TWAALFDE HOOFDSTUK.TWAALFDE HOOFDSTUK.De Gevangenis van het kasteel.Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, dat hij hopeloos zich op een grooten steenliet neervallen en daar langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, niets dan de donkere duisternis om hem heen.Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deurknarste. De man, die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den armen Alewijn.Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard dan de meeste zijner tijdgenooten?Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.Zijn stem was zacht, toen hij beval: „Je moet mij volgen naar den heer.”Maar Alewijn hoorde het niet.Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep hij niet, wat men van hem wilde.Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.Buiten gekomen,leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.’t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer van den edelman doorbracht.Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, om den schat te behouden.De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan het licht brengen.Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen voorzien.Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de kleeren af.Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een pijnlijk verhoor.Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld vandaan kwam.Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.Bevend wachtte hij zijn vonnis af.De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer om te zien.In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij vroeg zich herhaaldelijk af,aan welke oorzaak hij dien gelukkigen afloop van de zaak had toe te schrijven.Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.Zoo verzonk hij in een somber peinzen.Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste geeselslag deed hem opschrikken.Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den naakten rug en liet roode streepen achter.Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo verlaten, zoo rampzalig gevoeld.Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijnkrachten genoeg waren, om dien te doen wankelen,danweer beproefde hij aan den rand van het luchtgat de steenen af te brokkelen.’t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart en barstte in woedend snikken uit.Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, ver van de plaats der ellende.
TWAALFDE HOOFDSTUK.TWAALFDE HOOFDSTUK.De Gevangenis van het kasteel.Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, dat hij hopeloos zich op een grooten steenliet neervallen en daar langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, niets dan de donkere duisternis om hem heen.Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deurknarste. De man, die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den armen Alewijn.Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard dan de meeste zijner tijdgenooten?Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.Zijn stem was zacht, toen hij beval: „Je moet mij volgen naar den heer.”Maar Alewijn hoorde het niet.Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep hij niet, wat men van hem wilde.Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.Buiten gekomen,leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.’t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer van den edelman doorbracht.Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, om den schat te behouden.De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan het licht brengen.Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen voorzien.Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de kleeren af.Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een pijnlijk verhoor.Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld vandaan kwam.Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.Bevend wachtte hij zijn vonnis af.De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer om te zien.In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij vroeg zich herhaaldelijk af,aan welke oorzaak hij dien gelukkigen afloop van de zaak had toe te schrijven.Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.Zoo verzonk hij in een somber peinzen.Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste geeselslag deed hem opschrikken.Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den naakten rug en liet roode streepen achter.Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo verlaten, zoo rampzalig gevoeld.Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijnkrachten genoeg waren, om dien te doen wankelen,danweer beproefde hij aan den rand van het luchtgat de steenen af te brokkelen.’t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart en barstte in woedend snikken uit.Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, ver van de plaats der ellende.
TWAALFDE HOOFDSTUK.TWAALFDE HOOFDSTUK.De Gevangenis van het kasteel.
TWAALFDE HOOFDSTUK.
Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, dat hij hopeloos zich op een grooten steenliet neervallen en daar langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, niets dan de donkere duisternis om hem heen.Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deurknarste. De man, die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den armen Alewijn.Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard dan de meeste zijner tijdgenooten?Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.Zijn stem was zacht, toen hij beval: „Je moet mij volgen naar den heer.”Maar Alewijn hoorde het niet.Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep hij niet, wat men van hem wilde.Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.Buiten gekomen,leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.’t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer van den edelman doorbracht.Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, om den schat te behouden.De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan het licht brengen.Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen voorzien.Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de kleeren af.Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een pijnlijk verhoor.Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld vandaan kwam.Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.Bevend wachtte hij zijn vonnis af.De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer om te zien.In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij vroeg zich herhaaldelijk af,aan welke oorzaak hij dien gelukkigen afloop van de zaak had toe te schrijven.Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.Zoo verzonk hij in een somber peinzen.Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste geeselslag deed hem opschrikken.Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den naakten rug en liet roode streepen achter.Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo verlaten, zoo rampzalig gevoeld.Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijnkrachten genoeg waren, om dien te doen wankelen,danweer beproefde hij aan den rand van het luchtgat de steenen af te brokkelen.’t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart en barstte in woedend snikken uit.Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, ver van de plaats der ellende.
Een der kelders van het kasteel was de gevangenis. Het donkere, kille hok met zijn zware gewelven, slechts schaars verlicht door een luchtgat, was wel in staat den binnentredende een huivering door de leden te jagen. De beklemmende indruk werd nog verhoogd door den aanblik van de strafwerktuigen: den geeselpaal, den vuurpot en het brandijzer. Is het wonder, dat Alewijn, toen hij zijn gevangenis binnentrad, over zijn geheele lichaam rilde en in de deur bleef staan, zoodat zijn geleiders hem met geweld naar binnen moesten duwen?
De kille, dompige lucht, de halve duisternis, de eenzaamheid, maar vooral de aanblik van die vreeselijke werktuigen brachten over Alewijn een gevoel van verlatenheid, van donkeren weemoed zoo groot, dat hij hopeloos zich op een grooten steenliet neervallen en daar langen tijd met het hoofd in de handen bleef zitten.
Hier, in het donker alleen zijn, ging hij in zijn gedachten het verleden langs: hij herinnerde zich weer het ouderlijk huis, zijn makkers, maar zoodra hij opkeek, werd hij plotseling weer in het ellendige heden verplaatst. Wat was het toch plotseling gekomen, zoo plotseling, zoo onverwacht, dat hij soms de verschrikkelijke waarheid niet kon gelooven. Ach, hij moest het wel gelooven: die grijze muren, die in hun dikke zwaarte hem een gevoel gaven, of het gewicht van het heele kasteel op hem drukte, die ketting, die galg, alles zei het maar al te duidelijk. In zijn verlangen, om zich tegen die verlammende gewaarwordingen te verzetten, keerde hij zich af, drukte zijn handen tegen de oogen, maar telkens, telkens weer werd zijn blik als door een geweldige kracht tot de verschrikkingen om hem heen getrokken.
Hij ging staan en begaf zich naar den kant, waar het luchtgat zich bevond, om tenminste een stukje van den blauwen hemel te zien, maar bij het gaan stootte zijn voet tegen een ijzeren brandtang, die rinkelend op zij schoof, en dit geluid joeg hem opnieuw een koude huivering door de leden. Geheel ontdaan en terneergeslagen, liet hij zich tegen den muur vallen. Hij drukte zijn hoofd tegen den killen wand en sloot zijn oogen, om toch maar niets te kunnen zien, niets dan de donkere duisternis om hem heen.
Zoo had hij geruimen tijd gestaan, toen de deurknarste. De man, die binnenkwam, keek de gevangenis rond, maar hij zag niets; eerst toen zijn oog aan de halve duisternis gewend was, ontdekte hij den armen Alewijn.
Gevoelde hij medelijden met den gevangene? Was hij zachter van aard dan de meeste zijner tijdgenooten?
Geen oogenblik toch kwam het in hem op, den ongelukkige, die zich aan zijn droefheid overgaf, te bespotten.
Zijn stem was zacht, toen hij beval: „Je moet mij volgen naar den heer.”
Maar Alewijn hoorde het niet.
Nu trad de gevangenbewaarder op den knaap toe, raakte zijn schouder even aan en herhaalde, een weinig luider, het bevel.
De arme jongen schrikte en keek verward om zich heen, als begreep hij niet, wat men van hem wilde.
Geduldig noodigde zijn bewaker hem voor den derden keer uit, mee te gaan en nu stond Alewijn op, waarna hij zwijgend den ander volgde.
Het korte verblijf in den somberen kerker had hem versuft.
Buiten gekomen,leefde hij wat op door den weldadigen invloed van het vriendelijk daglicht, maar slechts voor korten tijd; want de gedachte aan de droevige waarheid maakte hem neerslachtiger dan te voren.
Heer Diederik nam Alewijn terstond in verhoor.
’t Waren pijnlijke oogenblikken, die de jongen in de spreekkamer van den edelman doorbracht.Liegen wilde hij niet, maar evenmin kon hij er toe komen, alles te bekennen; zoo groot was zijn verlangen, om den schat te behouden.
De verlegenheid, waarvan Alewijn blijk gaf, versterkte den edelman in het vermoeden, dat hij met een misdadiger te doen had. Toen er niet spoedig een bekentenis kwam, begon hem de zaak duchtig te vervelen. Een flinke geeseling, meende hij, zou de waarheid wel aan het licht brengen.
Een rilling ging Alewijn door de leden, toen hij de wreede uitspraak vernam. Smeekend keek hij den gestrengen heer aan; hij wilde nog wat zeggen, maar de trotsche edelman achtte het beneden zich, nog meer tijd aan een verachtelijken slaaf te besteden.
Reeds hadden de dienaren bevel ontvangen, den gevangene weg te voeren.
In den killen kelder bleef hij niet lang alleen.
Weer knarsten de roestige scharnieren van de deur en er traden twee lijfeigenen binnen, elk gewapend met een zweep, van harde knoopen voorzien.
Alewijn kreeg bevel zich te ontkleeden.
Maar nu bood hij weerstand. Vrees voor de pijn, maar niet minder de vurige begeerte om het geld te behouden, gaven hem reuzenkrachten. Wanhopig worstelde hij, maar ach, een strijd van één tegen twee kon niet lang onbeslist blijven. Ten laatste lag Alewijn machteloos en hijgend op den grond en nu rukten zijn beulen hem de kleeren af.
Hierdoor kwam tot hun groote verrassing het geld voor den dag.
Een geeseling scheen overbodig. Heer Diederik werd met de ontdekking in kennis gesteld en men wachtte af, wat de edelman er wel van zou zeggen.
Voor de tweede maal moest Alewijn in de spreekkamer van het kasteel komen, voor den tweeden keer onderging hij de marteling van een pijnlijk verhoor.
Er werd hem rekenschap gevraagd. Hij moest zeggen, waar dat geld vandaan kwam.
Alewijn stond bedremmeld. Hij wist niets te antwoorden. Wat zou het ook baten, of hij al verzekerde, dat de schellingen op een eerlijke wijze in zijn bezit zijn gekomen. En alles bekennen, wat er tusschen hem en den jonker was voorgevallen, dat nooit! Daarom bleef hij zwijgen.
Bevend wachtte hij zijn vonnis af.
De edelman zat na te denken. Hij vond het een vreemd geval. Voor zoover hij wist, had er geen diefstal plaats gehad. Het ging toch niet aan, iemand te straffen voor een misdaad, die niet eens begaan was.
Daarom besloot hij ten leste, de zaak nog eens aan te zien. Hij gaf bevel, den gevangene een ferme geeseling toe te dienen, maar liet hem toch in leven. Naar zijn geld behoefde de arme jongen niet meer om te zien.
In het eerst was Alewijn ten zeerste verrast door deze uitspraak. Hij vroeg zich herhaaldelijk af,aan welke oorzaak hij dien gelukkigen afloop van de zaak had toe te schrijven.
Spoedig echter maakte de vreugde plaats voor neerslachtigheid. Het verlies van zijn geld was hem erger dan de dood. Want wat beteekende op zich zelf het ellendig leven van een slaaf?
Voorheen bezat Alewijn nog iets om aan te denken en dit was nu heen.
Zoo verzonk hij in een somber peinzen.
Met loome schreden volgde hij den bewaker naar den kerker. De eerste geeselslag deed hem opschrikken.
Een rauwe kreet klonk tusschen de gewelven, het touw striemde den naakten rug en liet roode streepen achter.
Onbarmhartig geeselden de meedoogenlooze beulen hun rampzaligen makker, die kermend ineenkromp onder de brandende pijnen.
Toen de strafoefening was afgeloopen, liet Alewijn zich op een steen neervallen, ten prooi aan de hevigste droefheid.
Sedert de scheiding van zijn familie had hij zich nog nooit zoo verlaten, zoo rampzalig gevoeld.
Het ellendige slavenleven, de grievende straf, de kille omgeving, alles werkte mee, om hem geheel terneer te slaan. Al sterker kwam het verlangen naar vrijheid in hem op, naar heerlijke, lichte vrijheid.
Wakende bracht hij den nacht door; allerlei plannen kwamen en gingen.
Nu eens bonsde hij tegen den muur, alsof zijnkrachten genoeg waren, om dien te doen wankelen,danweer beproefde hij aan den rand van het luchtgat de steenen af te brokkelen.
’t Waren jammerlijke, nuttelooze pogingen; de rotsharde muren spotten met de armzalige kracht van zwakke menschenhanden.
Moedeloozer dan ooit, gaf Alewijn zich opnieuw over aan zijn smart en barstte in woedend snikken uit.
Tegen den morgen werd hij kalmer; zijn tranen hadden hem verlicht en nu was het hem mogelijk, weer kalm na te denken.
Alewijn peinsde en peinsde en eindelijk stond zijn besluit vast. Van de eerste de beste gelegenheid wilde hij gebruik maken om weg te vluchten, ver van de plaats der ellende.