„Verder,” zei Baba Moestapha,„ben ik, voor zoover ik weet, niet gekomen,” en hij bevondzich werkelijk voor Casim's huis, waarin Ali Baba thans woonde. De roover maakte, alvorens hij hem den doek afnam, snel met een stuk krijt een teeken aan de deur, en toen hij hem van den doek ontdaan had, vroeg hij, of hij ook wist, aan wien dit huis toebehoorde. Baba Moestapha antwoordde, dat hij niet in deze buurt van de stad woonde, en kon hem ook niets naders meedeelen.Toen de roover zag, dat hij van Baba Moestapha niets meer ervaren zou, bedankte hij hem voor zijn moeite en liet hem naar zijn winkel terugkeeren; hij zelf echter ging weer naar het bosch, in de vaste overtuiging, daar een goede ontvangst te zullen vinden.Kort nadat de roover en Baba Moestapha afscheid van elkaar genomen hadden, ging Morgiane voor een boodschap Ali Baba's huis uit, en toen zij terugkwam, bemerkte zij het teeken, dat de roover aan de deur gemaakt had. Zij bleef staan en beschouwde het oplettend.„Wat zou dat teeken wel beduiden?” vroeg zij zich af; „zou wellicht iemand iets kwaads tegen mijn meester in 't schild voeren, of zou het slechts voor de grap gedaan zijn? Dat mag nu zijn zoo het wil, het kan niet schaden, wanneer men zich voor elk geval beveiligt.” Zij nam terstond een stuk krijt, en daar de twee of drie voorafgaande en volgende deuren er bijna net zoo uitzagen, als hun huisdeur, maakte zij daaraanop dezelfde plaats een soortgelijk teeken, en ging toen in huis terug, zonder noch haar meester, noch diens vrouw er iets van te vertellen.De roover zette intusschen zijn weg naar het bosch voort en kwam weldra bij het overige gezelschap terug. Hij gaf terstond verslag van den uitslag zijner reis, en prees hemelhoog zijn geluk, dat hij al dadelijk een man gevonden had, die hem dat, wat hem naar de stad voerde, verteld had, want hij had het van niemand anders kunnen hooren. Allen toonden er hun groote blijdschap over; de hoofdman echter nam het woord, en nadat hij zijn ijver geprezen had, sprak hij als volgt, tot de heele vergadering: „Kameraden, wij hebben geen tijd meer te verliezen; laat ons goed gewapend, maar zonder dat men het aan ons zien kan, opbreken, en om geen argwaan op te wekken, elk afzonderlijk, de een na den ander, in de stad gaan; komt daar van verschillende zijden op het marktplein bijeen, terwijl ik met onzen kameraad, die ons zooeven deze goede tijding gebracht heeft, het huis zal uitvorschen, om daarna de meest doeltreffende maatregelen te kunnen nemen.”De rede van den hoofdman werd met grooten bijval beloond, en de roovers waren weldra reisvaardig. Twee aan twee trokken zij nu van daar, en doordat zij steeds op behoorlijken afstand van elkander gingen, bereikten zij, zondereenige verdenking op te wekken, de stad. De hoofdman en de roover, die er des morgens al geweest was, kwamen het allerlaatst aan. Deze voerde den hoofdman in de straat, waar hij Ali Baba's huis gemerkt had, en toen hij aan de eerste, door Morgiane gemerkte huisdeur kwam, maakte hij hem daarop opmerkzaam, en zeide, dat was de rechte. Toen zij echter, om zich niet verdacht te maken, verder gingen, bemerkte de hoofdman, dat de daarop volgende deur eveneens hetzelfde kenteeken, op dezelfde plaats vertoonde; hij wees het daarom zijn geleider aan, en vroeg hem, of het dit huis was of het vorige. De roover geraakte in verlegenheid, en wist niets te antwoorden, en vooral niet, toen hij en de hoofdman zagen, dat de vier of vijf volgende deuren alle hetzelfde teeken hadden. Hij verzekerde den hoofdman met een eed, dat hij slechts een enkele gemerkt had, en voegde er toen bij: „Het is mij onverklaarbaar, wie de andere precies op dezelfde wijze mag gemerkt hebben, maar ik moet bij deze verwarring erkennen, dat ik niet meer kan aanwijzen, wat ik zelf geteekend heb.” Toen de hoofdman zijn plan aldus verijdeld zag, begaf hij zich naar de markt, en liet zijn lieden door den eersten den besten die hem tegenkwam, zeggen, dat zij ditmaal een vergeefschen tocht gedaan hadden, en hun niets anders overbleef, dan den terugweg naar hun gemeenschappelijk toevluchtsoordin te slaan. Hij zelf ging vooraan, en de anderen volgden hem in dezelfde orde, als zij gekomen waren.Nadat de bende zich in het bosch weder verzameld had, verhaalde de hoofdman, waarom hij hen weer had doen terugkeeren. Terstond werd de gids eenstemmig des doods schuldig verklaard; ook erkende hij zelf, dat hij het verdiend had, wijl hij betere voorzorgsmaatregelen had moeten nemen; en zonder vrees onderging hij zijn lot.Daar het voor het welzijn der bende van groot belang was, de schade, welke haar toegebracht was, niet ongewroken te laten, zoo trad een ander roover naar voren, beloofde, dat het hem beter gelukken zou, dan zijn voorganger, en verzocht als een gunst hem deze taak op te dragen. Het werd hem toegestaan; hij ging naar de stad, kocht Baba Moestapha om, zooals zijn voorganger gedaan had, en Baba Moestapha voerde hem geblinddoekt voor Ali Baba's huis. De roover kenmerkte het op een weinig zichtbare plaats met rood krijt, in de hoop, dat hij het op deze wijze steeds van de wit gemerkte huizen zou kunnen onderscheiden.Maar spoedig daarna ging Morgiane evenals den vorigen dag het huis uit, en toen zij terugkwam, ontging het roode teeken haren scherpzienden oogen niet. Zij kwam weer op dezelfde gedachte, als bij het witte teeken, en maakteterstond aan de deuren der naburige huizen, en wel op dezelfde plaats hetzelfde teeken met rood krijt.De roover keerde intusschen naar zijn kameraden in het bosch terug, vertelde, welken maatregel hij genomen had, en zeide, dat het thans onmogelijk was het door hem gemerkte huis met andere te verwisselen. De hoofdman en zijn lieden geloofden met hem, dat de zaak thans gelukken moest. Zij begaven zich daarom in dezelfde orde en met dezelfde voorzichtigheid, als de eerste maal. De hoofdmanvertrok daarom naarde stad, om het plan uit te voeren, dat zij verzonnen hadden. De hoofdman en de roover gingen terstond naar de straat, waar Ali Baba woonde, ontmoetten echter dezelfde moeilijkheid als de eerste maal. De hoofdman werd daarom vertoornd, en de roover geraakte in dezelfde ontsteltenis als degene, die vóór hem deze opdracht vervuld had. De hoofdman zag zich dus genoodzaakt, evenzoo onvoldaan als den eersten keer, nog denzelfden dag met zijn mannen den terugtocht aan te nemen. De roover, die aan het mislukken van het plan schuld was, onderging de straf, aan welke hij zich vrijwillig onderwierp.Daar nu de hoofdman zijn bende met twee flinke mannen verminderd zag, vreesde hij, dat zij nog meer zou afnemen, als hij voortging, bij de navorsching van Ali Baba's huis, zich opanderen te verlaten. Hun voorbeeld bewees hem, dat zij meer tot koene wapendaden geschikt waren, dan tot zulke ondernemingen, waarbij men met verstand en list te werk moest gaan. Hij nam daarom de zaak zelf ter hand en ging naar de stad, waar Baba Moestapha hem denzelfden dienst bewees, als den beiden afgezanten zijner bende; hij maakte echter geen teeken aan Ali Baba's huis, maar liep er verscheidene malen voorbij, en nam het nauwkeurig op, om zich niet weer te kunnen vergissen.Nadat hij zich nu van alles, wat hij wenschte, op de hoogte gesteld had, ging de rooverhoofdman, zeer tevreden over zijn reis, naar het bosch terug, en toen hij in het rotshol aankwam, waar de heele bende hem wachtte, zeide hij tot hen: „Kameraden, thans kan ons niets meer verhinderen, volle wraak te nemen over de boosheid, welke aan ons begaan is. Ik ken het huis van den schurk, dien onze wraak treffen zal, heel precies, en heb onderweg op middelen gezonnen, de zaak zoo sluw aan te pakken, dat niemand noch van onze schuilplaats, noch van onzen schat iets zal vermoeden; want dit is het hoofddoel, dat wij bij onze onderneming voor oogen moeten hebben, anders zou ze ons in het verderf storten. Luistert nu,” ging de hoofdman voort, „wat ik bedacht heb, om dit doel te bereiken. Wanneer ik u mijn plan ontvouwd zal hebben, en één van u een betermiddel weet, zoo mag hij het ons dan mededeelen.” Terstond legde hij hun nu uit, hoe hij de zaak dacht aan te vatten, en toen allen hem hun bijval te kennen gegeven hadden, beval hij hun, zich in de omliggende dorpen en gehuchten, en ook in de stad te verstrooien, en negentien muilezels te koopen, benevens acht en dertig groote lederen oliezakken, één er van vol, de andere echter leeg.Binnen twee of drie dagen hadden de roovers alles bijeen. Daar de leeren zakken bij de opening voor zijn doel iets te nauw waren, liet de hoofdman ze een beetje verwijden, en nadat hij in elken zak een zijner mannen, van de noodige wapens voorzien, had laten kruipen, waarbij nochtans een losgetornde scheur open bleef, opdat zij vrij konden ademhalen, maakte hij de zakken zoodanig dicht, dat men moest aannemen, dat er olie in was; om de bedrieglijkheid nog grooter te maken, besmeerde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen zak genomen had.Nadat dit volvoerd was, en hij de zeven en dertig roovers, ieder in een zak zittend, benevens den met olie gevulden zak op de muilezels geladen had, vertrok de hoofdman op den bepaalden tijd met deze naar de stad, en kwam daar in de avondschemering, ongeveer een uur na zonsondergang, aan. Hij ging de poort door, en regelrecht naar Ali Baba's huis toe, met hetdoel, bij hem aan te kloppen en van de gastvrijheid des eigenaars, voor zich en zijn muildieren een nachtverblijf te verzoeken. Hij behoefde niet aan te kloppen, want Ali Baba zat voor zijn huisdeur om na het avondeten frissche lucht te scheppen. Hij liet daarom zijn muilezel halt houden, wendde zich tot Ali Baba en zei tegen hem: „Mijnheer, ik breng de olie, welke gij hier ziet, uit verre gewesten mee, om ze morgen op de markt te verkoopen, maar wijl het reeds zoo laat is, weet ik niet, waar ik een onderkomen moet vinden. Wanneer het u niet te lastig is, zou ik u wel willen verzoeken, zoo vriendelijk te zijn, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen; ik zou er u zeer dankbaar voor zijn.” Ofschoon Ali Baba den man, die thans tegen hem sprak, reeds in het bosch gezien had, en ook had hooren spreken, kon hij hem toch in zijn oliehandelaarskleeding onmogelijk als den hoofdman der veertig roovers weder herkennen. „Wees welkom,” zeide hij tot hem, „en treed binnen.” Met deze woorden maakte hij voor hem plaats, zoodat hij, benevens zijn muilezels naar binnen kon gaan.Ali Baba riep nu zijn slaaf, en beval hem, zoodra de muilezels afgeladen zouden zijn, ze niet alleen in den stal te brengen, maar hen ook van gerst en hooi te voorzien. Ook nam hij de moeite, naar de keuken te gaan en Morgiane op te dragen, voor den pas aangekomengast snel een goed avondeten te bereiden, en in een kamer een bed voor hem klaar te maken.Ali Baba deed nog meer, om zijn gast veel eer te bewijzen. Toen hij namelijk zag, dat de rooverhoofdman zijn muilezels afgeladen had, en deze, zooals hij bevolen had, in den stal gebracht waren geworden, nam hij den vreemdeling, die den nacht onder den vrijen hemel scheen te willen doorbrengen, bij de hand, en geleidde hem naar de zaal, waar hij bezoeken placht te ontvangen, en verklaarde, dat hij niet zou toestaan, dat zijn gast in den hof zou overnachten. De rooverhoofdman bedankte voor die eer, terwijl hij zei, dat hij hem volstrekt geen last wilde aandoen; de ware reden was echter, dat hij dan des te beter zijn plan kon uitvoeren. Maar Ali Baba noodigde hem zoo hoffelijk en zoo dringend uit, dat hij niet langer weerstand kon bieden. Ali Baba hield dengene, die hem naar het leven stond, niet alleen zoo lang gezelschap, totdat Morgiane het avondeten opdroeg, maar onderhield zich met hem ook voortdurend nog over allerlei zaken, waarvan hij geloofde, dat zij hem genoegen deden, en verliet hem niet eerder, dan nadat hij met eten klaar was.„Ik laat u thans alleen,” zeide hij toen tot hem, „wanneer gij het een of ander wenscht, moet gij het slechts zeggen; alles, wat in mijn huis is, staat u ten dienste.”De rooverhoofdman stond tegelijk met AliBaba op en vergezelde hem tot aan de deur. Terwijl Ali Baba nu naar de keuken ging, om met Morgiane te spreken, begaf hij zich naar den hof, onder voorwendsel, dat hij in den stal wilde nazien, of het zijn muilezels aan niets ontbrak.Nadat Ali Baba Morgiane opnieuw aangemaand had, voor zijn gast zoo goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken, voegde hij er bij: „Morgiane, ik wil je nu alleen nog zeggen, dat ik morgen vroegtijdig een bad neem; maak mijn badhanddoeken in orde en geef ze Abdallah—zoo heette namelijk zijn slaaf,—bezorg mij vervolgens een goede vleeschsoep, wanneer ik thuis kom.” Nadat hij haar deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.Ondertusschen gaf de rooverhoofdman zijnen mannen in den stal zijn bevelen, wat zij te doen hadden. Van den eersten tot den laatsten zak zeide hij tot ieder: „Wanneer ik van uit mijn slaapkamer kleine steentjes naar beneden werp, snijdt dan met het mes, dat gij bij je draagt, den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal dan spoedig bij u komen.”Het mes, waarvan hij sprak, was voor dit doel opzettelijk gepunt en geslepen. Nadat dit geschied was, keerde hij terug, en zoodra hij zich bij de keukendeur vertoonde, nam Morgiane een licht, bracht hem naar de voor hem ingerichtekamer, en liet hem daar alleen, nadat zij nog eerst gevraagd had, of hij niets meer te wenschen had. Om geen argwaan te wekken, blies hij spoedig daarop het licht uit en legde zich geheel aangekleed neder, opdat hij terstond na den eersten slaap weer zou kunnen opstaan.Morgiane vergat Ali Baba's bevel niet. Zij bracht zijn baddoeken in orde, gaf ze aan Abdallah, die nog niet was gaan slapen, en plaatste den pot voor de vleeschsoep op het vuur. Terwijl zij nu den pot afschuimde, ging plotseling de lamp uit. In 't heele huis was geen olie meer, en toevallig ook geen enkele kaars voorradig. Wat moest zij nu beginnen? Om haren pot af te schuimen, moest zij er noodzakelijk helder licht bij hebben. Zij deelde hare verlegenheid aan Abdallah mede, die haar ten antwoord gaf: „Ja, daar zit niets anders op, dan dat je uit een van de zakken beneden op den hof wat olie neemt.” Morgiane bedankte Abdallah voor dien raad, en terwijl hij zich neerlegde naast Ali Baba's kamer, om hem later naar het bad te vergezellen, nam zij de oliekruik, en ging er mee naar den hof. Toen zij bij den eersten zak kwam, vroeg de roover, die daarin verborgen zat, heel zacht: „Is 't tijd?” Ofschoon de roover zacht gesproken had, zoo schrok Morgiane van deze stem toch des te meer, wijl de rooverhoofdman, nadat hij zijn muilezels afgeladenhad, niet alleen dezen zak, maar ook alle overige open gemaakt had, om zijn mannen frissche lucht te verschaffen. Dezen verkeerden bovendien toch in een zeer slechten toestand, ofschoon zij konden adem halen.Iedere andere slavin dan Morgiane, ofschoon zij inderdaad niet weinig verrast was, inplaats van de gezochte olie, een man in den zak te vinden, had nu waarschijnlijk alarm gemaakt, en wellicht een groot ongeluk veroorzaakt. Morgiane echter was veel verstandiger dan haar lotgenooten. Zij begreep terstond, hoe gewichtig het was, de zaak geheim te houden, in welk groot gevaar Ali Baba met zijne familie en zijzelf zweefde, en dat zij thans noodzakelijk zoo snel mogelijk en zonder eenige drukte haar maatregelen nemen moest. Zij bezat een scherp verstand, zoodat zij spoedig de middelen daarvoor bedacht had. Zij beheerschte zich op hetzelfde oogenblik en zonder den minsten schrik te verraden, antwoordde zij, alsof zij de rooverhoofdman was: „Nog niet, maar spoedig!” Daarop naderde zij den tweeden zak, waar zij dezelfde vraag hoorde, en zoo vervolgens, tot zij bij den laatsten kwam, waarin de olie was; zij gaf op elke vraag steeds hetzelfde antwoord.Morgiane begreep daaruit nu, dat haar meester Ali Baba niet, zooals hij geloofde, een oliehandelaar, maar zeven en dertig roovers, benevens hun hoofdman, den verkleeden koopman,in zijn huis herbergde. Zij vulde daarom in alle stilte haar kruik met olie, welke zij uit den laatsten zak nam, keerde daarop naar de keuken terug, en nadat zij olie in de lamp gedaan en haar weer aangestoken had, nam zij een grooten ketel, ging weder naar den hof, en vulde hem met olie uit den zak. Daarna ging zij terug naar de keuken, en zette den ketel op een kolossaal vuur, waarop zij voortdurend versch hout schoof, want hoe eerder de olie begon te koken, hoe eerder zij ook het plan kon uitvoeren, dat zij tot gemeenschappelijk welzijn van het huis ontworpen had, en dat geen uitstel toeliet. Toen eindelijk de olie kookte, nam zij den ketel en goot in elken zak, van den eersten tot den laatsten, zooveel kokende olie, als noodig was, om de roovers te doen stikken en te dooden.Nadat Morgiane deze daad, welke haren moed alle eer aandeed, even stil uitgevoerd als uitgedacht had, keerde zij met den leegen ketel in de keuken terug en deed haar op slot. Toen doofde zij het vuur uit, dat zij eerst aangestoken had, en liet alleen zooveel over, als noodig was om de vleeschsoep voor Ali Baba te koken. Ten slotte blies zij ook de lamp uit, en hield zich doodstil, want zij was besloten, niet eerder naar bed te gaan, dan tot zij door een keukenvenster, dat op den hof uitzag, zooveel als de duisternis van den nacht het veroorloofde, alles had waargenomen, dat soms gebeuren zou. Morgiane hadnog geen kwartier gewacht, toen de rooverhoofdman ontwaakte. Hij stond op, opende het venster, keek naar buiten, en daar hij nergens meer licht bespeurde, maar overal in het huis diepe rust en stilte zag heerschen, zoo gaf hij het afgesproken teeken, terwijl hij kleine steentjes naar beneden wierp. Meerdere daarvan vielen, zooals hij zich door het geluid overtuigen kon, op de leeren zakken. Hij luisterde begeerig, maar hoorde of merkte niets, waaruit hij had kunnen opmaken, dat zijn mannen zich in beweging zetten. Dit verontrustte hem, en hij wierp voor de tweede en voor de derde maal kleine steentjes naar beneden. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf meer het minste levensteeken. Daar hij zich dit niet verklaren kon, ging hij in de grootste ontsteltenis en zoo zacht mogelijk naar den hof, en naderde den eersten zak; toen hij echter den daarin zich bevindenden roover wilde vragen, of hij sliep, kwam hem een geur van heete olie en van iets verbrands uit den zak tegen, en hij begreep daaruit, dat zijn plan tegen Ali Baba, hem te vermoorden, uit te plunderen en het aan zijn bende ontnomen goud weer mee te nemen, volkomen mislukt was. Hij ging nu naar den volgenden zak en zoo vervolgens tot aan den laatsten, en vond dat al zijn mannen op dezelfde wijze omgekomen waren. De vermindering der olie in den vollen oliezak bewees hem, vanwelke middelen men zich bediend had, om zijn plan te verijdelen. Thans, nu hij al zijn hoop vervlogen zag, stormde hij, met de wanhoop in het hart, de deur uit, welke uit den hof in Ali Baba's tuin voerde en vluchtte, waarbij hij over verschillende tuinmuren moest klimmen.Toen Morgiane geen geruisch meer hoorde, en na geruimen tijd den rooverhoofdman niet meer zag terugkomen, twijfelde zij er niet meer aan, dat hij door den tuin gevlucht was; want door de huisdeur kon hij niet hopen te ontkomen,wijl zij dubbel op slot was. Ten hoogste verheugd, dat het haar zoo goed gelukt was, het heele huis te redden, ging zij eindelijk naar bed en sliep in.Ali Baba ondertusschen stond voor dag en dauw op en ging, vergezeld van zijn slaaf, naar het bad. Hij had niet het geringste vermoeden van de vreeselijke gebeurtenis, welke, terwijl hij sliep, in zijn huis had plaats gehad, want Morgiane had het niet noodig gevonden, hem te wekken, wijl zij in het oogenblik van het gevaar geen tijd te verliezen had, en na afwending daarvan hem niet in zijn rust storen wilde. Toen Ali Baba uit het bad in zijn kamer terugkwam, en de zon reeds helder aan den hemel schitterde, verwonderde hij zich in hooge mate, de oliezakken nog op hun oude plaats te zien staan, en het was hem onbegrijpelijk, dat de koopman met zijn ezels niet naar de markt zou gegaan zijn. Hij vroeg er daarom Morgiane naar, die hem de deur opende, en alles zoo had laten staan en liggen, opdat hij het zelf mocht zien, en zij het hem heel duidelijk maken kon, wat zij tot zijn redding gedaan had. „Mijn goede meester,” antwoordde hem Morgiane, „God en de heilige profeet beschermen u en uw huis. Gij zult u van dat, wat gij verlangt te weten, beter overtuigen, wanneer uw eigen oogen zien zullen, wat ik hun toonen wil. Wil de moeite nemen, om met mij mee te gaan.”Ali Baba volgde zijn dienstmaagd; deze slootde deur, bracht hem bij den eersten zak, en zeide toen: „Kijk eens in dezen zak, gij zult nog nooit zulke olie gezien hebben.”Ali Baba keek er in, en toen hij in den zak een man zag, schrok hij hevig, schreeuwde luid en sprong achteruit, alsof hij op een slang getrapt had.„Vrees niets,” zeide Morgiane tot hem, „de man, dien gij daar ziet, zal u geen kwaad meer doen. Hij heeft de maat zijner misdaden vol gemeten, maar thans kan hij niemand meer schade toevoegen, want hij is dood.”„Morgiane,” riep Ali Baba, „bij den verheven profeet! zeg mij, wat moet dat beteekenen?”„Ik wil het u verklaren,” zei Morgiane, „maar matig de uitbarstingen uwer verbazing en prikkelniet de nieuwsgierigheid der buren, opdat zij niet een zaak vernemen, welke voor uw eigen bestwil geheim moet blijven. Kijk echter eerst nog even naar de andere zakken.”Ali Baba keek op de rij af in alle zakken, van den eersten tot den laatsten, waarin de olie zat, welke zichtbaar verminderd was. Toen hij nu alle had nagezien, bleef hij als vastgeworteld staan, terwijl hij zijn oogen nu eens op de zakken, dan weer op Morgiane richtte, en zoo groot was zijn verbazing, dat hij langen tijd geen woord spreken kon. Eindelijk herstelde hij zich en vroeg toen: „Maar wat is er van den koopman geworden?”„De koopman,” antwoordde Morgiane, „is net zoo min een koopman, als ik een koopmansvrouw ben. Ik wil u zeggen, wat hij is, en waarheen hij gevlucht is. Doch gij zult deze geschiedenis veel gemakkelijker op uw kamer kunnen aanhooren, want uw gezondheid vordert, dat gij thans, nu gij uit het bad gekomen zijt, wat vleeschsoep gebruikt.”Terwijl Ali Baba zich nu naar zijn kamer begaf, haalde Morgiane de vleeschsoep uit de keuken en bracht ze hem; Ali Baba zeide echter, eer hij aanving: „Begin nu dadelijk mijn ongeduld te bevredigen, en vertel mij deze vreemde geschiedenis in alle bijzonderheden.”Morgiane vervulde den wensch van haar meester en begon aldus: „Heer, gisterenavond,toen gij reeds naar bed gegaan waart, bracht ik, gelijk u bevolen had, uw baddoeken in orde en gaf ze aan Abdallah. Toen plaatste ik den pot voor de vleeschsoep op het vuur, en terwijl ik deze afschuimde, ging plotseling de lamp uit, wijl er geen olie meer in was. In de kruik was geen druppel meer te vinden, en evenmin kon ik een stukje kaars bekomen. Abdallah, die mijn verlegenheid bemerkte, herinnerde mij aan de volle oliezakken in den hof, want hij twijfelde er evenmin aan als gij en ik, dat het zulke waren. Ik nam alzoo mijn oliekruik, en liep er mee naar den eersten zak den besten. Toen ik daar dicht bij was, klonk er mij een stem uit tegen, die mij vroeg: „Is 't tijd?” Ik schrok niet, maar begreep terstond de boosheid van den valschen koopman en antwoordde zonder dralen: „Nog niet, maar spoedig.” Ik ging naar den tweeden zak, en een andere stem deed mij dezelfde vraag, waarop ik hetzelfde antwoord teruggaf. Zoo ging ik dan van den eenen zak naar den anderen, immer weer dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, en eerst in den laatsten zak vond ik olie, waarmee ik mijn kruik vulde. Toen ik nu overlegde, dat zich midden in uw hof zeven en dertig roovers bevonden, die slechts op een teeken of bevel van hun aanvoerder, dien gij voor een koopman hieldt en zoo gastvrij opgenomen hadt, wachtten om het heele huis leeg te plunderen, toen geloofde ik, dat hiergeen tijd te verliezen was. Ik bracht daarom mijn kruik terug, stak de lamp aan, nam den grootsten ketel uit de heele keuken en vulde hem met olie. Daarna hing ik hem over het vuur en toen de olie goed kookte, goot ik in elken zak, waarin een roover zat, zooveel olie, als voldoende was, om hun de uitvoering van het verderfelijk plan, dat hen hierheen gevoerd had, te verhinderen. Nadat nu de zaak een zoodanig verloop genomen had, als ik mij had voorgesteld, keerde ik naar de keuken terug, deed de lamp uit, en alvorens naar bed te gaan, begon ik kalm door het venster toe te zien, wat de valsche oliehandelaar thans wel doen zou. Na een poos hoorde ik, dat hij, om zijn mannen te waarschuwen, kleine steentjes uit het venster en juist op de zakken wierp. Hij herhaalde dit eenige keeren, maar toen hij niets zag bewegen, en niets hoorde, ging hij naar beneden, en ik zag hem van den eenen zak naar den anderen gaan, totdat ik hem in de duisternis van den nacht uit het oog verloor. Toch wachtte ik nog eenigen tijd, maar toen ik hem niet meer zag terugkomen, twijfelde ik er niet meer aan, of hij was, uit wanhoop over zijn mislukten aanslag, door den tuin ontvlucht. Nadat ik er mij nu van overtuigd had, dat het huis in veiligheid was, begaf ik mij te bed. Dit is nu,” voegde Morgiane er ten slotte aan toe, „de geschiedenis waarnaar gij gevraagd hebt, en ik ben overtuigd,dat zij te zamen hangt met een omstandigheid, welke ik eenige dagen geleden ervoer, maar welke ik toen meende, u nog niet te moeten meedeelen. Toen ik namelijk eens heel vroeg 's morgens van een gang naar de stad terugkeerde, zag ik dat onze huisdeur wit aangestreept was, en den dag daarop ontdekte ik een rood teeken. Daar ik nu echter niet begreep, met welk doel dit geschied was, gaf ik elke maal twee of drie huizen aan beide kanten van het onze, een zelfde teeken, op dezelfde plaats. Wanneer gij dit nu met de geschiedenis van den laatsten nacht in verband brengt, dan zult gij vinden, dat alles door de roovers in het bosch uitgevoerd is, wier bende intusschen, ik weet niet waardoor, met twee koppen verminderd is. Hoe dit ook wezen mag, in 't ergste geval zijn er nu nog slechts drie in leven. Dit bewijst, dat zij uwen ondergang gezworen hebben, en dat gij bijzonder op uw hoede moet zijn, zoolang men weet, dat een er van nog in leven is. Ik voor mijn persoon zal niets nalaten, om volgens mijn plicht voor uw veiligheid te waken.”Toen Morgiane uitgesproken had, zag Ali Baba wel in, welken gewichtigen dienst zij hem bewezen had, en hij zei vol dankbaarheid tot haar: „Ik wil niet sterven alvorens ik je naar verdienste beloond heb. Jou heb ik mijn leven te danken, en om je terstond een bewijs van erkentelijkheid te geven, schenk ik je van dit oogenblikaf de vrijheid, behoud me echter voor, nog verder aan je te denken. Ook ik ben overtuigd, dat de veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben; God, de almachtige en albarmhartige, heeft me door jou hand bevrijd; ik hoop, dat hij mij ook verder voor hun boosheid beschermen, dat hij ze geheel van mijn hoofd afwenden, en de wereld van de vervolgingen van dit vervloekte adderengebroed bevrijden zal. Doch voor alles moeten wij thans de lijken van deze uitgeworpenen van het menschengeslacht begraven, maar in alle stilte, opdat niemand iets van hun lot vermoeden kan; daar wil ik met Abdallah voor zorgen.”Ali Baba's tuin was zeer lang, en van achteren door hooge boomen begrensd. Zonder te dralen ging hij met zijn slaaf naar deze boomen, om daaronder een langen en breeden kuil te graven, zooals voor de lijken, die er in gelegd moesten worden, noodig was. De grond was gemakkelijk om te woelen, en zij gebruikten ook niet lang tijd voor hun werk. Zij trokken nu de lijken uit de leeren zakken te voorschijn, legden de wapens, waarvan de roovers voorzien waren, ter zijde, sleepten toen de lijken naar het einde van den tuin, legden ze op een rij in den kuil, spreidden de uitgegraven aarde er over uit, en verstrooiden toen de overige aarde in den tuin, zoodat de grond weer zoo gelijk werd als te voren. De oliezakken en de wapens liet Ali Baba zorgvuldigverbergen, de muilezels echter, die hij nergens toe gebruiken kon, zond hij bij gedeelten naar de markt en liet ze door zijn slaaf verkoopen.Terwijl Ali Baba nu al deze maatregelen nam, om de wijze, waarop hij in zoo korten tijd rijk geworden was, niet bekend te doen worden, was de hoofdman der veertig roovers met bitter harteleed in het bosch teruggekeerd. Deze ongelukkige afloop der zaak, welke al zijn verwachtingen den bodem insloeg, trof hem zoodanig, en maakte hem zoo verbijsterd, dat hij er onderweg niet over denken kon, wat hij nu tegen Ali Baba zou ondernemen, maar zonder te weten hoe, in zijn hol terugkwam.Verschrikkelijk kwam het hem voor, toen hij zich nu in dit sombere verblijf alleen zag. „Gij wakkere mannen,” riep hij uit, „deelgenooten mijner doorwaakte nachten, mijner omzwervingen en mijner pogingen, waar zijt gij? Wat kan ik zonder u doen? Heb ik u alleen daarom bijeengebracht en uitverkoren, om u opeens door een zoo ongelukkig noodlot te zien omkomen? Ik zou u minder beklagen, wanneer gij, met de sabel in de vuist, als dappere mannen gestorven waart. Wanneer zal ik ooit weer zulk een schaar van dappere mannen, als gij waart, bijeen kunnen brengen? En wanneer ik het ook al wilde, kan ik het wel beproeven, zonder al dit goud en zilver, al deze schatten dengeneals buit te moeten overlaten, die zich reeds met een deel er van verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken, alvorens ik hem het leven benomen heb. Wat ik met uw machtige hulp niet vermocht uit te voeren, moet ik thans heel alleen doen, en wanneer ik nu den schat voor plundering behoed zal hebben, wil ik er ook voor zorgen, dat het hem na mij niet aan een dapperen meester ontbreken zal, opdat hij voortdurend in stand blijven en zich vermeerderen moge.” Nadat hij dit besluit genomen had, was hij omtrent de middelen om het uit te voeren, niet verlegen; zijn hart werd weer rustig; hij gaf zich weer aan schoone verwachtingen over, en zonk in een diepen slaap.Den volgenden morgen stond de rooverhoofdman reeds vroeg op, trok rijke kleeren aan, ging naar de stad en nam zijn intrek in een hotel. Daar hij verwachtte, dat het voorgevallene bij Ali Baba veel opzien gebaard zou hebben, zoo vroeg hij eens den portier in een gesprek, of er niets nieuws in de stad was, en deze deelde hem allerlei zaken mee, maar niet dat, wat hij wenschte te weten. Hij trok daaruit het besluit, dat Ali Baba alleen daarom de zaak geheim hield, wijl hij niet bekend wilde laten worden, dat hij iets van den schat afwist en het geheim kende om hem te vinden; ook vermoedde hij waarschijnlijk wel, dat men hem alleen daarom naar het leven stond. Dit versterkte hem in zijn voornemen,alles te doen, om hem op een even geheimzinnige wijze uit den weg te ruimen. De rooverhoofdman voorzag zich van een paard, waarmee hij meerdere malen een tocht naar het bosch maakte, om verschillende soorten van kostbare zijdenstoffen en fijne sluiers in zijn woning te brengen; daarbij nam hij de noodige maatregelen, om de plaats waar hij ze vandaan haalde, geheim te houden. Toen hij nu zooveel waren, als hij meende noodig te hebben, bijeen had, zocht hij een winkel, om ze te verkoopen; hij vond er ook een, huurde hem, richtte hem in en betrok hem daarna. Tegenover hem bevond zich de winkel, welke vroeger aan Casim behoord had, maar sedert eenigen tijd door Ali Baba's zoon in bezit genomen was.De rooverhoofdman, die den naam van Chogia Hoesein aangenomen had, verzuimde niet, als nieuweling, naar 's lands gebruik, den kooplieden, die zijn buren waren, een bezoek te brengen. Daar Ali Baba's zoon nog jong, goed ontwikkeld en verstandig was, en hij vaker gelegenheid had met hem te spreken dan met andere kooplieden, sloot hij spoedig vriendschap met hem. Hij zocht zijnen omgang des te ijveriger, als hij drie of vier dagen na opening van zijn winkel, Ali Baba weder herkende, die zijn zoon bezocht, en gelijk hij van tijd tot tijd placht te doen, zich een langen tijd met hem onderhield. Toen hij nu nog van den jongeling vernam, datAli Baba zijn vader was, verdubbelde hij zijn vriendelijkheid jegens hem, gaf hem kleine geschenken, en noodigde hem meermalen aan zijn tafel.Ali Baba's zoon meende deze hoffelijkheid van Chogia Hoesein te moeten beantwoorden; daar hij zelf echter zeer klein gehuisvest was, en niet zoo gemakkelijk ingericht was, om hem gelijk hij wenschte, te onthalen, zoo sprak hij daarover met zijn vader Ali Baba, en zeide hem, dat het wel niet zou passen, als hij nog langer de beleefdheden van Chogia Hoesein onbeantwoord liet. Ali Baba nam met genoegen op zich den vreemdeling te onthalen. „Mijn zoon,” zeide hij, „morgen is 't Vrijdag, en daar de groote kooplieden, zooals Chogia Hoesein en gij, op dien dag hun winkels gesloten houden, kunt gij morgen namiddag met hem een wandeling doen, en het dan op den terugweg zoo inrichten, dat gij hem voorbij mijn huis voert, en hem verzoekt, binnen te treden. Het is beter dat het zoo geschiedt, dan dat gij hem vormelijk uitnoodigt. Ik zal Morgiane de opdracht geven, dat zij een avondeten gereed houdt.”Vrijdags namiddag troffen Ali Baba's zoon en Chogia Hoesein elkander werkelijk op de afgesproken plaats, en deden tezamen een wandeling. Op den terugweg bracht Ali Baba's zoon zijn vriend met opzet door de straat, waarin zijn vader woonde, en toen zij voor de huisdeurstonden, bleef hij staan, klopte aan en zeide tot hem: „Dit is het huis mijns vaders; daar ik hem reeds veel verteld heb van de vriendschappelijke wijze, waarop gij steeds met mij omgaat, zoo heeft hij mij opgedragen, hem de eer te verschaffen, met u kennis te maken. Ik verzoek u dus nu, 't aantal uwer oplettendheden jegens mij met deze ééne nog te vermeerderen.”Ofschoon nu Chogia Hoesein het doel bereikt had, waarnaar hij streefde, namelijk toegang tot Ali Baba's huis te verkrijgen en hem zonder eigen gevaar en zonder veel drukte te dooden, uitte hij nochtans allerlei verontschuldigingen, en deed alsof hij van den zoon afscheid wilde nemen; daar echter op dit oogenblik Ali Baba's slaaf de deur opende, zoo nam de zoon hem vriendelijk bij de hand, ging vooraan, en dwong hem als 't ware, met hem mee naar binnen te gaan.Ali Baba ontving Chogia Hoesein met een vriendelijk gezicht en zoo goed, als deze 't slechts wenschen kon. Hij bedankte hem voor de goedheid, zijn zoon bewezen, en zeide toen: „Wij zijn u beiden daarvoor des te grooteren dank schuldig, daar hij nog een jonge, in de wereld onervaren man is, en gij het niet beneden uwe waardigheid geacht hebt, aan zijn opvoeding mede te werken.” Chogia Hoesein beantwoordde Ali Baba's beleefdheden door andere en verzekerde hem tevens, al ontbrak het zijn zoonaan de ervaring van grijsaards, zoo bezat hij toch een gezond verstand, dat zooveel waard was, als de ervaring van duizend anderen.Nadat zij zich een tijd lang over allerlei onverschillige zaken onderhouden hadden, wilde Chogia Hoesein afscheid nemen; dat gedoogde Ali Baba echter niet. „Mijnheer,” zeide hij tot hem, „waarheen wilt gij gaan? Ik bid u, bewijs mij de eer, het avondeten bij mij te gebruiken. Het maal, dat ik u wil geven, is wel niet zoo schitterend, als gij het verdient; maar ik hoop, dat gij het, zooals het is, met een even zoo goed hart wilt aannemen, als ik het u bied.”„Mijnheer,” antwoordde Chogia Hoesein, „ik ben van uw goede meening volkomen overtuigd, en wanneer ik u verzoek, het mij niet kwalijk te nemen, dat ik uw hoffelijke uitnoodiging niet aanneem, dan verzoek ik u tevens te gelooven, dat dit noch uit minachting, noch uit onbeleefdheid geschiedt, maar wijl ik er een bijzondere reden voor heb, welke gij zoudt billijken, als gij haar kende.”„En wat kan deze reden wel zijn?” antwoordde Ali Baba, „mag ik die dan van u weten?”„Ik kan ze u wel zeggen,” sprak Chogia Hoesein; „ik eet namelijk vleesch, noch andere gerechten, waarin zout is; gij kunt dus nu begrijpen, welke rol ik aan uw tafel zou spelen.”„Wanneer gij geen andere reden hebt,” ging Ali Baba nu dringender voort, „dan zal dezemij gewis niet van de eer berooven, u hedenavond aan mijn tafel te zien zitten, of gij moest wat anders te doen hebben. Ten eerste is er in het brood, dat wij eten, geen zout, en wat het vleesch en de soep betreft, zoo beloof ik u, dat in dat, wat u voorgezet zal worden, eveneens geen zout komen zal. Ik wil terstond de noodige bevelen geven; bewijs mij daarom de eer, bij mij te blijven; ik kom terstond weer terug.”Ali Baba ging naar de keuken, en beval Morgiane het vleesch, dat zij heden zou opdienen, niet te zouten, en behalve de gerechten, die hij reeds vroeger aan haar had opgegeven, snel nog twee of drie andere te bereiden, waarin geen zout was. Morgiane, die juist gereed stond het eten binnen te brengen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit nieuwe bevel te uiten, en zich daarover tegen Ali Baba uit te spreken: „Wie is dan,” zeide zij, „deze eigenzinnige man, die geen zout wil eten? Uw eten zal niet lekker meer zijn, als ik 't later opdien.”„Wordt maar niet boos, Morgiane,” antwoordde Ali Baba, „het is een rechtschapen man, doe daarom, wat ik je zeg.” Morgiane gehoorzaamde, maar met tegenzin, en de nieuwsgierigheid greep haar aan, om den man te leeren kennen, die geen zout wilde gebruiken. Toen zij het maal bereid en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem de spijzen opdragen. Terwijl zij nu Chogia Hoesein aanzag, herkendezij hem terstond, ondanks zijn vermomming, als den rooverhoofdman, en bij langer, opmerkzame beschouwing zag zij, dat hij onder zijn kleeren een dolk verborgen had. „Thans verbaas ik er mij niet meer over,” zeide zij in zichzelf, „dat deze heiden met mijn heer geen zout eten wil:3hij is zijn verbitterdste vijand en wilhem vermoorden; maar ik zal zijn voornemen wel verijdelen.”Zoodra Morgiane met Abdallah de spijzen opgediend had, gebruikte zij den tijd, dat de heeren aten, om de noodige voorbereiding te treffen tot uitvoering van een plan, dat van meer dan gewonen moed getuigde, en zij was juist daarmee klaar, toen Abdallah haar meldde, dat het tijd was de vruchten te brengen. Zoodra Abdallah de tafel afgeruimd had, diende zij de vruchten op. Daarna plaatste zij naast Ali Baba een klein tafeltje, en zette daarop wijn en drie schalen neer; toen ging zij met Abdallah heen,—als wilde zij met hem het avondmaal gaan gebruiken,—om Ali Baba niet te storen, opdat hij zich met zijn gast aangenaam onderhouden, en hem naar zijn gewoonte aansporen kon, zich den wijn te laten smaken.Thans geloofde de valsche Chogia Hoesein, of liever de hoofdman der veertig roovers, dat hetgunstige oogenblik gekomen was, om Ali Baba het leven te ontnemen. „Ik wil,” zoo sprak hij tot zichzelf, „vader en zoon dronken maken, en de zoon, wien ik gaarne het leven schenk, zal mij niet beletten, zijn vader den dolk in 't hart te stooten; dan wil ik, gelijk de eerste maal, door den tuin ontvluchten, terwijl de keukenmeid en de slaaf nog aan hun avondmaal zitten, of in de keuken ingeslapen zijn.”Morgiane echter, had het voornemen van den valschen Chogia Hoesein doorzien, en liet hem geen tijd zijn boosaardig plan uit te voeren. Inplaats van te gaan avondmalen, trok zij een bekoorlijk danscostuum aan,koos er een passenden haartooi bij uit, deed een gordel van verguld zilver om, en bevestigde daaraan een dolk, welks scheede en gevest van hetzelfde metaal waren; voor haar gezicht hing zij een zeer schoon masker. Nadat zij zich aldus verkleed had, zeide zij tot Abdallah: „Abdallah, neem je tamboerijn en laat ons naar binnen gaan, om voor den gast van onzen meester, den vriend van zijn zoon, de vroolijke dansen uit te voeren, die wij menigmaal des avonds voor hem ten beste geven.” Abdallah nam de tamboerijn, ging, daarop spelend, voor Morgiane uit en trad zoo in de zaal. Achter hem kwam Morgiane, die op een hoogst ongedwongen en bevallige wijze diep boog, net als had zij de toestemming, hare kunsten te vertoonen. Daar Abdallah zag, dat Ali Baba wilde spreken, hield hij op met trommelen.„Treed nader, Morgiane,” zeide Ali Baba.„Chogia Hoesein mag oordeelen, of gij iets kunt, en ons dan zijn meening daarover zeggen.” Vervolgens zeide hij, tot Chogia Hoesein gewend, „gij moet niet gelooven, mijnheer, dat ik groote onkosten gemaakt heb, om u dit genoegen te bereiden. Ik vind het in mijn eigen huis, en gij ziet, dat het niemand anders dan een slaaf en mijn keukenmeid zijn, die mij op deze wijze opvroolijken. Ik hoop, dat het u niet mishagen zal.”Chogia Hoesein had er niet op gerekend, dat Ali Baba op het maal nog dit vermaak zou latenvolgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij de gelegenheid, welke hij meende gevonden te hebben, toch niet zou kunnen gebruiken. Doch troostte hij zich voor dit geval met de hoop, dat er zich bij den voortgezetten, vriendschappelijken omgang met vader en zoon spoedig een nieuwe zou aanbieden. Ofschoon het hem nu veel aangenamer geweest zou zijn, wanneer Ali Baba hem van dit spel verschoond had, zoo hield hij zich nochtans, als was hij hem er zeer dankbaar voor, en was tevens beleefd genoeg hem te verklaren: „Alles, wat zijn vereerden gastvriend genoegen deed, moest noodwendig ook voor hem een genoegen zijn.”Toen Abdallah zag, dat Chogia Hoesein en Ali Baba ophielden met spreken, begon hij opnieuw op den tamboerijn te slaan en zong er tegelijk een dansliedje bij. Morgiane echter, die voor de geoefendste dansers en danseressen van het vak in vaardigheid niet onderdeed, danste op een wijze, die bij elk ander, dan juist bij 't hier aanwezige gezelschap, bewondering had moeten opwekken; de minste opmerkzaamheid schonk de valsche Chogia Hoesein wel aan haar kunst.
„Verder,” zei Baba Moestapha,„ben ik, voor zoover ik weet, niet gekomen,” en hij bevondzich werkelijk voor Casim's huis, waarin Ali Baba thans woonde. De roover maakte, alvorens hij hem den doek afnam, snel met een stuk krijt een teeken aan de deur, en toen hij hem van den doek ontdaan had, vroeg hij, of hij ook wist, aan wien dit huis toebehoorde. Baba Moestapha antwoordde, dat hij niet in deze buurt van de stad woonde, en kon hem ook niets naders meedeelen.Toen de roover zag, dat hij van Baba Moestapha niets meer ervaren zou, bedankte hij hem voor zijn moeite en liet hem naar zijn winkel terugkeeren; hij zelf echter ging weer naar het bosch, in de vaste overtuiging, daar een goede ontvangst te zullen vinden.Kort nadat de roover en Baba Moestapha afscheid van elkaar genomen hadden, ging Morgiane voor een boodschap Ali Baba's huis uit, en toen zij terugkwam, bemerkte zij het teeken, dat de roover aan de deur gemaakt had. Zij bleef staan en beschouwde het oplettend.„Wat zou dat teeken wel beduiden?” vroeg zij zich af; „zou wellicht iemand iets kwaads tegen mijn meester in 't schild voeren, of zou het slechts voor de grap gedaan zijn? Dat mag nu zijn zoo het wil, het kan niet schaden, wanneer men zich voor elk geval beveiligt.” Zij nam terstond een stuk krijt, en daar de twee of drie voorafgaande en volgende deuren er bijna net zoo uitzagen, als hun huisdeur, maakte zij daaraanop dezelfde plaats een soortgelijk teeken, en ging toen in huis terug, zonder noch haar meester, noch diens vrouw er iets van te vertellen.De roover zette intusschen zijn weg naar het bosch voort en kwam weldra bij het overige gezelschap terug. Hij gaf terstond verslag van den uitslag zijner reis, en prees hemelhoog zijn geluk, dat hij al dadelijk een man gevonden had, die hem dat, wat hem naar de stad voerde, verteld had, want hij had het van niemand anders kunnen hooren. Allen toonden er hun groote blijdschap over; de hoofdman echter nam het woord, en nadat hij zijn ijver geprezen had, sprak hij als volgt, tot de heele vergadering: „Kameraden, wij hebben geen tijd meer te verliezen; laat ons goed gewapend, maar zonder dat men het aan ons zien kan, opbreken, en om geen argwaan op te wekken, elk afzonderlijk, de een na den ander, in de stad gaan; komt daar van verschillende zijden op het marktplein bijeen, terwijl ik met onzen kameraad, die ons zooeven deze goede tijding gebracht heeft, het huis zal uitvorschen, om daarna de meest doeltreffende maatregelen te kunnen nemen.”De rede van den hoofdman werd met grooten bijval beloond, en de roovers waren weldra reisvaardig. Twee aan twee trokken zij nu van daar, en doordat zij steeds op behoorlijken afstand van elkander gingen, bereikten zij, zondereenige verdenking op te wekken, de stad. De hoofdman en de roover, die er des morgens al geweest was, kwamen het allerlaatst aan. Deze voerde den hoofdman in de straat, waar hij Ali Baba's huis gemerkt had, en toen hij aan de eerste, door Morgiane gemerkte huisdeur kwam, maakte hij hem daarop opmerkzaam, en zeide, dat was de rechte. Toen zij echter, om zich niet verdacht te maken, verder gingen, bemerkte de hoofdman, dat de daarop volgende deur eveneens hetzelfde kenteeken, op dezelfde plaats vertoonde; hij wees het daarom zijn geleider aan, en vroeg hem, of het dit huis was of het vorige. De roover geraakte in verlegenheid, en wist niets te antwoorden, en vooral niet, toen hij en de hoofdman zagen, dat de vier of vijf volgende deuren alle hetzelfde teeken hadden. Hij verzekerde den hoofdman met een eed, dat hij slechts een enkele gemerkt had, en voegde er toen bij: „Het is mij onverklaarbaar, wie de andere precies op dezelfde wijze mag gemerkt hebben, maar ik moet bij deze verwarring erkennen, dat ik niet meer kan aanwijzen, wat ik zelf geteekend heb.” Toen de hoofdman zijn plan aldus verijdeld zag, begaf hij zich naar de markt, en liet zijn lieden door den eersten den besten die hem tegenkwam, zeggen, dat zij ditmaal een vergeefschen tocht gedaan hadden, en hun niets anders overbleef, dan den terugweg naar hun gemeenschappelijk toevluchtsoordin te slaan. Hij zelf ging vooraan, en de anderen volgden hem in dezelfde orde, als zij gekomen waren.Nadat de bende zich in het bosch weder verzameld had, verhaalde de hoofdman, waarom hij hen weer had doen terugkeeren. Terstond werd de gids eenstemmig des doods schuldig verklaard; ook erkende hij zelf, dat hij het verdiend had, wijl hij betere voorzorgsmaatregelen had moeten nemen; en zonder vrees onderging hij zijn lot.Daar het voor het welzijn der bende van groot belang was, de schade, welke haar toegebracht was, niet ongewroken te laten, zoo trad een ander roover naar voren, beloofde, dat het hem beter gelukken zou, dan zijn voorganger, en verzocht als een gunst hem deze taak op te dragen. Het werd hem toegestaan; hij ging naar de stad, kocht Baba Moestapha om, zooals zijn voorganger gedaan had, en Baba Moestapha voerde hem geblinddoekt voor Ali Baba's huis. De roover kenmerkte het op een weinig zichtbare plaats met rood krijt, in de hoop, dat hij het op deze wijze steeds van de wit gemerkte huizen zou kunnen onderscheiden.Maar spoedig daarna ging Morgiane evenals den vorigen dag het huis uit, en toen zij terugkwam, ontging het roode teeken haren scherpzienden oogen niet. Zij kwam weer op dezelfde gedachte, als bij het witte teeken, en maakteterstond aan de deuren der naburige huizen, en wel op dezelfde plaats hetzelfde teeken met rood krijt.De roover keerde intusschen naar zijn kameraden in het bosch terug, vertelde, welken maatregel hij genomen had, en zeide, dat het thans onmogelijk was het door hem gemerkte huis met andere te verwisselen. De hoofdman en zijn lieden geloofden met hem, dat de zaak thans gelukken moest. Zij begaven zich daarom in dezelfde orde en met dezelfde voorzichtigheid, als de eerste maal. De hoofdmanvertrok daarom naarde stad, om het plan uit te voeren, dat zij verzonnen hadden. De hoofdman en de roover gingen terstond naar de straat, waar Ali Baba woonde, ontmoetten echter dezelfde moeilijkheid als de eerste maal. De hoofdman werd daarom vertoornd, en de roover geraakte in dezelfde ontsteltenis als degene, die vóór hem deze opdracht vervuld had. De hoofdman zag zich dus genoodzaakt, evenzoo onvoldaan als den eersten keer, nog denzelfden dag met zijn mannen den terugtocht aan te nemen. De roover, die aan het mislukken van het plan schuld was, onderging de straf, aan welke hij zich vrijwillig onderwierp.Daar nu de hoofdman zijn bende met twee flinke mannen verminderd zag, vreesde hij, dat zij nog meer zou afnemen, als hij voortging, bij de navorsching van Ali Baba's huis, zich opanderen te verlaten. Hun voorbeeld bewees hem, dat zij meer tot koene wapendaden geschikt waren, dan tot zulke ondernemingen, waarbij men met verstand en list te werk moest gaan. Hij nam daarom de zaak zelf ter hand en ging naar de stad, waar Baba Moestapha hem denzelfden dienst bewees, als den beiden afgezanten zijner bende; hij maakte echter geen teeken aan Ali Baba's huis, maar liep er verscheidene malen voorbij, en nam het nauwkeurig op, om zich niet weer te kunnen vergissen.Nadat hij zich nu van alles, wat hij wenschte, op de hoogte gesteld had, ging de rooverhoofdman, zeer tevreden over zijn reis, naar het bosch terug, en toen hij in het rotshol aankwam, waar de heele bende hem wachtte, zeide hij tot hen: „Kameraden, thans kan ons niets meer verhinderen, volle wraak te nemen over de boosheid, welke aan ons begaan is. Ik ken het huis van den schurk, dien onze wraak treffen zal, heel precies, en heb onderweg op middelen gezonnen, de zaak zoo sluw aan te pakken, dat niemand noch van onze schuilplaats, noch van onzen schat iets zal vermoeden; want dit is het hoofddoel, dat wij bij onze onderneming voor oogen moeten hebben, anders zou ze ons in het verderf storten. Luistert nu,” ging de hoofdman voort, „wat ik bedacht heb, om dit doel te bereiken. Wanneer ik u mijn plan ontvouwd zal hebben, en één van u een betermiddel weet, zoo mag hij het ons dan mededeelen.” Terstond legde hij hun nu uit, hoe hij de zaak dacht aan te vatten, en toen allen hem hun bijval te kennen gegeven hadden, beval hij hun, zich in de omliggende dorpen en gehuchten, en ook in de stad te verstrooien, en negentien muilezels te koopen, benevens acht en dertig groote lederen oliezakken, één er van vol, de andere echter leeg.Binnen twee of drie dagen hadden de roovers alles bijeen. Daar de leeren zakken bij de opening voor zijn doel iets te nauw waren, liet de hoofdman ze een beetje verwijden, en nadat hij in elken zak een zijner mannen, van de noodige wapens voorzien, had laten kruipen, waarbij nochtans een losgetornde scheur open bleef, opdat zij vrij konden ademhalen, maakte hij de zakken zoodanig dicht, dat men moest aannemen, dat er olie in was; om de bedrieglijkheid nog grooter te maken, besmeerde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen zak genomen had.Nadat dit volvoerd was, en hij de zeven en dertig roovers, ieder in een zak zittend, benevens den met olie gevulden zak op de muilezels geladen had, vertrok de hoofdman op den bepaalden tijd met deze naar de stad, en kwam daar in de avondschemering, ongeveer een uur na zonsondergang, aan. Hij ging de poort door, en regelrecht naar Ali Baba's huis toe, met hetdoel, bij hem aan te kloppen en van de gastvrijheid des eigenaars, voor zich en zijn muildieren een nachtverblijf te verzoeken. Hij behoefde niet aan te kloppen, want Ali Baba zat voor zijn huisdeur om na het avondeten frissche lucht te scheppen. Hij liet daarom zijn muilezel halt houden, wendde zich tot Ali Baba en zei tegen hem: „Mijnheer, ik breng de olie, welke gij hier ziet, uit verre gewesten mee, om ze morgen op de markt te verkoopen, maar wijl het reeds zoo laat is, weet ik niet, waar ik een onderkomen moet vinden. Wanneer het u niet te lastig is, zou ik u wel willen verzoeken, zoo vriendelijk te zijn, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen; ik zou er u zeer dankbaar voor zijn.” Ofschoon Ali Baba den man, die thans tegen hem sprak, reeds in het bosch gezien had, en ook had hooren spreken, kon hij hem toch in zijn oliehandelaarskleeding onmogelijk als den hoofdman der veertig roovers weder herkennen. „Wees welkom,” zeide hij tot hem, „en treed binnen.” Met deze woorden maakte hij voor hem plaats, zoodat hij, benevens zijn muilezels naar binnen kon gaan.Ali Baba riep nu zijn slaaf, en beval hem, zoodra de muilezels afgeladen zouden zijn, ze niet alleen in den stal te brengen, maar hen ook van gerst en hooi te voorzien. Ook nam hij de moeite, naar de keuken te gaan en Morgiane op te dragen, voor den pas aangekomengast snel een goed avondeten te bereiden, en in een kamer een bed voor hem klaar te maken.Ali Baba deed nog meer, om zijn gast veel eer te bewijzen. Toen hij namelijk zag, dat de rooverhoofdman zijn muilezels afgeladen had, en deze, zooals hij bevolen had, in den stal gebracht waren geworden, nam hij den vreemdeling, die den nacht onder den vrijen hemel scheen te willen doorbrengen, bij de hand, en geleidde hem naar de zaal, waar hij bezoeken placht te ontvangen, en verklaarde, dat hij niet zou toestaan, dat zijn gast in den hof zou overnachten. De rooverhoofdman bedankte voor die eer, terwijl hij zei, dat hij hem volstrekt geen last wilde aandoen; de ware reden was echter, dat hij dan des te beter zijn plan kon uitvoeren. Maar Ali Baba noodigde hem zoo hoffelijk en zoo dringend uit, dat hij niet langer weerstand kon bieden. Ali Baba hield dengene, die hem naar het leven stond, niet alleen zoo lang gezelschap, totdat Morgiane het avondeten opdroeg, maar onderhield zich met hem ook voortdurend nog over allerlei zaken, waarvan hij geloofde, dat zij hem genoegen deden, en verliet hem niet eerder, dan nadat hij met eten klaar was.„Ik laat u thans alleen,” zeide hij toen tot hem, „wanneer gij het een of ander wenscht, moet gij het slechts zeggen; alles, wat in mijn huis is, staat u ten dienste.”De rooverhoofdman stond tegelijk met AliBaba op en vergezelde hem tot aan de deur. Terwijl Ali Baba nu naar de keuken ging, om met Morgiane te spreken, begaf hij zich naar den hof, onder voorwendsel, dat hij in den stal wilde nazien, of het zijn muilezels aan niets ontbrak.Nadat Ali Baba Morgiane opnieuw aangemaand had, voor zijn gast zoo goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken, voegde hij er bij: „Morgiane, ik wil je nu alleen nog zeggen, dat ik morgen vroegtijdig een bad neem; maak mijn badhanddoeken in orde en geef ze Abdallah—zoo heette namelijk zijn slaaf,—bezorg mij vervolgens een goede vleeschsoep, wanneer ik thuis kom.” Nadat hij haar deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.Ondertusschen gaf de rooverhoofdman zijnen mannen in den stal zijn bevelen, wat zij te doen hadden. Van den eersten tot den laatsten zak zeide hij tot ieder: „Wanneer ik van uit mijn slaapkamer kleine steentjes naar beneden werp, snijdt dan met het mes, dat gij bij je draagt, den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal dan spoedig bij u komen.”Het mes, waarvan hij sprak, was voor dit doel opzettelijk gepunt en geslepen. Nadat dit geschied was, keerde hij terug, en zoodra hij zich bij de keukendeur vertoonde, nam Morgiane een licht, bracht hem naar de voor hem ingerichtekamer, en liet hem daar alleen, nadat zij nog eerst gevraagd had, of hij niets meer te wenschen had. Om geen argwaan te wekken, blies hij spoedig daarop het licht uit en legde zich geheel aangekleed neder, opdat hij terstond na den eersten slaap weer zou kunnen opstaan.Morgiane vergat Ali Baba's bevel niet. Zij bracht zijn baddoeken in orde, gaf ze aan Abdallah, die nog niet was gaan slapen, en plaatste den pot voor de vleeschsoep op het vuur. Terwijl zij nu den pot afschuimde, ging plotseling de lamp uit. In 't heele huis was geen olie meer, en toevallig ook geen enkele kaars voorradig. Wat moest zij nu beginnen? Om haren pot af te schuimen, moest zij er noodzakelijk helder licht bij hebben. Zij deelde hare verlegenheid aan Abdallah mede, die haar ten antwoord gaf: „Ja, daar zit niets anders op, dan dat je uit een van de zakken beneden op den hof wat olie neemt.” Morgiane bedankte Abdallah voor dien raad, en terwijl hij zich neerlegde naast Ali Baba's kamer, om hem later naar het bad te vergezellen, nam zij de oliekruik, en ging er mee naar den hof. Toen zij bij den eersten zak kwam, vroeg de roover, die daarin verborgen zat, heel zacht: „Is 't tijd?” Ofschoon de roover zacht gesproken had, zoo schrok Morgiane van deze stem toch des te meer, wijl de rooverhoofdman, nadat hij zijn muilezels afgeladenhad, niet alleen dezen zak, maar ook alle overige open gemaakt had, om zijn mannen frissche lucht te verschaffen. Dezen verkeerden bovendien toch in een zeer slechten toestand, ofschoon zij konden adem halen.Iedere andere slavin dan Morgiane, ofschoon zij inderdaad niet weinig verrast was, inplaats van de gezochte olie, een man in den zak te vinden, had nu waarschijnlijk alarm gemaakt, en wellicht een groot ongeluk veroorzaakt. Morgiane echter was veel verstandiger dan haar lotgenooten. Zij begreep terstond, hoe gewichtig het was, de zaak geheim te houden, in welk groot gevaar Ali Baba met zijne familie en zijzelf zweefde, en dat zij thans noodzakelijk zoo snel mogelijk en zonder eenige drukte haar maatregelen nemen moest. Zij bezat een scherp verstand, zoodat zij spoedig de middelen daarvoor bedacht had. Zij beheerschte zich op hetzelfde oogenblik en zonder den minsten schrik te verraden, antwoordde zij, alsof zij de rooverhoofdman was: „Nog niet, maar spoedig!” Daarop naderde zij den tweeden zak, waar zij dezelfde vraag hoorde, en zoo vervolgens, tot zij bij den laatsten kwam, waarin de olie was; zij gaf op elke vraag steeds hetzelfde antwoord.Morgiane begreep daaruit nu, dat haar meester Ali Baba niet, zooals hij geloofde, een oliehandelaar, maar zeven en dertig roovers, benevens hun hoofdman, den verkleeden koopman,in zijn huis herbergde. Zij vulde daarom in alle stilte haar kruik met olie, welke zij uit den laatsten zak nam, keerde daarop naar de keuken terug, en nadat zij olie in de lamp gedaan en haar weer aangestoken had, nam zij een grooten ketel, ging weder naar den hof, en vulde hem met olie uit den zak. Daarna ging zij terug naar de keuken, en zette den ketel op een kolossaal vuur, waarop zij voortdurend versch hout schoof, want hoe eerder de olie begon te koken, hoe eerder zij ook het plan kon uitvoeren, dat zij tot gemeenschappelijk welzijn van het huis ontworpen had, en dat geen uitstel toeliet. Toen eindelijk de olie kookte, nam zij den ketel en goot in elken zak, van den eersten tot den laatsten, zooveel kokende olie, als noodig was, om de roovers te doen stikken en te dooden.Nadat Morgiane deze daad, welke haren moed alle eer aandeed, even stil uitgevoerd als uitgedacht had, keerde zij met den leegen ketel in de keuken terug en deed haar op slot. Toen doofde zij het vuur uit, dat zij eerst aangestoken had, en liet alleen zooveel over, als noodig was om de vleeschsoep voor Ali Baba te koken. Ten slotte blies zij ook de lamp uit, en hield zich doodstil, want zij was besloten, niet eerder naar bed te gaan, dan tot zij door een keukenvenster, dat op den hof uitzag, zooveel als de duisternis van den nacht het veroorloofde, alles had waargenomen, dat soms gebeuren zou. Morgiane hadnog geen kwartier gewacht, toen de rooverhoofdman ontwaakte. Hij stond op, opende het venster, keek naar buiten, en daar hij nergens meer licht bespeurde, maar overal in het huis diepe rust en stilte zag heerschen, zoo gaf hij het afgesproken teeken, terwijl hij kleine steentjes naar beneden wierp. Meerdere daarvan vielen, zooals hij zich door het geluid overtuigen kon, op de leeren zakken. Hij luisterde begeerig, maar hoorde of merkte niets, waaruit hij had kunnen opmaken, dat zijn mannen zich in beweging zetten. Dit verontrustte hem, en hij wierp voor de tweede en voor de derde maal kleine steentjes naar beneden. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf meer het minste levensteeken. Daar hij zich dit niet verklaren kon, ging hij in de grootste ontsteltenis en zoo zacht mogelijk naar den hof, en naderde den eersten zak; toen hij echter den daarin zich bevindenden roover wilde vragen, of hij sliep, kwam hem een geur van heete olie en van iets verbrands uit den zak tegen, en hij begreep daaruit, dat zijn plan tegen Ali Baba, hem te vermoorden, uit te plunderen en het aan zijn bende ontnomen goud weer mee te nemen, volkomen mislukt was. Hij ging nu naar den volgenden zak en zoo vervolgens tot aan den laatsten, en vond dat al zijn mannen op dezelfde wijze omgekomen waren. De vermindering der olie in den vollen oliezak bewees hem, vanwelke middelen men zich bediend had, om zijn plan te verijdelen. Thans, nu hij al zijn hoop vervlogen zag, stormde hij, met de wanhoop in het hart, de deur uit, welke uit den hof in Ali Baba's tuin voerde en vluchtte, waarbij hij over verschillende tuinmuren moest klimmen.Toen Morgiane geen geruisch meer hoorde, en na geruimen tijd den rooverhoofdman niet meer zag terugkomen, twijfelde zij er niet meer aan, dat hij door den tuin gevlucht was; want door de huisdeur kon hij niet hopen te ontkomen,wijl zij dubbel op slot was. Ten hoogste verheugd, dat het haar zoo goed gelukt was, het heele huis te redden, ging zij eindelijk naar bed en sliep in.Ali Baba ondertusschen stond voor dag en dauw op en ging, vergezeld van zijn slaaf, naar het bad. Hij had niet het geringste vermoeden van de vreeselijke gebeurtenis, welke, terwijl hij sliep, in zijn huis had plaats gehad, want Morgiane had het niet noodig gevonden, hem te wekken, wijl zij in het oogenblik van het gevaar geen tijd te verliezen had, en na afwending daarvan hem niet in zijn rust storen wilde. Toen Ali Baba uit het bad in zijn kamer terugkwam, en de zon reeds helder aan den hemel schitterde, verwonderde hij zich in hooge mate, de oliezakken nog op hun oude plaats te zien staan, en het was hem onbegrijpelijk, dat de koopman met zijn ezels niet naar de markt zou gegaan zijn. Hij vroeg er daarom Morgiane naar, die hem de deur opende, en alles zoo had laten staan en liggen, opdat hij het zelf mocht zien, en zij het hem heel duidelijk maken kon, wat zij tot zijn redding gedaan had. „Mijn goede meester,” antwoordde hem Morgiane, „God en de heilige profeet beschermen u en uw huis. Gij zult u van dat, wat gij verlangt te weten, beter overtuigen, wanneer uw eigen oogen zien zullen, wat ik hun toonen wil. Wil de moeite nemen, om met mij mee te gaan.”Ali Baba volgde zijn dienstmaagd; deze slootde deur, bracht hem bij den eersten zak, en zeide toen: „Kijk eens in dezen zak, gij zult nog nooit zulke olie gezien hebben.”Ali Baba keek er in, en toen hij in den zak een man zag, schrok hij hevig, schreeuwde luid en sprong achteruit, alsof hij op een slang getrapt had.„Vrees niets,” zeide Morgiane tot hem, „de man, dien gij daar ziet, zal u geen kwaad meer doen. Hij heeft de maat zijner misdaden vol gemeten, maar thans kan hij niemand meer schade toevoegen, want hij is dood.”„Morgiane,” riep Ali Baba, „bij den verheven profeet! zeg mij, wat moet dat beteekenen?”„Ik wil het u verklaren,” zei Morgiane, „maar matig de uitbarstingen uwer verbazing en prikkelniet de nieuwsgierigheid der buren, opdat zij niet een zaak vernemen, welke voor uw eigen bestwil geheim moet blijven. Kijk echter eerst nog even naar de andere zakken.”Ali Baba keek op de rij af in alle zakken, van den eersten tot den laatsten, waarin de olie zat, welke zichtbaar verminderd was. Toen hij nu alle had nagezien, bleef hij als vastgeworteld staan, terwijl hij zijn oogen nu eens op de zakken, dan weer op Morgiane richtte, en zoo groot was zijn verbazing, dat hij langen tijd geen woord spreken kon. Eindelijk herstelde hij zich en vroeg toen: „Maar wat is er van den koopman geworden?”„De koopman,” antwoordde Morgiane, „is net zoo min een koopman, als ik een koopmansvrouw ben. Ik wil u zeggen, wat hij is, en waarheen hij gevlucht is. Doch gij zult deze geschiedenis veel gemakkelijker op uw kamer kunnen aanhooren, want uw gezondheid vordert, dat gij thans, nu gij uit het bad gekomen zijt, wat vleeschsoep gebruikt.”Terwijl Ali Baba zich nu naar zijn kamer begaf, haalde Morgiane de vleeschsoep uit de keuken en bracht ze hem; Ali Baba zeide echter, eer hij aanving: „Begin nu dadelijk mijn ongeduld te bevredigen, en vertel mij deze vreemde geschiedenis in alle bijzonderheden.”Morgiane vervulde den wensch van haar meester en begon aldus: „Heer, gisterenavond,toen gij reeds naar bed gegaan waart, bracht ik, gelijk u bevolen had, uw baddoeken in orde en gaf ze aan Abdallah. Toen plaatste ik den pot voor de vleeschsoep op het vuur, en terwijl ik deze afschuimde, ging plotseling de lamp uit, wijl er geen olie meer in was. In de kruik was geen druppel meer te vinden, en evenmin kon ik een stukje kaars bekomen. Abdallah, die mijn verlegenheid bemerkte, herinnerde mij aan de volle oliezakken in den hof, want hij twijfelde er evenmin aan als gij en ik, dat het zulke waren. Ik nam alzoo mijn oliekruik, en liep er mee naar den eersten zak den besten. Toen ik daar dicht bij was, klonk er mij een stem uit tegen, die mij vroeg: „Is 't tijd?” Ik schrok niet, maar begreep terstond de boosheid van den valschen koopman en antwoordde zonder dralen: „Nog niet, maar spoedig.” Ik ging naar den tweeden zak, en een andere stem deed mij dezelfde vraag, waarop ik hetzelfde antwoord teruggaf. Zoo ging ik dan van den eenen zak naar den anderen, immer weer dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, en eerst in den laatsten zak vond ik olie, waarmee ik mijn kruik vulde. Toen ik nu overlegde, dat zich midden in uw hof zeven en dertig roovers bevonden, die slechts op een teeken of bevel van hun aanvoerder, dien gij voor een koopman hieldt en zoo gastvrij opgenomen hadt, wachtten om het heele huis leeg te plunderen, toen geloofde ik, dat hiergeen tijd te verliezen was. Ik bracht daarom mijn kruik terug, stak de lamp aan, nam den grootsten ketel uit de heele keuken en vulde hem met olie. Daarna hing ik hem over het vuur en toen de olie goed kookte, goot ik in elken zak, waarin een roover zat, zooveel olie, als voldoende was, om hun de uitvoering van het verderfelijk plan, dat hen hierheen gevoerd had, te verhinderen. Nadat nu de zaak een zoodanig verloop genomen had, als ik mij had voorgesteld, keerde ik naar de keuken terug, deed de lamp uit, en alvorens naar bed te gaan, begon ik kalm door het venster toe te zien, wat de valsche oliehandelaar thans wel doen zou. Na een poos hoorde ik, dat hij, om zijn mannen te waarschuwen, kleine steentjes uit het venster en juist op de zakken wierp. Hij herhaalde dit eenige keeren, maar toen hij niets zag bewegen, en niets hoorde, ging hij naar beneden, en ik zag hem van den eenen zak naar den anderen gaan, totdat ik hem in de duisternis van den nacht uit het oog verloor. Toch wachtte ik nog eenigen tijd, maar toen ik hem niet meer zag terugkomen, twijfelde ik er niet meer aan, of hij was, uit wanhoop over zijn mislukten aanslag, door den tuin ontvlucht. Nadat ik er mij nu van overtuigd had, dat het huis in veiligheid was, begaf ik mij te bed. Dit is nu,” voegde Morgiane er ten slotte aan toe, „de geschiedenis waarnaar gij gevraagd hebt, en ik ben overtuigd,dat zij te zamen hangt met een omstandigheid, welke ik eenige dagen geleden ervoer, maar welke ik toen meende, u nog niet te moeten meedeelen. Toen ik namelijk eens heel vroeg 's morgens van een gang naar de stad terugkeerde, zag ik dat onze huisdeur wit aangestreept was, en den dag daarop ontdekte ik een rood teeken. Daar ik nu echter niet begreep, met welk doel dit geschied was, gaf ik elke maal twee of drie huizen aan beide kanten van het onze, een zelfde teeken, op dezelfde plaats. Wanneer gij dit nu met de geschiedenis van den laatsten nacht in verband brengt, dan zult gij vinden, dat alles door de roovers in het bosch uitgevoerd is, wier bende intusschen, ik weet niet waardoor, met twee koppen verminderd is. Hoe dit ook wezen mag, in 't ergste geval zijn er nu nog slechts drie in leven. Dit bewijst, dat zij uwen ondergang gezworen hebben, en dat gij bijzonder op uw hoede moet zijn, zoolang men weet, dat een er van nog in leven is. Ik voor mijn persoon zal niets nalaten, om volgens mijn plicht voor uw veiligheid te waken.”Toen Morgiane uitgesproken had, zag Ali Baba wel in, welken gewichtigen dienst zij hem bewezen had, en hij zei vol dankbaarheid tot haar: „Ik wil niet sterven alvorens ik je naar verdienste beloond heb. Jou heb ik mijn leven te danken, en om je terstond een bewijs van erkentelijkheid te geven, schenk ik je van dit oogenblikaf de vrijheid, behoud me echter voor, nog verder aan je te denken. Ook ik ben overtuigd, dat de veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben; God, de almachtige en albarmhartige, heeft me door jou hand bevrijd; ik hoop, dat hij mij ook verder voor hun boosheid beschermen, dat hij ze geheel van mijn hoofd afwenden, en de wereld van de vervolgingen van dit vervloekte adderengebroed bevrijden zal. Doch voor alles moeten wij thans de lijken van deze uitgeworpenen van het menschengeslacht begraven, maar in alle stilte, opdat niemand iets van hun lot vermoeden kan; daar wil ik met Abdallah voor zorgen.”Ali Baba's tuin was zeer lang, en van achteren door hooge boomen begrensd. Zonder te dralen ging hij met zijn slaaf naar deze boomen, om daaronder een langen en breeden kuil te graven, zooals voor de lijken, die er in gelegd moesten worden, noodig was. De grond was gemakkelijk om te woelen, en zij gebruikten ook niet lang tijd voor hun werk. Zij trokken nu de lijken uit de leeren zakken te voorschijn, legden de wapens, waarvan de roovers voorzien waren, ter zijde, sleepten toen de lijken naar het einde van den tuin, legden ze op een rij in den kuil, spreidden de uitgegraven aarde er over uit, en verstrooiden toen de overige aarde in den tuin, zoodat de grond weer zoo gelijk werd als te voren. De oliezakken en de wapens liet Ali Baba zorgvuldigverbergen, de muilezels echter, die hij nergens toe gebruiken kon, zond hij bij gedeelten naar de markt en liet ze door zijn slaaf verkoopen.Terwijl Ali Baba nu al deze maatregelen nam, om de wijze, waarop hij in zoo korten tijd rijk geworden was, niet bekend te doen worden, was de hoofdman der veertig roovers met bitter harteleed in het bosch teruggekeerd. Deze ongelukkige afloop der zaak, welke al zijn verwachtingen den bodem insloeg, trof hem zoodanig, en maakte hem zoo verbijsterd, dat hij er onderweg niet over denken kon, wat hij nu tegen Ali Baba zou ondernemen, maar zonder te weten hoe, in zijn hol terugkwam.Verschrikkelijk kwam het hem voor, toen hij zich nu in dit sombere verblijf alleen zag. „Gij wakkere mannen,” riep hij uit, „deelgenooten mijner doorwaakte nachten, mijner omzwervingen en mijner pogingen, waar zijt gij? Wat kan ik zonder u doen? Heb ik u alleen daarom bijeengebracht en uitverkoren, om u opeens door een zoo ongelukkig noodlot te zien omkomen? Ik zou u minder beklagen, wanneer gij, met de sabel in de vuist, als dappere mannen gestorven waart. Wanneer zal ik ooit weer zulk een schaar van dappere mannen, als gij waart, bijeen kunnen brengen? En wanneer ik het ook al wilde, kan ik het wel beproeven, zonder al dit goud en zilver, al deze schatten dengeneals buit te moeten overlaten, die zich reeds met een deel er van verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken, alvorens ik hem het leven benomen heb. Wat ik met uw machtige hulp niet vermocht uit te voeren, moet ik thans heel alleen doen, en wanneer ik nu den schat voor plundering behoed zal hebben, wil ik er ook voor zorgen, dat het hem na mij niet aan een dapperen meester ontbreken zal, opdat hij voortdurend in stand blijven en zich vermeerderen moge.” Nadat hij dit besluit genomen had, was hij omtrent de middelen om het uit te voeren, niet verlegen; zijn hart werd weer rustig; hij gaf zich weer aan schoone verwachtingen over, en zonk in een diepen slaap.Den volgenden morgen stond de rooverhoofdman reeds vroeg op, trok rijke kleeren aan, ging naar de stad en nam zijn intrek in een hotel. Daar hij verwachtte, dat het voorgevallene bij Ali Baba veel opzien gebaard zou hebben, zoo vroeg hij eens den portier in een gesprek, of er niets nieuws in de stad was, en deze deelde hem allerlei zaken mee, maar niet dat, wat hij wenschte te weten. Hij trok daaruit het besluit, dat Ali Baba alleen daarom de zaak geheim hield, wijl hij niet bekend wilde laten worden, dat hij iets van den schat afwist en het geheim kende om hem te vinden; ook vermoedde hij waarschijnlijk wel, dat men hem alleen daarom naar het leven stond. Dit versterkte hem in zijn voornemen,alles te doen, om hem op een even geheimzinnige wijze uit den weg te ruimen. De rooverhoofdman voorzag zich van een paard, waarmee hij meerdere malen een tocht naar het bosch maakte, om verschillende soorten van kostbare zijdenstoffen en fijne sluiers in zijn woning te brengen; daarbij nam hij de noodige maatregelen, om de plaats waar hij ze vandaan haalde, geheim te houden. Toen hij nu zooveel waren, als hij meende noodig te hebben, bijeen had, zocht hij een winkel, om ze te verkoopen; hij vond er ook een, huurde hem, richtte hem in en betrok hem daarna. Tegenover hem bevond zich de winkel, welke vroeger aan Casim behoord had, maar sedert eenigen tijd door Ali Baba's zoon in bezit genomen was.De rooverhoofdman, die den naam van Chogia Hoesein aangenomen had, verzuimde niet, als nieuweling, naar 's lands gebruik, den kooplieden, die zijn buren waren, een bezoek te brengen. Daar Ali Baba's zoon nog jong, goed ontwikkeld en verstandig was, en hij vaker gelegenheid had met hem te spreken dan met andere kooplieden, sloot hij spoedig vriendschap met hem. Hij zocht zijnen omgang des te ijveriger, als hij drie of vier dagen na opening van zijn winkel, Ali Baba weder herkende, die zijn zoon bezocht, en gelijk hij van tijd tot tijd placht te doen, zich een langen tijd met hem onderhield. Toen hij nu nog van den jongeling vernam, datAli Baba zijn vader was, verdubbelde hij zijn vriendelijkheid jegens hem, gaf hem kleine geschenken, en noodigde hem meermalen aan zijn tafel.Ali Baba's zoon meende deze hoffelijkheid van Chogia Hoesein te moeten beantwoorden; daar hij zelf echter zeer klein gehuisvest was, en niet zoo gemakkelijk ingericht was, om hem gelijk hij wenschte, te onthalen, zoo sprak hij daarover met zijn vader Ali Baba, en zeide hem, dat het wel niet zou passen, als hij nog langer de beleefdheden van Chogia Hoesein onbeantwoord liet. Ali Baba nam met genoegen op zich den vreemdeling te onthalen. „Mijn zoon,” zeide hij, „morgen is 't Vrijdag, en daar de groote kooplieden, zooals Chogia Hoesein en gij, op dien dag hun winkels gesloten houden, kunt gij morgen namiddag met hem een wandeling doen, en het dan op den terugweg zoo inrichten, dat gij hem voorbij mijn huis voert, en hem verzoekt, binnen te treden. Het is beter dat het zoo geschiedt, dan dat gij hem vormelijk uitnoodigt. Ik zal Morgiane de opdracht geven, dat zij een avondeten gereed houdt.”Vrijdags namiddag troffen Ali Baba's zoon en Chogia Hoesein elkander werkelijk op de afgesproken plaats, en deden tezamen een wandeling. Op den terugweg bracht Ali Baba's zoon zijn vriend met opzet door de straat, waarin zijn vader woonde, en toen zij voor de huisdeurstonden, bleef hij staan, klopte aan en zeide tot hem: „Dit is het huis mijns vaders; daar ik hem reeds veel verteld heb van de vriendschappelijke wijze, waarop gij steeds met mij omgaat, zoo heeft hij mij opgedragen, hem de eer te verschaffen, met u kennis te maken. Ik verzoek u dus nu, 't aantal uwer oplettendheden jegens mij met deze ééne nog te vermeerderen.”Ofschoon nu Chogia Hoesein het doel bereikt had, waarnaar hij streefde, namelijk toegang tot Ali Baba's huis te verkrijgen en hem zonder eigen gevaar en zonder veel drukte te dooden, uitte hij nochtans allerlei verontschuldigingen, en deed alsof hij van den zoon afscheid wilde nemen; daar echter op dit oogenblik Ali Baba's slaaf de deur opende, zoo nam de zoon hem vriendelijk bij de hand, ging vooraan, en dwong hem als 't ware, met hem mee naar binnen te gaan.Ali Baba ontving Chogia Hoesein met een vriendelijk gezicht en zoo goed, als deze 't slechts wenschen kon. Hij bedankte hem voor de goedheid, zijn zoon bewezen, en zeide toen: „Wij zijn u beiden daarvoor des te grooteren dank schuldig, daar hij nog een jonge, in de wereld onervaren man is, en gij het niet beneden uwe waardigheid geacht hebt, aan zijn opvoeding mede te werken.” Chogia Hoesein beantwoordde Ali Baba's beleefdheden door andere en verzekerde hem tevens, al ontbrak het zijn zoonaan de ervaring van grijsaards, zoo bezat hij toch een gezond verstand, dat zooveel waard was, als de ervaring van duizend anderen.Nadat zij zich een tijd lang over allerlei onverschillige zaken onderhouden hadden, wilde Chogia Hoesein afscheid nemen; dat gedoogde Ali Baba echter niet. „Mijnheer,” zeide hij tot hem, „waarheen wilt gij gaan? Ik bid u, bewijs mij de eer, het avondeten bij mij te gebruiken. Het maal, dat ik u wil geven, is wel niet zoo schitterend, als gij het verdient; maar ik hoop, dat gij het, zooals het is, met een even zoo goed hart wilt aannemen, als ik het u bied.”„Mijnheer,” antwoordde Chogia Hoesein, „ik ben van uw goede meening volkomen overtuigd, en wanneer ik u verzoek, het mij niet kwalijk te nemen, dat ik uw hoffelijke uitnoodiging niet aanneem, dan verzoek ik u tevens te gelooven, dat dit noch uit minachting, noch uit onbeleefdheid geschiedt, maar wijl ik er een bijzondere reden voor heb, welke gij zoudt billijken, als gij haar kende.”„En wat kan deze reden wel zijn?” antwoordde Ali Baba, „mag ik die dan van u weten?”„Ik kan ze u wel zeggen,” sprak Chogia Hoesein; „ik eet namelijk vleesch, noch andere gerechten, waarin zout is; gij kunt dus nu begrijpen, welke rol ik aan uw tafel zou spelen.”„Wanneer gij geen andere reden hebt,” ging Ali Baba nu dringender voort, „dan zal dezemij gewis niet van de eer berooven, u hedenavond aan mijn tafel te zien zitten, of gij moest wat anders te doen hebben. Ten eerste is er in het brood, dat wij eten, geen zout, en wat het vleesch en de soep betreft, zoo beloof ik u, dat in dat, wat u voorgezet zal worden, eveneens geen zout komen zal. Ik wil terstond de noodige bevelen geven; bewijs mij daarom de eer, bij mij te blijven; ik kom terstond weer terug.”Ali Baba ging naar de keuken, en beval Morgiane het vleesch, dat zij heden zou opdienen, niet te zouten, en behalve de gerechten, die hij reeds vroeger aan haar had opgegeven, snel nog twee of drie andere te bereiden, waarin geen zout was. Morgiane, die juist gereed stond het eten binnen te brengen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit nieuwe bevel te uiten, en zich daarover tegen Ali Baba uit te spreken: „Wie is dan,” zeide zij, „deze eigenzinnige man, die geen zout wil eten? Uw eten zal niet lekker meer zijn, als ik 't later opdien.”„Wordt maar niet boos, Morgiane,” antwoordde Ali Baba, „het is een rechtschapen man, doe daarom, wat ik je zeg.” Morgiane gehoorzaamde, maar met tegenzin, en de nieuwsgierigheid greep haar aan, om den man te leeren kennen, die geen zout wilde gebruiken. Toen zij het maal bereid en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem de spijzen opdragen. Terwijl zij nu Chogia Hoesein aanzag, herkendezij hem terstond, ondanks zijn vermomming, als den rooverhoofdman, en bij langer, opmerkzame beschouwing zag zij, dat hij onder zijn kleeren een dolk verborgen had. „Thans verbaas ik er mij niet meer over,” zeide zij in zichzelf, „dat deze heiden met mijn heer geen zout eten wil:3hij is zijn verbitterdste vijand en wilhem vermoorden; maar ik zal zijn voornemen wel verijdelen.”Zoodra Morgiane met Abdallah de spijzen opgediend had, gebruikte zij den tijd, dat de heeren aten, om de noodige voorbereiding te treffen tot uitvoering van een plan, dat van meer dan gewonen moed getuigde, en zij was juist daarmee klaar, toen Abdallah haar meldde, dat het tijd was de vruchten te brengen. Zoodra Abdallah de tafel afgeruimd had, diende zij de vruchten op. Daarna plaatste zij naast Ali Baba een klein tafeltje, en zette daarop wijn en drie schalen neer; toen ging zij met Abdallah heen,—als wilde zij met hem het avondmaal gaan gebruiken,—om Ali Baba niet te storen, opdat hij zich met zijn gast aangenaam onderhouden, en hem naar zijn gewoonte aansporen kon, zich den wijn te laten smaken.Thans geloofde de valsche Chogia Hoesein, of liever de hoofdman der veertig roovers, dat hetgunstige oogenblik gekomen was, om Ali Baba het leven te ontnemen. „Ik wil,” zoo sprak hij tot zichzelf, „vader en zoon dronken maken, en de zoon, wien ik gaarne het leven schenk, zal mij niet beletten, zijn vader den dolk in 't hart te stooten; dan wil ik, gelijk de eerste maal, door den tuin ontvluchten, terwijl de keukenmeid en de slaaf nog aan hun avondmaal zitten, of in de keuken ingeslapen zijn.”Morgiane echter, had het voornemen van den valschen Chogia Hoesein doorzien, en liet hem geen tijd zijn boosaardig plan uit te voeren. Inplaats van te gaan avondmalen, trok zij een bekoorlijk danscostuum aan,koos er een passenden haartooi bij uit, deed een gordel van verguld zilver om, en bevestigde daaraan een dolk, welks scheede en gevest van hetzelfde metaal waren; voor haar gezicht hing zij een zeer schoon masker. Nadat zij zich aldus verkleed had, zeide zij tot Abdallah: „Abdallah, neem je tamboerijn en laat ons naar binnen gaan, om voor den gast van onzen meester, den vriend van zijn zoon, de vroolijke dansen uit te voeren, die wij menigmaal des avonds voor hem ten beste geven.” Abdallah nam de tamboerijn, ging, daarop spelend, voor Morgiane uit en trad zoo in de zaal. Achter hem kwam Morgiane, die op een hoogst ongedwongen en bevallige wijze diep boog, net als had zij de toestemming, hare kunsten te vertoonen. Daar Abdallah zag, dat Ali Baba wilde spreken, hield hij op met trommelen.„Treed nader, Morgiane,” zeide Ali Baba.„Chogia Hoesein mag oordeelen, of gij iets kunt, en ons dan zijn meening daarover zeggen.” Vervolgens zeide hij, tot Chogia Hoesein gewend, „gij moet niet gelooven, mijnheer, dat ik groote onkosten gemaakt heb, om u dit genoegen te bereiden. Ik vind het in mijn eigen huis, en gij ziet, dat het niemand anders dan een slaaf en mijn keukenmeid zijn, die mij op deze wijze opvroolijken. Ik hoop, dat het u niet mishagen zal.”Chogia Hoesein had er niet op gerekend, dat Ali Baba op het maal nog dit vermaak zou latenvolgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij de gelegenheid, welke hij meende gevonden te hebben, toch niet zou kunnen gebruiken. Doch troostte hij zich voor dit geval met de hoop, dat er zich bij den voortgezetten, vriendschappelijken omgang met vader en zoon spoedig een nieuwe zou aanbieden. Ofschoon het hem nu veel aangenamer geweest zou zijn, wanneer Ali Baba hem van dit spel verschoond had, zoo hield hij zich nochtans, als was hij hem er zeer dankbaar voor, en was tevens beleefd genoeg hem te verklaren: „Alles, wat zijn vereerden gastvriend genoegen deed, moest noodwendig ook voor hem een genoegen zijn.”Toen Abdallah zag, dat Chogia Hoesein en Ali Baba ophielden met spreken, begon hij opnieuw op den tamboerijn te slaan en zong er tegelijk een dansliedje bij. Morgiane echter, die voor de geoefendste dansers en danseressen van het vak in vaardigheid niet onderdeed, danste op een wijze, die bij elk ander, dan juist bij 't hier aanwezige gezelschap, bewondering had moeten opwekken; de minste opmerkzaamheid schonk de valsche Chogia Hoesein wel aan haar kunst.
„Verder,” zei Baba Moestapha,„ben ik, voor zoover ik weet, niet gekomen,” en hij bevondzich werkelijk voor Casim's huis, waarin Ali Baba thans woonde. De roover maakte, alvorens hij hem den doek afnam, snel met een stuk krijt een teeken aan de deur, en toen hij hem van den doek ontdaan had, vroeg hij, of hij ook wist, aan wien dit huis toebehoorde. Baba Moestapha antwoordde, dat hij niet in deze buurt van de stad woonde, en kon hem ook niets naders meedeelen.Toen de roover zag, dat hij van Baba Moestapha niets meer ervaren zou, bedankte hij hem voor zijn moeite en liet hem naar zijn winkel terugkeeren; hij zelf echter ging weer naar het bosch, in de vaste overtuiging, daar een goede ontvangst te zullen vinden.Kort nadat de roover en Baba Moestapha afscheid van elkaar genomen hadden, ging Morgiane voor een boodschap Ali Baba's huis uit, en toen zij terugkwam, bemerkte zij het teeken, dat de roover aan de deur gemaakt had. Zij bleef staan en beschouwde het oplettend.„Wat zou dat teeken wel beduiden?” vroeg zij zich af; „zou wellicht iemand iets kwaads tegen mijn meester in 't schild voeren, of zou het slechts voor de grap gedaan zijn? Dat mag nu zijn zoo het wil, het kan niet schaden, wanneer men zich voor elk geval beveiligt.” Zij nam terstond een stuk krijt, en daar de twee of drie voorafgaande en volgende deuren er bijna net zoo uitzagen, als hun huisdeur, maakte zij daaraanop dezelfde plaats een soortgelijk teeken, en ging toen in huis terug, zonder noch haar meester, noch diens vrouw er iets van te vertellen.De roover zette intusschen zijn weg naar het bosch voort en kwam weldra bij het overige gezelschap terug. Hij gaf terstond verslag van den uitslag zijner reis, en prees hemelhoog zijn geluk, dat hij al dadelijk een man gevonden had, die hem dat, wat hem naar de stad voerde, verteld had, want hij had het van niemand anders kunnen hooren. Allen toonden er hun groote blijdschap over; de hoofdman echter nam het woord, en nadat hij zijn ijver geprezen had, sprak hij als volgt, tot de heele vergadering: „Kameraden, wij hebben geen tijd meer te verliezen; laat ons goed gewapend, maar zonder dat men het aan ons zien kan, opbreken, en om geen argwaan op te wekken, elk afzonderlijk, de een na den ander, in de stad gaan; komt daar van verschillende zijden op het marktplein bijeen, terwijl ik met onzen kameraad, die ons zooeven deze goede tijding gebracht heeft, het huis zal uitvorschen, om daarna de meest doeltreffende maatregelen te kunnen nemen.”De rede van den hoofdman werd met grooten bijval beloond, en de roovers waren weldra reisvaardig. Twee aan twee trokken zij nu van daar, en doordat zij steeds op behoorlijken afstand van elkander gingen, bereikten zij, zondereenige verdenking op te wekken, de stad. De hoofdman en de roover, die er des morgens al geweest was, kwamen het allerlaatst aan. Deze voerde den hoofdman in de straat, waar hij Ali Baba's huis gemerkt had, en toen hij aan de eerste, door Morgiane gemerkte huisdeur kwam, maakte hij hem daarop opmerkzaam, en zeide, dat was de rechte. Toen zij echter, om zich niet verdacht te maken, verder gingen, bemerkte de hoofdman, dat de daarop volgende deur eveneens hetzelfde kenteeken, op dezelfde plaats vertoonde; hij wees het daarom zijn geleider aan, en vroeg hem, of het dit huis was of het vorige. De roover geraakte in verlegenheid, en wist niets te antwoorden, en vooral niet, toen hij en de hoofdman zagen, dat de vier of vijf volgende deuren alle hetzelfde teeken hadden. Hij verzekerde den hoofdman met een eed, dat hij slechts een enkele gemerkt had, en voegde er toen bij: „Het is mij onverklaarbaar, wie de andere precies op dezelfde wijze mag gemerkt hebben, maar ik moet bij deze verwarring erkennen, dat ik niet meer kan aanwijzen, wat ik zelf geteekend heb.” Toen de hoofdman zijn plan aldus verijdeld zag, begaf hij zich naar de markt, en liet zijn lieden door den eersten den besten die hem tegenkwam, zeggen, dat zij ditmaal een vergeefschen tocht gedaan hadden, en hun niets anders overbleef, dan den terugweg naar hun gemeenschappelijk toevluchtsoordin te slaan. Hij zelf ging vooraan, en de anderen volgden hem in dezelfde orde, als zij gekomen waren.Nadat de bende zich in het bosch weder verzameld had, verhaalde de hoofdman, waarom hij hen weer had doen terugkeeren. Terstond werd de gids eenstemmig des doods schuldig verklaard; ook erkende hij zelf, dat hij het verdiend had, wijl hij betere voorzorgsmaatregelen had moeten nemen; en zonder vrees onderging hij zijn lot.Daar het voor het welzijn der bende van groot belang was, de schade, welke haar toegebracht was, niet ongewroken te laten, zoo trad een ander roover naar voren, beloofde, dat het hem beter gelukken zou, dan zijn voorganger, en verzocht als een gunst hem deze taak op te dragen. Het werd hem toegestaan; hij ging naar de stad, kocht Baba Moestapha om, zooals zijn voorganger gedaan had, en Baba Moestapha voerde hem geblinddoekt voor Ali Baba's huis. De roover kenmerkte het op een weinig zichtbare plaats met rood krijt, in de hoop, dat hij het op deze wijze steeds van de wit gemerkte huizen zou kunnen onderscheiden.Maar spoedig daarna ging Morgiane evenals den vorigen dag het huis uit, en toen zij terugkwam, ontging het roode teeken haren scherpzienden oogen niet. Zij kwam weer op dezelfde gedachte, als bij het witte teeken, en maakteterstond aan de deuren der naburige huizen, en wel op dezelfde plaats hetzelfde teeken met rood krijt.De roover keerde intusschen naar zijn kameraden in het bosch terug, vertelde, welken maatregel hij genomen had, en zeide, dat het thans onmogelijk was het door hem gemerkte huis met andere te verwisselen. De hoofdman en zijn lieden geloofden met hem, dat de zaak thans gelukken moest. Zij begaven zich daarom in dezelfde orde en met dezelfde voorzichtigheid, als de eerste maal. De hoofdmanvertrok daarom naarde stad, om het plan uit te voeren, dat zij verzonnen hadden. De hoofdman en de roover gingen terstond naar de straat, waar Ali Baba woonde, ontmoetten echter dezelfde moeilijkheid als de eerste maal. De hoofdman werd daarom vertoornd, en de roover geraakte in dezelfde ontsteltenis als degene, die vóór hem deze opdracht vervuld had. De hoofdman zag zich dus genoodzaakt, evenzoo onvoldaan als den eersten keer, nog denzelfden dag met zijn mannen den terugtocht aan te nemen. De roover, die aan het mislukken van het plan schuld was, onderging de straf, aan welke hij zich vrijwillig onderwierp.Daar nu de hoofdman zijn bende met twee flinke mannen verminderd zag, vreesde hij, dat zij nog meer zou afnemen, als hij voortging, bij de navorsching van Ali Baba's huis, zich opanderen te verlaten. Hun voorbeeld bewees hem, dat zij meer tot koene wapendaden geschikt waren, dan tot zulke ondernemingen, waarbij men met verstand en list te werk moest gaan. Hij nam daarom de zaak zelf ter hand en ging naar de stad, waar Baba Moestapha hem denzelfden dienst bewees, als den beiden afgezanten zijner bende; hij maakte echter geen teeken aan Ali Baba's huis, maar liep er verscheidene malen voorbij, en nam het nauwkeurig op, om zich niet weer te kunnen vergissen.Nadat hij zich nu van alles, wat hij wenschte, op de hoogte gesteld had, ging de rooverhoofdman, zeer tevreden over zijn reis, naar het bosch terug, en toen hij in het rotshol aankwam, waar de heele bende hem wachtte, zeide hij tot hen: „Kameraden, thans kan ons niets meer verhinderen, volle wraak te nemen over de boosheid, welke aan ons begaan is. Ik ken het huis van den schurk, dien onze wraak treffen zal, heel precies, en heb onderweg op middelen gezonnen, de zaak zoo sluw aan te pakken, dat niemand noch van onze schuilplaats, noch van onzen schat iets zal vermoeden; want dit is het hoofddoel, dat wij bij onze onderneming voor oogen moeten hebben, anders zou ze ons in het verderf storten. Luistert nu,” ging de hoofdman voort, „wat ik bedacht heb, om dit doel te bereiken. Wanneer ik u mijn plan ontvouwd zal hebben, en één van u een betermiddel weet, zoo mag hij het ons dan mededeelen.” Terstond legde hij hun nu uit, hoe hij de zaak dacht aan te vatten, en toen allen hem hun bijval te kennen gegeven hadden, beval hij hun, zich in de omliggende dorpen en gehuchten, en ook in de stad te verstrooien, en negentien muilezels te koopen, benevens acht en dertig groote lederen oliezakken, één er van vol, de andere echter leeg.Binnen twee of drie dagen hadden de roovers alles bijeen. Daar de leeren zakken bij de opening voor zijn doel iets te nauw waren, liet de hoofdman ze een beetje verwijden, en nadat hij in elken zak een zijner mannen, van de noodige wapens voorzien, had laten kruipen, waarbij nochtans een losgetornde scheur open bleef, opdat zij vrij konden ademhalen, maakte hij de zakken zoodanig dicht, dat men moest aannemen, dat er olie in was; om de bedrieglijkheid nog grooter te maken, besmeerde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen zak genomen had.Nadat dit volvoerd was, en hij de zeven en dertig roovers, ieder in een zak zittend, benevens den met olie gevulden zak op de muilezels geladen had, vertrok de hoofdman op den bepaalden tijd met deze naar de stad, en kwam daar in de avondschemering, ongeveer een uur na zonsondergang, aan. Hij ging de poort door, en regelrecht naar Ali Baba's huis toe, met hetdoel, bij hem aan te kloppen en van de gastvrijheid des eigenaars, voor zich en zijn muildieren een nachtverblijf te verzoeken. Hij behoefde niet aan te kloppen, want Ali Baba zat voor zijn huisdeur om na het avondeten frissche lucht te scheppen. Hij liet daarom zijn muilezel halt houden, wendde zich tot Ali Baba en zei tegen hem: „Mijnheer, ik breng de olie, welke gij hier ziet, uit verre gewesten mee, om ze morgen op de markt te verkoopen, maar wijl het reeds zoo laat is, weet ik niet, waar ik een onderkomen moet vinden. Wanneer het u niet te lastig is, zou ik u wel willen verzoeken, zoo vriendelijk te zijn, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen; ik zou er u zeer dankbaar voor zijn.” Ofschoon Ali Baba den man, die thans tegen hem sprak, reeds in het bosch gezien had, en ook had hooren spreken, kon hij hem toch in zijn oliehandelaarskleeding onmogelijk als den hoofdman der veertig roovers weder herkennen. „Wees welkom,” zeide hij tot hem, „en treed binnen.” Met deze woorden maakte hij voor hem plaats, zoodat hij, benevens zijn muilezels naar binnen kon gaan.Ali Baba riep nu zijn slaaf, en beval hem, zoodra de muilezels afgeladen zouden zijn, ze niet alleen in den stal te brengen, maar hen ook van gerst en hooi te voorzien. Ook nam hij de moeite, naar de keuken te gaan en Morgiane op te dragen, voor den pas aangekomengast snel een goed avondeten te bereiden, en in een kamer een bed voor hem klaar te maken.Ali Baba deed nog meer, om zijn gast veel eer te bewijzen. Toen hij namelijk zag, dat de rooverhoofdman zijn muilezels afgeladen had, en deze, zooals hij bevolen had, in den stal gebracht waren geworden, nam hij den vreemdeling, die den nacht onder den vrijen hemel scheen te willen doorbrengen, bij de hand, en geleidde hem naar de zaal, waar hij bezoeken placht te ontvangen, en verklaarde, dat hij niet zou toestaan, dat zijn gast in den hof zou overnachten. De rooverhoofdman bedankte voor die eer, terwijl hij zei, dat hij hem volstrekt geen last wilde aandoen; de ware reden was echter, dat hij dan des te beter zijn plan kon uitvoeren. Maar Ali Baba noodigde hem zoo hoffelijk en zoo dringend uit, dat hij niet langer weerstand kon bieden. Ali Baba hield dengene, die hem naar het leven stond, niet alleen zoo lang gezelschap, totdat Morgiane het avondeten opdroeg, maar onderhield zich met hem ook voortdurend nog over allerlei zaken, waarvan hij geloofde, dat zij hem genoegen deden, en verliet hem niet eerder, dan nadat hij met eten klaar was.„Ik laat u thans alleen,” zeide hij toen tot hem, „wanneer gij het een of ander wenscht, moet gij het slechts zeggen; alles, wat in mijn huis is, staat u ten dienste.”De rooverhoofdman stond tegelijk met AliBaba op en vergezelde hem tot aan de deur. Terwijl Ali Baba nu naar de keuken ging, om met Morgiane te spreken, begaf hij zich naar den hof, onder voorwendsel, dat hij in den stal wilde nazien, of het zijn muilezels aan niets ontbrak.Nadat Ali Baba Morgiane opnieuw aangemaand had, voor zijn gast zoo goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken, voegde hij er bij: „Morgiane, ik wil je nu alleen nog zeggen, dat ik morgen vroegtijdig een bad neem; maak mijn badhanddoeken in orde en geef ze Abdallah—zoo heette namelijk zijn slaaf,—bezorg mij vervolgens een goede vleeschsoep, wanneer ik thuis kom.” Nadat hij haar deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.Ondertusschen gaf de rooverhoofdman zijnen mannen in den stal zijn bevelen, wat zij te doen hadden. Van den eersten tot den laatsten zak zeide hij tot ieder: „Wanneer ik van uit mijn slaapkamer kleine steentjes naar beneden werp, snijdt dan met het mes, dat gij bij je draagt, den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal dan spoedig bij u komen.”Het mes, waarvan hij sprak, was voor dit doel opzettelijk gepunt en geslepen. Nadat dit geschied was, keerde hij terug, en zoodra hij zich bij de keukendeur vertoonde, nam Morgiane een licht, bracht hem naar de voor hem ingerichtekamer, en liet hem daar alleen, nadat zij nog eerst gevraagd had, of hij niets meer te wenschen had. Om geen argwaan te wekken, blies hij spoedig daarop het licht uit en legde zich geheel aangekleed neder, opdat hij terstond na den eersten slaap weer zou kunnen opstaan.Morgiane vergat Ali Baba's bevel niet. Zij bracht zijn baddoeken in orde, gaf ze aan Abdallah, die nog niet was gaan slapen, en plaatste den pot voor de vleeschsoep op het vuur. Terwijl zij nu den pot afschuimde, ging plotseling de lamp uit. In 't heele huis was geen olie meer, en toevallig ook geen enkele kaars voorradig. Wat moest zij nu beginnen? Om haren pot af te schuimen, moest zij er noodzakelijk helder licht bij hebben. Zij deelde hare verlegenheid aan Abdallah mede, die haar ten antwoord gaf: „Ja, daar zit niets anders op, dan dat je uit een van de zakken beneden op den hof wat olie neemt.” Morgiane bedankte Abdallah voor dien raad, en terwijl hij zich neerlegde naast Ali Baba's kamer, om hem later naar het bad te vergezellen, nam zij de oliekruik, en ging er mee naar den hof. Toen zij bij den eersten zak kwam, vroeg de roover, die daarin verborgen zat, heel zacht: „Is 't tijd?” Ofschoon de roover zacht gesproken had, zoo schrok Morgiane van deze stem toch des te meer, wijl de rooverhoofdman, nadat hij zijn muilezels afgeladenhad, niet alleen dezen zak, maar ook alle overige open gemaakt had, om zijn mannen frissche lucht te verschaffen. Dezen verkeerden bovendien toch in een zeer slechten toestand, ofschoon zij konden adem halen.Iedere andere slavin dan Morgiane, ofschoon zij inderdaad niet weinig verrast was, inplaats van de gezochte olie, een man in den zak te vinden, had nu waarschijnlijk alarm gemaakt, en wellicht een groot ongeluk veroorzaakt. Morgiane echter was veel verstandiger dan haar lotgenooten. Zij begreep terstond, hoe gewichtig het was, de zaak geheim te houden, in welk groot gevaar Ali Baba met zijne familie en zijzelf zweefde, en dat zij thans noodzakelijk zoo snel mogelijk en zonder eenige drukte haar maatregelen nemen moest. Zij bezat een scherp verstand, zoodat zij spoedig de middelen daarvoor bedacht had. Zij beheerschte zich op hetzelfde oogenblik en zonder den minsten schrik te verraden, antwoordde zij, alsof zij de rooverhoofdman was: „Nog niet, maar spoedig!” Daarop naderde zij den tweeden zak, waar zij dezelfde vraag hoorde, en zoo vervolgens, tot zij bij den laatsten kwam, waarin de olie was; zij gaf op elke vraag steeds hetzelfde antwoord.Morgiane begreep daaruit nu, dat haar meester Ali Baba niet, zooals hij geloofde, een oliehandelaar, maar zeven en dertig roovers, benevens hun hoofdman, den verkleeden koopman,in zijn huis herbergde. Zij vulde daarom in alle stilte haar kruik met olie, welke zij uit den laatsten zak nam, keerde daarop naar de keuken terug, en nadat zij olie in de lamp gedaan en haar weer aangestoken had, nam zij een grooten ketel, ging weder naar den hof, en vulde hem met olie uit den zak. Daarna ging zij terug naar de keuken, en zette den ketel op een kolossaal vuur, waarop zij voortdurend versch hout schoof, want hoe eerder de olie begon te koken, hoe eerder zij ook het plan kon uitvoeren, dat zij tot gemeenschappelijk welzijn van het huis ontworpen had, en dat geen uitstel toeliet. Toen eindelijk de olie kookte, nam zij den ketel en goot in elken zak, van den eersten tot den laatsten, zooveel kokende olie, als noodig was, om de roovers te doen stikken en te dooden.Nadat Morgiane deze daad, welke haren moed alle eer aandeed, even stil uitgevoerd als uitgedacht had, keerde zij met den leegen ketel in de keuken terug en deed haar op slot. Toen doofde zij het vuur uit, dat zij eerst aangestoken had, en liet alleen zooveel over, als noodig was om de vleeschsoep voor Ali Baba te koken. Ten slotte blies zij ook de lamp uit, en hield zich doodstil, want zij was besloten, niet eerder naar bed te gaan, dan tot zij door een keukenvenster, dat op den hof uitzag, zooveel als de duisternis van den nacht het veroorloofde, alles had waargenomen, dat soms gebeuren zou. Morgiane hadnog geen kwartier gewacht, toen de rooverhoofdman ontwaakte. Hij stond op, opende het venster, keek naar buiten, en daar hij nergens meer licht bespeurde, maar overal in het huis diepe rust en stilte zag heerschen, zoo gaf hij het afgesproken teeken, terwijl hij kleine steentjes naar beneden wierp. Meerdere daarvan vielen, zooals hij zich door het geluid overtuigen kon, op de leeren zakken. Hij luisterde begeerig, maar hoorde of merkte niets, waaruit hij had kunnen opmaken, dat zijn mannen zich in beweging zetten. Dit verontrustte hem, en hij wierp voor de tweede en voor de derde maal kleine steentjes naar beneden. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf meer het minste levensteeken. Daar hij zich dit niet verklaren kon, ging hij in de grootste ontsteltenis en zoo zacht mogelijk naar den hof, en naderde den eersten zak; toen hij echter den daarin zich bevindenden roover wilde vragen, of hij sliep, kwam hem een geur van heete olie en van iets verbrands uit den zak tegen, en hij begreep daaruit, dat zijn plan tegen Ali Baba, hem te vermoorden, uit te plunderen en het aan zijn bende ontnomen goud weer mee te nemen, volkomen mislukt was. Hij ging nu naar den volgenden zak en zoo vervolgens tot aan den laatsten, en vond dat al zijn mannen op dezelfde wijze omgekomen waren. De vermindering der olie in den vollen oliezak bewees hem, vanwelke middelen men zich bediend had, om zijn plan te verijdelen. Thans, nu hij al zijn hoop vervlogen zag, stormde hij, met de wanhoop in het hart, de deur uit, welke uit den hof in Ali Baba's tuin voerde en vluchtte, waarbij hij over verschillende tuinmuren moest klimmen.Toen Morgiane geen geruisch meer hoorde, en na geruimen tijd den rooverhoofdman niet meer zag terugkomen, twijfelde zij er niet meer aan, dat hij door den tuin gevlucht was; want door de huisdeur kon hij niet hopen te ontkomen,wijl zij dubbel op slot was. Ten hoogste verheugd, dat het haar zoo goed gelukt was, het heele huis te redden, ging zij eindelijk naar bed en sliep in.Ali Baba ondertusschen stond voor dag en dauw op en ging, vergezeld van zijn slaaf, naar het bad. Hij had niet het geringste vermoeden van de vreeselijke gebeurtenis, welke, terwijl hij sliep, in zijn huis had plaats gehad, want Morgiane had het niet noodig gevonden, hem te wekken, wijl zij in het oogenblik van het gevaar geen tijd te verliezen had, en na afwending daarvan hem niet in zijn rust storen wilde. Toen Ali Baba uit het bad in zijn kamer terugkwam, en de zon reeds helder aan den hemel schitterde, verwonderde hij zich in hooge mate, de oliezakken nog op hun oude plaats te zien staan, en het was hem onbegrijpelijk, dat de koopman met zijn ezels niet naar de markt zou gegaan zijn. Hij vroeg er daarom Morgiane naar, die hem de deur opende, en alles zoo had laten staan en liggen, opdat hij het zelf mocht zien, en zij het hem heel duidelijk maken kon, wat zij tot zijn redding gedaan had. „Mijn goede meester,” antwoordde hem Morgiane, „God en de heilige profeet beschermen u en uw huis. Gij zult u van dat, wat gij verlangt te weten, beter overtuigen, wanneer uw eigen oogen zien zullen, wat ik hun toonen wil. Wil de moeite nemen, om met mij mee te gaan.”Ali Baba volgde zijn dienstmaagd; deze slootde deur, bracht hem bij den eersten zak, en zeide toen: „Kijk eens in dezen zak, gij zult nog nooit zulke olie gezien hebben.”Ali Baba keek er in, en toen hij in den zak een man zag, schrok hij hevig, schreeuwde luid en sprong achteruit, alsof hij op een slang getrapt had.„Vrees niets,” zeide Morgiane tot hem, „de man, dien gij daar ziet, zal u geen kwaad meer doen. Hij heeft de maat zijner misdaden vol gemeten, maar thans kan hij niemand meer schade toevoegen, want hij is dood.”„Morgiane,” riep Ali Baba, „bij den verheven profeet! zeg mij, wat moet dat beteekenen?”„Ik wil het u verklaren,” zei Morgiane, „maar matig de uitbarstingen uwer verbazing en prikkelniet de nieuwsgierigheid der buren, opdat zij niet een zaak vernemen, welke voor uw eigen bestwil geheim moet blijven. Kijk echter eerst nog even naar de andere zakken.”Ali Baba keek op de rij af in alle zakken, van den eersten tot den laatsten, waarin de olie zat, welke zichtbaar verminderd was. Toen hij nu alle had nagezien, bleef hij als vastgeworteld staan, terwijl hij zijn oogen nu eens op de zakken, dan weer op Morgiane richtte, en zoo groot was zijn verbazing, dat hij langen tijd geen woord spreken kon. Eindelijk herstelde hij zich en vroeg toen: „Maar wat is er van den koopman geworden?”„De koopman,” antwoordde Morgiane, „is net zoo min een koopman, als ik een koopmansvrouw ben. Ik wil u zeggen, wat hij is, en waarheen hij gevlucht is. Doch gij zult deze geschiedenis veel gemakkelijker op uw kamer kunnen aanhooren, want uw gezondheid vordert, dat gij thans, nu gij uit het bad gekomen zijt, wat vleeschsoep gebruikt.”Terwijl Ali Baba zich nu naar zijn kamer begaf, haalde Morgiane de vleeschsoep uit de keuken en bracht ze hem; Ali Baba zeide echter, eer hij aanving: „Begin nu dadelijk mijn ongeduld te bevredigen, en vertel mij deze vreemde geschiedenis in alle bijzonderheden.”Morgiane vervulde den wensch van haar meester en begon aldus: „Heer, gisterenavond,toen gij reeds naar bed gegaan waart, bracht ik, gelijk u bevolen had, uw baddoeken in orde en gaf ze aan Abdallah. Toen plaatste ik den pot voor de vleeschsoep op het vuur, en terwijl ik deze afschuimde, ging plotseling de lamp uit, wijl er geen olie meer in was. In de kruik was geen druppel meer te vinden, en evenmin kon ik een stukje kaars bekomen. Abdallah, die mijn verlegenheid bemerkte, herinnerde mij aan de volle oliezakken in den hof, want hij twijfelde er evenmin aan als gij en ik, dat het zulke waren. Ik nam alzoo mijn oliekruik, en liep er mee naar den eersten zak den besten. Toen ik daar dicht bij was, klonk er mij een stem uit tegen, die mij vroeg: „Is 't tijd?” Ik schrok niet, maar begreep terstond de boosheid van den valschen koopman en antwoordde zonder dralen: „Nog niet, maar spoedig.” Ik ging naar den tweeden zak, en een andere stem deed mij dezelfde vraag, waarop ik hetzelfde antwoord teruggaf. Zoo ging ik dan van den eenen zak naar den anderen, immer weer dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, en eerst in den laatsten zak vond ik olie, waarmee ik mijn kruik vulde. Toen ik nu overlegde, dat zich midden in uw hof zeven en dertig roovers bevonden, die slechts op een teeken of bevel van hun aanvoerder, dien gij voor een koopman hieldt en zoo gastvrij opgenomen hadt, wachtten om het heele huis leeg te plunderen, toen geloofde ik, dat hiergeen tijd te verliezen was. Ik bracht daarom mijn kruik terug, stak de lamp aan, nam den grootsten ketel uit de heele keuken en vulde hem met olie. Daarna hing ik hem over het vuur en toen de olie goed kookte, goot ik in elken zak, waarin een roover zat, zooveel olie, als voldoende was, om hun de uitvoering van het verderfelijk plan, dat hen hierheen gevoerd had, te verhinderen. Nadat nu de zaak een zoodanig verloop genomen had, als ik mij had voorgesteld, keerde ik naar de keuken terug, deed de lamp uit, en alvorens naar bed te gaan, begon ik kalm door het venster toe te zien, wat de valsche oliehandelaar thans wel doen zou. Na een poos hoorde ik, dat hij, om zijn mannen te waarschuwen, kleine steentjes uit het venster en juist op de zakken wierp. Hij herhaalde dit eenige keeren, maar toen hij niets zag bewegen, en niets hoorde, ging hij naar beneden, en ik zag hem van den eenen zak naar den anderen gaan, totdat ik hem in de duisternis van den nacht uit het oog verloor. Toch wachtte ik nog eenigen tijd, maar toen ik hem niet meer zag terugkomen, twijfelde ik er niet meer aan, of hij was, uit wanhoop over zijn mislukten aanslag, door den tuin ontvlucht. Nadat ik er mij nu van overtuigd had, dat het huis in veiligheid was, begaf ik mij te bed. Dit is nu,” voegde Morgiane er ten slotte aan toe, „de geschiedenis waarnaar gij gevraagd hebt, en ik ben overtuigd,dat zij te zamen hangt met een omstandigheid, welke ik eenige dagen geleden ervoer, maar welke ik toen meende, u nog niet te moeten meedeelen. Toen ik namelijk eens heel vroeg 's morgens van een gang naar de stad terugkeerde, zag ik dat onze huisdeur wit aangestreept was, en den dag daarop ontdekte ik een rood teeken. Daar ik nu echter niet begreep, met welk doel dit geschied was, gaf ik elke maal twee of drie huizen aan beide kanten van het onze, een zelfde teeken, op dezelfde plaats. Wanneer gij dit nu met de geschiedenis van den laatsten nacht in verband brengt, dan zult gij vinden, dat alles door de roovers in het bosch uitgevoerd is, wier bende intusschen, ik weet niet waardoor, met twee koppen verminderd is. Hoe dit ook wezen mag, in 't ergste geval zijn er nu nog slechts drie in leven. Dit bewijst, dat zij uwen ondergang gezworen hebben, en dat gij bijzonder op uw hoede moet zijn, zoolang men weet, dat een er van nog in leven is. Ik voor mijn persoon zal niets nalaten, om volgens mijn plicht voor uw veiligheid te waken.”Toen Morgiane uitgesproken had, zag Ali Baba wel in, welken gewichtigen dienst zij hem bewezen had, en hij zei vol dankbaarheid tot haar: „Ik wil niet sterven alvorens ik je naar verdienste beloond heb. Jou heb ik mijn leven te danken, en om je terstond een bewijs van erkentelijkheid te geven, schenk ik je van dit oogenblikaf de vrijheid, behoud me echter voor, nog verder aan je te denken. Ook ik ben overtuigd, dat de veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben; God, de almachtige en albarmhartige, heeft me door jou hand bevrijd; ik hoop, dat hij mij ook verder voor hun boosheid beschermen, dat hij ze geheel van mijn hoofd afwenden, en de wereld van de vervolgingen van dit vervloekte adderengebroed bevrijden zal. Doch voor alles moeten wij thans de lijken van deze uitgeworpenen van het menschengeslacht begraven, maar in alle stilte, opdat niemand iets van hun lot vermoeden kan; daar wil ik met Abdallah voor zorgen.”Ali Baba's tuin was zeer lang, en van achteren door hooge boomen begrensd. Zonder te dralen ging hij met zijn slaaf naar deze boomen, om daaronder een langen en breeden kuil te graven, zooals voor de lijken, die er in gelegd moesten worden, noodig was. De grond was gemakkelijk om te woelen, en zij gebruikten ook niet lang tijd voor hun werk. Zij trokken nu de lijken uit de leeren zakken te voorschijn, legden de wapens, waarvan de roovers voorzien waren, ter zijde, sleepten toen de lijken naar het einde van den tuin, legden ze op een rij in den kuil, spreidden de uitgegraven aarde er over uit, en verstrooiden toen de overige aarde in den tuin, zoodat de grond weer zoo gelijk werd als te voren. De oliezakken en de wapens liet Ali Baba zorgvuldigverbergen, de muilezels echter, die hij nergens toe gebruiken kon, zond hij bij gedeelten naar de markt en liet ze door zijn slaaf verkoopen.Terwijl Ali Baba nu al deze maatregelen nam, om de wijze, waarop hij in zoo korten tijd rijk geworden was, niet bekend te doen worden, was de hoofdman der veertig roovers met bitter harteleed in het bosch teruggekeerd. Deze ongelukkige afloop der zaak, welke al zijn verwachtingen den bodem insloeg, trof hem zoodanig, en maakte hem zoo verbijsterd, dat hij er onderweg niet over denken kon, wat hij nu tegen Ali Baba zou ondernemen, maar zonder te weten hoe, in zijn hol terugkwam.Verschrikkelijk kwam het hem voor, toen hij zich nu in dit sombere verblijf alleen zag. „Gij wakkere mannen,” riep hij uit, „deelgenooten mijner doorwaakte nachten, mijner omzwervingen en mijner pogingen, waar zijt gij? Wat kan ik zonder u doen? Heb ik u alleen daarom bijeengebracht en uitverkoren, om u opeens door een zoo ongelukkig noodlot te zien omkomen? Ik zou u minder beklagen, wanneer gij, met de sabel in de vuist, als dappere mannen gestorven waart. Wanneer zal ik ooit weer zulk een schaar van dappere mannen, als gij waart, bijeen kunnen brengen? En wanneer ik het ook al wilde, kan ik het wel beproeven, zonder al dit goud en zilver, al deze schatten dengeneals buit te moeten overlaten, die zich reeds met een deel er van verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken, alvorens ik hem het leven benomen heb. Wat ik met uw machtige hulp niet vermocht uit te voeren, moet ik thans heel alleen doen, en wanneer ik nu den schat voor plundering behoed zal hebben, wil ik er ook voor zorgen, dat het hem na mij niet aan een dapperen meester ontbreken zal, opdat hij voortdurend in stand blijven en zich vermeerderen moge.” Nadat hij dit besluit genomen had, was hij omtrent de middelen om het uit te voeren, niet verlegen; zijn hart werd weer rustig; hij gaf zich weer aan schoone verwachtingen over, en zonk in een diepen slaap.Den volgenden morgen stond de rooverhoofdman reeds vroeg op, trok rijke kleeren aan, ging naar de stad en nam zijn intrek in een hotel. Daar hij verwachtte, dat het voorgevallene bij Ali Baba veel opzien gebaard zou hebben, zoo vroeg hij eens den portier in een gesprek, of er niets nieuws in de stad was, en deze deelde hem allerlei zaken mee, maar niet dat, wat hij wenschte te weten. Hij trok daaruit het besluit, dat Ali Baba alleen daarom de zaak geheim hield, wijl hij niet bekend wilde laten worden, dat hij iets van den schat afwist en het geheim kende om hem te vinden; ook vermoedde hij waarschijnlijk wel, dat men hem alleen daarom naar het leven stond. Dit versterkte hem in zijn voornemen,alles te doen, om hem op een even geheimzinnige wijze uit den weg te ruimen. De rooverhoofdman voorzag zich van een paard, waarmee hij meerdere malen een tocht naar het bosch maakte, om verschillende soorten van kostbare zijdenstoffen en fijne sluiers in zijn woning te brengen; daarbij nam hij de noodige maatregelen, om de plaats waar hij ze vandaan haalde, geheim te houden. Toen hij nu zooveel waren, als hij meende noodig te hebben, bijeen had, zocht hij een winkel, om ze te verkoopen; hij vond er ook een, huurde hem, richtte hem in en betrok hem daarna. Tegenover hem bevond zich de winkel, welke vroeger aan Casim behoord had, maar sedert eenigen tijd door Ali Baba's zoon in bezit genomen was.De rooverhoofdman, die den naam van Chogia Hoesein aangenomen had, verzuimde niet, als nieuweling, naar 's lands gebruik, den kooplieden, die zijn buren waren, een bezoek te brengen. Daar Ali Baba's zoon nog jong, goed ontwikkeld en verstandig was, en hij vaker gelegenheid had met hem te spreken dan met andere kooplieden, sloot hij spoedig vriendschap met hem. Hij zocht zijnen omgang des te ijveriger, als hij drie of vier dagen na opening van zijn winkel, Ali Baba weder herkende, die zijn zoon bezocht, en gelijk hij van tijd tot tijd placht te doen, zich een langen tijd met hem onderhield. Toen hij nu nog van den jongeling vernam, datAli Baba zijn vader was, verdubbelde hij zijn vriendelijkheid jegens hem, gaf hem kleine geschenken, en noodigde hem meermalen aan zijn tafel.Ali Baba's zoon meende deze hoffelijkheid van Chogia Hoesein te moeten beantwoorden; daar hij zelf echter zeer klein gehuisvest was, en niet zoo gemakkelijk ingericht was, om hem gelijk hij wenschte, te onthalen, zoo sprak hij daarover met zijn vader Ali Baba, en zeide hem, dat het wel niet zou passen, als hij nog langer de beleefdheden van Chogia Hoesein onbeantwoord liet. Ali Baba nam met genoegen op zich den vreemdeling te onthalen. „Mijn zoon,” zeide hij, „morgen is 't Vrijdag, en daar de groote kooplieden, zooals Chogia Hoesein en gij, op dien dag hun winkels gesloten houden, kunt gij morgen namiddag met hem een wandeling doen, en het dan op den terugweg zoo inrichten, dat gij hem voorbij mijn huis voert, en hem verzoekt, binnen te treden. Het is beter dat het zoo geschiedt, dan dat gij hem vormelijk uitnoodigt. Ik zal Morgiane de opdracht geven, dat zij een avondeten gereed houdt.”Vrijdags namiddag troffen Ali Baba's zoon en Chogia Hoesein elkander werkelijk op de afgesproken plaats, en deden tezamen een wandeling. Op den terugweg bracht Ali Baba's zoon zijn vriend met opzet door de straat, waarin zijn vader woonde, en toen zij voor de huisdeurstonden, bleef hij staan, klopte aan en zeide tot hem: „Dit is het huis mijns vaders; daar ik hem reeds veel verteld heb van de vriendschappelijke wijze, waarop gij steeds met mij omgaat, zoo heeft hij mij opgedragen, hem de eer te verschaffen, met u kennis te maken. Ik verzoek u dus nu, 't aantal uwer oplettendheden jegens mij met deze ééne nog te vermeerderen.”Ofschoon nu Chogia Hoesein het doel bereikt had, waarnaar hij streefde, namelijk toegang tot Ali Baba's huis te verkrijgen en hem zonder eigen gevaar en zonder veel drukte te dooden, uitte hij nochtans allerlei verontschuldigingen, en deed alsof hij van den zoon afscheid wilde nemen; daar echter op dit oogenblik Ali Baba's slaaf de deur opende, zoo nam de zoon hem vriendelijk bij de hand, ging vooraan, en dwong hem als 't ware, met hem mee naar binnen te gaan.Ali Baba ontving Chogia Hoesein met een vriendelijk gezicht en zoo goed, als deze 't slechts wenschen kon. Hij bedankte hem voor de goedheid, zijn zoon bewezen, en zeide toen: „Wij zijn u beiden daarvoor des te grooteren dank schuldig, daar hij nog een jonge, in de wereld onervaren man is, en gij het niet beneden uwe waardigheid geacht hebt, aan zijn opvoeding mede te werken.” Chogia Hoesein beantwoordde Ali Baba's beleefdheden door andere en verzekerde hem tevens, al ontbrak het zijn zoonaan de ervaring van grijsaards, zoo bezat hij toch een gezond verstand, dat zooveel waard was, als de ervaring van duizend anderen.Nadat zij zich een tijd lang over allerlei onverschillige zaken onderhouden hadden, wilde Chogia Hoesein afscheid nemen; dat gedoogde Ali Baba echter niet. „Mijnheer,” zeide hij tot hem, „waarheen wilt gij gaan? Ik bid u, bewijs mij de eer, het avondeten bij mij te gebruiken. Het maal, dat ik u wil geven, is wel niet zoo schitterend, als gij het verdient; maar ik hoop, dat gij het, zooals het is, met een even zoo goed hart wilt aannemen, als ik het u bied.”„Mijnheer,” antwoordde Chogia Hoesein, „ik ben van uw goede meening volkomen overtuigd, en wanneer ik u verzoek, het mij niet kwalijk te nemen, dat ik uw hoffelijke uitnoodiging niet aanneem, dan verzoek ik u tevens te gelooven, dat dit noch uit minachting, noch uit onbeleefdheid geschiedt, maar wijl ik er een bijzondere reden voor heb, welke gij zoudt billijken, als gij haar kende.”„En wat kan deze reden wel zijn?” antwoordde Ali Baba, „mag ik die dan van u weten?”„Ik kan ze u wel zeggen,” sprak Chogia Hoesein; „ik eet namelijk vleesch, noch andere gerechten, waarin zout is; gij kunt dus nu begrijpen, welke rol ik aan uw tafel zou spelen.”„Wanneer gij geen andere reden hebt,” ging Ali Baba nu dringender voort, „dan zal dezemij gewis niet van de eer berooven, u hedenavond aan mijn tafel te zien zitten, of gij moest wat anders te doen hebben. Ten eerste is er in het brood, dat wij eten, geen zout, en wat het vleesch en de soep betreft, zoo beloof ik u, dat in dat, wat u voorgezet zal worden, eveneens geen zout komen zal. Ik wil terstond de noodige bevelen geven; bewijs mij daarom de eer, bij mij te blijven; ik kom terstond weer terug.”Ali Baba ging naar de keuken, en beval Morgiane het vleesch, dat zij heden zou opdienen, niet te zouten, en behalve de gerechten, die hij reeds vroeger aan haar had opgegeven, snel nog twee of drie andere te bereiden, waarin geen zout was. Morgiane, die juist gereed stond het eten binnen te brengen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit nieuwe bevel te uiten, en zich daarover tegen Ali Baba uit te spreken: „Wie is dan,” zeide zij, „deze eigenzinnige man, die geen zout wil eten? Uw eten zal niet lekker meer zijn, als ik 't later opdien.”„Wordt maar niet boos, Morgiane,” antwoordde Ali Baba, „het is een rechtschapen man, doe daarom, wat ik je zeg.” Morgiane gehoorzaamde, maar met tegenzin, en de nieuwsgierigheid greep haar aan, om den man te leeren kennen, die geen zout wilde gebruiken. Toen zij het maal bereid en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem de spijzen opdragen. Terwijl zij nu Chogia Hoesein aanzag, herkendezij hem terstond, ondanks zijn vermomming, als den rooverhoofdman, en bij langer, opmerkzame beschouwing zag zij, dat hij onder zijn kleeren een dolk verborgen had. „Thans verbaas ik er mij niet meer over,” zeide zij in zichzelf, „dat deze heiden met mijn heer geen zout eten wil:3hij is zijn verbitterdste vijand en wilhem vermoorden; maar ik zal zijn voornemen wel verijdelen.”Zoodra Morgiane met Abdallah de spijzen opgediend had, gebruikte zij den tijd, dat de heeren aten, om de noodige voorbereiding te treffen tot uitvoering van een plan, dat van meer dan gewonen moed getuigde, en zij was juist daarmee klaar, toen Abdallah haar meldde, dat het tijd was de vruchten te brengen. Zoodra Abdallah de tafel afgeruimd had, diende zij de vruchten op. Daarna plaatste zij naast Ali Baba een klein tafeltje, en zette daarop wijn en drie schalen neer; toen ging zij met Abdallah heen,—als wilde zij met hem het avondmaal gaan gebruiken,—om Ali Baba niet te storen, opdat hij zich met zijn gast aangenaam onderhouden, en hem naar zijn gewoonte aansporen kon, zich den wijn te laten smaken.Thans geloofde de valsche Chogia Hoesein, of liever de hoofdman der veertig roovers, dat hetgunstige oogenblik gekomen was, om Ali Baba het leven te ontnemen. „Ik wil,” zoo sprak hij tot zichzelf, „vader en zoon dronken maken, en de zoon, wien ik gaarne het leven schenk, zal mij niet beletten, zijn vader den dolk in 't hart te stooten; dan wil ik, gelijk de eerste maal, door den tuin ontvluchten, terwijl de keukenmeid en de slaaf nog aan hun avondmaal zitten, of in de keuken ingeslapen zijn.”Morgiane echter, had het voornemen van den valschen Chogia Hoesein doorzien, en liet hem geen tijd zijn boosaardig plan uit te voeren. Inplaats van te gaan avondmalen, trok zij een bekoorlijk danscostuum aan,koos er een passenden haartooi bij uit, deed een gordel van verguld zilver om, en bevestigde daaraan een dolk, welks scheede en gevest van hetzelfde metaal waren; voor haar gezicht hing zij een zeer schoon masker. Nadat zij zich aldus verkleed had, zeide zij tot Abdallah: „Abdallah, neem je tamboerijn en laat ons naar binnen gaan, om voor den gast van onzen meester, den vriend van zijn zoon, de vroolijke dansen uit te voeren, die wij menigmaal des avonds voor hem ten beste geven.” Abdallah nam de tamboerijn, ging, daarop spelend, voor Morgiane uit en trad zoo in de zaal. Achter hem kwam Morgiane, die op een hoogst ongedwongen en bevallige wijze diep boog, net als had zij de toestemming, hare kunsten te vertoonen. Daar Abdallah zag, dat Ali Baba wilde spreken, hield hij op met trommelen.„Treed nader, Morgiane,” zeide Ali Baba.„Chogia Hoesein mag oordeelen, of gij iets kunt, en ons dan zijn meening daarover zeggen.” Vervolgens zeide hij, tot Chogia Hoesein gewend, „gij moet niet gelooven, mijnheer, dat ik groote onkosten gemaakt heb, om u dit genoegen te bereiden. Ik vind het in mijn eigen huis, en gij ziet, dat het niemand anders dan een slaaf en mijn keukenmeid zijn, die mij op deze wijze opvroolijken. Ik hoop, dat het u niet mishagen zal.”Chogia Hoesein had er niet op gerekend, dat Ali Baba op het maal nog dit vermaak zou latenvolgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij de gelegenheid, welke hij meende gevonden te hebben, toch niet zou kunnen gebruiken. Doch troostte hij zich voor dit geval met de hoop, dat er zich bij den voortgezetten, vriendschappelijken omgang met vader en zoon spoedig een nieuwe zou aanbieden. Ofschoon het hem nu veel aangenamer geweest zou zijn, wanneer Ali Baba hem van dit spel verschoond had, zoo hield hij zich nochtans, als was hij hem er zeer dankbaar voor, en was tevens beleefd genoeg hem te verklaren: „Alles, wat zijn vereerden gastvriend genoegen deed, moest noodwendig ook voor hem een genoegen zijn.”Toen Abdallah zag, dat Chogia Hoesein en Ali Baba ophielden met spreken, begon hij opnieuw op den tamboerijn te slaan en zong er tegelijk een dansliedje bij. Morgiane echter, die voor de geoefendste dansers en danseressen van het vak in vaardigheid niet onderdeed, danste op een wijze, die bij elk ander, dan juist bij 't hier aanwezige gezelschap, bewondering had moeten opwekken; de minste opmerkzaamheid schonk de valsche Chogia Hoesein wel aan haar kunst.
„Verder,” zei Baba Moestapha,„ben ik, voor zoover ik weet, niet gekomen,” en hij bevondzich werkelijk voor Casim's huis, waarin Ali Baba thans woonde. De roover maakte, alvorens hij hem den doek afnam, snel met een stuk krijt een teeken aan de deur, en toen hij hem van den doek ontdaan had, vroeg hij, of hij ook wist, aan wien dit huis toebehoorde. Baba Moestapha antwoordde, dat hij niet in deze buurt van de stad woonde, en kon hem ook niets naders meedeelen.
Toen de roover zag, dat hij van Baba Moestapha niets meer ervaren zou, bedankte hij hem voor zijn moeite en liet hem naar zijn winkel terugkeeren; hij zelf echter ging weer naar het bosch, in de vaste overtuiging, daar een goede ontvangst te zullen vinden.
Kort nadat de roover en Baba Moestapha afscheid van elkaar genomen hadden, ging Morgiane voor een boodschap Ali Baba's huis uit, en toen zij terugkwam, bemerkte zij het teeken, dat de roover aan de deur gemaakt had. Zij bleef staan en beschouwde het oplettend.
„Wat zou dat teeken wel beduiden?” vroeg zij zich af; „zou wellicht iemand iets kwaads tegen mijn meester in 't schild voeren, of zou het slechts voor de grap gedaan zijn? Dat mag nu zijn zoo het wil, het kan niet schaden, wanneer men zich voor elk geval beveiligt.” Zij nam terstond een stuk krijt, en daar de twee of drie voorafgaande en volgende deuren er bijna net zoo uitzagen, als hun huisdeur, maakte zij daaraanop dezelfde plaats een soortgelijk teeken, en ging toen in huis terug, zonder noch haar meester, noch diens vrouw er iets van te vertellen.
De roover zette intusschen zijn weg naar het bosch voort en kwam weldra bij het overige gezelschap terug. Hij gaf terstond verslag van den uitslag zijner reis, en prees hemelhoog zijn geluk, dat hij al dadelijk een man gevonden had, die hem dat, wat hem naar de stad voerde, verteld had, want hij had het van niemand anders kunnen hooren. Allen toonden er hun groote blijdschap over; de hoofdman echter nam het woord, en nadat hij zijn ijver geprezen had, sprak hij als volgt, tot de heele vergadering: „Kameraden, wij hebben geen tijd meer te verliezen; laat ons goed gewapend, maar zonder dat men het aan ons zien kan, opbreken, en om geen argwaan op te wekken, elk afzonderlijk, de een na den ander, in de stad gaan; komt daar van verschillende zijden op het marktplein bijeen, terwijl ik met onzen kameraad, die ons zooeven deze goede tijding gebracht heeft, het huis zal uitvorschen, om daarna de meest doeltreffende maatregelen te kunnen nemen.”
De rede van den hoofdman werd met grooten bijval beloond, en de roovers waren weldra reisvaardig. Twee aan twee trokken zij nu van daar, en doordat zij steeds op behoorlijken afstand van elkander gingen, bereikten zij, zondereenige verdenking op te wekken, de stad. De hoofdman en de roover, die er des morgens al geweest was, kwamen het allerlaatst aan. Deze voerde den hoofdman in de straat, waar hij Ali Baba's huis gemerkt had, en toen hij aan de eerste, door Morgiane gemerkte huisdeur kwam, maakte hij hem daarop opmerkzaam, en zeide, dat was de rechte. Toen zij echter, om zich niet verdacht te maken, verder gingen, bemerkte de hoofdman, dat de daarop volgende deur eveneens hetzelfde kenteeken, op dezelfde plaats vertoonde; hij wees het daarom zijn geleider aan, en vroeg hem, of het dit huis was of het vorige. De roover geraakte in verlegenheid, en wist niets te antwoorden, en vooral niet, toen hij en de hoofdman zagen, dat de vier of vijf volgende deuren alle hetzelfde teeken hadden. Hij verzekerde den hoofdman met een eed, dat hij slechts een enkele gemerkt had, en voegde er toen bij: „Het is mij onverklaarbaar, wie de andere precies op dezelfde wijze mag gemerkt hebben, maar ik moet bij deze verwarring erkennen, dat ik niet meer kan aanwijzen, wat ik zelf geteekend heb.” Toen de hoofdman zijn plan aldus verijdeld zag, begaf hij zich naar de markt, en liet zijn lieden door den eersten den besten die hem tegenkwam, zeggen, dat zij ditmaal een vergeefschen tocht gedaan hadden, en hun niets anders overbleef, dan den terugweg naar hun gemeenschappelijk toevluchtsoordin te slaan. Hij zelf ging vooraan, en de anderen volgden hem in dezelfde orde, als zij gekomen waren.
Nadat de bende zich in het bosch weder verzameld had, verhaalde de hoofdman, waarom hij hen weer had doen terugkeeren. Terstond werd de gids eenstemmig des doods schuldig verklaard; ook erkende hij zelf, dat hij het verdiend had, wijl hij betere voorzorgsmaatregelen had moeten nemen; en zonder vrees onderging hij zijn lot.
Daar het voor het welzijn der bende van groot belang was, de schade, welke haar toegebracht was, niet ongewroken te laten, zoo trad een ander roover naar voren, beloofde, dat het hem beter gelukken zou, dan zijn voorganger, en verzocht als een gunst hem deze taak op te dragen. Het werd hem toegestaan; hij ging naar de stad, kocht Baba Moestapha om, zooals zijn voorganger gedaan had, en Baba Moestapha voerde hem geblinddoekt voor Ali Baba's huis. De roover kenmerkte het op een weinig zichtbare plaats met rood krijt, in de hoop, dat hij het op deze wijze steeds van de wit gemerkte huizen zou kunnen onderscheiden.
Maar spoedig daarna ging Morgiane evenals den vorigen dag het huis uit, en toen zij terugkwam, ontging het roode teeken haren scherpzienden oogen niet. Zij kwam weer op dezelfde gedachte, als bij het witte teeken, en maakteterstond aan de deuren der naburige huizen, en wel op dezelfde plaats hetzelfde teeken met rood krijt.
De roover keerde intusschen naar zijn kameraden in het bosch terug, vertelde, welken maatregel hij genomen had, en zeide, dat het thans onmogelijk was het door hem gemerkte huis met andere te verwisselen. De hoofdman en zijn lieden geloofden met hem, dat de zaak thans gelukken moest. Zij begaven zich daarom in dezelfde orde en met dezelfde voorzichtigheid, als de eerste maal. De hoofdmanvertrok daarom naarde stad, om het plan uit te voeren, dat zij verzonnen hadden. De hoofdman en de roover gingen terstond naar de straat, waar Ali Baba woonde, ontmoetten echter dezelfde moeilijkheid als de eerste maal. De hoofdman werd daarom vertoornd, en de roover geraakte in dezelfde ontsteltenis als degene, die vóór hem deze opdracht vervuld had. De hoofdman zag zich dus genoodzaakt, evenzoo onvoldaan als den eersten keer, nog denzelfden dag met zijn mannen den terugtocht aan te nemen. De roover, die aan het mislukken van het plan schuld was, onderging de straf, aan welke hij zich vrijwillig onderwierp.
Daar nu de hoofdman zijn bende met twee flinke mannen verminderd zag, vreesde hij, dat zij nog meer zou afnemen, als hij voortging, bij de navorsching van Ali Baba's huis, zich opanderen te verlaten. Hun voorbeeld bewees hem, dat zij meer tot koene wapendaden geschikt waren, dan tot zulke ondernemingen, waarbij men met verstand en list te werk moest gaan. Hij nam daarom de zaak zelf ter hand en ging naar de stad, waar Baba Moestapha hem denzelfden dienst bewees, als den beiden afgezanten zijner bende; hij maakte echter geen teeken aan Ali Baba's huis, maar liep er verscheidene malen voorbij, en nam het nauwkeurig op, om zich niet weer te kunnen vergissen.
Nadat hij zich nu van alles, wat hij wenschte, op de hoogte gesteld had, ging de rooverhoofdman, zeer tevreden over zijn reis, naar het bosch terug, en toen hij in het rotshol aankwam, waar de heele bende hem wachtte, zeide hij tot hen: „Kameraden, thans kan ons niets meer verhinderen, volle wraak te nemen over de boosheid, welke aan ons begaan is. Ik ken het huis van den schurk, dien onze wraak treffen zal, heel precies, en heb onderweg op middelen gezonnen, de zaak zoo sluw aan te pakken, dat niemand noch van onze schuilplaats, noch van onzen schat iets zal vermoeden; want dit is het hoofddoel, dat wij bij onze onderneming voor oogen moeten hebben, anders zou ze ons in het verderf storten. Luistert nu,” ging de hoofdman voort, „wat ik bedacht heb, om dit doel te bereiken. Wanneer ik u mijn plan ontvouwd zal hebben, en één van u een betermiddel weet, zoo mag hij het ons dan mededeelen.” Terstond legde hij hun nu uit, hoe hij de zaak dacht aan te vatten, en toen allen hem hun bijval te kennen gegeven hadden, beval hij hun, zich in de omliggende dorpen en gehuchten, en ook in de stad te verstrooien, en negentien muilezels te koopen, benevens acht en dertig groote lederen oliezakken, één er van vol, de andere echter leeg.
Binnen twee of drie dagen hadden de roovers alles bijeen. Daar de leeren zakken bij de opening voor zijn doel iets te nauw waren, liet de hoofdman ze een beetje verwijden, en nadat hij in elken zak een zijner mannen, van de noodige wapens voorzien, had laten kruipen, waarbij nochtans een losgetornde scheur open bleef, opdat zij vrij konden ademhalen, maakte hij de zakken zoodanig dicht, dat men moest aannemen, dat er olie in was; om de bedrieglijkheid nog grooter te maken, besmeerde hij ze van buiten met olie, die hij uit den vollen zak genomen had.
Nadat dit volvoerd was, en hij de zeven en dertig roovers, ieder in een zak zittend, benevens den met olie gevulden zak op de muilezels geladen had, vertrok de hoofdman op den bepaalden tijd met deze naar de stad, en kwam daar in de avondschemering, ongeveer een uur na zonsondergang, aan. Hij ging de poort door, en regelrecht naar Ali Baba's huis toe, met hetdoel, bij hem aan te kloppen en van de gastvrijheid des eigenaars, voor zich en zijn muildieren een nachtverblijf te verzoeken. Hij behoefde niet aan te kloppen, want Ali Baba zat voor zijn huisdeur om na het avondeten frissche lucht te scheppen. Hij liet daarom zijn muilezel halt houden, wendde zich tot Ali Baba en zei tegen hem: „Mijnheer, ik breng de olie, welke gij hier ziet, uit verre gewesten mee, om ze morgen op de markt te verkoopen, maar wijl het reeds zoo laat is, weet ik niet, waar ik een onderkomen moet vinden. Wanneer het u niet te lastig is, zou ik u wel willen verzoeken, zoo vriendelijk te zijn, mij voor dezen nacht in uw huis op te nemen; ik zou er u zeer dankbaar voor zijn.” Ofschoon Ali Baba den man, die thans tegen hem sprak, reeds in het bosch gezien had, en ook had hooren spreken, kon hij hem toch in zijn oliehandelaarskleeding onmogelijk als den hoofdman der veertig roovers weder herkennen. „Wees welkom,” zeide hij tot hem, „en treed binnen.” Met deze woorden maakte hij voor hem plaats, zoodat hij, benevens zijn muilezels naar binnen kon gaan.
Ali Baba riep nu zijn slaaf, en beval hem, zoodra de muilezels afgeladen zouden zijn, ze niet alleen in den stal te brengen, maar hen ook van gerst en hooi te voorzien. Ook nam hij de moeite, naar de keuken te gaan en Morgiane op te dragen, voor den pas aangekomengast snel een goed avondeten te bereiden, en in een kamer een bed voor hem klaar te maken.
Ali Baba deed nog meer, om zijn gast veel eer te bewijzen. Toen hij namelijk zag, dat de rooverhoofdman zijn muilezels afgeladen had, en deze, zooals hij bevolen had, in den stal gebracht waren geworden, nam hij den vreemdeling, die den nacht onder den vrijen hemel scheen te willen doorbrengen, bij de hand, en geleidde hem naar de zaal, waar hij bezoeken placht te ontvangen, en verklaarde, dat hij niet zou toestaan, dat zijn gast in den hof zou overnachten. De rooverhoofdman bedankte voor die eer, terwijl hij zei, dat hij hem volstrekt geen last wilde aandoen; de ware reden was echter, dat hij dan des te beter zijn plan kon uitvoeren. Maar Ali Baba noodigde hem zoo hoffelijk en zoo dringend uit, dat hij niet langer weerstand kon bieden. Ali Baba hield dengene, die hem naar het leven stond, niet alleen zoo lang gezelschap, totdat Morgiane het avondeten opdroeg, maar onderhield zich met hem ook voortdurend nog over allerlei zaken, waarvan hij geloofde, dat zij hem genoegen deden, en verliet hem niet eerder, dan nadat hij met eten klaar was.
„Ik laat u thans alleen,” zeide hij toen tot hem, „wanneer gij het een of ander wenscht, moet gij het slechts zeggen; alles, wat in mijn huis is, staat u ten dienste.”
De rooverhoofdman stond tegelijk met AliBaba op en vergezelde hem tot aan de deur. Terwijl Ali Baba nu naar de keuken ging, om met Morgiane te spreken, begaf hij zich naar den hof, onder voorwendsel, dat hij in den stal wilde nazien, of het zijn muilezels aan niets ontbrak.
Nadat Ali Baba Morgiane opnieuw aangemaand had, voor zijn gast zoo goed mogelijk te zorgen en het hem aan niets te laten ontbreken, voegde hij er bij: „Morgiane, ik wil je nu alleen nog zeggen, dat ik morgen vroegtijdig een bad neem; maak mijn badhanddoeken in orde en geef ze Abdallah—zoo heette namelijk zijn slaaf,—bezorg mij vervolgens een goede vleeschsoep, wanneer ik thuis kom.” Nadat hij haar deze bevelen gegeven had, ging hij naar bed.
Ondertusschen gaf de rooverhoofdman zijnen mannen in den stal zijn bevelen, wat zij te doen hadden. Van den eersten tot den laatsten zak zeide hij tot ieder: „Wanneer ik van uit mijn slaapkamer kleine steentjes naar beneden werp, snijdt dan met het mes, dat gij bij je draagt, den zak van boven tot beneden open en kruip er uit; ik zal dan spoedig bij u komen.”
Het mes, waarvan hij sprak, was voor dit doel opzettelijk gepunt en geslepen. Nadat dit geschied was, keerde hij terug, en zoodra hij zich bij de keukendeur vertoonde, nam Morgiane een licht, bracht hem naar de voor hem ingerichtekamer, en liet hem daar alleen, nadat zij nog eerst gevraagd had, of hij niets meer te wenschen had. Om geen argwaan te wekken, blies hij spoedig daarop het licht uit en legde zich geheel aangekleed neder, opdat hij terstond na den eersten slaap weer zou kunnen opstaan.
Morgiane vergat Ali Baba's bevel niet. Zij bracht zijn baddoeken in orde, gaf ze aan Abdallah, die nog niet was gaan slapen, en plaatste den pot voor de vleeschsoep op het vuur. Terwijl zij nu den pot afschuimde, ging plotseling de lamp uit. In 't heele huis was geen olie meer, en toevallig ook geen enkele kaars voorradig. Wat moest zij nu beginnen? Om haren pot af te schuimen, moest zij er noodzakelijk helder licht bij hebben. Zij deelde hare verlegenheid aan Abdallah mede, die haar ten antwoord gaf: „Ja, daar zit niets anders op, dan dat je uit een van de zakken beneden op den hof wat olie neemt.” Morgiane bedankte Abdallah voor dien raad, en terwijl hij zich neerlegde naast Ali Baba's kamer, om hem later naar het bad te vergezellen, nam zij de oliekruik, en ging er mee naar den hof. Toen zij bij den eersten zak kwam, vroeg de roover, die daarin verborgen zat, heel zacht: „Is 't tijd?” Ofschoon de roover zacht gesproken had, zoo schrok Morgiane van deze stem toch des te meer, wijl de rooverhoofdman, nadat hij zijn muilezels afgeladenhad, niet alleen dezen zak, maar ook alle overige open gemaakt had, om zijn mannen frissche lucht te verschaffen. Dezen verkeerden bovendien toch in een zeer slechten toestand, ofschoon zij konden adem halen.
Iedere andere slavin dan Morgiane, ofschoon zij inderdaad niet weinig verrast was, inplaats van de gezochte olie, een man in den zak te vinden, had nu waarschijnlijk alarm gemaakt, en wellicht een groot ongeluk veroorzaakt. Morgiane echter was veel verstandiger dan haar lotgenooten. Zij begreep terstond, hoe gewichtig het was, de zaak geheim te houden, in welk groot gevaar Ali Baba met zijne familie en zijzelf zweefde, en dat zij thans noodzakelijk zoo snel mogelijk en zonder eenige drukte haar maatregelen nemen moest. Zij bezat een scherp verstand, zoodat zij spoedig de middelen daarvoor bedacht had. Zij beheerschte zich op hetzelfde oogenblik en zonder den minsten schrik te verraden, antwoordde zij, alsof zij de rooverhoofdman was: „Nog niet, maar spoedig!” Daarop naderde zij den tweeden zak, waar zij dezelfde vraag hoorde, en zoo vervolgens, tot zij bij den laatsten kwam, waarin de olie was; zij gaf op elke vraag steeds hetzelfde antwoord.
Morgiane begreep daaruit nu, dat haar meester Ali Baba niet, zooals hij geloofde, een oliehandelaar, maar zeven en dertig roovers, benevens hun hoofdman, den verkleeden koopman,in zijn huis herbergde. Zij vulde daarom in alle stilte haar kruik met olie, welke zij uit den laatsten zak nam, keerde daarop naar de keuken terug, en nadat zij olie in de lamp gedaan en haar weer aangestoken had, nam zij een grooten ketel, ging weder naar den hof, en vulde hem met olie uit den zak. Daarna ging zij terug naar de keuken, en zette den ketel op een kolossaal vuur, waarop zij voortdurend versch hout schoof, want hoe eerder de olie begon te koken, hoe eerder zij ook het plan kon uitvoeren, dat zij tot gemeenschappelijk welzijn van het huis ontworpen had, en dat geen uitstel toeliet. Toen eindelijk de olie kookte, nam zij den ketel en goot in elken zak, van den eersten tot den laatsten, zooveel kokende olie, als noodig was, om de roovers te doen stikken en te dooden.
Nadat Morgiane deze daad, welke haren moed alle eer aandeed, even stil uitgevoerd als uitgedacht had, keerde zij met den leegen ketel in de keuken terug en deed haar op slot. Toen doofde zij het vuur uit, dat zij eerst aangestoken had, en liet alleen zooveel over, als noodig was om de vleeschsoep voor Ali Baba te koken. Ten slotte blies zij ook de lamp uit, en hield zich doodstil, want zij was besloten, niet eerder naar bed te gaan, dan tot zij door een keukenvenster, dat op den hof uitzag, zooveel als de duisternis van den nacht het veroorloofde, alles had waargenomen, dat soms gebeuren zou. Morgiane hadnog geen kwartier gewacht, toen de rooverhoofdman ontwaakte. Hij stond op, opende het venster, keek naar buiten, en daar hij nergens meer licht bespeurde, maar overal in het huis diepe rust en stilte zag heerschen, zoo gaf hij het afgesproken teeken, terwijl hij kleine steentjes naar beneden wierp. Meerdere daarvan vielen, zooals hij zich door het geluid overtuigen kon, op de leeren zakken. Hij luisterde begeerig, maar hoorde of merkte niets, waaruit hij had kunnen opmaken, dat zijn mannen zich in beweging zetten. Dit verontrustte hem, en hij wierp voor de tweede en voor de derde maal kleine steentjes naar beneden. Zij vielen op de zakken, maar geen der roovers gaf meer het minste levensteeken. Daar hij zich dit niet verklaren kon, ging hij in de grootste ontsteltenis en zoo zacht mogelijk naar den hof, en naderde den eersten zak; toen hij echter den daarin zich bevindenden roover wilde vragen, of hij sliep, kwam hem een geur van heete olie en van iets verbrands uit den zak tegen, en hij begreep daaruit, dat zijn plan tegen Ali Baba, hem te vermoorden, uit te plunderen en het aan zijn bende ontnomen goud weer mee te nemen, volkomen mislukt was. Hij ging nu naar den volgenden zak en zoo vervolgens tot aan den laatsten, en vond dat al zijn mannen op dezelfde wijze omgekomen waren. De vermindering der olie in den vollen oliezak bewees hem, vanwelke middelen men zich bediend had, om zijn plan te verijdelen. Thans, nu hij al zijn hoop vervlogen zag, stormde hij, met de wanhoop in het hart, de deur uit, welke uit den hof in Ali Baba's tuin voerde en vluchtte, waarbij hij over verschillende tuinmuren moest klimmen.
Toen Morgiane geen geruisch meer hoorde, en na geruimen tijd den rooverhoofdman niet meer zag terugkomen, twijfelde zij er niet meer aan, dat hij door den tuin gevlucht was; want door de huisdeur kon hij niet hopen te ontkomen,wijl zij dubbel op slot was. Ten hoogste verheugd, dat het haar zoo goed gelukt was, het heele huis te redden, ging zij eindelijk naar bed en sliep in.
Ali Baba ondertusschen stond voor dag en dauw op en ging, vergezeld van zijn slaaf, naar het bad. Hij had niet het geringste vermoeden van de vreeselijke gebeurtenis, welke, terwijl hij sliep, in zijn huis had plaats gehad, want Morgiane had het niet noodig gevonden, hem te wekken, wijl zij in het oogenblik van het gevaar geen tijd te verliezen had, en na afwending daarvan hem niet in zijn rust storen wilde. Toen Ali Baba uit het bad in zijn kamer terugkwam, en de zon reeds helder aan den hemel schitterde, verwonderde hij zich in hooge mate, de oliezakken nog op hun oude plaats te zien staan, en het was hem onbegrijpelijk, dat de koopman met zijn ezels niet naar de markt zou gegaan zijn. Hij vroeg er daarom Morgiane naar, die hem de deur opende, en alles zoo had laten staan en liggen, opdat hij het zelf mocht zien, en zij het hem heel duidelijk maken kon, wat zij tot zijn redding gedaan had. „Mijn goede meester,” antwoordde hem Morgiane, „God en de heilige profeet beschermen u en uw huis. Gij zult u van dat, wat gij verlangt te weten, beter overtuigen, wanneer uw eigen oogen zien zullen, wat ik hun toonen wil. Wil de moeite nemen, om met mij mee te gaan.”
Ali Baba volgde zijn dienstmaagd; deze slootde deur, bracht hem bij den eersten zak, en zeide toen: „Kijk eens in dezen zak, gij zult nog nooit zulke olie gezien hebben.”
Ali Baba keek er in, en toen hij in den zak een man zag, schrok hij hevig, schreeuwde luid en sprong achteruit, alsof hij op een slang getrapt had.
„Vrees niets,” zeide Morgiane tot hem, „de man, dien gij daar ziet, zal u geen kwaad meer doen. Hij heeft de maat zijner misdaden vol gemeten, maar thans kan hij niemand meer schade toevoegen, want hij is dood.”
„Morgiane,” riep Ali Baba, „bij den verheven profeet! zeg mij, wat moet dat beteekenen?”
„Ik wil het u verklaren,” zei Morgiane, „maar matig de uitbarstingen uwer verbazing en prikkelniet de nieuwsgierigheid der buren, opdat zij niet een zaak vernemen, welke voor uw eigen bestwil geheim moet blijven. Kijk echter eerst nog even naar de andere zakken.”
Ali Baba keek op de rij af in alle zakken, van den eersten tot den laatsten, waarin de olie zat, welke zichtbaar verminderd was. Toen hij nu alle had nagezien, bleef hij als vastgeworteld staan, terwijl hij zijn oogen nu eens op de zakken, dan weer op Morgiane richtte, en zoo groot was zijn verbazing, dat hij langen tijd geen woord spreken kon. Eindelijk herstelde hij zich en vroeg toen: „Maar wat is er van den koopman geworden?”
„De koopman,” antwoordde Morgiane, „is net zoo min een koopman, als ik een koopmansvrouw ben. Ik wil u zeggen, wat hij is, en waarheen hij gevlucht is. Doch gij zult deze geschiedenis veel gemakkelijker op uw kamer kunnen aanhooren, want uw gezondheid vordert, dat gij thans, nu gij uit het bad gekomen zijt, wat vleeschsoep gebruikt.”
Terwijl Ali Baba zich nu naar zijn kamer begaf, haalde Morgiane de vleeschsoep uit de keuken en bracht ze hem; Ali Baba zeide echter, eer hij aanving: „Begin nu dadelijk mijn ongeduld te bevredigen, en vertel mij deze vreemde geschiedenis in alle bijzonderheden.”
Morgiane vervulde den wensch van haar meester en begon aldus: „Heer, gisterenavond,toen gij reeds naar bed gegaan waart, bracht ik, gelijk u bevolen had, uw baddoeken in orde en gaf ze aan Abdallah. Toen plaatste ik den pot voor de vleeschsoep op het vuur, en terwijl ik deze afschuimde, ging plotseling de lamp uit, wijl er geen olie meer in was. In de kruik was geen druppel meer te vinden, en evenmin kon ik een stukje kaars bekomen. Abdallah, die mijn verlegenheid bemerkte, herinnerde mij aan de volle oliezakken in den hof, want hij twijfelde er evenmin aan als gij en ik, dat het zulke waren. Ik nam alzoo mijn oliekruik, en liep er mee naar den eersten zak den besten. Toen ik daar dicht bij was, klonk er mij een stem uit tegen, die mij vroeg: „Is 't tijd?” Ik schrok niet, maar begreep terstond de boosheid van den valschen koopman en antwoordde zonder dralen: „Nog niet, maar spoedig.” Ik ging naar den tweeden zak, en een andere stem deed mij dezelfde vraag, waarop ik hetzelfde antwoord teruggaf. Zoo ging ik dan van den eenen zak naar den anderen, immer weer dezelfde vraag en hetzelfde antwoord, en eerst in den laatsten zak vond ik olie, waarmee ik mijn kruik vulde. Toen ik nu overlegde, dat zich midden in uw hof zeven en dertig roovers bevonden, die slechts op een teeken of bevel van hun aanvoerder, dien gij voor een koopman hieldt en zoo gastvrij opgenomen hadt, wachtten om het heele huis leeg te plunderen, toen geloofde ik, dat hiergeen tijd te verliezen was. Ik bracht daarom mijn kruik terug, stak de lamp aan, nam den grootsten ketel uit de heele keuken en vulde hem met olie. Daarna hing ik hem over het vuur en toen de olie goed kookte, goot ik in elken zak, waarin een roover zat, zooveel olie, als voldoende was, om hun de uitvoering van het verderfelijk plan, dat hen hierheen gevoerd had, te verhinderen. Nadat nu de zaak een zoodanig verloop genomen had, als ik mij had voorgesteld, keerde ik naar de keuken terug, deed de lamp uit, en alvorens naar bed te gaan, begon ik kalm door het venster toe te zien, wat de valsche oliehandelaar thans wel doen zou. Na een poos hoorde ik, dat hij, om zijn mannen te waarschuwen, kleine steentjes uit het venster en juist op de zakken wierp. Hij herhaalde dit eenige keeren, maar toen hij niets zag bewegen, en niets hoorde, ging hij naar beneden, en ik zag hem van den eenen zak naar den anderen gaan, totdat ik hem in de duisternis van den nacht uit het oog verloor. Toch wachtte ik nog eenigen tijd, maar toen ik hem niet meer zag terugkomen, twijfelde ik er niet meer aan, of hij was, uit wanhoop over zijn mislukten aanslag, door den tuin ontvlucht. Nadat ik er mij nu van overtuigd had, dat het huis in veiligheid was, begaf ik mij te bed. Dit is nu,” voegde Morgiane er ten slotte aan toe, „de geschiedenis waarnaar gij gevraagd hebt, en ik ben overtuigd,dat zij te zamen hangt met een omstandigheid, welke ik eenige dagen geleden ervoer, maar welke ik toen meende, u nog niet te moeten meedeelen. Toen ik namelijk eens heel vroeg 's morgens van een gang naar de stad terugkeerde, zag ik dat onze huisdeur wit aangestreept was, en den dag daarop ontdekte ik een rood teeken. Daar ik nu echter niet begreep, met welk doel dit geschied was, gaf ik elke maal twee of drie huizen aan beide kanten van het onze, een zelfde teeken, op dezelfde plaats. Wanneer gij dit nu met de geschiedenis van den laatsten nacht in verband brengt, dan zult gij vinden, dat alles door de roovers in het bosch uitgevoerd is, wier bende intusschen, ik weet niet waardoor, met twee koppen verminderd is. Hoe dit ook wezen mag, in 't ergste geval zijn er nu nog slechts drie in leven. Dit bewijst, dat zij uwen ondergang gezworen hebben, en dat gij bijzonder op uw hoede moet zijn, zoolang men weet, dat een er van nog in leven is. Ik voor mijn persoon zal niets nalaten, om volgens mijn plicht voor uw veiligheid te waken.”
Toen Morgiane uitgesproken had, zag Ali Baba wel in, welken gewichtigen dienst zij hem bewezen had, en hij zei vol dankbaarheid tot haar: „Ik wil niet sterven alvorens ik je naar verdienste beloond heb. Jou heb ik mijn leven te danken, en om je terstond een bewijs van erkentelijkheid te geven, schenk ik je van dit oogenblikaf de vrijheid, behoud me echter voor, nog verder aan je te denken. Ook ik ben overtuigd, dat de veertig roovers mij dezen strik gespannen hebben; God, de almachtige en albarmhartige, heeft me door jou hand bevrijd; ik hoop, dat hij mij ook verder voor hun boosheid beschermen, dat hij ze geheel van mijn hoofd afwenden, en de wereld van de vervolgingen van dit vervloekte adderengebroed bevrijden zal. Doch voor alles moeten wij thans de lijken van deze uitgeworpenen van het menschengeslacht begraven, maar in alle stilte, opdat niemand iets van hun lot vermoeden kan; daar wil ik met Abdallah voor zorgen.”
Ali Baba's tuin was zeer lang, en van achteren door hooge boomen begrensd. Zonder te dralen ging hij met zijn slaaf naar deze boomen, om daaronder een langen en breeden kuil te graven, zooals voor de lijken, die er in gelegd moesten worden, noodig was. De grond was gemakkelijk om te woelen, en zij gebruikten ook niet lang tijd voor hun werk. Zij trokken nu de lijken uit de leeren zakken te voorschijn, legden de wapens, waarvan de roovers voorzien waren, ter zijde, sleepten toen de lijken naar het einde van den tuin, legden ze op een rij in den kuil, spreidden de uitgegraven aarde er over uit, en verstrooiden toen de overige aarde in den tuin, zoodat de grond weer zoo gelijk werd als te voren. De oliezakken en de wapens liet Ali Baba zorgvuldigverbergen, de muilezels echter, die hij nergens toe gebruiken kon, zond hij bij gedeelten naar de markt en liet ze door zijn slaaf verkoopen.
Terwijl Ali Baba nu al deze maatregelen nam, om de wijze, waarop hij in zoo korten tijd rijk geworden was, niet bekend te doen worden, was de hoofdman der veertig roovers met bitter harteleed in het bosch teruggekeerd. Deze ongelukkige afloop der zaak, welke al zijn verwachtingen den bodem insloeg, trof hem zoodanig, en maakte hem zoo verbijsterd, dat hij er onderweg niet over denken kon, wat hij nu tegen Ali Baba zou ondernemen, maar zonder te weten hoe, in zijn hol terugkwam.
Verschrikkelijk kwam het hem voor, toen hij zich nu in dit sombere verblijf alleen zag. „Gij wakkere mannen,” riep hij uit, „deelgenooten mijner doorwaakte nachten, mijner omzwervingen en mijner pogingen, waar zijt gij? Wat kan ik zonder u doen? Heb ik u alleen daarom bijeengebracht en uitverkoren, om u opeens door een zoo ongelukkig noodlot te zien omkomen? Ik zou u minder beklagen, wanneer gij, met de sabel in de vuist, als dappere mannen gestorven waart. Wanneer zal ik ooit weer zulk een schaar van dappere mannen, als gij waart, bijeen kunnen brengen? En wanneer ik het ook al wilde, kan ik het wel beproeven, zonder al dit goud en zilver, al deze schatten dengeneals buit te moeten overlaten, die zich reeds met een deel er van verrijkt heeft? Ik kan en mag er niet aan denken, alvorens ik hem het leven benomen heb. Wat ik met uw machtige hulp niet vermocht uit te voeren, moet ik thans heel alleen doen, en wanneer ik nu den schat voor plundering behoed zal hebben, wil ik er ook voor zorgen, dat het hem na mij niet aan een dapperen meester ontbreken zal, opdat hij voortdurend in stand blijven en zich vermeerderen moge.” Nadat hij dit besluit genomen had, was hij omtrent de middelen om het uit te voeren, niet verlegen; zijn hart werd weer rustig; hij gaf zich weer aan schoone verwachtingen over, en zonk in een diepen slaap.
Den volgenden morgen stond de rooverhoofdman reeds vroeg op, trok rijke kleeren aan, ging naar de stad en nam zijn intrek in een hotel. Daar hij verwachtte, dat het voorgevallene bij Ali Baba veel opzien gebaard zou hebben, zoo vroeg hij eens den portier in een gesprek, of er niets nieuws in de stad was, en deze deelde hem allerlei zaken mee, maar niet dat, wat hij wenschte te weten. Hij trok daaruit het besluit, dat Ali Baba alleen daarom de zaak geheim hield, wijl hij niet bekend wilde laten worden, dat hij iets van den schat afwist en het geheim kende om hem te vinden; ook vermoedde hij waarschijnlijk wel, dat men hem alleen daarom naar het leven stond. Dit versterkte hem in zijn voornemen,alles te doen, om hem op een even geheimzinnige wijze uit den weg te ruimen. De rooverhoofdman voorzag zich van een paard, waarmee hij meerdere malen een tocht naar het bosch maakte, om verschillende soorten van kostbare zijdenstoffen en fijne sluiers in zijn woning te brengen; daarbij nam hij de noodige maatregelen, om de plaats waar hij ze vandaan haalde, geheim te houden. Toen hij nu zooveel waren, als hij meende noodig te hebben, bijeen had, zocht hij een winkel, om ze te verkoopen; hij vond er ook een, huurde hem, richtte hem in en betrok hem daarna. Tegenover hem bevond zich de winkel, welke vroeger aan Casim behoord had, maar sedert eenigen tijd door Ali Baba's zoon in bezit genomen was.
De rooverhoofdman, die den naam van Chogia Hoesein aangenomen had, verzuimde niet, als nieuweling, naar 's lands gebruik, den kooplieden, die zijn buren waren, een bezoek te brengen. Daar Ali Baba's zoon nog jong, goed ontwikkeld en verstandig was, en hij vaker gelegenheid had met hem te spreken dan met andere kooplieden, sloot hij spoedig vriendschap met hem. Hij zocht zijnen omgang des te ijveriger, als hij drie of vier dagen na opening van zijn winkel, Ali Baba weder herkende, die zijn zoon bezocht, en gelijk hij van tijd tot tijd placht te doen, zich een langen tijd met hem onderhield. Toen hij nu nog van den jongeling vernam, datAli Baba zijn vader was, verdubbelde hij zijn vriendelijkheid jegens hem, gaf hem kleine geschenken, en noodigde hem meermalen aan zijn tafel.
Ali Baba's zoon meende deze hoffelijkheid van Chogia Hoesein te moeten beantwoorden; daar hij zelf echter zeer klein gehuisvest was, en niet zoo gemakkelijk ingericht was, om hem gelijk hij wenschte, te onthalen, zoo sprak hij daarover met zijn vader Ali Baba, en zeide hem, dat het wel niet zou passen, als hij nog langer de beleefdheden van Chogia Hoesein onbeantwoord liet. Ali Baba nam met genoegen op zich den vreemdeling te onthalen. „Mijn zoon,” zeide hij, „morgen is 't Vrijdag, en daar de groote kooplieden, zooals Chogia Hoesein en gij, op dien dag hun winkels gesloten houden, kunt gij morgen namiddag met hem een wandeling doen, en het dan op den terugweg zoo inrichten, dat gij hem voorbij mijn huis voert, en hem verzoekt, binnen te treden. Het is beter dat het zoo geschiedt, dan dat gij hem vormelijk uitnoodigt. Ik zal Morgiane de opdracht geven, dat zij een avondeten gereed houdt.”
Vrijdags namiddag troffen Ali Baba's zoon en Chogia Hoesein elkander werkelijk op de afgesproken plaats, en deden tezamen een wandeling. Op den terugweg bracht Ali Baba's zoon zijn vriend met opzet door de straat, waarin zijn vader woonde, en toen zij voor de huisdeurstonden, bleef hij staan, klopte aan en zeide tot hem: „Dit is het huis mijns vaders; daar ik hem reeds veel verteld heb van de vriendschappelijke wijze, waarop gij steeds met mij omgaat, zoo heeft hij mij opgedragen, hem de eer te verschaffen, met u kennis te maken. Ik verzoek u dus nu, 't aantal uwer oplettendheden jegens mij met deze ééne nog te vermeerderen.”
Ofschoon nu Chogia Hoesein het doel bereikt had, waarnaar hij streefde, namelijk toegang tot Ali Baba's huis te verkrijgen en hem zonder eigen gevaar en zonder veel drukte te dooden, uitte hij nochtans allerlei verontschuldigingen, en deed alsof hij van den zoon afscheid wilde nemen; daar echter op dit oogenblik Ali Baba's slaaf de deur opende, zoo nam de zoon hem vriendelijk bij de hand, ging vooraan, en dwong hem als 't ware, met hem mee naar binnen te gaan.
Ali Baba ontving Chogia Hoesein met een vriendelijk gezicht en zoo goed, als deze 't slechts wenschen kon. Hij bedankte hem voor de goedheid, zijn zoon bewezen, en zeide toen: „Wij zijn u beiden daarvoor des te grooteren dank schuldig, daar hij nog een jonge, in de wereld onervaren man is, en gij het niet beneden uwe waardigheid geacht hebt, aan zijn opvoeding mede te werken.” Chogia Hoesein beantwoordde Ali Baba's beleefdheden door andere en verzekerde hem tevens, al ontbrak het zijn zoonaan de ervaring van grijsaards, zoo bezat hij toch een gezond verstand, dat zooveel waard was, als de ervaring van duizend anderen.
Nadat zij zich een tijd lang over allerlei onverschillige zaken onderhouden hadden, wilde Chogia Hoesein afscheid nemen; dat gedoogde Ali Baba echter niet. „Mijnheer,” zeide hij tot hem, „waarheen wilt gij gaan? Ik bid u, bewijs mij de eer, het avondeten bij mij te gebruiken. Het maal, dat ik u wil geven, is wel niet zoo schitterend, als gij het verdient; maar ik hoop, dat gij het, zooals het is, met een even zoo goed hart wilt aannemen, als ik het u bied.”
„Mijnheer,” antwoordde Chogia Hoesein, „ik ben van uw goede meening volkomen overtuigd, en wanneer ik u verzoek, het mij niet kwalijk te nemen, dat ik uw hoffelijke uitnoodiging niet aanneem, dan verzoek ik u tevens te gelooven, dat dit noch uit minachting, noch uit onbeleefdheid geschiedt, maar wijl ik er een bijzondere reden voor heb, welke gij zoudt billijken, als gij haar kende.”
„En wat kan deze reden wel zijn?” antwoordde Ali Baba, „mag ik die dan van u weten?”
„Ik kan ze u wel zeggen,” sprak Chogia Hoesein; „ik eet namelijk vleesch, noch andere gerechten, waarin zout is; gij kunt dus nu begrijpen, welke rol ik aan uw tafel zou spelen.”
„Wanneer gij geen andere reden hebt,” ging Ali Baba nu dringender voort, „dan zal dezemij gewis niet van de eer berooven, u hedenavond aan mijn tafel te zien zitten, of gij moest wat anders te doen hebben. Ten eerste is er in het brood, dat wij eten, geen zout, en wat het vleesch en de soep betreft, zoo beloof ik u, dat in dat, wat u voorgezet zal worden, eveneens geen zout komen zal. Ik wil terstond de noodige bevelen geven; bewijs mij daarom de eer, bij mij te blijven; ik kom terstond weer terug.”
Ali Baba ging naar de keuken, en beval Morgiane het vleesch, dat zij heden zou opdienen, niet te zouten, en behalve de gerechten, die hij reeds vroeger aan haar had opgegeven, snel nog twee of drie andere te bereiden, waarin geen zout was. Morgiane, die juist gereed stond het eten binnen te brengen, kon niet nalaten hare ontevredenheid over dit nieuwe bevel te uiten, en zich daarover tegen Ali Baba uit te spreken: „Wie is dan,” zeide zij, „deze eigenzinnige man, die geen zout wil eten? Uw eten zal niet lekker meer zijn, als ik 't later opdien.”
„Wordt maar niet boos, Morgiane,” antwoordde Ali Baba, „het is een rechtschapen man, doe daarom, wat ik je zeg.” Morgiane gehoorzaamde, maar met tegenzin, en de nieuwsgierigheid greep haar aan, om den man te leeren kennen, die geen zout wilde gebruiken. Toen zij het maal bereid en Abdallah de tafel gedekt had, hielp zij hem de spijzen opdragen. Terwijl zij nu Chogia Hoesein aanzag, herkendezij hem terstond, ondanks zijn vermomming, als den rooverhoofdman, en bij langer, opmerkzame beschouwing zag zij, dat hij onder zijn kleeren een dolk verborgen had. „Thans verbaas ik er mij niet meer over,” zeide zij in zichzelf, „dat deze heiden met mijn heer geen zout eten wil:3hij is zijn verbitterdste vijand en wilhem vermoorden; maar ik zal zijn voornemen wel verijdelen.”
Zoodra Morgiane met Abdallah de spijzen opgediend had, gebruikte zij den tijd, dat de heeren aten, om de noodige voorbereiding te treffen tot uitvoering van een plan, dat van meer dan gewonen moed getuigde, en zij was juist daarmee klaar, toen Abdallah haar meldde, dat het tijd was de vruchten te brengen. Zoodra Abdallah de tafel afgeruimd had, diende zij de vruchten op. Daarna plaatste zij naast Ali Baba een klein tafeltje, en zette daarop wijn en drie schalen neer; toen ging zij met Abdallah heen,—als wilde zij met hem het avondmaal gaan gebruiken,—om Ali Baba niet te storen, opdat hij zich met zijn gast aangenaam onderhouden, en hem naar zijn gewoonte aansporen kon, zich den wijn te laten smaken.
Thans geloofde de valsche Chogia Hoesein, of liever de hoofdman der veertig roovers, dat hetgunstige oogenblik gekomen was, om Ali Baba het leven te ontnemen. „Ik wil,” zoo sprak hij tot zichzelf, „vader en zoon dronken maken, en de zoon, wien ik gaarne het leven schenk, zal mij niet beletten, zijn vader den dolk in 't hart te stooten; dan wil ik, gelijk de eerste maal, door den tuin ontvluchten, terwijl de keukenmeid en de slaaf nog aan hun avondmaal zitten, of in de keuken ingeslapen zijn.”
Morgiane echter, had het voornemen van den valschen Chogia Hoesein doorzien, en liet hem geen tijd zijn boosaardig plan uit te voeren. Inplaats van te gaan avondmalen, trok zij een bekoorlijk danscostuum aan,koos er een passenden haartooi bij uit, deed een gordel van verguld zilver om, en bevestigde daaraan een dolk, welks scheede en gevest van hetzelfde metaal waren; voor haar gezicht hing zij een zeer schoon masker. Nadat zij zich aldus verkleed had, zeide zij tot Abdallah: „Abdallah, neem je tamboerijn en laat ons naar binnen gaan, om voor den gast van onzen meester, den vriend van zijn zoon, de vroolijke dansen uit te voeren, die wij menigmaal des avonds voor hem ten beste geven.” Abdallah nam de tamboerijn, ging, daarop spelend, voor Morgiane uit en trad zoo in de zaal. Achter hem kwam Morgiane, die op een hoogst ongedwongen en bevallige wijze diep boog, net als had zij de toestemming, hare kunsten te vertoonen. Daar Abdallah zag, dat Ali Baba wilde spreken, hield hij op met trommelen.
„Treed nader, Morgiane,” zeide Ali Baba.„Chogia Hoesein mag oordeelen, of gij iets kunt, en ons dan zijn meening daarover zeggen.” Vervolgens zeide hij, tot Chogia Hoesein gewend, „gij moet niet gelooven, mijnheer, dat ik groote onkosten gemaakt heb, om u dit genoegen te bereiden. Ik vind het in mijn eigen huis, en gij ziet, dat het niemand anders dan een slaaf en mijn keukenmeid zijn, die mij op deze wijze opvroolijken. Ik hoop, dat het u niet mishagen zal.”
Chogia Hoesein had er niet op gerekend, dat Ali Baba op het maal nog dit vermaak zou latenvolgen. Hij begon nu te vreezen, dat hij de gelegenheid, welke hij meende gevonden te hebben, toch niet zou kunnen gebruiken. Doch troostte hij zich voor dit geval met de hoop, dat er zich bij den voortgezetten, vriendschappelijken omgang met vader en zoon spoedig een nieuwe zou aanbieden. Ofschoon het hem nu veel aangenamer geweest zou zijn, wanneer Ali Baba hem van dit spel verschoond had, zoo hield hij zich nochtans, als was hij hem er zeer dankbaar voor, en was tevens beleefd genoeg hem te verklaren: „Alles, wat zijn vereerden gastvriend genoegen deed, moest noodwendig ook voor hem een genoegen zijn.”
Toen Abdallah zag, dat Chogia Hoesein en Ali Baba ophielden met spreken, begon hij opnieuw op den tamboerijn te slaan en zong er tegelijk een dansliedje bij. Morgiane echter, die voor de geoefendste dansers en danseressen van het vak in vaardigheid niet onderdeed, danste op een wijze, die bij elk ander, dan juist bij 't hier aanwezige gezelschap, bewondering had moeten opwekken; de minste opmerkzaamheid schonk de valsche Chogia Hoesein wel aan haar kunst.