Chapter 3

In een stad, aan de grenzen van Perzië, leefden eens twee broeders, waarvan de een Casim, en de ander Ali Baba heette. Hun vader had hun maar een klein vermogen nagelaten, en daar zij dit weinige gelijkelijk verdeeld hadden, zou men allicht meenen, dat hun uiterlijke omstandigheden vrij wel gelijk waren; het toeval wilde 't echter anders.Casim huwde een vrouw, die spoedig na hun huwelijk een goed voorzienen winkel en een menigte onroerende goederen erfde, zoodat hij in eens een welgesteld man en een der rijkste lieden der stad werd.Ali Baba daarentegen huwde een vrouw, die even arm was als hij zelf, woonde zeer armoedig, en had geen andere verdiensten, om zich en den zijnen het levensonderhoud te verschaffen, dan de opbrengst van het hout, dat hij in het naburige bosch hakte en daarna op drie ezels, zijn eenige bezitting, naar de stad bracht en verkocht.Op zekeren dag, toen Ali Baba weer in het bosch was en juist hout genoeg geveld had, om zijn ezels daarmee te beladen, zag hij op eens in de verte een geweldige wolk opstijgen, welke zich in rechte richting bewoog naar de plaats, waar hij stond. Hij keek er zeer opmerkzaam naar, en zag weldra, dat het een talrijke ruiterschaar was, die in snellen draf naderbij kwam.Ofschoon men in de heele buurt nooit van roovers hoorde, kwam bij Ali Baba toch de gedachte op, dat deze ruiters wel roovers konden zijn, en daarom besloot hij, zijn ezels aan hun lot over te laten, en slechts zijn eigen persoon te redden. Hij klom dus in een boom, welks takken wel niet hoog, maar buitengewoon dicht bebladerd waren, en nam daarop nu met des te grooter vertrouwen plaats, als hij vandaaralles zien kon, wat beneden voorviel, zonder zelf gezien te worden. De boom stond aan den voet van een kale rots, die veel hooger dan de boom, en zoo steil was, dat men haar onmogelijk beklimmen kon.De ruiters, allen groote en flinke mannen, die zoowel van wapens als paarden goed voorzien waren, stegen bij de rots af, en Ali Baba, die er veertig telde, kon, naar hun gezichten en hun gansche kleeding te oordeelen, er nietmeer aan twijfelen, dat het roovers waren. Hij bedroog zich ook niet: het waren werkelijk roovers, die echter niet in 't minst deze streek verontrustten, maar hun zaken in andere, verre gewesten dreven, en hier alleen hun verzameloord hadden. Hij werd in zijn meening versterkt, toen hij ze verder bespiedde.Elk der ruiters toomde zijn paard af, bond het vast, wierp het een zak vol gerst, dien hij achter zich gehad had, om den kop, en maakte toen zijn reistasch los. De meeste hiervan kwamen Ali Baba zoo zwaar voor, dat hij er uit opmaakte, dat ze vol goud en zilver moesten zijn.De statigste der roovers, dien Ali Baba voor hun hoofdman hield, naderde met zijn reistasch op den schouder, eveneens de rots, die dicht bij den grooten boom stond, waarin Ali Baba zich verscholen had, en nadat hij zich door eenige struiken een weg gebaand had, sprak hij de woorden: „Sesam, open je!” zoo luid en duidelijk, dat Ali Baba ze hoorde. Nauwelijks had de rooverhoofdman deze woorden uitgesproken, ofer opende zich een deur, waardoor hij al zijn mannen liet binnengaan; hijzelf ging 't allerlaatst binnen en de deur sloot zich weer.De roovers bleven lang in de rots, en Ali Baba moest geduldig op den boom blijven en wachten; want hij vreesde, dat enkelen of ook wel allen tezamen weer naar buiten mochten komen op 't oogenblik, dat hij zijn post verlaten en vluchten wilde. Desniettemin kwam hij in verzoeking, naar omlaag te komen, zich meester te maken van twee paarden, op 't een te gaan zitten en het andere naast zich mee te voeren, en zoo, zijn ezels voor zich uit drijvend, naar de stad te rijden. Dit plan was echter te gewaagd en hij besloot daarom, het veiligste deel te kiezen.Eindelijk opende zich de deur weder, veertig roovers traden naar buiten, en de hoofdman, die er 't laatst ingegaan was, was thans de eerste, die buiten kwam, en de overigen allen voorbij zich heen liet gaan. Ali Baba hoorde, dat op zijn woorden: „Sesam, sluit je!” de deur zich weder sloot. Ieder keerde naar zijn paard terug, toomde het op, bond zijn tasch over 't zadel vast, en steeg weer op. Toen de hoofdman eindelijk zag, dat allen voor den rit gereed waren, plaatste hij zich aan hun hoofd en sloeg weer denzelfden weg in, waarlangs zij gekomen waren.Ali Baba daalde niet terstond uit den boom af. „Zij konden,” sprak hij bij zichzelf, „iets vergetenhebben, dat hen weer dwong terug te keeren, en dan zouden zij mij betrappen.” Hij volgde hen met de oogen, tot hij ze uit 't gezicht verloren had, en liet zich voor meerdere veiligheid eerst lang daarna op den grond zakken. Daar hij de woorden, krachtens welke de rooverhoofdman de deur geopend en weer gesloten had, goed in zijn geheugen bewaard had, bekroop hem de lust, een poging te wagen, of ze wellicht dezelfde uitwerking zouden hebben, alshijze uitsprak. Hij drong derhalve door het struikgewas, vond de deur, welke daardoor verborgen was, plaatste zich er voor, sprak de woorden: „Sesam, open je!” en—ziedaar! op 't zelfde oogenblik sprong de deur wagenwijd open.Ali Baba had een donker en somber oord verwacht, maar hoe groot was zijn verbazing toen hij het binnenste der rots zeer helder, groot en ruim, en door menschenhanden tot een hoog gewelf uitgehold vond, dat van boven door een kunstig aangebrachte opening zijn licht ontving. Hij vond hier veel mondvoorraad, zakken vol kostbare koopmansgoederen, zijden stoffen en brocaat, en vooral ook prachtige tapijten, bij hoopen opgestapeld; wat hem echter het meest aantrok, was een massa gemunt goud en zilver, dat gedeeltelijk op hoopen uitgeschud, gedeeltelijk in leeren zakken, welke op een lange rij stonden, geborgen was. Bij dezen aanblik kwamhet hem voor, alsof dit rotshol niet eerst sinds een reeks van jaren, maar reeds sedert eeuwen aan roovers tot toevluchtsoord gediend moest hebben.Ali Baba bedacht zich niet lang, wat hij hier doen zou; hij trad het hol binnen, en zoodra hij er in was, sloot zich de deur weer; dat verontrustte hem echter niet, want hij kende immers het geheim, om haar te openen. Bij het zilvergeld hield hij zich niet lang op, maar bemoeide zich alleen met het gemunte goud en in 't bijzonder met dat, wat in de zakken was. Hiervan nam hij herhaalde malen zooveel als hij dragen en zijn drie ezels, die zich ondertusschen verstrooid hadden, opladen kon. Toen hij ze weer bij de rots bijeengedreven had, belastte hij ze met de zakken, en om deze te verbergen, legde hij er hout bovenop, zoodat nu niemand er iets van zien kon. Toen hij daarmee klaar was, plaatste hij zich voor de deur, en nauwelijks had hij de woorden: „Sesam, sluit je!” uitgesproken, of zij sloot zich ook weer; zij was namelijk, telkens wanneer hij naar binnen gegaan was, van zelf dicht gegaan, en was elken keer, als hij er uit kwam, open gebleven.Ali Baba keerde nu weer naar de stad terug, en toen hij voor zijn huis aankwam, dreef hij zijn ezels naar 'n kleine binnenplaats, waarvan hij de deur zorgvuldig achter zich dicht maakte. Daarna laadde hij het weinige hout, dat zijneschatten verborg, af, droeg de zakken zijn woning in, en legde ze voor zijne vrouw neer, die op de sofa zat.Zijne vrouw nam de zakken in de hand, en toen zij merkte, dat ze vol goud waren, dacht zij, dat haar man ze gestolen had. Nadat hij alles binnen gebracht had, kon zij niet nalaten tot hem te zeggen: „Ali Baba, ben je van God verlaten, om...” Ali Baba onderbrak haar metde woorden: „Wees bedaard, lieve vrouw, en heb geen zorg; ik ben geen dief, want ik heb dit alles slechts aan dieven ontnomen. Je zult weldra je slechte meening van mij laten varen, wanneer ik je mijn geluk verteld zal hebben.” Hij schudde de zakken uit, zoodat er nu een groote hoop goud voor zijn vrouw kwam te liggen, die er geheel door verblind werd; hierop verhaalde hij haar zijn ontmoeting van het begin tot het einde, en raadde haar toen vóór alles aan, de heele geschiedenis geheim te houden.Toen de vrouw van haar verbazing en schrik weer bekomen was, verheugde zij zich met haar man over het geluk, dat hun was ten deel gevallen, en wilde den ganschen goudhoop, die voor haar lag, stuk voor stuk, tellen. „Beste vrouw,” zei Ali Baba tot haar,„dat is niet slim van je. Waar denk je aan?Jezoudt nooit met tellen klaar komen. Ik wil een kuil graven, en het daarin verbergen; wij hebben geen tijd te verliezen.”—„Het zou toch goed zijn,” antwoordde de vrouw, „wanneer wij tenminste ongeveer wisten, hoeveel er is. Ik zal bij de buren gaan, om een kleine maat te leenen en het daarmee te meten, terwijl gij ondertusschen den kuil graaft.”„Lieve vrouw,” zei Ali Baba daarop, „dit zou werkelijk nergens toe dienen, en ik raad je aan, het niet te doen. Doe overigens wat je wil, maarvergeet vooral niet, geen woord over de zaak te reppen.”Om haar verlangen te bevredigen ging Ali Baba's vrouw heen, en naar haar zwager Casim toe, die niet ver van hen af woonde. Casim was niet te huis, en zij wendde zich daarom tot zijn vrouw, met het verzoek, haar toch voor eenige oogenblikken een maat te leenen. De schoonzuster vroeg haar, of zij een groote of een kleine wilde, en Ali Baba's vrouw vroeg om een kleine maat.„Met plezier,” antwoordde haar schoonzuster, „wacht slechts een oogenblik, ik zal ze je dadelijk brengen.”De schoonzuster haalde de maat; daar zij echter Ali Baba's armoede kende, was zij erg nieuwsgierig te weten, wat voor graan zijn vrouw daarmee meten wilde, en kwam daarom op de gedachte, onder in de maat ongemerkt een beetje deeg te plakken. Daarna kwam zij terug, gaf Ali Baba's vrouw de maat over, en verontschuldigde zich over haar uitblijven met te zeggen, dat zij zoo lang had moeten zoeken.Toen Ali Baba's vrouw in haar huis teruggekeerd was, zette zij de maat op den goudhoop, vulde haar, en ledigde ze op eenigen afstand op de sofa. Toen zij nu alles gemeten had, was zij zeer tevreden over het aanzienlijk aantal maten, en vertelde dit aan haar man, die juist met zijn kuil klaar gekomen was.Terwijl Ali Baba het geld begroef, bracht zijn vrouw, om haar schoonzuster haar nauwgezetheid en haar zin voor orde te toonen, de maat terug; ze had echter niet opgemerkt, dat daarin onderaan nog een goudstuk kleefde.„Beste schoonzuster,” zeide zij tot haar, toen zij het ding terug gaf, „je ziet, dat ik je maat niet al te lang gehouden heb; ik ben er je zeer dankbaar voor; hier heb je haar weer.”Nauwelijks had Ali Baba's vrouw haar den rug toegekeerd, of Casims vrouw keek op den bodem van de maat, en men kan haar verbazing begrijpen, toen zij het geldstuk daarin ontdekte.Weldra sloop de satan van den nijd haar hart binnen. „Wat!” dacht zij, „Ali Baba heeft het goud bij schepels vol! Van waar mag de arme slokker het wel genomen hebben?”Casim, haar man, was, zooals we zeiden, niet te huis, maar in zijn winkel, vanwaar hij eerst tegen den avond terug verwacht werd. De tijd tot aan zijn terugkomst leek haar een eeuwigheid, want zij brandde van ongeduld, hem het groote nieuws te vertellen, dat voor hem even verrassend zijn moest, als voor haar.Toen Casim thuis gekomen was, zeide zijn vrouw tot hem: „Je gelooft een rijk man te zijn, nietwaar Casim? Maar je vergist je. Ali Baba is duizendmaal rijker dan jij; hij kan zijn geld niet tellen, maar moet het meten.”Casim verlangde een verklaring van dit raadsel, en zij vertelde hem, hoe sluw zij de ontdekking gedaan had; en tevens toonde zij hem het goudstuk, dat onder op den bodem was blijven kleven; het was zoo oud, dat de naam van den vorst, die het had laten munten, hun onbekend was.In plaats van zich te verheugen over het geluk van hun broeder, die tot nog toe zoo arm geweest was, voelde Casim slechts ijverzucht, welke hem geen rust meer liet. Den ganschen nacht kon hij er bijna niet van slapen, en den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang naar zijn broeder toe. Daar hij sinds zijn huwelijk met de rijke weduwe, hem niet meer als zijn broeder aanzag en dezen naam heelemaal vergeten had, zoo sprak hij hem thans als volgt aan: „Ali Baba, jij bent zeer terughoudend in je aangelegenheden. Jij speelt den arme, den noodlijdende, den bedelaar, en je meet het goud met schepels.”„Beste broeder,” antwoordde Ali Baba, „ik weet niet, wat je daarmee bedoelt; verklaar je nader.”„Hou je toch niet zoo dom,” antwoorddeCasim, en terwijl hij hem het goudstuk voorhield, dat zijn vrouw hem gegeven had, voegde hij erbij: „Hoeveel van zulke goudstukken heb je? Mijn vrouw heeft dit onder in de maat gevonden, welke jouw vrouw gisteren van haar geleend heeft.”Uit deze woorden merkte Ali Baba, dat, tengevolge van de eigenzinnigheid zijner vrouw, Casim en diens vrouw al reeds de zaak kenden, welker geheimhouding voor hem zoo gewichtig was. De fout was nu echter eenmaal begaan en men kon haar niet ongedaan maken. Zonder iets van zijn spijt te laten merken, bekende hij daarom zijn broeder de heele geschiedenis, en vertelde hem, door welk toeval en waar hij de schuilplaats der roovers ontdekt had; tegelijk bood hij aan, den schat met hem te deelen, wanneer hij slechts het geheim bewaren wilde.„Ja, dat verlang ik toch al,” sprak Casim op trotschen toon; „maar,” voegde hij er bij, „ik wil ook nog precies weten, waar de schat is, aan welke bijzondere kenteekenen ik hem herkennen, en hoe ik er zelf bij komen kan, wanneer ik er zin in heb; anders geef ik 't bij 't gerecht aan. Weiger je dus, dan heb je niet alleen niets meer te hopen, maar je zult ook nog verliezen, wat je al hebt; ik echter zal voor mijn aangifte mijn loon verkrijgen.”Meer uit goedmoedigheid, dan omdat hij door de onbeschaamde bedreigingen van zijn broederbang geworden was, bracht Ali Baba hem van alles op de hoogte, en deelde hem ook de woorden mee, die hij moest uitspreken, om het hol binnen, en er weer uit te kunnen komen.Meer verlangde Casim niet te weten. Hij verliet zijn broeder met het vaste voornemen, hem vóór te zijn en in de hoop, zich alleen van den schat meester te kunnen maken.Den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang met tien muildieren op weg, welkehij met groote kisten beladen had. Deze wilde hij alle geheel vullen, en hij nam zich nu al voor, bij een tweeden tocht naar den schat nog veel meer zulke kisten mee te nemen, ingeval hij nog zooveel ladingen vond, dat dit noodig bleek. Hij sloeg den weg in, dien Ali Baba hem aangeduid had, kwam bij de rots en herkende de kenteekenen, en evenzoo den boom, waarop Ali Baba zich verscholen had.Hij zocht de deur, vond haar, en sprak de woorden: „Sesam, open je!”; de deur ging open, hij trad naar binnen en terstond sloot zij zich weer. Bij bezichtiging van het hol, kwam hij in groote verbazing, wijl hij er veel meer rijkdommen in aantrof, dan hij uit Ali Baba's vertelling vermoed had, en zijn verwondering werd voortdurend grooter, hoe meer hij alles afzonderlijk in oogenschouw nam. Als een gierigaard, wien rijkdommen boven alles gaan, had hij gaarne den heelen dag zich verlustigd in den aanblik van zooveel goud, indien het hem niet was ingevallen, dat hij eigenlijk gekomen was, om het geld te halen en zijn tien muilezels er mee te beladen. Hij nam daarom een aantal zakken, zooveel hij dragen kon, ging daarmee naar de deur, en wijl hij aan al 't andere meer dacht, dan aan dat, wat thans voor hem het gewichtigste was, zoo gebeurde het, dat hij zich het tooverwoord niet meer herinnerde, en in plaats van Sesam, zeide: „Gerst, open je!”Hoe groot was zijn ontsteltenis, toen hij zag dat de deur zich niet opende, maar gesloten bleef. Nu noemde hij nog andere namen van graansoorten op, maar den juisten naam niet, en de deur bleef immer gesloten. Op dit toeval had Casim heelemaal niet gerekend. Schrik en angst maakten zich van hem meester, toen hij zich nu in zulk 'n groot gevaar zag, en hoe meer hij zich inspande, om het woord Sesam in zijn geheugen terug te roepen, des te verwarder werd hij, en weldra was het, alsof hij dit woord nooit had hooren noemen. Wanhopig wierp hij thans de zakken, waarmee hij zich beladen had, op den grond, ging met groote passen in het hol op en neer, en alle rijkdommen, waarmee hij zich omringd zag, hadden thans geen bekoring meer voor hem. Doch laten wij Casim zijn lot beweenen, hij verdient ons medelijden niet.De roovers keerden tegen den middag naar hun schuilplaats terug, en toen zij in de nabijheid kwamen, en de met kisten beladen muilezels van Casim ontdekten, werden zij door deze nieuwe verschijning ongerust, renden met lossen teugel naderbij en joegen de tien muilezels, die Casim vergeten had, vast te binden, uit mekaar, zoodat zij zich naar alle richtingen in het bosch verstrooiden en spoedig uit hun gezicht verdwenen waren. De roovers deden geen enkele poging, de muilezels na te rijden, het was hunvan veel meer belang den eigenaar der dieren te vinden. Terwijl nu eenigen van hen de rots omgingen, om hem te zoeken, steeg de hoofdman met de anderen af, ging met blanke sabel recht op de deur toe, sprak de woorden, en de deur opende zich.Casim, die binnen in het hol het getrappel der paarden hoorde, twijfelde er thans niet meer aan, dat de roovers gekomen waren en hijzelf verloren was. Toch besloot hij, een poging te wagen, om aan hunne handen te ontkomen, en zich te redden; daarom plaatste hij zich dicht bij de deur, om naar buiten te snellen, zoodra zij zich openen zou. Nauwelijks hoorde hij het woord Sesam, dat zijn geheugen ontgaan was, uitspreken, en zag de deur opengaan, of hij stormde zoo woest naar buiten, dat hij den hoofdman ter aarde wierp. Maar den anderen roovers kon hij niet ontkomen; dezen hielden eveneens de blanke sabel in de hand en doodden hem op de plaats zelve. Nu was de eerste zorg der roovers, de grot binnen te gaan. Zij vonden dicht bij de deur de zakken, die Casim daarheen gedragen had, om er zijn muilezels mee te belasten, en legden ze weer op hun oude plaats; zij merkten echter niet, dat die, welke Ali Baba meegenomen had, ontbraken. Terwijl zij nu met elkander over dit voorval beraadslaagden, begrepen zij wel, dat Casim niet meer uit de grot had kunnen komen, maar hoe hij erin gekomen was, daarvan begrepen zij niets. Zij kwamen op de gedachte, dat hij wellicht van boven af binnengekomen was; maar de opening, waardoor het licht naar binnen viel, was zoo hoog, en de top der rots zoo ontoegankelijk, dat zij eenstemmig verklaarden, dit raadsel niet te kunnen oplossen. Dat hij door de deur binnen gekomen was, konden zij niet aannemen, want daarvoor moest hij toch het geheim kennen, om haar te openen, en in het bezit daarvan, meenden zij, was niemand anders dan zij zelf. Zij konden namelijk niet weten, dat Ali Baba hen beluisterd en het gehoord had. Hoe het geval zich echter ook mocht toegedragen hebben, het was thans zaak, hun gemeenschappelijke rijkdommen in veiligheid te brengen, en zoo besloten zij daarom, Casim's lijk in vier stukken te verdeelen, en binnen in de grot, niet ver van de deur, aan weerskanten twee, op te hangen, tot afschrikwekkend voorbeeld voor ieder, die de brutaliteit zou hebben, iets dergelijks te wagen; zij zelf echter besloten, eerst na verloop van eenigen tijd, wanneer de lijklucht verdwenen zou zijn, naar hun hol terug te keeren. Daar niets hen meer terughield, verlieten zij hun schuilplaats, welke zij eerst goed gesloten hadden, stegen te paard en doorkruisten de landstreken in de richting, waar de straatwegen het meest door karavanen bezocht werden, om als gewoonlijk jacht opdeze te maken en ze uit te plunderen.Ondertusschen verkeerde Casim's vrouw in grooten angst, toen de nacht aanbrak en haar man nog immer niet teruggekeerd was. Vol bekommering ging zij naar Ali Baba en zeide tot hem: „Beste zwager, jij weet zeker wel, dat je broer Casim naar het bosch gegaan is, en met welk doel. Hij is nog niet teruggekomen, en het is toch al laat in den nacht; ik vrees, dat hem een of ander ongeluk overkomen is.”Ali Baba had na het boven aangevoerde gesprek met zijn broeder zijn reis vermoed, en was daarom op dezen dag niet zelf naar het bosch gegaan, om hem geen reden tot argwaan te geven. Zonder haar ook maar eenig verwijt te doen, dat haar of haar man, wanneer hij nog in 't leven was, had kunnen beleedigen, zeide hij tot haar, dat zij zich daarom nog niet ongerust behoefde te maken, want zonder twijfel had Casim het beter geoordeeld, eerst later in de stad terug te keeren.Casim's vrouw geloofde dit des te eerder, als zij er aan dacht, hoeveel er haar man aan gelegen moest liggen, de zaak geheim te houden. Zij keerde daarom getroost naar huis terug en wachtte geduldig tot omstreeks middernacht. Nu echter werd haar onrust en haar verdriet dubbel zoo groot, en dit te meer, wijl zij haar angstig kloppend hart niet door schreien en weenen lucht verschaffen kon, omdat zij welinzag, dat de ware oorzaak daarvan voor de buren een geheim moest blijven. Thans, nu haar fout niet meer te herstellen was, gevoelde zij berouw over haar dwaze nieuwsgierigheid en haar strafbare begeerte, de huiselijke aangelegenheden van haren zwager en haar schoonzuster te willen doorgronden. Zij weende den geheelen nacht door en bij 't aanbreken van den dag snelde zij weer naar hen toe, en gaf meer door tranen dan door woorden te verstaan, waarom zij kwam.Ali Baba wachtte niet, tot zijn schoonzuster hem bad, toch eens de moeite te willen nemen, en te gaan zien wat er van Casim geworden was. Hij ging oogenblikkelijk met zijn drie ezels op weg naar het bosch, nadat hij haar vooraf nog dringend aanbevolen had, haar kommer te matigen. Toen hij de rots naderde, zonder op den heelen weg noch zijn broeder, noch de muilezels aangetroffen te hebben, verwonderde hij zich zeer over het bloed, dat hij aan den ingang van het hol ontdekte; dit scheen hem een slecht voorteeken toe. Hij trad naar de deur, sprak de woorden, zij opende zich, en het eerste dat hem in het oog viel, was het lijk van zijn gevierendeelden broeder. Bij dezen treurigen aanblik bedacht hij zich niet lang, wat hij doen zou, maar besloot terstond, zijn broeder de laatste eer te bewijzen, want hij dacht er niet meer aan, hoe weinig broederlijke liefde deze steedsvoor hem getoond had. Hij vond in het hol de noodige dingen, om er het lijk van zijn broeder in te pakken, en vervolgens op een zijner ezels te laden; hij legde er hout overheen, opdat niemand er iets van merken zou. De beide andere ezels belastte hij zonder verder dralen met volle zakken goud, waarover hij eveneens hout legde. Nadat hij hiermee klaar was, en de deur bevolen had, zich weer te sluiten, trok hij naar de stad terug. Hij was intusschen voorzichtig genoeg, aan den rand van het bosch zoo lang te wachten, tot hij eerst bij 't aanbreken van den nacht de stad bereikte. Thuis aangekomen, dreef hij slechts de twee met goud beladen ezels in den hof, liet aan zijn vrouw de taak over, ze af te laden, en nadat hij haar met weinige woorden het lot van Casim medegedeeld had, voerde hij den derden ezel naar zijn schoonzuster. Ali Baba klopte aan de deur, en deze werd hem open gedaan door een zekere Morgiane. Deze Morgiane was een handige, verstandige en vindingrijke slavin, die de grootste moeilijkheden wist te boven te komen. Ali Baba kende haar als zoodanig. Toen hij daarom in den hof getreden was, en den ezel het hout en het andere pak afgenomen had, nam hij Morgiane ter zijde, en zeide tot haar: „Morgiane, het eerste, dat ik van je verlang, is volstrekte geheimhouding: je zult dadelijk begrijpen, hoeveel je gebiedster en mij daaraan gelegenmoet zijn. Deze pakken bevatten het lijk van je meester; wij moeten er thans voor zorgen, hem zoo te begraven alsof hij een natuurlijken dood gestorven was. Breng mij naar je meesteres, en let op alles, wat ik haar zal zeggen.”Morgiane kondigde hare gebiedster het bezoek aan, en Ali Baba, die haar op den voet volgde, trad de kamer in. „Welnu, zwager,” riep de weduwe hem met groot ongeduld tegemoet, „welk bericht breng je mij van mijn man?Jegezicht voorspelt niets goeds.”„Schoonzuster,” antwoordde Ali Baba, „ik kan je niets zeggen, als je mij niet eerst belooft, dat je mij van 't begin tot 't einde zult aanhooren, zonder den mond te openen. Na de gebeurtenis, welke ik je mee te deelen heb, is het voor je eigen welzijn en je rust, van even groot belang, als voor mij, dat de zaak geheim blijft.”„Ach!” riep de schoonzuster op halfluiden toon uit, „deze inleiding maakt het mij duidelijk, dat mijn man niet meer in leven is; maar ik zie tevens ook in, hoe noodig de geheimhouding is, welke jij van me verlangt. Wel moet ik mij veel geweld aandoen, maar spreek vrij uit, ik luister.”Ali Baba verhaalde hierop aan zijn schoonzuster den ganschen uitslag zijner reis, tot aan zijn terugkeer met Casim's lijk.„Schoonzuster,” voegde hij er bij, „je hebt nu werkelijk alle reden, om bedroefd te zijn, en des te meer, hoe minder je het verwachten kon. Aan dit ongeluk is nu echter niets meer te veranderen; wanneer echter iets in staat is, je te troosten, dan stel ik je voor, de weinige goederen, welke ik bezit met die van jou te vereenigen, en je te huwen;1tevens geef ik je de verzekering, dat mijn vrouw niet ijverzuchtig zijn zal, en gij beiden u met elkander bepaald goed zult kunnen verdragen. Bevalt mijn voorstel je, dan moeten wij voor alles daaraan denken, de zaak zoo te leiden, dat iedereen gelooven moet, dat mijn broeder een natuurlijken dood gestorven is, en op dit punt, geloof ik, kan je je geheel op Morgiane verlaten. Van mijn kant zal ik ook alles doen, wat in mijn macht is.”Wat kon Casim's weduwe beter doen, dan Ali Baba's voorstel aannemen? Naast het vermogen, dat haar door den dood van haar eersten man ten deel viel, bekwam zij een tweeden man, die rijker was, dan zij zelf en door de ontdekking van den schat nòg rijker kon worden. Zij sloeg het voorstel daarom niet van de hand, maar beschouwde het integendeel als een zeer geldige reden om zich te troosten. Terwijl zij daarom haar tranen droogde, welke intusschenal rijkelijk waren begonnen te stroomen, en het doordringende weegeroep, dat vrouwen plegen aan te heffen bij het verlies van haar mannen, naliet, bewees zij Ali Baba daarmee voldoende, dat zij zijn aanbod aannam. In deze stemming verliet Ali Baba de weduwe van Casim, en nadat hij Morgiane ingeprent had, haar rol goed te spelen, keerde hij met zijn ezel naar huis terug.Morgiane deed, wat men van haar verwachtte; zij ging tegelijk met Ali Baba het huis uit, en naar een apotheker, die in de buurt woonde. Zij klopte aan zijn winkel, en toen men haar had opengedaan, vroeg zij naar een zeker soort van geneesmiddelen, welke bij hoogst gevaarlijke ziekten van zeer groot nut zijn. De apotheker gaf er haar eenige voor het geld, dat zij op de toonbank gelegd had, en vroeg, wie er wel in het huis van haar meester ziek was?„Ach!” antwoordde zij met een diepen zucht, „Casim, mijn goede heer, is 't zelf. Men kan uit zijn ziekte niet wijs worden; hij spreekt niet en kan niets eten.”Met deze woorden nam zij de geneesmiddelen mee, waarvan Casim geen gebruik meer maken kon. Den volgenden morgen kwam Morgiane weer bij denzelfden apotheker, en verlangde met tranen in de oogen een drank, welken men zieken slechts in 't uiterste geval pleegt te geven; wanneer deze drank hen niet gezond maakte,dan gaf men alle hoop op hun genezing op.„Ach,” zeide zij, met groote droefheid, toen zij hem uit de hand van den apotheker aannam, „ik vrees zeer, dat dit middel even weinig zal baten, als de vorige geneesmiddelen. Ach, watwas het een goede meester, en nu moet ik hem verliezen!” Wijl men nu ook nog Ali Baba en zijn vrouw, den ganschen dag met bedroefde gezichten naar Casim's huis heen en weer zag gaan, zoo verwonderde zich niemand om het weegeklaag, dat Casim's vrouw en vooral Morgiane des avonds hooren lieten, om Casim's dood te verkondigen.Den volgenden morgen ging Morgiane, die op het marktplein een ouden, eerlijken schoenlapper kende, die zijn werkplaats steeds het allereerst en lang voor de anderen opende, in alle vroegte uit, om hem op te zoeken. Zij begroette hem met den gebruikelijken groet en drukte hem tegelijkertijd een goudstuk in de hand. De schoenlapper, die in de heele stad onder den naam van Baba Moestapha bekend, en een zeer vroolijke kameraad, vol luimige invallen was, bekeek het geldstuk nauwkeurig, wijl het nog niet klaar dag was, en toen hij er zich van overtuigd had, dat het van goud was, zeide hij: „Een mooi handgeld! wat verlang je daarvoor? ik ben bereid, alles te doen.”„Baba Moestapha,” zeide Morgiane tot hem, „neem al je gereedschap op, dat voor 't lappen noodig is, en kom snel met mij mee. Wanneer wij echter op die en die plaats gekomen zijn, moet je je de oogen laten verbinden.” Hiertegen had Baba Moestapha bezwaren.„Neen, neen!” antwoordde hij, „gij verlangtzeker iets van mij, dat tegen mijn geweten en tegen mijn eer indruischt.”„De hemel bewaar me,” riep Morgiane uit, terwijl zij hem een tweede goudstuk in de hand drukte, „ik verlang niets van je, dat je niet in alle deugd en eer doen kunt. Kom maar mee, en maak je niet onnoodig angstig.”Baba Moestapha volgde, en Morgiane geleidde hem, nadat zij hem op de aangewezen plek een doek voor de oogen gebonden had, in het huis van haar overleden meester, en nam hem den doek eerst af in de kamer, waarheen zij het lijk gebracht, en zijn vier deelen behoorlijk bijmekaar gevoegd had.„Baba Moestapha,” zeide zij thans tot hem,„ik heb je hierheen gebracht, opdat gij die vier stukken daar aan elkaar naaien zoudt. Verlies geen tijd, en wanneer je er mee klaar bent, ontvang je nog een goudstuk.”Toen Baba Moestapha gereed was, bond Morgiane hem in dezelfde kamer weer een doek voor de oogen, en nadat zij hem het beloofde derde goudstuk ter hand gesteld, en geheimhouding aangeraden had, voerde zij hem naar de plaats terug, waar zij hem den eersten keer de oogen verbonden had. Hier nam zij hem den doek weer af, en liet hem naar huis gaan; zij volgde hem met de oogen, zoo ver zij kon, opdat hij geen lust zou krijgen, terug te keeren en haarzelf te bespieden.Morgiane had kokend water laten gereedmaken, om Casim's lijk te wasschen, en Ali Baba, die tegelijk met haar in het huis teruggekeerd was, waschte en bewierookte hem, en hulde hem met de gewone plechtigheden en gebruiken in het lijkkleed. Spoedig bracht ook de timmerman de kist, die Ali Baba bij hem besteld had. Opdat nu de timmerman maar niets zou merken, nam Morgiane de kist aan de deur in ontvangst, en nadat zij hem betaald en weggezonden had, hielp zij Ali Baba het lijk er in leggen. Zoodra deze het deksel er op vast genageld had, ging zij naar de moskee en berichtte, dat alles voor de teraardebestelling gereed was. De lieden uit de moskee, wier werkhet is, de lijken te wasschen, boden hun diensten aan, om dat te doen, maar zij zeide hun, dat dit reeds geschied was. Nauwelijks was Morgiane weer thuis, toen deimam2met de overige dienaren der moskee er reeds aankwam. Vier van Casim's buren namen de kist op hun schouders, en droegen haar achter denimam, die voortdurend gebeden prevelde, naar de begraafplaats. Morgiane, als de slavin van den overledene, volgde onder tranen en met ontbloot hoofd, terwijl zij luide jammerklachtenuitstiet, zich heftig op de borst sloeg en de haren uitrukte. Achter haar ging Ali Baba, vergezeld van de buren, die van tijd tot tijd en op de rij af, de andere buren, die de kist droegen, aflosten, tot men eindelijk de begraafplaats bereikt had.Wat Casim's vrouw betreft, deze bleef te huis, om zich aan haar smart over te geven, en een luid klaaggeschrei aan te heffen met haar buurvrouwen, die volgens bestaande zeden, gedurende de begrafenisplechtigheid bij haar gekomen waren, om hare weeklachten te vereenigen met die der weduwe, en de heele buurt met rouw te vervullen. Op deze wijze bleef Casim's noodlottige dood een geheim tusschen Ali Baba, diens vrouw, Casim's weduwe en Morgiane, en deze vier personen bewaarden het zoo zorgvuldig, dat geen mensch in de heele stad er het minste vermoeden van had, laat staan het te weten kwam.Drie of vier dagen na Casim's begrafenis bracht Ali Baba de weinige gereedschappen, welke hij bezat, benevens het uit de schatkamer der roovers gehaalde geld—dit laatste echter alleen bij nacht—in het huis van de weduwe zijns broeders, om daarin voortaan te wonen. Daardoor bracht hij tevens zijn huwelijk met zijn schoonzuster ter openbare kennisse, en wijl huwelijken van dezen aard bij den Mohammedaanschen godsdienst volstrekt niets ongewoonszijn, verwonderde zich ook niemand daarover. Wat Casim's winkel betrof, zoo had Ali Baba een zoon, die sedert eenigen tijd zijn leerjaren bij een aanzienlijk koopman voleindigd, en steeds goede getuigschriften van hem gekregen had. Aan dezen zoon gaf Ali Baba nu den winkel met de belofte, wanneer hij voortging zich goed te gedragen, dat hij hem dan mettertijd volgens zijn stand, voordeelig zou uithuwelijken.Wij willen ondertusschen Ali Baba zijn nieuwe geluk laten genieten, om weer eens naar de veertig roovers om te zien. Zij keerden na den vastgestelden termijn naar hun schuilhoek in het bosch terug, en waren ten hoogste verbaasd, toen zij Casim's lijk niet meer vonden; nog hooger echter steeg hun verwondering, toen zij aan hunne goudzakken een belangrijke vermindering ontdekten.„Wij zijn verraden en verloren,” sprak de hoofdman, „wanneer wij ons niet zeer in acht nemen, en terstond de noodige tegenmaatregelen nemen; anders zouden wij langzamerhand al onze rijkdommen er bij inboeten, welke onze voorvaderen en wij zelf met zooveel moeite en bezwaren verworven hebben. Uit de schade, die er aangericht is, blijkt zooveel, dat de dief, dien wij betrapten, het geheim kende, om de deur te openen, en wij tot ons geluk juist op het oogenblik aankwamen, dat hij weer wilde vertrekken. Hij was nochtansniet alleen; er is nog een ander, die het geheim eveneens moet kennen. Behoeven wij daarvoor nog een ander bewijs, dan dat zijn lijk weggevoerd is, en onze schatten belangrijk verminderd zijn? Daar het nu niet waarschijnlijk is, dat meer dan twee personen van het geheim afweten, moeten wij, nadat wij den eersten omgebracht hebben, ook den tweeden uit den weg ruimen. Wat antwoordt gij daarop, dappere mannen, zijt gij ook niet van dezelfde meening?”Het voorstel van den hoofdman droeg de goedkeuring der geheele bende weg; zij waren het er allen over eens, dat men voorloopig elke andere onderneming uitstellen moest, om met vereende krachten dit eene plan te helpen uitvoeren. Ja, men zou er niet eerder van af zien, alvorens het doel bereikt was.„Juist dat,” zoo ging de hoofdman voort, „heb ik van uwen moed en uw dapperheid verwacht; voor alles echter moet een koen, behendig en ondernemend man uit uw midden, zonder wapens, in de kleedij eens vreemdelings, naar de stad gaan, en al zijn slimheid uitputten, om uit te vorschen, of men daar niet over den vreemden dood van den man spreekt, dien wij, gelijk hij verdiende, omgebracht hebben, wie hij was en in welk huis hij woonde. Dit is voor 't oogenblik het gewichtigste, opdat wij niets doen, dat wij ooit met grond zouden behoevente betreuren, en ons niet in een land verraden, waar wij zoo lang onbekend waren, en het van zoo groot belang voor ons is, ook voor 't vervolg onbekend te blijven. Om intusschen dengene, die zich met deze zending wil belasten, aan te vuren, en opdat hij ons niet een valsch bericht brenge, dat ons aller verderf na zich slepen kan, zoo vraag ik u, of gij het niet voor noodig houdt, dat hij zich in dit geval aan de doodstraf onderwerpe?”Zonder eerst den uitslag eener stemming af te wachten, zei een der roovers: „Ik onderwerp mij aan die voorwaarde, en stel er een eer in, bij deze zaak mijn leven te wagen. Gelukt het mij niet, dan zult gij u tenminste herinneren, dat het mij noch aan goeden wil, noch aan moed ontbroken heeft, om het welzijn van ons allen te bevorderen.”De roover oogstte veel lofspraak van den hoofdman en zijn kameraden in, en verkleedde zich toen zoo uitmuntend, dat niemand hem voor dàt houden kon, wat hij werkelijk was. Hij ging des nachts op weg, en nam zijn maatregelen zoo, dat hij juist tegen den tijd, dat het begon te schemeren, in de stad kwam. Op het marktplein aangekomen, zag hij slechts een enkelen winkel open, namelijk dien van Baba Moestapha.Baba Moestapha zat met een priem in de hand op zijn stoel, en wilde juist aan zijn werkbeginnen. De roover trad op hem toe, wenschte hem goeden morgen, en daar hij zijn hoogen leeftijd bemerkte, zeide hij tot hem: „Goede man, gij begint al zeer vroeg aan je werk; gij kunt op uw leeftijd onmogelijk nu al goed zien. Ook al was het reeds lichter, zoo betwijfel ik toch, of je oogen nog scherp genoeg zijn, om schoenen te lappen.”„Wie gij ook zijn moogt,” antwoordde Baba Moestapha, „zoo schijnt gij mij niet te kennen. Ik ben wel is waar zeer oud, heb echter nog voortreffelijke oogen, en tot bewijs daarvoor wil ik je slechts zeggen, dat ik nog niet lang geleden een doode aan elkaar gelapt heb op een plaats, waar het niet veel lichter is, dan het thans hier is.”De roover was zeer verheugd, zoo gauw een man te hebben aangetroffen, die hem, zooals hij hoopte, vanzelf en ongevraagd daarover inlichtingen geven zou, waarvoor hij hierheen gekomen was.„Een doode?” vroeg hij heel verbaasd, en om hem tot spreken te krijgen, voegde hij er bij: „Waarom een doode aan mekaar naaien? Gij wilt zeker zeggen, het lijkkleed, waarin hij gehuld was!”„Neen, neen,” antwoordde Baba Moestapha, „ik weet heel goed, wat ik zeggen wil. Gij zoudt mij graag tot spreken willen brengen, maar ik zal er je niets meer van vertellen.”De roover had geen verdere verklaringen noodig, om overtuigd te zijn, dat hij gevonden had, wat hij was komen zoeken. Hij haalde een goudstuk uit den zak, drukte het Baba Moestapha in de hand, en zeide tot hem: „Het is volstrekt mijn bedoeling niet, in je geheim te willen dringen, ofschoon ik je verzekeren kan, dat ik het niet verbreiden zou, als je het mij toevertrouwde. Het eenige, waarom ik je verzoek, is, dat je zoo vriendelijk zoudt willen zijn, mij het huis te beschrijven, of aan te wijzen, waar je het lijk aaneengenaaid hebt.”„Wanneer ik dit ook al gaarne doen wilde,” antwoordde Baba Moestapha, terwijl hij een beweging maakte, om den roover het goudstuk terug te geven, „zoo verzeker ik je toch, dat mij dit onmogelijk zou zijn, en gij kunt mij op mijn woord gelooven. Men heeft mij namelijk naar een bepaalde plaats gevoerd, waar mijn oogen verbonden werden, en vandaar af naar een huis, waar men mij, na de verrichting van mijn werk, weer op dezelfde wijze en naar dezelfde plek terugleidde. Je ziet dus wel in, dat ik onmogelijk aan uw verlangen voldoen kan.”„Maar kunt gij u,” vroeg de roover verder, „niet eenigszins nog den weg herinneren, waarlangs men u met verbonden oogen gevoerd heeft? Ik bid je, ga met mij mee; ik zal je op dezelfde plek de oogen verbinden, en dan zullen wij te zamen dezelfde straten en dezelfde kruiswegengaan, welke gij u herinnert, destijds gegaan te zijn. Daar echter de arbeider zijn loon waard is, geef ik je hiermee een tweede goudstuk. Kom nu, en doe mij dat genoegen.”De beide goudstukken lokten Baba Moestapha aan. Hij beschouwde ze een tijd lang in zijn hand, zonder een woord te zeggen, en ging met zichzelf te rade, wat hij doen moest. Eindelijk haalde hij zijn beurs te voorschijn, stopte ze er in, en zei toen tegen den roover: „Ik kan wel niet vast beloven, dat ik mij nog precies den weg herinner, langs welken men mij destijds gevoerd heeft; daar gij het echter zoo verlangt, zal ik al mijn best doen, om het mij te herinneren.”Baba Moestapha maakte zich nu tot groote vreugde van den roover gereed, en zonder zijn winkel te sluiten, waarin hij niets van belang te verliezen had, bracht hij hem naar de plek, waar Morgiane hemgeblinddoekthad. Toen zij daar aangekomen waren, zeide Baba Moestapha: „Hier ben ik geblinddoekt, en ik keek precies denzelfden kant uit, als nu.”De roover, die reeds zijn zakdoek bereid gehouden had, bond hem dezen nu eveneens voor de oogen, en ging naast hem voort, terwijl hij hem deels leidde, deels zich door hem leiden liet, totdat hij staan bleef.

In een stad, aan de grenzen van Perzië, leefden eens twee broeders, waarvan de een Casim, en de ander Ali Baba heette. Hun vader had hun maar een klein vermogen nagelaten, en daar zij dit weinige gelijkelijk verdeeld hadden, zou men allicht meenen, dat hun uiterlijke omstandigheden vrij wel gelijk waren; het toeval wilde 't echter anders.Casim huwde een vrouw, die spoedig na hun huwelijk een goed voorzienen winkel en een menigte onroerende goederen erfde, zoodat hij in eens een welgesteld man en een der rijkste lieden der stad werd.Ali Baba daarentegen huwde een vrouw, die even arm was als hij zelf, woonde zeer armoedig, en had geen andere verdiensten, om zich en den zijnen het levensonderhoud te verschaffen, dan de opbrengst van het hout, dat hij in het naburige bosch hakte en daarna op drie ezels, zijn eenige bezitting, naar de stad bracht en verkocht.Op zekeren dag, toen Ali Baba weer in het bosch was en juist hout genoeg geveld had, om zijn ezels daarmee te beladen, zag hij op eens in de verte een geweldige wolk opstijgen, welke zich in rechte richting bewoog naar de plaats, waar hij stond. Hij keek er zeer opmerkzaam naar, en zag weldra, dat het een talrijke ruiterschaar was, die in snellen draf naderbij kwam.Ofschoon men in de heele buurt nooit van roovers hoorde, kwam bij Ali Baba toch de gedachte op, dat deze ruiters wel roovers konden zijn, en daarom besloot hij, zijn ezels aan hun lot over te laten, en slechts zijn eigen persoon te redden. Hij klom dus in een boom, welks takken wel niet hoog, maar buitengewoon dicht bebladerd waren, en nam daarop nu met des te grooter vertrouwen plaats, als hij vandaaralles zien kon, wat beneden voorviel, zonder zelf gezien te worden. De boom stond aan den voet van een kale rots, die veel hooger dan de boom, en zoo steil was, dat men haar onmogelijk beklimmen kon.De ruiters, allen groote en flinke mannen, die zoowel van wapens als paarden goed voorzien waren, stegen bij de rots af, en Ali Baba, die er veertig telde, kon, naar hun gezichten en hun gansche kleeding te oordeelen, er nietmeer aan twijfelen, dat het roovers waren. Hij bedroog zich ook niet: het waren werkelijk roovers, die echter niet in 't minst deze streek verontrustten, maar hun zaken in andere, verre gewesten dreven, en hier alleen hun verzameloord hadden. Hij werd in zijn meening versterkt, toen hij ze verder bespiedde.Elk der ruiters toomde zijn paard af, bond het vast, wierp het een zak vol gerst, dien hij achter zich gehad had, om den kop, en maakte toen zijn reistasch los. De meeste hiervan kwamen Ali Baba zoo zwaar voor, dat hij er uit opmaakte, dat ze vol goud en zilver moesten zijn.De statigste der roovers, dien Ali Baba voor hun hoofdman hield, naderde met zijn reistasch op den schouder, eveneens de rots, die dicht bij den grooten boom stond, waarin Ali Baba zich verscholen had, en nadat hij zich door eenige struiken een weg gebaand had, sprak hij de woorden: „Sesam, open je!” zoo luid en duidelijk, dat Ali Baba ze hoorde. Nauwelijks had de rooverhoofdman deze woorden uitgesproken, ofer opende zich een deur, waardoor hij al zijn mannen liet binnengaan; hijzelf ging 't allerlaatst binnen en de deur sloot zich weer.De roovers bleven lang in de rots, en Ali Baba moest geduldig op den boom blijven en wachten; want hij vreesde, dat enkelen of ook wel allen tezamen weer naar buiten mochten komen op 't oogenblik, dat hij zijn post verlaten en vluchten wilde. Desniettemin kwam hij in verzoeking, naar omlaag te komen, zich meester te maken van twee paarden, op 't een te gaan zitten en het andere naast zich mee te voeren, en zoo, zijn ezels voor zich uit drijvend, naar de stad te rijden. Dit plan was echter te gewaagd en hij besloot daarom, het veiligste deel te kiezen.Eindelijk opende zich de deur weder, veertig roovers traden naar buiten, en de hoofdman, die er 't laatst ingegaan was, was thans de eerste, die buiten kwam, en de overigen allen voorbij zich heen liet gaan. Ali Baba hoorde, dat op zijn woorden: „Sesam, sluit je!” de deur zich weder sloot. Ieder keerde naar zijn paard terug, toomde het op, bond zijn tasch over 't zadel vast, en steeg weer op. Toen de hoofdman eindelijk zag, dat allen voor den rit gereed waren, plaatste hij zich aan hun hoofd en sloeg weer denzelfden weg in, waarlangs zij gekomen waren.Ali Baba daalde niet terstond uit den boom af. „Zij konden,” sprak hij bij zichzelf, „iets vergetenhebben, dat hen weer dwong terug te keeren, en dan zouden zij mij betrappen.” Hij volgde hen met de oogen, tot hij ze uit 't gezicht verloren had, en liet zich voor meerdere veiligheid eerst lang daarna op den grond zakken. Daar hij de woorden, krachtens welke de rooverhoofdman de deur geopend en weer gesloten had, goed in zijn geheugen bewaard had, bekroop hem de lust, een poging te wagen, of ze wellicht dezelfde uitwerking zouden hebben, alshijze uitsprak. Hij drong derhalve door het struikgewas, vond de deur, welke daardoor verborgen was, plaatste zich er voor, sprak de woorden: „Sesam, open je!” en—ziedaar! op 't zelfde oogenblik sprong de deur wagenwijd open.Ali Baba had een donker en somber oord verwacht, maar hoe groot was zijn verbazing toen hij het binnenste der rots zeer helder, groot en ruim, en door menschenhanden tot een hoog gewelf uitgehold vond, dat van boven door een kunstig aangebrachte opening zijn licht ontving. Hij vond hier veel mondvoorraad, zakken vol kostbare koopmansgoederen, zijden stoffen en brocaat, en vooral ook prachtige tapijten, bij hoopen opgestapeld; wat hem echter het meest aantrok, was een massa gemunt goud en zilver, dat gedeeltelijk op hoopen uitgeschud, gedeeltelijk in leeren zakken, welke op een lange rij stonden, geborgen was. Bij dezen aanblik kwamhet hem voor, alsof dit rotshol niet eerst sinds een reeks van jaren, maar reeds sedert eeuwen aan roovers tot toevluchtsoord gediend moest hebben.Ali Baba bedacht zich niet lang, wat hij hier doen zou; hij trad het hol binnen, en zoodra hij er in was, sloot zich de deur weer; dat verontrustte hem echter niet, want hij kende immers het geheim, om haar te openen. Bij het zilvergeld hield hij zich niet lang op, maar bemoeide zich alleen met het gemunte goud en in 't bijzonder met dat, wat in de zakken was. Hiervan nam hij herhaalde malen zooveel als hij dragen en zijn drie ezels, die zich ondertusschen verstrooid hadden, opladen kon. Toen hij ze weer bij de rots bijeengedreven had, belastte hij ze met de zakken, en om deze te verbergen, legde hij er hout bovenop, zoodat nu niemand er iets van zien kon. Toen hij daarmee klaar was, plaatste hij zich voor de deur, en nauwelijks had hij de woorden: „Sesam, sluit je!” uitgesproken, of zij sloot zich ook weer; zij was namelijk, telkens wanneer hij naar binnen gegaan was, van zelf dicht gegaan, en was elken keer, als hij er uit kwam, open gebleven.Ali Baba keerde nu weer naar de stad terug, en toen hij voor zijn huis aankwam, dreef hij zijn ezels naar 'n kleine binnenplaats, waarvan hij de deur zorgvuldig achter zich dicht maakte. Daarna laadde hij het weinige hout, dat zijneschatten verborg, af, droeg de zakken zijn woning in, en legde ze voor zijne vrouw neer, die op de sofa zat.Zijne vrouw nam de zakken in de hand, en toen zij merkte, dat ze vol goud waren, dacht zij, dat haar man ze gestolen had. Nadat hij alles binnen gebracht had, kon zij niet nalaten tot hem te zeggen: „Ali Baba, ben je van God verlaten, om...” Ali Baba onderbrak haar metde woorden: „Wees bedaard, lieve vrouw, en heb geen zorg; ik ben geen dief, want ik heb dit alles slechts aan dieven ontnomen. Je zult weldra je slechte meening van mij laten varen, wanneer ik je mijn geluk verteld zal hebben.” Hij schudde de zakken uit, zoodat er nu een groote hoop goud voor zijn vrouw kwam te liggen, die er geheel door verblind werd; hierop verhaalde hij haar zijn ontmoeting van het begin tot het einde, en raadde haar toen vóór alles aan, de heele geschiedenis geheim te houden.Toen de vrouw van haar verbazing en schrik weer bekomen was, verheugde zij zich met haar man over het geluk, dat hun was ten deel gevallen, en wilde den ganschen goudhoop, die voor haar lag, stuk voor stuk, tellen. „Beste vrouw,” zei Ali Baba tot haar,„dat is niet slim van je. Waar denk je aan?Jezoudt nooit met tellen klaar komen. Ik wil een kuil graven, en het daarin verbergen; wij hebben geen tijd te verliezen.”—„Het zou toch goed zijn,” antwoordde de vrouw, „wanneer wij tenminste ongeveer wisten, hoeveel er is. Ik zal bij de buren gaan, om een kleine maat te leenen en het daarmee te meten, terwijl gij ondertusschen den kuil graaft.”„Lieve vrouw,” zei Ali Baba daarop, „dit zou werkelijk nergens toe dienen, en ik raad je aan, het niet te doen. Doe overigens wat je wil, maarvergeet vooral niet, geen woord over de zaak te reppen.”Om haar verlangen te bevredigen ging Ali Baba's vrouw heen, en naar haar zwager Casim toe, die niet ver van hen af woonde. Casim was niet te huis, en zij wendde zich daarom tot zijn vrouw, met het verzoek, haar toch voor eenige oogenblikken een maat te leenen. De schoonzuster vroeg haar, of zij een groote of een kleine wilde, en Ali Baba's vrouw vroeg om een kleine maat.„Met plezier,” antwoordde haar schoonzuster, „wacht slechts een oogenblik, ik zal ze je dadelijk brengen.”De schoonzuster haalde de maat; daar zij echter Ali Baba's armoede kende, was zij erg nieuwsgierig te weten, wat voor graan zijn vrouw daarmee meten wilde, en kwam daarom op de gedachte, onder in de maat ongemerkt een beetje deeg te plakken. Daarna kwam zij terug, gaf Ali Baba's vrouw de maat over, en verontschuldigde zich over haar uitblijven met te zeggen, dat zij zoo lang had moeten zoeken.Toen Ali Baba's vrouw in haar huis teruggekeerd was, zette zij de maat op den goudhoop, vulde haar, en ledigde ze op eenigen afstand op de sofa. Toen zij nu alles gemeten had, was zij zeer tevreden over het aanzienlijk aantal maten, en vertelde dit aan haar man, die juist met zijn kuil klaar gekomen was.Terwijl Ali Baba het geld begroef, bracht zijn vrouw, om haar schoonzuster haar nauwgezetheid en haar zin voor orde te toonen, de maat terug; ze had echter niet opgemerkt, dat daarin onderaan nog een goudstuk kleefde.„Beste schoonzuster,” zeide zij tot haar, toen zij het ding terug gaf, „je ziet, dat ik je maat niet al te lang gehouden heb; ik ben er je zeer dankbaar voor; hier heb je haar weer.”Nauwelijks had Ali Baba's vrouw haar den rug toegekeerd, of Casims vrouw keek op den bodem van de maat, en men kan haar verbazing begrijpen, toen zij het geldstuk daarin ontdekte.Weldra sloop de satan van den nijd haar hart binnen. „Wat!” dacht zij, „Ali Baba heeft het goud bij schepels vol! Van waar mag de arme slokker het wel genomen hebben?”Casim, haar man, was, zooals we zeiden, niet te huis, maar in zijn winkel, vanwaar hij eerst tegen den avond terug verwacht werd. De tijd tot aan zijn terugkomst leek haar een eeuwigheid, want zij brandde van ongeduld, hem het groote nieuws te vertellen, dat voor hem even verrassend zijn moest, als voor haar.Toen Casim thuis gekomen was, zeide zijn vrouw tot hem: „Je gelooft een rijk man te zijn, nietwaar Casim? Maar je vergist je. Ali Baba is duizendmaal rijker dan jij; hij kan zijn geld niet tellen, maar moet het meten.”Casim verlangde een verklaring van dit raadsel, en zij vertelde hem, hoe sluw zij de ontdekking gedaan had; en tevens toonde zij hem het goudstuk, dat onder op den bodem was blijven kleven; het was zoo oud, dat de naam van den vorst, die het had laten munten, hun onbekend was.In plaats van zich te verheugen over het geluk van hun broeder, die tot nog toe zoo arm geweest was, voelde Casim slechts ijverzucht, welke hem geen rust meer liet. Den ganschen nacht kon hij er bijna niet van slapen, en den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang naar zijn broeder toe. Daar hij sinds zijn huwelijk met de rijke weduwe, hem niet meer als zijn broeder aanzag en dezen naam heelemaal vergeten had, zoo sprak hij hem thans als volgt aan: „Ali Baba, jij bent zeer terughoudend in je aangelegenheden. Jij speelt den arme, den noodlijdende, den bedelaar, en je meet het goud met schepels.”„Beste broeder,” antwoordde Ali Baba, „ik weet niet, wat je daarmee bedoelt; verklaar je nader.”„Hou je toch niet zoo dom,” antwoorddeCasim, en terwijl hij hem het goudstuk voorhield, dat zijn vrouw hem gegeven had, voegde hij erbij: „Hoeveel van zulke goudstukken heb je? Mijn vrouw heeft dit onder in de maat gevonden, welke jouw vrouw gisteren van haar geleend heeft.”Uit deze woorden merkte Ali Baba, dat, tengevolge van de eigenzinnigheid zijner vrouw, Casim en diens vrouw al reeds de zaak kenden, welker geheimhouding voor hem zoo gewichtig was. De fout was nu echter eenmaal begaan en men kon haar niet ongedaan maken. Zonder iets van zijn spijt te laten merken, bekende hij daarom zijn broeder de heele geschiedenis, en vertelde hem, door welk toeval en waar hij de schuilplaats der roovers ontdekt had; tegelijk bood hij aan, den schat met hem te deelen, wanneer hij slechts het geheim bewaren wilde.„Ja, dat verlang ik toch al,” sprak Casim op trotschen toon; „maar,” voegde hij er bij, „ik wil ook nog precies weten, waar de schat is, aan welke bijzondere kenteekenen ik hem herkennen, en hoe ik er zelf bij komen kan, wanneer ik er zin in heb; anders geef ik 't bij 't gerecht aan. Weiger je dus, dan heb je niet alleen niets meer te hopen, maar je zult ook nog verliezen, wat je al hebt; ik echter zal voor mijn aangifte mijn loon verkrijgen.”Meer uit goedmoedigheid, dan omdat hij door de onbeschaamde bedreigingen van zijn broederbang geworden was, bracht Ali Baba hem van alles op de hoogte, en deelde hem ook de woorden mee, die hij moest uitspreken, om het hol binnen, en er weer uit te kunnen komen.Meer verlangde Casim niet te weten. Hij verliet zijn broeder met het vaste voornemen, hem vóór te zijn en in de hoop, zich alleen van den schat meester te kunnen maken.Den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang met tien muildieren op weg, welkehij met groote kisten beladen had. Deze wilde hij alle geheel vullen, en hij nam zich nu al voor, bij een tweeden tocht naar den schat nog veel meer zulke kisten mee te nemen, ingeval hij nog zooveel ladingen vond, dat dit noodig bleek. Hij sloeg den weg in, dien Ali Baba hem aangeduid had, kwam bij de rots en herkende de kenteekenen, en evenzoo den boom, waarop Ali Baba zich verscholen had.Hij zocht de deur, vond haar, en sprak de woorden: „Sesam, open je!”; de deur ging open, hij trad naar binnen en terstond sloot zij zich weer. Bij bezichtiging van het hol, kwam hij in groote verbazing, wijl hij er veel meer rijkdommen in aantrof, dan hij uit Ali Baba's vertelling vermoed had, en zijn verwondering werd voortdurend grooter, hoe meer hij alles afzonderlijk in oogenschouw nam. Als een gierigaard, wien rijkdommen boven alles gaan, had hij gaarne den heelen dag zich verlustigd in den aanblik van zooveel goud, indien het hem niet was ingevallen, dat hij eigenlijk gekomen was, om het geld te halen en zijn tien muilezels er mee te beladen. Hij nam daarom een aantal zakken, zooveel hij dragen kon, ging daarmee naar de deur, en wijl hij aan al 't andere meer dacht, dan aan dat, wat thans voor hem het gewichtigste was, zoo gebeurde het, dat hij zich het tooverwoord niet meer herinnerde, en in plaats van Sesam, zeide: „Gerst, open je!”Hoe groot was zijn ontsteltenis, toen hij zag dat de deur zich niet opende, maar gesloten bleef. Nu noemde hij nog andere namen van graansoorten op, maar den juisten naam niet, en de deur bleef immer gesloten. Op dit toeval had Casim heelemaal niet gerekend. Schrik en angst maakten zich van hem meester, toen hij zich nu in zulk 'n groot gevaar zag, en hoe meer hij zich inspande, om het woord Sesam in zijn geheugen terug te roepen, des te verwarder werd hij, en weldra was het, alsof hij dit woord nooit had hooren noemen. Wanhopig wierp hij thans de zakken, waarmee hij zich beladen had, op den grond, ging met groote passen in het hol op en neer, en alle rijkdommen, waarmee hij zich omringd zag, hadden thans geen bekoring meer voor hem. Doch laten wij Casim zijn lot beweenen, hij verdient ons medelijden niet.De roovers keerden tegen den middag naar hun schuilplaats terug, en toen zij in de nabijheid kwamen, en de met kisten beladen muilezels van Casim ontdekten, werden zij door deze nieuwe verschijning ongerust, renden met lossen teugel naderbij en joegen de tien muilezels, die Casim vergeten had, vast te binden, uit mekaar, zoodat zij zich naar alle richtingen in het bosch verstrooiden en spoedig uit hun gezicht verdwenen waren. De roovers deden geen enkele poging, de muilezels na te rijden, het was hunvan veel meer belang den eigenaar der dieren te vinden. Terwijl nu eenigen van hen de rots omgingen, om hem te zoeken, steeg de hoofdman met de anderen af, ging met blanke sabel recht op de deur toe, sprak de woorden, en de deur opende zich.Casim, die binnen in het hol het getrappel der paarden hoorde, twijfelde er thans niet meer aan, dat de roovers gekomen waren en hijzelf verloren was. Toch besloot hij, een poging te wagen, om aan hunne handen te ontkomen, en zich te redden; daarom plaatste hij zich dicht bij de deur, om naar buiten te snellen, zoodra zij zich openen zou. Nauwelijks hoorde hij het woord Sesam, dat zijn geheugen ontgaan was, uitspreken, en zag de deur opengaan, of hij stormde zoo woest naar buiten, dat hij den hoofdman ter aarde wierp. Maar den anderen roovers kon hij niet ontkomen; dezen hielden eveneens de blanke sabel in de hand en doodden hem op de plaats zelve. Nu was de eerste zorg der roovers, de grot binnen te gaan. Zij vonden dicht bij de deur de zakken, die Casim daarheen gedragen had, om er zijn muilezels mee te belasten, en legden ze weer op hun oude plaats; zij merkten echter niet, dat die, welke Ali Baba meegenomen had, ontbraken. Terwijl zij nu met elkander over dit voorval beraadslaagden, begrepen zij wel, dat Casim niet meer uit de grot had kunnen komen, maar hoe hij erin gekomen was, daarvan begrepen zij niets. Zij kwamen op de gedachte, dat hij wellicht van boven af binnengekomen was; maar de opening, waardoor het licht naar binnen viel, was zoo hoog, en de top der rots zoo ontoegankelijk, dat zij eenstemmig verklaarden, dit raadsel niet te kunnen oplossen. Dat hij door de deur binnen gekomen was, konden zij niet aannemen, want daarvoor moest hij toch het geheim kennen, om haar te openen, en in het bezit daarvan, meenden zij, was niemand anders dan zij zelf. Zij konden namelijk niet weten, dat Ali Baba hen beluisterd en het gehoord had. Hoe het geval zich echter ook mocht toegedragen hebben, het was thans zaak, hun gemeenschappelijke rijkdommen in veiligheid te brengen, en zoo besloten zij daarom, Casim's lijk in vier stukken te verdeelen, en binnen in de grot, niet ver van de deur, aan weerskanten twee, op te hangen, tot afschrikwekkend voorbeeld voor ieder, die de brutaliteit zou hebben, iets dergelijks te wagen; zij zelf echter besloten, eerst na verloop van eenigen tijd, wanneer de lijklucht verdwenen zou zijn, naar hun hol terug te keeren. Daar niets hen meer terughield, verlieten zij hun schuilplaats, welke zij eerst goed gesloten hadden, stegen te paard en doorkruisten de landstreken in de richting, waar de straatwegen het meest door karavanen bezocht werden, om als gewoonlijk jacht opdeze te maken en ze uit te plunderen.Ondertusschen verkeerde Casim's vrouw in grooten angst, toen de nacht aanbrak en haar man nog immer niet teruggekeerd was. Vol bekommering ging zij naar Ali Baba en zeide tot hem: „Beste zwager, jij weet zeker wel, dat je broer Casim naar het bosch gegaan is, en met welk doel. Hij is nog niet teruggekomen, en het is toch al laat in den nacht; ik vrees, dat hem een of ander ongeluk overkomen is.”Ali Baba had na het boven aangevoerde gesprek met zijn broeder zijn reis vermoed, en was daarom op dezen dag niet zelf naar het bosch gegaan, om hem geen reden tot argwaan te geven. Zonder haar ook maar eenig verwijt te doen, dat haar of haar man, wanneer hij nog in 't leven was, had kunnen beleedigen, zeide hij tot haar, dat zij zich daarom nog niet ongerust behoefde te maken, want zonder twijfel had Casim het beter geoordeeld, eerst later in de stad terug te keeren.Casim's vrouw geloofde dit des te eerder, als zij er aan dacht, hoeveel er haar man aan gelegen moest liggen, de zaak geheim te houden. Zij keerde daarom getroost naar huis terug en wachtte geduldig tot omstreeks middernacht. Nu echter werd haar onrust en haar verdriet dubbel zoo groot, en dit te meer, wijl zij haar angstig kloppend hart niet door schreien en weenen lucht verschaffen kon, omdat zij welinzag, dat de ware oorzaak daarvan voor de buren een geheim moest blijven. Thans, nu haar fout niet meer te herstellen was, gevoelde zij berouw over haar dwaze nieuwsgierigheid en haar strafbare begeerte, de huiselijke aangelegenheden van haren zwager en haar schoonzuster te willen doorgronden. Zij weende den geheelen nacht door en bij 't aanbreken van den dag snelde zij weer naar hen toe, en gaf meer door tranen dan door woorden te verstaan, waarom zij kwam.Ali Baba wachtte niet, tot zijn schoonzuster hem bad, toch eens de moeite te willen nemen, en te gaan zien wat er van Casim geworden was. Hij ging oogenblikkelijk met zijn drie ezels op weg naar het bosch, nadat hij haar vooraf nog dringend aanbevolen had, haar kommer te matigen. Toen hij de rots naderde, zonder op den heelen weg noch zijn broeder, noch de muilezels aangetroffen te hebben, verwonderde hij zich zeer over het bloed, dat hij aan den ingang van het hol ontdekte; dit scheen hem een slecht voorteeken toe. Hij trad naar de deur, sprak de woorden, zij opende zich, en het eerste dat hem in het oog viel, was het lijk van zijn gevierendeelden broeder. Bij dezen treurigen aanblik bedacht hij zich niet lang, wat hij doen zou, maar besloot terstond, zijn broeder de laatste eer te bewijzen, want hij dacht er niet meer aan, hoe weinig broederlijke liefde deze steedsvoor hem getoond had. Hij vond in het hol de noodige dingen, om er het lijk van zijn broeder in te pakken, en vervolgens op een zijner ezels te laden; hij legde er hout overheen, opdat niemand er iets van merken zou. De beide andere ezels belastte hij zonder verder dralen met volle zakken goud, waarover hij eveneens hout legde. Nadat hij hiermee klaar was, en de deur bevolen had, zich weer te sluiten, trok hij naar de stad terug. Hij was intusschen voorzichtig genoeg, aan den rand van het bosch zoo lang te wachten, tot hij eerst bij 't aanbreken van den nacht de stad bereikte. Thuis aangekomen, dreef hij slechts de twee met goud beladen ezels in den hof, liet aan zijn vrouw de taak over, ze af te laden, en nadat hij haar met weinige woorden het lot van Casim medegedeeld had, voerde hij den derden ezel naar zijn schoonzuster. Ali Baba klopte aan de deur, en deze werd hem open gedaan door een zekere Morgiane. Deze Morgiane was een handige, verstandige en vindingrijke slavin, die de grootste moeilijkheden wist te boven te komen. Ali Baba kende haar als zoodanig. Toen hij daarom in den hof getreden was, en den ezel het hout en het andere pak afgenomen had, nam hij Morgiane ter zijde, en zeide tot haar: „Morgiane, het eerste, dat ik van je verlang, is volstrekte geheimhouding: je zult dadelijk begrijpen, hoeveel je gebiedster en mij daaraan gelegenmoet zijn. Deze pakken bevatten het lijk van je meester; wij moeten er thans voor zorgen, hem zoo te begraven alsof hij een natuurlijken dood gestorven was. Breng mij naar je meesteres, en let op alles, wat ik haar zal zeggen.”Morgiane kondigde hare gebiedster het bezoek aan, en Ali Baba, die haar op den voet volgde, trad de kamer in. „Welnu, zwager,” riep de weduwe hem met groot ongeduld tegemoet, „welk bericht breng je mij van mijn man?Jegezicht voorspelt niets goeds.”„Schoonzuster,” antwoordde Ali Baba, „ik kan je niets zeggen, als je mij niet eerst belooft, dat je mij van 't begin tot 't einde zult aanhooren, zonder den mond te openen. Na de gebeurtenis, welke ik je mee te deelen heb, is het voor je eigen welzijn en je rust, van even groot belang, als voor mij, dat de zaak geheim blijft.”„Ach!” riep de schoonzuster op halfluiden toon uit, „deze inleiding maakt het mij duidelijk, dat mijn man niet meer in leven is; maar ik zie tevens ook in, hoe noodig de geheimhouding is, welke jij van me verlangt. Wel moet ik mij veel geweld aandoen, maar spreek vrij uit, ik luister.”Ali Baba verhaalde hierop aan zijn schoonzuster den ganschen uitslag zijner reis, tot aan zijn terugkeer met Casim's lijk.„Schoonzuster,” voegde hij er bij, „je hebt nu werkelijk alle reden, om bedroefd te zijn, en des te meer, hoe minder je het verwachten kon. Aan dit ongeluk is nu echter niets meer te veranderen; wanneer echter iets in staat is, je te troosten, dan stel ik je voor, de weinige goederen, welke ik bezit met die van jou te vereenigen, en je te huwen;1tevens geef ik je de verzekering, dat mijn vrouw niet ijverzuchtig zijn zal, en gij beiden u met elkander bepaald goed zult kunnen verdragen. Bevalt mijn voorstel je, dan moeten wij voor alles daaraan denken, de zaak zoo te leiden, dat iedereen gelooven moet, dat mijn broeder een natuurlijken dood gestorven is, en op dit punt, geloof ik, kan je je geheel op Morgiane verlaten. Van mijn kant zal ik ook alles doen, wat in mijn macht is.”Wat kon Casim's weduwe beter doen, dan Ali Baba's voorstel aannemen? Naast het vermogen, dat haar door den dood van haar eersten man ten deel viel, bekwam zij een tweeden man, die rijker was, dan zij zelf en door de ontdekking van den schat nòg rijker kon worden. Zij sloeg het voorstel daarom niet van de hand, maar beschouwde het integendeel als een zeer geldige reden om zich te troosten. Terwijl zij daarom haar tranen droogde, welke intusschenal rijkelijk waren begonnen te stroomen, en het doordringende weegeroep, dat vrouwen plegen aan te heffen bij het verlies van haar mannen, naliet, bewees zij Ali Baba daarmee voldoende, dat zij zijn aanbod aannam. In deze stemming verliet Ali Baba de weduwe van Casim, en nadat hij Morgiane ingeprent had, haar rol goed te spelen, keerde hij met zijn ezel naar huis terug.Morgiane deed, wat men van haar verwachtte; zij ging tegelijk met Ali Baba het huis uit, en naar een apotheker, die in de buurt woonde. Zij klopte aan zijn winkel, en toen men haar had opengedaan, vroeg zij naar een zeker soort van geneesmiddelen, welke bij hoogst gevaarlijke ziekten van zeer groot nut zijn. De apotheker gaf er haar eenige voor het geld, dat zij op de toonbank gelegd had, en vroeg, wie er wel in het huis van haar meester ziek was?„Ach!” antwoordde zij met een diepen zucht, „Casim, mijn goede heer, is 't zelf. Men kan uit zijn ziekte niet wijs worden; hij spreekt niet en kan niets eten.”Met deze woorden nam zij de geneesmiddelen mee, waarvan Casim geen gebruik meer maken kon. Den volgenden morgen kwam Morgiane weer bij denzelfden apotheker, en verlangde met tranen in de oogen een drank, welken men zieken slechts in 't uiterste geval pleegt te geven; wanneer deze drank hen niet gezond maakte,dan gaf men alle hoop op hun genezing op.„Ach,” zeide zij, met groote droefheid, toen zij hem uit de hand van den apotheker aannam, „ik vrees zeer, dat dit middel even weinig zal baten, als de vorige geneesmiddelen. Ach, watwas het een goede meester, en nu moet ik hem verliezen!” Wijl men nu ook nog Ali Baba en zijn vrouw, den ganschen dag met bedroefde gezichten naar Casim's huis heen en weer zag gaan, zoo verwonderde zich niemand om het weegeklaag, dat Casim's vrouw en vooral Morgiane des avonds hooren lieten, om Casim's dood te verkondigen.Den volgenden morgen ging Morgiane, die op het marktplein een ouden, eerlijken schoenlapper kende, die zijn werkplaats steeds het allereerst en lang voor de anderen opende, in alle vroegte uit, om hem op te zoeken. Zij begroette hem met den gebruikelijken groet en drukte hem tegelijkertijd een goudstuk in de hand. De schoenlapper, die in de heele stad onder den naam van Baba Moestapha bekend, en een zeer vroolijke kameraad, vol luimige invallen was, bekeek het geldstuk nauwkeurig, wijl het nog niet klaar dag was, en toen hij er zich van overtuigd had, dat het van goud was, zeide hij: „Een mooi handgeld! wat verlang je daarvoor? ik ben bereid, alles te doen.”„Baba Moestapha,” zeide Morgiane tot hem, „neem al je gereedschap op, dat voor 't lappen noodig is, en kom snel met mij mee. Wanneer wij echter op die en die plaats gekomen zijn, moet je je de oogen laten verbinden.” Hiertegen had Baba Moestapha bezwaren.„Neen, neen!” antwoordde hij, „gij verlangtzeker iets van mij, dat tegen mijn geweten en tegen mijn eer indruischt.”„De hemel bewaar me,” riep Morgiane uit, terwijl zij hem een tweede goudstuk in de hand drukte, „ik verlang niets van je, dat je niet in alle deugd en eer doen kunt. Kom maar mee, en maak je niet onnoodig angstig.”Baba Moestapha volgde, en Morgiane geleidde hem, nadat zij hem op de aangewezen plek een doek voor de oogen gebonden had, in het huis van haar overleden meester, en nam hem den doek eerst af in de kamer, waarheen zij het lijk gebracht, en zijn vier deelen behoorlijk bijmekaar gevoegd had.„Baba Moestapha,” zeide zij thans tot hem,„ik heb je hierheen gebracht, opdat gij die vier stukken daar aan elkaar naaien zoudt. Verlies geen tijd, en wanneer je er mee klaar bent, ontvang je nog een goudstuk.”Toen Baba Moestapha gereed was, bond Morgiane hem in dezelfde kamer weer een doek voor de oogen, en nadat zij hem het beloofde derde goudstuk ter hand gesteld, en geheimhouding aangeraden had, voerde zij hem naar de plaats terug, waar zij hem den eersten keer de oogen verbonden had. Hier nam zij hem den doek weer af, en liet hem naar huis gaan; zij volgde hem met de oogen, zoo ver zij kon, opdat hij geen lust zou krijgen, terug te keeren en haarzelf te bespieden.Morgiane had kokend water laten gereedmaken, om Casim's lijk te wasschen, en Ali Baba, die tegelijk met haar in het huis teruggekeerd was, waschte en bewierookte hem, en hulde hem met de gewone plechtigheden en gebruiken in het lijkkleed. Spoedig bracht ook de timmerman de kist, die Ali Baba bij hem besteld had. Opdat nu de timmerman maar niets zou merken, nam Morgiane de kist aan de deur in ontvangst, en nadat zij hem betaald en weggezonden had, hielp zij Ali Baba het lijk er in leggen. Zoodra deze het deksel er op vast genageld had, ging zij naar de moskee en berichtte, dat alles voor de teraardebestelling gereed was. De lieden uit de moskee, wier werkhet is, de lijken te wasschen, boden hun diensten aan, om dat te doen, maar zij zeide hun, dat dit reeds geschied was. Nauwelijks was Morgiane weer thuis, toen deimam2met de overige dienaren der moskee er reeds aankwam. Vier van Casim's buren namen de kist op hun schouders, en droegen haar achter denimam, die voortdurend gebeden prevelde, naar de begraafplaats. Morgiane, als de slavin van den overledene, volgde onder tranen en met ontbloot hoofd, terwijl zij luide jammerklachtenuitstiet, zich heftig op de borst sloeg en de haren uitrukte. Achter haar ging Ali Baba, vergezeld van de buren, die van tijd tot tijd en op de rij af, de andere buren, die de kist droegen, aflosten, tot men eindelijk de begraafplaats bereikt had.Wat Casim's vrouw betreft, deze bleef te huis, om zich aan haar smart over te geven, en een luid klaaggeschrei aan te heffen met haar buurvrouwen, die volgens bestaande zeden, gedurende de begrafenisplechtigheid bij haar gekomen waren, om hare weeklachten te vereenigen met die der weduwe, en de heele buurt met rouw te vervullen. Op deze wijze bleef Casim's noodlottige dood een geheim tusschen Ali Baba, diens vrouw, Casim's weduwe en Morgiane, en deze vier personen bewaarden het zoo zorgvuldig, dat geen mensch in de heele stad er het minste vermoeden van had, laat staan het te weten kwam.Drie of vier dagen na Casim's begrafenis bracht Ali Baba de weinige gereedschappen, welke hij bezat, benevens het uit de schatkamer der roovers gehaalde geld—dit laatste echter alleen bij nacht—in het huis van de weduwe zijns broeders, om daarin voortaan te wonen. Daardoor bracht hij tevens zijn huwelijk met zijn schoonzuster ter openbare kennisse, en wijl huwelijken van dezen aard bij den Mohammedaanschen godsdienst volstrekt niets ongewoonszijn, verwonderde zich ook niemand daarover. Wat Casim's winkel betrof, zoo had Ali Baba een zoon, die sedert eenigen tijd zijn leerjaren bij een aanzienlijk koopman voleindigd, en steeds goede getuigschriften van hem gekregen had. Aan dezen zoon gaf Ali Baba nu den winkel met de belofte, wanneer hij voortging zich goed te gedragen, dat hij hem dan mettertijd volgens zijn stand, voordeelig zou uithuwelijken.Wij willen ondertusschen Ali Baba zijn nieuwe geluk laten genieten, om weer eens naar de veertig roovers om te zien. Zij keerden na den vastgestelden termijn naar hun schuilhoek in het bosch terug, en waren ten hoogste verbaasd, toen zij Casim's lijk niet meer vonden; nog hooger echter steeg hun verwondering, toen zij aan hunne goudzakken een belangrijke vermindering ontdekten.„Wij zijn verraden en verloren,” sprak de hoofdman, „wanneer wij ons niet zeer in acht nemen, en terstond de noodige tegenmaatregelen nemen; anders zouden wij langzamerhand al onze rijkdommen er bij inboeten, welke onze voorvaderen en wij zelf met zooveel moeite en bezwaren verworven hebben. Uit de schade, die er aangericht is, blijkt zooveel, dat de dief, dien wij betrapten, het geheim kende, om de deur te openen, en wij tot ons geluk juist op het oogenblik aankwamen, dat hij weer wilde vertrekken. Hij was nochtansniet alleen; er is nog een ander, die het geheim eveneens moet kennen. Behoeven wij daarvoor nog een ander bewijs, dan dat zijn lijk weggevoerd is, en onze schatten belangrijk verminderd zijn? Daar het nu niet waarschijnlijk is, dat meer dan twee personen van het geheim afweten, moeten wij, nadat wij den eersten omgebracht hebben, ook den tweeden uit den weg ruimen. Wat antwoordt gij daarop, dappere mannen, zijt gij ook niet van dezelfde meening?”Het voorstel van den hoofdman droeg de goedkeuring der geheele bende weg; zij waren het er allen over eens, dat men voorloopig elke andere onderneming uitstellen moest, om met vereende krachten dit eene plan te helpen uitvoeren. Ja, men zou er niet eerder van af zien, alvorens het doel bereikt was.„Juist dat,” zoo ging de hoofdman voort, „heb ik van uwen moed en uw dapperheid verwacht; voor alles echter moet een koen, behendig en ondernemend man uit uw midden, zonder wapens, in de kleedij eens vreemdelings, naar de stad gaan, en al zijn slimheid uitputten, om uit te vorschen, of men daar niet over den vreemden dood van den man spreekt, dien wij, gelijk hij verdiende, omgebracht hebben, wie hij was en in welk huis hij woonde. Dit is voor 't oogenblik het gewichtigste, opdat wij niets doen, dat wij ooit met grond zouden behoevente betreuren, en ons niet in een land verraden, waar wij zoo lang onbekend waren, en het van zoo groot belang voor ons is, ook voor 't vervolg onbekend te blijven. Om intusschen dengene, die zich met deze zending wil belasten, aan te vuren, en opdat hij ons niet een valsch bericht brenge, dat ons aller verderf na zich slepen kan, zoo vraag ik u, of gij het niet voor noodig houdt, dat hij zich in dit geval aan de doodstraf onderwerpe?”Zonder eerst den uitslag eener stemming af te wachten, zei een der roovers: „Ik onderwerp mij aan die voorwaarde, en stel er een eer in, bij deze zaak mijn leven te wagen. Gelukt het mij niet, dan zult gij u tenminste herinneren, dat het mij noch aan goeden wil, noch aan moed ontbroken heeft, om het welzijn van ons allen te bevorderen.”De roover oogstte veel lofspraak van den hoofdman en zijn kameraden in, en verkleedde zich toen zoo uitmuntend, dat niemand hem voor dàt houden kon, wat hij werkelijk was. Hij ging des nachts op weg, en nam zijn maatregelen zoo, dat hij juist tegen den tijd, dat het begon te schemeren, in de stad kwam. Op het marktplein aangekomen, zag hij slechts een enkelen winkel open, namelijk dien van Baba Moestapha.Baba Moestapha zat met een priem in de hand op zijn stoel, en wilde juist aan zijn werkbeginnen. De roover trad op hem toe, wenschte hem goeden morgen, en daar hij zijn hoogen leeftijd bemerkte, zeide hij tot hem: „Goede man, gij begint al zeer vroeg aan je werk; gij kunt op uw leeftijd onmogelijk nu al goed zien. Ook al was het reeds lichter, zoo betwijfel ik toch, of je oogen nog scherp genoeg zijn, om schoenen te lappen.”„Wie gij ook zijn moogt,” antwoordde Baba Moestapha, „zoo schijnt gij mij niet te kennen. Ik ben wel is waar zeer oud, heb echter nog voortreffelijke oogen, en tot bewijs daarvoor wil ik je slechts zeggen, dat ik nog niet lang geleden een doode aan elkaar gelapt heb op een plaats, waar het niet veel lichter is, dan het thans hier is.”De roover was zeer verheugd, zoo gauw een man te hebben aangetroffen, die hem, zooals hij hoopte, vanzelf en ongevraagd daarover inlichtingen geven zou, waarvoor hij hierheen gekomen was.„Een doode?” vroeg hij heel verbaasd, en om hem tot spreken te krijgen, voegde hij er bij: „Waarom een doode aan mekaar naaien? Gij wilt zeker zeggen, het lijkkleed, waarin hij gehuld was!”„Neen, neen,” antwoordde Baba Moestapha, „ik weet heel goed, wat ik zeggen wil. Gij zoudt mij graag tot spreken willen brengen, maar ik zal er je niets meer van vertellen.”De roover had geen verdere verklaringen noodig, om overtuigd te zijn, dat hij gevonden had, wat hij was komen zoeken. Hij haalde een goudstuk uit den zak, drukte het Baba Moestapha in de hand, en zeide tot hem: „Het is volstrekt mijn bedoeling niet, in je geheim te willen dringen, ofschoon ik je verzekeren kan, dat ik het niet verbreiden zou, als je het mij toevertrouwde. Het eenige, waarom ik je verzoek, is, dat je zoo vriendelijk zoudt willen zijn, mij het huis te beschrijven, of aan te wijzen, waar je het lijk aaneengenaaid hebt.”„Wanneer ik dit ook al gaarne doen wilde,” antwoordde Baba Moestapha, terwijl hij een beweging maakte, om den roover het goudstuk terug te geven, „zoo verzeker ik je toch, dat mij dit onmogelijk zou zijn, en gij kunt mij op mijn woord gelooven. Men heeft mij namelijk naar een bepaalde plaats gevoerd, waar mijn oogen verbonden werden, en vandaar af naar een huis, waar men mij, na de verrichting van mijn werk, weer op dezelfde wijze en naar dezelfde plek terugleidde. Je ziet dus wel in, dat ik onmogelijk aan uw verlangen voldoen kan.”„Maar kunt gij u,” vroeg de roover verder, „niet eenigszins nog den weg herinneren, waarlangs men u met verbonden oogen gevoerd heeft? Ik bid je, ga met mij mee; ik zal je op dezelfde plek de oogen verbinden, en dan zullen wij te zamen dezelfde straten en dezelfde kruiswegengaan, welke gij u herinnert, destijds gegaan te zijn. Daar echter de arbeider zijn loon waard is, geef ik je hiermee een tweede goudstuk. Kom nu, en doe mij dat genoegen.”De beide goudstukken lokten Baba Moestapha aan. Hij beschouwde ze een tijd lang in zijn hand, zonder een woord te zeggen, en ging met zichzelf te rade, wat hij doen moest. Eindelijk haalde hij zijn beurs te voorschijn, stopte ze er in, en zei toen tegen den roover: „Ik kan wel niet vast beloven, dat ik mij nog precies den weg herinner, langs welken men mij destijds gevoerd heeft; daar gij het echter zoo verlangt, zal ik al mijn best doen, om het mij te herinneren.”Baba Moestapha maakte zich nu tot groote vreugde van den roover gereed, en zonder zijn winkel te sluiten, waarin hij niets van belang te verliezen had, bracht hij hem naar de plek, waar Morgiane hemgeblinddoekthad. Toen zij daar aangekomen waren, zeide Baba Moestapha: „Hier ben ik geblinddoekt, en ik keek precies denzelfden kant uit, als nu.”De roover, die reeds zijn zakdoek bereid gehouden had, bond hem dezen nu eveneens voor de oogen, en ging naast hem voort, terwijl hij hem deels leidde, deels zich door hem leiden liet, totdat hij staan bleef.

In een stad, aan de grenzen van Perzië, leefden eens twee broeders, waarvan de een Casim, en de ander Ali Baba heette. Hun vader had hun maar een klein vermogen nagelaten, en daar zij dit weinige gelijkelijk verdeeld hadden, zou men allicht meenen, dat hun uiterlijke omstandigheden vrij wel gelijk waren; het toeval wilde 't echter anders.Casim huwde een vrouw, die spoedig na hun huwelijk een goed voorzienen winkel en een menigte onroerende goederen erfde, zoodat hij in eens een welgesteld man en een der rijkste lieden der stad werd.Ali Baba daarentegen huwde een vrouw, die even arm was als hij zelf, woonde zeer armoedig, en had geen andere verdiensten, om zich en den zijnen het levensonderhoud te verschaffen, dan de opbrengst van het hout, dat hij in het naburige bosch hakte en daarna op drie ezels, zijn eenige bezitting, naar de stad bracht en verkocht.Op zekeren dag, toen Ali Baba weer in het bosch was en juist hout genoeg geveld had, om zijn ezels daarmee te beladen, zag hij op eens in de verte een geweldige wolk opstijgen, welke zich in rechte richting bewoog naar de plaats, waar hij stond. Hij keek er zeer opmerkzaam naar, en zag weldra, dat het een talrijke ruiterschaar was, die in snellen draf naderbij kwam.Ofschoon men in de heele buurt nooit van roovers hoorde, kwam bij Ali Baba toch de gedachte op, dat deze ruiters wel roovers konden zijn, en daarom besloot hij, zijn ezels aan hun lot over te laten, en slechts zijn eigen persoon te redden. Hij klom dus in een boom, welks takken wel niet hoog, maar buitengewoon dicht bebladerd waren, en nam daarop nu met des te grooter vertrouwen plaats, als hij vandaaralles zien kon, wat beneden voorviel, zonder zelf gezien te worden. De boom stond aan den voet van een kale rots, die veel hooger dan de boom, en zoo steil was, dat men haar onmogelijk beklimmen kon.De ruiters, allen groote en flinke mannen, die zoowel van wapens als paarden goed voorzien waren, stegen bij de rots af, en Ali Baba, die er veertig telde, kon, naar hun gezichten en hun gansche kleeding te oordeelen, er nietmeer aan twijfelen, dat het roovers waren. Hij bedroog zich ook niet: het waren werkelijk roovers, die echter niet in 't minst deze streek verontrustten, maar hun zaken in andere, verre gewesten dreven, en hier alleen hun verzameloord hadden. Hij werd in zijn meening versterkt, toen hij ze verder bespiedde.Elk der ruiters toomde zijn paard af, bond het vast, wierp het een zak vol gerst, dien hij achter zich gehad had, om den kop, en maakte toen zijn reistasch los. De meeste hiervan kwamen Ali Baba zoo zwaar voor, dat hij er uit opmaakte, dat ze vol goud en zilver moesten zijn.De statigste der roovers, dien Ali Baba voor hun hoofdman hield, naderde met zijn reistasch op den schouder, eveneens de rots, die dicht bij den grooten boom stond, waarin Ali Baba zich verscholen had, en nadat hij zich door eenige struiken een weg gebaand had, sprak hij de woorden: „Sesam, open je!” zoo luid en duidelijk, dat Ali Baba ze hoorde. Nauwelijks had de rooverhoofdman deze woorden uitgesproken, ofer opende zich een deur, waardoor hij al zijn mannen liet binnengaan; hijzelf ging 't allerlaatst binnen en de deur sloot zich weer.De roovers bleven lang in de rots, en Ali Baba moest geduldig op den boom blijven en wachten; want hij vreesde, dat enkelen of ook wel allen tezamen weer naar buiten mochten komen op 't oogenblik, dat hij zijn post verlaten en vluchten wilde. Desniettemin kwam hij in verzoeking, naar omlaag te komen, zich meester te maken van twee paarden, op 't een te gaan zitten en het andere naast zich mee te voeren, en zoo, zijn ezels voor zich uit drijvend, naar de stad te rijden. Dit plan was echter te gewaagd en hij besloot daarom, het veiligste deel te kiezen.Eindelijk opende zich de deur weder, veertig roovers traden naar buiten, en de hoofdman, die er 't laatst ingegaan was, was thans de eerste, die buiten kwam, en de overigen allen voorbij zich heen liet gaan. Ali Baba hoorde, dat op zijn woorden: „Sesam, sluit je!” de deur zich weder sloot. Ieder keerde naar zijn paard terug, toomde het op, bond zijn tasch over 't zadel vast, en steeg weer op. Toen de hoofdman eindelijk zag, dat allen voor den rit gereed waren, plaatste hij zich aan hun hoofd en sloeg weer denzelfden weg in, waarlangs zij gekomen waren.Ali Baba daalde niet terstond uit den boom af. „Zij konden,” sprak hij bij zichzelf, „iets vergetenhebben, dat hen weer dwong terug te keeren, en dan zouden zij mij betrappen.” Hij volgde hen met de oogen, tot hij ze uit 't gezicht verloren had, en liet zich voor meerdere veiligheid eerst lang daarna op den grond zakken. Daar hij de woorden, krachtens welke de rooverhoofdman de deur geopend en weer gesloten had, goed in zijn geheugen bewaard had, bekroop hem de lust, een poging te wagen, of ze wellicht dezelfde uitwerking zouden hebben, alshijze uitsprak. Hij drong derhalve door het struikgewas, vond de deur, welke daardoor verborgen was, plaatste zich er voor, sprak de woorden: „Sesam, open je!” en—ziedaar! op 't zelfde oogenblik sprong de deur wagenwijd open.Ali Baba had een donker en somber oord verwacht, maar hoe groot was zijn verbazing toen hij het binnenste der rots zeer helder, groot en ruim, en door menschenhanden tot een hoog gewelf uitgehold vond, dat van boven door een kunstig aangebrachte opening zijn licht ontving. Hij vond hier veel mondvoorraad, zakken vol kostbare koopmansgoederen, zijden stoffen en brocaat, en vooral ook prachtige tapijten, bij hoopen opgestapeld; wat hem echter het meest aantrok, was een massa gemunt goud en zilver, dat gedeeltelijk op hoopen uitgeschud, gedeeltelijk in leeren zakken, welke op een lange rij stonden, geborgen was. Bij dezen aanblik kwamhet hem voor, alsof dit rotshol niet eerst sinds een reeks van jaren, maar reeds sedert eeuwen aan roovers tot toevluchtsoord gediend moest hebben.Ali Baba bedacht zich niet lang, wat hij hier doen zou; hij trad het hol binnen, en zoodra hij er in was, sloot zich de deur weer; dat verontrustte hem echter niet, want hij kende immers het geheim, om haar te openen. Bij het zilvergeld hield hij zich niet lang op, maar bemoeide zich alleen met het gemunte goud en in 't bijzonder met dat, wat in de zakken was. Hiervan nam hij herhaalde malen zooveel als hij dragen en zijn drie ezels, die zich ondertusschen verstrooid hadden, opladen kon. Toen hij ze weer bij de rots bijeengedreven had, belastte hij ze met de zakken, en om deze te verbergen, legde hij er hout bovenop, zoodat nu niemand er iets van zien kon. Toen hij daarmee klaar was, plaatste hij zich voor de deur, en nauwelijks had hij de woorden: „Sesam, sluit je!” uitgesproken, of zij sloot zich ook weer; zij was namelijk, telkens wanneer hij naar binnen gegaan was, van zelf dicht gegaan, en was elken keer, als hij er uit kwam, open gebleven.Ali Baba keerde nu weer naar de stad terug, en toen hij voor zijn huis aankwam, dreef hij zijn ezels naar 'n kleine binnenplaats, waarvan hij de deur zorgvuldig achter zich dicht maakte. Daarna laadde hij het weinige hout, dat zijneschatten verborg, af, droeg de zakken zijn woning in, en legde ze voor zijne vrouw neer, die op de sofa zat.Zijne vrouw nam de zakken in de hand, en toen zij merkte, dat ze vol goud waren, dacht zij, dat haar man ze gestolen had. Nadat hij alles binnen gebracht had, kon zij niet nalaten tot hem te zeggen: „Ali Baba, ben je van God verlaten, om...” Ali Baba onderbrak haar metde woorden: „Wees bedaard, lieve vrouw, en heb geen zorg; ik ben geen dief, want ik heb dit alles slechts aan dieven ontnomen. Je zult weldra je slechte meening van mij laten varen, wanneer ik je mijn geluk verteld zal hebben.” Hij schudde de zakken uit, zoodat er nu een groote hoop goud voor zijn vrouw kwam te liggen, die er geheel door verblind werd; hierop verhaalde hij haar zijn ontmoeting van het begin tot het einde, en raadde haar toen vóór alles aan, de heele geschiedenis geheim te houden.Toen de vrouw van haar verbazing en schrik weer bekomen was, verheugde zij zich met haar man over het geluk, dat hun was ten deel gevallen, en wilde den ganschen goudhoop, die voor haar lag, stuk voor stuk, tellen. „Beste vrouw,” zei Ali Baba tot haar,„dat is niet slim van je. Waar denk je aan?Jezoudt nooit met tellen klaar komen. Ik wil een kuil graven, en het daarin verbergen; wij hebben geen tijd te verliezen.”—„Het zou toch goed zijn,” antwoordde de vrouw, „wanneer wij tenminste ongeveer wisten, hoeveel er is. Ik zal bij de buren gaan, om een kleine maat te leenen en het daarmee te meten, terwijl gij ondertusschen den kuil graaft.”„Lieve vrouw,” zei Ali Baba daarop, „dit zou werkelijk nergens toe dienen, en ik raad je aan, het niet te doen. Doe overigens wat je wil, maarvergeet vooral niet, geen woord over de zaak te reppen.”Om haar verlangen te bevredigen ging Ali Baba's vrouw heen, en naar haar zwager Casim toe, die niet ver van hen af woonde. Casim was niet te huis, en zij wendde zich daarom tot zijn vrouw, met het verzoek, haar toch voor eenige oogenblikken een maat te leenen. De schoonzuster vroeg haar, of zij een groote of een kleine wilde, en Ali Baba's vrouw vroeg om een kleine maat.„Met plezier,” antwoordde haar schoonzuster, „wacht slechts een oogenblik, ik zal ze je dadelijk brengen.”De schoonzuster haalde de maat; daar zij echter Ali Baba's armoede kende, was zij erg nieuwsgierig te weten, wat voor graan zijn vrouw daarmee meten wilde, en kwam daarom op de gedachte, onder in de maat ongemerkt een beetje deeg te plakken. Daarna kwam zij terug, gaf Ali Baba's vrouw de maat over, en verontschuldigde zich over haar uitblijven met te zeggen, dat zij zoo lang had moeten zoeken.Toen Ali Baba's vrouw in haar huis teruggekeerd was, zette zij de maat op den goudhoop, vulde haar, en ledigde ze op eenigen afstand op de sofa. Toen zij nu alles gemeten had, was zij zeer tevreden over het aanzienlijk aantal maten, en vertelde dit aan haar man, die juist met zijn kuil klaar gekomen was.Terwijl Ali Baba het geld begroef, bracht zijn vrouw, om haar schoonzuster haar nauwgezetheid en haar zin voor orde te toonen, de maat terug; ze had echter niet opgemerkt, dat daarin onderaan nog een goudstuk kleefde.„Beste schoonzuster,” zeide zij tot haar, toen zij het ding terug gaf, „je ziet, dat ik je maat niet al te lang gehouden heb; ik ben er je zeer dankbaar voor; hier heb je haar weer.”Nauwelijks had Ali Baba's vrouw haar den rug toegekeerd, of Casims vrouw keek op den bodem van de maat, en men kan haar verbazing begrijpen, toen zij het geldstuk daarin ontdekte.Weldra sloop de satan van den nijd haar hart binnen. „Wat!” dacht zij, „Ali Baba heeft het goud bij schepels vol! Van waar mag de arme slokker het wel genomen hebben?”Casim, haar man, was, zooals we zeiden, niet te huis, maar in zijn winkel, vanwaar hij eerst tegen den avond terug verwacht werd. De tijd tot aan zijn terugkomst leek haar een eeuwigheid, want zij brandde van ongeduld, hem het groote nieuws te vertellen, dat voor hem even verrassend zijn moest, als voor haar.Toen Casim thuis gekomen was, zeide zijn vrouw tot hem: „Je gelooft een rijk man te zijn, nietwaar Casim? Maar je vergist je. Ali Baba is duizendmaal rijker dan jij; hij kan zijn geld niet tellen, maar moet het meten.”Casim verlangde een verklaring van dit raadsel, en zij vertelde hem, hoe sluw zij de ontdekking gedaan had; en tevens toonde zij hem het goudstuk, dat onder op den bodem was blijven kleven; het was zoo oud, dat de naam van den vorst, die het had laten munten, hun onbekend was.In plaats van zich te verheugen over het geluk van hun broeder, die tot nog toe zoo arm geweest was, voelde Casim slechts ijverzucht, welke hem geen rust meer liet. Den ganschen nacht kon hij er bijna niet van slapen, en den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang naar zijn broeder toe. Daar hij sinds zijn huwelijk met de rijke weduwe, hem niet meer als zijn broeder aanzag en dezen naam heelemaal vergeten had, zoo sprak hij hem thans als volgt aan: „Ali Baba, jij bent zeer terughoudend in je aangelegenheden. Jij speelt den arme, den noodlijdende, den bedelaar, en je meet het goud met schepels.”„Beste broeder,” antwoordde Ali Baba, „ik weet niet, wat je daarmee bedoelt; verklaar je nader.”„Hou je toch niet zoo dom,” antwoorddeCasim, en terwijl hij hem het goudstuk voorhield, dat zijn vrouw hem gegeven had, voegde hij erbij: „Hoeveel van zulke goudstukken heb je? Mijn vrouw heeft dit onder in de maat gevonden, welke jouw vrouw gisteren van haar geleend heeft.”Uit deze woorden merkte Ali Baba, dat, tengevolge van de eigenzinnigheid zijner vrouw, Casim en diens vrouw al reeds de zaak kenden, welker geheimhouding voor hem zoo gewichtig was. De fout was nu echter eenmaal begaan en men kon haar niet ongedaan maken. Zonder iets van zijn spijt te laten merken, bekende hij daarom zijn broeder de heele geschiedenis, en vertelde hem, door welk toeval en waar hij de schuilplaats der roovers ontdekt had; tegelijk bood hij aan, den schat met hem te deelen, wanneer hij slechts het geheim bewaren wilde.„Ja, dat verlang ik toch al,” sprak Casim op trotschen toon; „maar,” voegde hij er bij, „ik wil ook nog precies weten, waar de schat is, aan welke bijzondere kenteekenen ik hem herkennen, en hoe ik er zelf bij komen kan, wanneer ik er zin in heb; anders geef ik 't bij 't gerecht aan. Weiger je dus, dan heb je niet alleen niets meer te hopen, maar je zult ook nog verliezen, wat je al hebt; ik echter zal voor mijn aangifte mijn loon verkrijgen.”Meer uit goedmoedigheid, dan omdat hij door de onbeschaamde bedreigingen van zijn broederbang geworden was, bracht Ali Baba hem van alles op de hoogte, en deelde hem ook de woorden mee, die hij moest uitspreken, om het hol binnen, en er weer uit te kunnen komen.Meer verlangde Casim niet te weten. Hij verliet zijn broeder met het vaste voornemen, hem vóór te zijn en in de hoop, zich alleen van den schat meester te kunnen maken.Den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang met tien muildieren op weg, welkehij met groote kisten beladen had. Deze wilde hij alle geheel vullen, en hij nam zich nu al voor, bij een tweeden tocht naar den schat nog veel meer zulke kisten mee te nemen, ingeval hij nog zooveel ladingen vond, dat dit noodig bleek. Hij sloeg den weg in, dien Ali Baba hem aangeduid had, kwam bij de rots en herkende de kenteekenen, en evenzoo den boom, waarop Ali Baba zich verscholen had.Hij zocht de deur, vond haar, en sprak de woorden: „Sesam, open je!”; de deur ging open, hij trad naar binnen en terstond sloot zij zich weer. Bij bezichtiging van het hol, kwam hij in groote verbazing, wijl hij er veel meer rijkdommen in aantrof, dan hij uit Ali Baba's vertelling vermoed had, en zijn verwondering werd voortdurend grooter, hoe meer hij alles afzonderlijk in oogenschouw nam. Als een gierigaard, wien rijkdommen boven alles gaan, had hij gaarne den heelen dag zich verlustigd in den aanblik van zooveel goud, indien het hem niet was ingevallen, dat hij eigenlijk gekomen was, om het geld te halen en zijn tien muilezels er mee te beladen. Hij nam daarom een aantal zakken, zooveel hij dragen kon, ging daarmee naar de deur, en wijl hij aan al 't andere meer dacht, dan aan dat, wat thans voor hem het gewichtigste was, zoo gebeurde het, dat hij zich het tooverwoord niet meer herinnerde, en in plaats van Sesam, zeide: „Gerst, open je!”Hoe groot was zijn ontsteltenis, toen hij zag dat de deur zich niet opende, maar gesloten bleef. Nu noemde hij nog andere namen van graansoorten op, maar den juisten naam niet, en de deur bleef immer gesloten. Op dit toeval had Casim heelemaal niet gerekend. Schrik en angst maakten zich van hem meester, toen hij zich nu in zulk 'n groot gevaar zag, en hoe meer hij zich inspande, om het woord Sesam in zijn geheugen terug te roepen, des te verwarder werd hij, en weldra was het, alsof hij dit woord nooit had hooren noemen. Wanhopig wierp hij thans de zakken, waarmee hij zich beladen had, op den grond, ging met groote passen in het hol op en neer, en alle rijkdommen, waarmee hij zich omringd zag, hadden thans geen bekoring meer voor hem. Doch laten wij Casim zijn lot beweenen, hij verdient ons medelijden niet.De roovers keerden tegen den middag naar hun schuilplaats terug, en toen zij in de nabijheid kwamen, en de met kisten beladen muilezels van Casim ontdekten, werden zij door deze nieuwe verschijning ongerust, renden met lossen teugel naderbij en joegen de tien muilezels, die Casim vergeten had, vast te binden, uit mekaar, zoodat zij zich naar alle richtingen in het bosch verstrooiden en spoedig uit hun gezicht verdwenen waren. De roovers deden geen enkele poging, de muilezels na te rijden, het was hunvan veel meer belang den eigenaar der dieren te vinden. Terwijl nu eenigen van hen de rots omgingen, om hem te zoeken, steeg de hoofdman met de anderen af, ging met blanke sabel recht op de deur toe, sprak de woorden, en de deur opende zich.Casim, die binnen in het hol het getrappel der paarden hoorde, twijfelde er thans niet meer aan, dat de roovers gekomen waren en hijzelf verloren was. Toch besloot hij, een poging te wagen, om aan hunne handen te ontkomen, en zich te redden; daarom plaatste hij zich dicht bij de deur, om naar buiten te snellen, zoodra zij zich openen zou. Nauwelijks hoorde hij het woord Sesam, dat zijn geheugen ontgaan was, uitspreken, en zag de deur opengaan, of hij stormde zoo woest naar buiten, dat hij den hoofdman ter aarde wierp. Maar den anderen roovers kon hij niet ontkomen; dezen hielden eveneens de blanke sabel in de hand en doodden hem op de plaats zelve. Nu was de eerste zorg der roovers, de grot binnen te gaan. Zij vonden dicht bij de deur de zakken, die Casim daarheen gedragen had, om er zijn muilezels mee te belasten, en legden ze weer op hun oude plaats; zij merkten echter niet, dat die, welke Ali Baba meegenomen had, ontbraken. Terwijl zij nu met elkander over dit voorval beraadslaagden, begrepen zij wel, dat Casim niet meer uit de grot had kunnen komen, maar hoe hij erin gekomen was, daarvan begrepen zij niets. Zij kwamen op de gedachte, dat hij wellicht van boven af binnengekomen was; maar de opening, waardoor het licht naar binnen viel, was zoo hoog, en de top der rots zoo ontoegankelijk, dat zij eenstemmig verklaarden, dit raadsel niet te kunnen oplossen. Dat hij door de deur binnen gekomen was, konden zij niet aannemen, want daarvoor moest hij toch het geheim kennen, om haar te openen, en in het bezit daarvan, meenden zij, was niemand anders dan zij zelf. Zij konden namelijk niet weten, dat Ali Baba hen beluisterd en het gehoord had. Hoe het geval zich echter ook mocht toegedragen hebben, het was thans zaak, hun gemeenschappelijke rijkdommen in veiligheid te brengen, en zoo besloten zij daarom, Casim's lijk in vier stukken te verdeelen, en binnen in de grot, niet ver van de deur, aan weerskanten twee, op te hangen, tot afschrikwekkend voorbeeld voor ieder, die de brutaliteit zou hebben, iets dergelijks te wagen; zij zelf echter besloten, eerst na verloop van eenigen tijd, wanneer de lijklucht verdwenen zou zijn, naar hun hol terug te keeren. Daar niets hen meer terughield, verlieten zij hun schuilplaats, welke zij eerst goed gesloten hadden, stegen te paard en doorkruisten de landstreken in de richting, waar de straatwegen het meest door karavanen bezocht werden, om als gewoonlijk jacht opdeze te maken en ze uit te plunderen.Ondertusschen verkeerde Casim's vrouw in grooten angst, toen de nacht aanbrak en haar man nog immer niet teruggekeerd was. Vol bekommering ging zij naar Ali Baba en zeide tot hem: „Beste zwager, jij weet zeker wel, dat je broer Casim naar het bosch gegaan is, en met welk doel. Hij is nog niet teruggekomen, en het is toch al laat in den nacht; ik vrees, dat hem een of ander ongeluk overkomen is.”Ali Baba had na het boven aangevoerde gesprek met zijn broeder zijn reis vermoed, en was daarom op dezen dag niet zelf naar het bosch gegaan, om hem geen reden tot argwaan te geven. Zonder haar ook maar eenig verwijt te doen, dat haar of haar man, wanneer hij nog in 't leven was, had kunnen beleedigen, zeide hij tot haar, dat zij zich daarom nog niet ongerust behoefde te maken, want zonder twijfel had Casim het beter geoordeeld, eerst later in de stad terug te keeren.Casim's vrouw geloofde dit des te eerder, als zij er aan dacht, hoeveel er haar man aan gelegen moest liggen, de zaak geheim te houden. Zij keerde daarom getroost naar huis terug en wachtte geduldig tot omstreeks middernacht. Nu echter werd haar onrust en haar verdriet dubbel zoo groot, en dit te meer, wijl zij haar angstig kloppend hart niet door schreien en weenen lucht verschaffen kon, omdat zij welinzag, dat de ware oorzaak daarvan voor de buren een geheim moest blijven. Thans, nu haar fout niet meer te herstellen was, gevoelde zij berouw over haar dwaze nieuwsgierigheid en haar strafbare begeerte, de huiselijke aangelegenheden van haren zwager en haar schoonzuster te willen doorgronden. Zij weende den geheelen nacht door en bij 't aanbreken van den dag snelde zij weer naar hen toe, en gaf meer door tranen dan door woorden te verstaan, waarom zij kwam.Ali Baba wachtte niet, tot zijn schoonzuster hem bad, toch eens de moeite te willen nemen, en te gaan zien wat er van Casim geworden was. Hij ging oogenblikkelijk met zijn drie ezels op weg naar het bosch, nadat hij haar vooraf nog dringend aanbevolen had, haar kommer te matigen. Toen hij de rots naderde, zonder op den heelen weg noch zijn broeder, noch de muilezels aangetroffen te hebben, verwonderde hij zich zeer over het bloed, dat hij aan den ingang van het hol ontdekte; dit scheen hem een slecht voorteeken toe. Hij trad naar de deur, sprak de woorden, zij opende zich, en het eerste dat hem in het oog viel, was het lijk van zijn gevierendeelden broeder. Bij dezen treurigen aanblik bedacht hij zich niet lang, wat hij doen zou, maar besloot terstond, zijn broeder de laatste eer te bewijzen, want hij dacht er niet meer aan, hoe weinig broederlijke liefde deze steedsvoor hem getoond had. Hij vond in het hol de noodige dingen, om er het lijk van zijn broeder in te pakken, en vervolgens op een zijner ezels te laden; hij legde er hout overheen, opdat niemand er iets van merken zou. De beide andere ezels belastte hij zonder verder dralen met volle zakken goud, waarover hij eveneens hout legde. Nadat hij hiermee klaar was, en de deur bevolen had, zich weer te sluiten, trok hij naar de stad terug. Hij was intusschen voorzichtig genoeg, aan den rand van het bosch zoo lang te wachten, tot hij eerst bij 't aanbreken van den nacht de stad bereikte. Thuis aangekomen, dreef hij slechts de twee met goud beladen ezels in den hof, liet aan zijn vrouw de taak over, ze af te laden, en nadat hij haar met weinige woorden het lot van Casim medegedeeld had, voerde hij den derden ezel naar zijn schoonzuster. Ali Baba klopte aan de deur, en deze werd hem open gedaan door een zekere Morgiane. Deze Morgiane was een handige, verstandige en vindingrijke slavin, die de grootste moeilijkheden wist te boven te komen. Ali Baba kende haar als zoodanig. Toen hij daarom in den hof getreden was, en den ezel het hout en het andere pak afgenomen had, nam hij Morgiane ter zijde, en zeide tot haar: „Morgiane, het eerste, dat ik van je verlang, is volstrekte geheimhouding: je zult dadelijk begrijpen, hoeveel je gebiedster en mij daaraan gelegenmoet zijn. Deze pakken bevatten het lijk van je meester; wij moeten er thans voor zorgen, hem zoo te begraven alsof hij een natuurlijken dood gestorven was. Breng mij naar je meesteres, en let op alles, wat ik haar zal zeggen.”Morgiane kondigde hare gebiedster het bezoek aan, en Ali Baba, die haar op den voet volgde, trad de kamer in. „Welnu, zwager,” riep de weduwe hem met groot ongeduld tegemoet, „welk bericht breng je mij van mijn man?Jegezicht voorspelt niets goeds.”„Schoonzuster,” antwoordde Ali Baba, „ik kan je niets zeggen, als je mij niet eerst belooft, dat je mij van 't begin tot 't einde zult aanhooren, zonder den mond te openen. Na de gebeurtenis, welke ik je mee te deelen heb, is het voor je eigen welzijn en je rust, van even groot belang, als voor mij, dat de zaak geheim blijft.”„Ach!” riep de schoonzuster op halfluiden toon uit, „deze inleiding maakt het mij duidelijk, dat mijn man niet meer in leven is; maar ik zie tevens ook in, hoe noodig de geheimhouding is, welke jij van me verlangt. Wel moet ik mij veel geweld aandoen, maar spreek vrij uit, ik luister.”Ali Baba verhaalde hierop aan zijn schoonzuster den ganschen uitslag zijner reis, tot aan zijn terugkeer met Casim's lijk.„Schoonzuster,” voegde hij er bij, „je hebt nu werkelijk alle reden, om bedroefd te zijn, en des te meer, hoe minder je het verwachten kon. Aan dit ongeluk is nu echter niets meer te veranderen; wanneer echter iets in staat is, je te troosten, dan stel ik je voor, de weinige goederen, welke ik bezit met die van jou te vereenigen, en je te huwen;1tevens geef ik je de verzekering, dat mijn vrouw niet ijverzuchtig zijn zal, en gij beiden u met elkander bepaald goed zult kunnen verdragen. Bevalt mijn voorstel je, dan moeten wij voor alles daaraan denken, de zaak zoo te leiden, dat iedereen gelooven moet, dat mijn broeder een natuurlijken dood gestorven is, en op dit punt, geloof ik, kan je je geheel op Morgiane verlaten. Van mijn kant zal ik ook alles doen, wat in mijn macht is.”Wat kon Casim's weduwe beter doen, dan Ali Baba's voorstel aannemen? Naast het vermogen, dat haar door den dood van haar eersten man ten deel viel, bekwam zij een tweeden man, die rijker was, dan zij zelf en door de ontdekking van den schat nòg rijker kon worden. Zij sloeg het voorstel daarom niet van de hand, maar beschouwde het integendeel als een zeer geldige reden om zich te troosten. Terwijl zij daarom haar tranen droogde, welke intusschenal rijkelijk waren begonnen te stroomen, en het doordringende weegeroep, dat vrouwen plegen aan te heffen bij het verlies van haar mannen, naliet, bewees zij Ali Baba daarmee voldoende, dat zij zijn aanbod aannam. In deze stemming verliet Ali Baba de weduwe van Casim, en nadat hij Morgiane ingeprent had, haar rol goed te spelen, keerde hij met zijn ezel naar huis terug.Morgiane deed, wat men van haar verwachtte; zij ging tegelijk met Ali Baba het huis uit, en naar een apotheker, die in de buurt woonde. Zij klopte aan zijn winkel, en toen men haar had opengedaan, vroeg zij naar een zeker soort van geneesmiddelen, welke bij hoogst gevaarlijke ziekten van zeer groot nut zijn. De apotheker gaf er haar eenige voor het geld, dat zij op de toonbank gelegd had, en vroeg, wie er wel in het huis van haar meester ziek was?„Ach!” antwoordde zij met een diepen zucht, „Casim, mijn goede heer, is 't zelf. Men kan uit zijn ziekte niet wijs worden; hij spreekt niet en kan niets eten.”Met deze woorden nam zij de geneesmiddelen mee, waarvan Casim geen gebruik meer maken kon. Den volgenden morgen kwam Morgiane weer bij denzelfden apotheker, en verlangde met tranen in de oogen een drank, welken men zieken slechts in 't uiterste geval pleegt te geven; wanneer deze drank hen niet gezond maakte,dan gaf men alle hoop op hun genezing op.„Ach,” zeide zij, met groote droefheid, toen zij hem uit de hand van den apotheker aannam, „ik vrees zeer, dat dit middel even weinig zal baten, als de vorige geneesmiddelen. Ach, watwas het een goede meester, en nu moet ik hem verliezen!” Wijl men nu ook nog Ali Baba en zijn vrouw, den ganschen dag met bedroefde gezichten naar Casim's huis heen en weer zag gaan, zoo verwonderde zich niemand om het weegeklaag, dat Casim's vrouw en vooral Morgiane des avonds hooren lieten, om Casim's dood te verkondigen.Den volgenden morgen ging Morgiane, die op het marktplein een ouden, eerlijken schoenlapper kende, die zijn werkplaats steeds het allereerst en lang voor de anderen opende, in alle vroegte uit, om hem op te zoeken. Zij begroette hem met den gebruikelijken groet en drukte hem tegelijkertijd een goudstuk in de hand. De schoenlapper, die in de heele stad onder den naam van Baba Moestapha bekend, en een zeer vroolijke kameraad, vol luimige invallen was, bekeek het geldstuk nauwkeurig, wijl het nog niet klaar dag was, en toen hij er zich van overtuigd had, dat het van goud was, zeide hij: „Een mooi handgeld! wat verlang je daarvoor? ik ben bereid, alles te doen.”„Baba Moestapha,” zeide Morgiane tot hem, „neem al je gereedschap op, dat voor 't lappen noodig is, en kom snel met mij mee. Wanneer wij echter op die en die plaats gekomen zijn, moet je je de oogen laten verbinden.” Hiertegen had Baba Moestapha bezwaren.„Neen, neen!” antwoordde hij, „gij verlangtzeker iets van mij, dat tegen mijn geweten en tegen mijn eer indruischt.”„De hemel bewaar me,” riep Morgiane uit, terwijl zij hem een tweede goudstuk in de hand drukte, „ik verlang niets van je, dat je niet in alle deugd en eer doen kunt. Kom maar mee, en maak je niet onnoodig angstig.”Baba Moestapha volgde, en Morgiane geleidde hem, nadat zij hem op de aangewezen plek een doek voor de oogen gebonden had, in het huis van haar overleden meester, en nam hem den doek eerst af in de kamer, waarheen zij het lijk gebracht, en zijn vier deelen behoorlijk bijmekaar gevoegd had.„Baba Moestapha,” zeide zij thans tot hem,„ik heb je hierheen gebracht, opdat gij die vier stukken daar aan elkaar naaien zoudt. Verlies geen tijd, en wanneer je er mee klaar bent, ontvang je nog een goudstuk.”Toen Baba Moestapha gereed was, bond Morgiane hem in dezelfde kamer weer een doek voor de oogen, en nadat zij hem het beloofde derde goudstuk ter hand gesteld, en geheimhouding aangeraden had, voerde zij hem naar de plaats terug, waar zij hem den eersten keer de oogen verbonden had. Hier nam zij hem den doek weer af, en liet hem naar huis gaan; zij volgde hem met de oogen, zoo ver zij kon, opdat hij geen lust zou krijgen, terug te keeren en haarzelf te bespieden.Morgiane had kokend water laten gereedmaken, om Casim's lijk te wasschen, en Ali Baba, die tegelijk met haar in het huis teruggekeerd was, waschte en bewierookte hem, en hulde hem met de gewone plechtigheden en gebruiken in het lijkkleed. Spoedig bracht ook de timmerman de kist, die Ali Baba bij hem besteld had. Opdat nu de timmerman maar niets zou merken, nam Morgiane de kist aan de deur in ontvangst, en nadat zij hem betaald en weggezonden had, hielp zij Ali Baba het lijk er in leggen. Zoodra deze het deksel er op vast genageld had, ging zij naar de moskee en berichtte, dat alles voor de teraardebestelling gereed was. De lieden uit de moskee, wier werkhet is, de lijken te wasschen, boden hun diensten aan, om dat te doen, maar zij zeide hun, dat dit reeds geschied was. Nauwelijks was Morgiane weer thuis, toen deimam2met de overige dienaren der moskee er reeds aankwam. Vier van Casim's buren namen de kist op hun schouders, en droegen haar achter denimam, die voortdurend gebeden prevelde, naar de begraafplaats. Morgiane, als de slavin van den overledene, volgde onder tranen en met ontbloot hoofd, terwijl zij luide jammerklachtenuitstiet, zich heftig op de borst sloeg en de haren uitrukte. Achter haar ging Ali Baba, vergezeld van de buren, die van tijd tot tijd en op de rij af, de andere buren, die de kist droegen, aflosten, tot men eindelijk de begraafplaats bereikt had.Wat Casim's vrouw betreft, deze bleef te huis, om zich aan haar smart over te geven, en een luid klaaggeschrei aan te heffen met haar buurvrouwen, die volgens bestaande zeden, gedurende de begrafenisplechtigheid bij haar gekomen waren, om hare weeklachten te vereenigen met die der weduwe, en de heele buurt met rouw te vervullen. Op deze wijze bleef Casim's noodlottige dood een geheim tusschen Ali Baba, diens vrouw, Casim's weduwe en Morgiane, en deze vier personen bewaarden het zoo zorgvuldig, dat geen mensch in de heele stad er het minste vermoeden van had, laat staan het te weten kwam.Drie of vier dagen na Casim's begrafenis bracht Ali Baba de weinige gereedschappen, welke hij bezat, benevens het uit de schatkamer der roovers gehaalde geld—dit laatste echter alleen bij nacht—in het huis van de weduwe zijns broeders, om daarin voortaan te wonen. Daardoor bracht hij tevens zijn huwelijk met zijn schoonzuster ter openbare kennisse, en wijl huwelijken van dezen aard bij den Mohammedaanschen godsdienst volstrekt niets ongewoonszijn, verwonderde zich ook niemand daarover. Wat Casim's winkel betrof, zoo had Ali Baba een zoon, die sedert eenigen tijd zijn leerjaren bij een aanzienlijk koopman voleindigd, en steeds goede getuigschriften van hem gekregen had. Aan dezen zoon gaf Ali Baba nu den winkel met de belofte, wanneer hij voortging zich goed te gedragen, dat hij hem dan mettertijd volgens zijn stand, voordeelig zou uithuwelijken.Wij willen ondertusschen Ali Baba zijn nieuwe geluk laten genieten, om weer eens naar de veertig roovers om te zien. Zij keerden na den vastgestelden termijn naar hun schuilhoek in het bosch terug, en waren ten hoogste verbaasd, toen zij Casim's lijk niet meer vonden; nog hooger echter steeg hun verwondering, toen zij aan hunne goudzakken een belangrijke vermindering ontdekten.„Wij zijn verraden en verloren,” sprak de hoofdman, „wanneer wij ons niet zeer in acht nemen, en terstond de noodige tegenmaatregelen nemen; anders zouden wij langzamerhand al onze rijkdommen er bij inboeten, welke onze voorvaderen en wij zelf met zooveel moeite en bezwaren verworven hebben. Uit de schade, die er aangericht is, blijkt zooveel, dat de dief, dien wij betrapten, het geheim kende, om de deur te openen, en wij tot ons geluk juist op het oogenblik aankwamen, dat hij weer wilde vertrekken. Hij was nochtansniet alleen; er is nog een ander, die het geheim eveneens moet kennen. Behoeven wij daarvoor nog een ander bewijs, dan dat zijn lijk weggevoerd is, en onze schatten belangrijk verminderd zijn? Daar het nu niet waarschijnlijk is, dat meer dan twee personen van het geheim afweten, moeten wij, nadat wij den eersten omgebracht hebben, ook den tweeden uit den weg ruimen. Wat antwoordt gij daarop, dappere mannen, zijt gij ook niet van dezelfde meening?”Het voorstel van den hoofdman droeg de goedkeuring der geheele bende weg; zij waren het er allen over eens, dat men voorloopig elke andere onderneming uitstellen moest, om met vereende krachten dit eene plan te helpen uitvoeren. Ja, men zou er niet eerder van af zien, alvorens het doel bereikt was.„Juist dat,” zoo ging de hoofdman voort, „heb ik van uwen moed en uw dapperheid verwacht; voor alles echter moet een koen, behendig en ondernemend man uit uw midden, zonder wapens, in de kleedij eens vreemdelings, naar de stad gaan, en al zijn slimheid uitputten, om uit te vorschen, of men daar niet over den vreemden dood van den man spreekt, dien wij, gelijk hij verdiende, omgebracht hebben, wie hij was en in welk huis hij woonde. Dit is voor 't oogenblik het gewichtigste, opdat wij niets doen, dat wij ooit met grond zouden behoevente betreuren, en ons niet in een land verraden, waar wij zoo lang onbekend waren, en het van zoo groot belang voor ons is, ook voor 't vervolg onbekend te blijven. Om intusschen dengene, die zich met deze zending wil belasten, aan te vuren, en opdat hij ons niet een valsch bericht brenge, dat ons aller verderf na zich slepen kan, zoo vraag ik u, of gij het niet voor noodig houdt, dat hij zich in dit geval aan de doodstraf onderwerpe?”Zonder eerst den uitslag eener stemming af te wachten, zei een der roovers: „Ik onderwerp mij aan die voorwaarde, en stel er een eer in, bij deze zaak mijn leven te wagen. Gelukt het mij niet, dan zult gij u tenminste herinneren, dat het mij noch aan goeden wil, noch aan moed ontbroken heeft, om het welzijn van ons allen te bevorderen.”De roover oogstte veel lofspraak van den hoofdman en zijn kameraden in, en verkleedde zich toen zoo uitmuntend, dat niemand hem voor dàt houden kon, wat hij werkelijk was. Hij ging des nachts op weg, en nam zijn maatregelen zoo, dat hij juist tegen den tijd, dat het begon te schemeren, in de stad kwam. Op het marktplein aangekomen, zag hij slechts een enkelen winkel open, namelijk dien van Baba Moestapha.Baba Moestapha zat met een priem in de hand op zijn stoel, en wilde juist aan zijn werkbeginnen. De roover trad op hem toe, wenschte hem goeden morgen, en daar hij zijn hoogen leeftijd bemerkte, zeide hij tot hem: „Goede man, gij begint al zeer vroeg aan je werk; gij kunt op uw leeftijd onmogelijk nu al goed zien. Ook al was het reeds lichter, zoo betwijfel ik toch, of je oogen nog scherp genoeg zijn, om schoenen te lappen.”„Wie gij ook zijn moogt,” antwoordde Baba Moestapha, „zoo schijnt gij mij niet te kennen. Ik ben wel is waar zeer oud, heb echter nog voortreffelijke oogen, en tot bewijs daarvoor wil ik je slechts zeggen, dat ik nog niet lang geleden een doode aan elkaar gelapt heb op een plaats, waar het niet veel lichter is, dan het thans hier is.”De roover was zeer verheugd, zoo gauw een man te hebben aangetroffen, die hem, zooals hij hoopte, vanzelf en ongevraagd daarover inlichtingen geven zou, waarvoor hij hierheen gekomen was.„Een doode?” vroeg hij heel verbaasd, en om hem tot spreken te krijgen, voegde hij er bij: „Waarom een doode aan mekaar naaien? Gij wilt zeker zeggen, het lijkkleed, waarin hij gehuld was!”„Neen, neen,” antwoordde Baba Moestapha, „ik weet heel goed, wat ik zeggen wil. Gij zoudt mij graag tot spreken willen brengen, maar ik zal er je niets meer van vertellen.”De roover had geen verdere verklaringen noodig, om overtuigd te zijn, dat hij gevonden had, wat hij was komen zoeken. Hij haalde een goudstuk uit den zak, drukte het Baba Moestapha in de hand, en zeide tot hem: „Het is volstrekt mijn bedoeling niet, in je geheim te willen dringen, ofschoon ik je verzekeren kan, dat ik het niet verbreiden zou, als je het mij toevertrouwde. Het eenige, waarom ik je verzoek, is, dat je zoo vriendelijk zoudt willen zijn, mij het huis te beschrijven, of aan te wijzen, waar je het lijk aaneengenaaid hebt.”„Wanneer ik dit ook al gaarne doen wilde,” antwoordde Baba Moestapha, terwijl hij een beweging maakte, om den roover het goudstuk terug te geven, „zoo verzeker ik je toch, dat mij dit onmogelijk zou zijn, en gij kunt mij op mijn woord gelooven. Men heeft mij namelijk naar een bepaalde plaats gevoerd, waar mijn oogen verbonden werden, en vandaar af naar een huis, waar men mij, na de verrichting van mijn werk, weer op dezelfde wijze en naar dezelfde plek terugleidde. Je ziet dus wel in, dat ik onmogelijk aan uw verlangen voldoen kan.”„Maar kunt gij u,” vroeg de roover verder, „niet eenigszins nog den weg herinneren, waarlangs men u met verbonden oogen gevoerd heeft? Ik bid je, ga met mij mee; ik zal je op dezelfde plek de oogen verbinden, en dan zullen wij te zamen dezelfde straten en dezelfde kruiswegengaan, welke gij u herinnert, destijds gegaan te zijn. Daar echter de arbeider zijn loon waard is, geef ik je hiermee een tweede goudstuk. Kom nu, en doe mij dat genoegen.”De beide goudstukken lokten Baba Moestapha aan. Hij beschouwde ze een tijd lang in zijn hand, zonder een woord te zeggen, en ging met zichzelf te rade, wat hij doen moest. Eindelijk haalde hij zijn beurs te voorschijn, stopte ze er in, en zei toen tegen den roover: „Ik kan wel niet vast beloven, dat ik mij nog precies den weg herinner, langs welken men mij destijds gevoerd heeft; daar gij het echter zoo verlangt, zal ik al mijn best doen, om het mij te herinneren.”Baba Moestapha maakte zich nu tot groote vreugde van den roover gereed, en zonder zijn winkel te sluiten, waarin hij niets van belang te verliezen had, bracht hij hem naar de plek, waar Morgiane hemgeblinddoekthad. Toen zij daar aangekomen waren, zeide Baba Moestapha: „Hier ben ik geblinddoekt, en ik keek precies denzelfden kant uit, als nu.”De roover, die reeds zijn zakdoek bereid gehouden had, bond hem dezen nu eveneens voor de oogen, en ging naast hem voort, terwijl hij hem deels leidde, deels zich door hem leiden liet, totdat hij staan bleef.

In een stad, aan de grenzen van Perzië, leefden eens twee broeders, waarvan de een Casim, en de ander Ali Baba heette. Hun vader had hun maar een klein vermogen nagelaten, en daar zij dit weinige gelijkelijk verdeeld hadden, zou men allicht meenen, dat hun uiterlijke omstandigheden vrij wel gelijk waren; het toeval wilde 't echter anders.

Casim huwde een vrouw, die spoedig na hun huwelijk een goed voorzienen winkel en een menigte onroerende goederen erfde, zoodat hij in eens een welgesteld man en een der rijkste lieden der stad werd.

Ali Baba daarentegen huwde een vrouw, die even arm was als hij zelf, woonde zeer armoedig, en had geen andere verdiensten, om zich en den zijnen het levensonderhoud te verschaffen, dan de opbrengst van het hout, dat hij in het naburige bosch hakte en daarna op drie ezels, zijn eenige bezitting, naar de stad bracht en verkocht.

Op zekeren dag, toen Ali Baba weer in het bosch was en juist hout genoeg geveld had, om zijn ezels daarmee te beladen, zag hij op eens in de verte een geweldige wolk opstijgen, welke zich in rechte richting bewoog naar de plaats, waar hij stond. Hij keek er zeer opmerkzaam naar, en zag weldra, dat het een talrijke ruiterschaar was, die in snellen draf naderbij kwam.

Ofschoon men in de heele buurt nooit van roovers hoorde, kwam bij Ali Baba toch de gedachte op, dat deze ruiters wel roovers konden zijn, en daarom besloot hij, zijn ezels aan hun lot over te laten, en slechts zijn eigen persoon te redden. Hij klom dus in een boom, welks takken wel niet hoog, maar buitengewoon dicht bebladerd waren, en nam daarop nu met des te grooter vertrouwen plaats, als hij vandaaralles zien kon, wat beneden voorviel, zonder zelf gezien te worden. De boom stond aan den voet van een kale rots, die veel hooger dan de boom, en zoo steil was, dat men haar onmogelijk beklimmen kon.

De ruiters, allen groote en flinke mannen, die zoowel van wapens als paarden goed voorzien waren, stegen bij de rots af, en Ali Baba, die er veertig telde, kon, naar hun gezichten en hun gansche kleeding te oordeelen, er nietmeer aan twijfelen, dat het roovers waren. Hij bedroog zich ook niet: het waren werkelijk roovers, die echter niet in 't minst deze streek verontrustten, maar hun zaken in andere, verre gewesten dreven, en hier alleen hun verzameloord hadden. Hij werd in zijn meening versterkt, toen hij ze verder bespiedde.

Elk der ruiters toomde zijn paard af, bond het vast, wierp het een zak vol gerst, dien hij achter zich gehad had, om den kop, en maakte toen zijn reistasch los. De meeste hiervan kwamen Ali Baba zoo zwaar voor, dat hij er uit opmaakte, dat ze vol goud en zilver moesten zijn.

De statigste der roovers, dien Ali Baba voor hun hoofdman hield, naderde met zijn reistasch op den schouder, eveneens de rots, die dicht bij den grooten boom stond, waarin Ali Baba zich verscholen had, en nadat hij zich door eenige struiken een weg gebaand had, sprak hij de woorden: „Sesam, open je!” zoo luid en duidelijk, dat Ali Baba ze hoorde. Nauwelijks had de rooverhoofdman deze woorden uitgesproken, ofer opende zich een deur, waardoor hij al zijn mannen liet binnengaan; hijzelf ging 't allerlaatst binnen en de deur sloot zich weer.

De roovers bleven lang in de rots, en Ali Baba moest geduldig op den boom blijven en wachten; want hij vreesde, dat enkelen of ook wel allen tezamen weer naar buiten mochten komen op 't oogenblik, dat hij zijn post verlaten en vluchten wilde. Desniettemin kwam hij in verzoeking, naar omlaag te komen, zich meester te maken van twee paarden, op 't een te gaan zitten en het andere naast zich mee te voeren, en zoo, zijn ezels voor zich uit drijvend, naar de stad te rijden. Dit plan was echter te gewaagd en hij besloot daarom, het veiligste deel te kiezen.

Eindelijk opende zich de deur weder, veertig roovers traden naar buiten, en de hoofdman, die er 't laatst ingegaan was, was thans de eerste, die buiten kwam, en de overigen allen voorbij zich heen liet gaan. Ali Baba hoorde, dat op zijn woorden: „Sesam, sluit je!” de deur zich weder sloot. Ieder keerde naar zijn paard terug, toomde het op, bond zijn tasch over 't zadel vast, en steeg weer op. Toen de hoofdman eindelijk zag, dat allen voor den rit gereed waren, plaatste hij zich aan hun hoofd en sloeg weer denzelfden weg in, waarlangs zij gekomen waren.

Ali Baba daalde niet terstond uit den boom af. „Zij konden,” sprak hij bij zichzelf, „iets vergetenhebben, dat hen weer dwong terug te keeren, en dan zouden zij mij betrappen.” Hij volgde hen met de oogen, tot hij ze uit 't gezicht verloren had, en liet zich voor meerdere veiligheid eerst lang daarna op den grond zakken. Daar hij de woorden, krachtens welke de rooverhoofdman de deur geopend en weer gesloten had, goed in zijn geheugen bewaard had, bekroop hem de lust, een poging te wagen, of ze wellicht dezelfde uitwerking zouden hebben, alshijze uitsprak. Hij drong derhalve door het struikgewas, vond de deur, welke daardoor verborgen was, plaatste zich er voor, sprak de woorden: „Sesam, open je!” en—ziedaar! op 't zelfde oogenblik sprong de deur wagenwijd open.

Ali Baba had een donker en somber oord verwacht, maar hoe groot was zijn verbazing toen hij het binnenste der rots zeer helder, groot en ruim, en door menschenhanden tot een hoog gewelf uitgehold vond, dat van boven door een kunstig aangebrachte opening zijn licht ontving. Hij vond hier veel mondvoorraad, zakken vol kostbare koopmansgoederen, zijden stoffen en brocaat, en vooral ook prachtige tapijten, bij hoopen opgestapeld; wat hem echter het meest aantrok, was een massa gemunt goud en zilver, dat gedeeltelijk op hoopen uitgeschud, gedeeltelijk in leeren zakken, welke op een lange rij stonden, geborgen was. Bij dezen aanblik kwamhet hem voor, alsof dit rotshol niet eerst sinds een reeks van jaren, maar reeds sedert eeuwen aan roovers tot toevluchtsoord gediend moest hebben.

Ali Baba bedacht zich niet lang, wat hij hier doen zou; hij trad het hol binnen, en zoodra hij er in was, sloot zich de deur weer; dat verontrustte hem echter niet, want hij kende immers het geheim, om haar te openen. Bij het zilvergeld hield hij zich niet lang op, maar bemoeide zich alleen met het gemunte goud en in 't bijzonder met dat, wat in de zakken was. Hiervan nam hij herhaalde malen zooveel als hij dragen en zijn drie ezels, die zich ondertusschen verstrooid hadden, opladen kon. Toen hij ze weer bij de rots bijeengedreven had, belastte hij ze met de zakken, en om deze te verbergen, legde hij er hout bovenop, zoodat nu niemand er iets van zien kon. Toen hij daarmee klaar was, plaatste hij zich voor de deur, en nauwelijks had hij de woorden: „Sesam, sluit je!” uitgesproken, of zij sloot zich ook weer; zij was namelijk, telkens wanneer hij naar binnen gegaan was, van zelf dicht gegaan, en was elken keer, als hij er uit kwam, open gebleven.

Ali Baba keerde nu weer naar de stad terug, en toen hij voor zijn huis aankwam, dreef hij zijn ezels naar 'n kleine binnenplaats, waarvan hij de deur zorgvuldig achter zich dicht maakte. Daarna laadde hij het weinige hout, dat zijneschatten verborg, af, droeg de zakken zijn woning in, en legde ze voor zijne vrouw neer, die op de sofa zat.

Zijne vrouw nam de zakken in de hand, en toen zij merkte, dat ze vol goud waren, dacht zij, dat haar man ze gestolen had. Nadat hij alles binnen gebracht had, kon zij niet nalaten tot hem te zeggen: „Ali Baba, ben je van God verlaten, om...” Ali Baba onderbrak haar metde woorden: „Wees bedaard, lieve vrouw, en heb geen zorg; ik ben geen dief, want ik heb dit alles slechts aan dieven ontnomen. Je zult weldra je slechte meening van mij laten varen, wanneer ik je mijn geluk verteld zal hebben.” Hij schudde de zakken uit, zoodat er nu een groote hoop goud voor zijn vrouw kwam te liggen, die er geheel door verblind werd; hierop verhaalde hij haar zijn ontmoeting van het begin tot het einde, en raadde haar toen vóór alles aan, de heele geschiedenis geheim te houden.

Toen de vrouw van haar verbazing en schrik weer bekomen was, verheugde zij zich met haar man over het geluk, dat hun was ten deel gevallen, en wilde den ganschen goudhoop, die voor haar lag, stuk voor stuk, tellen. „Beste vrouw,” zei Ali Baba tot haar,„dat is niet slim van je. Waar denk je aan?Jezoudt nooit met tellen klaar komen. Ik wil een kuil graven, en het daarin verbergen; wij hebben geen tijd te verliezen.”—

„Het zou toch goed zijn,” antwoordde de vrouw, „wanneer wij tenminste ongeveer wisten, hoeveel er is. Ik zal bij de buren gaan, om een kleine maat te leenen en het daarmee te meten, terwijl gij ondertusschen den kuil graaft.”

„Lieve vrouw,” zei Ali Baba daarop, „dit zou werkelijk nergens toe dienen, en ik raad je aan, het niet te doen. Doe overigens wat je wil, maarvergeet vooral niet, geen woord over de zaak te reppen.”

Om haar verlangen te bevredigen ging Ali Baba's vrouw heen, en naar haar zwager Casim toe, die niet ver van hen af woonde. Casim was niet te huis, en zij wendde zich daarom tot zijn vrouw, met het verzoek, haar toch voor eenige oogenblikken een maat te leenen. De schoonzuster vroeg haar, of zij een groote of een kleine wilde, en Ali Baba's vrouw vroeg om een kleine maat.

„Met plezier,” antwoordde haar schoonzuster, „wacht slechts een oogenblik, ik zal ze je dadelijk brengen.”

De schoonzuster haalde de maat; daar zij echter Ali Baba's armoede kende, was zij erg nieuwsgierig te weten, wat voor graan zijn vrouw daarmee meten wilde, en kwam daarom op de gedachte, onder in de maat ongemerkt een beetje deeg te plakken. Daarna kwam zij terug, gaf Ali Baba's vrouw de maat over, en verontschuldigde zich over haar uitblijven met te zeggen, dat zij zoo lang had moeten zoeken.

Toen Ali Baba's vrouw in haar huis teruggekeerd was, zette zij de maat op den goudhoop, vulde haar, en ledigde ze op eenigen afstand op de sofa. Toen zij nu alles gemeten had, was zij zeer tevreden over het aanzienlijk aantal maten, en vertelde dit aan haar man, die juist met zijn kuil klaar gekomen was.

Terwijl Ali Baba het geld begroef, bracht zijn vrouw, om haar schoonzuster haar nauwgezetheid en haar zin voor orde te toonen, de maat terug; ze had echter niet opgemerkt, dat daarin onderaan nog een goudstuk kleefde.

„Beste schoonzuster,” zeide zij tot haar, toen zij het ding terug gaf, „je ziet, dat ik je maat niet al te lang gehouden heb; ik ben er je zeer dankbaar voor; hier heb je haar weer.”

Nauwelijks had Ali Baba's vrouw haar den rug toegekeerd, of Casims vrouw keek op den bodem van de maat, en men kan haar verbazing begrijpen, toen zij het geldstuk daarin ontdekte.Weldra sloop de satan van den nijd haar hart binnen. „Wat!” dacht zij, „Ali Baba heeft het goud bij schepels vol! Van waar mag de arme slokker het wel genomen hebben?”

Casim, haar man, was, zooals we zeiden, niet te huis, maar in zijn winkel, vanwaar hij eerst tegen den avond terug verwacht werd. De tijd tot aan zijn terugkomst leek haar een eeuwigheid, want zij brandde van ongeduld, hem het groote nieuws te vertellen, dat voor hem even verrassend zijn moest, als voor haar.

Toen Casim thuis gekomen was, zeide zijn vrouw tot hem: „Je gelooft een rijk man te zijn, nietwaar Casim? Maar je vergist je. Ali Baba is duizendmaal rijker dan jij; hij kan zijn geld niet tellen, maar moet het meten.”

Casim verlangde een verklaring van dit raadsel, en zij vertelde hem, hoe sluw zij de ontdekking gedaan had; en tevens toonde zij hem het goudstuk, dat onder op den bodem was blijven kleven; het was zoo oud, dat de naam van den vorst, die het had laten munten, hun onbekend was.

In plaats van zich te verheugen over het geluk van hun broeder, die tot nog toe zoo arm geweest was, voelde Casim slechts ijverzucht, welke hem geen rust meer liet. Den ganschen nacht kon hij er bijna niet van slapen, en den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang naar zijn broeder toe. Daar hij sinds zijn huwelijk met de rijke weduwe, hem niet meer als zijn broeder aanzag en dezen naam heelemaal vergeten had, zoo sprak hij hem thans als volgt aan: „Ali Baba, jij bent zeer terughoudend in je aangelegenheden. Jij speelt den arme, den noodlijdende, den bedelaar, en je meet het goud met schepels.”

„Beste broeder,” antwoordde Ali Baba, „ik weet niet, wat je daarmee bedoelt; verklaar je nader.”

„Hou je toch niet zoo dom,” antwoorddeCasim, en terwijl hij hem het goudstuk voorhield, dat zijn vrouw hem gegeven had, voegde hij erbij: „Hoeveel van zulke goudstukken heb je? Mijn vrouw heeft dit onder in de maat gevonden, welke jouw vrouw gisteren van haar geleend heeft.”

Uit deze woorden merkte Ali Baba, dat, tengevolge van de eigenzinnigheid zijner vrouw, Casim en diens vrouw al reeds de zaak kenden, welker geheimhouding voor hem zoo gewichtig was. De fout was nu echter eenmaal begaan en men kon haar niet ongedaan maken. Zonder iets van zijn spijt te laten merken, bekende hij daarom zijn broeder de heele geschiedenis, en vertelde hem, door welk toeval en waar hij de schuilplaats der roovers ontdekt had; tegelijk bood hij aan, den schat met hem te deelen, wanneer hij slechts het geheim bewaren wilde.

„Ja, dat verlang ik toch al,” sprak Casim op trotschen toon; „maar,” voegde hij er bij, „ik wil ook nog precies weten, waar de schat is, aan welke bijzondere kenteekenen ik hem herkennen, en hoe ik er zelf bij komen kan, wanneer ik er zin in heb; anders geef ik 't bij 't gerecht aan. Weiger je dus, dan heb je niet alleen niets meer te hopen, maar je zult ook nog verliezen, wat je al hebt; ik echter zal voor mijn aangifte mijn loon verkrijgen.”

Meer uit goedmoedigheid, dan omdat hij door de onbeschaamde bedreigingen van zijn broederbang geworden was, bracht Ali Baba hem van alles op de hoogte, en deelde hem ook de woorden mee, die hij moest uitspreken, om het hol binnen, en er weer uit te kunnen komen.

Meer verlangde Casim niet te weten. Hij verliet zijn broeder met het vaste voornemen, hem vóór te zijn en in de hoop, zich alleen van den schat meester te kunnen maken.

Den volgenden morgen ging hij reeds voor zonsopgang met tien muildieren op weg, welkehij met groote kisten beladen had. Deze wilde hij alle geheel vullen, en hij nam zich nu al voor, bij een tweeden tocht naar den schat nog veel meer zulke kisten mee te nemen, ingeval hij nog zooveel ladingen vond, dat dit noodig bleek. Hij sloeg den weg in, dien Ali Baba hem aangeduid had, kwam bij de rots en herkende de kenteekenen, en evenzoo den boom, waarop Ali Baba zich verscholen had.

Hij zocht de deur, vond haar, en sprak de woorden: „Sesam, open je!”; de deur ging open, hij trad naar binnen en terstond sloot zij zich weer. Bij bezichtiging van het hol, kwam hij in groote verbazing, wijl hij er veel meer rijkdommen in aantrof, dan hij uit Ali Baba's vertelling vermoed had, en zijn verwondering werd voortdurend grooter, hoe meer hij alles afzonderlijk in oogenschouw nam. Als een gierigaard, wien rijkdommen boven alles gaan, had hij gaarne den heelen dag zich verlustigd in den aanblik van zooveel goud, indien het hem niet was ingevallen, dat hij eigenlijk gekomen was, om het geld te halen en zijn tien muilezels er mee te beladen. Hij nam daarom een aantal zakken, zooveel hij dragen kon, ging daarmee naar de deur, en wijl hij aan al 't andere meer dacht, dan aan dat, wat thans voor hem het gewichtigste was, zoo gebeurde het, dat hij zich het tooverwoord niet meer herinnerde, en in plaats van Sesam, zeide: „Gerst, open je!”Hoe groot was zijn ontsteltenis, toen hij zag dat de deur zich niet opende, maar gesloten bleef. Nu noemde hij nog andere namen van graansoorten op, maar den juisten naam niet, en de deur bleef immer gesloten. Op dit toeval had Casim heelemaal niet gerekend. Schrik en angst maakten zich van hem meester, toen hij zich nu in zulk 'n groot gevaar zag, en hoe meer hij zich inspande, om het woord Sesam in zijn geheugen terug te roepen, des te verwarder werd hij, en weldra was het, alsof hij dit woord nooit had hooren noemen. Wanhopig wierp hij thans de zakken, waarmee hij zich beladen had, op den grond, ging met groote passen in het hol op en neer, en alle rijkdommen, waarmee hij zich omringd zag, hadden thans geen bekoring meer voor hem. Doch laten wij Casim zijn lot beweenen, hij verdient ons medelijden niet.

De roovers keerden tegen den middag naar hun schuilplaats terug, en toen zij in de nabijheid kwamen, en de met kisten beladen muilezels van Casim ontdekten, werden zij door deze nieuwe verschijning ongerust, renden met lossen teugel naderbij en joegen de tien muilezels, die Casim vergeten had, vast te binden, uit mekaar, zoodat zij zich naar alle richtingen in het bosch verstrooiden en spoedig uit hun gezicht verdwenen waren. De roovers deden geen enkele poging, de muilezels na te rijden, het was hunvan veel meer belang den eigenaar der dieren te vinden. Terwijl nu eenigen van hen de rots omgingen, om hem te zoeken, steeg de hoofdman met de anderen af, ging met blanke sabel recht op de deur toe, sprak de woorden, en de deur opende zich.

Casim, die binnen in het hol het getrappel der paarden hoorde, twijfelde er thans niet meer aan, dat de roovers gekomen waren en hijzelf verloren was. Toch besloot hij, een poging te wagen, om aan hunne handen te ontkomen, en zich te redden; daarom plaatste hij zich dicht bij de deur, om naar buiten te snellen, zoodra zij zich openen zou. Nauwelijks hoorde hij het woord Sesam, dat zijn geheugen ontgaan was, uitspreken, en zag de deur opengaan, of hij stormde zoo woest naar buiten, dat hij den hoofdman ter aarde wierp. Maar den anderen roovers kon hij niet ontkomen; dezen hielden eveneens de blanke sabel in de hand en doodden hem op de plaats zelve. Nu was de eerste zorg der roovers, de grot binnen te gaan. Zij vonden dicht bij de deur de zakken, die Casim daarheen gedragen had, om er zijn muilezels mee te belasten, en legden ze weer op hun oude plaats; zij merkten echter niet, dat die, welke Ali Baba meegenomen had, ontbraken. Terwijl zij nu met elkander over dit voorval beraadslaagden, begrepen zij wel, dat Casim niet meer uit de grot had kunnen komen, maar hoe hij erin gekomen was, daarvan begrepen zij niets. Zij kwamen op de gedachte, dat hij wellicht van boven af binnengekomen was; maar de opening, waardoor het licht naar binnen viel, was zoo hoog, en de top der rots zoo ontoegankelijk, dat zij eenstemmig verklaarden, dit raadsel niet te kunnen oplossen. Dat hij door de deur binnen gekomen was, konden zij niet aannemen, want daarvoor moest hij toch het geheim kennen, om haar te openen, en in het bezit daarvan, meenden zij, was niemand anders dan zij zelf. Zij konden namelijk niet weten, dat Ali Baba hen beluisterd en het gehoord had. Hoe het geval zich echter ook mocht toegedragen hebben, het was thans zaak, hun gemeenschappelijke rijkdommen in veiligheid te brengen, en zoo besloten zij daarom, Casim's lijk in vier stukken te verdeelen, en binnen in de grot, niet ver van de deur, aan weerskanten twee, op te hangen, tot afschrikwekkend voorbeeld voor ieder, die de brutaliteit zou hebben, iets dergelijks te wagen; zij zelf echter besloten, eerst na verloop van eenigen tijd, wanneer de lijklucht verdwenen zou zijn, naar hun hol terug te keeren. Daar niets hen meer terughield, verlieten zij hun schuilplaats, welke zij eerst goed gesloten hadden, stegen te paard en doorkruisten de landstreken in de richting, waar de straatwegen het meest door karavanen bezocht werden, om als gewoonlijk jacht opdeze te maken en ze uit te plunderen.

Ondertusschen verkeerde Casim's vrouw in grooten angst, toen de nacht aanbrak en haar man nog immer niet teruggekeerd was. Vol bekommering ging zij naar Ali Baba en zeide tot hem: „Beste zwager, jij weet zeker wel, dat je broer Casim naar het bosch gegaan is, en met welk doel. Hij is nog niet teruggekomen, en het is toch al laat in den nacht; ik vrees, dat hem een of ander ongeluk overkomen is.”

Ali Baba had na het boven aangevoerde gesprek met zijn broeder zijn reis vermoed, en was daarom op dezen dag niet zelf naar het bosch gegaan, om hem geen reden tot argwaan te geven. Zonder haar ook maar eenig verwijt te doen, dat haar of haar man, wanneer hij nog in 't leven was, had kunnen beleedigen, zeide hij tot haar, dat zij zich daarom nog niet ongerust behoefde te maken, want zonder twijfel had Casim het beter geoordeeld, eerst later in de stad terug te keeren.

Casim's vrouw geloofde dit des te eerder, als zij er aan dacht, hoeveel er haar man aan gelegen moest liggen, de zaak geheim te houden. Zij keerde daarom getroost naar huis terug en wachtte geduldig tot omstreeks middernacht. Nu echter werd haar onrust en haar verdriet dubbel zoo groot, en dit te meer, wijl zij haar angstig kloppend hart niet door schreien en weenen lucht verschaffen kon, omdat zij welinzag, dat de ware oorzaak daarvan voor de buren een geheim moest blijven. Thans, nu haar fout niet meer te herstellen was, gevoelde zij berouw over haar dwaze nieuwsgierigheid en haar strafbare begeerte, de huiselijke aangelegenheden van haren zwager en haar schoonzuster te willen doorgronden. Zij weende den geheelen nacht door en bij 't aanbreken van den dag snelde zij weer naar hen toe, en gaf meer door tranen dan door woorden te verstaan, waarom zij kwam.

Ali Baba wachtte niet, tot zijn schoonzuster hem bad, toch eens de moeite te willen nemen, en te gaan zien wat er van Casim geworden was. Hij ging oogenblikkelijk met zijn drie ezels op weg naar het bosch, nadat hij haar vooraf nog dringend aanbevolen had, haar kommer te matigen. Toen hij de rots naderde, zonder op den heelen weg noch zijn broeder, noch de muilezels aangetroffen te hebben, verwonderde hij zich zeer over het bloed, dat hij aan den ingang van het hol ontdekte; dit scheen hem een slecht voorteeken toe. Hij trad naar de deur, sprak de woorden, zij opende zich, en het eerste dat hem in het oog viel, was het lijk van zijn gevierendeelden broeder. Bij dezen treurigen aanblik bedacht hij zich niet lang, wat hij doen zou, maar besloot terstond, zijn broeder de laatste eer te bewijzen, want hij dacht er niet meer aan, hoe weinig broederlijke liefde deze steedsvoor hem getoond had. Hij vond in het hol de noodige dingen, om er het lijk van zijn broeder in te pakken, en vervolgens op een zijner ezels te laden; hij legde er hout overheen, opdat niemand er iets van merken zou. De beide andere ezels belastte hij zonder verder dralen met volle zakken goud, waarover hij eveneens hout legde. Nadat hij hiermee klaar was, en de deur bevolen had, zich weer te sluiten, trok hij naar de stad terug. Hij was intusschen voorzichtig genoeg, aan den rand van het bosch zoo lang te wachten, tot hij eerst bij 't aanbreken van den nacht de stad bereikte. Thuis aangekomen, dreef hij slechts de twee met goud beladen ezels in den hof, liet aan zijn vrouw de taak over, ze af te laden, en nadat hij haar met weinige woorden het lot van Casim medegedeeld had, voerde hij den derden ezel naar zijn schoonzuster. Ali Baba klopte aan de deur, en deze werd hem open gedaan door een zekere Morgiane. Deze Morgiane was een handige, verstandige en vindingrijke slavin, die de grootste moeilijkheden wist te boven te komen. Ali Baba kende haar als zoodanig. Toen hij daarom in den hof getreden was, en den ezel het hout en het andere pak afgenomen had, nam hij Morgiane ter zijde, en zeide tot haar: „Morgiane, het eerste, dat ik van je verlang, is volstrekte geheimhouding: je zult dadelijk begrijpen, hoeveel je gebiedster en mij daaraan gelegenmoet zijn. Deze pakken bevatten het lijk van je meester; wij moeten er thans voor zorgen, hem zoo te begraven alsof hij een natuurlijken dood gestorven was. Breng mij naar je meesteres, en let op alles, wat ik haar zal zeggen.”

Morgiane kondigde hare gebiedster het bezoek aan, en Ali Baba, die haar op den voet volgde, trad de kamer in. „Welnu, zwager,” riep de weduwe hem met groot ongeduld tegemoet, „welk bericht breng je mij van mijn man?Jegezicht voorspelt niets goeds.”

„Schoonzuster,” antwoordde Ali Baba, „ik kan je niets zeggen, als je mij niet eerst belooft, dat je mij van 't begin tot 't einde zult aanhooren, zonder den mond te openen. Na de gebeurtenis, welke ik je mee te deelen heb, is het voor je eigen welzijn en je rust, van even groot belang, als voor mij, dat de zaak geheim blijft.”

„Ach!” riep de schoonzuster op halfluiden toon uit, „deze inleiding maakt het mij duidelijk, dat mijn man niet meer in leven is; maar ik zie tevens ook in, hoe noodig de geheimhouding is, welke jij van me verlangt. Wel moet ik mij veel geweld aandoen, maar spreek vrij uit, ik luister.”

Ali Baba verhaalde hierop aan zijn schoonzuster den ganschen uitslag zijner reis, tot aan zijn terugkeer met Casim's lijk.

„Schoonzuster,” voegde hij er bij, „je hebt nu werkelijk alle reden, om bedroefd te zijn, en des te meer, hoe minder je het verwachten kon. Aan dit ongeluk is nu echter niets meer te veranderen; wanneer echter iets in staat is, je te troosten, dan stel ik je voor, de weinige goederen, welke ik bezit met die van jou te vereenigen, en je te huwen;1tevens geef ik je de verzekering, dat mijn vrouw niet ijverzuchtig zijn zal, en gij beiden u met elkander bepaald goed zult kunnen verdragen. Bevalt mijn voorstel je, dan moeten wij voor alles daaraan denken, de zaak zoo te leiden, dat iedereen gelooven moet, dat mijn broeder een natuurlijken dood gestorven is, en op dit punt, geloof ik, kan je je geheel op Morgiane verlaten. Van mijn kant zal ik ook alles doen, wat in mijn macht is.”

Wat kon Casim's weduwe beter doen, dan Ali Baba's voorstel aannemen? Naast het vermogen, dat haar door den dood van haar eersten man ten deel viel, bekwam zij een tweeden man, die rijker was, dan zij zelf en door de ontdekking van den schat nòg rijker kon worden. Zij sloeg het voorstel daarom niet van de hand, maar beschouwde het integendeel als een zeer geldige reden om zich te troosten. Terwijl zij daarom haar tranen droogde, welke intusschenal rijkelijk waren begonnen te stroomen, en het doordringende weegeroep, dat vrouwen plegen aan te heffen bij het verlies van haar mannen, naliet, bewees zij Ali Baba daarmee voldoende, dat zij zijn aanbod aannam. In deze stemming verliet Ali Baba de weduwe van Casim, en nadat hij Morgiane ingeprent had, haar rol goed te spelen, keerde hij met zijn ezel naar huis terug.

Morgiane deed, wat men van haar verwachtte; zij ging tegelijk met Ali Baba het huis uit, en naar een apotheker, die in de buurt woonde. Zij klopte aan zijn winkel, en toen men haar had opengedaan, vroeg zij naar een zeker soort van geneesmiddelen, welke bij hoogst gevaarlijke ziekten van zeer groot nut zijn. De apotheker gaf er haar eenige voor het geld, dat zij op de toonbank gelegd had, en vroeg, wie er wel in het huis van haar meester ziek was?

„Ach!” antwoordde zij met een diepen zucht, „Casim, mijn goede heer, is 't zelf. Men kan uit zijn ziekte niet wijs worden; hij spreekt niet en kan niets eten.”

Met deze woorden nam zij de geneesmiddelen mee, waarvan Casim geen gebruik meer maken kon. Den volgenden morgen kwam Morgiane weer bij denzelfden apotheker, en verlangde met tranen in de oogen een drank, welken men zieken slechts in 't uiterste geval pleegt te geven; wanneer deze drank hen niet gezond maakte,dan gaf men alle hoop op hun genezing op.

„Ach,” zeide zij, met groote droefheid, toen zij hem uit de hand van den apotheker aannam, „ik vrees zeer, dat dit middel even weinig zal baten, als de vorige geneesmiddelen. Ach, watwas het een goede meester, en nu moet ik hem verliezen!” Wijl men nu ook nog Ali Baba en zijn vrouw, den ganschen dag met bedroefde gezichten naar Casim's huis heen en weer zag gaan, zoo verwonderde zich niemand om het weegeklaag, dat Casim's vrouw en vooral Morgiane des avonds hooren lieten, om Casim's dood te verkondigen.

Den volgenden morgen ging Morgiane, die op het marktplein een ouden, eerlijken schoenlapper kende, die zijn werkplaats steeds het allereerst en lang voor de anderen opende, in alle vroegte uit, om hem op te zoeken. Zij begroette hem met den gebruikelijken groet en drukte hem tegelijkertijd een goudstuk in de hand. De schoenlapper, die in de heele stad onder den naam van Baba Moestapha bekend, en een zeer vroolijke kameraad, vol luimige invallen was, bekeek het geldstuk nauwkeurig, wijl het nog niet klaar dag was, en toen hij er zich van overtuigd had, dat het van goud was, zeide hij: „Een mooi handgeld! wat verlang je daarvoor? ik ben bereid, alles te doen.”

„Baba Moestapha,” zeide Morgiane tot hem, „neem al je gereedschap op, dat voor 't lappen noodig is, en kom snel met mij mee. Wanneer wij echter op die en die plaats gekomen zijn, moet je je de oogen laten verbinden.” Hiertegen had Baba Moestapha bezwaren.

„Neen, neen!” antwoordde hij, „gij verlangtzeker iets van mij, dat tegen mijn geweten en tegen mijn eer indruischt.”

„De hemel bewaar me,” riep Morgiane uit, terwijl zij hem een tweede goudstuk in de hand drukte, „ik verlang niets van je, dat je niet in alle deugd en eer doen kunt. Kom maar mee, en maak je niet onnoodig angstig.”

Baba Moestapha volgde, en Morgiane geleidde hem, nadat zij hem op de aangewezen plek een doek voor de oogen gebonden had, in het huis van haar overleden meester, en nam hem den doek eerst af in de kamer, waarheen zij het lijk gebracht, en zijn vier deelen behoorlijk bijmekaar gevoegd had.

„Baba Moestapha,” zeide zij thans tot hem,„ik heb je hierheen gebracht, opdat gij die vier stukken daar aan elkaar naaien zoudt. Verlies geen tijd, en wanneer je er mee klaar bent, ontvang je nog een goudstuk.”

Toen Baba Moestapha gereed was, bond Morgiane hem in dezelfde kamer weer een doek voor de oogen, en nadat zij hem het beloofde derde goudstuk ter hand gesteld, en geheimhouding aangeraden had, voerde zij hem naar de plaats terug, waar zij hem den eersten keer de oogen verbonden had. Hier nam zij hem den doek weer af, en liet hem naar huis gaan; zij volgde hem met de oogen, zoo ver zij kon, opdat hij geen lust zou krijgen, terug te keeren en haarzelf te bespieden.

Morgiane had kokend water laten gereedmaken, om Casim's lijk te wasschen, en Ali Baba, die tegelijk met haar in het huis teruggekeerd was, waschte en bewierookte hem, en hulde hem met de gewone plechtigheden en gebruiken in het lijkkleed. Spoedig bracht ook de timmerman de kist, die Ali Baba bij hem besteld had. Opdat nu de timmerman maar niets zou merken, nam Morgiane de kist aan de deur in ontvangst, en nadat zij hem betaald en weggezonden had, hielp zij Ali Baba het lijk er in leggen. Zoodra deze het deksel er op vast genageld had, ging zij naar de moskee en berichtte, dat alles voor de teraardebestelling gereed was. De lieden uit de moskee, wier werkhet is, de lijken te wasschen, boden hun diensten aan, om dat te doen, maar zij zeide hun, dat dit reeds geschied was. Nauwelijks was Morgiane weer thuis, toen deimam2met de overige dienaren der moskee er reeds aankwam. Vier van Casim's buren namen de kist op hun schouders, en droegen haar achter denimam, die voortdurend gebeden prevelde, naar de begraafplaats. Morgiane, als de slavin van den overledene, volgde onder tranen en met ontbloot hoofd, terwijl zij luide jammerklachtenuitstiet, zich heftig op de borst sloeg en de haren uitrukte. Achter haar ging Ali Baba, vergezeld van de buren, die van tijd tot tijd en op de rij af, de andere buren, die de kist droegen, aflosten, tot men eindelijk de begraafplaats bereikt had.

Wat Casim's vrouw betreft, deze bleef te huis, om zich aan haar smart over te geven, en een luid klaaggeschrei aan te heffen met haar buurvrouwen, die volgens bestaande zeden, gedurende de begrafenisplechtigheid bij haar gekomen waren, om hare weeklachten te vereenigen met die der weduwe, en de heele buurt met rouw te vervullen. Op deze wijze bleef Casim's noodlottige dood een geheim tusschen Ali Baba, diens vrouw, Casim's weduwe en Morgiane, en deze vier personen bewaarden het zoo zorgvuldig, dat geen mensch in de heele stad er het minste vermoeden van had, laat staan het te weten kwam.

Drie of vier dagen na Casim's begrafenis bracht Ali Baba de weinige gereedschappen, welke hij bezat, benevens het uit de schatkamer der roovers gehaalde geld—dit laatste echter alleen bij nacht—in het huis van de weduwe zijns broeders, om daarin voortaan te wonen. Daardoor bracht hij tevens zijn huwelijk met zijn schoonzuster ter openbare kennisse, en wijl huwelijken van dezen aard bij den Mohammedaanschen godsdienst volstrekt niets ongewoonszijn, verwonderde zich ook niemand daarover. Wat Casim's winkel betrof, zoo had Ali Baba een zoon, die sedert eenigen tijd zijn leerjaren bij een aanzienlijk koopman voleindigd, en steeds goede getuigschriften van hem gekregen had. Aan dezen zoon gaf Ali Baba nu den winkel met de belofte, wanneer hij voortging zich goed te gedragen, dat hij hem dan mettertijd volgens zijn stand, voordeelig zou uithuwelijken.

Wij willen ondertusschen Ali Baba zijn nieuwe geluk laten genieten, om weer eens naar de veertig roovers om te zien. Zij keerden na den vastgestelden termijn naar hun schuilhoek in het bosch terug, en waren ten hoogste verbaasd, toen zij Casim's lijk niet meer vonden; nog hooger echter steeg hun verwondering, toen zij aan hunne goudzakken een belangrijke vermindering ontdekten.

„Wij zijn verraden en verloren,” sprak de hoofdman, „wanneer wij ons niet zeer in acht nemen, en terstond de noodige tegenmaatregelen nemen; anders zouden wij langzamerhand al onze rijkdommen er bij inboeten, welke onze voorvaderen en wij zelf met zooveel moeite en bezwaren verworven hebben. Uit de schade, die er aangericht is, blijkt zooveel, dat de dief, dien wij betrapten, het geheim kende, om de deur te openen, en wij tot ons geluk juist op het oogenblik aankwamen, dat hij weer wilde vertrekken. Hij was nochtansniet alleen; er is nog een ander, die het geheim eveneens moet kennen. Behoeven wij daarvoor nog een ander bewijs, dan dat zijn lijk weggevoerd is, en onze schatten belangrijk verminderd zijn? Daar het nu niet waarschijnlijk is, dat meer dan twee personen van het geheim afweten, moeten wij, nadat wij den eersten omgebracht hebben, ook den tweeden uit den weg ruimen. Wat antwoordt gij daarop, dappere mannen, zijt gij ook niet van dezelfde meening?”

Het voorstel van den hoofdman droeg de goedkeuring der geheele bende weg; zij waren het er allen over eens, dat men voorloopig elke andere onderneming uitstellen moest, om met vereende krachten dit eene plan te helpen uitvoeren. Ja, men zou er niet eerder van af zien, alvorens het doel bereikt was.

„Juist dat,” zoo ging de hoofdman voort, „heb ik van uwen moed en uw dapperheid verwacht; voor alles echter moet een koen, behendig en ondernemend man uit uw midden, zonder wapens, in de kleedij eens vreemdelings, naar de stad gaan, en al zijn slimheid uitputten, om uit te vorschen, of men daar niet over den vreemden dood van den man spreekt, dien wij, gelijk hij verdiende, omgebracht hebben, wie hij was en in welk huis hij woonde. Dit is voor 't oogenblik het gewichtigste, opdat wij niets doen, dat wij ooit met grond zouden behoevente betreuren, en ons niet in een land verraden, waar wij zoo lang onbekend waren, en het van zoo groot belang voor ons is, ook voor 't vervolg onbekend te blijven. Om intusschen dengene, die zich met deze zending wil belasten, aan te vuren, en opdat hij ons niet een valsch bericht brenge, dat ons aller verderf na zich slepen kan, zoo vraag ik u, of gij het niet voor noodig houdt, dat hij zich in dit geval aan de doodstraf onderwerpe?”

Zonder eerst den uitslag eener stemming af te wachten, zei een der roovers: „Ik onderwerp mij aan die voorwaarde, en stel er een eer in, bij deze zaak mijn leven te wagen. Gelukt het mij niet, dan zult gij u tenminste herinneren, dat het mij noch aan goeden wil, noch aan moed ontbroken heeft, om het welzijn van ons allen te bevorderen.”

De roover oogstte veel lofspraak van den hoofdman en zijn kameraden in, en verkleedde zich toen zoo uitmuntend, dat niemand hem voor dàt houden kon, wat hij werkelijk was. Hij ging des nachts op weg, en nam zijn maatregelen zoo, dat hij juist tegen den tijd, dat het begon te schemeren, in de stad kwam. Op het marktplein aangekomen, zag hij slechts een enkelen winkel open, namelijk dien van Baba Moestapha.

Baba Moestapha zat met een priem in de hand op zijn stoel, en wilde juist aan zijn werkbeginnen. De roover trad op hem toe, wenschte hem goeden morgen, en daar hij zijn hoogen leeftijd bemerkte, zeide hij tot hem: „Goede man, gij begint al zeer vroeg aan je werk; gij kunt op uw leeftijd onmogelijk nu al goed zien. Ook al was het reeds lichter, zoo betwijfel ik toch, of je oogen nog scherp genoeg zijn, om schoenen te lappen.”

„Wie gij ook zijn moogt,” antwoordde Baba Moestapha, „zoo schijnt gij mij niet te kennen. Ik ben wel is waar zeer oud, heb echter nog voortreffelijke oogen, en tot bewijs daarvoor wil ik je slechts zeggen, dat ik nog niet lang geleden een doode aan elkaar gelapt heb op een plaats, waar het niet veel lichter is, dan het thans hier is.”

De roover was zeer verheugd, zoo gauw een man te hebben aangetroffen, die hem, zooals hij hoopte, vanzelf en ongevraagd daarover inlichtingen geven zou, waarvoor hij hierheen gekomen was.

„Een doode?” vroeg hij heel verbaasd, en om hem tot spreken te krijgen, voegde hij er bij: „Waarom een doode aan mekaar naaien? Gij wilt zeker zeggen, het lijkkleed, waarin hij gehuld was!”

„Neen, neen,” antwoordde Baba Moestapha, „ik weet heel goed, wat ik zeggen wil. Gij zoudt mij graag tot spreken willen brengen, maar ik zal er je niets meer van vertellen.”

De roover had geen verdere verklaringen noodig, om overtuigd te zijn, dat hij gevonden had, wat hij was komen zoeken. Hij haalde een goudstuk uit den zak, drukte het Baba Moestapha in de hand, en zeide tot hem: „Het is volstrekt mijn bedoeling niet, in je geheim te willen dringen, ofschoon ik je verzekeren kan, dat ik het niet verbreiden zou, als je het mij toevertrouwde. Het eenige, waarom ik je verzoek, is, dat je zoo vriendelijk zoudt willen zijn, mij het huis te beschrijven, of aan te wijzen, waar je het lijk aaneengenaaid hebt.”

„Wanneer ik dit ook al gaarne doen wilde,” antwoordde Baba Moestapha, terwijl hij een beweging maakte, om den roover het goudstuk terug te geven, „zoo verzeker ik je toch, dat mij dit onmogelijk zou zijn, en gij kunt mij op mijn woord gelooven. Men heeft mij namelijk naar een bepaalde plaats gevoerd, waar mijn oogen verbonden werden, en vandaar af naar een huis, waar men mij, na de verrichting van mijn werk, weer op dezelfde wijze en naar dezelfde plek terugleidde. Je ziet dus wel in, dat ik onmogelijk aan uw verlangen voldoen kan.”

„Maar kunt gij u,” vroeg de roover verder, „niet eenigszins nog den weg herinneren, waarlangs men u met verbonden oogen gevoerd heeft? Ik bid je, ga met mij mee; ik zal je op dezelfde plek de oogen verbinden, en dan zullen wij te zamen dezelfde straten en dezelfde kruiswegengaan, welke gij u herinnert, destijds gegaan te zijn. Daar echter de arbeider zijn loon waard is, geef ik je hiermee een tweede goudstuk. Kom nu, en doe mij dat genoegen.”

De beide goudstukken lokten Baba Moestapha aan. Hij beschouwde ze een tijd lang in zijn hand, zonder een woord te zeggen, en ging met zichzelf te rade, wat hij doen moest. Eindelijk haalde hij zijn beurs te voorschijn, stopte ze er in, en zei toen tegen den roover: „Ik kan wel niet vast beloven, dat ik mij nog precies den weg herinner, langs welken men mij destijds gevoerd heeft; daar gij het echter zoo verlangt, zal ik al mijn best doen, om het mij te herinneren.”

Baba Moestapha maakte zich nu tot groote vreugde van den roover gereed, en zonder zijn winkel te sluiten, waarin hij niets van belang te verliezen had, bracht hij hem naar de plek, waar Morgiane hemgeblinddoekthad. Toen zij daar aangekomen waren, zeide Baba Moestapha: „Hier ben ik geblinddoekt, en ik keek precies denzelfden kant uit, als nu.”

De roover, die reeds zijn zakdoek bereid gehouden had, bond hem dezen nu eveneens voor de oogen, en ging naast hem voort, terwijl hij hem deels leidde, deels zich door hem leiden liet, totdat hij staan bleef.


Back to IndexNext