem op en droeg hem in een bad, dat van uiterst fijn, bontgestreept marmer gebouwd was. Zonder dat hij zag, wie hem bediende, werd hij in een prachtige, ruime zaal ontkleed. Uit de zaal leidde men hem naar het bad, dat een matige warmte had en waar hij gewreven, en met allerlei welriekende wateren gewasschen werd. Nadat hij in de verschillende badkamers alle warmtegraden had doorgemaakt, kwam hij er weer uit, maar heel anders, dan hij erin gegaan was. Zijn gelaatskleur was frisch, wit en rose geworden, en zijn geheele lichaam was veel lichter en veerkrachtiger geworden. Toen hij in de zaal terugkwam, vond hij het kleed, dat hij uitgetrokken had, niet meer; de geest had, naar zijn bevel, in plaats daarvan een andere kleeding gebracht. Aladdin was een en al verbazing toen hij de pracht van de kleeren zag, die voor hem bestemd waren. Hij kleedde zich aan met behulp van den geest en bewonderde ieder stuk, eer hij het aantrok, zoozeer overtrof het alles, wat hij zich tot nog toe had kunnen voorstellen. Toen hij klaar was, droeg de geest hem in dezelfde kamer terug, waar hij hem had afgehaald, en vroeg, of hij nog iets te gelasten had. “Ja”, antwoordde Aladdin, “ik verwacht oogenblikkelijk een paard van je, dat in schoonheid en snelheid het kostbaarste paard van den sultan overtreft; het dek, het zadel, de toom, kortom het geheele tuig moet ruim een millioen waard zijn. Ook verlang ik, dat je mij tegelijkertijd twintig slaven bezorgt, die net zoo rijk en smaakvol gekleed moeten zijn, als die, welke het geschenk droegen, want zij zullen mij, als mijn gevolg, ter zijde gaan; en nog twintig andere van dezelfde soort, die in twee rijen voor mij uit zullen gaan. Breng ookvoor mijn moeder zes slavinnen tot haar bediening, die allen minstens net zoo rijk gekleed moeten zijn als de slavinnen van prinses Bedroelboedoer, en die elk een volledig kostuum op het hoofd moeten dragen, zoo rijk en prachtig, alsof het voor de sultane zelve was. Verder moet ik nog tienduizend goudstukken in tien buidels hebben. Dat was, wat ik nog te bevelen had; ga, en haast je.”
Zoodra Aladdin den geest die bevelen gegeven had, verdween deze en verscheen spoedig weer met het paard, de veertig slaven, waarvan tien ieder een buidel met duizend goudstukken droegen, en de zes slavinnen, waarvan elke een verschillend gewaad voor Aladdin’s moeder, in zilverstof gewikkeld, op het hoofd droeg. De geest gaf dit alles aan Aladdin over.
Aladdin nam van de tien buidels slechts vier, die hij aan zijn moeder gaf, om in geval van nood te gebruiken. De zes andere liet hij in handen van de slaven die ze droegen, met het bevel, ze gedurende hun tocht door de straten naar des sultans paleis bij handen vol onder het volk uit te strooien. Ook beval hij hun dicht naast hem, drie aan den eenen, en drie aan den anderen kant, voort te schrijden. Eindelijk schonk hij de zes slavinnen aan zijn moeder en zei dat ze voortaan haar toebehoorden en zij als meesteres over hen kon beschikken; ook de kleeren, die zij droegen, waren voor haar gebruik bestemd.
Toen Aladdin al zijn aangelegenheden in orde had gebracht, ontsloeg hij den geest met de woorden, dat hij hem zou roepen, zoodra hij hem noodig had, waarop deze oogenblikkelijk verdween. Nu maakte Aladdin zich gereed, dessultans wensch om hem te zien, te vervullen. Hij vaardigde een zijner slaven af—ik zal niet zeggen den schoonsten, want zij waren allen gelijk—naar het paleis, met het bevel zich tot den oppersten deurwachter te wenden en hem te vragen, wanneer hij de eer mocht smaken, zich aan de voeten des sultans te werpen. De slaaf kweet zich zeer snel van zijn opdracht en bracht de tijding weerom dat de sultan hem met ongeduld verwachtte.
Aladdin steeg nu onverwijld te paard en stelde zich met zijn stoet in de reeds aangegeven volgorde in beweging. Hoewel hij nog nooit te voren een paard bestegen had, toonde hij toch daarbij zoo’n edele houding, dat zelfs de meest ervaren ruiter hem niet voor een nieuweling had kunnen houden. De straten, waar hij doorkwam, vulden zich als in een oogwenk met een onafzienbare volksmassa, wier kreten van bijval en bewondering door de lucht klonken, in ’t bijzonder, toen de zes slaven die de buidels droegen, heele handen met goudstukken rechts en links om zich heen wierpen. De bijvalsbetuigingen kwamen intusschen niet van het volk dat zich verdrong en elkander op zij stootte om de goudstukken op te rapen, maar van de meer welgestelde toeschouwers, die niet konden nalaten de vrijgevigheid van Aladdin den verdienden lof toe te zwaaien. Niet alleen zij, die zich konden herinneren hem nog als jongen met zijn kornuiten op de straat te hebben zien spelen, herkenden hem niet meer, maar ook zij, die hem nog voor korten tijd gezien hadden, herkenden hem nauwelijks, zoozeer hadden zich zijne gelaatstrekken veranderd. Dit kwam daar vandaan, dat de lamp onder andere eigenschappen ook die bezat, harenbezitter langzamerhand alle volmaaktheden te verleenen, overeenkomstig den rang waartoe hij, door een goed gebruik van haar te maken, geklommen was. Men schonk den persoon van Aladdin veel meer opmerkzaamheid, dan den overigen prachtvollen stoet, daar de meesten denzelfden dag reeds een dergelijken gezien hadden, namelijk de slaven die het geschenk droegen en begeleidden. In ’t bijzonder werd ook het paard door kenners bewonderd, die zijn schoonheid zeer goed wisten te beoordeelen, zonder zich te laten verblinden door den rijkdom of den diamantenglans waarmee het overdekt was. Toen zich het gerucht verbreid had, dat de sultan hem prinses Bedroelboedoer tot vrouw gaf, werd hij toch door niemand, trots zijn nederige afkomst, om zijn geluk of verheffing benijd, want hij scheen beide waardig te zijn.
Eindelijk kwam Aladdin voor het paleis, waar alles tot zijn ontvangst in gereedheid was gebracht. Toen hij voor de tweede poort kwam, wilde hij, der gewoonte getrouw, die zelfs de grootvizier, de krijgsoversten en de opperstadhouder volgden, afstijgen, maar de opperste der deurwachters, die hem op bevel van den sultan daar opwachtte, liet dat niet toe en begeleidde hem tot aan de groote vergader- of audiëntie-zaal waar hij hem hielp afstappen; hoewel Aladdin zich er zeer tegen verzette en het niet hebben wilde, kon hij het echter niet verhinderen. De deurwachters vormden ondertusschen bij den ingang der zaal een dubbele rij. Hun overste ging links van Aladdin en geleidde hem dwars tusschen hen door naar den troon van den sultan.
Toen de sultan Aladdin zag, was hij even zoo verrast door zijn rijke en prachtige kleeding,zooals hij ze zelf nimmer gedragen had, als in ’t bijzonder door zijn edel voorkomen, zijn heerlijke gestalte en zijn waardige houding, welke hij des te minder verwacht had, daar zij van de nederige kleedij zijner moeder hemelsbreed verschilde. Zijn verwondering en verrassing hinderden hem intusschen niet, op te staan en twee of drie treden van den troon af te dalen, opdat Aladdin zich niet aan zijn voeten werpen maar hij hem vriendschappelijk omarmen kon. Na deze hoffelijkheid wilde Aladdin zich toch voor hem nederwerpen, maar de sultan hield hem met eigen hand terug en dwong hem, den troon op te klimmen en tusschen hem en den grootvizier plaats te nemen.
Hierop nam Aladdin het woord en sprak: “Heer, ik neem de eer, welke gij mij betoont, aan, wijl gij zoo genadig zijt, haar mij te bewijzen; veroorloof mij echter, u te zeggen, dat ik niet vergeten heb, hoe ik uw geboren slaaf ben, dat ik de grootte uwer macht ken en wel weet, hoe diep mijn afkomst mij plaatst onder den glans en de heerlijkheid van den hoogen rang, waarin gij staat. Wanneer ik door ’t een of ander een gunstige ontvangst verdiend mocht hebben, dan beken ik, dat ik dit alleen aan de door een bloot toeval veroorzaakte koenheid te danken heb, welke mij bewoog, mijn oogen, gedachten en wenschen op te heffen tot de verheven prinses, die het voorwerp van mijn vurigst verlangen is. Ik smeek u om deze vermetelheid om vergiffenis, groote koning, maar ik kan niet verzwijgen, dat ik van verdriet sterven zou, wanneer ik de hoop moest opgeven, mijn wensch vervuld te zien.”
“Mijn zoon”, antwoordde de sultan, terwijl hij hem nogmaals omarmde, “gij zoudt mij onrechtdoen, wanneer ge ook maar één oogenblik aan de oprechtheid van mijn belofte twijfelen wildet. Je leven is mij voortaan te dierbaar, dan dat ik het niet door aanwending van het heilmiddel, waarover ik beschikken kan, zou pogen te behouden. Ik stel het genoegen je te zien en te hooren, boven al mijne en uwe schatten.”
Bij deze woorden gaf de sultan een teeken, en weldra dreunde de lucht van het geschal der hobo’s en pauken; tegelijkertijd voerde de sultan Aladdin naar een prachtvolle zaal, waar een heerlijk feestmaal opgedragen werd. De sultan at geheel alleen met Aladdin. De grootvizier en de voorname heeren van het hof stonden hun, ieder naar zijn rang en waardigheid, tijdens het maal ter zijde. De sultan, die zijn oogen voortdurend op Aladdin gevestigd hield—want het deed hem buitengewoon veel genoegen, hem aan te zien—bracht het gesprek op verschillende onderwerpen. Daarbij sprak Aladdin, over welk onderwerp het gesprek ook liep, steeds met zooveel kennis en verstand, dat hij den sultan volkomen in de goede meening versterkte, welke deze reeds bij den aanvang van hem gekregen had.
Na den maaltijd liet de sultan den oppersten rechter van zijn hoofdstad roepen, en beval hem op staanden voet het huwelijkskontrakt tusschen prinses Bedroelboedoer, zijn dochter, en Aladdin te ontwerpen en op te schrijven. Gedurende dien tijd onderhield de sultan zich met Aladdin over allerlei onverschillige dingen in tegenwoordigheid des grootviziers en van de groote heeren van het hof, die het scherpe verstand, de groote gemakkelijkheid om zich uit te drukken en de fijne en zinrijke opmerkingen, waarmede dejongeling het gesprek kruidde, niet genoeg konden bewonderen.
Toen de rechter het kontrakt met alle noodige formaliteiten voltooid had, vroeg de sultan aan Aladdin, of hij in het paleis blijven en de bruiloft nog heden vieren wilde. “Heer”, antwoordde Aladdin, “hoe ik ook brand van verlangen, uwe genade en goedheid in haar ganschen omvang te genieten, verzoek ik u toch mij zoolang tijd te laten, tot ik een paleis heb kunnen laten bouwen, om de prinses overeenkomstig haar rang en waardigheid te mogen ontvangen. Daarom verzoek ik u om een plaats vóór het uwe, opdat ik dichtbij ben om u mijn opwachting te kunnen maken. Ik zal niets verzuimen om ervoor te zorgen, dat het in den kortstmogelijken tijd voltooid worde.” “Mijn zoon”, zei de sultan, “kies u elke plaats uit, die u geschikt voorkomt; voor mijn paleis is ruimte genoeg, en ikzelf heb er reeds aan gedacht, die te laten bebouwen; maar bedenk wel, dat ik hoe eer hoe liever mijn dochter gehuwd wensch te zien, om de maat mijner vreugde vol te meten.” Bij deze woorden omhelsde hij Aladdin nogmaals, en deze nam afscheid van den sultan met zulk een zwier, alsof hij van jongsaf aan het hof verkeerd had en daar was opgevoed.
Aladdin steeg nu weder te paard en keerde met denzelfden stoet, waarmede hij gekomen was, en door dezelfde menigte en onder het bijvalgeroep der massa’s, die hem alle mogelijke heil en zegen wenschten, naar huis terug. Nauwelijks was hij afgestegen, of hij nam de lamp en riep den geest als naar gewoonte. Deze liet niet lang op zich wachten maar verscheen dadelijk en bood zijn diensten aan. “Geest”,sprak Aladdin, “ik heb alle reden je stiptheid te roemen; je hebt alle bevelen, die ik je in naam dezer lamp, je meesteres, gegeven heb, stipt volbracht. Heden echter gaat het er om, of je uit liefde tot haar zoo mogelijk nog meer ijver en gehoorzaamheid aan den dag zult leggen, dan tot nu toe. Ik verlang namelijk dat je in den kortst mogelijken tijd tegenover het paleis van den sultan, maar toch op een behoorlijken afstand daarvan, een paleis zult bouwen, dat waardig is, prinses Bedroelboedoer, mijn gemalin, te herbergen. De keus der bouwstoffen, namelijk porfier of jaspis, agaath of lazuursteen, of ook het allerfijnste bontgestreepte marmer, zoowel als de overige inrichting van den bouw, laat ik geheel aan je over; evenwel verwacht ik dat je mij boven-in een groote zaal met een koepel en vier gelijke zijden bouwt, waarvan de wanden afwisselend van echt goud en zilver moeten zijn vervaardigd; vier en twintig vensters moeten er in zijn, zes aan elken kant, waarvan het traliewerk, uitgezonderd een enkel, dat onvoltooid moet blijven, kunstvol en zonder overlading met diamanten, robijnen en smaragden versierd moet zijn, zooals iets dergelijks nog niet op de wereld gezien is. Verder moeten zich bij het paleis een voorhof, een binnenplein en een tuin bevinden; vóór alle dingen echter moet ik op een plaats die ge mij zult aanwijzen, een schat vinden van gemunt goud en zilver, en bovendien moeten er verschillende keukens, voorraadkamers, magazijnen en bergkamers zijn vol kostbaar gerei voor elk jaargetijde, die volkomen overeenstemmen met de overige pracht van het paleis; dan nog stallen vol met de schoonste paarden, eneen behoorlijk aantal stalmeesters en stalknechten. Ook het jachtgerei moet ge niet vergeten, en het spreekt vanzelf dat je ook voor een toereikend aantal bedienden voor de keuken en de overige huishouding, zoowel als voor een behoorlijk aantal slavinnen ten dienste der prinses, hebt te zorgen. Je zult me begrepen hebben wat mijn wensch is; ga, en kom terug als je alles hebt gereed gebracht.”