XLII.

Ik was op het punt om te antwoorden, dat ik niets te bekennen had, maar ik begreep nog bijtijds dat het beter was mij de welwillendheid te verwerven, zooals hij het noemde, van den politieagent en ik antwoordde dus niet.

—Gij kunt er over nadenken, ging hij voort, en wanneer gij in de gevangenis inziet, dat ik u een goeden raad gegeven heb, kunt ge mij doen roepen. Want, ziet ge, men moet zijn schuld niet bekennen aan den eerste den beste; men moet zijn man weten te kiezen, die dan met belangstelling u helpen zal, waar hij kan; en gij ziet wel dat ik geneigd ben u van dienst te zijn.

Ik knikte toestemmend.

—Vraag maar naar Dalphen; dien naam zult gij wel onthouden, nietwaar?

—Ja mijnheer.

Ik stond tegen het portier geleund, waarvan het glas was neergelaten. Ik vroeg hem verlof om het land te zien dat wij doorreisden en daar hij zich mijne "genegenheid wilde verwerven", zeide hij, dat ik kon kijken zooveel ik wilde. Wat had hij ook te vreezen: de trein was in volle vaart!

De lucht, die door het open raampje binnendrong, was ijskoud en hij verwijderde zich van het portier om middenin de coupé plaats te nemen.

Ik voor mij voelde geen tocht; ongemerkt stak ik mijn arm naar buiten en draaide met mijn rechterhand den knop om, maar hield het portier tegen.

De tijd ging voorbij, de locomotief floot en verminderde terstond in snelheid; eensklaps duwde ik het portier open en sprong zoover ik kon. Ik werd in de greppel geworpen; gelukkig hield ik de handen voor mij uit en greep ik in het gras van den spoordijk. Toch was de schok zoo hevig, dat ik naar beneden stortte en in zwijm viel.

Toen ik tot mij zelven kwam, meende ik nog in den spoortrein te zitten; want ik voelde, dat ik snel voortbewoog en ik hoorde het rollen van wielen. Ik lag op een bos stroo.

Zonderling! mijn gezicht was nat en op mijne wangen en mijn voorhoofd voelde ik een zachte streeling en een warmen adem.

Ik opende de oogen; een hond, een leelijke gele hond, lag voor mij en likte mij.

Mijne oogen ontmoetten die van Mattia, die naast mij op zijne knieën lag.

—Gij zijt gered, zeide hij, terwijl hij den hond opzij duwde en mij omhelsde.

—Waar zijn wij?

—In een rijtuig. Bob ment.

—Hoe gaat het ermee? vroeg Bob, zich omkeerende.

—Ik weet niet, ik geloof goed.

—Beweeg uw armen en beenen eens! riep Bob.

Ik lag op het stroo uitgestrekt en deed wat hij zeide.

—'t Is in orde, zeide Mattia; er is niets gebroken.

—Maar wat is er dan gebeurd?

—Gij zijt uit den trein gesprongen, zooals wij u geraden hadden. Maar de schok was zoo erg, dat gij gevallen zijt en in de greppel terecht gekomen. Toen wij u niet zagen verschijnen, is Bob langs den spoordijk afgezakt, terwijl ik het paard vasthield en hij heeft u naar boven gedragen. Wij dachten dat gij dood waart. Wat waren wij bang! Wat waren wij bedroefd! Maar nu zijt ge gered.

—En de politieagent?

—Hij reist verder met den trein, die niet stilstond.

Nu wist ik het voornaamste. Ik wierp een blik om mij heen, en bespeurde nu een gelen hond, die mij vriendelijk aanzag met oogen, welke op die van Capi geleken. Maar het was Capi niet, want Capi was wit.

—En Capi? vroeg ik, waar is die?

Vóór dat Mattia mij geantwoord had, was de gele hond op mij gesprongen en likte mij, terwijl hij een zacht gejank deed hooren.

—Maar dat is Capi; wij hebben hem laten verven.

Ik beantwoordde de liefkoozingen van Capi, en drukte hem in mijne armen.

—Waarom hebt gij hem laten verven? vroeg ik.

—Dat is eene heele geschiedenis; ik zal ze u vertellen.

Maar Bob wilde niet, dat Mattia dit verhaal thans deed.

Neem de teugels, zeide hij tot Mattia, en houd ze stevig vast; dan zal ik den wagen zóó in orde brengen, dat men hem niet aan de barrière herkent.

Het was een wagen met eene witte huif overspannen, die op hoepels rustte. Hij legde de hoepels erin, vouwde de huif in vieren en bedekte mij daarmede. Toen moest Mattia de teugels loslaten en zich ook onder de huif verbergen. Hierdoor kreeg de wagen een geheel ander voorkomen. Zij had geen huif meer en inplaats van drie personen, zat er maar één man in. Als men ons nazette, zou de beschrijving, die men van ons rijtuig gaf, geheel anders wezen dan ze voor een halfuur zou zijn geweest, en dit zou dus onze vervolgers op een dwaalspoor brengen.

—Waar gaan wij heen? vroeg ik aan Mattia, toen hij naast mij lag.

—Naar Littlehampton; dat is een kleine zeehaven, waar Bob een broer heeft die schipper is op een bootje, dat op Frankrijk vaart, en te Isigny in Normandië boter en eieren haalt. Als wij gered worden—en wij zullen gered worden—zullen wij het aan Bob te danken hebben. Die heeft alles gedaan. Wat had ik voor u kunnen doen, ik arme, domme knaap! Bob is op het denkbeeld gekomen om u uit den trein te doen springen, en mijn briefje door een blaaspijp u toe te werpen, en hij is het, die zijne kameraads bewogen heeft om hem dit paard te leenen. Hij is het ook, die ons een schip zal bezorgen om naar Frankrijk over te steken, want ge begrijpt wel dat, zoo we op een stoomboot plaats namen, gij weer in hechtenis zoudt worden genomen. Nu ziet ge hoe goed het is vrienden te hebben.

—En wie is op de goede gedachte gekomen om Capi mede te nemen?

—Ik, maar Bob heeft hem geel doen verven om hem niet kenbaar te maken, toen wij hem aan den agent Jerry hadden ontstolen—dien slimmen Jerry, zooals de rechter hem noemde, die nu toch volstrekt niet slim is geweest, want hij heeft zich den hond afhandig laten maken zonder er iets van te bemerken. Trouwens, toen Capi mij geroken had, heeft hij het eigenlijk alleen gedaan en bovendien kent Bob al de kunstjes van de hondendieven.

—En uw voet?

—Die is genezen, of tenminste zoo goed als genezen; ik heb geen tijd gehad om eraan te denken.

Op de wegen in Engeland zijn tollen, die bovendien strekken om toezicht te houden op hen, die er doorrijden. Als wij bij zulk een tol kwamen, waarschuwde Bob ons, dat wij niet moesten spreken of ons verroeren; hij betaalde en de tolgaarder zag slechts één man. Bob zeide de eene of andere aardigheid; men lachte en het rijtuig reed door.

Hij had als clown een groot talent gekregen om zijn gezicht een ander voorkomen te geven en nu geleek hij precies een boer en zelfs zij, die hem kenden, zouden nooit gedacht hebben, dat die boer Bob was.

Wij reden zeer snel, want het was een flink paard en Bob een goed koetsier. Nu en dan moesten wij echter halt houden, om het dier te laten uitblazen en het wat te eten te geven. Maar daarvoor legden wij niet bij eene herberg aan; Bob hield stil in het midden van een bosch, maakte dan de teugels los en hing het paard een zak met haver om den kop, dien hij uit den wagen haalde. Het was een donkere nacht en wij liepen niet veel gevaar om ontdekt te worden.

Ik kon niet nalaten om mij tot Bob te wenden en in eenige gevoelige woorden hem mijn dank te betuigen; maar hij liet mij geen tijd om alles te zeggen wat ik op het hart had.

—Gij hebt mij een dienst gedaan, zeide hij, terwijl hij mij een hartelijken handdruk gaf, en nu doe ik u een dienst; elk op zijn beurt. Bovendien, ge zijt een broer voor Mattia en voor zoo'n goeden jongen als hij, wil men wel wat doen.

Ik vroeg hem, of wij nog ver van Littlehampton waren. Hij antwoordde me, dat wij nog ruim een paar uren hadden te rijden en dat wij ons haasten moesten, omdat de boot van zijn broer elken Zaterdag naar Isigny vertrok en dat, naar hij meende, de vloed zeer vroeg inviel. Het was Vrijdagnacht.

Wij namen onze plaats weder in op het stroo onder de opgevouwen huif, en het paard, dat uitgerust had, rende in gestrekten draf voort.

—Ben-je bang?

—Ja en neen; ik ben bang, dat men mij weder vatten zal. Als men vlucht, is dit dan geen bewijs, dat men schuld heeft? Dat vooral hindert me; wat zou ik tot mijne verdediging kunnen aanvoeren?

—Daar hebben we ook wel aan gedacht; maar Bob was van oordeel dat wij alles moesten wagen om te voorkomen, dat gij voor het gerecht moest verschijnen. Het is zoo treurig daar geweest te zijn, zelfs al wordt men vrijgesproken. Ik zelf heb niets durven zeggen, omdat ik zoo vast besloten had u naar Frankrijk mede te nemen en dit voornemen mij misschien een slechten raad zou hebben gegeven.

—Gij hebt wèl gedaan: wat er ook gebeuren moge, ik zal u altijd dankbaar zijn.

—Er zal niets gebeuren, wees daar gerust op. Als de trein stilstaat, zal uw agent zijn rapport hebben gemaakt, maar vóór men de maatregelen genomen heeft om u op te sporen, zal er een heele tijd zijn verstreken en wij hebben in vliegenden draf gereden. Bovendien kan men onmogelijk weten, dat wij naar Littlehampton zijn gereden om daar ons in te schepen.

Het was zeker, dat, zoo men ons niet op het spoor was, er heel veel kans bestond, dat wij ons zouden kunnen inschepen zonder dat wij ontdekt waren. Maar ik was zoo zeker niet als Mattia, dat de politieagent bij zijn aankomst aan het station zooveel tijd zou hebben verloren laten gaan, om ons na te zetten. Dat was het gevaar en dit kon zeer groot zijn.

Ons paard, dat flink gemend werd door Bob, legde intusschen in vliegenden rit den eenzamen weg af. Van tijd tot tijd slechts reden wij eenige rijtuigen voorbij, maar geen een haalde ons in. In de dorpen, die wij doorreden, heerschte diepe rust en slechts zeer enkele vensters waren verlicht. Alleen gaven de honden nu en dan, door aan te slaan, blijk, dat zij onzen snellen rit hoorden en zij vervolgden ons nog lang met hun geblaf. Als na eene steile helling Bob zijn paard een oogenblik inhield om het te laten uitblazen, klommen wij even uit den wagen en legden wij het oor op den grond om te luisteren, maar zelfs Mattia, die fijner hoorde dan wij, vernam geenerlei verdacht geluid. Wij reisden in de duisternis, in de stilte van den nacht.

Het was ook niet meer om ons te verbergen dat wij onder de huif lagen; maar om ons te beschermen tegen de koude, want er woei een snerpende wind. Als wij met onze tong over de lippen streken, proefden wij zout: een bewijs dat wij de zee naderden. Weldra zagen wij een licht, dat met regelmatige tusschenpoozen verdween, om dan weder helder te voorschijn te komen: het was de baak; dus moesten wij nabij de kust zijn.

Bob hield zijn paard in en liet het stappen, nadat hij een zijweg was ingeslagen. Hier deed hij ons uit den wagen klimmen en zeide, dat wij op het paard moesten passen. Hij zelf ging zien of zijn broeder nog niet vertrokken was en wij zonder gevaar ons op zijne boot konden inschepen.

Ik moet bekennen, dat de tijd, dien Bob wegbleef, mij lang, ontzaglijk lang viel. Wij spraken niet; wij hoorden op korten afstand de golven breken op de kust met eene eentonigheid, die onze ontroering nog verhoogde. Mattia beefde even erg als ik.

—'t Is van de kou, zeide hij op fluisterenden toon.

Was dat waar? Zeker was het, dat als een koe of een schaap in de weide, waarlangs onze weg liep, een steen aanraakte of langs de heg schoof, wij nog meer ontroerden en erger beefden.

Eindelijk hoorden wij voetstappen aan de zijde van den weg, dien Bob was gevolgd. Hij moest het wezen; mijn lot zou worden beslist.

Bob was niet alleen. Toen hij naderbij kwam, zagen wij dat er iemand met hem was. Een man met een geoliede overjas en een wollen muts.

—Dat is mijn broer, zeide Bob. Hij wil u wel aan boord nemen; hij zal u verder geleiden en wij moeten scheiden, want men behoeft niet te weten, dat ik hier geweest ben.

Ik wilde Bob bedanken, maar hij viel mij in de rede en terwijl hij mij een hand gaf, zeide hij:

—Laten wij daarover niet praten; men moet elkander helpen; wij zullen elkaar nog wel eens weerzien. Het doet me plezier, dat ik Mattia van dienst heb kunnen zijn.

Wij volgden den broer van Bob en weldra waren wij in de eenzame straten van het stadje. Na eenige omwegen, hadden wij de kade bereikt en de zeewind woei ons in het gelaat.

Zonder een woord te spreken wees ons Bobs broer naar een vaartuig, dat gereed lag om te vertrekken. Wij begrepen dat dit het zijne was, en in weinige minuten waren wij aan boord; toen zond hij ons naar een kleine kajuit.

—Ik vertrek pas over een paar uur, zeide hij; blijf daar en maak geen gedruisch.

Toen hij de deur van de kajuit op slot had gedaan, sloop Mattia onhoorbaar naar mij toe en drukte mij in zijne armen. Thans beefde hij niet meer.

Toen Bobs broer heengegaan was, bleef het scheepje nog eenigen tijd rustig liggen en wij hoorden slechts het loeien van den wind, door het tuig en het lekken van de golven tegen de kiel; maar langzamerhand kwam er meer beweging; wij onderscheidden voetstappen op het dek; men liet trossen vallen; spillen knarsten; kettingen werden op- en afgewonden; men wentelde den kaapstander; er werd een zeil geheschen; het roer kraakte en eensklaps wierp het schip zich op de linkerzijde, het schommelen begon—wij waren in zee. Ik was gered.

Eerst langzaam en zacht, werd het slingeren al sneller en sterker, het schip daalde en rees en weldra sloegen de golven nu eens tegen de eene dan tegen de andere zijde.

—Arme Mattia! zeide ik, terwijl ik zijne hand greep.

—Dat doet er niets toe, zeide hij; gij zijt gered; bovendien, ik wist wel, dat het zoo zijn zou; toen wij in het rijtuig zaten, zag ik hoe de wind de boomen deed heen-en-weer gaan en ik zei bij mij zelven, dat wij op zee ook zoo dansen zouden.

Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend.

—Als gij op het dek wilt komen, zeide de broer van Bob, kunt gij het doen; er is geen gevaar meer.

—Wanneer voelt men 't minst van de zeeziekte? vroeg Mattia.

—Als men ligt.

—Dank u; dan blijf ik liggen.

En hij strekte zich in zijne volle lengte op den grond uit.

—De jongen zal u geven wat gij noodig hebt, zeide de kapitein.

—Dank u; als hij maar niet te lang weg blijft, zal 't mij aangenaam zijn, antwoordde Mattia.

—Nu al?

—'t Is al lang geleden begonnen.

Ik wilde bij hem blijven, maar hij zond mij naar het dek en herhaalde nog:

—'t Is niemendal; gij zijt gered; het komt er niets op aan; ik heb mij nooit voorgesteld, dat het prettig zou zijn zeeziek te wezen.

Op het dek gekomen, kon ik mij slechts staande houden door mij aan de touwen vast te grijpen. Zoo ver mijn oog kon doordringen in de duisternis van den nacht, zag ik niets dan een witte schuimende vlakte, waarover ons scheepje zich bewoog, zich telkens op zijde werpende alsof het in de golven zou duiken. Maar het dook niet onder; integendeel, het lichtte zich weder veerkrachtig op, danste op de golven en schoot voorwaarts, door den westenwind gedreven.

Ik keek om naar de kust; reeds waren de lichten van de haven niet meer dan punten in den nevelachtigen hemel en toen ik ze flauwer zag worden en verdwijnen, was het of een gevoel van verlichting zich van mij meester maakte bij mijn afscheid van Engeland.

—Als de wind zoo aanhoudt, zeide de kapitein, zullen wij vanavond niet laat te Isigny aankomen. DeEclipsis een flinke boot.

Een ganschen dag op zee en zelfs meer dan een dag! Arme Mattia! En het deed hem plezier zeeziek te zijn!

Maar de dag ging toch om en ik bracht mijn tijd door met van de kajuit naar het dek en van het dek naar de kajuit te gaan. Eens dat ik met den kapitein stond te praten, zeide hij, terwijl hij met de hand wees: Harfleur. In het zuidwesten zag ik toen eene hooge witte kolom, die op een donkeren achtergrond zich afteekende.

Ik liep zoo snel ik kon de trappen af om aan Mattia die goede tijding te brengen. Wij waren in het gezicht van Frankrijk. Maar het is nog een geheele afstand, die Harfleur van Isigny scheidt en men moet het geheele schiereiland Cotentin omzeilen, vóór men in de Vire en de Aure komt.

Daar het vrij laat was, toende Eclipsde kade van Isigny aandeed, gaf de kapitein ons verlof om aan boord te blijven slapen en eerst den anderen morgen scheidden wij van hem, na hem hartelijk bedankt te hebben.

—Als gij naar Engeland mocht willen terugkeeren, zeide hij, terwijl hij ons een stevigen handdruk gaf, zorg dan maar op een Dinsdag hier te zijn; elken Dinsdag gaat deEclipsnaar Engeland. Zij is tot uw beschikking.

Dat was een recht vriendelijk aanbod, maar dat wij volstrekt geen lust hadden om aan te nemen, want beiden, Mattia zoowel als ik, hadden eene bepaalde reden om niet meer naar Engeland te gaan.

Toen wij in Frankrijk aan wal stapten, bezaten wij niets anders dan onze kleeren en onze instrumenten, want Mattia had gezorgd, dat hij mijne harp had medegenomen, die ik in de tent van Bob achtergelaten had in den nacht, dat ik naar de herberg De Eikenboom ging. Wat onze reiszakken betrof, die waren met al wat zij bevatten in den wagen van de familie Driscoll gebleven. Dit bracht ons wel in eenige ongelegenheid, want wij konden ons zwervend leven niet hervatten zonder hemd en zonder kousen en vooral zonder kaart. Gelukkig had Mattia zes gulden opgespaard en wij hadden bovendien ons aandeel in de ontvangst, welke Bob en zijne makkers hadden gemaakt op den avond, dat wij met hen speelden, en dit bedroeg veertien gulden ruim. Wij hadden dus een fortuin van bijna twintig gulden, en voor ons was dit heel veel. Mattia had dit geld willen geven in mindering van de kosten die mijne vlucht had veroorzaakt, maar Bob had geantwoord, dat vriendschapsdiensten niet werden betaald en hij wilde niets aannemen.

Ons eerste werk nadat wij deEclipsverlaten hadden, was een ouden soldaten-ransel en een paar hemden te koopen; voorts twee paar kousen, een stuk zeep, een kam, garen, knoopen, naalden en vooral iets wat ons nog onmisbaarder was dan al die dingen, hoe nuttig ze voor ons ook waren: eene kaart van Frankrijk.

Waar moesten wij dan ook heen nu wij eenmaal in Frankrijk waren? welken weg moesten wij inslaan? welke richting volgen?

Dat was de vraag die wij overwogen, terwijl wij van Isigny den weg naar Bayeux aflegden.

—Wat mij betreft, zeide Mattia, ik heb geen keus, ik ben even bereid om rechts als om links te gaan. Ik verlang maar één ding.

—En dat is?

—Dat wij den loop eener rivier volgen of van een kanaal, want ik heb een idee.

Daar ik aan Mattia niet vroeg welk idee hij had, ging hij voort.

—Ik zie wel dat ik het u moet vertellen. Toen Arthur ziek was, heeft mevrouw Milligan weder op eene boot Frankrijk met hem doorkruist en daardoor hebt gij hem opDe Zwaanontmoet.

—Hij is niet ziek meer.

—Dat is te zeggen: hijwordtbeter; hij is erg ziek geweest en hij is slechts gered door de zorg zijner moeder. Nu is mijn vaste overtuiging, dat om hem geheel-en-al te doen genezen, mevrouw Milligan hem weder op eene boot de stroomen, rivieren en kanalen laat volgen, dieDe Zwaanbevaren kan. Wanneer wij ons dus aan den loop eener rivier houden, dan hebben wij kans dat wijDe Zwaanontmoeten.

—Wie zegt u, dat De Zwaan in Frankrijk is?

—Niemand; maar daarDe Zwaangeen zee kan bouwen, is het toch waarschijnlijk, dat zij in Frankrijk is, en wij hebben alle kans haar aan te treffen. Maar al bestond er slechts één kans, zijt gij het dan niet met mij eens, dat wij die moeten wagen? Ik wil mevrouw Milligan vinden en ik meen, dat wij alles moeten doen, om daarin te slagen.

—Maar Lize, Alexis, Benjamin, Martha!

—Die zullen wij vinden, terwijl wij mevrouw Milligan zoeken. Wij moeten dus eerst een rivier hebben. Laten wij eens op de kaart zien, welke rivier het meest in de nabijheid ligt.

Wij spreidden de kaart op het gras uit en zochten de rivier het meest in de nabijheid. Wij vonden de Seine.

—Welnu, laten wij dan de Seine opzoeken.

—De Seine loopt door Parijs.

—Wat doet er dat toe?

—Heel veel. Ik heb Vitalis hooren zeggen, dat als men iemand vinden wilde, men hem dan te Parijs moest zoeken. Als de engelsche politie mij zocht om dien diefstal in de Sint-George kerk, zou ik niet gaarne door haar gevonden worden: daarvoor behoefden wij waarlijk Engeland niet te ontvluchten.

—Kan de engelsche politie u dan in Frankrijk vervolgen?

—Dat weet ik niet, maar als dit zoo is, moeten wij niet naar Parijs gaan.

—Kan men de Seine niet volgen tot aan de omstreken van Parijs en ze dan verlaten, om ze een eind verder weder op te zoeken? Ik zou ook niet gaarne Garofoli terugzien.

—Dat kan ik denken.

—Welnu laten wij danditdoen: alle varensgezellen en bewoners van den oever langs de geheele rivier ondervragen; en daar er maar ééneZwaanis met eene veranda en geen ander schip haar gelijkt, zal men haar wel hebben opgemerkt op de Seine. Als wij ze op de Seine niet vinden, zullen wij haar zoeken op de Loire, op de Garonne, op al de rivieren van Frankrijk en eindelijk zullen wij haar wel vinden.

Tegen dat idée van Mattia kon ik niets inbrengen. Wij besloten dus de Seine op te zoeken en den oever ervan te volgen.

Nadat wij voor ons zelven hadden gezorgd, was het tijd om ook aan Capi te denken. Zoolang hij geel was geverfd, was hij voor mij mijn Capi niet. Wij kochten zachte zeep en in het eerste water, dat wij tegenkwamen, waschten wij hem flink af, elkander aflossende, als wij moe waren.

Maar de verf van onzen vriend Bob was van eene uitstekende hoedanigheid; wij moesten den hond een langen tijd baden en bij herhaling met zeep insmeren. Toch zouden er weken en maanden noodig zijn eer Capi zijne oorspronkelijke kleur terugkreeg. Gelukkig is Normandië het land van het water en elken dag konden wij Capi onderhanden nemen.

Over Bayeux, Caen, Pont-d'Evêque en Pont-d'Audemer kwamen wij aan deSeine bij La Bouille.

Toen wij van de boschrijke hoogten, waarheen een lommerrijke holle weg leidde, na den geheelen dag geloopen te hebben, opeens de Seine vóór ons zagen, die eene breede bocht beschreef, waarvan onze heuvel het middelpunt uitmaakte, en op wier kalme, machtige golven tal van schepen met witte zeilen en stoombooten, wier rook tot ons opsteeg, statig voortdreven, riep Mattia uit, dat dit schouwspel hem geheel met het water verzoende, en dat hij volkomen begreep hoe men er een genot in vinden kon op die kalme rivier te glijden, langs die welige landerijen en bouwlanden en sombere bosschen, die haar oever omzoomden.

—Gij kunt er zeker van zijn, dat mevrouw Milligan met haar zieken zoon op de Seine vaart, zeide hij.

—Dat zullen wij spoedig vernemen, als wij de menschen in de dorpen uithooren.

Ik wist toen niet hoe moeilijk het was de Normandiërs aan het praten te krijgen. Zij antwoorden nooit rechtstreeks en ondervragen integendeel diegenen, die trachten iets van hen te weten te komen.

—Is 't een schip uit Hâvre of een schip uit Rouaan, waarnaar gij vraagt? Is het een boot? een zeilvaartuig? een aak? een praam?

Toen we op al die vragen, die men ons deed, geantwoord hadden, waren wij zoo goed als zeker, datDe Zwaannooit te La Bouille was geweest, of zoo zij er al geweest was, zij des nachts moest gepasseerd zijn, zoodat niemand haar had kunnen zien.

Van La Bouille kwamen wij te Rouaan, waar wij opnieuw nasporingen deden, maar met niet veel beter gevolg. Te Elbeuf kon men ons ook niets vanDe Zwaanvertellen. Te Poses, waar er sluizen waren en men dus alle schepen, die voorbijvoeren, welmoestzien, kregen wij hetzelfde antwoord.

Wij gaven den moed nochtans niet op, maar bleven altijd maar vragen, zonder veel hoop evenwel, wantDe Zwaanwas niet van de eene of andere plaats in het midden van de rivier kunnen vertrekken. Dat mevrouw Milligan en Arthur te Quillebeuf of Caudebec waren ingescheept, was te begrijpen, maar te Rouaan nog waarschijnlijker; maar daar wij geen spoor van hen ontdekten, moesten wij tot Parijs gaan, of liever voorbij Parijs.

Daar wij niet alleen wandelden om verder te komen, maar bovendien elken dag ons brood moesten verdienen, hadden wij vijf weken noodig om van Isigny Charenton te bereiken.

Daar deed zich de vraag voor, of wij de Seine dan wel de Marne moesten volgen. Die vraag had ik mezelven al dikwijls gedaan, terwijl ik mijne kaart bestudeerde, maar zonder eene enkele reden te vinden, waarom wij aan de eene rivier de voorkeur zouden geven boven de andere.

Gelukkig behoefden wij, te Charenton gekomen, niet te aarzelen, want op onze vraag antwoordde men daar voor de eerste maal, dat men een vaartuig gezien had, hetwelk opDe Zwaangeleek: het was eene pleizierboot en had eene veranda.

Mattia was zóó in zijn schik, dat hij begon te dansen op de kade. Eensklaps hield hij met dansen op; hij greep zijne viool en speelde zijn triomfmarsch zoo hartstochtelijk, als ik ooit van hem gehoord had.

Intusschen ging ik voort met aan den varensgezel, die zoo goed was geweest om ons te antwoorden, nieuwe vragen te doen. Twijfelen was niet langer mogelijk: het wasDe Zwaan, die ongeveer twee maanden geleden Charenton was gepasseerd, de Seine opvarende.

Twee maanden! Dus was zij ons een ontzaglijk eind vooruit. Maar wat deed er dat toe! Altijd voortgaande, zouden wij haar toch eenmaal moeten inhalen, al waren wij maar te voet, terwijl het vaartuig met een paar flinke paarden was bespannen.

Of er wat korter of langer tijd voor noodig was, deed niets ter zake; de voornaamste, buitengewoonste, merkwaardigste zaak was, datDe Zwaanwas gevonden.

—Wie heeft er gelijk gehad? vroeg Mattia.

Als ik gedurfd had, zou ik hebben bekend, dat ik evenveel hoop gehad had als hij, maar niet durfde zeggen, zelfs voor mij zelven niet, welke gedachten en dwaasheden die in mijne verbeelding had doen oprijzen.

Wij behoefden ons niet op te houden om de menschen te ondervragen:De Zwaanvoer voor ons uit; wij behoefden de Seine maar te volgen.

Maar te Moret valt de Loing in de Seine, en nu moesten wij opnieuw inlichtingen inwinnen.

De Zwaan was de Seine opgevaren.

Te Montereau moesten wij weder gaan vragen.

Hier vernamen wij, datDe Zwaande Seine verlaten had voor de Yonne. Meer dan twee maanden geleden was zij Montereau gepasseerd. Aan boord was eene engelsche dame met een knaap, die op een bed lag uitgestrekt.

Wij kwamen dichter bij Lize, en terwijl wijDe Zwaanvolgden klopte mijn hart sneller, terwijl ik, mijne kaart bestudeerende, mij afvroeg of na Joigny mevrouw Milligan het kanaal van Bourgogne of dat van Nivernais had gevolgd.

Wij kwamen aan het punt, waar de Yonne en de Armençon samenvloeien.DeZwaanwas de Yonne blijven volgen; wij gingen dus door Dreuze enzouden Lize kunnen zien. Zij zelve zou ons kunnen verhalen van mevrouwMilligan en Arthur.

Sedert wijDe Zwaanvolgden, hadden wij niet veel tijd gegeven aan onze concerten en voorstellingen en Capi, die een nauwgezet kunstenaar was, begreep onze haast niet; waarom stonden wij hem niet meer toe met het bakje in zijn bek zich voor het "geëerde publiek" te plaatsen, dat niet vlug was om met de hand in den zak te tasten? Men moet zijn tijd nemen.

Maar wij gaven ons den tijd niet meer; de ontvangsten werden dan ook geringer; terwijl tevens het overschot van onze twintig gulden met den dag kleiner werd. Wel verre van geld over te leggen, teerden wij van ons kapitaal.

—Laten wij ons haasten, om bijDe Zwaante komen, zeide Mattia.

En ik zeide met hem: laten wij ons haasten.

Des avonds klaagden wij nooit over moeheid, hoe ver de tocht ook was geweest; integendeel, wij waren het altijd volkomen eens, om den anderen morgen maar weder zeer vroeg op weg te gaan.

—Roep me toch bijtijds, zeide Mattia, die veel van slapen hield.

En als ik hem geroepen had, duurde het nooit lang, of hij was op en reisvaardig.

Om geld te besparen, hadden wij onze uitgaven verminderd, en daar het zeer warm was, had Mattia verklaard, geen vleesch meer te willen eten, want des zomers was vleesch ongezond. Wij stelden ons tevreden met een stuk brood en een hard ei, dat wij samen deelden of wel met een stukje boter; en ofschoon wij in het wijnland waren, dronken wij niets dan water.

Wat kwam het er ook op aan!

Soms echter had Mattia grooten trek in iets lekkers.

—Ik zou wel willen, dat mevrouw Milligan nog die keukenmeid had, die zulke lekkere confituurtaarten voor u kon klaarmaken, zeide hij. Dat zou heerlijk zijn; vooral abrikozentaarten!

—Heb je die nooit gegeten!

—Ik heb appelkoeken gegeten, maar nooit abrikozentaarten; maar ik heb ze wel eens gezien. Wat zijn dat voor kleine witte dingen, die op de confituren zijn geplakt?

—Amandelen.

—O, zoo.

En Mattia zette zijn mond zoo wijd open, of hij eene geheele taart ineens zou doorslikken.

Daar de Yonne vele bochten maakt tusschen Joigny en Auxerre, haalden wij door den grooten weg te volgenDe Zwaaneen weinig in; maar van Auxerre af verloren wij weder, want zij had het kanaal van Nivernais gevolgd en ging snel vooruit op het kalme water.

Bij elke sluis kregen wij nieuwe inlichtingen, want op dit kanaal, waar geen druk verkeer bestaat, had iedereen het vaartuig opgemerkt, dat volstrekt niet op de vaartuigen geleek, die men gewoonlijk zag.

Niet slechts sprak men ons vanDe Zwaan, maar ook van mevrouw Milligan, "eene goedhartige engelsche dame" en van Arthur, een knaap, die bijna altijd op een bedje lag, dat op het dek voor hem was gespreid onder een glazen dak met groen en bloemen, maar die nu en dan toch opstond.

Arthur werd dus beter.

Wij naderden Dreuze; nog twee dagen; nog een; nog maar eenige uren.

Eindelijk zagen wij de bosschen, waarin ik den vorigen herfst metLize had gespeeld en wij zagen ook de sluis met het huisje van vrouwKatherina.

Zonder daaromtrent eenige afspraak te maken, maar elk uit eigen beweging, hadden Mattia en ik onzen pas versneld en wij wandelden niet meer: wij liepen op een drafje. Capi werd weder geheel wat hij vroeger geweest was en rende in galop vooruit.

Hij gaat Lize zeggen, dat wij in aantocht zijn; zij zal ons tegemoet komen.

Maar het was Lize niet, die wij uit het huisje te voorschijn zagen komen, maar Capi, die er uitholde, of hij weggejaagd was.

Onmiddellijk bleven wij beiden stilstaan en wij vroegen ons af wat dit te beteekenen had. Maar die vraag deden wij aan elkander niet, en wij vervolgden zwijgend onzen weg.

Capi was bij ons gekomen en liep nu druipstaartend achter ons.

Een man was bezig een der deuren van de sluis te openen. Het was de oom van Lize niet.

Wij gingen tot aan het huis; eene vrouw, die wij niet kenden, ging op en neer in de keuken.

—Is vrouw Suriot niet hier? vroegen wij.

Zij zag ons een oogenblik aan, zonder antwoord te geven, alsof wij haar de onzinnigste vraag hadden gedaan.

—Zij is niet meer hier, zeide zij eindelijk.

—Waar is zij?

—In Egypte.

Mattia en ik zagen elkander onthutst aan. In Egypte! Wij wisten niet juist wat Egypte was en waar dat land lag; maar een onbestemd gevoel zeide ons dat het ver, zeer ver af was; zoowat aan de overzijde van de zee.

—En Lize? Kent gij Lize?

—Of ik die ken! Lize is met eene Engelsche dame op een schip vertrokken.

Lize opDe Zwaan. Was het geen droom?

De vrouw gaf een antwoord waaruit bleek, dat wij niet droomden.

—Zijt gij Rémi? vroeg zij.

—Ja.

—Zoo, nu dan zal het u niet onverschillig zijn te weten, dat Suriot verdronken is.

—Verdronken!

—Ja, verdronken in de sluis. Je moet weten, dat Suriot in het water is gevallen en dat hij onder een der sluisdeuren doorgaande, aan een spijker is blijven hangen. Dat gebeurt meer in zijn vak. Toen hij verdronken was, zat Katherina erg in de verlegenheid, ofschoon ze een kranige vrouw is. Maar wat zal ik je zeggen; als er geen geld is, valt het heel moeilijk om te leven. En geld was er niet. Men deed aan Katherina het voorstel om naar Egypte te gaan en daar de kinderen groot te brengen van eene dame, bij wie ze min was geweest; maar haar nichtje zat haar in den weg. Toen zij nog met zich zelve overlegde wat haar te doen stond, hield op een avond een schip voor de sluis stil, waarop zich eene Engelsche dame bevond, die met haar ziek zoontje de rivier opvoer. Men kwam met elkander aan 't praten en de Engelsche dame, die een kind zocht om met haar zoontje te spelen, dat zich verveelde op zijn schip, verzocht, dat men haar Lize zou afstaan en beloofde voor haar te zullen zorgen, haar te doen genezen en haar ook in de toekomst niet aan haar lot over te laten. Zij was een brave vrouw, heel minzaam en zacht voor arme menschen. Katherina nam het voorstel aan, en terwijl Lize aan boord ging van het schip der Engelsche dame, pakte Katherina haar boeltje om naar Egypte te gaan. Thans is mijn man in de plaats van Suriot aangesteld. Vóór dat zij vertrok beduidde Lize—die nog niet spreken kon, maar naar de dokters zeggen eenmaal wel haar spraak zal terugkrijgen—aan hare tante dat zij mij alles zou vertellen wat ik u moest mededeelen als gij haar kwaamt bezoeken. En dat heb ik nu gedaan.

Ik was zoo verwonderd en verbaasd, dat ik geen woorden kon vinden om te antwoorden; maar Mattia bleef zich zelven beter meester.

—En waar is de Engelsche dame heengegaan? vroeg hij.

—Naar het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland; Lize zou mij schrijven om u haar adres te geven, maar ik heb nog geen brief van haar ontvangen.

Nog altijd stond ik sprakeloos, maar Mattia deed wat ik geheel vergat.

—Wij bedanken u wel juffrouw, zeide hij.

En hij duwde mij zachtkens naar buiten de keuken uit.

—En nu op weg; vooruit! zeide hij. Wij moeten nu niet alleen mevrouw Milligan en Arthur opsporen, maar ook Lize moeten wij inhalen. Wat komt dat uitstekend! Wij zouden te Dreuze onzen tijd maar verloren hebben; en nu kunnen wij onzen weg vervolgen. Dat is een kansje! Wij hebben al zooveel teleurstellingen gehad, nu loopt het ons mede; de wind is veranderd. Wie weet welk geluk ons nog wacht!

En wij vervolgden zonder tijd te verliezen onzen weg omDe Zwaanin te halen, en bleven overal maar juist lang genoeg om te slapen en eenige stuivers te verdienen.

Te Decize, waar het kanaal van Nivernais uitmondt in de Loire, vroegen wij naarDe Zwaan. Zij was het zijkanaal ingevaren, en dit volgden wij dus ook tot Digoin; daar namen wij het kanaal dat naar Châlon leidt.

Mijne kaart wees mij aan, dat zoo ik over Charolles ging rechtstreeks naar Macon, dit ons een langen omweg en verscheidene dagmarschen zou uitwinnen; maar dit was een stout besluit, waarvan wij de verantwoordelijkheid geen van beiden op ons wilden nemen, nadat wij het vóór en tegen hadden overwogen;De Zwaantoch had zich onderweg kunnen ophouden, en dan zouden wij haar vóór zijn. Wij moesten dus op onze schreden terugkeeren en, om tijd te winnen, tijd verliezen.

Wij volgden de Saône van Châlon tot Lyon.

Daar stuitten wij op eene groote moeilijkheid: wasDe Zwaande Rhône op- of afgevaren? Met andere woorden: was mevrouw Milligan naar het Zuiden van Frankrijk of naar Zwitserland gegaan. Wij vroegen inlichtingen aan de varensgezellen en alle menschen, die op kaden hunne bezigheden hadden en eindelijk kregen wij de zekerheid, dat mevrouw Milligan naar Zwitserland was gegaan. Wij volgden dus den loop der Rhône naar den oorsprong.

—Door Zwitserland gaat men naar Italië, zeide Mattia; dat is ook een buitenkansje. Als wij, mevrouw Milligan nareizende, eens te Lucca kwamen, wat zou Christina blij zijn!

Arme, goede Mattia! Hij hielp mij zoeken naar hen, die mij dierbaar waren, en ik deed niets om hem in de gelegenheid te stellen zijn zusje weer te zien.

Van Lyon af wonnen wij elken dag opDe Zwaan, want de Rhône heeft zulk een sterken golfslag, dat men ze niet zoo gemakkelijk opvaart als de Seine. Te Culoz was zij ons niet meer dan zes weken vooruit; intusschen als ik de kaart raadpleegde, moest ik het betwijfelen of wij haar wel zouden ingehaald hebben vóór zij in Zwitserland was, want het was mij onbekend, dat de Rhône niet verder bevaarbaar is dan tot Genève en wij verbeeldden ons, dat mevrouw Milligan metDe ZwaanZwitserland wilde bezoeken, van welk land wij geen kaart hadden.

Wij kwamen te Seyssel, eene stad die in tweeën gedeeld wordt door de rivier, waarover eene hangende brug is geslagen, en wij volgden den oever der rivier. Hoe verrast was ik, toen ik in de verteDe Zwaanmeende te herkennen.

Wij zetten het op een drafje: ja het was haar vorm; het was ze; en toch zag zij er uit als een verlaten vaartuig. Zij was stevig vastgemeerd achter eene soort van kade, die haar beschermde en aan boord was alles gesloten. Er waren ook geen bloemen onder de veranda.

Wat was er gebeurd? was Arthur iets overkomen?

Wij stonden stil; ons hart klopte ternauwernood.

Maar het was laf zoo onbeweeglijk te blijven; wij moesten erheen; wij moesten weten wat er van de zaak was.

Een man, aan wien wij inlichtingen vroegen, was wel zoo goed ons te antwoorden: hij was juist de persoon, die met het bewaken vanDe Zwaanbelast was.

De Engelsche dame, die met hare twee kinderen aan boord was—een lam knaapje en een klein stom meisje—bevond zich in Zwitserland. Zij had haar schip achtergelaten, omdat zij er de Rhône niet verder mede kon opvaren. De dame en hare twee kinderen waren met een rijtuig weggereden; de andere bedienden waren gevolgd met de bagage. In het najaar zou zij terugkomen, om zich weder opDe Zwaanin te schepen en de Rhône af te zakken tot aan zee, om den winter in het Zuiden door te brengen.

Wij haalden weder adem; de vrees, die wij gekoesterd hadden, was dus ongegrond; wij moesten dan ook liever het goede dan het kwade ons hebben voorgesteld.

—En waar is die dame thans? vroeg Mattia.

—Zij is vertrokken om een villa te huren aan den oever van het meer van Genève, in den omtrek van Vevey; waar weet ik niet precies; maar zij zou daar den zomer doorbrengen.

Dan maar op weg naar Vevey! Te Genève zouden wij eene kaart van Zwitserland koopen en die stad of dat dorp zouden wij wel vinden. NuDe Zwaanniet meer vóór ons uitvoer en mevrouw Milligan den zomer op hare villa doorbracht, waren wij zeker haar te zullen vinden. Wij behoefden haar maar te zoeken.

Vier dagen nadat wij Seyssel verlaten hadden, waren wij reeds in de omstreken van Vevey, temidden der talrijke villa's, die van het meer met zijne blauwe golven af zoo bevallig achter elkander zich verheffen op de groene en boschrijke hellingen van den berg. Waar was nu het buitenverblijf, dat mevrouw Milligan met Arthur en Lize bewoonde? Eindelijk waren wij waar wij wezen moesten. Het was tijd: drie stuivers was onze eenige bezitting en onze schoenen hadden geen zolen meer.

Maar Vevey is geen dorpje, zooals wij ons eerst hadden voorgesteld; het is eene stad en zelfs geen gewone stad, want tot Villeneuve toe strekken zich een reeks van dorpen of voorsteden uit, die met Vevey een geheel vormen, Blonay, Corsier, Tour-de-Peilz, Clarens, Chernet, Montreux, Veyteaux, Chillons.

Of wij al vroegen naar mevrouw Milligan, of liever naar eene engelsche dame met haar zieken zoon en een stom meisje, bleek ons al spoedig een nutteloos onderzoek te zijn: Vevey en de oevers van het meer worden bewoond door zeer vele engelsche heeren en dames, en men kent hen evenmin als in de omstreken van Londen.

Het best was deze zelf te zoeken en ons naar alle huizen te begeven, waar vreemdelingen konden wonen. Dit was dan ook eigenlijk niet zoo moeilijk; wij behoefden maar in alle straten onze bekende melodiën te spelen.

Op één dag hadden wij geheel Vevey doorkruist en eene aanzienlijke som gebeurd; vroeger, toen wij geld wenschten voor onze koe of de pop van Lize, zou ons dit een gelukkigen avond hebben bezorgd, maar thans was het ons niet meer om het geld te doen. Nergens vonden wij de geringste aanwijzing omtrent het verblijf van mevrouw Milligan.

Den anderen morgen zetten wij onze naporingen in den omtrek van Vevey voort en gingen maar altijd verder, den weg volgende, die vóór ons lag, voor alle ramen spelende van de huizen, die er voornaam uitzagen, of die ramen al open of gesloten waren. Maar des avonds keerden wij terug, zooals wij den vorigen dag waren teruggekeerd. Toch waren wij van het meer naar den berg en van den berg naar het meer gegaan, overal rondziende, nu en dan vragen richtende aan menschen, die er welwillend uitzagen, zoodat wij hopen mochten, dat zij ons zouden te woord staan.

Dien dag wekte men tot tweemaal toe eene valsche hoop bij ons op door ons te zeggen, dat men, zonder haar naam te weten, de dame waarover wij spraken, zeer goed kende; men zond ons eerst naar een landhuis diep in het gebergte; en daarna verzekerde men ons, dat zij aan den oever van het meer woonde. Het waren ook werkelijk engelsche dames, die aan het meer en in het gebergte woonden, maar het was niet mevrouw Milligan.

Na zoo nauwkeurig mogelijk de omstreken van Vevey doorzocht te hebben, verwijderden wij ons in de richting van Clarens en Montreux, zeer ontevreden over den slechten uitslag onzer nasporingen, maar volstrekt niet ontmoedigd; wat vandaag niet gelukte, dat kon morgen gelukken.

Nu eens volgden wij wegen aan weerszijden door muren begrensd, dan weder paden dwars door wijn- en boomgaarden, of door lommerrijke bosschen van reusachtige kastanjeboomen, waarvan het dichte loof lucht en licht onderschepte en waaronder slechts fluweelachtig mos groeide. Bij elke schrede op die wegen en paden zag men door het geopend traliehek of de houten deur, net onderhouden lanen, die zich om grasperken slingerden of door dichte boschjes van bloemen en struiken; en in het groen verscholen lag daar een fraai huis of eene bevallige villa met slingerplanten bedekt. En voor al die groote en kleine woningen had men door het geboomte uitzichten gehouwen op het spiegelheldere meer en zijne omlijsting van sombere bergen.

Die tuinen brachten ons soms tot wanhoop, want daar zij ons op een afstand van de huizen hielden, konden wij ons niet doen hooren door de bewoners, als wij niet zoo luid mogelijk speelden en zongen, wat zeer vermoeiend is, wanneer men van den vroegen morgen tot den laten avond daartoe verplicht is.

Op een namiddag gaven wij een concert op straat; vóór ons was er slechts een getralied hek en achter ons een blinde muur, waarop wij geen acht sloegen. Ik had zoo luid ik kon het eerste couplet gezongen van mijn napolitaansch lied, en zou juist het tweede couplet beginnen, toen wij het opeens achter ons hoorden zingen, aan gene zijde van den muur, maar zwak en met eene onbekende stem.

Van wie kon die stem zijn?

—Van Arthur? vroeg Mattia.

Neen, het was Arthur niet; ik herkende diens stem althans niet; en toch liet Capi een gesmoord blaffen hooren en gaf alle teekenen van blijdschap, terwijl hij tegen den muur opsprong.

Ik was niet instaat mij langer te bedwingen, maar riep:

—Wie zingt daar?

En de stem antwoordde: Rémi.

Mijn naam, inplaats van een antwoord. Mattia en ik zagen elkander onthutst aan.

Terwijl wij elkander sprakeloos stonden aan te staren, zag ik achter Mattia een witten zakdoek in den wind fladderen; wij snelden naar die zijde heen.

Eerst toen wij aan de heg daar ter plaatse kwamen, zagen wij de persoon, aan wie de arm toebehoorde, die met den zakdoek had gezwaaid…. Het was Lize.

Eindelijk hadden wij haar dan gevonden en met haar mevrouw Milligan en Arthur.

Maar wie had gezongen? Dat was de vraag, die wij haar gelijktijdig deden, Mattia zoowel als ik, zoodra wij instaat waren een woord te uiten.

—Ik, zeide zij.

Lize zong! Lize sprak!

Wel is waar had ik tallooze malen hooren verzekeren, dat Lize eenmaal hare stem zou terugkrijgen en waarschijnlijk tengevolge eener heftige gemoedsaandoening, maar ik had nooit kunnen gelooven, dat dit mogelijk zou zijn.

En toch was het gebeurd; zij sprak: het wonder was geschied en het was toen zij mij had hooren zingen en mij bij haar zag komen, terwijl zij meende me voor altijd verloren te hebben, dat zij die heftige gemoedsaandoening ondervonden had.

Bij die gedachte werd ik zelf zoo ontroerd, dat ik genoodzaakt was mij met de hand aan een boomtak vast te klemmen.

Maar het was nu het oogenblik niet om zich door aandoeningen te laten overstelpen.

—Waar is mevrouw Milligan? zeide ik. Waar is Arthur?

Lize bewoog de lippen om te antwoorden, maar zij kon slechts geluiden, geen woorden uitbrengen. Ongeduldig nam zij weder de toevlucht tot hare gebarentaal om zich spoediger te doen begrijpen; haar tong en haar geest waren nog niet bedreven genoeg om zich van de gewone spraak te bedienen.

Terwijl ik met de oogen hare taal volgde, die Mattia niet verstond, zag ik achter in den tuin, op den hoek van eene lommerrijke laan, een wagentje, dat door een knecht werd voortgeduwd: in dat wagentje lag Arthur uitgestrekt, en achter hem ging zijne moeder en….. ik boog mij voorover om beter te zien….. de heer James Milligan. Onmiddellijk bukte ik, zoodat ik achter de heg verborgen was en riep Mattia op gejaagden toon toe, dat hij hetzelfde zou doen, zonder te bedenken dat James Milligan Mattia niet kende.

Toen de eerste beweging van schrik voorbij was, besefte ik, dat Lize niets van ons plotseling wegkruipen zou begrijpen. Ik richtte mij daarom een weinig op en zeide op fluisterenden toon:

—Mijnheer James Milligan moet mij niet zien; hij zou mij naar Engeland terug doen gaan.

Verschrikt hief zij hare beide armen ten hemel.

—Verroer u niet, zeide ik, op denzelfden toon voortsprekende; morgenochtend te negen uren zullen wij op deze zelfde plek komen. Tracht dan alleen te zijn en ga nu heen.

Zij aarzelde.

—Ga heen, bid ik u, en stort mij niet in het ongeluk.

Tegelijkertijd verdwenen wij achter den muur en bereikten wij, zoo hard mogelijk loopende, de wijngaarden, die ons geheel verborgen. Daar konden wij, na aan onze blijdschap den vollen teugel te hebben gevierd, rustig met elkander praten en overleggen.

—Ge begrijpt, zeide Mattia, dat ik volstrekt niet van plan ben tot morgen te wachten om met mevrouw Milligan te spreken. In dien tusschentijd zou James Milligan Arthur om 't leven kunnen brengen. Ik ga dadelijk mevrouw Milligan opzoeken en zal haar zeggen….. alles wat wij weten. Daar mijnheer Milligan mij niet kent, behoef ik niet bang te zijn dat hij aan u en aan de familie Driscoll zal denken. Mevrouw Milligan kan dan zelve beslissen wat er gedaan moet worden.

Blijkbaar was hetgeen Mattia voorstelde zeer verstandig. Ik liet hem dus gaan en maakte met hem de afspraak, dat wij elkander zouden vinden in een kastanjeboschje op eenigen afstand. Als het toeval wilde, dat de heer Milligan daarlangs ging, zou ik mij gemakkelijk kunnen verbergen.

Zeer langen tijd wachtte ik, uitgestrekt op het mos, de terugkomst van Mattia af en reeds tienmaal had ik mij afgevraagd, of wij ons ook vergist hadden, toen ik hem zag aankomen, vergezeld van mevrouw Milligan.

Ik snelde hen tegemoet en greep de hand, die zij mij toestak en kuste die, maar zij sloot mij in hare armen en zich over mij heenbuigende, kuste zij mij teeder op mijn voorhoofd.

Dat was de tweede maal, dat zij mij kuste, maar het kwam mij voor, dat zij de eerste maal mij niet zoo hartelijk in hare armen had gedrukt.

—Arm, lief kind! zeide zij.

En met hare fraaie, blanke, zachte vingeren streek zij mijn haar op zijde, om mij goed in 't gelaat te zien.

—Ja… ja… prevelde zij.

Die woorden antwoordden zeker op eene vraag, die zij in haar gemoed gedaan had, maar in mijne ontroering was ik buiten staat, die gedachte te gissen. Ik voelde slechts de teederheid van den blik, dien zij op mij rusten liet, en ik was te gelukkig om verder te denken dan dit oogenblik.

—Kindlief, zeide zij, zonder haar blik van mij af te wenden, uw makker heeft mij zeer gewichtige dingen verteld. Wilt gij me nu ook eens alles mededeelen wat met uw komst bij de familie Driscoll en met het bezoek van den heer James Milligan in verband staat?

Ik verhaalde haar alles en mevrouw Milligan viel mij slechts in de rede, om eenige bijzonderheden omtrent enkele punten te vragen: nooit had men met zooveel aandacht naar mij geluisterd; hare oogen verlieten de mijne niet.

Toen ik uitgesproken had, bleef ook zij geruimen tijd zwijgen, maar altijd mij aanziende. Eindelijk sprak zij:

—Dit alles is van zeer veel gewicht voor u, voor ons allen; wij moeten daarom zeer voorzichtig te werk gaan en eerst menschen raadplegen, die ons raad kunnen geven. Maar tot zoolang moet gij u beschouwen als de makker, als de vriend—hier aarzelde zij een oogenblik—als de broeder van Arthur en van nu af aan moet gij en uw vriendje dit ongelukkig leven eindigen. Over een paar uur moet gij u te Territet vervoegen in het hotel des Alpes, waarheen ik een vertrouwd persoon zal zenden om kamers voor u te bestellen. Daar zullen wij elkander weerzien, want thans moet ik u verlaten.

Nogmaals omhelsde zij mij, en na Mattia de hand te hebben gegeven, verwijderde zij zich met rasse schreden.

—Wat hebt gij aan mevrouw Milligan verteld? vroeg ik aan Mattia.

—Alles wat zij u verhaald heeft en nog 't een en ander. O, 't is zoo'n goede, lieve vrouw.

—En Arthur? Hebt gij dien gezien?

—Van verre; genoeg evenwel om te weten, dat hij een goede jongen is.

Ik ging voort met Mattia te ondervragen, maar hij gaf ontwijkende antwoorden of wel zoo, dat ik maar de helft er van begreep. Toen spraken wij over onverschillige dingen tot op het oogenblik, waarop wij ons, zooals mevrouw Milligan ons had gezegd, aan het hotel des Alpes aanmeldden. Ofschoon wij nog onze armelijke kleeren van straatmuzikanten droegen, werden wij zeer beleefd ontvangen door een knecht in een zwarten rok met eene witte das, die ons naar onze kamer bracht. Wat was dat eene mooie kamer! Er stonden twee ledekanten met hagelwit beddegoed; de ramen kwamen uit op eene veranda met het uitzicht op het meer en het prachtige landschap aan zijne oevers. Toen wij van de veranda eindelijk weder in onze kamer terugkeerden, stond daar nog altijd onbeweeglijk de knecht, die op onze bevelen wachtte. Hij vroeg ons wat wij voor ons middagmaal verlangden, dat hij ons op de veranda brengen zou.

—Hebt ge taart? vroeg Mattia?.

—Pruimen-taart, aardbeziën-taart, aalbessen-taart.

—Nu, geef ons dan maar van die taarten.

—Van alle drie?

—Zeker.

—En wat dan eerst? welk vleesch, welke groente?

Bij al wat de knecht zeide, zette Mattia groote oogen op, maar hij werd volstrekt niet verlegen.

—Wat ge wilt, zeide hij.

De knecht ging deftig heen.

—Ik geloof, zeide Mattia, dat wij hier beter zullen eten dan bij de familie Driscoll.

Den anderen morgen kwam mevrouw Milligan ons een bezoek brengen; zij bracht een kleermaker en eene linnennaaister mede, die ons de maat namen voor kleeren en ondergoed.

Zij vertelde ons dat Lize nog altijd voortging met zich in het spreken te oefenen en dat de dokter verklaard had, dat zij thans genezen was. Nadat zij een uur bij ons was geweest, ging zij heen en kuste mij weder en gaf Mattia de hand.

Zij kwam vier dagen achtereen en elken dag was zij liever en teederder voor mij, maar ik bemerkte toch zekere terughouding; het was of zij niet aan hare teederheid wilde toegeven of ze niet wilde laten blijken.

Den vijfden dag kwam de kamenier, die ik opDe Zwaanhad gezien, in hare plaats. Zij zeide ons dat mevrouw Milligan ons op hare villa wachtte, en dat buiten een rijtuig stond om er ons heen te brengen. Het was eene open calèche, waarin Mattia plaats nam zonder eenige verwondering te doen blijken en op eene wijze of hij er van zijne jeugd af altijd in gereden had. Ook Capi legde zich zonder aarzelen op een kussen meer.

De rit was niet ver; hij duurde al te kort, want het was voor mij of ik droomde; mijn hoofd was vol van allerlei dwaze gedachten of tenminste gedachten, die ik heel dwaas vond. Men liet ons in eene zaal, waar zich mevrouw Milligan bevond en Arthur, die op de canapé lag uitgestrekt, alsmede Lize.

Arthur strekte beide armen naar mij uit; ik snelde naar hem toe om hem aan mijn borst te drukken; ik omhelsde ook Lize, maar mevrouw Milligan omhelsde mij.

—Eindelijk, zeide zij, is het oogenblik gekomen dat gij de plaats moogt innemen, die u toekomt.

En toen ik haar aanzag om haar eene verklaring van die woorden te vragen, opende zij eene deur en ik zag vrouw Barberin binnenkomen, die onder den arm kinderkleeren droeg: een manteltje van wit cachemier, een kanten mutsje en gebreide kousjes.

Zij had ternauwernood den tijd om die kleeren op tafel te leggen, toen ik haar reeds in mijn armen had gesloten; terwijl ik haar omhelsde, zeide mevrouw Milligan iets tot een bediende, maar ik hoorde den naam van James Milligan en dit deed mij van schrik verstijven.

—Gij hebt niets te vreezen, zeide zij eindelijk; integendeel, kom hier en leg uwe hand in de mijne.

Op dat oogenblik ging de deur van de zaal open en verscheen de heer Milligan, glimlachend en al zijne scherpe tanden vertoonende. Toen hij mij zag verdween plotseling die glimlach, om plaats te maken voor een vreeselijken grijns.

Mevrouw Milligan liet hem den tijd niet om te spreken.

—Ik heb u doen roepen, sprak zij langzaam, terwijl hare stem licht beefde, om u mijn oudsten zoon voor te stellen, dien ik het geluk heb gehad eindelijk te ontdekken—hier drukte zij mij de hand—hier is hij. Maar gij kent hem reeds; gij hebt hem bezocht bij den man, die hem gestolen heeft, om naar zijn gezondheid een onderzoek in te stellen.

—Wat beteekent dat? vroeg de heer James Milligan, met een ontsteld gelaat.

—Die man, die nu in de gevangenis zit wegens diefstal in eene kerk, heeft eene volledige bekentenis afgelegd. Hier is een brief, waaruit dit blijkt. Hij heeft medegedeeld hoe hij het kind heeft gestolen en te Parijs heeft achtergelaten in de avenue de Breteuil; hoe hij de voorzorg had genomen om de merken van de kleeren af te knippen, opdat ze niet tot eene herkenning zouden leiden. Daar zijn die kleeren, die bewaard zijn door de brave vrouw, welke zoo belangeloos mijn zoon heeft opgevoed. Wilt gij dien brief lezen? wilt gij die kleeren zien?

De heer James Milligan stond een oogenblik sprakeloos; misschien dacht hij eraan of hij ons maar niet allen verworgen zou. Eensklaps ging hij naar de deur; maar vóór hij de kamer uit was, keerde hij zich om.

—Wij zullen eens zien, zeide hij, hoe de rechters zullen oordeelen over een ondergeschoven kind.

Zonder de minste ontroering sprak mevrouw Milligan—thans mag ik zeggen mijne moeder:

—Gij kunt mij voor den rechter dagen; ik voor mij zal nooit den broeder van mijn echtgenoot ter verantwoording roepen.

De deur ging achter mijn oom dicht; toen kon ik mij in de arme mijner moeder werpen, die mij vurig aan 't hart drukte en die ik voor de eerste maal durfde kussen, terwijl ze ook mijn liefkoozingen beantwoordde.

Toen onze ontroering een weinig bedaard was, kwam Mattia naar ons toe:

—Zeg nu eens aan uw mama, dat ik goed een geheim kan bewaren.

—Wist gij dan alles? vroeg ik.

Mijne moeder gaf daarop ten antwoord:

—Toen Mattia mij alles verteld had, verzocht ik hem te zwijgen, want ik was overtuigd, dat de arme kleine Rémi mijn zoon was. Maar ik moest zekere bewijzen hebben, opdat er geen dwaling meer mogelijk was. Hoe smartelijk zou het voor u geweest zijn, lief kind, als ik u eenmaal mijn zoon genoemd had, te ontdekken, dat wij ons hadden vergist! Die bewijzen hebben wij nu; en thans zijn wij voor altijd met elkander vereenigd. Voor altijd zult gij nu leven met uwe moeder en uw broer en—hier wees zij op Lize en Mattia—met hen die u liefgehad hebben, toen gij ongelukkig waart.


Back to IndexNext