Chapter 6

Paleis van Aladdin.De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. “Heer”, sprak hij, “uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden zijt.” Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond hij rijkdom, schoonheid en pracht;daarbij nog bedienden en slaven, allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen, die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen, en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten, die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen, lagen opgehoopt.Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal tot zaal en in ’t bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen, zei hij tot den geest:“Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben, opdat zijdaarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan komt.”—“Ik kom in een oogwenk terug”, sprak de geest en verdween. Een poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld, zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort van des sultans paleis geopend werd.De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar nu Aladdin’s prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad, waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht; maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier, die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde, was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. “Vizier”, antwoordde de sultan, “waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je weet zoo goed als ik, dat het ’t paleis is, dat Aladdin naar ik hem in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter, heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan doen.Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder doorloopt, als je van tooverij spreekt.” Intusschen werd het tijd ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op, om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam, onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat zij kwam om de eer te hebben de prinses ’s avonds naar haar paleis te begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen dag aan den sultan had voorgesteld.Aladdin in het paleis van de sultan.Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin’s moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, enin een oogenblik weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten, draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering, daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis aanschouwden,waar zij daags te voren noch den grond hadden zien leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin’s moeder werd in het paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag, ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met de schoonste juweelen van Aladdin’s geschenk sierden, deed zij voor Aladdins’ moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan, die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin’s moeder had reeds meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken, dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien, was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken, maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin’s moeder en achter haar honderd slavinnen in de prachtigstekleeding. Verschillende muziekkorpsen, die van de aankomst van Aladdin’s moeder onafgebroken tot nu toe gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan, die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen, verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht op de heerlijkste manier verhielp.In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin’s paleis hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk, vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele stad en nog wijd in den omtrek.Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin’s moeder had haar reeds haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was, aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo mooi, dat zij geheel betooverd werd.“Dierbare prinses”, zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad en haar vol eerbied begroette, “mocht ik het ongeluk hebben, u doormijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer bevalligheid, maar niet aan mij.”—“Prins”, antwoordde de prinses, “—want als zoodanig verschijnt gij voor mij—ik gehoorzaam den wil mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben.” Aladdin was ten hoogste verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd, zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: “Prins, tot nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn, dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt mij, dat ik mij vergist heb.”—“Prinses”, antwoordde Aladdin, terwijl hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, “ik neem deze beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel, wat ik ervan te denken heb.”Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moederzetten zich nu aan tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan, nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor uitgezocht had.Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin met prinses Bedroelboedoer.Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte,kwamen zijn kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen, achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal; hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval het ochtendmaal op te dragen. “Heer”, sprak Aladdin, “ik smeek u, mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken.” De sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij de versieringen daarvan, en in ’t bijzonder de met de grootste en heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk staan bleef. Eindelijksprak hij tot den grootvizier, die naast hem stond: “Is ’t mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe niets geweten heb?” “Mijn heer en vorst”, antwoordde de grootvizier, “gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe, een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel voltooid was.”“Dat herinner ik mij heel goed”, antwoordde de sultan, “maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen.”De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. “Vizier”, sprak hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te wijken, “ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op deze plaats onvoltooid is gebleven.” “Heer”, antwoordde de grootvizier, “Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd, dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden.”Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven, trad intusschen weer binnen. “Mijn zoon”, sprak de sultan, “dit is de bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd, of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad, aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “het tralievenster is om geheel andere reden zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd, en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen, opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan.”—“Als gij het met dit doel gedaan hebt”, antwoordde de sultan, “dan ben ik u daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen geven”. Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed, met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal met de prinses, zijn dochter, metAladdin en met den grootvizier. De overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend, die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen, schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide zien. “Ik heb u laten komen”, zei hij, “opdat gij dit venster zoudt voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn.”De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. “Heer, wij zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen; maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten,als voor een zoo omvangrijken arbeid noodig zijn.”—“Ik heb er zelf eenige”, zei de sultan, “en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis, dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt.”Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in ’t bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het venster klaar.Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten terug te geven.Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen de geest. “Geest”, sprak Aladdin, “ik had bevolen, een der vier en twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan de overige gelijk zoudt maken.” De geestverdween en Aladdin ging uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en zei uit aller naam tot hem: “Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen, dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des grootviziers edelgesteenten terug te brengen.” De sultan vroeg of Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.De sultan liet Aladdin niet den tijd, zich te beklagen dat hij hem zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: “Mijn zoon, ik kom zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal, als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten.”Aladdin verborg den waren grond, namelijkdat de sultan niet rijk genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien, antwoordde: “Heer, ’t is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien, maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt.”De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden, maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had, dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden, in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem tusschen de oogen en op het voorhoofd. “Mijn zoon”, zei hij vol verwondering tot hem, “wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen, des te meer bewonder ik u.”Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan en antwoordde: “Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken.”De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder Aladdin’s begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hijmet eigen oogen aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin’s paleis een werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens herhalen, maar de sultan zei: “Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld, maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog steeds niet vergeten zijt.”De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer vanwaar hij Aladdin’s paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer, dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen, en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis, ofhij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had laten uitreiken.Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer dan bij Aladdin’s hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid de liefde van het geheele volk verworven had, en in ’t algemeen meer bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat, die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht, hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met zulk een ijver in ’t veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd, toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa, legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in ’t oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij, dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen was, of het bloed steeg hem in ’t gezicht. Vol woede sprak hij bij zichzelven: “Die ellendigekleermakerszoon heeft aldus het geheim en de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog langer zijn geluk laat.” Hij had zijn besluit spoedig genomen, besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad, van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht, bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.Afrikaansche toovenaar.Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stadwandelde, trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten, en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte hem dien over.Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men van Aladdin’s paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had, trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis was, waarover men met zooveel roem sprak. “Vanwaar komt gij, mijn vriend?” vroeg hem de aangesprokene. “Gij zijt zeker pas sinds kort hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken.” Men noemde Aladdin namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. “Ik zeg niet”, ging de man voort, “dat het een der wonderen van de wereld is, maar ik beweer veel eer, dat het ’t eenige wonderwerk op de wereld is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb.”—“Vergeef mij mijn onwetendheid”, sprak de Afrikaansche toovenaar, “ik ben gisteren hier aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij was doorgedrongen, toen ik afreisde.Daar ik wegens een dringende zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden, of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders, dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben, mij den weg te wijzen.”De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem met alle genoegen den weg naar Aladdin’s paleis, en de Afrikaansche toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin’s machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp, wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug, waar hij was afgestegen.Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was, haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten, dat de lamp in Aladdin’s paleis was, en was hij buiten zichzelven van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. “Ik moet haar in mijn bezit krijgen, die lamp”, sprak hij, “en ’t zal mij benieuwen, of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen.”Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar kwam dit op de volgende wijze te weten.Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had, waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin’s paleis gezien had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had, wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: “Mijn nieuwsgierigheid strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb.”—“Dat zal niet moeilijk wezen,” antwoordde de eigenaar van de herberg, “want zoolang hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid; maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die acht dagen duren zal.”Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van den man en zei tot zichzelf: “Het oogenblik is gunstig, ik mag het niet laten voorbijgaan.” Hierop ging hij den winkel van een koopman in lampen binnen, enzei tot hem: “Meester, ik wilde twaalf koperen lampen hebben; kunt ge mij die leveren?” De lampenkoopman antwoordde, dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur, dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin’s paleis en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: “wie wil oude lampen tegen nieuwe ruilen?” Toen de kleine kinderen die op het plein speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. “Bij dezen man”, zeiden zij, “moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden.” De Afrikaansche toovenaar liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn waar aan te bieden en luid te roepen. “Wie wil oude lampen tegen nieuwe verruilen?” Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer, die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen,die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd, niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden om te zien wat al dat leven beduidde.De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.“Nu, dwaze meid”, zei ze eindelijk, “zou je me niet zeggen, waarom je zoo lacht?”—“Meesteres”, antwoordde de slavin, steeds lachende, “hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie, gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen, dat hij bijna niet voort kan komen.”Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: “Daar er van oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven, zonder iets toe te verlangen.”De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden, noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid opgemerkt. Behalveals hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd, worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.Afrikaansche toovenaar ruilt wonderlamp.Prinses Bedroelboedoer, die van de grootewaarde der lamp niets afwist, en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet, en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden, haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: “Geef mij eene nieuwe voor deze lamp hier.”De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp, die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin’s paleis van goud en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret over de domheid van den toovenaar.De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder zich langer in de nabijheid van Aladdin’s paleis op te houden, maakte hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten, d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had, ontsnapte hij door eenweinig bezochte straat, en daar hij nu noch de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij eenige levensmiddelen inkocht.Afrikaansche toovenaar.Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter, want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had, rijkelijk schadeloos gesteld.De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot één uur ’s nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar.Op dit bevel verscheen de geest dadelijk. “Wat wilt gij?” vroeg hij; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp.”—“Ik beveel u”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “dat gij oogenblikkelijk het paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst.” Zonder iets te antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin’s paleis te aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek, waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder, de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had, maar het thans niet meerte zien was; want het was hem onmogelijk te begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin, dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven, met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos verdwenen zou zijn. “Ik kan mij niet vergissen”, zei hij tot zich zelf, “het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men daar toch een spoor van kunnen zien.” Het ging zijn verstand te boven, te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten, terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd werd, zoodat hij niet wist wat te doen.De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat Aladdin’s paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachtershaddenhet niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: “Heer, de haast waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden.”—“Ja”, antwoordde de sultan, “er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd,dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin’s paleis?”—“Aladdin’s paleis?” hernam de grootvizier zeer verbaasd, “ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet licht van plaats.”—“Kijk eens naar buiten”, antwoordde de sultan, “en zeg mij dan, of gij het gezien hebt.”De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin’s paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. “Nu, hebt gij Aladdin’s paleis gezien?” vroeg deze.—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “gij herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis, welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen, slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen acht op slaan.”De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn, als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. “Waar is hij”, riep hij, “die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “hij heeft voor eenige dagen afscheid van u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is, want hij alleen kan het weten.”—“Dat zou veel te mild voor hem zijn”, antwoordde de sultan: “Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat zij hem in ketenen voor mij voeren.” De grootvizier bracht den ruiters het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad,op weg naar huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om hem dit te melden en naar huis te begeleiden.Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en zei: “Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven.”Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch een zijner ruiters er iets van wisten.Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei: “Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans, noch tegenover den staat.” Men wierp hem dadelijk een dikken en langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam, zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder,Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand, werd hij de stad binnengeleid.Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen, en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten, tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden, om het volk terug te houden.Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien hij om den hals droeg af,spreidde terstond een leeren huid, die met het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard, beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen, terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om Aladdin het hoofd af te slaan.Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf: “Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen hebben.”—“Mijn paleis bestormd!” hernam de sultan, “wie durft zoo iets onderstaan?”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “werp slechts een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen.”Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in de scheede te steken, Aladdin’s blinddoek af te nemen en hem vrij te laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er gebeurde, gaven zij hunvoornemen op. Zij daalden snel af, ten hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden, het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn, het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe: “Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is.”—“Wat die is, schurk!” hernam de sultan; “weet gij het nog niet? Kom hierheen, dan zal ik ze je toonen.”Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. “Volg mij”, sprak deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem: “Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle zijden en zeg mij wat ervan geworden is.”Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den sultan met geen enkel woord kon antwoorden.De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: “Zeg mij toch, waar het paleis en mijn dochter zijn?” Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgenen zeide: “Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb.”“Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen”, antwoordde de sultan. “Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik bid u, geef mij veertig dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen mee moogt handelen.”—“Ik geef u die veertig dagen”, antwoordde de sultan; “maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade, en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden.”Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost inte spreken, of hem hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in ’t bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten, maar overigens kwam hij tot geen besluit.Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had, verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij door vertwijfeling overmand. “Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?” zei hij tot zich zelven. “In welke provincie, welk land, welk werelddeel zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter, ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden, en aande bittere smart die aan mijn hart knaagt.” Reeds had hij het besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden, dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield, en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar hem had ingesloten. “Wat wilt gij?” vroeg de geest; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring.”Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning aangenaam verrast was, antwoordde: “Geest, red mij ten tweeden male het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen, of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde teruggebracht.”—“Wat gij hier verlangt”, antwoordde de geest, “staat niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u daarvoor tot denslaaf van de lamp.”—“Als dat zoo is,” zei Aladdin, “dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij onder de vensters van prinses Bedroelboedoer.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad, stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had, overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van den berg in.Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom, waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke vreugde, dat hij nuweer de hoop kon voeden, er heer en meester van te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na, waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar, zijn vijand, herinnerd.Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was, sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was; zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was, zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. Deprinses, die deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich afspiegelde. “Om geen tijd te verliezen”, zei de prinses tot hem, “heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom hier.” Na deze woorden sloot zij het venster weder.

Paleis van Aladdin.De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. “Heer”, sprak hij, “uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden zijt.” Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond hij rijkdom, schoonheid en pracht;daarbij nog bedienden en slaven, allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen, die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen, en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten, die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen, lagen opgehoopt.Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal tot zaal en in ’t bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen, zei hij tot den geest:“Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben, opdat zijdaarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan komt.”—“Ik kom in een oogwenk terug”, sprak de geest en verdween. Een poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld, zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort van des sultans paleis geopend werd.De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar nu Aladdin’s prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad, waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht; maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier, die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde, was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. “Vizier”, antwoordde de sultan, “waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je weet zoo goed als ik, dat het ’t paleis is, dat Aladdin naar ik hem in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter, heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan doen.Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder doorloopt, als je van tooverij spreekt.” Intusschen werd het tijd ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op, om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam, onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat zij kwam om de eer te hebben de prinses ’s avonds naar haar paleis te begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen dag aan den sultan had voorgesteld.Aladdin in het paleis van de sultan.Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin’s moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, enin een oogenblik weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten, draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering, daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis aanschouwden,waar zij daags te voren noch den grond hadden zien leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin’s moeder werd in het paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag, ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met de schoonste juweelen van Aladdin’s geschenk sierden, deed zij voor Aladdins’ moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan, die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin’s moeder had reeds meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken, dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien, was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken, maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin’s moeder en achter haar honderd slavinnen in de prachtigstekleeding. Verschillende muziekkorpsen, die van de aankomst van Aladdin’s moeder onafgebroken tot nu toe gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan, die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen, verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht op de heerlijkste manier verhielp.In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin’s paleis hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk, vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele stad en nog wijd in den omtrek.Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin’s moeder had haar reeds haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was, aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo mooi, dat zij geheel betooverd werd.“Dierbare prinses”, zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad en haar vol eerbied begroette, “mocht ik het ongeluk hebben, u doormijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer bevalligheid, maar niet aan mij.”—“Prins”, antwoordde de prinses, “—want als zoodanig verschijnt gij voor mij—ik gehoorzaam den wil mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben.” Aladdin was ten hoogste verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd, zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: “Prins, tot nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn, dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt mij, dat ik mij vergist heb.”—“Prinses”, antwoordde Aladdin, terwijl hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, “ik neem deze beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel, wat ik ervan te denken heb.”Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moederzetten zich nu aan tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan, nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor uitgezocht had.Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin met prinses Bedroelboedoer.Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte,kwamen zijn kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen, achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal; hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval het ochtendmaal op te dragen. “Heer”, sprak Aladdin, “ik smeek u, mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken.” De sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij de versieringen daarvan, en in ’t bijzonder de met de grootste en heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk staan bleef. Eindelijksprak hij tot den grootvizier, die naast hem stond: “Is ’t mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe niets geweten heb?” “Mijn heer en vorst”, antwoordde de grootvizier, “gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe, een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel voltooid was.”“Dat herinner ik mij heel goed”, antwoordde de sultan, “maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen.”De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. “Vizier”, sprak hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te wijken, “ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op deze plaats onvoltooid is gebleven.” “Heer”, antwoordde de grootvizier, “Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd, dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden.”Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven, trad intusschen weer binnen. “Mijn zoon”, sprak de sultan, “dit is de bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd, of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad, aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “het tralievenster is om geheel andere reden zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd, en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen, opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan.”—“Als gij het met dit doel gedaan hebt”, antwoordde de sultan, “dan ben ik u daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen geven”. Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed, met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal met de prinses, zijn dochter, metAladdin en met den grootvizier. De overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend, die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen, schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide zien. “Ik heb u laten komen”, zei hij, “opdat gij dit venster zoudt voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn.”De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. “Heer, wij zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen; maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten,als voor een zoo omvangrijken arbeid noodig zijn.”—“Ik heb er zelf eenige”, zei de sultan, “en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis, dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt.”Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in ’t bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het venster klaar.Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten terug te geven.Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen de geest. “Geest”, sprak Aladdin, “ik had bevolen, een der vier en twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan de overige gelijk zoudt maken.” De geestverdween en Aladdin ging uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en zei uit aller naam tot hem: “Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen, dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des grootviziers edelgesteenten terug te brengen.” De sultan vroeg of Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.De sultan liet Aladdin niet den tijd, zich te beklagen dat hij hem zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: “Mijn zoon, ik kom zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal, als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten.”Aladdin verborg den waren grond, namelijkdat de sultan niet rijk genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien, antwoordde: “Heer, ’t is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien, maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt.”De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden, maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had, dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden, in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem tusschen de oogen en op het voorhoofd. “Mijn zoon”, zei hij vol verwondering tot hem, “wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen, des te meer bewonder ik u.”Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan en antwoordde: “Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken.”De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder Aladdin’s begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hijmet eigen oogen aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin’s paleis een werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens herhalen, maar de sultan zei: “Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld, maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog steeds niet vergeten zijt.”De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer vanwaar hij Aladdin’s paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer, dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen, en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis, ofhij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had laten uitreiken.Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer dan bij Aladdin’s hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid de liefde van het geheele volk verworven had, en in ’t algemeen meer bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat, die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht, hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met zulk een ijver in ’t veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd, toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa, legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in ’t oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij, dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen was, of het bloed steeg hem in ’t gezicht. Vol woede sprak hij bij zichzelven: “Die ellendigekleermakerszoon heeft aldus het geheim en de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog langer zijn geluk laat.” Hij had zijn besluit spoedig genomen, besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad, van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht, bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.Afrikaansche toovenaar.Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stadwandelde, trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten, en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte hem dien over.Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men van Aladdin’s paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had, trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis was, waarover men met zooveel roem sprak. “Vanwaar komt gij, mijn vriend?” vroeg hem de aangesprokene. “Gij zijt zeker pas sinds kort hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken.” Men noemde Aladdin namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. “Ik zeg niet”, ging de man voort, “dat het een der wonderen van de wereld is, maar ik beweer veel eer, dat het ’t eenige wonderwerk op de wereld is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb.”—“Vergeef mij mijn onwetendheid”, sprak de Afrikaansche toovenaar, “ik ben gisteren hier aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij was doorgedrongen, toen ik afreisde.Daar ik wegens een dringende zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden, of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders, dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben, mij den weg te wijzen.”De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem met alle genoegen den weg naar Aladdin’s paleis, en de Afrikaansche toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin’s machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp, wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug, waar hij was afgestegen.Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was, haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten, dat de lamp in Aladdin’s paleis was, en was hij buiten zichzelven van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. “Ik moet haar in mijn bezit krijgen, die lamp”, sprak hij, “en ’t zal mij benieuwen, of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen.”Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar kwam dit op de volgende wijze te weten.Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had, waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin’s paleis gezien had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had, wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: “Mijn nieuwsgierigheid strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb.”—“Dat zal niet moeilijk wezen,” antwoordde de eigenaar van de herberg, “want zoolang hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid; maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die acht dagen duren zal.”Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van den man en zei tot zichzelf: “Het oogenblik is gunstig, ik mag het niet laten voorbijgaan.” Hierop ging hij den winkel van een koopman in lampen binnen, enzei tot hem: “Meester, ik wilde twaalf koperen lampen hebben; kunt ge mij die leveren?” De lampenkoopman antwoordde, dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur, dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin’s paleis en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: “wie wil oude lampen tegen nieuwe ruilen?” Toen de kleine kinderen die op het plein speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. “Bij dezen man”, zeiden zij, “moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden.” De Afrikaansche toovenaar liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn waar aan te bieden en luid te roepen. “Wie wil oude lampen tegen nieuwe verruilen?” Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer, die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen,die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd, niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden om te zien wat al dat leven beduidde.De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.“Nu, dwaze meid”, zei ze eindelijk, “zou je me niet zeggen, waarom je zoo lacht?”—“Meesteres”, antwoordde de slavin, steeds lachende, “hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie, gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen, dat hij bijna niet voort kan komen.”Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: “Daar er van oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven, zonder iets toe te verlangen.”De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden, noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid opgemerkt. Behalveals hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd, worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.Afrikaansche toovenaar ruilt wonderlamp.Prinses Bedroelboedoer, die van de grootewaarde der lamp niets afwist, en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet, en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden, haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: “Geef mij eene nieuwe voor deze lamp hier.”De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp, die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin’s paleis van goud en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret over de domheid van den toovenaar.De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder zich langer in de nabijheid van Aladdin’s paleis op te houden, maakte hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten, d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had, ontsnapte hij door eenweinig bezochte straat, en daar hij nu noch de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij eenige levensmiddelen inkocht.Afrikaansche toovenaar.Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter, want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had, rijkelijk schadeloos gesteld.De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot één uur ’s nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar.Op dit bevel verscheen de geest dadelijk. “Wat wilt gij?” vroeg hij; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp.”—“Ik beveel u”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “dat gij oogenblikkelijk het paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst.” Zonder iets te antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin’s paleis te aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek, waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder, de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had, maar het thans niet meerte zien was; want het was hem onmogelijk te begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin, dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven, met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos verdwenen zou zijn. “Ik kan mij niet vergissen”, zei hij tot zich zelf, “het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men daar toch een spoor van kunnen zien.” Het ging zijn verstand te boven, te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten, terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd werd, zoodat hij niet wist wat te doen.De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat Aladdin’s paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachtershaddenhet niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: “Heer, de haast waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden.”—“Ja”, antwoordde de sultan, “er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd,dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin’s paleis?”—“Aladdin’s paleis?” hernam de grootvizier zeer verbaasd, “ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet licht van plaats.”—“Kijk eens naar buiten”, antwoordde de sultan, “en zeg mij dan, of gij het gezien hebt.”De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin’s paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. “Nu, hebt gij Aladdin’s paleis gezien?” vroeg deze.—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “gij herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis, welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen, slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen acht op slaan.”De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn, als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. “Waar is hij”, riep hij, “die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “hij heeft voor eenige dagen afscheid van u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is, want hij alleen kan het weten.”—“Dat zou veel te mild voor hem zijn”, antwoordde de sultan: “Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat zij hem in ketenen voor mij voeren.” De grootvizier bracht den ruiters het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad,op weg naar huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om hem dit te melden en naar huis te begeleiden.Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en zei: “Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven.”Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch een zijner ruiters er iets van wisten.Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei: “Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans, noch tegenover den staat.” Men wierp hem dadelijk een dikken en langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam, zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder,Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand, werd hij de stad binnengeleid.Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen, en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten, tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden, om het volk terug te houden.Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien hij om den hals droeg af,spreidde terstond een leeren huid, die met het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard, beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen, terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om Aladdin het hoofd af te slaan.Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf: “Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen hebben.”—“Mijn paleis bestormd!” hernam de sultan, “wie durft zoo iets onderstaan?”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “werp slechts een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen.”Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in de scheede te steken, Aladdin’s blinddoek af te nemen en hem vrij te laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er gebeurde, gaven zij hunvoornemen op. Zij daalden snel af, ten hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden, het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn, het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe: “Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is.”—“Wat die is, schurk!” hernam de sultan; “weet gij het nog niet? Kom hierheen, dan zal ik ze je toonen.”Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. “Volg mij”, sprak deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem: “Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle zijden en zeg mij wat ervan geworden is.”Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den sultan met geen enkel woord kon antwoorden.De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: “Zeg mij toch, waar het paleis en mijn dochter zijn?” Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgenen zeide: “Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb.”“Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen”, antwoordde de sultan. “Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik bid u, geef mij veertig dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen mee moogt handelen.”—“Ik geef u die veertig dagen”, antwoordde de sultan; “maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade, en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden.”Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost inte spreken, of hem hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in ’t bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten, maar overigens kwam hij tot geen besluit.Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had, verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij door vertwijfeling overmand. “Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?” zei hij tot zich zelven. “In welke provincie, welk land, welk werelddeel zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter, ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden, en aande bittere smart die aan mijn hart knaagt.” Reeds had hij het besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden, dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield, en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar hem had ingesloten. “Wat wilt gij?” vroeg de geest; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring.”Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning aangenaam verrast was, antwoordde: “Geest, red mij ten tweeden male het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen, of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde teruggebracht.”—“Wat gij hier verlangt”, antwoordde de geest, “staat niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u daarvoor tot denslaaf van de lamp.”—“Als dat zoo is,” zei Aladdin, “dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij onder de vensters van prinses Bedroelboedoer.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad, stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had, overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van den berg in.Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom, waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke vreugde, dat hij nuweer de hoop kon voeden, er heer en meester van te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na, waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar, zijn vijand, herinnerd.Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was, sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was; zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was, zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. Deprinses, die deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich afspiegelde. “Om geen tijd te verliezen”, zei de prinses tot hem, “heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom hier.” Na deze woorden sloot zij het venster weder.

Paleis van Aladdin.De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. “Heer”, sprak hij, “uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden zijt.” Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond hij rijkdom, schoonheid en pracht;daarbij nog bedienden en slaven, allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen, die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen, en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten, die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen, lagen opgehoopt.Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal tot zaal en in ’t bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen, zei hij tot den geest:“Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben, opdat zijdaarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan komt.”—“Ik kom in een oogwenk terug”, sprak de geest en verdween. Een poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld, zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort van des sultans paleis geopend werd.De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar nu Aladdin’s prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad, waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht; maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier, die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde, was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. “Vizier”, antwoordde de sultan, “waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je weet zoo goed als ik, dat het ’t paleis is, dat Aladdin naar ik hem in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter, heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan doen.Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder doorloopt, als je van tooverij spreekt.” Intusschen werd het tijd ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op, om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam, onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat zij kwam om de eer te hebben de prinses ’s avonds naar haar paleis te begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen dag aan den sultan had voorgesteld.Aladdin in het paleis van de sultan.Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin’s moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, enin een oogenblik weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten, draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering, daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis aanschouwden,waar zij daags te voren noch den grond hadden zien leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin’s moeder werd in het paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag, ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met de schoonste juweelen van Aladdin’s geschenk sierden, deed zij voor Aladdins’ moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan, die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin’s moeder had reeds meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken, dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien, was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken, maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin’s moeder en achter haar honderd slavinnen in de prachtigstekleeding. Verschillende muziekkorpsen, die van de aankomst van Aladdin’s moeder onafgebroken tot nu toe gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan, die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen, verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht op de heerlijkste manier verhielp.In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin’s paleis hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk, vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele stad en nog wijd in den omtrek.Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin’s moeder had haar reeds haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was, aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo mooi, dat zij geheel betooverd werd.“Dierbare prinses”, zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad en haar vol eerbied begroette, “mocht ik het ongeluk hebben, u doormijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer bevalligheid, maar niet aan mij.”—“Prins”, antwoordde de prinses, “—want als zoodanig verschijnt gij voor mij—ik gehoorzaam den wil mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben.” Aladdin was ten hoogste verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd, zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: “Prins, tot nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn, dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt mij, dat ik mij vergist heb.”—“Prinses”, antwoordde Aladdin, terwijl hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, “ik neem deze beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel, wat ik ervan te denken heb.”Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moederzetten zich nu aan tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan, nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor uitgezocht had.Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin met prinses Bedroelboedoer.Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte,kwamen zijn kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen, achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal; hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval het ochtendmaal op te dragen. “Heer”, sprak Aladdin, “ik smeek u, mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken.” De sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij de versieringen daarvan, en in ’t bijzonder de met de grootste en heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk staan bleef. Eindelijksprak hij tot den grootvizier, die naast hem stond: “Is ’t mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe niets geweten heb?” “Mijn heer en vorst”, antwoordde de grootvizier, “gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe, een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel voltooid was.”“Dat herinner ik mij heel goed”, antwoordde de sultan, “maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen.”De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. “Vizier”, sprak hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te wijken, “ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op deze plaats onvoltooid is gebleven.” “Heer”, antwoordde de grootvizier, “Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd, dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden.”Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven, trad intusschen weer binnen. “Mijn zoon”, sprak de sultan, “dit is de bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd, of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad, aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “het tralievenster is om geheel andere reden zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd, en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen, opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan.”—“Als gij het met dit doel gedaan hebt”, antwoordde de sultan, “dan ben ik u daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen geven”. Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed, met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal met de prinses, zijn dochter, metAladdin en met den grootvizier. De overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend, die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen, schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide zien. “Ik heb u laten komen”, zei hij, “opdat gij dit venster zoudt voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn.”De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. “Heer, wij zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen; maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten,als voor een zoo omvangrijken arbeid noodig zijn.”—“Ik heb er zelf eenige”, zei de sultan, “en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis, dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt.”Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in ’t bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het venster klaar.Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten terug te geven.Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen de geest. “Geest”, sprak Aladdin, “ik had bevolen, een der vier en twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan de overige gelijk zoudt maken.” De geestverdween en Aladdin ging uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en zei uit aller naam tot hem: “Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen, dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des grootviziers edelgesteenten terug te brengen.” De sultan vroeg of Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.De sultan liet Aladdin niet den tijd, zich te beklagen dat hij hem zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: “Mijn zoon, ik kom zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal, als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten.”Aladdin verborg den waren grond, namelijkdat de sultan niet rijk genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien, antwoordde: “Heer, ’t is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien, maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt.”De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden, maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had, dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden, in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem tusschen de oogen en op het voorhoofd. “Mijn zoon”, zei hij vol verwondering tot hem, “wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen, des te meer bewonder ik u.”Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan en antwoordde: “Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken.”De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder Aladdin’s begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hijmet eigen oogen aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin’s paleis een werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens herhalen, maar de sultan zei: “Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld, maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog steeds niet vergeten zijt.”De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer vanwaar hij Aladdin’s paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer, dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen, en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis, ofhij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had laten uitreiken.Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer dan bij Aladdin’s hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid de liefde van het geheele volk verworven had, en in ’t algemeen meer bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat, die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht, hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met zulk een ijver in ’t veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd, toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa, legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in ’t oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij, dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen was, of het bloed steeg hem in ’t gezicht. Vol woede sprak hij bij zichzelven: “Die ellendigekleermakerszoon heeft aldus het geheim en de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog langer zijn geluk laat.” Hij had zijn besluit spoedig genomen, besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad, van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht, bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.Afrikaansche toovenaar.Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stadwandelde, trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten, en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte hem dien over.Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men van Aladdin’s paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had, trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis was, waarover men met zooveel roem sprak. “Vanwaar komt gij, mijn vriend?” vroeg hem de aangesprokene. “Gij zijt zeker pas sinds kort hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken.” Men noemde Aladdin namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. “Ik zeg niet”, ging de man voort, “dat het een der wonderen van de wereld is, maar ik beweer veel eer, dat het ’t eenige wonderwerk op de wereld is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb.”—“Vergeef mij mijn onwetendheid”, sprak de Afrikaansche toovenaar, “ik ben gisteren hier aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij was doorgedrongen, toen ik afreisde.Daar ik wegens een dringende zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden, of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders, dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben, mij den weg te wijzen.”De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem met alle genoegen den weg naar Aladdin’s paleis, en de Afrikaansche toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin’s machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp, wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug, waar hij was afgestegen.Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was, haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten, dat de lamp in Aladdin’s paleis was, en was hij buiten zichzelven van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. “Ik moet haar in mijn bezit krijgen, die lamp”, sprak hij, “en ’t zal mij benieuwen, of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen.”Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar kwam dit op de volgende wijze te weten.Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had, waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin’s paleis gezien had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had, wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: “Mijn nieuwsgierigheid strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb.”—“Dat zal niet moeilijk wezen,” antwoordde de eigenaar van de herberg, “want zoolang hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid; maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die acht dagen duren zal.”Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van den man en zei tot zichzelf: “Het oogenblik is gunstig, ik mag het niet laten voorbijgaan.” Hierop ging hij den winkel van een koopman in lampen binnen, enzei tot hem: “Meester, ik wilde twaalf koperen lampen hebben; kunt ge mij die leveren?” De lampenkoopman antwoordde, dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur, dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin’s paleis en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: “wie wil oude lampen tegen nieuwe ruilen?” Toen de kleine kinderen die op het plein speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. “Bij dezen man”, zeiden zij, “moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden.” De Afrikaansche toovenaar liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn waar aan te bieden en luid te roepen. “Wie wil oude lampen tegen nieuwe verruilen?” Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer, die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen,die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd, niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden om te zien wat al dat leven beduidde.De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.“Nu, dwaze meid”, zei ze eindelijk, “zou je me niet zeggen, waarom je zoo lacht?”—“Meesteres”, antwoordde de slavin, steeds lachende, “hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie, gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen, dat hij bijna niet voort kan komen.”Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: “Daar er van oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven, zonder iets toe te verlangen.”De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden, noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid opgemerkt. Behalveals hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd, worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.Afrikaansche toovenaar ruilt wonderlamp.Prinses Bedroelboedoer, die van de grootewaarde der lamp niets afwist, en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet, en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden, haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: “Geef mij eene nieuwe voor deze lamp hier.”De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp, die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin’s paleis van goud en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret over de domheid van den toovenaar.De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder zich langer in de nabijheid van Aladdin’s paleis op te houden, maakte hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten, d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had, ontsnapte hij door eenweinig bezochte straat, en daar hij nu noch de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij eenige levensmiddelen inkocht.Afrikaansche toovenaar.Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter, want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had, rijkelijk schadeloos gesteld.De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot één uur ’s nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar.Op dit bevel verscheen de geest dadelijk. “Wat wilt gij?” vroeg hij; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp.”—“Ik beveel u”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “dat gij oogenblikkelijk het paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst.” Zonder iets te antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin’s paleis te aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek, waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder, de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had, maar het thans niet meerte zien was; want het was hem onmogelijk te begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin, dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven, met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos verdwenen zou zijn. “Ik kan mij niet vergissen”, zei hij tot zich zelf, “het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men daar toch een spoor van kunnen zien.” Het ging zijn verstand te boven, te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten, terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd werd, zoodat hij niet wist wat te doen.De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat Aladdin’s paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachtershaddenhet niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: “Heer, de haast waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden.”—“Ja”, antwoordde de sultan, “er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd,dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin’s paleis?”—“Aladdin’s paleis?” hernam de grootvizier zeer verbaasd, “ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet licht van plaats.”—“Kijk eens naar buiten”, antwoordde de sultan, “en zeg mij dan, of gij het gezien hebt.”De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin’s paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. “Nu, hebt gij Aladdin’s paleis gezien?” vroeg deze.—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “gij herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis, welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen, slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen acht op slaan.”De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn, als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. “Waar is hij”, riep hij, “die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “hij heeft voor eenige dagen afscheid van u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is, want hij alleen kan het weten.”—“Dat zou veel te mild voor hem zijn”, antwoordde de sultan: “Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat zij hem in ketenen voor mij voeren.” De grootvizier bracht den ruiters het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad,op weg naar huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om hem dit te melden en naar huis te begeleiden.Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en zei: “Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven.”Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch een zijner ruiters er iets van wisten.Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei: “Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans, noch tegenover den staat.” Men wierp hem dadelijk een dikken en langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam, zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder,Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand, werd hij de stad binnengeleid.Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen, en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten, tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden, om het volk terug te houden.Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien hij om den hals droeg af,spreidde terstond een leeren huid, die met het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard, beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen, terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om Aladdin het hoofd af te slaan.Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf: “Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen hebben.”—“Mijn paleis bestormd!” hernam de sultan, “wie durft zoo iets onderstaan?”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “werp slechts een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen.”Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in de scheede te steken, Aladdin’s blinddoek af te nemen en hem vrij te laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er gebeurde, gaven zij hunvoornemen op. Zij daalden snel af, ten hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden, het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn, het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe: “Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is.”—“Wat die is, schurk!” hernam de sultan; “weet gij het nog niet? Kom hierheen, dan zal ik ze je toonen.”Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. “Volg mij”, sprak deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem: “Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle zijden en zeg mij wat ervan geworden is.”Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den sultan met geen enkel woord kon antwoorden.De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: “Zeg mij toch, waar het paleis en mijn dochter zijn?” Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgenen zeide: “Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb.”“Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen”, antwoordde de sultan. “Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik bid u, geef mij veertig dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen mee moogt handelen.”—“Ik geef u die veertig dagen”, antwoordde de sultan; “maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade, en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden.”Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost inte spreken, of hem hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in ’t bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten, maar overigens kwam hij tot geen besluit.Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had, verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij door vertwijfeling overmand. “Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?” zei hij tot zich zelven. “In welke provincie, welk land, welk werelddeel zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter, ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden, en aande bittere smart die aan mijn hart knaagt.” Reeds had hij het besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden, dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield, en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar hem had ingesloten. “Wat wilt gij?” vroeg de geest; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring.”Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning aangenaam verrast was, antwoordde: “Geest, red mij ten tweeden male het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen, of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde teruggebracht.”—“Wat gij hier verlangt”, antwoordde de geest, “staat niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u daarvoor tot denslaaf van de lamp.”—“Als dat zoo is,” zei Aladdin, “dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij onder de vensters van prinses Bedroelboedoer.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad, stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had, overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van den berg in.Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom, waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke vreugde, dat hij nuweer de hoop kon voeden, er heer en meester van te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na, waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar, zijn vijand, herinnerd.Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was, sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was; zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was, zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. Deprinses, die deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich afspiegelde. “Om geen tijd te verliezen”, zei de prinses tot hem, “heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom hier.” Na deze woorden sloot zij het venster weder.

Paleis van Aladdin.

De zon ging juist onder, toen Aladdin den geest wegzond voor den bouw van het paleis, zooals hij het zich had uitgedacht. Den volgenden morgen stond Aladdin, dien de liefde tot de prinses niet rustig slapen liet, in alle vroegte op, en meteen verscheen de geest. “Heer”, sprak hij, “uw paleis is klaar; kom en zie of gij ermee tevreden zijt.” Aladdin vond alles zoo boven verwachting, dat hij zich niet genoeg kon verwonderen. De geest leidde hem overal rond, en overal vond hij rijkdom, schoonheid en pracht;daarbij nog bedienden en slaven, allen overeenkomstig hun rang en staat gekleed. Ook liet hij niet na hem als de hoofdzaak de schatkamer te toonen, waarvan de deur door den schatbewaarder geopend werd, en Aladdin aanschouwde hier heele stapels goudzakken van verschillende grootte, alle naar de sommen, die zij bevatten, tot aan het gewelf opgestapeld, en alles in zulk een volmaakte orde dat zijn hart van vreugde opsprong. Bij het naar buiten treden verzekerde de geest hem dat hij zich op den trouw van den schatmeester geheel kon verlaten. Daarop voerde hij hem in de stallen, en toonde hem de schoonste paarden ter wereld, en stalknechten, die ijverig bezig waren, ze te verplegen en te verzorgen.

Eindelijk ging hij met hem door de voorraadkamers, waarin allerlei voorraden, voornamelijk voeding voor de paarden en versierselen, lagen opgehoopt.

Nadat Aladdin het geheele paleis van boven tot beneden, van zaal tot zaal en in ’t bijzonder de zaal met de vier en twintig vensters in oogenschouw had genomen en daarin meer pracht en rijkdom dan hij ooit had gehoopt, en tevens alle mogelijke gemakken had aangetroffen, zei hij tot den geest:

“Geest, niemand kan meer tevreden zijn dan ik, en het zou onbillijk van mij zijn, als ik mij ook maar in het minst wilde beklagen. Maar iets ontbreekt nog, waarvan ik niets gezegd heb, omdat ik er niet aan dacht. Ik wenschte namelijk van de poort van des sultans paleis tot aan den ingang van de kamer, die in dit paleis voor de prinses bestemd is, een tapijt van het schoonste fluweel gespreid te hebben, opdat zijdaarover kan loopen, als zij uit het paleis van den sultan komt.”—“Ik kom in een oogwenk terug”, sprak de geest en verdween. Een poosje later zag Aladdin met groote verbazing zijn wensch vervuld, zonder dat hij wist hoe het was toegegaan. De geest verscheen nu weer en droeg Aladdin in zijn woning terug, terwijl juist de poort van des sultans paleis geopend werd.

De wachters van het paleis, die de poort openden en naar den kant waar nu Aladdin’s prachtgebouw stond, altijd een vrij uitzicht hadden gehad, waren zeer verrast, toen zij dit uitzicht bebouwd vonden en vandaar tot aan de poort van het paleis huns meesters een fluweelen tapijt zagen liggen. Aanvankelijk konden zij zich niet begrijpen wat dat zijn mocht; maar hun verbazing steeg nog, toen zij heel duidelijk het heerlijke paleis van Aladdin zagen. De tijding van dit groote wonder verspreidde zich als een loopend vuur door het geheele paleis. De grootvizier, die zich dadelijk na de opening der poort in het paleis aanmeldde, was even verrast als alle anderen, en deelde de zaak dadelijk aan den sultan mede, verklaarde haar echter tevens voor tooverij. “Vizier”, antwoordde de sultan, “waarom zou het een werk van tooverij zijn? Je weet zoo goed als ik, dat het ’t paleis is, dat Aladdin naar ik hem in je tegenwoordigheid veroorloofde, voor de prinses, mijn dochter, heeft laten bouwen. Na de proeven die hij ons van zijn rijkdom gegeven heeft is het volstrekt niet zoo bevreemdend, dat hij dit paleis in zoo korten tijd heeft voltooid. Hij heeft ons daarmee willen verrassen en ons willen toonen, dat men met baar geld in één nacht wonderen kan doen.Beken het maar, dat er zoo iets als ijverzucht bij je onder doorloopt, als je van tooverij spreekt.” Intusschen werd het tijd ter Raadsvergadering te gaan, en braken zij het gesprek af.

Toen Aladdin in zijn woning was teruggebracht en den geest had weggezonden, vond hij zijn moeder al op en bezig een der gewaden aan te passen die hij voor haar had laten komen. Hij droeg haar nu op, om op den tijd, dat de sultan gewoonlijk uit de Raadsvergadering kwam, onder begeleiding der slavinnen die de geest haar gebracht had, naar het paleis te gaan. Als zij den sultan zag, moest zij hem zeggen, dat zij kwam om de eer te hebben de prinses ’s avonds naar haar paleis te begeleiden. Zij ging, maar hoewel zij zoowel als haar slavinnen als sultanes gekleed waren, was toch de volksmenigte die zich verdrong om te kijken, veel kleiner dan anders, daar zij gesluierd waren en een passend overkleed den rijkdom en de pracht harer kleeren bedekte. Aladdin steeg nu te paard, verliet zijn ouderlijk huis, om er niet weer terug te keeren; hij vergat evenwel de wonderlamp niet die hem zulke heerlijke diensten had bewezen, en trok toen openlijk naar zijn paleis met dezelfde praal, waarmee hij zich den vorigen dag aan den sultan had voorgesteld.

Aladdin in het paleis van de sultan.

Zoodra de poortwachters van het vorstelijk paleis Aladdin’s moeder bemerkten, meldden zij het den sultan. Dadelijk werd aan de trompetters, de pauken- en trommelslagers, de dwarsfluiters en de hoboïsten die reeds op verschillende punten van de terrassen van het paleis waren opgesteld, een teeken gegeven, enin een oogenblik weerklonk er vroolijke muziek die de gansche stad de vreugdetijding meldde. De kooplieden begonnen hun winkels met mooie tapijten, draperieën en groen te versieren, en maakten toebereidselen om de stad te verlichten. De handwerkslieden verlieten hun arbeid en trokken in groote scharen op naar het plein tusschen het paleis des sultans en dat van Aladdin. Dit laatste trok hoofdzakelijk de algemeene bewondering, daar het paleis van den sultan met het nieuwe in geen vergelijking kon komen. Het meest waren zij er echter verbaasd, daar zij niet begrijpen konden, door welk ongehoord wonder zij nu een paleis aanschouwden,waar zij daags te voren noch den grond hadden zien leggen, noch bouwstoffen gezien hadden. Aladdin’s moeder werd in het paleis met veel eer ontvangen en door den opperste der slaven in de kamer van prinses Bedroelboedoer geleid. Zoodra de prinses haar zag, ging zij naar haar toe, omarmde haar, en liet haar op de sofa plaats nemen, en terwijl haar slavinnen haar toilet voltooiden en haar met de schoonste juweelen van Aladdin’s geschenk sierden, deed zij voor Aladdins’ moeder een kostelijk ontbijt gereed zetten. De sultan, die er ook bijkwam om nog zoolang mogelijk met zijn dochter tezamen te kunnen zijn, vóor zij van hem scheidde en het paleis van Aladdin betrok, bewees haar eveneens groote eer. Aladdin’s moeder had reeds meermalen met hem in de raadsvergadering gesproken, maar hij had haar nog nooit, zooals nu, zonder sluier gezien. Hoewel zij reeds een aanzienlijk aantal jaren torste, zag men toch aan haar trekken, dat zij in haar jeugd zeer schoon moest geweest zijn. De sultan, die haar altijd zeer eenvoudig, ja zelfs armoedig gekleed had gezien, was vol bewondering, nu hij haar even rijk en smaakvol gekleed zag als zijn dochter. Hij besloot daaruit dat Aladdin in alle opzichten even ervaren, verstandig en vol doorzicht was.

Toen de nacht aanbrak nam de prinses afscheid van den sultan. Dit afscheid was hoogst teeder en er vloeiden rijkelijk tranen; zij omhelsden elkander verscheidene malen, zonder een woord te spreken, maar eindelijk verliet de prinses haar vertrekken en ving den tocht aan; aan haar linkerzijde ging Aladdin’s moeder en achter haar honderd slavinnen in de prachtigstekleeding. Verschillende muziekkorpsen, die van de aankomst van Aladdin’s moeder onafgebroken tot nu toe gespeeld hadden, vereenigden zich nu en gingen vooruit; daarop volgden honderd trawanten en evenveel zwarte slaven in twee rijen, met hun oppersten aan het hoofd. Vierhonderd jonge edelknapen van den sultan, die in twee rijen met fakkels in de hand aan beide zijden liepen, verspreidden een lichtglans, die in vereeniging met de verlichting der beide paleizen van den sultan en van Aladdin het gebrek aan daglicht op de heerlijkste manier verhielp.

In dezen optocht trad de prinses over het tapijt van het paleis haars vaders tot aan dat van Aladdin en hoe meer zij voorwaarts kwamen, des te meer vermengde en vereenigde zich het spel van haar muziekkorps, met dat wat zich van de terrassen van Aladdin’s paleis hooren liet. En deze muziek, hoe wonderlijk en verward zij ook klonk, vermeerderde evenwel zeer de vreugde, niet alleen op het groote plein dat van menschen wemelde, maar ook in de beide paleizen, in de heele stad en nog wijd in den omtrek.

Eindelijk bereikte de prinses het nieuwe paleis, en Aladdin ijlde met licht begrijpelijke vreugde naar den ingang van het voor hen bestemde vertrek, om haar daar te ontvangen. Aladdin’s moeder had haar reeds haar zoon, die van een schitterenden bediendenstoet omgeven was, aangewezen, en de prinses vond hem reeds bij den eersten aanblik zoo mooi, dat zij geheel betooverd werd.

“Dierbare prinses”, zeide Aladdin tot haar, terwijl hij op haar toetrad en haar vol eerbied begroette, “mocht ik het ongeluk hebben, u doormijn vermetelheid waarmede ik naar het bezit van een zoo beminnelijke prinses, de dochter van mijn sultan, gestreefd heb, te mishagen, dan moet gij de schuld geven aan uwe schoone oogen en aan de macht uwer bevalligheid, maar niet aan mij.”—“Prins”, antwoordde de prinses, “—want als zoodanig verschijnt gij voor mij—ik gehoorzaam den wil mijns vaders, en kan, nadat ik u gezien heb, wel zeggen dat ik hem zonder tegenstreven gaarne gehoorzaam ben.” Aladdin was ten hoogste verblijd met dat vriendelijke en voor hem aangename antwoord en liet de prinses, die zulk een langen weg gegaan was, waaraan zij niet gewend was, niet lang staan, maar vatte hare hand, kuste die teeder en geleidde haar in een groote, door een oneindig aantal waskaarsen verlichte zaal, waar door toedoen van den geest een heerlijk maal was aangericht. De schotels waren van zuiver goud en met kostelijke spijzen gevuld. De vazen, schalen en bekers, waarmee de tafel rijkelijk bezet was, waren eveneens van goud en van uitmuntende bewerking. Ook de overige versieringen en het heele voorkomen van de zaal waren met deze pracht in overeenstemming. De prinses was geheel betooverd, zooveel rijkdommen bij elkaar te zien en sprak tot Aladdin: “Prins, tot nu toe had ik gedacht, dat er niets schooners op de wereld kon zijn, dan het paleis van den sultan; maar alleen reeds deze zaal overtuigt mij, dat ik mij vergist heb.”—“Prinses”, antwoordde Aladdin, terwijl hij haar naar den voor haar bestemden zetel voerde, “ik neem deze beleefdheid aan, zooals ik dat verschuldigd ben, maar ik weet wel, wat ik ervan te denken heb.”

Prinses Bedroelboedoer, Aladdin en zijn moederzetten zich nu aan tafel en dadelijk begon een liefelijke en welluidende muziek, en tevens een gezang van bijzonder schoone meisjes, en dit concert duurde onafgebroken voort tot aan het einde van den maaltijd. De prinses was als betooverd en verzekerde in het paleis haars vaders, den sultan, nooit iets dergelijks gehoord te hebben. Maar zij wist niet dat deze zangeressen feeën waren, die de geest, de slaaf van de lamp, hiervoor uitgezocht had.

Toen de avondmaaltijd geëindigd en alles afgeruimd was, kwam in plaats van het muziekkorps een groep dansers en danseressen. Zij voerden naar de zede van het land allerlei gefigureerde dansen uit en tot slot traden een danser en een danseres op, die met verbazende lichtheid dansten en bovenal veel zwier en behendigheid aan den dag legden.

Het was dicht bij middernacht toen Aladdin opstond, en volgens de toenmaals heerschende mode in China, prinses Bedroelboedoer de hand bood, om met haar te dansen en daarmee de huwelijksfeesten te besluiten. Zij dansten zoo mooi, dat zij de bewondering van het geheele gezelschap wekten. Toen dit voorbij was, hield Aladdin de prinses bij de hand vast en gingen zij tezamen naar het vertrek waar het huwelijksbed gespreid was. De slavinnen der prinses hielpen haar zich van haar huwelijkskleed ontdoen en brachten haar te bed. Aladdins dienaren deden met hem evenzoo en daarna verwijderden zich allen.

Zoo eindigden de feestelijkheden ter eere van het huwelijk van Aladdin met prinses Bedroelboedoer.

Den volgenden morgen, toen Aladdin ontwaakte,kwamen zijn kamerdienaren, om hem te kleeden. Zij trokken hem een ander, maar niet minder rijk en prachtvol kleed aan, dan op den huwelijksdag. Hierop liet hij zich een zijner rijpaarden voorbrengen, besteeg het en begaf zich met een talrijk gevolg van slaven, die voor hem uitgingen, achteraan- of terzijde reden, naar het paleis van den sultan. De sultan ontving hem met dezelfde eerbewijzen als de eerste maal; hij omarmde hem, liet hem naast zich op zijn troon zitten en beval het ochtendmaal op te dragen. “Heer”, sprak Aladdin, “ik smeek u, mij heden deze eer niet aan te doen; ik kom om u te verzoeken, mij de eer te willen bewijzen, met den grootvizier en de edelen van uw hof in het paleis der prinses het middagmaal te komen gebruiken.” De sultan stemde hierin gewillig toe. Hij stond dadelijk op, en daar de weg niet lang was, wilde hij zich te voet er heen begeven. Hij ging dus op weg en aan zijn rechterhand ging Aladdin, aan zijn linker de grootvizier en de grooten van het hof, terwijl vooruit de trawanten gingen en de aanzienlijksten van de vorstelijke huishouding.

Hoe meer de sultan het paleis van Aladdin naderde, des te meer verwonderde hij zich over de schoonheid daarvan. Nog hooger steeg zijn bewondering, toen hij binnengetreden was, en bij elk vertrek dat hij zag, betuigde hij luid zijn verbazing. Toen Aladdin hem echter in de zaal met de vier en twintig vensters leidde, en hij de versieringen daarvan, en in ’t bijzonder de met de grootste en heerlijkste diamanten, robijnen en smaragden getooide tralievensters beschouwde, was hij daarvan zoo verrast, dat hij een poos onbeweeglijk staan bleef. Eindelijksprak hij tot den grootvizier, die naast hem stond: “Is ’t mogelijk vizier, dat in mijn koninkrijk en zoo dicht bij mijn paleis een zoo prachtig gebouw staan kan, waarvan ik tot nu toe niets geweten heb?” “Mijn heer en vorst”, antwoordde de grootvizier, “gij zult u herinneren, dat gij eergisteren Aladdin, toen gij hem als uw schoonzoon aannaamt, verlof gegeven hebt, hier tegenover het uwe, een paleis te bouwen. Toen stond bij zonsondergang geen paleis op deze plaats, en gisteren had ik de eer u te melden, dat het paleis geheel voltooid was.”“Dat herinner ik mij heel goed”, antwoordde de sultan, “maar ik zou nooit geloofd hebben, dat dit paleis zulk een wereldwonder zou worden. Waar ter wereld vindt men bouwwerken, waarvan de wanden inplaats van steen of marmer, van zuiver goud en zilver zijn, en waar de traliën der vensters met diamanten, robijnen en smaragden versierd zijn? Iets dergelijks is op aarde nog niet voorgekomen.”

De sultan bewonderde nu de schoonheid der vier en twintig tralie-vensters. Doch terwijl hij ze telde, vond hij dat slechts drie en twintig zoo rijk versierd waren, en verwonderde hij zich zeer dat men het vier en twintigste onvoltooid had gelaten. “Vizier”, sprak hij, want het was de plicht van den grootvizier niet van zijn zijde te wijken, “ik moet er mij over verbazen, dat een zoo prachtvolle zaal op deze plaats onvoltooid is gebleven.” “Heer”, antwoordde de grootvizier, “Aladdin was ongetwijfeld te zeer gehaast, en hem ontbrak de tijd, dit venster aan de vorige gelijk te laten maken; toch laat het zich denken dat hij de noodige edelgesteenten daartoe bezit, en er zoo spoedig mogelijk aan zal laten arbeiden.”

Aladdin, die den sultan verlaten had, om eenige bevelen te geven, trad intusschen weer binnen. “Mijn zoon”, sprak de sultan, “dit is de bewonderenswaardigste zaal die in de gansche wereld te zien is. Maar over iets moet ik mij toch verwonderen, namelijk dat het tralievenster hier onvoltooid gebleven is. Is dit door vergeetachtigheid gebeurd, of uit nalatigheid, of hebben misschien de werklieden geen tijd gehad, aan dit wonder van bouwkunst de laatste hand te leggen?”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “het tralievenster is om geheel andere reden zoo onvoltooid gebleven, als gij ziet. Het is opzettelijk gebeurd, en op mijn bevel hebben de werklieden het niet aangeroerd. Ik wenschte namelijk, dat gijzelf den roem zoudt hebben, zaal en paleis te voltooien, en nu verzoek ik u mijn wensch genadig te vervullen, opdat ik mij op uwe gunst en genade beroemen kan.”—“Als gij het met dit doel gedaan hebt”, antwoordde de sultan, “dan ben ik u daarvoor dank schuldig, en zal oogenblikkelijk de noodige bevelen geven”. Werkelijk liet hij dadelijk de best gesorteerde juweliers en de bekwaamste goudsmeden uit de hoofdstad roepen.

De sultan verliet intusschen de zaal en Aladdin geleidde hem in die waar hij en prinses Bedroelboedoer op den huwelijksdag het maal gebruikt hadden. De prinses verscheen een oogenblik later en ontving den sultan met een gezicht, waarop duidelijk te lezen stond, dat zij met haar huwelijk zeer wel tevreden was. Twee tafels stonden gereed, met de kostelijkste spijzen bedekt, en het tafelgerei was van louter goud. De sultan zette zich aan de eerste en gebruikte daar het maal met de prinses, zijn dochter, metAladdin en met den grootvizier. De overige aanzienlijken van het hof werden aan den tweeden disch bediend, die zeer lang was. De sultan vond de spijzen buitengewoon smakelijk en bekende, dat hij nog nooit heerlijker gegeten had. Hetzelfde zei hij van den wijn, die inderdaad zeer kostelijk was. Wat hij nog verder bewonderde, waren vier groote aanrechttafels met een menigte flesschen, schalen en bekers, alle van zuiver goud en rijkelijk met edelgesteenten versierd. Ook over de muziek, die in de zaal was opgesteld, was hij zeer goed te spreken, terwijl het geschetter der trompetten, pauken en trommels met behoorlijke tusschenpoozen van buiten weerklonk.

Toen de sultan van tafel was opgestaan, meldde men hem dat de juweliers en goudsmeden, die hij had laten roepen, er waren. Hij ging met hen in de zaal van de vier en twintig vensters en liet hun het onvoltooide zien. “Ik heb u laten komen”, zei hij, “opdat gij dit venster zoudt voleindigen en het net zoo schoon maken, als de andere zijn. Beschouwt deze nauwkeurig en laat geen tijd verloren gaan, met aan den arbeid te beginnen; het moet echter den anderen volkomen gelijk zijn.”

De juweliers en goudsmeden bekeken de drie en twintig andere vensters zeer nauwkeurig en nadat zij met elkander beraadslaagd, en vastgesteld hadden welk deel van den arbeid ieder op zich nemen zou, traden zij weder voor den sultan en nam de hofjuwelier het woord. “Heer, wij zijn bereid, alle moeite en vlijt aan te wenden, om u te gehoorzamen; maar, oprecht gesproken, wij allen, zooals wij hier staan, hebben samen noch zulke kostbare, noch zooveel edelgesteenten,als voor een zoo omvangrijken arbeid noodig zijn.”—“Ik heb er zelf eenige”, zei de sultan, “en zelfs meer dan ik gebruiken zal; komt in mijn paleis, dan zal ik ze u laten zien, opdat gij kiezen kunt.”

Toen de sultan in zijn paleis was teruggekeerd, liet hij al zijn edelgesteenten brengen, en de goudsmeden namen er vele van, en in ’t bijzonder van die, welke Aladdin hem geschonken had. Zij gebruikten ze voor het venster, zonder dat men veel voortgang in hun arbeid kon bespeuren, en kwamen herhaalde malen terug om nieuwe te halen, maar in een maand hadden zij nog niet de helft van het werk af. Eindelijk gebruikten zij alle edelgesteenten van den sultan, die bovendien nog van den grootvizier leende, maar kregen hoogstens de helft van het venster klaar.

Aladdin, die wel zag dat de sultan zich te vergeefs beijverde, dit venster volkomen gelijk aan de andere te laten maken, en dat hij er niet veel eer mee inoogstte, zeide hun niet alleen met hun arbeid op te houden, maar ook wat zij tot dusverre gewrocht hadden weer uit elkaar te nemen, en den sultan en den grootvizier hun edelgesteenten terug te geven.

Zoo werd dan het werk, waaraan de juweliers en goudsmeden zes weken lang gearbeid hadden, in enkele uren vernietigd. Zij verwijderden zich en Aladdin bleef alleen in de zaal achter. Hij haalde de lamp te voorschijn, die hij bij zich droeg, wreef haar en dadelijk verscheen de geest. “Geest”, sprak Aladdin, “ik had bevolen, een der vier en twintig tralievensters van de zaal onvoltooid te laten, en gij hebt dit bevel opgevolgd: thans heb ik u laten komen, opdat gij het aan de overige gelijk zoudt maken.” De geestverdween en Aladdin ging uit de zaal. Toen hij een poos daarna weer binnenkwam vond hij het tralievenster af en geheel gelijk aan de anderen.

Intusschen kwamen de juweliers en goudsmeden in het paleis, werden in de audiëntie-zaal gevoerd, en voor den sultan geleid. De eerste juwelier overhandigde hem de edelgesteenten, die zij terugbrachten en zei uit aller naam tot hem: “Beheerscher des aardrijks, gij weet hoe lang wij reeds uit alle macht arbeidden om het werk te volbrengen, dat gij ons hadt opgedragen. Het was al heel ver gevorderd, toen Aladdin ons beval, niet alleen ermee op te houden, maar alles wat wij tot stand hadden gebracht, weder te vernietigen en u uwe en des grootviziers edelgesteenten terug te brengen.” De sultan vroeg of Aladdin hun ook een reden daarvoor had opgegeven, en toen zij dit ontkenden, gaf hij dadelijk bevel een paard voor te brengen. Dit geschiedde; hij besteeg het en reed zonder eenig gevolg dan enkele zijner lieden, die hem te voet begeleidden, weg. Aan het paleis van Aladdin gekomen, steeg hij onder aan den trap af, die naar de zaal met de vier en twintig vensters voerde. Hij trad binnen, zonder Aladdin ervan kennis te geven, maar deze kwam nog juist te rechter tijd om den sultan aan de deur van de zaal te ontvangen.

De sultan liet Aladdin niet den tijd, zich te beklagen dat hij hem zijn aankomst niet had laten weten, en Aladdin zoodoende zijn plicht maar ten halve kon vervullen, maar zeide tot hem: “Mijn zoon, ik kom zelf, om u te vragen, waarom ge zulk een prachtige en zeldzame zaal, als die in uw paleis, onvoltooid wilt laten.”

Aladdin verborg den waren grond, namelijkdat de sultan niet rijk genoeg was, om zulk een aantal edelgesteenten bijeen te brengen. Maar om hem te toonen, hoe ver zijn paleis, zooals het nu was, niet alleen dat van den sultan, maar ieder ander paleis ter wereld overtrof, daar hij niet in staat was, zelfs het kleinste deel ervan te voltooien, antwoordde: “Heer, ’t is waar, gij hebt de zaal onvoltooid gezien, maar ik bid u, zie nog eens en kijk of er iets aan ontbreekt.”

De sultan ging op het venster toe, waarvan het traliewerk onvoltooid was gebleven, en toen hij bemerkte dat het volkomen op de andere vensters geleek als het eene ei op het andere, dacht hij zich vergist te hebben. Hij bekeek niet alleen de twee vensters aan beide zijden, maar ook nog alle andere één voor één en nadat hij zich overtuigd had, dat het traliewerk waaraan zijn goudsmeden zoo lang gewerkt hadden, in zoo korten tijd voltooid was, omarmde hij Aladdin en kuste hem tusschen de oogen en op het voorhoofd. “Mijn zoon”, zei hij vol verwondering tot hem, “wat voor een man zijt gij toch, dat gij zulke verwonderlijke werken tot stand brengt eer men zijn hand omdraait? Gij hebt in de heele wereld uws gelijke niet, en hoe meer ik u leer kennen, des te meer bewonder ik u.”

Aladdin nam de lofspraken van den sultan met veel bescheidenheid aan en antwoordde: “Heer, het is een groote eer voor mij, het welgevallen en de goedkeuring van mijn vorst te verdienen; ook verzeker ik u, dat ik steeds alles zal doen, om mij deze meer en meer waardig te maken.”

De sultan keerde in zijn paleis terug, zooals hij gekomen was, zonder Aladdin’s begeleiding aan te nemen. De grootvizier wachtte hem daar zelf op. Nog vol verbazing over het wonder, dat hijmet eigen oogen aanschouwd had, vertelde de sultan hem alles in bewoordingen, die hem niet aan de waarheid van de zaak lieten twijfelen, maar hem evenwel in zijn oorspronkelijk geloof bevestigden, dat Aladdin’s paleis een werk van tooverij was, wat hij reeds dadelijk, toen het voor zijn oogen stond, tegen den sultan gezegd had. Hij wilde dat nu nog eens herhalen, maar de sultan zei: “Dat hebt ge me reeds eenmaal verteld, maar ik zie wel, dat gij het huwelijk mijner dochter met uw zoon nog steeds niet vergeten zijt.”

De grootvizier zag in, dat de sultan vooringenomen was, en liet het erbij om niet met hem in strijd te geraken. De sultan echter begaf zich regelmatig elken dag zoodra hij was opgestaan, naar een kamer vanwaar hij Aladdin’s paleis kon zien, en ging ook des daags meermalen erheen om het te aanschouwen en te bewonderen.

Aladdin sloot zich intusschen niet in zijn paleis op; hij vertoonde zich opzettelijk meermalen in de week in de stad, terwijl hij nu in deze, dan in die Moskee ging, om zijn gebed te verrichten, of van tijd tot tijd den grootvizier bezoek te brengen, die zich beijverde hem op bepaalde dagen zijn opwachting te maken, of hij bewees somtijds enkelen voornamen lieden van het hof, die hij meermalen in zijn paleis te gast ontving, de eer hen in hun huis te bezoeken. Iederen keer, dat hij uitreed, had hij een talrijk gevolg van slaven om zich heen, en twee hunner moesten op de straten en pleinen, waar hij langs kwam en waar steeds een groote volksmenigte stond, handen vol goudstukken uitstrooien. Geen arme vertoonde zich aan de poort van zijn paleis, ofhij was ten zeerste voldaan over de giften die Aladdin hem had laten uitreiken.

Aladdin had zijn tijd zoo ingedeeld, dat hij iedere week minstens eens op de jacht ging, nu eens in de naaste omgeving van de stad, dan weer verder in den omtrek, en hij toonde zich op de wegen en in de dorpen even vrijgevig. Dit grootmoedig gedrag maakte dat het geheele volk hem met zegenwenschen overlaadde en ten laatste niet duurder zwoer dan bij Aladdin’s hoofd. Ja men kan, zonder den sultan, dien hij zelf zeer regelmatig kwam komplimenteeren, in de schaduw te stellen, wel zeggen, dat Aladdin zich door zijn welwillendheid en vrijgevigheid de liefde van het geheele volk verworven had, en in ’t algemeen meer bemind werd, dan de sultan zelf. Aan al deze schoone eigenschappen paarde hij een dapperheid en een ijver voor het heil van den staat, die men niet genoeg roemen kan. Daarvan gaf hij bewijs ter gelegenheid van een oproer aan de grenzen des rijks. Nauwelijks had hij ervaren dat de sultan een leger uitrustte, om het te dempen, of hij verzocht, hem het opperbevel te geven, en verkreeg dit ook zonder moeite. Zoodra hij nu aan de spits van het leger stond, voerde hij dit zoo snel en met zulk een ijver in ’t veld, dat de sultan de nederlaag, bestraffing en verstrooiing van de oproerlingen nog eerder hoorde dan zijn aankomst bij het leger. Deze daad, die zijn naam in het geheele rijk beroemd maakte, bedierf toch zijn hart niet; hij keerde wel is waar gelauwerd terug, maar bleef toch even mild en minzaam als te voren.

Aladdin had reeds verscheidene jaren op deze manier voortgeleefd, toen de toovenaar, die hem zonder eraan te denken in staat gesteld had, zulk een hooge vlucht te nemen, zich zijner herinnerde. Hoewel hij tot nog toe in het vaste geloof geleefd had, dat Aladdin in het onderaardsche gewelf te gronde was gegaan, kreeg hij toch plotseling lust, nauwkeurig te onderzoeken hoe zijn uiteinde geweest was. Als grootmeester in de punteerkunst, trok hij uit zijn kast een vierkante gesloten doos te voorschijn, waarvan hij zich op zijn onderzoekingen in de punteerkunst placht te bedienen. Hij zette haar op een sofa, legde het vierkant voor zich, nam het deksel eraf, en nadat hij het zand recht gelegd en geëffend had, om te ervaren of Aladdin in het onderaardsche hol gestorven was of niet, maakte hij zijn punten, trok zijn lijnen en zijn horoskoop. Nadat hij nu zijn geboortelot recht in ’t oog gevat had, om er zijn gevolgen uit te trekken, ontdekte hij, dat Aladdin niet alleen niet in het gewelf gestorven was, maar zich eruit gered had, en in grooten glans en geweldigen rijkdom, en gehuwd met een prinses, hoog geëerd en geacht leefde.

Nauwelijks had de Afrikaansche toovenaar door middel van zijn duivelsche kunsten de ontdekking gedaan, dat Aladdin zoo hoog gerezen was, of het bloed steeg hem in ’t gezicht. Vol woede sprak hij bij zichzelven: “Die ellendigekleermakerszoon heeft aldus het geheim en de wonderkracht van de lamp ontdekt; ik hield zijn dood voor zeker en nu geniet hij de vruchten van mijn arbeid en mijn doorwaakte nachten! Maar eer wil ik zelf ten onder gaan, dan dat ik hem nog langer zijn geluk laat.” Hij had zijn besluit spoedig genomen, besteeg dadelijk den volgenden morgen een berberhengst, dien hij op stal had en begaf zich op weg. Zoo kwam hij van stad tot stad, van land tot land, zonder zich ergens langer op te houden, dan zijn paard om uit te rusten noodig had, tot hij eindelijk in China kwam en vervolgens in de hoofdstad van den sultan, wiens dochter Aladdin gehuwd had. Hier steeg hij in een chan of herberg af, en huurde zich een kamer. Het overige deel van den dag en den volgenden nacht, bleef hij in huis om van de vermoeienissen der reis te bekomen.

Afrikaansche toovenaar.

Den volgenden morgen wenschte de Afrikaansche toovenaar vóór alles te ervaren, hoe men over Aladdin sprak. Terwijl hij door de stadwandelde, trad hij een zeer beroemd en door voorname lieden druk bezocht huis binnen, waar men tezamen kwam om een zekeren warmen drank te genieten, en dat hij nog van zijn eerste reis kende. Nauwelijks had hij plaats genomen, of men schonk hem een beker vol van dien drank in, en reikte hem dien over.

Terwijl hij dronk, luisterde hij rechts en links en hoorde, dat men van Aladdin’s paleis sprak. Toen hij den beker leeggedronken had, trad hij op een der sprekers toe, en nam het oogenblik te baat om hem ter zijde te voeren en te vragen, wat dat toch voor een paleis was, waarover men met zooveel roem sprak. “Vanwaar komt gij, mijn vriend?” vroeg hem de aangesprokene. “Gij zijt zeker pas sinds kort hier, als gij het paleis van prins Aladdin nog niet gezien hebt, of tenminste daarvan nog niet hebt hooren spreken.” Men noemde Aladdin namelijk zoo, sinds hij met prinses Bedroelboedoer gehuwd was. “Ik zeg niet”, ging de man voort, “dat het een der wonderen van de wereld is, maar ik beweer veel eer, dat het ’t eenige wonderwerk op de wereld is; want zeker heeft men nog nooit iets zoo grootsch, kostbaars en prachtvols gezien. Gij moet van zeer ver komen, dat gij er nog niets van gehoord hebt, want naar mijn meening moet men er over de geheele wereld van spreken, zoodra het gebouwd was. Aanschouw het eenmaal zelf en zeg dan of ik u niet de waarheid verteld heb.”—“Vergeef mij mijn onwetendheid”, sprak de Afrikaansche toovenaar, “ik ben gisteren hier aangekomen en ben inderdaad zeer ver weg geweest; ik kan wel zeggen van het uiterste einde van Afrika, zoodat zijn roem nog niet tot mij was doorgedrongen, toen ik afreisde.Daar ik wegens een dringende zaak, die mij hierheen voert, geen ander doel voor oogen had dan zoo gauw mogelijk hier te komen zonder mij onderweg op te houden, of ergens kennis aan te knoopen, hoorde ik van de zaak niets anders, dan gij mij zooeven verteldet. Intusschen zal ik niet nalaten, het zelf te gaan zien; ja, mijn nieuwsgierigheid is zoo groot, dat ik haar dadelijk wil bevredigen, als gij slechts de goedheid wildet hebben, mij den weg te wijzen.”

De man, tot wien de Afrikaansche toovenaar zich gewend had, wees hem met alle genoegen den weg naar Aladdin’s paleis, en de Afrikaansche toovenaar stond dadelijk op en ging erheen. Toen hij was aangekomen en het paleis van alle kanten nauwkeurig bekeken had, twijfelde hij er niet langer aan, of Aladdin moest zich van de lamp bediend hebben, om het te laten bouwen. Zonder verder den nadruk te leggen op Aladdin’s machteloosheid als zoon van een eenvoudig kleermaker, wist hij zeer goed, dat zulke wonderwerken slechts door de geesten van de lamp, wier bezit hem ontgaan was, tot stand gebracht konden worden. Vol ergernis over het geluk en de grootheid van Aladdin, die niet veel van die van den sultan verschilde, keerde hij naar de herberg terug, waar hij was afgestegen.

Nu moest hij nog weten, waar de lamp was, of Aladdin haar bij zich droeg of ergens bewaarde, en om dit te ontdekken moest de toovenaar zijn punteerkunst te hulp roepen. Zoodra hij in zijn kamer gekomen was, haalde hij zijn vierhoek met het zand weer te voorschijn, die hij op al zijn reizen met zich mee voerde. Uit dit onderzoek kwam hij te weten, dat de lamp in Aladdin’s paleis was, en was hij buiten zichzelven van vreugde over zulk een gewichtige ontdekking. “Ik moet haar in mijn bezit krijgen, die lamp”, sprak hij, “en ’t zal mij benieuwen, of hij mij verhinderen kan, haar aan hem te ontrukken en hem weer tot zijn nederigen staat terug te brengen, waaruit hij omhoog is gestegen.”

Het ongeluk wilde, dat Aladdin juist voor acht dagen op de jacht was en pas drie dagen geleden was vertrokken; de Afrikaansche toovenaar kwam dit op de volgende wijze te weten.

Zoodra hij door zijn punteerkunst de blijde ontdekking gedaan had, waar de lamp was, ging hij naar den eigenaar der herberg, onder voorwendsel een weinig met hem te willen praten en hij had daar een zeer natuurlijke aanleiding toe, zoodat hij niet lang naar woorden behoefde te zoeken. Hij vertelde hem dat hij Aladdin’s paleis gezien had, en nadat hij in de uitbundigste bewoordingen alles geprezen had, wat hem bewonderenswaardig was voorgekomen, en wat bovendien iedereen ook het merkwaardigste vond, voegde hij erbij: “Mijn nieuwsgierigheid strekt zich nog verder uit, en ik zal niet tevreden zijn, eer ik den eigenaar van dit wondervolle gebouw zelf gezien heb.”—“Dat zal niet moeilijk wezen,” antwoordde de eigenaar van de herberg, “want zoolang hij in de stad is, geeft hij daartoe bijna iederen dag gelegenheid; maar sedert drie dagen is hij op een groote jacht uitgetogen, die acht dagen duren zal.”

Meer wilde de Afrikaansche toovenaar niet weten; hij nam afscheid van den man en zei tot zichzelf: “Het oogenblik is gunstig, ik mag het niet laten voorbijgaan.” Hierop ging hij den winkel van een koopman in lampen binnen, enzei tot hem: “Meester, ik wilde twaalf koperen lampen hebben; kunt ge mij die leveren?” De lampenkoopman antwoordde, dat hij weliswaar nog eenige tekort kwam, maar als hij tot morgen geduld wilde hebben, dan kon hij hem een vol dozijn op elk uur, dat hij maar wilde, leveren. De toovenaar was hiermee tevreden, en beval hem dat ze heel mooi en blank moesten zijn; nadat hij hem nog een goede betaling beloofd had, ging hij naar zijn herberg terug.

Den volgenden dag werd het dozijn lampen den Afrikaanschen toovenaar afgeleverd, die zonder te dingen, den verlangden prijs ervoor betaalde. Hij legde ze in een mand, waarvan hij zich tot dit doel voorzien had, ging met de mand aan den arm naar Aladdin’s paleis en begon, toen hij in de nabijheid was, te roepen: “wie wil oude lampen tegen nieuwe ruilen?” Toen de kleine kinderen die op het plein speelden, dit hoorden, kwamen zij met luid spottend gelach om hem heen staan, want zij hielden hem voor een dwaas. Ook de voorbijgangers lachten om zijn domheid, zooals zij het noemden. “Bij dezen man”, zeiden zij, “moet het in zijn bovenkamer niet pluis zijn, anders zou hij geen nieuwe lampen voor oude aanbieden.” De Afrikaansche toovenaar liet zich noch door het gelach der kinderen, noch door alles wat grooteren van hem zeiden, in de war brengen, maar ging voort, zijn waar aan te bieden en luid te roepen. “Wie wil oude lampen tegen nieuwe verruilen?” Hij herhaalde dit zoo dikwijls, terwijl hij het plein voor het paleis op en neder liep, dat prinses Bedroelboedoer, die juist in de zaal met de vier en twintig vensters was, de stem van den man hoorde; daar zij echter door het geschreeuw der kinderen,die hem achtervolgden en wier aantal ieder oogenblik grooter werd, niet verstond wat hij riep, zond zij een harer slavinnen naar beneden om te zien wat al dat leven beduidde.

De slavin kwam spoedig weder luid lachende in de zaal. Ze lachte zoo hartelijk, dat de prinses, toen zij haar aankeek, ook lachen moest.

“Nu, dwaze meid”, zei ze eindelijk, “zou je me niet zeggen, waarom je zoo lacht?”—“Meesteres”, antwoordde de slavin, steeds lachende, “hoe kan men anders, als men een dwaas ziet, die een mand vol mooie, gloednieuwe lampen aan den arm heeft, en ze niet verkoopen, maar tegen oude verruilen wil. Het leven, dat gij echter hoort, komt van de kinderen, die hem bespotten en zoo dicht om hem heen dringen, dat hij bijna niet voort kan komen.”

Op dit bericht nam een andere slavin het woord en zei: “Daar er van oude lampen gesproken wordt, weet ik niet of de prinses al gemerkt heeft, dat er hier op dien rand een staat. De eigenaar zal het wel niet kwalijk nemen, als hij in plaats van de oude een nieuwe vindt. Als de prinses het goed vindt, dan kan zij de grap hebben te probeeren of de gek werkelijk zot genoeg is, een nieuwe lamp voor een oude te geven, zonder iets toe te verlangen.”

De lamp waarvan de slavin sprak, was juist de wonderlamp, die Aladdin aan al zijn grootheid geholpen had, en hij zelf had haar, voor hij op de jacht ging op de kroonlijst van de zaal gezet, om haar niet te verliezen: een voorzorgsmaatregel, dien hij telkens nam, als hij met dit doel uitging. Maar noch de slavinnen, noch de bedienden, noch zelfs de prinses hadden haar ooit gedurende zijn afwezigheid opgemerkt. Behalveals hij ter jacht ging, droeg hij haar steeds bij zich. Men zal zeggen, deze voorzichtigheid van Aladdin was zeer te prijzen, maar hij had haar nu ook moeten wegsluiten. Dit is nu alles goed en wel, maar dergelijke nalatigheden zijn te allen tijde gepleegd, worden nog dagelijks begaan en zullen ook altijd gepleegd worden.

Afrikaansche toovenaar ruilt wonderlamp.

Prinses Bedroelboedoer, die van de grootewaarde der lamp niets afwist, en niet kon denken, dat het voor Aladdin, die er volstrekt nooit over sprak, van zooveel belang zou zijn, dat men haar onaangeroerd liet, en goed bewaarde, ging op de grap in en beval een der bedienden, haar te krijgen en om te ruilen. De bediende gehoorzaamde, ging de trap af en was nauwelijks de poort van het paleis uit, toen hij den Afrikaanschen toovenaar bemerkte. Hij riep hem, en toen hij naderbij kwam, toonde hij hem de oude lamp en zei: “Geef mij eene nieuwe voor deze lamp hier.”

De Afrikaansche toovenaar twijfelde er niet aan, of dit was de lamp, die hij zocht, want, daar alle huisraad in Aladdin’s paleis van goud en zilver was, kon er niet nog een dergelijke wezen. Hij nam haar den bediende snel uit de hand, verborg haar onder zijn kleed, en reikte hem dan zijn mand over, opdat hij naar believen een zou uitzoeken. De bediende zocht er een uit, verliet den toovenaar en bracht de nieuwe lamp aan de prinses. Nauwelijks echter was de ruil geschied, of ook de kinderen op het plein hieven een luid gelach aan en maakten pret over de domheid van den toovenaar.

De Afrikaansche toovenaar liet ze schreeuwen zooveel ze wilden. Zonder zich langer in de nabijheid van Aladdin’s paleis op te houden, maakte hij zich geheel ongemerkt en zonder verdere drukte uit de voeten, d.w.z. hij riep niet meer, dat hij oude lampen tegen nieuwe wilde omruilen. Hij wilde nu geen andere meer, dan hij al had, en daar hij zweeg, gingen ook de kinderen uiteen en lieten hem gaan.

Zoodra hij het plein tusschen de beide paleizen verlaten had, ontsnapte hij door eenweinig bezochte straat, en daar hij nu noch de andere lampen noch de mand meer noodig had, zette hij de mand met de lampen op straat, waar juist niemand voorbijging. Hierop sloeg hij een andere straat in en liep haastig voort tot hij een der stadspoorten bereikte. Nu ging hij door een lange voorstad, waar hij eenige levensmiddelen inkocht.

Afrikaansche toovenaar.

Zoodra hij buiten was, week hij van den hoofdweg af naar een afgelegen plek, waar niemand hem kon bespieden, en hier wachtte hij het gunstige oogenblik af, om zijn plan geheel te volvoeren. Wat was hem nu nog aan zijn berberhengst gelegen? dezen liet hij in de herberg achter, want hij meende zich door den schat, dien hij zooeven verworven had, rijkelijk schadeloos gesteld.

De Afrikaansche toovenaar bracht de rest van den dag hier door, tot één uur ’s nachts, wanneer de duisternis het grootst is. Toen haalde hij de lamp uit zijn kleed te voorschijn en wreef haar.Op dit bevel verscheen de geest dadelijk. “Wat wilt gij?” vroeg hij; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf en als slaaf van allen, die de lamp in de hand hebben; ik en de andere slaven van de lamp.”—“Ik beveel u”, antwoordde de Afrikaansche toovenaar, “dat gij oogenblikkelijk het paleis, dat gij of de andere slaven van de lamp in de stad gebouwd hebt, zoo als het is, met al zijn levende bewoners opneemt en tegelijk met mij naar dat en dat oord in Afrika verplaatst.” Zonder iets te antwoorden, zette de geest met behulp van de overige dienende geesten van de lamp in zeer korten tijd, zoowel hem zelf als het geheele paleis met prinses Bedroelboedoer op de bepaalde plaats in Afrika neer. Wij zullen nu evenwel den Afrikaanschen toovenaar en de prinses in Afrika laten, en alleen van de verbazing des sultans spreken.

Toen de sultan was opgestaan, begaf hij zich als gewoonlijk naar den open uitbouw, om zich het genoegen te verschaffen, Aladdin’s paleis te aanschouwen en te bewonderen. Hij richtte zijn blikken naar de plek, waar hij gewoon was, het te zien, en aanschouwde niets dan een leege plaats, juist zooals het vóór den bouw geweest was. Aanvankelijk meende hij zich te vergissen en wreef de oogen uit; evenwel zag hij net zoo min iets als de eerste maal, hoewel het weder zeer helder, de hemel onbewolkt, en het morgenrood reeds aan de kim was, zoodat hij alles duidelijk waarnemen kon. Hij keek rechts en links door de beide openingen en zag nog steeds niets. Zijn verbazing was zoo groot, dat hij langen tijd als vastgenageld op dezelfde plaats bleef staan, zijn oogen star op het punt gericht waar het paleis tot nu toe gestaan had, maar het thans niet meerte zien was; want het was hem onmogelijk te begrijpen, hoe een zoo groot en aanzienlijk paleis als dat van Aladdin, dat hij sinds den dag, waarop hij toestemming tot den bouw had gegeven, met eigen oogen en ook gisteren nog gezien had, zoo op eens spoorloos verdwenen zou zijn. “Ik kan mij niet vergissen”, zei hij tot zich zelf, “het stond daar op die plek. Indien het ingestort was, zouden er toch nog puinhoopen liggen, en had de aarde het verzwolgen, dan moest men daar toch een spoor van kunnen zien.” Het ging zijn verstand te boven, te ontraadselen, hoe het toegegaan was, en hoe vast hij ervan overtuigd was, dat het paleis er niet meer stond, wachtte hij toch nog eenigen tijd om zich te overtuigen, dat hij zich niet vergiste. Eindelijk ging hij heen en, nadat hij nog eenmaal had omgekeken, begaf hij zich naar zijn vertrekken. Toen liet hij den grootvizier roepen en ging zitten, terwijl zijn geest door de meest uiteenloopende gedachten bestormd werd, zoodat hij niet wist wat te doen.

De grootvizier liet zich niet lang wachten. Hij kwam met zulk een haast, dat hij noch zijn gevolg in het voorbijgaan merkten, dat Aladdin’s paleis niet op zijn plaats stond. Zelfs de deurwachtershaddenhet niet bemerkt, toen zij de poorten van het paleis openden. De grootvizier sprak den sultan aldus aan: “Heer, de haast waarmede men mij heeft laten roepen, doet mij besluiten, dat er iets buitengewoons moet zijn voorgevallen; want gij weet wel, dat er heden raadszitting is, en dat ik overeenkomstig mijn plicht mij toch binnen weinige oogenblikken hier zou hebben bevonden.”—“Ja”, antwoordde de sultan, “er is werkelijk iets buitengewoons gebeurd,dat zult gij zelf moeten erkennen. Spreek, waar is Aladdin’s paleis?”—“Aladdin’s paleis?” hernam de grootvizier zeer verbaasd, “ik ging er zooeven nog voorbij, en mij docht, het stond nog op zijn oude plaats. Zulke reusachtige gebouwen als het zijne, veranderen niet licht van plaats.”—“Kijk eens naar buiten”, antwoordde de sultan, “en zeg mij dan, of gij het gezien hebt.”

De grootvizier begaf zich in den open uitbouw, en het ging hem als den sultan. Toen hij zich volmaakt overtuigd had, dat Aladdin’s paleis er niet meer stond, en ook niet het minste spoor ervan te ontdekken was, trad hij weder voor den sultan. “Nu, hebt gij Aladdin’s paleis gezien?” vroeg deze.—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “gij herinnert u wellicht, dat ik de eer had u te zeggen, dat het paleis, welks onmetelijke rijkdommen zoozeer uw bewondering wegdroegen, slechts een werk van tooverij kon zijn; maar gij wildet er toen geen acht op slaan.”

De sultan, die dit niet kon loochenen, geraakte in des te meer toorn, als zijn vroegere ongeloovigheid gebleken was. “Waar is hij”, riep hij, “die bedrieger, die schurk? Ik laat hem het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “hij heeft voor eenige dagen afscheid van u genomen. Men moet hem laten vragen, waar zijn paleis gebleven is, want hij alleen kan het weten.”—“Dat zou veel te mild voor hem zijn”, antwoordde de sultan: “Ga en zendt dertig van mijn ruiters af, dat zij hem in ketenen voor mij voeren.” De grootvizier bracht den ruiters het bevel van den sultan over, en onderrichtte hun aanvoerder hoe hij zich te gedragen had, opdat Aladdin hun niet mocht ontsnappen. Zij vertrokken en troffen hem vijf of zes uur van de stad,op weg naar huis. De aanvoerder reed op hem toe, en zei dat de sultan groot verlangen had, hem weder te zien, en daarom had hij hen gezonden om hem dit te melden en naar huis te begeleiden.

Aladdin had niet het geringste vermoeden van de ware oorzaak, waarom deze afdeeling van des sultans lijfwacht hem tegemoet was gekomen, en reed getroost verder. Toen hij echter nog een half uur van de stad af was, omringde de ruiterschaar hem, en de aanvoerder nam het woord en zei: “Prins Aladdin, tot onzen grooten spijt hebben wij van den sultan het bevel gekregen, u gevangen te nemen en als staatsmisdadiger voor hem te brengen; wij verzoeken u, het niet kwalijk te nemen, en als wij onzen plicht vervullen, het ons te willen vergeven.”

Aladdin was uiterst verrast door deze verklaring, want hij voelde zich onschuldig. Hij vroeg den aanvoerder of deze ook wist van welke misdaad hij beticht werd; maar deze antwoordde, dat noch hij, noch een zijner ruiters er iets van wisten.

Daar Aladdin zag, dat zijn troepje veel zwakker was, dan de ruiterschaar, en hem zelfs verliet, steeg hij van zijn paard en zei: “Hier ben ik, voldoe aan het bevel. Overigens kan ik u verzekeren dat ik mij geen schuld bewust ben, noch jegens de persoon des sultans, noch tegenover den staat.” Men wierp hem dadelijk een dikken en langen ketting om den hals en bond dezen ook midden om zijn lichaam, zoodat hij de armen niet vrij had. De aanvoerder stelde zich nu weer aan het hoofd van den troep; een der ruiters echter vatte het eene uiteinde van den ketting, en voerde zoo, achter den aanvoerder,Aladdin mee voort, die te voet volgen moest. In dezen toestand, werd hij de stad binnengeleid.

Toen de ruiters in de voorstad kwamen, en men Aladdin als staatsmisdadiger zag meevoeren, dacht ieder dat het hem het hoofd zou kosten. Daar hij echter algemeen bemind was, grepen eenigen sabels en andere wapenen, en zij, die er geen hadden, wapenden zich met steenen, en volgden de ruiters. Eenigen der achtersten zwenkten om en maakten aanstalten, de menigte uiteen te drijven; de volksmassa werd evenwel zoo groot, dat de ruiters het geraden vonden, geen ergernis te laten blijken, en zich gelukkig achtten, als zij slechts het paleis van den sultan mochten bereiken, zonder dat Aladdin hun ontrukt werd. Om dit tot stand te brengen, namen zij de geheele breedte der straat in beslag, terwijl zij nu eens wijder uit elkaar gingen, dan weer zich nauwer aaneen sloten, al naar de straat breeder of nauwer was. Zoo kwamen zij eindelijk op het plein voor het paleis, waar zij zich op een rij plaatsten en tegen de gewapende volksmenigte front maakten, tot hun bevelhebber en de ruiter, die Aladdin leidde, het paleis waren binnengereden, en de wachters de poort achter hen gesloten hadden, om het volk terug te houden.

Aladdin werd dadelijk voor den sultan gebracht, die hem met den grootvizier op zijn balkon afwachtte. Zoodra hij hem zag, beval hij een beul, die ook hier ontboden was, hem het hoofd af te houwen, zonder dat hij hem wilde aanhooren, of eenige opheldering van hem hebben wilde.

De beul maakte zich van Aladdin meester, nam hem den ketting, dien hij om den hals droeg af,spreidde terstond een leeren huid, die met het bloed van tallooze misdadigers bevlekt was, op den grond, liet hem nederknielen en blinddoekte hem. Hierop trok hij zijn zwaard, beschreef er een wijden kring mee, liet het driemaal door de lucht flikkeren, en maakte zich gereed den doodelijken slag toe te brengen, terwijl hij nog slechts op een teeken van den sultan wachtte om Aladdin het hoofd af te slaan.

Op dit oogenblik bemerkte de grootvizier, dat het volk de ruiters overweldigd had, en het slotplein binnengedrongen was, ja zelfs dat eenigen de muren van het paleis met ladders hadden beklommen en reeds een aanvang maakten de muren af te breken, ten einde een opening te maken. Daarom zei hij tot den sultan, eer hij het teeken gaf: “Heer, ik bid u den stap, dien gij thans doen wilt, eerst rijpelijk te willen overleggen. Gij loopt gevaar, uw paleis bestormd te zien, en als dit ongeluk gebeurt, dan kan het noodlottige gevolgen hebben.”—“Mijn paleis bestormd!” hernam de sultan, “wie durft zoo iets onderstaan?”—“Heer”, antwoordde de grootvizier, “werp slechts een blik op de muren van het paleis en op het voorplein, dan kunt gij u van de waarheid mijner woorden overtuigen.”

Toen de sultan de heftige beweging onder zijn volk zag, schrok hij zoo, dat hij den beul oogenblikkelijk bevel gaf, zijn zwaard weder in de scheede te steken, Aladdin’s blinddoek af te nemen en hem vrij te laten. Tegelijkertijd beval hij zijnen herauten, rond te bazuinen, dat hij Aladdin genade schonk, en ieder zich nu spoedig moest verwijderen.

Toen zij, die reeds op de muren geklauterd waren, zagen, wat er gebeurde, gaven zij hunvoornemen op. Zij daalden snel af, ten hoogste verblijd, dat zij een man, dien zij waarlijk lief hadden, het leven hadden gered, en deelden den omstanders de tijding mede. Ze verbreidde zich van mond tot mond onder de gansche menigte, die zich op het plein voor het paleis verzameld had, en de omroepers bevestigden het van boven af. Toen nu het volk zag, dat de sultan Aladdin recht liet wedervaren en hem genade schonk, ontwapende zich zijn toorn, het oproer bedaarde en allen gingen één voor één naar huis.

Zoodra Aladdin zich weder in vrijheid zag, keek hij omhoog naar het balkon, en toen hij den sultan zag, riep hij hem op roerenden toon toe: “Heer, ik smeek, bij de reeds geschonken genade nog eene te willen voegen, en mij te laten weten, wat mijn misdaad is.”—“Wat die is, schurk!” hernam de sultan; “weet gij het nog niet? Kom hierheen, dan zal ik ze je toonen.”

Aladdin begaf zich op het balkon bij den sultan. “Volg mij”, sprak deze tot hem en ging hem voor, zonder hem aan te zien. Hij voerde hem naar den open uitbouw, en toen hij bij de deur was, zei hij tot hem: “Ga, en kijk; gij moet toch weten waar uw paleis stond; zie naar alle zijden en zeg mij wat ervan geworden is.”

Aladdin keek rond, en zag niets. Hij aanschouwde wel de geheele plek, waarop vroeger zijn paleis gestaan had, maar daar hij niet kon begrijpen, hoe het had kunnen verdwijnen, deed hem deze zeldzame en verrassende gebeurtenis zoo verbaasd en verslagen staan, dat hij den sultan met geen enkel woord kon antwoorden.

De sultan herhaalde vol ongeduld de vraag: “Zeg mij toch, waar het paleis en mijn dochter zijn?” Eindelijk verbrak Aladdin het stilzwijgenen zeide: “Heer, ik zie wel en moet ook erkennen, dat het paleis dat ik liet bouwen niet meer op zijn plaats staat; ik zie, dat het verdwenen is, maar kan u toch niet zeggen, waar het zijn kan. Slechts dit kan ik u verzekeren, dat ik part noch deel aan de zaak heb.”

“Er is mij niets aan het verdwijnen van uw paleis gelegen”, antwoordde de sultan. “Mijn dochter is mij duizendmaal liever. Gij moet haar mij teruggeven, anders laat ik u zonder verdere overwegingen het hoofd afslaan.”—“Heer”, antwoordde Aladdin, “ik bid u, geef mij veertig dagen tijd, om mijne maatregelen te nemen en gelukt het mij in dien tijd niet, dan geef ik u mijn woord, dat ikzelf mijn hoofd aan den voet van uw troon zal komen neerleggen, opdat gij er naar welgevallen mee moogt handelen.”—“Ik geef u die veertig dagen”, antwoordde de sultan; “maar denk niet dat gij misbruik kunt maken van mijn genade, en aan mijn toorn ontkomen kunt. In welken schuilhoek ter wereld gij u ook verstoppen moogt, ik zal u wel weten te vinden.”

Aladdin ging geheel gedeemoedigd en in een waarlijk beklagenswaardigen toestand uit het gezicht des sultans. Met gebogen hoofd liep hij over de pleinen van het paleis, en was zoo beschaamd, dat hij het niet waagde, de oogen op te slaan. De voornaamste hofdienaren, waarvan hij geen enkelen beleedigd had en die vroeger zijn vrienden waren geweest, waren er nu ver van af, naar hem toe te gaan of hem een onderdak aan te bieden; neen, zij keerden hem den rug toe, opdat zij hem niet zouden behoeven te zien of te herkennen. Maar wanneer zij zelfs naar hem toe gegaan waren, om hem troost inte spreken, of hem hun diensten aan te bieden, zoo zouden zij Aladdin nauwelijks herkend hebben; hij kende nauwelijks zichzelven meer, en was op het punt zijn verstand te verliezen. Dit bleek ook wel, zoodra hij buiten het plein gekomen was; want zonder te bedenken wat hij deed, vroeg hij aan alle deuren en aan alle menschen die hij tegenkwam, of ze zijn paleis niet gezien hadden en hem er geen bericht over geven konden.

Zulke vragen brachten ieder in de meening, dat hij zijn verstand verloren had. Eenigen lachten erom, maar de verstandigsten, en in ’t bijzonder zij die in vriendschappelijke betrekking tot hem hadden gestaan werden door een oprecht medelijden bevangen. Hij bleef drie dagen in de stad, waar hij zich nu eens hier, dan weer daarheen wendde, en niets at dan wat medelijdende menschen hem toereikten, maar overigens kwam hij tot geen besluit.

Eindelijk, daar hij in dezen ellendigen toestand niet langer in de stad wilde blijven, waar hij vroeger den voornamen heer gespeeld had, verwijderde hij zich van daar en sloeg den weg naar het vrije veld in. Hij vermeed de groote verkeerswegen, en nadat hij in schrikkelijke onrust over verscheidene velden gedwaald had, kwam hij bij het aanbreken van den nacht aan den oever eener rivier. Hier werd hij door vertwijfeling overmand. “Waar zal ik nu mijn paleis zoeken?” zei hij tot zich zelven. “In welke provincie, welk land, welk werelddeel zal ik mijn veelgeliefde prinses weerom vinden, zooals de sultan van mij eischt? Dit zal mij nooit gelukken; daarom is het beter, ik onttrek mij in eens aan deze pogingen, die toch tot niets leiden, en aande bittere smart die aan mijn hart knaagt.” Reeds had hij het besluit genomen, zich in de rivier te storten, maar dacht toch als goed en vroom Muzelman dit niet eer te kunnen doen, dan na zijn gebed verricht te hebben. Toen hij zich daartoe gereed maakte, trad hij aan den rand van het water, teneinde zich naar landsgebruik handen en aangezicht te wasschen. Daar de grond daar evenwel een weinig afgebrokkeld en nat was, gleed hij uit en zou in het water gevallen zijn, als hij zich niet nog aan een klein rotsblok had vastgehouden, dat daar ongeveer twee duim omhoog stak. Gelukkig had hij nog den ring, dien de Afrikaansche toovenaar hem aan den vinger gestoken had, eer hij in het onderaardsche gewelf afdaalde, om de kostbare lamp te halen, die hem nu weder ontrukt was geworden. Dezen ring schuurde tamelijk hard langs de rots toen hij zich daaraan vasthield, en oogenblikkelijk stond dezelfde geest voor hem, die hem in het onderaardsche gewelf verschenen was, waar de Afrikaansche toovenaar hem had ingesloten. “Wat wilt gij?” vroeg de geest; “ik ben bereid u te gehoorzamen als uw slaaf, en als de slaaf van allen, die den ring aan den vinger hebben, ik zoowel als de andere slaven van den ring.”

Aladdin, die in zijn wanhopigen toestand door deze verschijning aangenaam verrast was, antwoordde: “Geest, red mij ten tweeden male het leven en wijs mij waar het paleis staat, dat ik liet bouwen, of zorg dat het oogenblikkelijk weer op zijn oude plaats worde teruggebracht.”—“Wat gij hier verlangt”, antwoordde de geest, “staat niet in mijne macht, ik ben slechts de slaaf van den ring; wend u daarvoor tot denslaaf van de lamp.”—“Als dat zoo is,” zei Aladdin, “dan beveel ik u uit naam van den ring, verplaats mij dadelijk naar het oord, waar mijn paleis is, waar het ook zijn moge, en breng mij onder de vensters van prinses Bedroelboedoer.” Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de geest nam hem op en droeg hem naar Afrika naar een groote weide, waarop het paleis, niet ver van een groote stad, stond; hij zette hem dicht onder de vensters der prinses en liet hem toen alleen. Dit alles was het werk van een oogenblik. Trots de duisternis herkende Aladdin zeer goed zijn paleis en de kamers van prinses Bedroelboedoer. Daar het intusschen al diep in den nacht en alles in het paleis in rust was, ging hij een weinig ter zijde en zette zich onder een boom. Hier gaf hij zich aan nieuwe hoopvolle verwachtingen over, en terwijl hij zich in beschouwingen verdiepte over zijn geluk, dat hij aan een bloot toeval dankte, werd zijn gemoed veel rustiger gestemd dan het ooit geweest was sedert den dag, waarop hij gevangen genomen, voor den sultan gebracht en uit dreigend doodsgevaar verlost geworden was. Hij ging eenigen tijd in deze aangename gedachten op, maar daar hij sedert vijf of zes dagen geen oog meer geloken had, overmande hem ten laatste de slaap en sluimerde hij aan den voet van den berg in.

Toen den volgenden dag het morgenrood aanbrak, werd Aladdin zeer aangenaam gewekt door het gezang der vogels, die deels op den boom, waaronder hij lag, deels ook op de dichtbebladerde boomen in den tuin van zijn paleis den nacht hadden doorgebracht. Hij sloeg dadelijk een blik op dit bewonderenswaardige gebouw en voelde een onuitsprekelijke vreugde, dat hij nuweer de hoop kon voeden, er heer en meester van te worden en opnieuw zijn dierbare prinses Bedroelboedoer te bezitten.

Hij stond op en naderde de kamer der prinses; daarna ging hij onder haar vensters een poosje op en neer wandelen en wachtte tot zij zou ontwaken en zich zou vertoonen. Ondertusschen dacht hij erover na, waar wel de oorzaak van zijn ongeluk mocht schuilen, en nadat hij er lang over gepeinsd had, twijfelde hij er niet meer aan of zijn heele ongeluk kwam daarvan, dat hij zijn lamp uit het oog had verloren. Hij deed zich zelf verwijten over zijn nalatigheid en dat hij geen zorg gedragen had haar geen oogenblik uit zijn handen te laten gaan. Wat hem nog meer in verlegenheid bracht, was, dat hij volstrekt niet kon bedenken wie naijverig op zijn geluk zou geweest zijn. Dit zou hem wel duidelijk zijn geworden, als hij geweten had, dat hij en zijn paleis zich in Afrika bevonden; maar de slaaf van den ring had hem dat niet gezegd, en hij had er ook niet naar gevraagd. Anders had reeds de naam Afrika alleen hem dadelijk aan den Afrikaanschen toovenaar, zijn vijand, herinnerd.

Prinses Bedroelboedoer stond ditmaal vroeger op dan zij gewoon was, sedert haar ontvoering en verplaatsing naar Afrika, door de listen van den Afrikaanschen toovenaar, wiens aanblik zij tot nog toe eens per dag had moeten dulden, daar hij de heer van het paleis was; zij had hem echter telkens zoo stug behandeld, dat hij het nog niet gewaagd had, zijn woning erin op te slaan. Toen zij aangekleed was, zag een harer vrouwen toevallig door het tralievenster, bemerkte Aladdin en meldde het dadelijk aan hare meesteres. Deprinses, die deze tijding niet gelooven kon, liep snel naar het venster, bespeurde Aladdin eveneens en opende het traliewerk. Door het gedruisch, dat daardoor ontstond, hief Aladdin het hoofd omhoog, herkende haar en begroette haar met een gebaar waarin zijn uitbundige vreugde zich afspiegelde. “Om geen tijd te verliezen”, zei de prinses tot hem, “heb ik voor u de geheime deur laten openmaken, ga daardoor en kom hier.” Na deze woorden sloot zij het venster weder.


Back to IndexNext